Kosten en baten van een intelligente lockdown #corona

mei 20, 2020 by  

Ze lijkt in tijden van Corona even helemaal vergeten: de techniek van de mkba’s. Premier Rutte blijft het zeggen: “Gezondheid gaat nu even boven alles”. Het is heel herkenbaar, maar zouden we kosten en baten van het corona-beleid toch niet veel beter in kaart moeten brengen?

Ik moet eerlijk zeggen: ik ben nooit een groot fan geweest van mkba’s. Maar bij corona triggert die gedachte me wel. Niet om alles te monetariseren. Omdat het mij ontbeert aan gegevens én omdat veel zaken zich niet laten monetariseren. En het zij nogmaals gezegd: het streven naar monetariseren mag nooit de democratische vrijheid van burgers in de weg staan om anders te beslissen.

Het goede van een mkba is dat zij tot een stellingname dwingt. Of op zijn minst om een redenering vraagt waarom tot iets anders wordt besloten. Je zou eigenlijk wensen dat de politiek tot zo’n stellingname wordt gedwongen. Een lockdown is niet alleen een zaak van virologen en epidemiologen. Het is de regering die over een lockdown beslist. En in de politiek behoort de vraag te worden gesteld of de voordelen van een lockdown tegen de nadelen opwegen. 

Ik heb hier al eerder een aanzet gegeven tot een mkba voor het coronabeleid. Ik hoop dat ik nu weer een paar stappen verder ben. 

Intelligente lockdown

Van de lockdown worden (grote) baten verwacht voor de volksgezondheid. De redenering van Rutte heeft daarbij de charme van de eenvoud. Zij verloopt zo: mensen kunnen besmet raken met het COVID-19-virus door contact met andere mensen. Besmette mensen worden ziek en ernstig zieke mensen moeten worden opgenomen in een ziekenhuis. Als het nog slechter met hen gaat moeten ze naar de Intensive Care (IC). Het beleid moet er dus voor zorgen dat er altijd genoeg IC-bedden zijn. Daarom breiden we het aantal IC-bedden uit en dammen we het aantal besmettingen in. Dat laatste doen we door het directe contact tussen mensen te beperken, met een ‘intelligente’ lockdown. En iets wat ‘intelligent’ is, moet wel goed zijn. 

De praktijk is helaas iets weerbarstiger, want wie vandaag aan een knop draait, ziet pas over twee tot drie weken effect op de IC. Het virus moet immers tijd krijgen om zich te nestelen en zijn drager ziek te maken. Bovendien is het draaien aan knoppen van de samenleving ook minder eenvoudig dan het misschien lijkt. Hoeveel mensen zijn immers bereid te doen wat het kabinet van hun verlangt en vooral: hoe lang houden ze dat vol?

De baten van een lockdown lijken ogenschijnlijk groot: iedereen geneest. In de praktijk is dat niet waar. Vooral dat frame van een intelligente lockdown blijkt niet te kloppen. 

Ten eerste gaat ongeveer eenderde van de patiënten die op een IC worden opgenomen, alsnog dood, en wie niet dood gaat heeft nog een lange hersteltijd voor de boeg. Die IC is geen wonderdokter. 

Ten tweede overlijden heel veel mensen ver voordat ze op een IC hadden kunnen liggen of omdat men opname op een IC niet meer zinvol achtte. In mei 2020 hebben we kunnen vaststellen, dat de IC’s geenszins overbelast zijn geraakt (op het hoogtepunt van de toeloop waren er nog honderden IC-bedden over), terwijl naar schatting 11.000 mensen aan COVID-19 zijn overleden (cijfers van RIVM/CBS).

[Er is nog veel onduidelijkheid over het aantal mensen dat aan COVID-19 is overleden. De officiële cijfers van het RIVM vermelden alleen de overlijdensgevallen bij wie een besmetting is vastgesteld. De cijfers van het CBS geven alleen de oversterfte aan per week. Maar daarin zijn niet de mensen meegenomen die anders ook zouden zijn overleden aan een longontsteking, maar nu door COVID-19 geveld zijn. Bovendien kennen de cijfers van het CBS een vertraging van meer dan een week. Op dit moment is de oversterfte in de periode van de uitbraak van COVID-19 ongeveer 9.000. Het aantal bewezen COVID-19 slachtoffers bedraagt momenteel 5.600. Het lijkt me daarom redelijk om het aantal COVID-19 sterfgevallen op 11.000 te schatten.]

Daar komt bij dat met het afvlakken van de curve het virus niet automatisch is verdwenen. Het afvlakken van de curve zorgt ervoor dat de zorg niet overbelast raakt, maar voorkomt ook dat een groot deel van de bevolking besmet raakt. Deze mensen blijven in de toekomst bevattelijk voor het virus. Dus wanneer de lockdown langzaam wordt opgeheven, zal het virus onvermijdelijk na een tijdje een nieuwe uitbraak tot gevolg hebben. Dat proces stopt pas als er een werkzaam vaccin is gevonden of wanneer groepsimmuniteit is bereikt doordat voldoende mensen antistoffen hebben aangemaakt (nadat ze besmet zijn geraakt). Een vaccin laat nog wel even op zich wachten en het RIVM meent dat we nog ver verwijderd zijn van groepsimmuniteit. Er zullen dus nog meer uitbraken volgen en ook in die volgende uitbraken zullen veel mensen komen te overlijden. Ongetwijfeld voorspellen de modellen van het RIVM het uiteindelijke aantal doden, maar daarvan wordt het volk onwetend gelaten. 

