Onderzoek naar formatie faalt

november 20, 2019 by  

Zelden zo ambivalent geweest na het lezen van een boek. Het gaat om dit boek: Elke formatie faalt; verkiezingsbeloften die nooit worden waargemaakt van Wimar Bolhuis. Het idee is leuk, de uitvoering is leuk, de verslaglegging is dramatisch en de analyse ontbreekt grotendeels. 

Het idee. Het CPB maakt doorrekeningen van verkiezingsprogramma’s. Het CPB maakt een doorrekening van het regeerakkoord dat na de verkiezingen wordt gesloten. Bolhuis vergelijkt beide op een intelligente manier. Vanzelfsprekend vergelijkt hij alleen de verkiezingsprogramma’s van de regeringspartijen met het regeerakkoord. Bovendien weegt hij de verkiezingsprogramma’s op basis van het zeteltal van de partijen in de Kamer. Het is immers logisch dat de VVD in Rutte III meer in melk te brokkelen heeft dan de ChristenUnie. 

De uitvoering. In meer dan 80% van de gevallen komen de politici hun beloften na. Voor alle duidelijkheid: de regeringspartijen komen in meer dan 80% van de gevallen hun beloften na. Terecht stelt Bolhuis dan ook: “Nederlandse politici zijn over het algemeen betrouwbaar” (p. 97). Niet gek om dat nog eens te bewijzen in tijden van populisme en fake-nieuws. Terzijde: ik heb in het verleden vaak een bijdrage geleverd aan verkiezingsprogramma’s en had indertijd toch niet altijd het idee dat we zulk belangrijk werk aan het verrichten waren. Natuurlijk wijkt het regeerakkoord in een aantal gevallen wel af van wat je op grond van de verkiezingsprogramma’s van de regeringspartijen zou mogen verwachten. En dat zijn geen onbelangrijke zaken. Belastingen en premies voor burgers worden meestal hoger dan beloofd. Belastingen voor bedrijven worden meestal lager dan beloofd. Uitgaven voor sociale zekerheid, openbaar bestuur, zorg, internationale samenwerking en milieu krijgen in de regel meer dan vooraf beloofd. En onderwijs minder. Ook is er bij de inkomstenbelasting meer nivellering dan beloofd. Al wordt dat wel gecompenseerd omdat er uiteindelijk (nog) minder belasting op vermogen wordt geheven dan al was beloofd. 

De verslaglegging. Je zou zeggen een behoorlijk evenwichtig onderzoek met vertrouwenwekkende conclusies. Toch dist Bolhuis in zijn boek een volstrekt ander beeld op. De titel van het boek zegt het al: Elke formatie faalt. Met nadruk op “elke” en op “faalt”. En vanaf het begin van het boek staat de conclusie vast: “De Nederlandse politici vertellen, bewust of onbewust, structureel dezelfde soort ‘leugentjes’ in hun verkiezingsprogramma’s” (p. 13). Om dat te bewijzen presenteert Bolhuis alleen de “afwijkende uitkomsten (of verschillen) tussen verkiezingsbeloften en regeerakkoorden” (p.16). Ik heb al veel raar onderzoek gelezen, maar dit slaat toch zo’n beetje alles. Als je het onderzoek in zijn totaliteit bekijkt blijken politici in meer dan 80% van de gevallen te doen wat ze hadden beloofd. Maar omdat die conclusie blijkbaar niet interessant genoeg is, worden in het boek alleen de bewijzen van het tegendeel (uitgebreid) besproken. En zo bewijst Bolhuis dat politici “structureel dezelfde leugentjes vertellen”. Dan zie je pas hoe sluw die ondertitel van het boek is gekozen: verkiezingsbeloften die nooit worden waargemaakt. Ja, zonder komma. Dus dit boek gaat alleen over de verkiezingsbeloften die nooit worden waargemaakt. Maar die hele titel suggereert maar iets heel anders: dat verkiezingsbeloften nooit worden waargemaakt. Waarom doet zo’n man zoiets?

