Universitaire bureaucratie door gebrek aan democratie

juli 22, 2015 by  

Het leek even goed af te lopen, mijn studie muziekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Mijn inschrijving was geannuleerd omdat ik me te laat had aangemeld. Daartegen diende ik een bezwaarschrift in. Binnen uiterlijk 10 weken zou ik uitsluitsel krijgen. Ja, dat is begin oktober. Maar vanochtend leek alles met een sisser af te lopen. Van mevrouw T. van de afdeling Juridische Zaken ontving ik haar advies aan de Centrale Studentenadministratie. Zij schreef het volgende: “Ik nodig u uit om, zo u daar ruimte voor aanwezig acht, na te gaan of een minnelijke schikking mogelijk is.” Het klonk me als muziek in de oren. Nou ja, daarvoor wil ik ook naar Amsterdam. We gingen het in de minne schikken. We zouden allebei schuld bekennen en dan mocht ik toch nog studeren.

Maar wacht even: waarvoor moest ik eigenlijk schuld bekennen? Voor het indienen van twee bezwaarschriften? Voor het te laat inschrijven, met nadrukkelijke steun van de afdeling Muziekwetenschap? Voor het schrijven van deze blogs? Ik dacht dat ik van Max Weber altijd had geleerd dat het bij een echte bureaucratie ging om rechten en niet om gunsten. Dat je wel of geen recht hebt om een studie aan te vangen en niet dat je alsnog een gunst wordt verleend als je spijt betuigt.

Bovendien: ik juichte veel te vroeg. Enige uren later kreeg ik van dezelfde mevrouw T., nu Marianne T. geheten, een uitnodiging voor de hoorzitting van de Geschillenadviescommissie. Op 31 juli 2015, om 12.30 in kamer 35 in het Maagdenhuis. Daar waar mijn lieve vriendin Louise Gunning enige maanden geleden nog in wanhopig debat was verwikkeld met de actievoerende studenten. Zíj verloor. Een verzoek tot uitstel van de hoorzitting kan alleen worden verleend in ‘uitzonderlijke omstandigheden’. Ik had niet anders meer verwacht.

Verrassend: ik blijk inmiddels een geschil te hebben met de Centrale Studentenadministratie. Ook deze administratie is uitgenodigd om haar standpunt nader toe te lichten. Eerder dacht ik een geschil te hebben met de Commissie casus matching UvA. Daarna bleek ik een geschil te hebben met het College van Bestuur. En nou moet ik de arena in met de Centrale Studentenadministratie.

En ook een andere zin kan ik niet onvermeld laten. Marianne T. schrijft me dat ik de reactie van de Centrale Studentenadministratie zal ontvangen, “zodra zij die heeft ontvangen”. Maar dezelfde Marianne T., zij het in de gedaante van Mevrouw T., schreef me vanmorgen dat zij de Centrale Studentenadministratie had geadviseerd ‘in der minne te schikken’. Ik ben het nu helemaal kwijt. Waar staat die Marianne in dit hele spel? Straks blijkt ze nog de nieuwe voorzitter van het College van Bestuur te zijn, zeg maar: de nieuwe Louise.

Het doe me denken aan een paper dat ik jaren geleden schreef voor een congres van de Vereniging voor Bestuurskunde in Lunteren. Ik verdedigde daarin de stelling dat democratie leidt tot bureaucratie. Ik baseerde me onder andere op de universitaire democratie, die tot erg veel nieuwe regels had geleid. Ik ga nu de omgekeerde stelling poneren: het huidige gebrek aan democratie bij de universiteiten heeft tot een bureaucratisch monstrum geleid. In een volwassen democratie zijn er voldoende checks and balances. Misschien zijn al die tegenkrachten wel het onbetwiste voordeel van de democratie. Tegenkrachten tegen een autoritaire macht, of tegenkrachten tegen bureaucratische wildgroei. Weten we nog waarom ik in deze bureaucratische kluwen ben terechtgekomen? Omdat ik voldoende tijd moest hebben om me af te vragen of die muziekwetenschap wel iets voor me zou zijn. Inderdaad, aan die vraag ben ik de laatste weken niet meer toegekomen.

 

Zie ook: Mondige burger in bezwaar tegen formele puree van #UvA

Afscheid van de bestuurskunde

mei 14, 2015 by  

“Zou je hen willen vertellen wat de bestuurskunde voor jou zelf betekent?” De collega is aardig en je kan hem niets weigeren. Hij zoekt een manier om een mooie invulling te geven aan het allerlaatste college van onze ‘deeltijdstudenten’. Ik zeg toe. Ik krijg er geen spijt van, maar ik krijg het wel benauwd. Het verhaal moet dus gaan over ‘de bestuurskunde en mij’. En ik weet al jaren dat die relatie bijzonder is. Laten we zeggen: niet stralend. Als men mij vraagt wat ik ben, antwoord ik meestal: socioloog. Ja, dat heb ik gestudeerd, maar ik ben wel al 26 jaar hoogleraar ‘bestuurskunde’. Dat vertel ik er dan ook nog wel bij. Maar waarom zeg ik niet gewoon: ik ben bestuurskundige.