Scenario’s

Bij een nieuwe weg is de mkba relatief simpel. We vergelijken kosten en baten van een weg in vergelijking met geen weg. Het coronavirus kwam zo snel en er was nog zo weinig kennis, dat het kabinet op weg ging zonder een helder eindperspectief. Zoals Rutte zei: “Op basis van 50% kennis moeten we 100% besluiten nemen.” Gelukkig wordt langzaam duidelijk dat het virus niet valt te “doven”, of valt te “elimineren”. Ook als het binnen Nederland is uitgedoofd is de kans levensgroot dat het weer uit het buitenland wordt geïmporteerd. Dit betekent dat het virus pas voorbij zal zijn als er groepsimmuniteit is ontstaan: er hebben zoveel mensen antistoffen aangemaakt dat het virus geen voedingsbodem meer vindt. 

Groepsimmuniteit ontstaat ofwel door voldoende mensen te vaccineren of doordat het merendeel van de mensen na besmetting anti-stoffen heeft aangemaakt. In het laatste geval kunnen we het virus zijn gang laten gaan (nietsdoen) of de uitbraak zodanig controleren dat de zorg niet overbelast raakt (flatten the curve). 

Er zijn dus drie scenario’s:

  1. Nietsdoen: het virus zorgt voor een golf van slachtoffers, maar is naar verwachting na een paar maanden voorbij als groepsimmuniteit is bereikt. 
  2. Gecontroleerd (met een intelligente lockdown) toewerken naar groepsimmuniteit  zonder de zorg over te belasten. Het is tot op heden volstrekt ongewis hoeveel tijd met dit scenario is gemoeid. Maar het kan jaren vergen. 
  3. Het wachten op een werkzaam vaccin en tot die tijd beperkingen opleggen (lockdown) om het aantal slachtoffers zoveel mogelijk te beperken. Dit scenario vergt volgens deskundigen 1 tot 2 jaar. Sommigen menen dat het vaccin eerder beschikbaar is. 

Het kabinet leek aanvankelijk te kiezen voor het tweede scenario. In zijn toespraak tot het volk van 16 maart 2020 sprak Mark Rutte de hoop uit dat we gecontroleerd tot groepsimmuniteit zouden komen. Politiek viel dat niet goed. Op 6 mei 2020 kondigde Hugo de Jonge aan dat het kabinet inmiddels ervoor inzette op het derde scenario: we moeten ons behelpen tot een werkzaam vaccin beschikbaar is. 

Gezondheidsbaten en -kosten

Als de regering niets had gedaan waren in hoog tempo veel mensen besmet geraakt en zouden veel mensen zijn overleden. Totdat groepsimmuniteit zou zijn bereikt. Volgens deskundigen dooft het virus uit wanneer ongeveer 60% van de populatie, in Nederland ongeveer 10 miljoen mensen, na besmetting voldoende antistoffen heeft aangemaakt. Maar hoeveel mensen dan daadwerkelijk zouden zijn overleden blijft ongewis, zolang de mortaliteit van COVID-19 nog zo ongewis is. 

Aanvankelijk werd de mortaliteit van COVID-19 op 3% geschat. Inmiddels weten we dat het cijfer veel lager moet liggen. Doordat veel mensen slechts milde klachten hebben na besmetting, werd het aantal besmette mensen aanvankelijk te laag en daarmee de mortaliteit te hoog geschat. Deskundigen lijken tegenwoordig te neigen naar een mortaliteit van 1%. Niettemin  blijkt uit onderzoek in Brabant dat mogelijk zelfs 97% van de besmette mensen slechts milde klachten krijgt. Als 97% van de mensen die besmet zijn met COVID-19 slechte milde of helemaal geen klachten heeft, dan is het toch niet reëel om te denken dat 1 op de 3 mensen die echt ziek worden, daaraan ook bezwijkt (wat je wel moet verwachten met een sterftecijfer van 1%)? Als zelfs tweederde van de patiënten die op de IC terecht zijn gekomen, daar weer levend vandaan komt, is het waarschijnlijker dat 1 op de 30 zieke patiënten aan de ziekte bezwijkt, dan 1 op de 3. Dat betekent een mortaliteit van 0,1%.

Stel dat de mortaliteit van COVID-19 3% is en groepsimmuniteit wordt bereikt bij 60% van de bevolking, dan zou voordat groepsimmuniteit is bereikt 3% van 10.020.000 = 300.600 mensen in Nederland aan COVID-19 overlijden. Bij een mortaliteit van COVID-19 van 1% zouden er 100.200 mensen in Nederland overlijden voordat groepsimmuniteit is bereikt. En bij een mortaliteit van 0,1% zouden er 10.020 mensen in Nederland overlijden voordat groepsimmuniteit is bereikt. 

Dat laatste cijfers is opvallend. Omdat inmiddels in Nederland al 11.000 mensen zijn overleden aan COVID-19. Dat kan drie dingen betekenen. Ten eerste kan de schatting van 11.000 slachtoffers te hoog zijn. Ten tweede kan onze redenering niet kloppen: de mortaliteit is hoger dan 0,1%. Ten derde kan het zijn dat de groepsimmuniteit in Nederland al is bereikt. Op dit moment, 16 mei 2020, is het te vroeg om te bepalen of die laatste gedachte juist is. Maar het zou wel een verklaring kunnen zijn voor het feit dat de dagelijkse sterftecijfers snel dalen. Het kan zelfs zijn dat de dalende sterftecijfers niet zozeer het gevolg zijn van alle beperkende maatregelen, maar van het bereiken van de groepsimmuniteit. 

Dat roept de vraag op hoeveel doden er minder zijn gevallen door de intelligente lockdown. Hoeveel doden zouden vallen in het tweede scenario? Ik ben geen RIVM, ik ben geen viroloog of epidemioloog. Maar ik weet wel dat op 7 mei ongeveer 2100 mensen op de IC hadden gelegen. Dat van hen ongeveer 700 zijn overleden, 700 gezond de IC hebben verlaten, maar nog wel in het ziekenhuis liggen en 700 patiënten weer naar huis zijn. Laat ik conservatief schatten dat deze 1400 overlevenden allemaal waren overleden als ze niet op een IC hadden gelegen. Dus zonder voldoende IC-bedden waren er maximaal 1400 doden extra te betreuren geweest. Dus geen 11.000 doden maar 12.400. De lockdown levert dus een winst op van circa 11% minder doden. 

