Professoren moeten geen actie voeren #Trouw

april 24, 2017 by  

En weer is er een open brief van hoogleraren in Trouw. Weer is Jan Rotmans de aanstichter. De energietransitie gaat veel te langzaam en het nieuwe kabinet moet veel geld ter beschikking stellen, moet de belasting vergroenen en moet in ieder geval die vijf kolencentrales moet sluiten.

Ik ben het loeiend eens met al die 12 aanbevelingen van die 90 hoogleraren. En toch irriteren die openbare brieven van hoogleraren me steeds meer. Om de simpele reden dat onderzoek niet aantoont wat je moet doen. Wetenschappers beschrijven in het beste geval die keuzes die voorliggen. Daarmee kleineer ik niet de rol die wetenschap heeft te spelen in de politiek. Maar juist vanwege die gewichtige rol, heb ik ook geen behoefte aan wetenschappers die hun eigen rol in het politieke debat overschatten.

Als onderzoek niet aantoont wat je moet doen, zijn die 12 aanbevelingen van die 90 hoogleraren niet meer dan privé-opvattingen van 90 willekeurige burgers. Want als rechtgeaarde democraat zeg ik nog maar eens: de mening van 90 professoren is niet belangrijker, en hoeft niet zwaarder te wegen dan de keuze van 90 benzinepomphouders. Gelukkig hadden we op 15 maart allemaal eenzelfde stem.

Oké, ze zijn erg betrokken die 90 professoren. Dat valt in hen te prijzen. Recht op betrokkenheid heeft ook iedereen. Maar waarom krijgen nu juist altijd die hoogleraren weer een podium in een krant als Trouw? Of hebben die benzinepomphouders geen tijd om een stukje te schrijven. Laten we nu eens met elkaar vaststellen dat de mening van een wetenschapper ook maar gewoon een mening is.

Let wel, de kranten mogen wat mij betreft boordevol staan met analyses van wetenschappers. Vertel ons alles over de klimaatverandering, vertel ons alles over de rol van de mens in de klimaatverandering, vertel ons alles over mogelijke oplossingen. Dat is allemaal lezenswaardig, dat is voor veel mensen helaas ook allemaal nieuws. Maar laat ons allemaal zelf bepalen welke keuzes uiteindelijk moeten worden gemaakt.

Ik geef het toe, dat gedoe met dat soort brieven irriteert me. En niet alleen om het idee dat de mening van professoren zwaarder moet wegen. Ook vanwege de zelfingenomenheid van zo’n brief. Wat denken die 90 hoogleraren hier nou mee te bereiken? Laat ik eens even meedenken: wat zouden ze ermee kunnen bereiken?

Ten eerste: de brief krijgt veel likes op social media van mensen die er net zo over denken. Dat mag voor het gevoel lekker zijn, maar daarmee heb je dus niets gewonnen.

Ten tweede: het is uitermate naïef om te denken dat die kabinetsformatie door zo’n brief anders gaat verlopen. Jan en Alleman stuurt brieven naar de kabinetsinformateur. En die heeft wel wat anders te doen dan het lezen van ongevraagde brieven. Een brief zou alleen zin kunnen hebben, als een nieuw inzicht wordt aangereikt, en vooral: een nieuwe oplossing. Maar dat is het sluiten van 5 kolencentrales niet (en al zeker niet als één van de ondertekenaars er als minister bij stond toen die dingen werden gebouwd).

Ten derde is het (alweer) een overschatting van de professoren als ze beogen andersdenkenden met hun brief te overtuigen. Alsof al die mensen het nog steeds niet goed hebben begrepen. Dat laatste kan het geval zijn, maar ik vermoed niet dat Henk en Ingrid hun mening plotseling bijstellen als ze de brief in Trouw driemaal hebben gelezen en viermaal hebben overdacht.

Ik vrees dat er iets heel anders gebeurt. Ik vrees dat ze gaan denken dat alle professoren links zijn, dat alle professoren tijd hebben voor het voeren van actie (van de benzinepomphouders lezen ze immers nooit een brief), dat alle professoren denken het altijd beter te weten, en dat zijzelf daarvoor wel weer te dom zullen zijn. Ik weet: ik ken geen Henk en Ingrid’s. Ik kom namelijk uit dezelfde beschermde, intellectuele wereld van Volkskrant- en NRC-lezers en VPRO-luisteraars etc etc.. Maar als ik me probeer te verplaatsen in al die andere mensen, kan ik me een zekere irritatie heel goed voorstellen. Nee, Brexit was ook onmogelijk, tegen de Oekraïne zouden we allemaal ‘ja’ zeggen, Trump zou nooit worden gekozen en zo zijn er nog veel gedachten in ‘onze’ wereld.