Analyse. De auteur steekt niet onder stoelen of banken dat hij zijn proefschrift, waarvan dit boek een populaire uitgave is (of moet ik zeggen: populistische?), en het boek zelf heel snel heeft geschreven. Dat is bewonderenswaardig. Maar het onderzoek had wel veel beter kunnen worden als de auteur er meer tijd voor had genomen. Want een analyse van de uitkomsten ontbreekt eigenlijk geheel. Er worden alleen willekeurige verklaringen gegeven, zonder dat deze systematisch zijn onderzocht. Daarmee wordt een geweldige kans gemist. Want waarom stemmen regeerakkoorden zo sterk overeen met de beloften die eerder aan de kiezers zijn gedaan en waarom wijken ze op sommige (essentiële) punten toch ook af? Komt dat laatste door het werk van de lobbyisten? Komt dat door de ambtenaren die zich nadrukkelijk met de formatie bemoeien (hoewel ze zelf altijd een heel ander beeld ophouden)? Komt dat omdat verkiezingsprogramma’s vooral voor de eigen partij zijn bedoeld en niet voor de kiezer? Of komt het door de psychologie van verkiezingen en formaties? Het bekt immers lekker om tijdens de verkiezingen te melden dat er fors moet worden gesneden in het aantal ambtenaren, maar na de verkiezingen heb je die ambtenaren toch vaak wel erg nodig. Het bekt lekker dat er veel meer geld moet naar onderwijs, maar na de verkiezingen blijkt het toch ingewikkelder om daarvoor een directe bestemming te vinden. Zoals een regeerakkoord wellicht nivellerender is omdat het kabinet er ‘voor alle Nederlanders’ wil zijn en niet alleen voor de eigen achterban.  

Stikstof doet instituties kraken

november 15, 2019 by  

Voor wie van politiek houdt, zijn het mooie tijden. De VVD die de 130 km afschaft, het CDA dat de veestapel gaat inkrimpen. En we staan nog maar aan het begin. Die stikstofcrisis is nog lang niet opgelost. En ook het klimaat zal veel vragen van regeringspartijen die niet zo lang geleden nog openlijk twijfelden aan de klimaatverandering. Het knarst en piept in Den Haag.

Dat gaat niet alleen om de partijen, maar ook om de institutionele verhoudingen. Die hele stikstofcrisis is veroorzaakt door de rechter, die ons typische gedoogbeleid naar de prullenbak verwees. In de Urgenda-zaak sprak de rechter uit dat de regering zich aan internationale afspraken moet houden en een veel actiever klimaatbeleid moet voeren. En zelfs de afschot in de Oostvaardersplassen is recentelijk weer stopgezet omdat de rechter verder schieten verbood. Die rol van de rechter, het is allemaal nieuw. Mijn vertrouwen in de democratische rechtsstaat is er alleen maar door vergroot. Maar het kabinet heeft grote moeite om met dit nieuwe fenomeen om te gaan. In de Urgenda-zaak werd steeds gehoopt dat een hogere rechter anders zou oordelen, hetgeen niet gebeurde. De stikstof-uitspraak van de Raad van State werd vooral juridisch benaderd (hoe bedenken we een nieuwe truc, zoals minister Van Nieuwenhuizen zich liet ontvallen), terwijl een politiek antwoord gewenst was. In alle gevallen is de reactie too little too late. 

Het knarst en piept ook in het binnenlands bestuur. Het lijkt erop dat de verhoudingen tussen Rijk, provincie en gemeenten eraan toe zijn om opnieuw te worden gedefinieerd. Een paar jaar geleden moest de jeugdzorg worden gedecentraliseerd: voortaan zouden de gemeenten verantwoordelijk worden. Nu wordt al weer bekeken hoe die maatregel kan worden teruggedraaid. Is jeugdzorg dus toch geen lokale taak? Het kabinet neemt een besluit over de stikstof en een dag later beslissen de provincies om bij de vergunningverlening andere regels te hanteren.  Je zou toch denken dat de stikstof een nationale kwestie is en dat de Rijksoverheid bevoegd is om te bepalen wat er op dit punt moet gebeuren. 