Dat is overigens niet zo verbazingwekkend. De mortaliteit van COVID-19 is onder de 65 jaar niet hoger dan de mortaliteit van een seizoensgriep. Het zijn vooral ouderen (gemiddeld boven de 80 jaar) die aan COVID-19 sterven. Dan is het logisch dat velen sterven voordat überhaupt aan een IC-opname is gedacht, dat bij velen de afweging wordt gemaakt dat een IC-opname nauwelijks zin heeft en dat velen op de IC komen te overlijden. 

Ik geef toe: het zijn allemaal berekeningen achterop een sigarendoosje. Maar ik schrik er wel van. De baten van de lockdown zijn dus slechts11% minder doden, hoe effectief de lockdown ook is geweest. Het is namelijk onmiskenbaar dat alle contact-verboden ertoe hebben geleid dat de IC’s niet overbelast zijn geraakt. Volgens het RIVM waren er zonder beperkende maatregelen 23.000 IC-bedden nodig geweest (dixit Jaap van Dissel, 22 april 2020, briefing Tweede Kamer). En die bedden zouden er niet zijn geweest. 

Uitgaande van deze 11% kunnen we de gezondheidsbaten van het tweede scenario berekenen. Als de mortaliteit 3% bedraagt zouden er in het tweede scenario geen 300.600 mensen komen te overlijden, maar 267.500, een winst van 33.100 slachtoffers. Als de mortaliteit 1% bedraagt zouden er in het tweede scenario geen 100.200 mensen komen te overlijden, maar 89.200, een winst van 11.000. Als de mortaliteit 0,1% bedraagt zouden er in het tweede scenario 8.900 mensen komen te overlijden, een winst van 1.100 doden. 

Het is dus opvallend dat de gezondheidsbaten van het tweede scenario tamelijk gering zijn. Oké een winst van 33.100 slachtoffers bij een mortaliteit van 3% is niet gering, maar de kans dat de mortaliteit van COVID-19 zo hoog ligt, is wel heel gering. Het is daarom zeer begrijpelijk dat het kabinet inmiddels openlijk voor het derde scenario kiest. Het kabinet kiest ervoor om het maatschappelijk verkeer te dempen tot een werkzaam vaccin is gevonden. 

Hoeveel mensen zouden aan COVID-19 overlijden in dat derde scenario? Dus wanneer we vasthouden aan een intelligente lockdown totdat een werkzaam vaccin is gevonden? Laten we uitgaan van één jaar wachten op een werkzaam vaccin, met twee nieuwe uitbraken. Moeten we er dan vanuit gaan dat er 30.000 slachtoffers vallen voordat er een werkzaam vaccin is? Dan zou de winst van de lockdown zijn: geen 91.800 doden, maar 30.000, dus een winst van 62.000. 

Als je het zo bekijkt is het dus niet zo relevant of de IC overbelast raakt. Het is veel relevanter hoe we het aantal besmettingen en het aantal sterfgevallen kunnen terugdringen, tot er een vaccin is gevonden.

De geharnaste mkba-er hangt daaraan een prijskaartje. Hoeveel is een levensjaar ons waard? En hoeveel is een gezond levensjaar ons waard? Het gemiddelde slachtoffer van COVID-19 is ouder dan 80 jaar. Het hoogste aantal slachtoffers valt in de categorie 85-90 jaar. In 90% van de gevallen is sprake van onderliggend lijden: de slachtoffers leden al aan één of meer ernstige ziektes. Het is niet toevallig dat 40% van de corona-doden vallen in de verpleegtehuizen (waar de gemiddelde ligduur ook zonder corona maar 6 maanden bedraagt). Monetariseren gaat me persoonlijk te ver. Maar het zou me niet verbazen als de winst niet meer dan 62.000 levensjaren bedraagt. Op voorwaarde dat groepsimmuniteit niet eerder ontstaat (of al is bereikt). 

Kosten

Wat zijn de maatschappelijke kosten van de lockdown die in de scenario’s 2 en 3 bepaalde perioden onvermijdelijk is? Waarbij we moeten aantekenen dat de duur van scenario 2 nog ongewisser is dan de duur van scenario 3. Groepsimmuniteit zonder vaccin kan 4 jaar vergen, maar kan ook binnen een half jaar zijn bereikt. Een vaccin zal er niet zijn binnen een half jaar na de eerste uitbraak, maar naar alle waarschijnlijkheid wel binnen anderhalf jaar. 

Ik becijfer de kosten niet, maar noem de belangrijkste:

  • een enorm welvaartsverlies, omdat veel bedrijven gedwongen worden om de productie gedeeltelijk of geheel stil te leggen en omdat de wereldhandel enorm afneemt omdat ook in andere landen de economie hard krimpt;
  • door het welvaartsverlies verliest de overheid veel inkomsten, waardoor jarenlang bezuinigingen op essentiële voorzieningen dreigen;
  • een enorme klap voor de culturele sector omdat voorstellingen onmogelijk zijn geworden voor langere tijd, omdat musea zijn mondjesmaat zijn geopend en veel boekhandels zullen omvallen;
  • een enorme sociale armoede: contactverlies met ouders, met kinderen, met vrienden, terwijl intermenselijk contact voor mensen zo belangrijk is; ook of zelfs juist voor degenen die thuis leiden onder fysieke of mentale mishandeling;
  • een enorm onderwijsverlies, omdat het onderwijs verschillende keren moeten worden stilgelegd, waarbij vooral de kinderen die het onderwijs het meest nodig hebben, het meest onder deze onderwijsvorm periodes zullen lijden;
  • door het welvaartsverlies zal de gezondheid in het algemeen afnemen en zullen er meer mensen sterven. Het is bekend dat in maart en april 2020 mensen met andere aandoeningen in de ziekenhuizen door de focus op COVID-19 veel minder aandacht kregen. Zo meldde de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie op 15 mei in de NRC dat door de lockdown 150.000 tot 200.000 hartpatiënten te weinig of geen zorg hebben gehad en dat dat 65.000 tot 100.000 levensjaren zal kosten;
  • een enorm institutioneel verlies: op tal van rechten van mensen wordt beknibbeld. Ja zeker, veel zorgvuldiger dan in andere landen, maar toch ook hier. Het is zelfs de vraag of de instituties niet wezenlijk en definitief zullen zijn veranderd nadat deze crisis voorbij is. 