Dus wat denk je met zo’n brief te bereiken? Je bevestigt de linkse elite in hun mening, de politici hebben wel wat anders aan hun hoofd en halen hun schouders op, en de massa raakt geïrriteerd. Misschien kunnen we beter met zijn allen aan het werk gaan. Om nog scherper te krijgen op welke vragen de politiek een antwoord moet geven.

Was Teevendeal meer dan een inschattingsfout @bas_haan?

april 21, 2017 by  

Het boek lag al even op mijn bureau: De rekening van Rutte van Bas Haan. Maar toen ik eenmaal was begonnen, moest ik het uitlezen. Wat een goede journalist, wat een geweldig boek over de Nederlandse politiek. Haan verweeft kundig zijn eigen verhaal met het verhaal van de Teevendeal. Zijn verhaal is natuurlijk ook voor een belangrijk deel de Teevendeal. Hij heeft als journalist van Nieuwsuur de Teevendeal aan het licht gebracht. En hij heeft steeds weer nieuwe onthullingen gedaan, waardoor de Teevendeal groter en groter werd. Ja, je kan zeggen dat Haan er bijna persoonlijk voor heeft gezorgd dat drie bewindslieden (Opstelten, Teeven en Van der Steur) moesten opstappen, dat een zwakke Kamervoorzitter (Van Miltenburg) uiteindelijk weg moest en dat Rutte toch ook aanzienlijk is beschadigd. We zullen nooit weten welk deel van de acht zetels verlies bij de Kamerverkiezingen voor de VVD aan het werk van Bas Haan zijn te danken.

Zo was er maar één man die de Teevendeal zo van binnenui kon beschrijven. En dat was Bas Haan. Eigenlijk kent het boek maar één bezwaar. De Teevendeal was nog niet ‘af’ toen het werd geschreven. Het boek is immers zelf het laatste zetje geweest dat Van der Steur te veel is geworden. Maar dat kan je auteur moeilijk kwalijk nemen. Laat hij voor een volgende druk maar een Epiloog schrijven met als boodschap: “Dit boek is Van der Steur te veel geweest”.

Haan beschrijft de Teevendeal als buitenstaander. Maar dat is hij allerminst omdat hij de kern van ‘Den Haag’ begrijpt, namelijk de eigen rationaliteit van Den Haag. Soms is het zinnig om in de politiek een onderscheid te maken tussen de inhoudelijke en de politieke rationaliteit. Natuurlijk is het inhoudelijk weinig rationeel om ons allemaal op de snelwegen 130 km te laten rijden om vervolgens verbaasd te zijn over de toename van het aantal verkeersdoden. Maar Den Haag is nu eenmaal niet alleen maar ‘inhoudelijk’ rationeel. Den Haag is die bijzondere mix van inhoudelijke én politieke rationaliteit. Die 130 km was namelijk politiek heel rationeel. Als je tweemaal de verkiezingen wint met behulp van de Telegraaf zal je toch echt een keer iets voor de automobilist moeten doen.

Die hele Teevendeal was ook een kwestie van politieke rationaliteit of juist van een gebrek aan politieke rationaliteit. En het knappe, maar ook het bijzondere van Haan is dat hij deze hele affaire in dat licht beschrijft. Hij laat zien dat de affaire in feite heel simpel was: men is ooit begonnen met een leugen en toen kon men niet meer terug. Liegen werd onvermijdelijk en daarom werd de Teevendeal zo aantrekkelijk voor een goede journalist. Want elke keer werd wel weer iets gezegd wat niet waar was.

Voor de herinnering. Ooit zegt Opstelten in de Kamer dat Teeven als Officier van Justitie in een eerder leven een deal heeft gesloten met een drugscrimineel. De crimineel zou na betaling van een boete 2 miljoen hebben teruggekregen van gelden waarop de overheid beslag had laten leggen. In werkelijkheid ging het om een bedrag van 4,7 miljoen (nog afgezien van alle roerende en onroerende goederen die aan deze Cees H werden teruggegeven). Die deal: die klopt niet, en dat weten alle betrokkenen, uitgezonderd Teeven. Dat zal de reden zijn geweest waarom de minister in de Kamer een lager bedrag heeft genoemd. Het is onduidelijk of Opstelten toen al heeft gelogen. Dat heeft hij in ieder geval daarna wel (en steeds weer) gedaan, en met hem het hele departement en de hele VVD, toen steeds duidelijker werd dat het niet om 2 miljoen ging, maar om 4,7 miljoen. Je kan je afvragen, en Haan doet dat, waarom men niet meteen eerlijk heeft toegegeven dat het bedrag toch hoger was. En dan komt Haan tot de kern: “Men dacht ermee weg te komen”.

