De zware onderwijslast aan de #universiteit

augustus 28, 2015 by  

Overuren of tussenuren? Niet belangrijk hoe je het noemt. Maar ze vallen me wel op. Op mijn eerste dag word ik om 10 uur verwacht voor een introductie voor alle eerstejaars van ons van. Om 11 uur zijn we klaar. Om 3 uur begint het eerste college, tot 6. Vier overuren of tussenuren. Waarom? Wat is dit voor onzin? Voor zelfstudie? Maar ik weet nog helemaal niet wat ik moet leren.

Ook bij bestuurskunde in Rotterdam hadden we weinig contacturen. Daar heb ik me vaak genoeg boos over gemaakt. Maar Ik heb me nooit afgevraagd waarom die weinige uren zo verspreid over de hele week werden gegeven. Zo ook nu. In de komende weken heb ik op maandag 3 uur college, op donderdag 3 uur en op vrijdag 2 uur. Waarom doen we dat niet gewoon achter elkaar? Dan ben ik op maandag om 17 uur klaar met de colleges van de hele week. Ik kan één tegenargument bedenken. Als hetzelfde vak meer dan één keer per week wordt gegeven, is spreiden onvermijdelijk als je huiswerk mee wil geven. Maar wij krijgen helemaal niet elke week huiswerk. En het ‘inleiding musicologie’ dat we op maandag en donderdag krijgen, bestaat in werkelijkheid uit twee inleidingen, met twee verschillende docenten en twee verschillende boeken. Er staat dus niet een ééndaagse werkweek in de weg!

Of verspreiden we die paar colleges over de hele week om de indruk te geven dat we les geven? Het is zo grappig om de tegenwoordige studenten over ‘school’ te horen spreken. En het is zo minder grappig dat het universitaire onderwijs ook zo ‘schools’ is geworden. Terwijl het een school is waar nauwelijks les wordt gegeven! Ook in Amsterdam wordt de studenten voorgehouden dat ze elke week 40 uur met hun studie bezig zullen zijn. Ik ga het meemaken. Maar in Rotterdam zeiden we dat ook. Terwijl uit elk onderzoek bleek dat de studenten gemiddeld niet meer dan 20 uur per weel aan hun studie besteedden. En ik kan je beloven dat die 40 uur heel precies waren uitgerekend. Hoeveel uur kost het lezen van 10 pagina’s? Hoeveel uur kost het schrijven van een paper van 1000 woorden? Enzovoorts, enzovoorts. Alleen die uren waren volstrekt fictief. Uit de lucht gegrepen. Kijk maar naar die werkweken van 20 uur!

Ook voor docenten bestaan dat soort berekeningen. Ik gaf de laatste jaren in Rotterdam aan de eerstejaars het vak ‘kernvragen van de bestuurskunde’. In de eerste vier weken van hun studie behandelde ik ongeveer de hele stof. Ik deed dat in 8 colleges, van 2 x 45 minuten. Dat is 12 uur in totaal. Mijn onderwijslast voor deze 12 uur bedroeg 150 uur. Met uitdrukkelijke vermelding dat ik niet geacht werd de tentamens na te kijken (hetgeen op zich al een gotspe is). Iemand, ja iemand in de bureaucratie, had blijkbaar uitgerekend dat een ervaren hoogleraar 12,5 uur voorbereiding nodig heeft voor 1 uur les geven aan eerstejaars die nog nimmer iets van de bestuurskunde hebben gehoord. Ook als hij zijn Powerpoint van vorig jaar gebruikt.

Maar laten we eerlijk zijn: de docenten lieten zich deze bureaucratie met graagte aanleunen. Met een paar vakjes had je al voldaan aan je ‘onderwijslast’ en kon je je weer richten op je ‘onderzoekstijd’. Ja, dat zijn de formele woorden. En die twee woorden zeggen in feite alles. Het onderwijs is vooral een last en met goed onderzoek worden we uiteindelijk hoogleraar. En daarom krijgen die studenten zo weinig onderwijs dat al mijn colleges in één dag zouden kunnen worden afgehandeld.

 

Zie ook: Een studie aan de #UvA als cursus zelfbeheersing

Afscheid van de bestuurskunde

mei 14, 2015 by  

“Zou je hen willen vertellen wat de bestuurskunde voor jou zelf betekent?” De collega is aardig en je kan hem niets weigeren. Hij zoekt een manier om een mooie invulling te geven aan het allerlaatste college van onze ‘deeltijdstudenten’. Ik zeg toe. Ik krijg er geen spijt van, maar ik krijg het wel benauwd. Het verhaal moet dus gaan over ‘de bestuurskunde en mij’. En ik weet al jaren dat die relatie bijzonder is. Laten we zeggen: niet stralend. Als men mij vraagt wat ik ben, antwoord ik meestal: socioloog. Ja, dat heb ik gestudeerd, maar ik ben wel al 26 jaar hoogleraar ‘bestuurskunde’. Dat vertel ik er dan ook nog wel bij. Maar waarom zeg ik niet gewoon: ik ben bestuurskundige.

Bovendien houd ik van het openbaar bestuur en houd ik van de wetenschap. Waarom voel ik me na al jaren dan nog steeds geen bestuurskundige? Is er misschien een kloof tussen mijn ideale bestuurskunde en (wat ik zie als) de mainstream-bestuurskunde?

Het college mag niet te lang duren. Dus ik maak twee lijstjes. Van ‘mijn’ bestuurskunde en van ‘de’ bestuurskunde. Zoals de bestuurskunde in mijn ogen zou moeten zijn en zoals de bestuurskunde in mijn ogen is. Ideaal versus gepercipieerde werkelijkheid.

Mijn bestuurskunde is:

  • Een bestuurskunde die vanuit een gedegen kennis van het openbaar bestuur op datzelfde openbaar bestuur reflecteert.
  • Een bestuurskunde die de vier basisdisciplines verenigt voor het domein van het ‘openbaar bestuur’: de economie, de rechtswetenschap, de sociologie en de politicologie.
  • Een bestuurskunde die voortbouwt op de grote denkers van deze vier basisdisciplines. Denk bij de sociologie aan Durkheim, Weber, Giddens, Castells.
  • Een bestuurskunde die zijn voordeel doet met de intelligente modellen van de economen, hun zoektocht naar de rationaliteit van het menselijk gedrag en hun consequente redeneren vanuit (het idee van) de markt. Hoe vaak ik het ook fundamenteel oneens ben met economen, zij hebben mijn denken enorm aangescherpt.
  • Een bestuurskunde die zijn voordeel doet met het idee van de rechtstaat van juristen, hun formele én informele staatsrecht en hun heldere en normatief strak ingekaderde beschouwingswijze (rechtvaardigheid, rechtszekerheid, rechtsgelijkheid).
  • Een bestuurskunde die zijn voordeel doet met het idee van de verzorgingsstaat van de sociologen, hun denken over functies en over ongelijkheid, hun denken vanuit maatschappelijke problemen en hun empirische fascinatie (hoe zit het echt?).
  • Een bestuurskunde die zijn voordeel doet met het machtsbegrip en het democratiebegrip van de politicologen, hun eeuwige vraag ‘wie krijgt wat, wanneer en hoe’ en hun methodologische zuiverheid (die niet zelden tot debunking leidt).
  • Een bestuurskunde die uiteindelijk altijd bezig is met vraag: welke maatschappelijke problemen worden hier opgelost en wat legitimeert het overheidsoptreden in dit geval? Een bestuurskunde die dus altijd vanuit de inhoud redeneert.
  • Een bestuurskunde die studenten het openbaar bestuur wil leren (begrijpen).

Ik geef een voorbeeld. Sinds een paar jaar geef ik aan gemeentelijke strategen een leergang over ‘de triomf van de stad’. In zes modules van twee dagen (op locatie) komen alle grote stedelijke thema’s (maatschappelijke problemen) aan de orde. Als we het hebben over de stedelijke economie, leggen economen ons uit hoe die economie werkt. En legt de directeur van Hightech Campus Eindhoven ons uit hoe de uitwisseling van kennis tussen universiteit en bedrijven in de praktijk gaat. Als het over ‘immigratie en achterstanden’ gaat, praten we een hele dag met sociologen. Als het over wonen gaat praten we met demografen en volkshuisvestingsdeskundigen. En elke keer vragen we ons vervolgens af welke strategie in onze eigen steden geschikt zou zijn om de stedelijke economie te versterken, om de achterstanden terug te dringen of om vraag en aanbod op de woningmarkt beter met elkaar te laten matchen. Welke missie, welke handelingspraktijk? Voor mij is dat allemaal bestuurskunde, mijn bestuurskunde.

Ik zie in de praktijk vaak iets anders:

  • Een bestuurskunde die een krampachtige poging doet om zich als zelfstandige wetenschap waar te maken en tegelijkertijd een eigen manier van redeneren ontbeert. Dit laatste leidt vaak tot een vlucht in wolligheid.
  • Een bestuurskunde die zich in navolging van de beta-wetenschappen te veel richt op theorievorming en het toetsen van theorieën, terwijl een theorie in de bestuurskunde in het beste geval een manier van kijken is en in het slechtste geval het zicht op het openbaar bestuur ontneemt.
  • Een bestuurskunde die door de internationalisering van het vak eerder een kleinere dan een grotere rol heeft gekregen in het nationale debat over de nationale overheid. Bijdragen in internationale tijdschriften worden overgewaardeerd en het Nederlandstalige essay (en het Nederlandstalige boek) worden ondergewaardeerd.
  • Een bestuurskunde die te zelfreferentieel is geworden en daardoor zowel zijn empirische als zijn reflecterende functie onvoldoende vervult.
  • Een bestuurskunde die de grote beleidsvelden als zorg, onderwijs, participatie, veiligheid, energie, klimaat, milieu etc. slechts als voorbeeld neemt en niet als onderwerp.
  • Een bestuurskunde die is ingebed in een academische gemeenschap waarin de tijd wordt verdeeld in onderwijslast en onderzoekstijd. De begrippen spreken voor zich. Een gemeenschap bovendien waar de didactiek van het onderwijs nauwelijks ontwikkeling doormaakt en daardoor ver achterloopt bij de didactiek in het vwo. Het pijnlijke is dat de student daarmee genoegen neemt. Blijkbaar infecteert het universitair onderwijs de student vaak zodanig, dat hij het calculeren boven het leren stelt.

Er is dus een kloof tussen ‘mijn’ bestuurskunde en ‘de’ bestuurskunde, exacter geformuleerd: mijn perceptie van de mainstream-bestuurskunde. Dit is geen verwijt, dit is geen aanval op mensen of posities. Dit gaat alleen over mij. Over mijn fascinaties. En over waarom ik me nooit echt een bestuurskunde ben gaan voelen.

Maar het moet wel gevolgen hebben. Ik ben met mijn beperkte aanstelling aan de Erasmus universiteit in Rotterdam niet in staat om de kloof kleiner te maken. Ik ben 63 en ik wil ooit nog eens fulltime muziekstudent zijn. Volgens plan zou ik in de zomer van 2016 de universiteit verlaten. Maar dit reflecterende college laat maar één conclusie toe: ik stap nu op. Ik blijf nog doceren bij gemeenten en op departementen. (De triomf van de stad geeft nog veel bevrediging.) Maar de academische bestuurskunde zal het vanaf vandaag zonder mij moeten stellen.

Extra leergang ‘Triomf van de stad’

januari 12, 2015 by  

De PBLQ-leergang ‘Triomf van de stad’ trok in de afgelopen zomer zoveel belangstelling dat we een wachtlijst moesten aanleggen en hebben besloten om halverwege het jaar een extra leergang te starten: in april 2015. De leergang is bedoeld voor gemeentelijke strategen, maar wordt ook gevolgd door anderen die in hun werk veel met de ontwikkeling van de stad te maken hebben. De leergang omvat zes modules van twee dagen met als thema’s: stedelijke economie, demografie en wonen, immigratie en achterstanden, cultuur, veiligheid en duurzaamheid. Wetenschappers én praktijkmensen van naam treden op als docent. Voor elke module strijken we in een andere stad neer, om theorie en praktijk effectief te kunnen combineren. De leergang wordt ook ‘in company’ aangeboden, waarvan ook al ruim gebruik is gemaakt. Voor nadere informatie en voor aanmelding: zie hier .

Tweede druk ‘Kennis en beleid verbinden’ verschenen.

januari 2, 2014 by  

Aan het einde van 2013 is (na een eerdere herdruk) de tweede druk van ‘Kennis en beleid verbinden’ verschenen. Ik heb dit boek in samenspraak met Karen Ephraim geschreven. We gebruiken het in onze masterclasses ‘kennis voor beleid’ en ‘beleid voor onderzoekers’. De masterclasses zijn de laatste jaren gegeven voor medewerkers van de Ministeries van VROM, IenM, BZK, SZW en OCW, van de provincie Noord-Brabant en van de gemeente Den Haag, alsmede voor onderzoekers van PBL, KNMI, RIVM, KiM, TNO, RWS en WRR. Zie ook bij projecten. Het boek kan worden besteld bij Boom|Lemma: hier

Debatteren met open vizier

november 19, 2013 by  

Ik stel het zeer op prijs als mensen reageren op mijn blogs. Debat dwingt je soms om je argument scherper te formuleren, debat leert je soms dat je een ander perspectief over het hoofd hebt gezien, debat leert je soms dat je een off day had. Dus: reacties zijn welkom. Hoe afwijkend ook: ze worden door mij geplaatst. Ik maak slechts twee voorbehouden voor het plaatsen van de reactie: schelden is niet toegestaan en er wordt met open vizier gestreden: anonieme reacties worden niet geplaatst. Bovendien houd ik me het recht voor om spelfouten te corrigeren. Ik maak er zelf al te veel.