Zeggenschap enige antwoord op populisme @Pieterhilhorst

februari 13, 2017 by  

Gesprek met Pieter Hilhorst

 

Pieter Hilhorst is al jaren bezig met het vergroten van de zeggenschap van burgers. Hij schreef er boeken over, hij was ombudsman bij de VARA. Hij was zelfs even wethouder van Amsterdam in de hoop dat hij op die plek de zeggenschap van burgers zou kunnen vergroten. Maar zeggenschap kan ook snel elitair worden. Dat de hoogopgeleide burgers met de hogere inkomens in staat zijn om het voor zichzelf goed te organiseren. Ook is het de vraag wat de grenzen van zeggenschap zijn. Waar moet de overheid het uiteindelijk toch gewoon zelf doen. Alle reden voor een mooi gesprek met Hilhorst.

De overheid omarmt en verstikt 

Ik ben benieuwd of Hilhorst iets heeft met begrippen als doe-democratie en overheidsparticipatie, die in sommige overheidskringen populair zijn. Dat blijkt genuanceerd te liggen. Hilhorst: ik heb iets met begrippen als burgerinitiatieven en zeggenschap van burgers. Overheidsparticipatie leidt gauw tot overname. Als burgerinitiatieven lukken, dan willen politici je altijd komen helpen. Dan dreigt een verstikkende omarming. Dat associeer ik met overheidsparticipatie. Een verstikkende overheid. Toen ik samen met Jos van der Lans een Broodfonds oprichtte, dat is een club zzp-ers die elkaar helpen bij ziekte en dergelijke, toen was Mei Li Vos van de PvdA de eerste die zei: hoe kunnen wij helpen? Dat is heel aardig. Maar wij zeiden: Je kan vooral helpen door je er niet mee te bemoeien. Dat heb je vaker: als de overheid er zich mee gaat bemoeien, dreigt altijd dat ze het gaan overnemen. Wat wel belangrijk is: dat de overheid het zo gaat organiseren dat het voor burgers makkelijker wordt om samen met elkaar het heft in handen te nemen.

Ik heb met Jos van der Lans het boek geschreven over sociaal doe-het-zelven. Ik dacht dat gedachtengoed ook als wethouder van Amsterdam goed te kunnen uitdragen. Maar dan zie de spanning. Nadat ik mijn verhaal had verteld, stond er een keer zo’n echte Amsterdammer op en die zei: “Zo, wij moeten het dus allemaal zelf gaan doen. En wat ga jij nu eigenlijk doen, man?” Hij wilde zekerheden. Hij was bang dat mijn mooie verhalen een alibi waren om mensen in de steek te laten. Dat is voor mij de crux: hoe biedt je zekerheden, maar kom je wel van een passieve naar een actieve solidariteit? En de overheid heeft daarbij zeker een rol.

Ik vraag Hilhorst of dat niet tegenstrijdig is. Ik zet het op scherp: Jij zegt dat de burger het allemaal zelf moet gaat doen. Maar waarom laten we de overheid dan nog weer toe? Hilhorst: je kan niet alle solidariteit in eigen beheer nemen. Daarvoor heb je de overheid altijd nodig. Maar het probleem is dat de overheid door haar optreden het zelforganiserend vermogen van burgers belemmert. De overheid is dus niet neutraal. De overheid individualiseert bijvoorbeeld enorm. Individualiseren is voor de overheid de normale gang van zaken. Ik zou het willen omdraaien: iets socialiseren moet de normale gang van zaken worden. Zo kan de overheid ertoe bijdragen dat burgers het samen gaan doen. Dus zelf gaan doen.

Hilhorst noemt als voorbeeld zwangerschapscursus uit Amsterdam-Noord. Het gebeurde eerst individueel. Toen zijn ze overgestapt op groepslessen. En zag je dat er platforms van vrouwen ontstonden, die elkaar gingen helpen. Die manier van denken moet je veel vaker toepassen. Organiseer platforms omdat platforms het zelforganiserend vermogen van mensen versterken. Dus maak groepen van patiënten die een knie-operatie hebben ondergaan. Laat ze samen revalideren. Dan vergemakkelijk je het zelforganiserend vermogen.