Deze ontwikkelingen verbazen me overigens niet. Al veel langer verschuiven de posities in het binnenlands bestuur. Op de oorzaken daarvan ga ik hier niet verder in. De taal waarmee het binnenlands bestuur wordt beschreven is gaandeweg veranderd. Gemeenten noemen zich  tegenwoordig ‘mede-overheid’ in plaats van het verfoeide ‘lagere overheid’. Provincies roepen dat zij (en niemand anders) over de regionale economie gaan en over het platteland. En dus blijkbaar ook over de stikstof. Termen als ‘horizontaal bestuur’ worden in deze sfeer graag gebezigd, alsof er geen hiërarchie meer in het binnenlands bestuur zou bestaan. Ja, dan is het logisch dat je je weinig aantrekt van het nieuwe stikstofbeleid van de regering. 

Terwijl het binnenlands bestuur ooit zo helder door Thorbecke is ontworpen. De gemeente ging volgens Thorbecke over de zaken die op het lokale niveau speelden. De provincie en het Rijk hadden daarover niets te zeggen. In dat opzicht was er geen hiërarchie in het binnenlands bestuur. Zoals de provincie ging over de zaken op provinciaal niveau en de Rijksoverheid over zaken op nationaal niveau. Maar als er een hoger belang geldt gaat dat altijd voor. Want Thorbecke zei al dat het nationale belang boven het provinciale gaat en het provinciale belang boven het lokale belang. In dat opzicht behoorde er wel hiërarchie te zijn. Dat probleem is een steeds grotere rol gaan spelen naarmate provincies en gemeenten meer Rijkstaken zijn gaan uitvoeren.

Wat betekent dit voor de stikstof? En voor de jeugdzorg? En noem maar op. Niemand twijfelt eraan dat de stikstof een nationale kwestie is. Dan is het niet meer dan logisch dat de Rijksoverheid hier de verantwoordelijkheid neemt (en hier verantwoordelijk wordt gehouden). En ook als het Rijk ervoor kiest om het stikstofbeleid door provincies te laten uitvoeren – dat kan immers efficiënter zijn -, dan horen de provincies het beleid uit te voeren binnen de kaders die door het Rijk zijn gesteld. Voor de jeugdzorg geldt eenzelfde redenering. Burgers hebben er recht op dat er in elke gemeente een goede jeugdzorg is, en dat die jeugdzorg niet afhankelijk moet zijn van allerlei politieke keuzen binnen de gemeente. Dan is er dus sprake van een nationale verantwoordelijkheid en kan de regering de jeugdzorg dus niet zo maar over de schutting van de gemeenten gooien. Natuurlijk kunnen gemeenten helpen bij de uitvoering van de jeugdzorg. Maar dat kan niet betekenen dat de kaders van de jeugdzorg van gemeente tot gemeente verschillen. Het Rijk moet de kaders stellen en de bijbehorende budgetten leveren. 

Dus laten we ophouden met al die fuzzy woorden als mede-overheden en horizontale verhoudingen tussen rijk, provincies en gemeenten. Als het een lokale kwestie is de gemeente helemaal vrij om zelf te beslissen. Als het een landelijke kwestie is, beslist het Rijk en voeren provincie en gemeente slechts uit. Natuurlijk, met beleidsvrijheid omdat het beleid daarmee efficiënter en effectiever wordt. Maar altijd binnen de kaders die het Rijk helder heeft aangegeven. Ja, in dat opzicht zijn, conform Thorbecke, de provincies en de gemeenten werkelijk lagere overheden

Stop het dok #A10

november 5, 2019 by  

Er zijn grote problemen met de ondertunneling van de A10 bij de Zuidas. Er is een diepgravend conflict tussen de opdrachtgever (het Rijk) en de bouwers. De Minister meldt de Kamer dat het zeker een half miljard euro duurder zal worden (in plaats van de begrote 1 miljard). Marcel Hertogh uit Delft is aangetrokken om te bemiddelen tussen Rijk en bouwers. Oud-minister van VROM Sybilla Dekker is aangetrokken om te adviseren over het verdere verloop. Moeten we wel doorgaan met dit enorme project? Volgens mij is het een goed moment om te stoppen met die tunnel