Bovendien houd ik van het openbaar bestuur en houd ik van de wetenschap. Waarom voel ik me na al jaren dan nog steeds geen bestuurskundige? Is er misschien een kloof tussen mijn ideale bestuurskunde en (wat ik zie als) de mainstream-bestuurskunde?

Het college mag niet te lang duren. Dus ik maak twee lijstjes. Van ‘mijn’ bestuurskunde en van ‘de’ bestuurskunde. Zoals de bestuurskunde in mijn ogen zou moeten zijn en zoals de bestuurskunde in mijn ogen is. Ideaal versus gepercipieerde werkelijkheid.

Mijn bestuurskunde is:

  • Een bestuurskunde die vanuit een gedegen kennis van het openbaar bestuur op datzelfde openbaar bestuur reflecteert.
  • Een bestuurskunde die de vier basisdisciplines verenigt voor het domein van het ‘openbaar bestuur’: de economie, de rechtswetenschap, de sociologie en de politicologie.
  • Een bestuurskunde die voortbouwt op de grote denkers van deze vier basisdisciplines. Denk bij de sociologie aan Durkheim, Weber, Giddens, Castells.
  • Een bestuurskunde die zijn voordeel doet met de intelligente modellen van de economen, hun zoektocht naar de rationaliteit van het menselijk gedrag en hun consequente redeneren vanuit (het idee van) de markt. Hoe vaak ik het ook fundamenteel oneens ben met economen, zij hebben mijn denken enorm aangescherpt.
  • Een bestuurskunde die zijn voordeel doet met het idee van de rechtstaat van juristen, hun formele én informele staatsrecht en hun heldere en normatief strak ingekaderde beschouwingswijze (rechtvaardigheid, rechtszekerheid, rechtsgelijkheid).
  • Een bestuurskunde die zijn voordeel doet met het idee van de verzorgingsstaat van de sociologen, hun denken over functies en over ongelijkheid, hun denken vanuit maatschappelijke problemen en hun empirische fascinatie (hoe zit het echt?).
  • Een bestuurskunde die zijn voordeel doet met het machtsbegrip en het democratiebegrip van de politicologen, hun eeuwige vraag ‘wie krijgt wat, wanneer en hoe’ en hun methodologische zuiverheid (die niet zelden tot debunking leidt).
  • Een bestuurskunde die uiteindelijk altijd bezig is met vraag: welke maatschappelijke problemen worden hier opgelost en wat legitimeert het overheidsoptreden in dit geval? Een bestuurskunde die dus altijd vanuit de inhoud redeneert.
  • Een bestuurskunde die studenten het openbaar bestuur wil leren (begrijpen).

Ik geef een voorbeeld. Sinds een paar jaar geef ik aan gemeentelijke strategen een leergang over ‘de triomf van de stad’. In zes modules van twee dagen (op locatie) komen alle grote stedelijke thema’s (maatschappelijke problemen) aan de orde. Als we het hebben over de stedelijke economie, leggen economen ons uit hoe die economie werkt. En legt de directeur van Hightech Campus Eindhoven ons uit hoe de uitwisseling van kennis tussen universiteit en bedrijven in de praktijk gaat. Als het over ‘immigratie en achterstanden’ gaat, praten we een hele dag met sociologen. Als het over wonen gaat praten we met demografen en volkshuisvestingsdeskundigen. En elke keer vragen we ons vervolgens af welke strategie in onze eigen steden geschikt zou zijn om de stedelijke economie te versterken, om de achterstanden terug te dringen of om vraag en aanbod op de woningmarkt beter met elkaar te laten matchen. Welke missie, welke handelingspraktijk? Voor mij is dat allemaal bestuurskunde, mijn bestuurskunde.