Burger wil ook zekerheid

Ik wil het nog scherper hebben. Wat wil die Hilhorst nu eigelijk? Kiest hij voor een overheid die op een andere manier organiseert wat de overheid toch al wil of is het een overheid die afscheid neemt van een verantwoordelijkheid en tegen burgers zegt: ga je gang maar? Hilhorst: veel dingen blijven toch een taak voor de overheid. Dat was mijn fout toen ik de politiek inging. Ik dacht: veel mensen zitten te wachten op het moment dat ze het zelf mogen gaan doen. Maar dat willen veel burgers helemaal niet. Die willen zekerheid. Die zekerheid moet gegarandeerd zijn. Inkomen, een dak boven je hoofd, dat je verzekerd bent. Daar moet de overheid voor zorgen. Maar binnen die zekerheden kan je best zorgen dat mensen zoveel mogelijk actief solidair zijn. In plaats van passief. Want passieve solidariteit wordt altijd uitbesteed aan bureaucratische instellingen. Met allemaal bureaucratische regels, waardoor mensen niet het gevoel krijgen dat ze geholpen worden door de verzorgingsstaat. De hulp die mensen van de staat krijgen gaat vaak gepaard met vernedering. Daarom is de verzorgingsstaat eigenlijk verweesd. Iedereen die er aanspraak op wil maken, ziet vooral de repressieve kant van de verzorgingsstaat. Terwijl mensen die geen aanspraak doen, denken dat de anderen juist worden verwend. Daarom zal de verzorgingsstaat op termijn geen draagvlak hebben. Dat wil ik tegengaan.

Het gaat om eigenaarschap

Kijk de overheid verzorgt heel veel. Neem het vervoer naar het ziekenhuis. Allemaal geregeld. Maar als jij een keer naar het ziekenhuis moet en dat busje is er niet, dan heb je het gevoel dat je niet meetelt. Maar als mensen het zelf organiseren, weten ze dat Wim altijd wat laat is. Dat is een totaal ander gevoel. Zonder eigenaarschap in die instellingen voor solidariteit, is de toekomst van solidariteit afgeschreven. Daarvan ben ik overtuigd. Je moet dus steeds nadenken hoe je mensen eigenaarschap en zeggenschap kan geven. Dus door het makkelijker te maken dat mensen het zelf organiseren. Of door het makkelijker te maken dat mensen samenwerken. En het eerste is: door het niet tegen te werken. Want veel burgerinitiatieven worden door de overheid tegengewerkt. De participatie-crèche wordt tegengewerkt door het Ministerie van Sociale Zaken. Ouders passen op elkaars kinderen. Maar de ouders zijn daarvoor niet opgeleid, nota bene, en dus komt er geen toeslag voor kinderopvang.

Is het een sausje of is het een fundamentele verandering? Om die reden zeg ik tegen Hilhorst: je streeft een verzorgingsstaat na met een menselijk gezicht. Hilhorst: Ja, dat is waar, maar ook met eigenaarschap. En dat is iets heel anders dan nabijheid. Want aan de keukentafel bepaalt nog steeds een ander wat er met jou gebeurt. Bij ons Broodfonds bepalen we zelf de regels. Dat geeft veel betere solidariteit. Hoe meer eigenaarschap, hoe meer steun voor de solidariteit.

De overheid blijft dus uiteindelijk nog steeds verantwoordelijk voor de solidariteit? Hilhorst: Ja, dat is de essentie, het is een ander soort overheidsoptreden. Zonder overheid zou het een neo-conservatief verhaal worden. Dat moeten we juist niet doen. We hebben die overheid echt nodig.

Hoogopgeleide en witte burgers nemen initiatieven

We zitten samen in Dauphine bij station Amsterdam Amstel. Allemaal witte mensen, allemaal hoogopgeleide mensen. Dan prikkelt zo’n verhaal nog meer. Want hoeveel mensen kunnen dit? Is dit een plan voor de beschaafde elite van Amsterdam? Voor de mensen binnen de ring. Is dit de burger van de Triomf van de stad die dit leuk vindt? Hilhorst: Er zijn heel veel burgers die zich ergeren aan hoe de overheid met hun omgaat. Er spreekt vaak wantrouwen uit het optreden van de overheid. Vernederende, strenge toon. Daar hebben veel mensen last van.

