Triomf van de stad: de leergang

januari 21, 2016 by  

 

triomf

 

 

 

 

 

 

 

 

De leergang

Sinds 2012 organiseer ik de leergang Triomf van de stad voor stedelijke strategen. Een keur van docenten wisselen prachtige praktijkcasus af. Om die reden slaan we onze tenten steeds weer in een andere stad op. Samen met Karen Ephraim zorg ik zelf voor de verbinding. De leergang beslaat zes modules van twee dagen. In januari 2016 is de 7e groep van start gegaan; in september 2016 start de 8e. Voor nadere informatie zie: https://www.yumpu.com/nl/embed/view/OiluXATaxmqLeYGo. Voor aanmelding ken men terecht bij Saskia de Puij-Akkerman: akkermanssaskia@gmail.com. In onderstaande essay geef ik de rode draad van de leergang weer, inclusief leervragen.

 

De rode draad

De woningprijzen in Amsterdam stijgen snel. Huizen worden boven de vraagprijs verkocht. Er wordt grof geld betaald om in die stad te mogen wonen. Ook andere steden gaat het momenteel voor de wind. Nog niet zo lang geleden was dat wel anders. In de jaren 60 verlieten veel inwoners hun steden. Dat was heel begrijpelijk. Veel steden waren vies en verpauperd. Hoeveel beter was het leven in de nieuwe groeikernen! Het is bijna onvoorstelbaar hoe hard de steden in die tijd zijn gekrompen. Nog steeds heeft Amsterdam veel minder inwoners dan in de jaren 50 en 60.

Toch was die trek naar het platteland, die suburbanisatie, een tijdelijk fenomeen. In het algemeen is niet ontstedelijking maar verstedelijking de norm. Mensen hebben de neiging naar steden te trekken. Op dit moment woont al meer dan de helft van de wereldbevolking in steden. En dat is niet zo vreemd, omdat in steden voor veel mensen werk is te vinden. Omdat de meeste bedrijven in steden zitten. Die bedrijven zitten daar om een hele simpele reden: in de stad zijn ze productiever. Ruimtelijk economen weten dat hetzelfde bedrijf buiten de stad 7% minder productief zou zijn. Daarom zitten bedrijven in de stad en trekken mensen van het platteland naar de stad.

Waarom is het bedrijf in de stad productiever? Er zijn drie goede redenen voor. Ze hebben allemaal te maken met ‘bevolkingsdichtheid’ en met ‘massa’. In jargon spreken we over: matching, sharing en learning.

  • Matching: bedrijven in de stad profiteren van de afzetmarkt in hun directe omgeving. Dat scheelt transportkosten. Minstens interessant is het feit dat de arbeidsmarkt in de steden veel beter is. Hoe meer mensen op reisafstand, hoe meer keuze je hebt en hoe beter je personeel. Er vindt een betere match plaats.
  • Sharing: omdat een stad veel andere bedrijven huisvest, is er een tweede voordeel: bedrijven kunnen zich specialiseren. Wat ze niet meer in huis hebben, kopen ze om de hoek bij een ander bedrijf in. En hoe meer specialisten hoe hoger de kwaliteit van het werk.
  • Learning: hoe meer bedrijven in de directe omgeving, hoe meer kansen om iets van elkaar te leren. En hoe groter de kans dat gezamenlijk nieuwe producten worden ontwikkeld. Denk ook aan de betekenis van universiteiten en andere kennisinstellingen voor het lokale bedrijfsleven.

Matching, sharing en learning zijn allemaal agglomeratievoordelen. Omdat er massa is, ontstaan voordelen, die bedrijven op het platteland ontberen.

Er is iets bijzonders aan de hand met agglomeratievoordelen. Ze zijn zelfversterkend. Omdat de productiviteit in de stad hoger is, zijn de lonen daar hoger. En vanwege die hogere lonen, worden betere mensen aangetrokken. En omdat die betere mensen komen, worden de lonen nog hoger en komen er nog meer betere mensen. Als dat vliegwiel eenmaal in beweging is, kan zo’n stad steeds productiever en steeds rijker worden. Het stijgen van huizenprijzen hoort daarbij. De hoogte van de huizenprijzen is zelfs één van de beste indicatoren voor de welvaart en het succes van een stad. Je moet gemeentebesturen dan ook wantrouwen als ze zeggen dat hun stad zo aantrekkelijk is omdat de huizenprijzen zo laag zijn. Als de huizenprijzen laag zijn betekent dat maar één ding: de stad is niet aantrekkelijk genoeg.

De triomf van de stad is niet van alle tijden

Uit het voorgaande zou je kunnen opmaken, dat het alleen maar beter kan gaan met steden als dat vliegwiel eenmaal in beweging is. Maar dat vliegwiel is geen automatisme. Zie de teruggang van de steden in de jaren 60 en 70. Waren er toen geen agglomeratievoordelen die de productiviteit van de bedrijven in de steden opjoegen? Die waren er wel, maar twee andere factoren waren van meer gewicht. Zo kent een stad niet alleen agglomeratievoordelen, maar ook agglomeratienadelen. De ‘massa van de stad’ zet de kwaliteit van leven soms ernstig onder druk. Dat gold zeker in de jaren 60 toen de vele fabrieken in de steden het leefklimaat ernstig aantasten. Het leefklimaat in de stad kan zo slecht zijn dat mensen liever elders een minder interessante baan accepteren. Die afweging gaat inderdaad ten koste van de match van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. En leidt dus ook maatschappelijk gezien tot welvaartsverlies. Maar die mensen woonden nu eenmaal liever in een rustiek dorp dan in die vuile stad.

Maar er kwam nog iets interessants bij: juist in die tijd brak de auto door als vervoermiddel voor Jan en Alleman. En met de auto werd de stad ook goed bereikbaar vanuit de nieuwe groeikernen en vanuit het kleine rustieke dorp in het Groene Hart. Je zou kunnen zeggen: door de komst van de auto werden de agglomeraties gewoon veel groter. En hoefde je die interessante baan niet op te geven als je de stad verliet om ergens anders te gaan wonen. Dat gold al helemaal toen ook veel bedrijven de steden verlieten, om ergens aan de rand van de snelweg optimaal per auto bereikbaar te zijn.

Vanaf de jaren 80 is deze ontwikkeling geleidelijk weer omgeslagen. Ten eerste zijn de fabrieken in de steden gesloten. Er zijn overal nette industrieterreinen gekomen, die later werden omgedoopt tot bedrijventerreinen, toen de Nederlandse industrie in snel tempo inzakte en het stokje overdeed aan de zakelijke dienstverlening. De steden werden daardoor weer veel aantrekkelijker. Ook sloeg het politieke klimaat om. De gemeentebesturen begonnen hun steden weer te koesteren, in plaats van ze massaal gereed te maken voor het snelle autoverkeer. Stadsvernieuwing en later stedelijke vernieuwing kwamen in de plaats van sloop en verkeersdoorbraken. ‘Bouwen voor de buurt’ en historische karakteristieken voerden daarbij de boventoon. Omdat burgers zich prettiger voelden bij de geborgenheid van de oude stad dan bij de tochtgaten van de jaren 50 en 60. Bovendien maakte een krachtig beleid de steden weer veel veiliger. Zo verdwenen gaandeweg de agglomeratienadelen die velen op de vlucht hadden gejaagd.

Vanaf de eeuwwisseling heeft zich daar een krachtige factor bijgevoegd: het ontstaan van de ‘kenniseconomie’, ook wel aangeduid met ‘creatieve economie’. Kennis (en opleiding) werden steeds dominanter in de nieuwe economie. Het gaat tegenwoordig steeds minder om de eindeloze herhaling van de productie en steeds meer om het bewerkstelligen van unieke innovaties. En volgens velen, waaronder de econoom Ed Glaeser, zijn daarvoor face-to-face contacten van groot belang. Juist in dat rechtstreekse contact tussen mensen ontstaan nieuwe en onverwachtse producten. En producten moeten we hier heel breed opvatten. Van een format voor een nieuw TV programma tot een nieuwe beleggingshypotheek waarvan de burgers en vooral de banken beter worden.

Ook de rol van kennisinstellingen is in deze ontwikkeling sterk veranderd. Waren universiteiten bijvoorbeeld vroeger vooral opleidingsinstituten, tegenwoordig werken ze ook nauw samen met bedrijven die zich in de directe omgeving hebben gevestigd. Zo ontstaat het idee van de ‘campus’ en de ‘valley’. Op de High Tech Campus in Eindhoven ontstaan tal van innovaties op het snijvlak van bedrijven en TU/e. Hetzelfde geldt voor de FoodValley rondom de WUR in Wageningen. Amsterdam is met zijn twee universiteiten en al zijn kenniswerkers een campus op zich.

Zo keren oude patronen terug. De steden groeien weer. De jeugd trekt voor een opleiding naar de stad en reist na het afstuderen niet meteen verder naar een woning met een tuin in een voorstad. Of naar een opgeknapte arbeiderswoning tien kilometer verder. Dat waren de jaren 70. Toch is alles relatief, want nog altijd kent de stad voor mensen boven de 30 een vertrekoverschot: er verlaten nog steeds meer 30-ers en 40-ers de stad dan erin komen. Maar dit vertrekoverschot wordt op dit moment snel kleiner en weegt niet meer op tegen de massale vestingoverschot van alle jongeren.

Deze omslag versterkt niet alleen de positie van de steden, het verzwakt ook de positie van de voorsteden en met name van de voormalige groeikernen. De jeugd vertrekt vanuit de groeikernen naar de stad en de gehuwden en de jonge gezinnen komen veel minder vaak terug dan vroeger. Zo vergrijzen de voormalige groeikernen. Bovendien zijn het juist de rijkeren en hoger opgeleiden die in de stad blijven. Zo daalt ook langzaam het gemiddelde inkomen in de voormalige groeikernen, als ik deze gemeenten even over één kam mag scheren.

In ieder geval moeten de groeikernen alert zijn op de verdere ontwikkelingen. En ze moeten daarbij niet vergeten dat ze bestuurlijk zwakker staan dan enkele decennia geleden. Toen had iedereen ze nodig, het Rijk voor al die woningen en de steden voor het oplossen van regionale problemen die vooral in de steden neersloegen. Nu subsidieert het Rijk geen woning meer en verschuiven de problemen langzaam van de steden naar de randen. Ik kom daar nog op terug. Het wordt echt precair als de steden hun randgemeenten helemaal niet meer nodig hebben. Wie lost dan daar de nieuwe maatschappelijke problemen op?

De triomf van de stad geldt niet voor alle steden

Het jargon van de Triomf is niet aan gemeentebestuurders voorbij gegaan. Florida en Glaeser liggen op het nachtkastje en de afdeling Citymarketing noemt elk bedrijventerrein al een Campus en twee bedrijventerreinen een Valley. Daarbij verliezen ze uit het oog dat elke stad uniek is en elke stad dan ook zijn eigen kansen en niet de kansen van een ander moet grijpen. Maar ze vergeten ook dat die triomf aan sommige steden voorbij kan gaan. Dan krijgen al die woorden al snel iets leegs.

Het is niet moeilijk om een stad aan te wijzen die ten volle profiteert van bovenstaande ontwikkelingen, van de Triomf. Amsterdam. Maar wat in Amsterdam gebeurt, gebeurt niet in Heerlen, niet in Emmen, en ook niet zo maar in Enschede. En ook aan Rotterdam gaat de (echte) triomf nog steeds voorbij, ondanks het goede beleid en de blije berichten vanuit de Coolsingel. Wanneer doen steden het (ook op dit moment) minder goed? Ik noem drie factoren.

  • Ten eerste moet de lokale arbeidsmarkt aansluiten bij de sectoren die in opkomst zijn. Dat heeft alles met padafhankelijkheid te maken. Als je in een vorige fase succesvol was, hoeft dat niet te betekenen dat je nu meteen weer succesvol zal zijn. Simpel gezegd: met havenarbeiders en laaggeschoolden win je het niet in de nieuwe kenniseconomie.
  • Ten tweede: je stad moet met name voor de hoogopgeleiden een aantrekkelijk leefklimaat te bieden hebben. Met het aantrekken van bedrijven kom je er niet meer. Die relatie tussen wonen en werken is veel minder eenduidig dan vroeger. In de industriële tijd trokken de mensen naar de steden omdat daar werk was te vinden. Het wonen volgde het werken. Tegenwoordig vestigen bedrijven zich vooral daar waar de beste werknemers te vinden zijn. Dus als je als stad erin slaagt om de beste mensen aan je te binden, dan komen die bedrijven wel vanzelf. Werken volgt wonen. Anderen menen: werken volgt werken. In ieder geval gaat het om the place to be. En dat kan gaan om de High Tech Campus in Eindhoven, waar alle bedrijven en alle slimme werknemers bij elkaar willen zitten. Of om de aantrekkelijke binnensteden, waar veel geld wordt betaald voor een woning aan de gracht.
  • Ten derde: dat vliegwiel van de stedelijke economie is nog steeds van groot belang. En als het niet in beweging is, is het erg moeilijk in beweging te krijgen. Dan kan je wel proberen bedrijven te verleiden om zich in jouw stad te vestigen, maar dat zullen ze niet doen als jouw stad geen geschikte werknemers te bieden heeft. En dan kan je wel proberen om duurdere huizen te bouwen voor de duurdere, hoogopgeleide werknemers, maar die zullen die huizen niet kopen, als er te weinig banen voor hen zijn. De grote vraag voor het bestuur van Rotterdam is dan ook al jaren: wat moeten we doen om de afgestudeerden van de Erasmus Universiteit in de stad te houden? En dat de huizenprijzen in Rotterdam veel lager zijn dan in Amsterdam is geen pre. Het betekent alleen maar dat er veel meer mensen in Amsterdam willen wonen dan in Rotterdam.

De triomf van de stad geldt niet voor iedereen

En toch wonen er in Amsterdam absoluut gezien en relatief gezien meer mensen onder de armoedegrens dan in Rotterdam. Zo verblindt die hele triomf van de stad! Of misschien is dat woord ‘verblinden’ ook niet helemaal goed gekozen. Je kan beter zeggen: de triomf van de stad drukt alles wat minder opgeleid is en alles wat minder geld heeft, gewoon weg. Weg uit het centrum, weg uit de Ring. Want Amsterdam-West en Amsterdam-Zuidoost en delen van Amsterdam-Noord laten een heel ander Amsterdam zien. Daar zitten de mensen aan wie de triomf voorbij gaat. Vroeger woonden ze nog in de Pijp of in de Staatsliedenbuurt. Of nog vroeger in de Jordaan. Maar een proces van gentrification heeft ervoor gezorgd dat de huizenprijzen in deze wijken akelig snel zijn gestegen. De huizen zijn opgeknapt en de nieuwe hipsters hebben hun intrek genomen.

Het is evident: de triomf van de stad draagt bij aan een verdere segregatie in de stad. Het is niet de scheiding tussen autochtoon en allochtoon. Het is de scheiding tussen westers en niet-westers. De expats maken onderdeel uit van de triomf, het zijn overwegend de niet-westerse allochtonen die naar de randen van de steden worden gedreven en verdreven.

Die tweedeling manifesteerde zich ook bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen. In Amsterdam en Utrecht wonnen gegoede hoogopgeleide burgers het van de achterkant van de stad. D66 was de grote winnaar als partij van de kosmopolitische, hoogopgeleide burger met een goed inkomen. In het gespleten Den Haag won D66 met enkele honderden stemmen van de PVV, de partij van de nationalistische, lager-opgeleide burgers met een relatief laag inkomen. In Rotterdam won de achterkant van de triomf: Leefbaar is hier veruit de grootste partij.

Overigens kennen ook de wijken waar de achterkant van de triomf zo goed zichtbaar is, een grote dynamiek. Het zijn namelijk ook de wijken waar de immigranten binnenkomen. Het zijn de zogenaamd arrival neighbourhoods. Waar migranten neerstrijken omdat ze daar hun contacten hebben, omdat de huren laag zijn en omdat de kansen in de informele economie groter zijn. En veel migranten klimmen na een aantal jaren op. De stad als roltrap. En verhuizen naar een betere wijk of naar een randgemeente. Niet dat het gemiddelde van de slechte wijken daarvan beter wordt. Want de plek van de geslaagde migrant wordt vrijwel meteen ingenomen door nieuwe migranten, die weer onder aan de ladder moeten beginnen.

De triomf van de toerist en de triomf van de burger

De triomf is ons overkomen. Geen gemeentebestuur kan claimen de triomf zelf te hebben veroorzaakt. Gemeentebesturen kunnen in het beste geval slechts bijsturen. En ze kunnen de randvoorwaarden voor verdere ontwikkeling gunstig maken. Zo is bereikbaarheid in de theorie van de agglomeratievoordelen een groot goed. Bereikbaarheid wordt ook wel uitgedrukt in het aantal banen dat binnen 45’ te bereiken is. De tijd die de gemiddelde werknemer bereid te reizen naar zijn werk. Als de overheid erin slaagt om het aantal bereikbare banen te vergroten, zullen nog meer mensen op een optimale baan vinden en zullen bedrijven nog productiever worden.

Daarnaast moet een gemeentebestuur er vooral voor zorgen dat het leefklimaat in de stad zo goed mogelijk is. Dat er een woning is te vinden voor de hoogopgeleiden die de stad aan zich moet binden. Dat die hoogopgeleiden in deze stad willen leven. Dat er veel cultuur is en veel vermaak. Hoogopgeleiden wonen graag in steden waar goede orkesten, goede poppodia en goede musea zijn. Ook als ze daarvan in de praktijk nauwelijks gebruik maken. En dat er veel groen is en weinig luchtvervuiling en weinig geluidsoverlast.

Maar tegelijkertijd doen zich agglomeratienadelen gelden als de leefkwaliteit in de stad te hoog wordt. En als er te veel cultuur en te veel festivals worden aangeboden. Want het zijn niet alleen de hoogopgeleiden die vanwege deze ‘amenities’ in de steden willen wonen, het zijn ook de toeristen die om die reden de stad willen bezoeken. Amsterdam kan er de laatste jaren over meepraten. De rolkoffers van de airbnb-ers zijn het symbool geworden van de overlast van de toeristen en van de irritatie van de bewoners.

En die toerist staat een beetje symbool voor de burger in het algemeen. Het mag waar zijn dat toeristen sommige delen van Amsterdam overspoelen, het zijn vooral de goedbetaalde hoogopgeleiden die de stad in hun bezit hebben genomen. Dat heeft ook grote gevolgen voor de relatie tussen de burger en het bestuur. Niet zelden hebben de nieuwe stadsbewoners de lokale overheid het nakijken gegeven. Zij weten uitstekend hun woordje te doen, zij kennen hun rechten en weten die ook af te dwingen, zij organiseren in hun eigen buurt de zaken die de gemeente laat liggen of uit haar handen laat vallen. Van de weeromstuit gaat de overheid praten over de ‘doe-democratie’ en de ‘energieke samenleving’. De overheid zou deze vormen van ‘zelforganisatie’ zelfs moeten stimuleren. Daarvoor lijkt weinig reden. De hoogopgeleide burger zit niet op dit soort paternalistische gevoelens te wachten. De triomf van de stad is in veel opzichten ook de triomf van de burger geweest.

Toch heeft niemand baat bij een ‘onzekere overheid’ die nota’s over zelforganisatie en doe-democratie schrijft. De samenleving is meer gediend bij een (lokale) overheid die weet ‘waar ze van is’, die weet welke taken onmiskenbaar overheidstaken zijn. Wat te denken van een goed scholings- en arbeidsmarktbeleid voor de buurten waaraan de triomf voorbij is gegaan. Wat te denken van een effectief beleid tegen de wietkwekerijen die welig tieren aan de randen van de steden? Wat te denken van de bestrijding van de ondermijning die gaandeweg met deze vormen van criminaliteit verbonden is geraakt?

De triomf vasthouden

Ik schreef al: de triomf is niet van alle tijden. Ook de toekomst van de stad is ongewis. Een terugslag als in de jaren 60 en 70 valt niet te voorspellen. Voorlopig moeten gemeentebesturen keihard werken aan de bereikbaarheid en de leefbaarheid van hun steden.

Maar hoe houden we het leefklimaat in de steden goed? Hoe zorgen we ervoor dat de hoger opgeleiden en de hogere inkomens in de steden willen blijven wonen? Één ding is duidelijk: de toekomst van de stad staat of valt met de vraag of we de stad klimaatbestendig weten te maken. Of klimaatneutraal. Of CO2-neutraal. Hoe we het ook willen noemen. De stad zal een belangrijke bijdrage moeten leveren aan de klimaatmitigatie, aan het afremmen en uiteindelijk aan het stoppen van de klimaatverandering. En de stad zal zich moeten aanpassen aan de veranderende klimaatomstandigheden (klimaatadaptatie).

De klimaatmitigatie vraagt het terugbrengen van de CO2-uitstoot tot 0, tot nul. Dat betekent dat de steden van fossiele energie moeten overgaan op zonne-energie, op windenergie, op geothermie. Dat zal ongetwijfeld samengaan met decentrale energieopwekking. Bovendien moet de bestaande bebouwing energiezuinig worden gemaakt. En zal de mobiliteit een geheel ander aanzien krijgen. Hoe ziet het stadsvervoer eruit als de zelfrijdende auto’s (duurzaam) elektrisch zijn aangedreven?

De klimaatadaptatie vraagt in alle steden om nieuwe oplossingen voor de wateropgave. Extreem weer met extreme hoeveelheden regenwater moet worden gepareerd. Bovendien zijn de temperaturen in de steden veel hoger dan buiten de stad. Als de temperaturen wereldwijd gaan stijgen, zullen de gemeenten meer moeten doen om leefbaar te blijven. Veel groen in de stad kan een bijdrage leveren aan het verlagen van de stedelijke temperaturen.

Het is eenvoudiger om deze viervoudige agenda even uit de mouw te schudden dan om haar te realiseren. Hier is echt sprake van een transitie. En transities laten zich niet zo maar op commando afroepen. Tot op heden spreken we vooral over transities als blijkt dat ze zich hebben voorgedaan.

De leergang en de leervragen 

Dit is het verhaal van de triomf van de stad. Dit is ook het verhaal van de leergang Triomf van de stad.  Het verhaal vertaalt zich in 6 modules van 2 dagen. In die 6 modules werken we aan een drietal leerdoelen: kennisnemen van de belangrijkste economische, sociale en culturele ontwikkelingen van steden; vertalen van deze kennis naar de eigen stad; ontwikkelen van een effectieve handelingspraktijk voor de eigen stad.

Module 1 – Stedelijke economie: Agglomeratie-effecten, veranderingen door de komst van de kenniseconomie, consumer-city, werken volgt wonen, met welk beleid kunnen we de triomf van de stad ondersteunen?

Module 2 – Demografie en wonen: demografische ontwikkelingen van steden en randgemeenten, van nieuwbouw in de groeikernen naar nieuwbouw in de grote stad, corporaties en wonen in achterstandswijken, regionale samenwerking tussen stad en randgemeenten.

Module 3 – De achterkant van de triomf: toenemende segregatie, immigranten en hun toekomst in Nederland, het effect van opgroeien in een achterstandswijk, effecten en neveneffecten van beleid voor achterstandswijken, onderwijs en gelijke kansen.

Module 4 – Cultuur en leefklimaat: cultuur als één van de ‘amenities’, festivalisering, de betekenis van cultureel erfgoed, gezondheid in achterstandswijken, de rol van de openbare bibliotheek, maar ook: er zijn meerdere culturen.

Module 5 – De triomf van de burger: hoe om te gaan met burgers die zichzelf organiseren voor de publieke zaak. Waar is de overheid van? De ‘zelforganisatie’ van burgers is lang niet altijd in het publieke belang: criminaliteit. Hoe zorgen we dat ook mensen met een achterstand aanhaken.

Module 6 – De toekomst van de triomf: klimaatbestendige steden, het managen van de transitie.

Mijn nieuwe boek is verschenen #HaagseOersoep

november 19, 2015 by  

Er wordt veel gereorganiseerd bij de overheid. De laatste jaren onder de vlag van ‘het nieuwe werken’. Maar eigenlijk weet niemand wat dat nieuwe werken inhoudt. Erger: het nieuwe werken geeft geen antwoord op de problemen van het oude werken. Waar hebben ze op een departement wel last van? Dat de politiek het uiteindelijk altijd wint van de inhoud? Dat de baas altijd het laatste woord wil hebben, ook als hij inhoudelijk niks heeft toe te voegen? Dat de planning van het beleidsproces altijd in de war loopt? Dat men te weinig kennis van zaken heeft? Dat de leefwereld van de burger zich zo slecht laat vangen in de systeemwereld van van het departement? Dat het wiel altijd weer opnieuw wordt uitgevonden? In dit boek worden acht van dat soort vragen verkend. Anekdotes spelen daarbij een grote rol. Zoals dit hele boek een combinatie is van herinnering en analyse. Het blijde antwoord: de overheid laat zich goed vernieuwen, maar met simpele antwoorden wordt niemand geholpen.

Zo luidt de flaptekst van mijn nieuwe boek: Haagse Oersoep, over de overheid en hoe het beter kan. Met een prachtig omslag van Van Toor en Van Toor (zie hieronder). Het boek is eenvoudig te bestellen, zie: boombestuurskunde.

Omslag Haagse Oersoep

 

 

 

 

 

 

Debatteren met open vizier

november 19, 2013 by  

Ik stel het zeer op prijs als mensen reageren op mijn blogs. Debat dwingt je soms om je argument scherper te formuleren, debat leert je soms dat je een ander perspectief over het hoofd hebt gezien, debat leert je soms dat je een off day had. Dus: reacties zijn welkom. Hoe afwijkend ook: ze worden door mij geplaatst. Ik maak slechts twee voorbehouden voor het plaatsen van de reactie: schelden is niet toegestaan en er wordt met open vizier gestreden: anonieme reacties worden niet geplaatst. Bovendien houd ik me het recht voor om spelfouten te corrigeren. Ik maak er zelf al te veel.