Afweging

Ik snak naar een viaduct of naar een tunnel. Zeg maar, naar een echts Delfts onderwerp. Wat maakt deze mkba (en dus ook de finale afweging) zo ingewikkeld:

  • de grote onzekerheid ten aanzien van het virus (hoeveel mensen zijn al besmet, hoe hoog is de mortaliteit); 
  • de grote onzekerheid ten aanzien van de werking van de lockdown (welke beperkende maatregelen zullen hoelang worden geaccepteerd door de samenleving?);
  • de grote emotionele lading door het grote aantal doden, dat door sommige economen dan wel kan worden ‘beprijsd’, maar door geen politicus kan worden afgewogen tegen stijgende werkloosheid of oplopende tekorten.

Vooral die laatste factor maakt het opstellen van een mkba in deze casus tamelijk zinloos. Omdat alle afwegingen zo moeilijk zijn, mag je verwachten dat de politiek zijn oor heel goed te luister zal leggen in de samenleving. Uiteindelijk zullen daar de echte afwegingen worden gemaakt. En daar zullen ze van mijn mkba geen weet hebben. 

Deel dit bericht:

Twaalfde Triomf van de stad start in oktober 2020

mei 18, 2020 by  

Sinds 2012 organiseren Karen Ephraim en ik de leergang Triomf van de Stad. Een prachtige leergang met veel topwetenschappers én met veel praktijkmensen. Geheel ontworpen voor stedelijke strategen. Over de ontwikkeling van de steden en over het antwoord dat de overheid daarop zou kunnen geven. Sinds 2012 hebben 11 groepen van 10-16 deelnemers de leergang gevolgd. De belangstelling lijkt alleen maar toe te nemen. Voor ons is het elk jaar inspirerend, omdat we steeds weer nieuwe leuke en interessante cursisten leren kennen. We gaan na dit jaar dan ook vanzelfsprekend door met de 12e editie. Te starten in oktober 2020. De folder is hieronder te lezen. Als corona het toelaat zien we elkaar op: 8-9 oktober 2020, 12-13 november 2020, 10-11 december 2020, 7-8 januari 2021, 11-12 februari 2021, 18-19 maart 2021. Wacht niet te lang met aanmelden. Er is volop belangstelling. Én we willen voldoende tijd hebben om de leergang corona-proof aan te bieden.

Of zie hier de pdf:

Deel dit bericht:

Triomf van de stad: de leergang

september 8, 2016 by  

triomf

De leergang

Sinds 2012 organiseer ik de leergang Triomf van de stad voor stedelijke strategen. Een keur van docenten wisselen prachtige praktijkcasus af. Om die reden slaan we onze tenten steeds weer in een andere stad op. Samen met Karen Ephraim zorg ik zelf voor de verbinding. De leergang beslaat zes modules van twee dagen. In oktober 2020 start de 12e groep. Voor nadere informatie zie: Triomf van de stad 2021. Voor aanmelding kan men mailen naar: wimderksendh@gmail.com. In onderstaande essay geef ik de rode draad van de leergang weer, inclusief leervragen.

De rode draad

De woningprijzen in Amsterdam stijgen snel. Huizen worden boven de vraagprijs verkocht. Er wordt grof geld betaald om in die stad te mogen wonen. Ook andere steden gaat het momenteel voor de wind. Nog niet zo lang geleden was dat wel anders. In de jaren 60 verlieten veel inwoners hun steden. Dat was toen heel begrijpelijk. Veel steden waren vies en verpauperd. Hoeveel beter was het leven in de nieuwe groeikernen! Het is bijna onvoorstelbaar hoe hard de steden in die tijd zijn gekrompen. Nog steeds heeft Amsterdam minder inwoners dan in de jaren 50 en 60.

Toch was die trek naar het platteland, die suburbanisatie, een tijdelijk fenomeen. In het algemeen is niet ontstedelijking maar verstedelijking de norm. Mensen hebben de neiging naar steden te trekken. Op dit moment woont al meer dan de helft van de wereldbevolking in steden. En dat is niet zo vreemd, omdat in steden voor veel mensen werk is te vinden. Omdat de meeste bedrijven in steden zitten. Die bedrijven zitten daar om een hele simpele reden: in de stad zijn ze productiever. Ruimtelijk economen weten dat hetzelfde bedrijf buiten de stad 7% minder productief zou zijn. Daarom zitten bedrijven in de stad en trekken mensen van het platteland naar de stad.

Waarom is het bedrijf in de stad productiever? Er zijn drie goede redenen voor. Ze hebben allemaal te maken met ‘bevolkingsdichtheid’ en met ‘massa’. In jargon spreken we over: matching, sharing en learning.