Ik zeg dat ik dat weet. De vraag is: hebben al die mensen het zelforganiserend vermogen van types zoals jij en ik? Hilhorst: nee, niet vanzelf. Dat moet je organiseren. En het kan misschien niet voor iedereen. Hilhorst stelt een wedervraag: Maar is de verzorgingsstaat goed voor iedereen? Nee. Maar hoe meer je het doet, hoe meer gedragen solidariteit er zal zijn.

Basisbaan in plaats van basisinkomen

Ik kaart het basisinkomen aan, zoals dat door een heel actieve club onder andere via sociale media wordt gepromoot. Zit dat in deze buurt? Hilhorst: Nee. Ik ben daar niet zo’n voorstander van. Omdat er heel veel mensen die helemaal niet uit zichzelf initiatief nemen. Mensen met faalangst. Mensen die bang zijn dat ze niet voor vol worden aangezien. Dat soort mensen moet je uitnodigen. Die uitnodiging verdwijnt met een basisinkomen. Het basisinkomen is helemaal gebaseerd op het negatieve idee van vrijheid. Voor mij staat de uitnodiging centraal. In de praktijk betekent het basisinkomen dat heel veel mensen een basisinkomen krijgen en nooit meer ergens bij betrokken worden. Er zijn al te veel mislukte jongeren die de hele dag zitten te gamen. Voor dat soort jongeren is het basisinkomen echt een ramp. Je zegt: we zijn wel klaar met hem. Je nodigt hem niet uit iets te doen. Daarom ben ik voor een basisbaan. Iedereen die een uitkering krijgt de garantie van een baan van 20 uur. Tegen minimumloon. En daarnaast mag je verdienen wat je wil. Dat is echt een uitnodiging. Het gaat er ook om hoe mensen met elkaar in contact komen. Dat doe je niet met een basisinkomen.

Wanneer kan het wel en wanneer niet

Het zijn allemaal sympathieke voorbeelden. Maar er zijn toch ook burgerinitiatieven die we minder leuk vinden. Acties tegen asielzoekerscentra bijvoorbeeld? Hilhorst: ik ben er voorstander van dat bij het vinden van huisvesting voor asielzoekers er optimale betrokkenheid van burgers wordt georganiseerd. Veel gemeenten hadden maar één gedachte vorig jaar bij het plaatsen van asielzoekers: hoe houden we de burgers erbuiten? Maar ook daar moet je burgers bij betrekken. Niet alleen een informatiemarkt waar je mag horen wat er aan de hand is.

Is dat niet naïef gedacht? Er stonden er tienduizenden aan de grenzen. Nee, zegt Hilhorst. Kijk naar Heusden. Burgemeester Jan Hamming. Die heeft gezegd: ik doe het alleen met burgers. Ik heeft zich hard gemaakt tegen het COA. Hij wilde kleinschalige opvang. Hij wilde opvang volgens de ideeën van de burgers. Kom maar met voorstellen. Voor verschillende locaties. Het voorstel van de burgers is overgenomen door de gemeenteraad. Het kan dus wel!

Pieter pleit voor vloeibare democratie. Dat betekent dat je je stem voor een bepaald onderwerp kan geven aan iemand anders. Iemand die je vertrouwt. Zo ontstaan er vertrouwenspersonen die praten namens een aantal mensen. Dat is iets anders dan de gemeenteraad. Daar praten mensen voor vier jaar voor alle onderwerpen namens jou. Hier gaat het om één onderwerp. Het idee van Zygmunt Bauman. Zo krijgt het gemeentebestuur een gesprekspartner voor een probleem.

Participatiesamenleving als schaamlap

Hoe mooi de ideeën van Hilhorst ook zijn, ze kunnen ook dienen als schaamlap voor een overheid die te weinig doet. Ik vraag hem of zijn ideeën geen last hebben van een overheid die uit een soort ‘schuldgevoel’ praat over een participatiesamenleving? Dat had toch vooral te maken met het overhevelen van taken naar gemeenten om daarmee miljarden te kunnen bezuinigen. Hilhorst: Ik dacht indertijd dat die drie decentralisaties een mooi moment waren voor mijn idee van burgerinitiatieven. Maar veel burgers dachten: ik word in de steek gelaten! Al jouw mooie verhalen van we gaan het zelf doen, is gewoon mooipraterij van in de steek laten. Maar ja, de burgers zullen toch gewoon mee moeten doen. Kijk naar de energietransitie. Dat kan heel gemakkelijk weer een onderwerp worden waarvan de burgers denken: dat wordt ons door de strot gedrukt. Maar er moet wel wat gebeuren. En dan geldt: hoe meer betrokkenheid van de burgers, hoe groter de legitimiteit van die hele operatie. We zullen mensen moeten verleiden zonnepanelen op hun dak te leggen. Want daarna zullen ze erin gaan geloven. Je hart volgt je hand: eerst doe je iets en daarna ga je erin geloven. Ik weet dat de burgers er nu nog onvoldoende in geloven, maar op de lange termijn zal je die betrokkenheid van burgers echt nodig hebben.

Zijn er onderwerpen waar jouw verhaal niet geldt? Hilhorst: Ja. Soms zijn er zoveel schaalvoordelen, dat maatwerk gewoon te veel kost. Sommige dingen zijn al zo lean en mean georganiseerd. Dan kan het gewoon niet. Bijvoorbeeld de incasso van zorgverzekeraars en energiebedrijven is zo lean en mean georganiseerd dat lokale pilots alleen maar geld kosten. Ook als we zeggen: we moeten van het gas af. Dat kan gewoon niet alleen van onderaf. Dan moet je het onvermijdelijk ook van bovenaf doen. Maar niet alleen van bovenaf, want dan mislukt het. Dat is het misbruik van het boek van Maarten Hajer over de energieke samenleving: van bovenaf niks doen, en zeggen dat de samenleving het moet doen, terwijl je weet dat de samenleving het niet alleen kan.

De enige strategie tegen het populisme

Als je ziet dat de systemen zo ingewikkeld zijn geworden dat je het soms niet meer van onderop kan organiseren, ben je dan niet een beetje een nostalgische wereldverbeteraar? Hilhorst: de grootste maatschappelijke veranderingen komen voort een verlangen naar iets wat er nooit is geweest. Maar vertrouwen heeft heel veel te maken met mensen die elkaar zien en die elkaar kennen. Je moet altijd een appèl doen op face-to-face relaties. Anonieme relaties met een overheid zonder gezicht daarmee organiseer je permanent de onvrede.

Geldt dit prachtige verhaal ook in een tijd van Trump en Wilders? Hilhorst: dit is het enige antwoord op die mannen. De populist suggereert: er is iets mis met politici maar als wij eenmaal de macht hebben, kunnen wij het wel goed doen. Een heel naïef idee over maatschappelijke verandering. Ze hebben geen idee hoe het moet. Hun veranderingstheorie is volstrekt simplistisch en totalitair. Dat zal nooit onvrede wegnemen. De enige manier om de onvrede weg te nemen is de mensen zelf laten meebepalen. Zeggenschap is enige antwoord op onvrede. De enige strategie tegen het populisme.

De nu al legendarische @HenkKamp

januari 10, 2017 by  

Ik weet het: slechts 1,5% van de Nederlanders noemt klimaat als grootste probleem van deze tijd. Slechts 14% van de Nederlanders is overtuigd van de noodzaak van een ander energiebeleid. En juist daarom zal Henk Kamp over enige tijd misschien wel als de belangrijkste minister van het kabinet Rutte-Asscher worden aangeduid. Henk Kamp? Die Henk Kamp, die niet meer zou terugkomen als minister. Ja, die Henk Kamp.

Henk Kamp zit al op zijn vierde ministerie. Hij deed VROM, Defensie, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en nu dan Economische Zaken. Hij was de informateur van het laatste kabinet. Daarna is het stil rondom Henk geworden. Zoals het altijd wat stil is rond het Ministerie van Economische Zaken. Daar gebeurt immers nooit wat. Daar kijken ze of de markt nog functioneert en verspelen ze vaak miljarden aan bedrijfstakken die het uiteindelijk toch niet redden. Het leek een goede plek voor Henk Kamp om zijn pensioen te halen. En omdat de media dat ook hadden bedacht, heeft niemand meer op Henk gelet. Toch heeft EZ onder leiding van Henk Kamp een metamorfose ondergaan.

Vroeger hield EZ  toezicht op de energiemarkt, omdat het een markt was. Maar tegenwoordig voert EZ energiebeleid omdat de uitkomsten van die markt op de lange termijn ongewenst zijn. Vanwege het klimaat. En dat is een enorme omslag, die we zeker niet meteen van een VVD-minister hadden verwacht. Maar ergens moet Henk Kamp in de afgelopen jaren het onvermijdelijke hebben ingezien: een drastische CO2-reductie is onvermijdelijk om de klimaatverandering te keren.

En zo sloot hij eerst met het bedrijfsleven en milieuorganisaties het Energieakkoord, waarin voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis afspraken worden gemaakt over het terugdringen van de CO2-uitstoot. Toen schreef hij een Energierapport, de eerste serieuze analyse van het energievraagstuk van regeringszijde. Ik geef graag toe: ik was aanvankelijk teleurgesteld over dat rapport. Het bleef bij een analyse. En verder werd alleen een Energiedialoog aangekondigd. Ik voorzag ellende. Het energiebeleid leek weg te zakken in eindeloos geklets. Maar toen was daar plotseling toch de Energieagenda van Henk Kamp, waarin helder werd aangegeven wat we allemaal gingen doen om de afspraak van Parijs na te komen.

Natuurlijk, ook die agenda is nog te weinig. Een CO2-arme energievoorziening in 2050 is niet ambitieus genoeg. We moeten op dat moment (al lang) volledig zijn overgestapt naar hernieuwbare energie. We zouden als rijk land meer moeten doen dan het volgen van het tijdpad van Parijs. We zouden op verschillende terreinen koploper moeten willen zijn, omdat we juist dan de economische vruchten van deze transitie zullen kunnen plukken. We zouden voorop moeten willen lopen met het invoeren van een CO2-belasting in plaats van te blijven beweren dat het ETS-systeem ‘in beginsel’ een goed middel is. Want een middel dat volstrekt niet functioneert, functioneert misschien wel zo slecht omdat het ‘in beginsel’ geen goed middel is.

Maar dat die agenda er is, krijgt te weinig aandacht. Willen we ons nog even voor de geest halen dat tijdens het vorige kabinet nog openlijk werd getwijfeld aan de klimaatverandering en aan de noodzaak van CO2-reductie? Dat het vorige kabinet werd gedoogd door een partij die alleen naar klimaatsceptici wenste te luisteren? En nu spreekt het kabinet uit dat het in 2050 (nagenoeg) afgelopen moet zijn met die fossiele energie.

Bovendien is de aanpak verrassend helder, gebaseerd op een drietal principes.

Ten eerste stelt de regering een helder einddoel: 80-95% CO2-reductie in 2050. Geen enthousiast gedoe over middelen (energiebesparing, elektrische auto’s etc.). Het maakt de regering niet uit hoe we het bereiken, als we dat ene doel maar bereiken. Dat geeft helderheid en ruimte voor alternatieve oplossingen.

Ten tweede wil de regering ruimte scheppen, stimuleren en met name innovatie bevorderen. En dat allemaal op een consistente wijze. De regering wil doorgaan met de SDE+-regeling. Juist het gebrek aan consistentie was een kenmerk van het Nederlandse beleid in het verleden.

Ten derde wordt er genormeerd en komen er verplichtingen. Gen vrijblijvendheid. Het is niet alleen duidelijk welk doel we willen bereiken, maar de regering zal niet nalaten ons in die richting te duwen. Zo wordt ook al ruimte gemaakt om woningen niet meer op het gasnet aan te sluiten.

Daarmee is een helder kader gegeven. Natuurlijk, ook ik denk op bijna elke pagina van de Energieagenda: dat had wel wat strenger gemogen. Je kan ook zeggen dat het bestaande gasnet over tien jaar niet meer wordt vernieuwd. Je kan ook CO2-belasting heffen. Je kan in het algemeen veel meer verplichtingen stellen, ook op de korte termijn. Maar Henk is nu eenmaal geen lid van GroenLinks en geen directeur van Urgenda.

Maar het doel wordt wel gesteld. En mocht dus over enige jaren blijken dat we te weinig voortgang maken, dan weten we precies aan welke knoppen we moeten draaien. En dat is de grote verdienste van Henk Kamp. Zijn opvolgers hoeven de knoppen alleen nog maar een beetje aan te draaien.