Daarmee gaat het boek van Haan in de kern om ‘politieke rationaliteit’. Natuurlijk brengt liegen in de politiek gevaren met zich mee. Je kan erop keihard worden afgerekend als de leugen uitkomt. Maar als het niet uitkomt, hoef je ook niet te verantwoorden dat je eigen staatssecretaris in zijn verleden rare streken heeft uitgehaald. Dat was de keuze: of we liegen om de staatssecretaris uit de wind te houden en lopen daarmee een kleine kans om tegen de lamp te lopen of we vertellen de waarheid en moeten accepteren dat de staatssecretaris op zijn minst beschadigd raakt. Eigenlijk is het een soort wiskundige formule waarin ‘de kans op tegen de lamp lopen’ de uitkomst bepaalt. Bij een kleine kans lieg je, bij een grote kans accepteer je de schade aan de staatssecretaris.

Achteraf kan je stellen dat Opstelten, Teeven, Rutte en al die andere kornuiten van de VVD die kans te klein hebben ingeschat. Ze zagen niet in dat hun eigen paradepaard, namelijk één departement voor Veiligheid én Justitie, dat bovendien werd bemand door twee VVD-bewindslieden, in werkelijkheid al snel een kreupel paard was geworden. Ze zagen niet dat het onmogelijk was geworden om aan zo’n mega-departement leiding te geven. Ze zagen niet dat hun eigen gedram op veiligheid en repressie bij het hele justitiële apparaat op grote weerstand was gestuit. Ze zagen niet dat de rechtsstaat er juist is om crime-fighters als Teeven in toom te houden. Zo was er een geweldige voedingsbodem ontstaan voor de lekken die Ban Haan steeds weer een nieuwe scoop opleverden.

Bas Haan laat dus niet alleen zien hoe één leugen de VVD fataal wordt, hij laat ook zien hoe Den Haag werkt. En tegelijkertijd roept dat natuurlijk vragen op. Want wie vooral alleen maar bezig is met het inschatten van lekken heeft wel een heel cynische kijk op politiek. Kan ik ermee wegkomen of kan ik er niet mee wegkomen? Die vraag gaat helemaal voorbij aan de vraag: “Mag ik ermee wegkomen?”. Natuurlijk weten ze in Den Haag ook dat liegen niet mag. Maar het mag blijkbaar wel als je er zeker van bent dat het niet zal uitkomen. Het boeiende van Bas Haan is, dat hij blijkbaar zo geïnvolveerd is in Den Haag, dat hij die normatieve vraag (mag het wel?) nauwelijks stelt. Maar misschien heeft hij juist daardoor zo’n sterke reconstructie van de ‘feiten’ gemaakt.

Nieuwe jaargang #Triomf van de stad: vanaf nu aanmelden

april 20, 2017 by  

In september start de leergang Triomf van de stad met een nieuwe groep. Dat wordt de 9e groep. Deelnemers kunnen zich vanaf nu aanmelden. De folder met het programma is hier te vinden: Triomf van de stad, jaargang 2017-2018: programma. Voor een beschrijving van de rode draad van de leergang zie Triomf van de stad: rode draad.

Triomf van de stad: de leergang

september 8, 2016 by  

 

triomf

 

 

 

 

 

 

 

 

De leergang

Sinds 2012 organiseer ik de leergang Triomf van de stad voor stedelijke strategen. Een keur van docenten wisselen prachtige praktijkcasus af. Om die reden slaan we onze tenten steeds weer in een andere stad op. Samen met Karen Ephraim zorg ik zelf voor de verbinding. De leergang beslaat zes modules van twee dagen. In september 2017 start de 9e groep. Voor nadere informatie zie: Triomf van de stad 2017-2018: programma. Voor aanmelding ken men bij mij terecht: wimderksendh@gmail.com. In onderstaande essay geef ik de rode draad van de leergang weer, inclusief leervragen.

 

De rode draad

De woningprijzen in Amsterdam stijgen snel. Huizen worden boven de vraagprijs verkocht. Er wordt grof geld betaald om in die stad te mogen wonen. Ook andere steden gaat het momenteel voor de wind. Nog niet zo lang geleden was dat wel anders. In de jaren 60 verlieten veel inwoners hun steden. Dat was heel begrijpelijk. Veel steden waren vies en verpauperd. Hoeveel beter was het leven in de nieuwe groeikernen! Het is bijna onvoorstelbaar hoe hard de steden in die tijd zijn gekrompen. Nog steeds heeft Amsterdam veel minder inwoners dan in de jaren 50 en 60.