  • Matching: bedrijven in de stad profiteren van de afzetmarkt in hun directe omgeving. Dat scheelt transportkosten. Minstens zo interessant is het feit dat de arbeidsmarkt in de steden veel beter is. Hoe meer mensen op reisafstand, hoe meer keuze je hebt en hoe beter je personeel. Er vindt een betere match plaats.
  • Sharing: omdat een stad veel andere bedrijven huisvest, is er een tweede voordeel: bedrijven kunnen zich specialiseren. Wat ze niet meer in huis hebben, kopen ze om de hoek bij een ander bedrijf in. En hoe meer specialisten hoe hoger de kwaliteit van het werk.
  • Learning: hoe meer bedrijven in de directe omgeving, hoe meer kansen om iets van elkaar te leren. En hoe groter de kans dat gezamenlijk nieuwe producten worden ontwikkeld. Denk ook aan de betekenis van universiteiten en andere kennisinstellingen voor het lokale bedrijfsleven.

Matching, sharing en learning zijn allemaal agglomeratievoordelen. Omdat er massa is, ontstaan voordelen, die bedrijven op het platteland ontberen.

Er is iets bijzonders aan de hand met agglomeratievoordelen. Ze zijn zelfversterkend. Omdat de productiviteit in de stad hoger is, zijn de lonen daar hoger. En vanwege die hogere lonen, worden betere mensen aangetrokken. En omdat die betere mensen komen, worden de lonen nog hoger en komen er nog meer betere mensen. Als dat vliegwiel eenmaal in beweging is, kan zo’n stad steeds productiever en steeds rijker worden. Het stijgen van huizenprijzen hoort daarbij. De hoogte van de huizenprijzen is zelfs één van de beste indicatoren voor de welvaart en het succes van een stad. Je moet gemeentebesturen dan ook wantrouwen als ze zeggen dat hun stad zo aantrekkelijk is omdat de huizenprijzen zo laag zijn. Als de huizenprijzen laag zijn, betekent dat maar één ding: de stad is niet aantrekkelijk genoeg.

De triomf van de stad is niet van alle tijden

Uit het voorgaande zou je kunnen opmaken, dat het alleen maar beter kan gaan met steden als dat vliegwiel eenmaal in beweging is. Maar dat vliegwiel is geen automatisme. Zie de teruggang van de steden in de jaren 60 en 70. Waren er toen geen agglomeratievoordelen die de productiviteit van de bedrijven in de steden opjoegen? Die waren er wel, maar twee andere factoren waren van meer gewicht. Zo kent een stad niet alleen agglomeratievoordelen, maar ook agglomeratienadelen. De ‘massa van de stad’ zet de kwaliteit van leven soms ernstig onder druk. Dat gold zeker in de jaren 60 toen de vele fabrieken in de steden het leefklimaat ernstig aantasten. Het leefklimaat in de stad kan zo slecht zijn dat mensen liever elders een minder interessante baan accepteren. Die afweging gaat inderdaad ten koste van de match van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. En leidt dus ook maatschappelijk gezien tot welvaartsverlies. Maar die mensen woonden nu eenmaal liever in een rustiek dorp dan in die vuile stad.

Maar er kwam nog iets interessants bij: juist in die tijd brak de auto door als vervoermiddel voor Jan en Alleman. En met de auto werd de stad ook goed bereikbaar vanuit de nieuwe groeikernen en vanuit het kleine rustieke dorp in het Groene Hart. Je zou kunnen zeggen: door de komst van de auto werden de agglomeraties gewoon veel groter. En hoefde je die interessante baan niet op te geven als je de stad verliet om ergens anders te gaan wonen. Dat gold al helemaal toen ook veel bedrijven de steden verlieten, om ergens aan de rand van de snelweg optimaal per auto bereikbaar te zijn.

Vanaf de jaren 80 is deze ontwikkeling geleidelijk weer omgeslagen. Ten eerste zijn de fabrieken in de steden gesloten. Er zijn overal nette industrieterreinen gekomen, die later werden omgedoopt tot bedrijventerreinen, toen de Nederlandse industrie in snel tempo inzakte en het stokje overdeed aan de zakelijke dienstverlening. De steden werden daardoor weer veel aantrekkelijker. Ook sloeg het politieke klimaat om. De gemeentebesturen begonnen hun steden weer te koesteren, in plaats van ze massaal gereed te maken voor het snelle autoverkeer. Stadsvernieuwing en later stedelijke vernieuwing kwamen in de plaats van sloop en verkeersdoorbraken. ‘Bouwen voor de buurt’ en historische karakteristieken voerden daarbij de boventoon. Omdat burgers zich prettiger voelden bij de geborgenheid van de oude stad dan bij de tochtgaten van de jaren 50 en 60. Bovendien maakte een krachtig beleid de steden weer veel veiliger. Zo verdwenen gaandeweg de agglomeratienadelen die velen op de vlucht hadden gejaagd.

Vanaf de eeuwwisseling heeft zich daar een krachtige factor bijgevoegd: het ontstaan van de ‘kenniseconomie’, ook wel aangeduid met ‘creatieve economie’. Kennis (en opleiding) werden steeds dominanter in de nieuwe economie. Het gaat tegenwoordig steeds minder om de eindeloze herhaling van de productie en steeds meer om het bewerkstelligen van unieke innovaties. En volgens velen, waaronder de econoom Ed Glaeser, zijn daarvoor face-to-face contacten van groot belang. Juist in dat rechtstreekse contact tussen mensen ontstaan nieuwe en onverwachtse producten. En producten moeten we hier heel breed opvatten. Van een format voor een nieuw TV programma tot een nieuwe beleggingshypotheek waarvan de burgers en vooral de banken beter worden.

Ook de rol van kennisinstellingen is in deze ontwikkeling sterk veranderd. Waren universiteiten bijvoorbeeld vroeger vooral opleidingsinstituten, tegenwoordig werken ze ook nauw samen met bedrijven die zich in de directe omgeving hebben gevestigd. Zo ontstaat het idee van de ‘campus’ en de ‘valley’. Op de High Tech Campus in Eindhoven ontstaan tal van innovaties op het snijvlak van bedrijven en TU/e. Hetzelfde geldt voor de FoodValley rondom de WUR in Wageningen. Amsterdam is met zijn twee universiteiten en al zijn kenniswerkers een campus op zich.