Aanvankelijk ging het om drie samenhangende projecten. Ten eerste het bouwen van een nieuw Station Amsterdam-Zuid dat in staat is om de te verwachten reizigersstromen te verwerken. Ten tweede het ondertunnelen van de A10 ter hoogte van de Zuidas. Ten derde het ondertunnelen van het spoor ter hoogte van de Zuidas. Het laatste project is snel afgeblazen: te duur en te weinig baten. Daarmee stond vast dat de Zuidas voor altijd doorsneden zou blijven door infrastructuur. En viel dus ook meteen een voordeel van het ondertunnelen van de A10 weg.

Het ondertunnelen van de A10 zou een miljard euro moeten kosten. Dat is veel geld, en zeker als er nou al een overschrijding is van een half miljard. Dat is vooral veel geld omdat de analyse van de kosten en baten indertijd al erg negatief uitkwam. Het CPB berekende ooit dat ook op termijn, en indachtig alle maatschappelijke voor- en nadelen, het hele project bijna één miljard tekort kwam. Er waren voordelen, maar de nadelen waren niet kleiner. Simpel gezegd: voor die bouwkosten van één miljard kreeg je in feite niets terug. 

Waarom kwam die analyse van maatschappelijke kosten en baten zo mager, zeg maar zo negatief uit? Ik denk dat er twee redenen zijn. Ten eerste heb je onder de grond niet veel meer ruimte dan boven de grond. Die sporen blijven er liggen en die kantoren blijven er staan. De doorstroming van het verkeer verandert dus niet wezenlijk. Ten tweede kan je alleen maar de vrijkomende grond bebouwen met nieuwe kantoren als je heel veel kosten maakt bij de aanleg van de tunnel. En als je heel veel kosten maakt weegt de verkoop van een lapje grond daar niet tegenop. En als je minder kosten maakt, kan je alleen maar een parkje aanleggen.

Toch was de ondertunneling van de A10 een prestigeproject, waarbij me nooit helemaal duidelijk is geworden van wie. Na de analyses van het CPB werd Elco Brinkman (met een commissie) gevraagd de kosten en baten nog eens goed tegen het licht te houden. Zonder verdere onderbouwing meldde Brinkman dat er geen gat was van 1 miljard. En zo kon het project doorgaan. Let wel dat bij het tekort van 1 miljard van het CPB nog niet eens gedacht was aan alle ellende die het verkeer vele jaren van de bouw zou ondervinden. 

Ik heb me dan ook vaak afgevraagd waarom die tunnel ondanks alles moest worden aangelegd. Inderdaad, op dit moment doorsnijdt de A10 de kantoorkolossen van de Zuidas. Maar je kan ook zeggen dat de A10 een directe verbinding vormt tussen de kantoren van de Zuidas en Schiphol. Met het ondertunnelen van de A10 win je wellicht enige grond voor nieuwe kantoren. Voor de rest kan je vooral groen aanleggen. Er waren indertijd nogal wat Rijksambtenaren die meenden dat het gebied met dat parkje aan ‘ruimtelijke kwaliteit’ wint. Geen auto’s meer, maar alleen maar gras en bomen. Zo vonden dat vooral ‘mooier’. 

Dan dienen zich twee vragen aan. Ten eerste: is dat ‘mooier’ ons één miljard euro (en nu dus al anderhalf miljard) waard? Ten tweede: zou het kunnen dat al die bedrijven zich daar hebben gevestigd omdat zij onder ‘mooi’ iets anders verstaan? Is het denkbaar dat ze helemaal niet op gras en bomen zitten te wachten, maar zich juist hebben willen spiegelen aan de dynamiek van de A10? Dan moeten die auto’s lekker boven de grond blijven rijden.

Het Parool, 7 november 2019

Bij het #RIVM breien ze hele lange zinnen

oktober 30, 2019 by  

Je kan (in de auto) de radio niet aanzetten of het gaat over stikstof, PFAS of CO2. Althans in mijn oren. Voor anderen gaat het misschien over boeren of bouwers. In feite gaat het om hetzelfde. En kennisinstellingen spelen in dat publieke debat een grote rol. De boeren gingen bij hun tweede optocht niet voor niks bij het RIVM op bezoek. Directeur Hans Brug, die ter plekke directeur-generaal wordt genoemd, sprak de boeren kort doch netjes toe. Zijn toespraak was voldoende om de boeren verder te laten optrekken naar Den Haag. 

Ik hou me al een kleine 30 jaar bezig met de relatie tussen kennis en beleid. En volg dus met name de bewegingen van de kennisinstellingen in deze publieke debatten. En dan vallen me veel dingen op. 

Ten eerste richt het verwijt van velen zich tegen de onderzoekers vanuit de onbewezen gedachte: als het het onderzoek niet deugt, deugt het beleid ook niet. En daarom trekken velen het onderzoek louter om politieke redenen in twijfel. Zo roepen de boeren dat het onderzoek naar stikstof verkeerde meetpunten hanteert (hetgeen niet waar was). Maar vervolgens roepen ze dat hun stikstof-uitstoot al met 60% is gedaald. Op basis van dezelfde meetmethoden. Dat lijk weinig consequent. Helaas doen Tweede Kamerleden even gemakkelijk mee aan dat bashen van het onderzoek. Zeker van hen zou je meer wijsheid verwachten, alleen al in eigen belang, omdat veel beleid niet zonder wetenschappelijke onderbouwing kan. Zij kunnen moeilijk nu de uitkomsten van onderzoek zonder enig bewijs in twijfel trekken, om straks weer te roepen “dat onderzoek heeft aangetoond dat… etc.” 

Ten tweede zijn interviews met onderzoekers niet zelden tenenkrommend. Je zou toch verwachten dat het RIVM een paar mensen speciaal heeft opgeleid om op Radio 1 op simpele vragen simpele antwoorden te geven. Hebben ze daar geen communicatie-afdeling? Nu lijkt het alsof voor elk interview weer een andere wereldvreemde wetenschapper van achter zijn bureau is gesleurd om eindeloze onbegrijpelijke zinnen te breien. Ik ben wetenschapper, en als ik er al helemaal niets van begrijp, is er toch echt iets mis. Misschien denken ze bij het RIVM dat wereldvreemdheid een voorwaarde is voor goed onderzoek. 

Ten derde lijken de onderzoekers nauwelijks te hebben nagedacht over de specifieke rol die ze in dit debat vervullen. Die rol is simpel: ze reiken data aan en zo nodig duiden ze die data. De speech van directeur Hans Brug van het RIVM was in dat opzicht opvallend. Hij verdedigde helder waarom zijn modellen zeer adequaat zijn en zeker het beste wat nu denkbaar is. Maar hij vertelde niet dat hij alleen maar onderzoekt en dat de politiek beslist. Waarom zei hij niet tegen die boeren dat hij onderzoekt hoeveel stikstof er is, en dat de politiek besluit hoeveel stikstof er mag zijn? Of denkt het RIVM dat die laatste vraag objectief door de wetenschap kan worden bepaald. 

Daar lijkt het inderdaad op. Want elders meldt het RIVM dat de door de politiek gekozen ondergrens voor PFAS “niet wetenschappelijk onderbouwd is”, alsof er grenzen zijn die door de wetenschap kunnen worden vastgesteld. Een grens is een norm en normen kunnen nooit wetenschappelijk worden bewezen. Wetenschappers vertel ons alsjeblieft “hoe het zit” en doe dat zo betrouwbaar mogelijk. En laat de vraag hoeveel biodiversiteit we willen hebben, hoe gezond we moeten zijn en of het klimaat moet worden gered over aan de politiek. Die hebben het daar al moeilijk genoeg mee. 

Het einde van de polder

oktober 22, 2019 by  

We zijn er jaren goed in geweest. In polderen. Polderen staat voor compromissen sluiten. Polderen staat voor met alle betrokkenen in gesprek gaan. Polderen staat voor draagvlak. Polderen staat ook voor schipperen. Voor het opzoeken van de grenzen van de wet. En als we over die grenzen heengaan noemen we het gedogen. Als er twee kenmerkende woorden zijn voor de Nederlandse politieke cultuur, dan zijn het ‘polderen’ en ‘gedogen’. En het is waar: we hebben er een belangrijk deel van onze welvaart aan te danken. 

Toch zijn er steeds meer signalen dat we het met polderen en gedogen niet meer redden. We kunnen ze elke dag in de krant lezen. Maar het is de vraag of ze door de politiek ook zo worden begrepen. 

Denk aan de stikstof en de landbouw. Ik weet dat de boeren veel last hebben van de overheid. Maar als je de zaak vervuilt hoor je dat ook te hebben. De politiek gooit het echter al jaren op een akkoordje met de landbouwwereld en bedacht zonder schaamte regels (PAS) die in strijd waren met de Natura-2000-richtlijnen van Brussel. Toen de Raad van State vervolgens een grens trok, deed het kabinet alsof het verrast was. Vervolgens kwamen de boeren in actie. Acties die aanvankelijk op volle steun van nagenoeg alle partijen konden rekenen. Intussen holt de kwaliteit van de natuur achteruit. Verder polderen en verder gedogen zijn dus geen begaanbare weg meer. 

Denk aan de Pfas. Ik weet dat de bouw veel last heeft van de overheid. Maar als je de zaak vervuilt hoor je dat ook te hebben. Het probleem was al jaren bekend, maar de overheid dacht er in goed overleg met de bouwwereld en met gedogen wel weer uit te komen. Helaas hebben de stoffen die schuilgaan achter het begrip Pfas grote nadelige gevolgen voor de voortplanting en zijn ze niet zelden kankerverwekkend. En weer moet het RIVM een oplossing aanreiken, waar we behoefte hebben aan een overheid die hier even niet poldert en niet allerlei ellende gedoogt.

Denk aan de drugscriminaliteit. We hebben het inmiddels moeten meemaken dat een advocaat van een kroongetuige is vermoord. Er gaan in de grote steden en zeker in Brabant honderden miljoenen om in de drugseconomie. Veel mensen raken verstrikt in de netwerken van de criminaliteit. De bovenwereld is al lang niet meer gescheiden van de onderwereld. Het lokaal bestuur dreigt op sommige plekken door de criminelen te worden ondermijnd. En nog steeds mag je legaal wiet kopen dat illegaal wordt geproduceerd. Een erger voorbeeld van gedogen kent de Nederlandse politiek niet. 

Denk aan de CO2. Ik weet dat er veel geld wordt verdiend aan fossiele energie in Nederland. Tegelijkertijd polderen we ons gek aan tafels om energieakkoorden en klimaatakkoorden te sluiten. Maar die tafels verplichten de deelnemers uiteindelijk tot niks. Tegelijkertijd is Nederland ver achterop geraakt met het opwekken van niet-fossiele energie, de beste methode om minder CO2 uit te stoten. Want zo lang de overheid ons niet verplicht om de voorstellen van de klimaattafels na te leven, leidt polderen ook hier weer vooral tot gedogen. 

Ik weet het: het polderen is een uniek model. Het is ook een model dat lange tijd succesvol is geweest. Maar als we onze natuur, ons klimaat, onze samenleving echt willen beschermen, is polderen op dit moment niet meer genoeg. En moet gedogen worden verboden. Ik vind het grappig om al die boeren in Den Haag te zien rondrijden. Ik vind het even grappig dat de bouwers over een paar weken daar ook gaan rondrijden. Maar daar hebben we nu even niks aan. We hebben behoefte aan een overheid die met gezag de grenzen aangeeft waaraan bouwers, boeren en burgers zich hebben te houden. 

[Volkskrant, 24 oktober 2019]

Volgende pagina »