Toch was die trek naar het platteland, die suburbanisatie, een tijdelijk fenomeen. In het algemeen is niet ontstedelijking maar verstedelijking de norm. Mensen hebben de neiging naar steden te trekken. Op dit moment woont al meer dan de helft van de wereldbevolking in steden. En dat is niet zo vreemd, omdat in steden voor veel mensen werk is te vinden. Omdat de meeste bedrijven in steden zitten. Die bedrijven zitten daar om een hele simpele reden: in de stad zijn ze productiever. Ruimtelijk economen weten dat hetzelfde bedrijf buiten de stad 7% minder productief zou zijn. Daarom zitten bedrijven in de stad en trekken mensen van het platteland naar de stad.

Waarom is het bedrijf in de stad productiever? Er zijn drie goede redenen voor. Ze hebben allemaal te maken met ‘bevolkingsdichtheid’ en met ‘massa’. In jargon spreken we over: matching, sharing en learning.

  • Matching: bedrijven in de stad profiteren van de afzetmarkt in hun directe omgeving. Dat scheelt transportkosten. Minstens interessant is het feit dat de arbeidsmarkt in de steden veel beter is. Hoe meer mensen op reisafstand, hoe meer keuze je hebt en hoe beter je personeel. Er vindt een betere match plaats.
  • Sharing: omdat een stad veel andere bedrijven huisvest, is er een tweede voordeel: bedrijven kunnen zich specialiseren. Wat ze niet meer in huis hebben, kopen ze om de hoek bij een ander bedrijf in. En hoe meer specialisten hoe hoger de kwaliteit van het werk.
  • Learning: hoe meer bedrijven in de directe omgeving, hoe meer kansen om iets van elkaar te leren. En hoe groter de kans dat gezamenlijk nieuwe producten worden ontwikkeld. Denk ook aan de betekenis van universiteiten en andere kennisinstellingen voor het lokale bedrijfsleven.

Matching, sharing en learning zijn allemaal agglomeratievoordelen. Omdat er massa is, ontstaan voordelen, die bedrijven op het platteland ontberen.

Er is iets bijzonders aan de hand met agglomeratievoordelen. Ze zijn zelfversterkend. Omdat de productiviteit in de stad hoger is, zijn de lonen daar hoger. En vanwege die hogere lonen, worden betere mensen aangetrokken. En omdat die betere mensen komen, worden de lonen nog hoger en komen er nog meer betere mensen. Als dat vliegwiel eenmaal in beweging is, kan zo’n stad steeds productiever en steeds rijker worden. Het stijgen van huizenprijzen hoort daarbij. De hoogte van de huizenprijzen is zelfs één van de beste indicatoren voor de welvaart en het succes van een stad. Je moet gemeentebesturen dan ook wantrouwen als ze zeggen dat hun stad zo aantrekkelijk is omdat de huizenprijzen zo laag zijn. Als de huizenprijzen laag zijn betekent dat maar één ding: de stad is niet aantrekkelijk genoeg.

De triomf van de stad is niet van alle tijden

Uit het voorgaande zou je kunnen opmaken, dat het alleen maar beter kan gaan met steden als dat vliegwiel eenmaal in beweging is. Maar dat vliegwiel is geen automatisme. Zie de teruggang van de steden in de jaren 60 en 70. Waren er toen geen agglomeratievoordelen die de productiviteit van de bedrijven in de steden opjoegen? Die waren er wel, maar twee andere factoren waren van meer gewicht. Zo kent een stad niet alleen agglomeratievoordelen, maar ook agglomeratienadelen. De ‘massa van de stad’ zet de kwaliteit van leven soms ernstig onder druk. Dat gold zeker in de jaren 60 toen de vele fabrieken in de steden het leefklimaat ernstig aantasten. Het leefklimaat in de stad kan zo slecht zijn dat mensen liever elders een minder interessante baan accepteren. Die afweging gaat inderdaad ten koste van de match van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. En leidt dus ook maatschappelijk gezien tot welvaartsverlies. Maar die mensen woonden nu eenmaal liever in een rustiek dorp dan in die vuile stad.

Maar er kwam nog iets interessants bij: juist in die tijd brak de auto door als vervoermiddel voor Jan en Alleman. En met de auto werd de stad ook goed bereikbaar vanuit de nieuwe groeikernen en vanuit het kleine rustieke dorp in het Groene Hart. Je zou kunnen zeggen: door de komst van de auto werden de agglomeraties gewoon veel groter. En hoefde je die interessante baan niet op te geven als je de stad verliet om ergens anders te gaan wonen. Dat gold al helemaal toen ook veel bedrijven de steden verlieten, om ergens aan de rand van de snelweg optimaal per auto bereikbaar te zijn.

Vanaf de jaren 80 is deze ontwikkeling geleidelijk weer omgeslagen. Ten eerste zijn de fabrieken in de steden gesloten. Er zijn overal nette industrieterreinen gekomen, die later werden omgedoopt tot bedrijventerreinen, toen de Nederlandse industrie in snel tempo inzakte en het stokje overdeed aan de zakelijke dienstverlening. De steden werden daardoor weer veel aantrekkelijker. Ook sloeg het politieke klimaat om. De gemeentebesturen begonnen hun steden weer te koesteren, in plaats van ze massaal gereed te maken voor het snelle autoverkeer. Stadsvernieuwing en later stedelijke vernieuwing kwamen in de plaats van sloop en verkeersdoorbraken. ‘Bouwen voor de buurt’ en historische karakteristieken voerden daarbij de boventoon. Omdat burgers zich prettiger voelden bij de geborgenheid van de oude stad dan bij de tochtgaten van de jaren 50 en 60. Bovendien maakte een krachtig beleid de steden weer veel veiliger. Zo verdwenen gaandeweg de agglomeratienadelen die velen op de vlucht hadden gejaagd.

Vanaf de eeuwwisseling heeft zich daar een krachtige factor bijgevoegd: het ontstaan van de ‘kenniseconomie’, ook wel aangeduid met ‘creatieve economie’. Kennis (en opleiding) werden steeds dominanter in de nieuwe economie. Het gaat tegenwoordig steeds minder om de eindeloze herhaling van de productie en steeds meer om het bewerkstelligen van unieke innovaties. En volgens velen, waaronder de econoom Ed Glaeser, zijn daarvoor face-to-face contacten van groot belang. Juist in dat rechtstreekse contact tussen mensen ontstaan nieuwe en onverwachtse producten. En producten moeten we hier heel breed opvatten. Van een format voor een nieuw TV programma tot een nieuwe beleggingshypotheek waarvan de burgers en vooral de banken beter worden.

Ook de rol van kennisinstellingen is in deze ontwikkeling sterk veranderd. Waren universiteiten bijvoorbeeld vroeger vooral opleidingsinstituten, tegenwoordig werken ze ook nauw samen met bedrijven die zich in de directe omgeving hebben gevestigd. Zo ontstaat het idee van de ‘campus’ en de ‘valley’. Op de High Tech Campus in Eindhoven ontstaan tal van innovaties op het snijvlak van bedrijven en TU/e. Hetzelfde geldt voor de FoodValley rondom de WUR in Wageningen. Amsterdam is met zijn twee universiteiten en al zijn kenniswerkers een campus op zich.

Zo keren oude patronen terug. De steden groeien weer. De jeugd trekt voor een opleiding naar de stad en reist na het afstuderen niet meteen verder naar een woning met een tuin in een voorstad. Of naar een opgeknapte arbeiderswoning tien kilometer verder. Dat waren de jaren 70. Toch is alles relatief, want nog altijd kent de stad voor mensen boven de 30 een vertrekoverschot: er verlaten nog steeds meer 30-ers en 40-ers de stad dan erin komen. Maar dit vertrekoverschot wordt op dit moment snel kleiner en weegt niet meer op tegen de massale vestingoverschot van alle jongeren.

Deze omslag versterkt niet alleen de positie van de steden, het verzwakt ook de positie van de voorsteden en met name van de voormalige groeikernen. De jeugd vertrekt vanuit de groeikernen naar de stad en de gehuwden en de jonge gezinnen komen veel minder vaak terug dan vroeger. Zo vergrijzen de voormalige groeikernen. Bovendien zijn het juist de rijkeren en hoger opgeleiden die in de stad blijven. Zo daalt ook langzaam het gemiddelde inkomen in de voormalige groeikernen, als ik deze gemeenten even over één kam mag scheren.

In ieder geval moeten de groeikernen alert zijn op de verdere ontwikkelingen. En ze moeten daarbij niet vergeten dat ze bestuurlijk zwakker staan dan enkele decennia geleden. Toen had iedereen ze nodig, het Rijk voor al die woningen en de steden voor het oplossen van regionale problemen die vooral in de steden neersloegen. Nu subsidieert het Rijk geen woning meer en verschuiven de problemen langzaam van de steden naar de randen. Ik kom daar nog op terug. Het wordt echt precair als de steden hun randgemeenten helemaal niet meer nodig hebben. Wie lost dan daar de nieuwe maatschappelijke problemen op?

De triomf van de stad geldt niet voor alle steden

Het jargon van de Triomf is niet aan gemeentebestuurders voorbij gegaan. Florida en Glaeser liggen op het nachtkastje en de afdeling Citymarketing noemt elk bedrijventerrein al een Campus en twee bedrijventerreinen een Valley. Daarbij verliezen ze uit het oog dat elke stad uniek is en elke stad dan ook zijn eigen kansen en niet de kansen van een ander moet grijpen. Maar ze vergeten ook dat die triomf aan sommige steden voorbij kan gaan. Dan krijgen al die woorden al snel iets leegs.

Het is niet moeilijk om een stad aan te wijzen die ten volle profiteert van bovenstaande ontwikkelingen, van de Triomf. Amsterdam. Maar wat in Amsterdam gebeurt, gebeurt niet in Heerlen, niet in Emmen, en ook niet zo maar in Enschede. En ook aan Rotterdam gaat de (echte) triomf nog steeds voorbij, ondanks het goede beleid en de blije berichten vanuit de Coolsingel. Wanneer doen steden het (ook op dit moment) minder goed? Ik noem drie factoren.

  • Ten eerste moet de lokale arbeidsmarkt aansluiten bij de sectoren die in opkomst zijn. Dat heeft alles met padafhankelijkheid te maken. Als je in een vorige fase succesvol was, hoeft dat niet te betekenen dat je nu meteen weer succesvol zal zijn. Simpel gezegd: met havenarbeiders en laaggeschoolden win je het niet in de nieuwe kenniseconomie.
  • Ten tweede: je stad moet met name voor de hoogopgeleiden een aantrekkelijk leefklimaat te bieden hebben. Met het aantrekken van bedrijven kom je er niet meer. Die relatie tussen wonen en werken is veel minder eenduidig dan vroeger. In de industriële tijd trokken de mensen naar de steden omdat daar werk was te vinden. Het wonen volgde het werken. Tegenwoordig vestigen bedrijven zich vooral daar waar de beste werknemers te vinden zijn. Dus als je als stad erin slaagt om de beste mensen aan je te binden, dan komen die bedrijven wel vanzelf. Werken volgt wonen. Anderen menen: werken volgt werken. In ieder geval gaat het om the place to be. En dat kan gaan om de High Tech Campus in Eindhoven, waar alle bedrijven en alle slimme werknemers bij elkaar willen zitten. Of om de aantrekkelijke binnensteden, waar veel geld wordt betaald voor een woning aan de gracht.
  • Ten derde: dat vliegwiel van de stedelijke economie is nog steeds van groot belang. En als het niet in beweging is, is het erg moeilijk in beweging te krijgen. Dan kan je wel proberen bedrijven te verleiden om zich in jouw stad te vestigen, maar dat zullen ze niet doen als jouw stad geen geschikte werknemers te bieden heeft. En dan kan je wel proberen om duurdere huizen te bouwen voor de duurdere, hoogopgeleide werknemers, maar die zullen die huizen niet kopen, als er te weinig banen voor hen zijn. De grote vraag voor het bestuur van Rotterdam is dan ook al jaren: wat moeten we doen om de afgestudeerden van de Erasmus Universiteit in de stad te houden? En dat de huizenprijzen in Rotterdam veel lager zijn dan in Amsterdam is geen pre. Het betekent alleen maar dat er veel meer mensen in Amsterdam willen wonen dan in Rotterdam.

De triomf van de stad geldt niet voor iedereen

En toch wonen er in Amsterdam absoluut gezien en relatief gezien meer mensen onder de armoedegrens dan in Rotterdam. Zo verblindt die hele triomf van de stad! Of misschien is dat woord ‘verblinden’ ook niet helemaal goed gekozen. Je kan beter zeggen: de triomf van de stad drukt alles wat minder opgeleid is en alles wat minder geld heeft, gewoon weg. Weg uit het centrum, weg uit de Ring. Want Amsterdam-West en Amsterdam-Zuidoost en delen van Amsterdam-Noord laten een heel ander Amsterdam zien. Daar zitten de mensen aan wie de triomf voorbij gaat. Vroeger woonden ze nog in de Pijp of in de Staatsliedenbuurt. Of nog vroeger in de Jordaan. Maar een proces van gentrification heeft ervoor gezorgd dat de huizenprijzen in deze wijken akelig snel zijn gestegen. De huizen zijn opgeknapt en de nieuwe hipsters hebben hun intrek genomen.

Het is evident: de triomf van de stad draagt bij aan een verdere segregatie in de stad. Het is niet de scheiding tussen autochtoon en allochtoon. Het is de scheiding tussen westers en niet-westers. De expats maken onderdeel uit van de triomf, het zijn overwegend de niet-westerse allochtonen die naar de randen van de steden worden gedreven en verdreven.

Die tweedeling manifesteerde zich ook bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen. In Amsterdam en Utrecht wonnen gegoede hoogopgeleide burgers het van de achterkant van de stad. D66 was de grote winnaar als partij van de kosmopolitische, hoogopgeleide burger met een goed inkomen. In het gespleten Den Haag won D66 met enkele honderden stemmen van de PVV, de partij van de nationalistische, lager-opgeleide burgers met een relatief laag inkomen. In Rotterdam won de achterkant van de triomf: Leefbaar is hier veruit de grootste partij.