Zo keren oude patronen terug. De steden groeien weer. De jeugd trekt voor een opleiding naar de stad en reist na het afstuderen niet meteen verder naar een woning met een tuin in een voorstad. Of naar een opgeknapte arbeiderswoning tien kilometer verder. Dat waren de jaren 70. Toch is alles relatief, want nog altijd kent de stad voor mensen boven de 30 een vertrekoverschot: er verlaten nog steeds meer 30-ers en 40-ers de stad dan erin komen. Maar dit vertrekoverschot wordt op dit moment snel kleiner en weegt niet meer op tegen de massale vestingoverschot van alle jongeren.

Deze omslag versterkt niet alleen de positie van de steden, het verzwakt ook de positie van de voorsteden en met name van de voormalige groeikernen. De jeugd vertrekt vanuit de groeikernen naar de stad en de gehuwden en de jonge gezinnen komen veel minder vaak terug dan vroeger. Zo vergrijzen de voormalige groeikernen. Bovendien zijn het juist de rijkeren en hoger opgeleiden die in de stad blijven. Zo daalt ook langzaam het gemiddelde inkomen in de voormalige groeikernen, als ik deze gemeenten even over één kam mag scheren.

In ieder geval moeten de groeikernen alert zijn op de verdere ontwikkelingen. En ze moeten daarbij niet vergeten dat ze bestuurlijk zwakker staan dan enkele decennia geleden. Toen had iedereen ze nodig, het Rijk voor al die woningen en de steden voor het oplossen van regionale problemen die vooral in de steden neersloegen. Nu subsidieert het Rijk geen woning meer en verschuiven de problemen langzaam van de steden naar de randen. Ik kom daar nog op terug. Het wordt echt precair als de steden hun randgemeenten helemaal niet meer nodig hebben. Wie lost dan daar de nieuwe maatschappelijke problemen op?

De triomf van de stad geldt niet voor alle steden

Het jargon van de Triomf is niet aan gemeentebestuurders voorbij gegaan. Florida en Glaeser liggen op het nachtkastje en de afdeling Citymarketing noemt elk bedrijventerrein al een Campus en twee bedrijventerreinen een Valley. Daarbij verliezen ze uit het oog dat elke stad uniek is en elke stad dan zijn eigen kansen en niet de kansen van een ander moet grijpen. Maar ze vergeten ook dat die triomf aan sommige steden voorbij kan gaan. Dan krijgen al die woorden al snel iets leegs.

Het is niet moeilijk om een stad aan te wijzen die ten volle profiteert van bovenstaande ontwikkelingen, van de Triomf. Amsterdam. Maar wat in Amsterdam gebeurt, gebeurt niet in Heerlen, niet in Emmen, en ook niet zo maar in Enschede. En ook aan Rotterdam gaat de (echte) triomf nog steeds voorbij, ondanks het goede beleid en de blije berichten vanuit de Coolsingel. Wanneer doen steden het (ook op dit moment) minder goed? Ik noem drie factoren.

  • Ten eerste moet de lokale arbeidsmarkt aansluiten bij de sectoren die in opkomst zijn. Dat heeft alles met padafhankelijkheid te maken. Als je in een vorige fase succesvol was, hoeft dat niet te betekenen dat je nu meteen weer succesvol zal zijn. Simpel gezegd: met havenarbeiders en laaggeschoolden win je het niet in de nieuwe kenniseconomie.
  • Ten tweede: je stad moet met name voor de hoogopgeleiden een aantrekkelijk leefklimaat te bieden hebben. Met het aantrekken van bedrijven kom je er niet meer. Die relatie tussen wonen en werken is veel minder eenduidig dan vroeger. In de industriële tijd trokken de mensen naar de steden omdat daar werk was te vinden. Het wonen volgde het werken. Tegenwoordig vestigen bedrijven zich vooral daar waar de beste werknemers te vinden zijn. Dus als je als stad erin slaagt om de beste mensen aan je te binden, dan komen die bedrijven wel vanzelf. Werken volgt wonen. Anderen menen: werken volgt werken. In ieder geval gaat het om the place to be. En dat kan gaan om de High Tech Campus in Eindhoven, waar alle bedrijven en alle slimme werknemers bij elkaar willen zitten. Of om de aantrekkelijke binnensteden, waar veel geld wordt betaald voor een woning aan de gracht.
  • Ten derde: dat vliegwiel van de stedelijke economie is nog steeds van groot belang. En als het niet in beweging is, is het erg moeilijk in beweging te krijgen. Dan kan je wel proberen bedrijven te verleiden om zich in jouw stad te vestigen, maar dat zullen ze niet doen als jouw stad geen geschikte werknemers te bieden heeft. En dan kan je wel proberen om duurdere huizen te bouwen voor de duurdere, hoogopgeleide werknemers, maar die zullen die huizen niet kopen, als er te weinig banen voor hen zijn. De grote vraag voor het bestuur van Rotterdam is dan ook al jaren: wat moeten we doen om de afgestudeerden van de Erasmus Universiteit in de stad te houden? En dat de huizenprijzen in Rotterdam veel lager zijn dan in Amsterdam is geen pre. Het betekent alleen maar dat er veel meer mensen in Amsterdam willen wonen dan in Rotterdam.