Ik zie in de praktijk vaak iets anders:

  • Een bestuurskunde die een krampachtige poging doet om zich als zelfstandige wetenschap waar te maken en tegelijkertijd een eigen manier van redeneren ontbeert. Dit laatste leidt vaak tot een vlucht in wolligheid.
  • Een bestuurskunde die zich in navolging van de beta-wetenschappen te veel richt op theorievorming en het toetsen van theorieën, terwijl een theorie in de bestuurskunde in het beste geval een manier van kijken is en in het slechtste geval het zicht op het openbaar bestuur ontneemt.
  • Een bestuurskunde die door de internationalisering van het vak eerder een kleinere dan een grotere rol heeft gekregen in het nationale debat over de nationale overheid. Bijdragen in internationale tijdschriften worden overgewaardeerd en het Nederlandstalige essay (en het Nederlandstalige boek) worden ondergewaardeerd.
  • Een bestuurskunde die te zelfreferentieel is geworden en daardoor zowel zijn empirische als zijn reflecterende functie onvoldoende vervult.
  • Een bestuurskunde die de grote beleidsvelden als zorg, onderwijs, participatie, veiligheid, energie, klimaat, milieu etc. slechts als voorbeeld neemt en niet als onderwerp.
  • Een bestuurskunde die is ingebed in een academische gemeenschap waarin de tijd wordt verdeeld in onderwijslast en onderzoekstijd. De begrippen spreken voor zich. Een gemeenschap bovendien waar de didactiek van het onderwijs nauwelijks ontwikkeling doormaakt en daardoor ver achterloopt bij de didactiek in het vwo. Het pijnlijke is dat de student daarmee genoegen neemt. Blijkbaar infecteert het universitair onderwijs de student vaak zodanig, dat hij het calculeren boven het leren stelt.

Er is dus een kloof tussen ‘mijn’ bestuurskunde en ‘de’ bestuurskunde, exacter geformuleerd: mijn perceptie van de mainstream-bestuurskunde. Dit is geen verwijt, dit is geen aanval op mensen of posities. Dit gaat alleen over mij. Over mijn fascinaties. En over waarom ik me nooit echt een bestuurskunde ben gaan voelen.

Maar het moet wel gevolgen hebben. Ik ben met mijn beperkte aanstelling aan de Erasmus universiteit in Rotterdam niet in staat om de kloof kleiner te maken. Ik ben 63 en ik wil ooit nog eens fulltime muziekstudent zijn. Volgens plan zou ik in de zomer van 2016 de universiteit verlaten. Maar dit reflecterende college laat maar één conclusie toe: ik stap nu op. Ik blijf nog doceren bij gemeenten en op departementen. (De triomf van de stad geeft nog veel bevrediging.) Maar de academische bestuurskunde zal het vanaf vandaag zonder mij moeten stellen.

Extra leergang ‘Triomf van de stad’

januari 12, 2015 by  

De PBLQ-leergang ‘Triomf van de stad’ trok in de afgelopen zomer zoveel belangstelling dat we een wachtlijst moesten aanleggen en hebben besloten om halverwege het jaar een extra leergang te starten: in april 2015. De leergang is bedoeld voor gemeentelijke strategen, maar wordt ook gevolgd door anderen die in hun werk veel met de ontwikkeling van de stad te maken hebben. De leergang omvat zes modules van twee dagen met als thema’s: stedelijke economie, demografie en wonen, immigratie en achterstanden, cultuur, veiligheid en duurzaamheid. Wetenschappers én praktijkmensen van naam treden op als docent. Voor elke module strijken we in een andere stad neer, om theorie en praktijk effectief te kunnen combineren. De leergang wordt ook ‘in company’ aangeboden, waarvan ook al ruim gebruik is gemaakt. Voor nadere informatie en voor aanmelding: zie hier .

Tweede druk ‘Kennis en beleid verbinden’ verschenen.

januari 2, 2014 by  

Aan het einde van 2013 is (na een eerdere herdruk) de tweede druk van ‘Kennis en beleid verbinden’ verschenen. Ik heb dit boek in samenspraak met Karen Ephraim geschreven. We gebruiken het in onze masterclasses ‘kennis voor beleid’ en ‘beleid voor onderzoekers’. De masterclasses zijn de laatste jaren gegeven voor medewerkers van de Ministeries van VROM, IenM, BZK, SZW en OCW, van de provincie Noord-Brabant en van de gemeente Den Haag, alsmede voor onderzoekers van PBL, KNMI, RIVM, KiM, TNO, RWS en WRR. Zie ook bij projecten. Het boek kan worden besteld bij Boom|Lemma: hier

Debatteren met open vizier

november 19, 2013 by  

Ik stel het zeer op prijs als mensen reageren op mijn blogs. Debat dwingt je soms om je argument scherper te formuleren, debat leert je soms dat je een ander perspectief over het hoofd hebt gezien, debat leert je soms dat je een off day had. Dus: reacties zijn welkom. Hoe afwijkend ook: ze worden door mij geplaatst. Ik maak slechts twee voorbehouden voor het plaatsen van de reactie: schelden is niet toegestaan en er wordt met open vizier gestreden: anonieme reacties worden niet geplaatst. Bovendien houd ik me het recht voor om spelfouten te corrigeren. Ik maak er zelf al te veel.