Overigens kennen ook de wijken waar de achterkant van de triomf zo goed zichtbaar is, een grote dynamiek. Het zijn namelijk ook de wijken waar de immigranten binnenkomen. Het zijn de zogenaamd arrival neighbourhoods. Waar migranten neerstrijken omdat ze daar hun contacten hebben, omdat de huren laag zijn en omdat de kansen in de informele economie groter zijn. En veel migranten klimmen na een aantal jaren op. De stad als roltrap. En verhuizen naar een betere wijk of naar een randgemeente. Niet dat het gemiddelde van de slechte wijken daarvan beter wordt. Want de plek van de geslaagde migrant wordt vrijwel meteen ingenomen door nieuwe migranten, die weer onder aan de ladder moeten beginnen.

De triomf van de toerist en de triomf van de burger

De triomf is ons overkomen. Geen gemeentebestuur kan claimen de triomf zelf te hebben veroorzaakt. Gemeentebesturen kunnen in het beste geval slechts bijsturen. En ze kunnen de randvoorwaarden voor verdere ontwikkeling gunstig maken. Zo is bereikbaarheid in de theorie van de agglomeratievoordelen een groot goed. Bereikbaarheid wordt ook wel uitgedrukt in het aantal banen dat binnen 45’ te bereiken is. De tijd die de gemiddelde werknemer bereid te reizen naar zijn werk. Als de overheid erin slaagt om het aantal bereikbare banen te vergroten, zullen nog meer mensen op een optimale baan vinden en zullen bedrijven nog productiever worden.

Daarnaast moet een gemeentebestuur er vooral voor zorgen dat het leefklimaat in de stad zo goed mogelijk is. Dat er een woning is te vinden voor de hoogopgeleiden die de stad aan zich moet binden. Dat die hoogopgeleiden in deze stad willen leven. Dat er veel cultuur is en veel vermaak. Hoogopgeleiden wonen graag in steden waar goede orkesten, goede poppodia en goede musea zijn. Ook als ze daarvan in de praktijk nauwelijks gebruik maken. En dat er veel groen is en weinig luchtvervuiling en weinig geluidsoverlast.

Maar tegelijkertijd doen zich agglomeratienadelen gelden als de leefkwaliteit in de stad te hoog wordt. En als er te veel cultuur en te veel festivals worden aangeboden. Want het zijn niet alleen de hoogopgeleiden die vanwege deze ‘amenities’ in de steden willen wonen, het zijn ook de toeristen die om die reden de stad willen bezoeken. Amsterdam kan er de laatste jaren over meepraten. De rolkoffers van de airbnb-ers zijn het symbool geworden van de overlast van de toeristen en van de irritatie van de bewoners.

En die toerist staat een beetje symbool voor de burger in het algemeen. Het mag waar zijn dat toeristen sommige delen van Amsterdam overspoelen, het zijn vooral de goedbetaalde hoogopgeleiden die de stad in hun bezit hebben genomen. Dat heeft ook grote gevolgen voor de relatie tussen de burger en het bestuur. Niet zelden hebben de nieuwe stadsbewoners de lokale overheid het nakijken gegeven. Zij weten uitstekend hun woordje te doen, zij kennen hun rechten en weten die ook af te dwingen, zij organiseren in hun eigen buurt de zaken die de gemeente laat liggen of uit haar handen laat vallen. Van de weeromstuit gaat de overheid praten over de ‘doe-democratie’ en de ‘energieke samenleving’. De overheid zou deze vormen van ‘zelforganisatie’ zelfs moeten stimuleren. Daarvoor lijkt weinig reden. De hoogopgeleide burger zit niet op dit soort paternalistische gevoelens te wachten. De triomf van de stad is in veel opzichten ook de triomf van de burger geweest.

Toch heeft niemand baat bij een ‘onzekere overheid’ die nota’s over zelforganisatie en doe-democratie schrijft. De samenleving is meer gediend bij een (lokale) overheid die weet ‘waar ze van is’, die weet welke taken onmiskenbaar overheidstaken zijn. Wat te denken van een goed scholings- en arbeidsmarktbeleid voor de buurten waaraan de triomf voorbij is gegaan. Wat te denken van een effectief beleid tegen de wietkwekerijen die welig tieren aan de randen van de steden? Wat te denken van de bestrijding van de ondermijning die gaandeweg met deze vormen van criminaliteit verbonden is geraakt?

De triomf vasthouden

Ik schreef al: de triomf is niet van alle tijden. Ook de toekomst van de stad is ongewis. Een terugslag als in de jaren 60 en 70 valt niet te voorspellen. Voorlopig moeten gemeentebesturen keihard werken aan de bereikbaarheid en de leefbaarheid van hun steden.

Maar hoe houden we het leefklimaat in de steden goed? Hoe zorgen we ervoor dat de hoger opgeleiden en de hogere inkomens in de steden willen blijven wonen? Één ding is duidelijk: de toekomst van de stad staat of valt met de vraag of we de stad klimaatbestendig weten te maken. Of klimaatneutraal. Of CO2-neutraal. Hoe we het ook willen noemen. De stad zal een belangrijke bijdrage moeten leveren aan de klimaatmitigatie, aan het afremmen en uiteindelijk aan het stoppen van de klimaatverandering. En de stad zal zich moeten aanpassen aan de veranderende klimaatomstandigheden (klimaatadaptatie).

De klimaatmitigatie vraagt het terugbrengen van de CO2-uitstoot tot 0, tot nul. Dat betekent dat de steden van fossiele energie moeten overgaan op zonne-energie, op windenergie, op geothermie. Dat zal ongetwijfeld samengaan met decentrale energieopwekking. Bovendien moet de bestaande bebouwing energiezuinig worden gemaakt. En zal de mobiliteit een geheel ander aanzien krijgen. Hoe ziet het stadsvervoer eruit als de zelfrijdende auto’s (duurzaam) elektrisch zijn aangedreven?

De klimaatadaptatie vraagt in alle steden om nieuwe oplossingen voor de wateropgave. Extreem weer met extreme hoeveelheden regenwater moet worden gepareerd. Bovendien zijn de temperaturen in de steden veel hoger dan buiten de stad. Als de temperaturen wereldwijd gaan stijgen, zullen de gemeenten meer moeten doen om leefbaar te blijven. Veel groen in de stad kan een bijdrage leveren aan het verlagen van de stedelijke temperaturen.

Het is eenvoudiger om deze viervoudige agenda even uit de mouw te schudden dan om haar te realiseren. Hier is echt sprake van een transitie. En transities laten zich niet zo maar op commando afroepen. Tot op heden spreken we vooral over transities als blijkt dat ze zich hebben voorgedaan.

De leergang en de leervragen 

Dit is het verhaal van de triomf van de stad. Dit is ook het verhaal van de leergang Triomf van de stad.  Het verhaal vertaalt zich in 6 modules van 2 dagen. In die 6 modules werken we aan een drietal leerdoelen: kennisnemen van de belangrijkste economische, sociale en culturele ontwikkelingen van steden; vertalen van deze kennis naar de eigen stad; ontwikkelen van een effectieve handelingspraktijk voor de eigen stad.

Module 1 – Stedelijke economie: Agglomeratie-effecten, veranderingen door de komst van de kenniseconomie, consumer-city, werken volgt wonen, met welk beleid kunnen we de triomf van de stad ondersteunen?

Module 2 – Demografie en wonen: demografische ontwikkelingen van steden en randgemeenten, van nieuwbouw in de groeikernen naar nieuwbouw in de grote stad, corporaties en wonen in achterstandswijken, regionale samenwerking tussen stad en randgemeenten.

Module 3 – De achterkant van de triomf: toenemende segregatie, immigranten en hun toekomst in Nederland, het effect van opgroeien in een achterstandswijk, effecten en neveneffecten van beleid voor achterstandswijken, onderwijs en gelijke kansen.

Module 4 – Leefklimaat: welke ‘amenities’ maken een stad aantrekkelijk? Cultuur, voorzieningen, stedebouw. Maar het leefklimaat in de stad is niet voor iedereen zo positief. Denk aan verschillen in gezondheid. En wie aan het leefklimaat van steden denkt, denkt ook aan culturele verschillen. Hoe gaan we met die verschillen om?

Module 5 – De triomf van de burger: hoe om te gaan met burgers die zichzelf organiseren voor de publieke zaak. Waar is de overheid van? Hoe zorgen we dat ook mensen met een achterstand aanhaken. De ‘zelforganisatie’ van burgers is lang niet altijd in het publieke belang, denk aan criminaliteit en ondermijning.

Module 6 – De toekomst van de triomf: steden zullen alleen kunnen voortbestaan als ze klimaatbestendig zijn. Hoe realiseren we die transitie? En de toekomstige steden zullen slim moeten zijn.

Afronding Triomf van de stad, editie 2016

juli 11, 2016 by  

In juni jl. is de zevende editie van de leergang Triomf van de stad afgerond. De cursisten gaven een presentatie. Ze kregen feedback van José Manshanden, wnd gemeentesecretaris van de gemeente Utrecht. De presentaties + het programma + de rode draad van de leergang zijn gebundeld in een boeiend boek. Foto’s (van Ienske Meindertsma en Karen Ephraim) geven een beeld van de steden en een impressie van de leergang. Het is hier te lezen. In september start de achtste editie.

Volgende pagina »