De triomf van de stad geldt niet voor iedereen

En toch wonen er in Amsterdam nog steeds heel veel mensen onder de armoedegrens. Laat je dus niet door die triomf van de stad verblinden! Of misschien is dat woord ‘verblinden’ ook niet helemaal goed gekozen. Je kan beter zeggen: de triomf van de stad drukt alles wat minder opgeleid is en alles wat minder geld heeft, gewoon weg. Weg uit het centrum, weg uit de Ring. Want Amsterdam-West en Amsterdam-Zuidoost en delen van Amsterdam-Noord laten een heel ander Amsterdam zien. Daar zitten de mensen aan wie de triomf voorbij gaat. Vroeger woonden ze nog in de Pijp of in de Staatsliedenbuurt. Of nog vroeger in de Jordaan. Maar een proces van gentrification heeft ervoor gezorgd dat de huizenprijzen in deze wijken akelig snel zijn gestegen. De huizen zijn opgeknapt en de nieuwe hipsters hebben hun intrek genomen.

Het is evident: de triomf van de stad draagt bij aan een verdere segregatie in de stad. Het is niet de scheiding tussen autochtoon en allochtoon. Het is de scheiding tussen westers en niet-westers. De expats maken onderdeel uit van de triomf, het zijn overwegend de niet-westerse allochtonen die naar de randen van de steden worden gedreven en verdreven.

Die tweedeling manifesteerde zich ook bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen. In Amsterdam en Utrecht wonnen gegoede hoogopgeleide burgers het van de achterkant van de stad. GroenLinks was de grote winnaar als partij van de kosmopolitische, hoogopgeleide burger met een goed inkomen. Ook D66 dat uit dezelfde vijver vist, scoorde hoog. In het gespleten Den Haag won D66 bij de vorige verkiezingen nog met enkele honderden stemmen van de PVV, de partij van de nationalistische, lager-opgeleide burgers met een relatief laag inkomen. In 2018 won de lokale partij van Richard de Mos, die eerder voor de PVV in de Tweede Kamer zat. In Rotterdam won de achterkant van de triomf: Leefbaar is hier veruit de grootste partij. Je ziet de Triomf terug in de verkiezingsuitslagen.

Overigens kennen ook de wijken waar de achterkant van de triomf zo goed zichtbaar is, een grote dynamiek. Het zijn namelijk ook de wijken waar de immigranten binnenkomen. Het zijn de zogenaamd arrival neighbourhoods. Waar migranten neerstrijken omdat ze daar hun contacten hebben, omdat de huren laag zijn en omdat de kansen in de informele economie groter zijn. En veel migranten klimmen na een aantal jaren op. De stad als roltrap. En verhuizen naar een betere wijk of naar een randgemeente. Niet dat het gemiddelde van de slechte wijken daarvan beter wordt. Want de plek van de geslaagde migrant wordt vrijwel meteen ingenomen door nieuwe migranten, die weer onder aan de ladder moeten beginnen.

De triomf van de toerist en de triomf van de burger

De triomf is ons grotendeels overkomen. Geen gemeentebestuur kan claimen de triomf zelf te hebben veroorzaakt. Gemeentebesturen kunnen in het beste geval slechts bijsturen. En ze kunnen de randvoorwaarden voor verdere ontwikkeling gunstig maken. Zo is bereikbaarheid in de theorie van de agglomeratievoordelen een groot goed. Bereikbaarheid wordt ook wel uitgedrukt in het aantal banen dat binnen 45’ te bereiken is. De tijd die de gemiddelde werknemer bereid is te reizen naar zijn werk. Als de overheid erin slaagt om het aantal bereikbare banen te vergroten, zullen nog meer mensen een optimale baan vinden en zullen bedrijven nog productiever worden.

Daarnaast moet een gemeentebestuur er vooral voor zorgen dat het leefklimaat in de stad zo goed mogelijk is. Dat er een woning is te vinden voor de hoogopgeleiden die de stad aan zich moet binden. Dat die hoogopgeleiden in deze stad willen leven. Dat er veel cultuur is en veel vermaak. Hoogopgeleiden wonen graag in steden waar goede orkesten, goede poppodia en goede musea zijn. Ook als ze daarvan in de praktijk nauwelijks gebruik maken. En dat er veel groen is en weinig luchtvervuiling en weinig geluidsoverlast.

Maar tegelijkertijd doen zich agglomeratienadelen gelden als de leefkwaliteit in de stad te hoog wordt. En als er te veel cultuur en te veel festivals worden aangeboden. Want het zijn niet alleen de hoogopgeleiden die vanwege deze ‘amenities’ in de steden willen wonen, het zijn ook de toeristen die om die reden de stad willen bezoeken. Amsterdam kan er de laatste jaren over meepraten. De rolkoffers van de airbnb-ers zijn het symbool geworden van de overlast van de toeristen en van de irritatie van de bewoners.

En die toerist staat een beetje symbool voor de burger in het algemeen. Het mag waar zijn dat toeristen sommige delen van Amsterdam overspoelen, het zijn vooral de goedbetaalde hoogopgeleiden die de stad in hun bezit hebben genomen. Dat heeft ook grote gevolgen voor de relatie tussen de burger en het bestuur. Niet zelden hebben de nieuwe stadsbewoners de lokale overheid het nakijken gegeven. Zij weten uitstekend hun woordje te doen, zij kennen hun rechten en weten die ook af te dwingen, zij organiseren in hun eigen buurt de zaken die de gemeente laat liggen of uit haar handen laat vallen. Van de weeromstuit gaat de overheid praten over de ‘doe-democratie’ en de ‘energieke samenleving’. De overheid zou deze vormen van ‘zelforganisatie’ zelfs moeten stimuleren. Daarvoor lijkt weinig reden. De hoogopgeleide burger zit niet op dit soort paternalistische gevoelens te wachten. De triomf van de stad is in veel opzichten ook de triomf van de burger geweest.

Toch heeft niemand baat bij een ‘onzekere overheid’ die nota’s over zelforganisatie en doe-democratie schrijft. De samenleving is meer gediend bij een (lokale) overheid die weet ‘waar ze van is’, die weet welke taken onmiskenbaar overheidstaken zijn. Wat te denken van een goed scholings- en arbeidsmarktbeleid voor de buurten waaraan de triomf voorbij is gegaan. Wat te denken van een effectief beleid tegen de wietkwekerijen die welig tieren aan de randen van de steden? Wat te denken van de bestrijding van de ondermijning die gaandeweg met deze vormen van criminaliteit verbonden is geraakt?