Niets is erger dan de #Elfstedentocht niet uit te rijden #NRC

januari 4, 2017 by  

Het is 4 januari! Het is 20 jaar geleden. De sportpagina’s van de NRC zijn geheel gewijd aan de Elfstedentocht van 1997. Ander sportnieuws is er niet. Hans Buddingh’ verhaalt van zijn tochten in 1985 en 1986. Uitgereden. En van zijn tocht in 1997. Niet uitgereden. Hij verhaalt over de domste beslissing van zijn leven. Dat hij aan het einde van de middag al had besloten om te stoppen. Hij was al in Ried, voorbij Franeker.

Zijn verhaal doet me denken aan die man die op die zondagmorgen na de Tocht der tochten in de trein naast me zat. Vanaf Leeuwarden tot Den Haag. Hij heeft me drie uur ondervraagd. Hoe het toch kwam dat ik hem wel had uitgereden en hij niet. Hoe vaak ik had getraind, hoeveel ik had gegeten op de avond tevoren, hoeveel ik had gedronken onderweg, op wat voor schaatsen ik had gereden (Viking Allround), wat voor kleren ik had gedragen, of ik met een lamp had gereden (je kan beter profiteren van de lampen van anderen), of ik op kop had gereden tussen Workum en Bolsward (je kan beter van een groepje profiteren). De man had al na één dag vreselijke wroeging. Waarom was hij zo dom geweest om hem niet uit te rijden? Hans Buddingh’ heeft nu al 20 jaar wroeging. En traint nog elk jaar om hem de volgende keer wel uit te rijden.

Eigenlijk was ik voorbestemd om hem ook niet uit te rijden. Een week eerder had ik de Hollands Venetië-tocht nog gereden. Bij Giethoorn. Zestig kilometer. Daarna was ik ziek geworden en lag me te verbijten in een vakantiehuisje. Op donderdag klonk het ‘It giet oan’ uit de mond van de legendarische Henk Kroes, zoals alles en iedereen rondom de Elfstedentocht legendarisch is. Ik lag in bed, te zweten onder te veel dekens. Mijn zus concludeerde dat ik niet zou rijden. Mijn vrouw was wijzer en zei: “Natuurlijk rijdt hij hem”.

Op vrijdag kocht ik nog extra kleren in een sportwinkel in Emmen. Of all places. En reed met de trein naar Leeuwarden. Mijn lidmaatschapskaart had ik als altijd bij me. Voor de tocht slikte ik mijn laatste antibiotica (‘Kuur afmaken”). Om 8:20 ging ik van start. Ik had mezelf wijsgemaakt dat ik zou rijden tot het donker zou invallen. Om in ieder geval de sfeer mee te maken. Mijn onderbewuste wist wel beter. En hield me bij de les. Ik wist dat ik in de loop van de middag één uur voorliep op mijn schema uit 1986. Ik was om 4 uur in Franeker. Ja, Hans jij was er om 15.55. Ik wist dat er maar één reden was waarom ik niet zou doorrijden: ik zag op tegen het donker. Om kwart over 5 was het inderdaad pikkedonker. Een erg slechte reden om te stoppen.

Vanaf dat moment wist ik dat ik het hing halen. Het feest in Bartlehiem, dat zelfs een lemma heeft in Wikipedia. De tocht door Birdaard. De triomftocht door Dokkum. Precies op het moment dat het Achtuurjournaal opende. De plek waar de ook al legendarische ‘Rudy uit Assen’ om 1 minuut over 11 hoorde dat het voor hem was afgelopen. Hij liet voor de TV-camera’s zijn tranen de vrije loop. Hij reed immers voor zijn zoon die over enkele weken geboren zou worden. Ik werd om 8 uur ruimschoots doorgelaten. Met de wind in de rug reed ik terug naar Bartlehiem. Dan moet je nog even tegen de krachtige wind in naar Oudkerk. En daarna zie je de TV-lichten bij de finish al. Genieten, genieten, genieten. Arme Hans, dat heb je allemaal gemist. Met die 5.091 die de finish niet hebben gehaald. En met de man die in de trein naast me zat. Ik beloof je, ik ga vanavond nog even trainen. Ik hoop dat je meedoet.

De mening van een wetenschapper is ook maar een mening

januari 3, 2017 by  

Wetenschap is niet ‘maar een mening’. Jose van Dijk en Wim Saarloos, respectievelijk president en vice-president van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, verwoorden het uitstekend in de NRC van 3 januari 2017. Ze verzetten zich terecht tegen de Trumpen en Wildersen van deze tijd, die feiten ondergeschikt maken aan hun eigen mening. Als ze niet te pas komen, worden ze door deze heren verdacht gemaakt en geridiculiseerd. Onder andere met het statement dat ‘wetenschap ook maar een mening is’. Dat past niet in een volwassen democratie, waarin beleid hoort te worden ontwikkeld op basis van feiten én overtuigingen. En waarin het debat op basis van feiten en overtuigingen moet worden gevoerd.

Maar Van Dijk en Saarloos vergeten één ding. Namelijk dat er ook veel wetenschappers zijn die een mening verkondigen alsof de feiten maar één antwoord toelaten. Of erger: alsof hun meningen de feiten zijn. Niet voor niets halen Van Dijk en Saarloos in hun fraaie tekst twee bekende voorbeelden aan: de vaccinatie en de klimaatverandering. Maar ze zijn wel zo slim om maar de helft van het verhaal te vertellen. Ze stellen dat het niet terecht is om de klimaatverandering af te doen als een mening. En ze stellen dat het niet terecht is om te suggereren dat vaccinatie kan leiden tot autisme. Daarin hebben ze helemaal gelijk. Maar de andere kant van het verhaal is dat wetenschappers publiekelijk pleiten voor een actief klimaatbeleid en dat wetenschappers publiekelijk, in de Gezondheidsraad en in de media, een bepaalde vaccinatie verdedigen. Alsof de feiten maar één conclusie toelaten.

Maar de feiten zeggen niet wat we moeten doen. Ook al leidt de klimaatverandering ertoe dat de wereld in 2050 vergaat (quod non), dan nog blijft het een normatief, politiek en dus buiten-wetenschappelijk standpunt dat we daar iets tegen moeten doen. Ook al is honderd keer bewezen dat vaccinatie niet tot autisme leidt, dan nog blijft het een normatief, politiek, buitenwetenschappelijk standpunt dat we wel moeten vaccineren. Of niet. Beter gezegd: het gaat hier niet om feiten maar om meningen. Van wetenschappers.

Ik licht dit graag toe. De KNAW heeft zich lange tijd afzijdig gehouden van het debat over de klimaatverandering. Tot het in 2011 blijkbaar genoeg was. De Academie bracht een rapport uit, bestaande uit drie delen. In het eerste deel werd aangegeven hoe wetenschap ‘werkt’, oftewel hoe de wetenschap tot waarheidsgetrouwe uitspraken komt. Helder en weinig verrassend. In het tweede deel werd ons uitgelegd dat de klimaatsceptici, gelet op de stand van de wetenschap, geen gelijk hadden. Helder en enigszins verrassend. Want waarom zou de KNAW moeten aangeven wie er gelijk heeft in de wetenschap? Dat doen we toch zelf in het wetenschappelijk ‘forum’, op onze congressen en in onze peer-reviewed tijdschriften? Maar het derde deel van het rapport was ronduit verbijsterend. Hierin stelde de KNAW dat de regering geen moment meer had te verliezen. De klimaatverandering moest zo snel mogelijk worden bestreden. Oké, ook dit normatieve standpunt is op zich een feit, maar geen feit dat in het wetenschappelijk forum op zijn waarheidsgehalte kan worden getoetst. Het is inderdaad gewoon een mening.

Wetenschap is niet ‘ook maar een mening’. Maar de mening van een wetenschapper is niet meer dan de mening van een ander. Als wetenschappers dat laatste vergeten, geven ze helaas zelf aanleiding voor het kwalijk afgeven op de wetenschap, wat in populistische kring zo gangbaar is. Daarmee ontneem ik wetenschappers geenszins het recht om zich in het publieke debat te mengen. Maar laten ze dat altijd doen uit het besef dat de feiten waarop ze zich baseren, ook andere politieke conclusies toelaten. Want feiten zeggen nooit wat we moeten doen. Daarvoor heb je ook een overtuiging nodig. En die overtuiging is per definitie buiten-wetenschappelijk.

 

Top 200 van de macht als bladvulling van @Volkskrant

december 17, 2016 by  

En daar hebben we hem weer: de top 200 van de macht van de Volkskrant. Ik heb lang meegedraaid in Den Haag en ik heb lang onderzoek gedaan naar macht. Maar deze top 200 is een kwaliteitskrant onwaardig. Natuurlijk, we herkennen allemaal veel mensen. Natuurlijk, de betrokkenen zullen het leuk vinden als ze een plaatsje zijn gestegen. Maar wat zouden we zeggen als het om de Top 200 van de macht van de Nieuwe Revue zou gaan? Ik vrees dat velen zich dan een beetje zouden generen als ze op zo’n lijst zouden staan.

Als wetenschapper is mijn conclusie: het is onzin.

Als wetenschapper weet ik ook dat het verschrikkelijk moeilijk is om vast te stellen wie ‘macht’ heeft. De Volkskrant beseft dat blijkbaar ook door verderop in de krant alleen over ‘invloed’ te spreken. Dat klinkt wat vriendelijker. Maar op de voorpagina wordt toch echt de Top 200 van de macht aangekondigd. Laten we eerst eens proberen om ‘macht’ te definiëren: macht is het vermogen om je zin te krijgen door iemand anders tegen zijn wil in iets te laten doen of besluiten. Er zijn vele varianten van deze definitie, maar de meeste politicologen zijn het er wel over eens dat het bij macht gaat om een vermogen (het is niet eenmalig), om je zin te krijgen (ze doen wat ik wil), tegen de zin van anderen in (je hebt pas macht als ze je ook je zin geven als ze dat eigenlijk niet zouden willen).

Maar hoe stellen we dan vast of iemand macht heeft? Daarover zijn de politicologen het niet eens. Aanvankelijk zocht men vooral naar de reputatie. Als anderen vinden dat ik macht heb, zal ik wel dat vermogen hebben etc. Maar heb ik dat vermogen etc dan ook werkelijk? Geen idee. Om die reden ging een volgende generatie politicologen aan de slag met het grondig analyseren van besluitvormingsprocessen. Interessant, een stap verder, maar als mensen nu eens anticiperen op mijn macht en om die reden al op voorhand mijn standpunt delen? En als over onderwerpen nu eens geen besluiten worden genomen? Dus ook die analyse van besluitvormingsprocessen zegt niet alles.

Toen kwam de gedachte op dat netwerken, zeg maar contacten, misschien wel iets zou zeggen over de verdeling van macht in een samenleving. Als iemand er dichtbij zit, is de kans toch groter dat hij iets te zeggen heeft. Maar ook die analyse vertoont grote gaten. Ten eerste betekent ‘er dichtbij zijn’ niet zonder meer: je zin krijgen. Nee, in feite zegt het eigenlijk niets. Ten tweede: we weten niet in welke netwerken de macht werkelijk wordt uitgeoefend. Zo onderzoekt de Volkskrant elk jaar wie in het bestuur van het Concertgebouw zit, alsof daar wordt besloten over het macro-economisch beleid of over de decentralisatie van de AWBZ.

Wat de Volkskrant precies doet is overigens niet duidelijk. Ik begrijp dat dit jaar één onderzoeker, Jeroen Hendriks, een lijst heeft opgesteld en dat de redactie daar een sappig verhaal bij heeft geschreven. Jeroen Hendriks baseert zich ten eerste op een netwerkanalyse. Vervolgens komt er een computermodel bij van pas, hetgeen de indruk wekt dat er echte wetenschap wordt bedreven. En ten slotte worden de uitkomsten van het onderzoek “bijgesteld na een journalistieke ‘reality check’ via vertrouwelijke gesprekken met prominenten uit de elite” (ja, ja, de eerder genoemde reputatiemethode!). Ten slotte worden Koning en Koningin, kabinet en Tweede-Kamerleden, buitenlandse bestuurders en niet bestuurlijke actieve rijke ondernemers (sic!) en opinieleiders uitgesloten. En zo komt Hans Wijers voor de derde maal bovenaan. En staat Wouter Bos als directeur van het VUmc tot zijn schrik dit keer op plaats 48.

Ik vond het eenmaal wel grappig. Maar bij de zoveelste keer denk ik: bladvulling. Ik stel voor dat de Volkskrant het onderzoek voortaan in de zomer publiceert. In de komkommertijd.

Volgende pagina »