De triomf vasthouden

Ik schreef al: de triomf is niet van alle tijden. Ook de toekomst van de stad is ongewis. Een terugslag als in de jaren 60 en 70 valt niet te voorspellen. Voorlopig moeten gemeentebesturen keihard werken aan de bereikbaarheid en de leefbaarheid van hun steden.

Maar hoe houden we het leefklimaat in de steden goed? Hoe zorgen we ervoor dat de hoger opgeleiden en de hogere inkomens in de steden willen blijven wonen? Één ding is duidelijk: de toekomst van de stad staat of valt met de vraag of we de stad klimaatbestendig weten te maken. Of klimaatneutraal. Of CO2-neutraal. Hoe we het ook willen noemen. De stad zal een belangrijke bijdrage moeten leveren aan de klimaatmitigatie, aan het afremmen en uiteindelijk aan het stoppen van de klimaatverandering. En de stad zal zich moeten aanpassen aan de veranderende klimaatomstandigheden (klimaatadaptatie).

De klimaatmitigatie vraagt het terugbrengen van de CO2-uitstoot tot 0, tot nul. Dat betekent dat de steden van fossiele energie moeten overgaan op zonne-energie, op windenergie, op geothermie. Dat zal ongetwijfeld samengaan met decentrale energieopwekking. Bovendien moet de bestaande bebouwing energiezuinig worden gemaakt. En zal de mobiliteit een geheel ander aanzien krijgen. Hoe ziet het stadsvervoer eruit als de zelfrijdende auto’s (duurzaam) elektrisch zijn aangedreven?

De klimaatadaptatie vraagt in alle steden om nieuwe oplossingen voor de wateropgave. Extreem weer met extreme hoeveelheden regenwater moet worden gepareerd. Bovendien zijn de temperaturen in de steden veel hoger dan buiten de stad. Als de temperaturen wereldwijd gaan stijgen, zullen de gemeenten meer moeten doen om leefbaar te blijven. Veel groen in de stad kan een bijdrage leveren aan het verlagen van de stedelijke temperaturen.

Het is eenvoudiger om deze viervoudige agenda even uit de mouw te schudden dan om haar te realiseren. Hier is echt sprake van een transitie. En transities laten zich niet zo maar op commando afroepen. Tot op heden spreken we vooral over transities als blijkt dat ze zich hebben voorgedaan.

De leergang en de leervragen 

Dit is het verhaal van de triomf van de stad. Dit is ook het verhaal van de leergang Triomf van de stad.  Het verhaal vertaalt zich in 6 modules van 2 dagen. In die 6 modules werken we aan een drietal leerdoelen: kennisnemen van de belangrijkste economische, sociale en culturele ontwikkelingen van steden; vertalen van deze kennis naar de eigen stad; ontwikkelen van een effectieve handelingspraktijk voor de eigen stad.

Module 1 – Stedelijke economie: Agglomeratie-effecten, veranderingen door de komst van de kenniseconomie, consumer-city, werken volgt wonen, met welk beleid kunnen we de triomf van de stad ondersteunen?

Module 2 – Demografie en wonen: demografische ontwikkelingen van steden en randgemeenten, van nieuwbouw in de groeikernen naar nieuwbouw in de grote stad, corporaties en wonen in achterstandswijken, regionale samenwerking tussen stad en randgemeenten.

Module 3 – De achterkant van de triomf: toenemende segregatie, immigranten en hun toekomst in Nederland, het effect van opgroeien in een achterstandswijk, effecten en neveneffecten van beleid voor achterstandswijken, gezondheid, onderwijs en gelijke kansen.

Module 4 – De stads in balans: het succes van de steden kan doorslaan. De stad kan zo aantrekkelijk worden dat het bijna onbeheersbaar wordt. Met name in Amsterdam zien we die ontwikkeling. De toeristen zorgen voor overlast, het winkelbestand past zich aan aan de stromen toeristen. De huizen worden te duur omdat ze toch wel via Airbnb kunnen worden verhuurd. Maar ook elders zien we het aantal festivals enorm toenemen. En ook elders wordt de bereikbaarheid een steeds groter probleem.

Module 5 – De triomf van de burger: de hedendaagse burger kent vele verschijningsvormen. Gemeentebesturen zijn vaak blij met bakfietsburgers. Maar je hebt ook ondermijnende burgers, onkundige burgers en boze burgers. Dat roept vragen op voor de overheid. Hoe om te gaan met burgers die zichzelf organiseren voor de publieke zaak? Terwijl de ‘zelforganisatie’ van burgers lang niet altijd in het publieke belang is.

Module 6 – De toekomst van de triomf: steden zullen alleen kunnen voortbestaan als ze klimaatbestendig zijn. Hoe realiseren we die transitie? Wat betekent dat bijvoorbeeld voor de mobiliteit? En de toekomstige steden zullen slim moeten zijn.

Deel dit bericht:

Debatteren met open vizier

november 19, 2013 by  

Ik stel het zeer op prijs als mensen reageren op mijn blogs. Debat dwingt je soms om je argument scherper te formuleren, debat leert je soms dat je een ander perspectief over het hoofd hebt gezien, debat leert je soms dat je een off day had. Dus: reacties zijn welkom. Hoe afwijkend ook: ze worden door mij geplaatst. Ik maak slechts twee voorbehouden voor het plaatsen van de reactie: schelden is niet toegestaan en er wordt met open vizier gestreden: anonieme reacties worden niet geplaatst. Bovendien houd ik me het recht voor om spelfouten te corrigeren. Ik maak er zelf al te veel.

Deel dit bericht: