Haven-stad, een typisch Amsterdamse wijk

april 17, 2018 by  

De delta, het water en de slappe bodem

Hoe behoud je de identiteit van Amsterdam in Haven-stad? Hoe voorkom je de zoveelste nieuwbouwwijk die toevallig aan het water ligt? Hoe voorkom je het kopieëren van andere grote steden? Dan zal je moeten formuleren wat de identiteit van Amsterdam is. En zal je moeten kijken hoe je die indentiteit vormgeeft in Haven-stad. Op een manier die past bij de huidige tijd. 

Als je 100 mensen zou vragen wat  ‘Amsterdam’ voor hen betekent, zal je veel verschillende antwoorden krijgen. Maar als je 100 mensen vraagt wat Amsterdam onderscheidt van München of Wenen of Parijs dan zal je veel meer consensus zien. Al bij eerste aanblik is Amsterdam een typische Nederlandse stad, die in veel opzichten meer op Dokkum lijkt dan op Berlijn. Dokkum heeft grachten, Berlijn niet.

De grachten zijn bepalend voor het aangezicht van Amsterdam. Maar het gaat om meer: het gaat om het bouwen in een venige delta. Amsterdam had grachten nodig om het overtollige water te kunnen afvoeren. En Amsterdam bouwde zijn Centraal Station op ‘aangeplempte’ grond. Maar Amsterdam is ook een lage stad omdat de venige grond (lange tijd) geen hogere gebouwen toeliet. En Amsterdam is een stad gebouwd van baksteen, omdat we in Nederland onze stenen noodgedwongen moeten bakken van rivierklei. Ga over de grens en je ziet geen grachten, je ziet hogere gebouwen (ook van oudere datum) en je ziet vooral geen roodbruine bakstenen. 

Egalitair en anti-autoritair

Daarmee is iets gezegd over de bouwkundige identiteit van de stad. Die identiteit verwijst sterk terug naar de delta, het water en de slappe bodem. Maar wonderwel paste die identiteit ook bij maatschappelijke identiteit van de stad. Amsterdam is een tamelijk egalitaire stad. Het is van oorsprong een hoofdstad zonder monarch, zonder vorsten. 

Overigens heeft heel Nederland het altijd moeilijk gehad met vorsten. We hebben nooit een eigen keizer gehad, we deden iets met stadhouders, die zich later koning mochten noemen. Ja keizers van buiten, die hadden we soms. Maar in de Tachtigjarige oorlog hebben we Philips II eruit gewerkt en daarna zijn de grafen en later de koningen vooral versiering geweest. De steden maakten in de Republiek van de Zeven Provinciën de dienst uit. In een ingewikkeld spel van geven en nemen. Het polderen zat al heel vroeg in ons DNA. 

Toen we na de Franse tijd toch een ‘koning’ kregen, was die wel zo slim om niet in de anti-autoritaire en anti-monarchale hoofdstad Amsterdam te gaan wonen. Bij elke kroning vraagt men zich ook af of dat ‘feest’ wel in Amsterdam moet plaatsvinden. Zo hartelijk was het huwelijk van Beatrix niet en velen herinneren zich haar inhuldiging in 1980. Als we ons ergens verzetten tegen een kolderiek koningshuis, is het wel in Amsterdam.

Dit gebrek aan een autoritair vorstenhuis zie je terug in de stad. Nederland is geen Frankrijk, Amsterdam is geen Parijs. Zo werd Amsterdam in haar historie slechts opgezadeld met één paleis, dat potsierlijke paleis op de Dam. Dat is potsierlijk omdat het helemaal niet past in deze stad. De stad kende altijd wel een elite, maar nooit een vorst. De elite praalde aan de grachten. Maar niemand stak er echt boven uit. 

En met het monarchale ontbreekt ook het gezagsgetrouwe. Je ziet het gewoon op straat. Nergens is de kans om door een fiets te worden overreden zo groot als in Amsterdam. We zijn allemaal koning op onze eigen fiets. In Den Haag zie je de dienstauto’s rondrijden, in Amsterdam zie ik nooit een dienstauto. In Den Haag blijven mensen staan kijken naar een dienstauto, kijken wie erin zit. Misschien is het wel Maxima! In Amsterdam wordt zelfs de parkeernorm voor gewone auto’s op 0,2 gezet. En nog liever op 0,1. Een auto vervuilt niet alleen, maar een auto is ook te autoritair om te worden geaccepteerd. Nee, het is de fietser die zich de koning waant, die de identiteit van Amsterdam het best belichaamt. Wij fietsen hier naar het werk. In Amsterdam zijn we egalitair, anti-autoritair en doen we bij voorkeur gewoon. 

Dorp

Arrogantie is alle hoofdsteden eigen. Zoals in alle landen de tweede steden zich beklagen over alle aandacht die naar de hoofdstad gaat. Arrogantie is ook Amsterdam zeker niet vreemd. In Nederland kan een boek verschijnen onder de titel ‘Van wie is de stad’ dat alleen over Amsterdam gaat. Zonder dat de auteur het merkt, en zonder dat de uitgever het merkt en zonder dat de Groene Amsterdammer die vele voorpublicaties heeft verzorgd, het heeft gemerkt. 

Die arrogantie gaat zover dat Amsterdam zich graag meet met andere ‘metropolen’. Daar is ook wel een zekere grond voor, maar qua inwonertal is Amsterdam natuurlijk maar een heel klein metropooltje. Eigenlijk is het een klein stadje, en misschien wel een groot dorp. Amsterdammers merken het zelf niet, maar ze spreken heel vaak in voornamen. En gaan ervan uit dat de anderen weten wie met elke voornaam wordt bedoeld. En iedereen kent elkaar ook! Dat kan, omdat die stad zo klein is en zo overzichtelijk is. Als de Bijlmer weer leefbaarder wordt, kent iedereen wel een vriend die er onlangs weer is gaan wonen. Als je een gastspreker nodig hebt, bel een Amsterdamse vriend en hij regelt er zo vijf. Natuurlijk ook deze stad kent vele lagen en vele scheidslijnen, maar dit dorpse, dit kleinsteedse valt niet te ontkennen. Bij dat kleinsteedse hoort heel veel interactie. Vroeger waren het de kroegen, tegenwoordig is het de latte macchiato. En we lopen er naartoe. Of we gaan  op de fiets. 

Nieuwe economie

De stedenbouwkundige identiteit van Amsterdam lijkt vooral een fysieke oorsprong te hebben: delta, water en slappe bodem. Maar die kleine en lage stad past ook heel goed bij het egalitaire, anti-autoritaire karakter van de stad. Nergens groots en alles onder handbereik. En wat nog aardiger is: juist dat karakter maakt Amsterdam zo geschikt voor de nieuwe creatieve economie, die vooral gebouwd wordt op face-to-face-contacten en op een ideaal woonklimaat. Waar zou je dat anders willen dan in Amsterdam? Prachtig wonen, kleine afstanden, veel cultuur en op elke hoek van de straat een latte macchiato. Veel publiek domein. Juist daarom past Amsterdam zo goed bij wat de huidige economie vraagt. Juist daarom groeit de Amsterdamse economie enorm en is er een groot gebrek aan huizen. En juist daarom moet Haven-stad worden ontwikkeld. 

Toch ontwikkelt elke stad zich op zijn eigen manier in een veranderende economie. Amsterdam heeft het economisch tij mee, maar dat betekent niet dat de economie de ontwikkeling van Amsterdam dicteert. Opvallend voor Amsterdam is dat de middenklasse zich niet geheel laat wegvagen. En dat gezinnen met kinderen ook gewoon in de stad blijven wonen (hoeveel er ook naar buiten de stad verhuizen). Dat is ook de identiteit van Amsterdam. Geen sterke segregatie zoals je die in andere grote steden ziet. Zie London. Amsterdam is geen stad met alleen maar appartementen voor alleen maar hoogopgeleiden in het centrum. Amsterdam kent geen wijken die alleen maar werkloos en arm zijn. En zwart. In het echte Amsterdam wordt niet of gewoond of gewerkt, maar wordt vooral geleefd. 

Nieuwbouw

Wat vraagt dit voor Haven-stad? Egalitair is belangrijk. Interactie is belangrijk, kleinschaligheid is belangrijk. Er is behoefte aan een interessant publiek domein waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Bereikbaarheid is belangrijk, om interactie mogelijk te maken. Menging van bevolkingsgroepen is belangrijk. 

Laten we eerst eens kijken in hoeverre eerdere plannen aan deze criteria voldeden. Het Oostelijk Havengebied zou men zeer ‘Amsterdams’ kunnen noemen, als ik de Piet Heinkade even buiten beschouwing laat. Er is een duidelijke relatie met het water, het is kleinschalig op enkele projecten na, er is een zekere menging van bevolkingsgroepen, maar het aantal interacties is niet op Amsterdams niveau. Dat laatste komt vooral omdat het toch te veel een woonwijk is geworden en te weinig een stadswijk met voldoende werkplekken, bijvoorbeeld voor nieuwe zzp-ers.

Voor IJburg geldt dit alles in veel sterkere mate. Er is wel knap geprobeerd een Amsterdamse wijk te bouwen, maar het is toch vooral een woonwijk waar men veel slaapt (alhoewel het woord Vinex ‘verboden’ is) en de verbindingen met de rest van de stad zijn onvoldoende om een volwaardig interactiemilieu te bereiken. 

Westerdoks is minder Amsterdams qua uitstraling, maar kent wel een enorme dichtheid. Tegelijkertijd lijkt het publieke domein daaronder te lijden. Er is weinig zichtbare interactie binnen Westerdoks. Westerdoks heeft wel het voordeel dat het vlak tegen de grachtengordel aan ligt. Wat het ontbrekende publieke domein nagenoeg volledig compenseert. 

Ten slotte: Sloterdijk. Hier ontbreekt nagenoeg alles wat Amsterdam tot Amsterdam maakt. Het is een treurig gebied met veel hoogbouw, met veel beton en een publieke ruimte die maar geen publiek domein wil worden. Geen interacties. Geen onverwachtse contacten. Alleen woon-werk-verkeer. De kantorenmarkt in dit gebied lijkt nu pas weer aan te trekken, maar er zal veel moeten gebeuren om het gebied een eigen Amsterdamse identiteit te geven. 

Haven-stad

Als deze analyse klopt kan Amsterdam er veel van leren voor Haven-stad. Want Haven-stad ligt ver weg. Haven-stad kan een gebrek aan publiek domein (face-to-face contacten) niet opvangen door de nabijheid van de ‘stad’. Als die face-to-face-contacten niet binnen Haven-stad zelf ontstaan, wordt het een dooie woonwijk. Eigenlijk zou Haven-stad zelf een nieuwe stad moeten worden. Tegelijkertijd is duidelijk dat het gebied te veel doorsneden wordt door het water om één nieuwe stad te worden. De ontwerpopgave luidt dan ook: maak Haven-stad tot een conglomeraat van nieuwe stadjes, van nieuwe stedelijke milieus. Maar wel echte Amsterdamse stedelijke milieus. 

Geen scheiding van werken en wonen, maar een nadrukkelijke menging. Veel werkplekken voor zzp-ers, veel studio’s en veel latte macchiato’s om de hoek. Veel hippe winkels. Veel woningen voor gezinnen. Veel menging van bevolkingsgroepen. Veel drukte op straat, geen hoogbouw. Zeg maar: veel Jordaan, geen Bijlmer. 

Tot slot

Haven-stad wordt alleen puur Amsterdams als het Amsterdamse gemeentebestuur de leiding houdt. En als het gemeentebestuur dit echt wil. Anders zullen grondeigenaren en projectontwikkelaars vooral Nieuw-London bouwen. En zullen vooral prijs-records worden gebroken. Wat zou het mooi zijn als de toekomstige eigenaren onder strakke regie van de overheid hier zelf hun stad gaan maken. 

 

 

Tiende #Triomf van de stad start in september 2018

februari 14, 2018 by  

In september 2017 start de leergang Triomf van de stad met een nieuwe groep. Groep X. Deelnemers kunnen zich vanaf nu aanmelden. De modules worden gegeven op: 27/28 september 2018, 1/2 november 2018, 6/7 december 2018, 10/11 januari 2019, 14/15 febr 2019 en 21/22 maart 2019. De folder met het programma is hier te vinden: Triomf-van-de-stad-2018-folder Voor een beschrijving van de rode draad van de leergang zie Triomf van de stad: rode draad. En om te zien wat de cursisten van de jaargang 2017-2018 voor mooie opdrachten hebben gemaakt zie hier: http://wqd.nl/nu9U.

Aanmelding via wimderksendh@gmail.com.

Triomf van de stad: de leergang

september 8, 2016 by  

 

triomf

 

 

 

 

 

 

 

 

De leergang

Sinds 2012 organiseer ik de leergang Triomf van de stad voor stedelijke strategen. Een keur van docenten wisselen prachtige praktijkcasus af. Om die reden slaan we onze tenten steeds weer in een andere stad op. Samen met Karen Ephraim zorg ik zelf voor de verbinding. De leergang beslaat zes modules van twee dagen. In september 2018 start de 10e groep. Voor nadere informatie zie:  Triomf van de stad 2018-2019 . Voor aanmelding kan men mailen naar: wimderksendh@gmail.com. In onderstaande essay geef ik de rode draad van de leergang weer, inclusief leervragen.

 

De rode draad

De woningprijzen in Amsterdam stijgen snel. Huizen worden boven de vraagprijs verkocht. Er wordt grof geld betaald om in die stad te mogen wonen. Ook andere steden gaat het momenteel voor de wind. Nog niet zo lang geleden was dat wel anders. In de jaren 60 verlieten veel inwoners hun steden. Dat was toen heel begrijpelijk. Veel steden waren vies en verpauperd. Hoeveel beter was het leven in de nieuwe groeikernen! Het is bijna onvoorstelbaar hoe hard de steden in die tijd zijn gekrompen. Nog steeds heeft Amsterdam minder inwoners dan in de jaren 50 en 60.

Toch was die trek naar het platteland, die suburbanisatie, een tijdelijk fenomeen. In het algemeen is niet ontstedelijking maar verstedelijking de norm. Mensen hebben de neiging naar steden te trekken. Op dit moment woont al meer dan de helft van de wereldbevolking in steden. En dat is niet zo vreemd, omdat in steden voor veel mensen werk is te vinden. Omdat de meeste bedrijven in steden zitten. Die bedrijven zitten daar om een hele simpele reden: in de stad zijn ze productiever. Ruimtelijk economen weten dat hetzelfde bedrijf buiten de stad 7% minder productief zou zijn. Daarom zitten bedrijven in de stad en trekken mensen van het platteland naar de stad.

Waarom is het bedrijf in de stad productiever? Er zijn drie goede redenen voor. Ze hebben allemaal te maken met ‘bevolkingsdichtheid’ en met ‘massa’. In jargon spreken we over: matching, sharing en learning.

  • Matching: bedrijven in de stad profiteren van de afzetmarkt in hun directe omgeving. Dat scheelt transportkosten. Minstens zo interessant is het feit dat de arbeidsmarkt in de steden veel beter is. Hoe meer mensen op reisafstand, hoe meer keuze je hebt en hoe beter je personeel. Er vindt een betere match plaats.
  • Sharing: omdat een stad veel andere bedrijven huisvest, is er een tweede voordeel: bedrijven kunnen zich specialiseren. Wat ze niet meer in huis hebben, kopen ze om de hoek bij een ander bedrijf in. En hoe meer specialisten hoe hoger de kwaliteit van het werk.
  • Learning: hoe meer bedrijven in de directe omgeving, hoe meer kansen om iets van elkaar te leren. En hoe groter de kans dat gezamenlijk nieuwe producten worden ontwikkeld. Denk ook aan de betekenis van universiteiten en andere kennisinstellingen voor het lokale bedrijfsleven.

Matching, sharing en learning zijn allemaal agglomeratievoordelen. Omdat er massa is, ontstaan voordelen, die bedrijven op het platteland ontberen.

Er is iets bijzonders aan de hand met agglomeratievoordelen. Ze zijn zelfversterkend. Omdat de productiviteit in de stad hoger is, zijn de lonen daar hoger. En vanwege die hogere lonen, worden betere mensen aangetrokken. En omdat die betere mensen komen, worden de lonen nog hoger en komen er nog meer betere mensen. Als dat vliegwiel eenmaal in beweging is, kan zo’n stad steeds productiever en steeds rijker worden. Het stijgen van huizenprijzen hoort daarbij. De hoogte van de huizenprijzen is zelfs één van de beste indicatoren voor de welvaart en het succes van een stad. Je moet gemeentebesturen dan ook wantrouwen als ze zeggen dat hun stad zo aantrekkelijk is omdat de huizenprijzen zo laag zijn. Als de huizenprijzen laag zijn, betekent dat maar één ding: de stad is niet aantrekkelijk genoeg.

De triomf van de stad is niet van alle tijden

Uit het voorgaande zou je kunnen opmaken, dat het alleen maar beter kan gaan met steden als dat vliegwiel eenmaal in beweging is. Maar dat vliegwiel is geen automatisme. Zie de teruggang van de steden in de jaren 60 en 70. Waren er toen geen agglomeratievoordelen die de productiviteit van de bedrijven in de steden opjoegen? Die waren er wel, maar twee andere factoren waren van meer gewicht. Zo kent een stad niet alleen agglomeratievoordelen, maar ook agglomeratienadelen. De ‘massa van de stad’ zet de kwaliteit van leven soms ernstig onder druk. Dat gold zeker in de jaren 60 toen de vele fabrieken in de steden het leefklimaat ernstig aantasten. Het leefklimaat in de stad kan zo slecht zijn dat mensen liever elders een minder interessante baan accepteren. Die afweging gaat inderdaad ten koste van de match van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. En leidt dus ook maatschappelijk gezien tot welvaartsverlies. Maar die mensen woonden nu eenmaal liever in een rustiek dorp dan in die vuile stad.

Maar er kwam nog iets interessants bij: juist in die tijd brak de auto door als vervoermiddel voor Jan en Alleman. En met de auto werd de stad ook goed bereikbaar vanuit de nieuwe groeikernen en vanuit het kleine rustieke dorp in het Groene Hart. Je zou kunnen zeggen: door de komst van de auto werden de agglomeraties gewoon veel groter. En hoefde je die interessante baan niet op te geven als je de stad verliet om ergens anders te gaan wonen. Dat gold al helemaal toen ook veel bedrijven de steden verlieten, om ergens aan de rand van de snelweg optimaal per auto bereikbaar te zijn.

Vanaf de jaren 80 is deze ontwikkeling geleidelijk weer omgeslagen. Ten eerste zijn de fabrieken in de steden gesloten. Er zijn overal nette industrieterreinen gekomen, die later werden omgedoopt tot bedrijventerreinen, toen de Nederlandse industrie in snel tempo inzakte en het stokje overdeed aan de zakelijke dienstverlening. De steden werden daardoor weer veel aantrekkelijker. Ook sloeg het politieke klimaat om. De gemeentebesturen begonnen hun steden weer te koesteren, in plaats van ze massaal gereed te maken voor het snelle autoverkeer. Stadsvernieuwing en later stedelijke vernieuwing kwamen in de plaats van sloop en verkeersdoorbraken. ‘Bouwen voor de buurt’ en historische karakteristieken voerden daarbij de boventoon. Omdat burgers zich prettiger voelden bij de geborgenheid van de oude stad dan bij de tochtgaten van de jaren 50 en 60. Bovendien maakte een krachtig beleid de steden weer veel veiliger. Zo verdwenen gaandeweg de agglomeratienadelen die velen op de vlucht hadden gejaagd.

Vanaf de eeuwwisseling heeft zich daar een krachtige factor bijgevoegd: het ontstaan van de ‘kenniseconomie’, ook wel aangeduid met ‘creatieve economie’. Kennis (en opleiding) werden steeds dominanter in de nieuwe economie. Het gaat tegenwoordig steeds minder om de eindeloze herhaling van de productie en steeds meer om het bewerkstelligen van unieke innovaties. En volgens velen, waaronder de econoom Ed Glaeser, zijn daarvoor face-to-face contacten van groot belang. Juist in dat rechtstreekse contact tussen mensen ontstaan nieuwe en onverwachtse producten. En producten moeten we hier heel breed opvatten. Van een format voor een nieuw TV programma tot een nieuwe beleggingshypotheek waarvan de burgers en vooral de banken beter worden.

Ook de rol van kennisinstellingen is in deze ontwikkeling sterk veranderd. Waren universiteiten bijvoorbeeld vroeger vooral opleidingsinstituten, tegenwoordig werken ze ook nauw samen met bedrijven die zich in de directe omgeving hebben gevestigd. Zo ontstaat het idee van de ‘campus’ en de ‘valley’. Op de High Tech Campus in Eindhoven ontstaan tal van innovaties op het snijvlak van bedrijven en TU/e. Hetzelfde geldt voor de FoodValley rondom de WUR in Wageningen. Amsterdam is met zijn twee universiteiten en al zijn kenniswerkers een campus op zich.

Zo keren oude patronen terug. De steden groeien weer. De jeugd trekt voor een opleiding naar de stad en reist na het afstuderen niet meteen verder naar een woning met een tuin in een voorstad. Of naar een opgeknapte arbeiderswoning tien kilometer verder. Dat waren de jaren 70. Toch is alles relatief, want nog altijd kent de stad voor mensen boven de 30 een vertrekoverschot: er verlaten nog steeds meer 30-ers en 40-ers de stad dan erin komen. Maar dit vertrekoverschot wordt op dit moment snel kleiner en weegt niet meer op tegen de massale vestingoverschot van alle jongeren.

Deze omslag versterkt niet alleen de positie van de steden, het verzwakt ook de positie van de voorsteden en met name van de voormalige groeikernen. De jeugd vertrekt vanuit de groeikernen naar de stad en de gehuwden en de jonge gezinnen komen veel minder vaak terug dan vroeger. Zo vergrijzen de voormalige groeikernen. Bovendien zijn het juist de rijkeren en hoger opgeleiden die in de stad blijven. Zo daalt ook langzaam het gemiddelde inkomen in de voormalige groeikernen, als ik deze gemeenten even over één kam mag scheren.

In ieder geval moeten de groeikernen alert zijn op de verdere ontwikkelingen. En ze moeten daarbij niet vergeten dat ze bestuurlijk zwakker staan dan enkele decennia geleden. Toen had iedereen ze nodig, het Rijk voor al die woningen en de steden voor het oplossen van regionale problemen die vooral in de steden neersloegen. Nu subsidieert het Rijk geen woning meer en verschuiven de problemen langzaam van de steden naar de randen. Ik kom daar nog op terug. Het wordt echt precair als de steden hun randgemeenten helemaal niet meer nodig hebben. Wie lost dan daar de nieuwe maatschappelijke problemen op?

De triomf van de stad geldt niet voor alle steden

Het jargon van de Triomf is niet aan gemeentebestuurders voorbij gegaan. Florida en Glaeser liggen op het nachtkastje en de afdeling Citymarketing noemt elk bedrijventerrein al een Campus en twee bedrijventerreinen een Valley. Daarbij verliezen ze uit het oog dat elke stad uniek is en elke stad dan zijn eigen kansen en niet de kansen van een ander moet grijpen. Maar ze vergeten ook dat die triomf aan sommige steden voorbij kan gaan. Dan krijgen al die woorden al snel iets leegs.

Het is niet moeilijk om een stad aan te wijzen die ten volle profiteert van bovenstaande ontwikkelingen, van de Triomf. Amsterdam. Maar wat in Amsterdam gebeurt, gebeurt niet in Heerlen, niet in Emmen, en ook niet zo maar in Enschede. En ook aan Rotterdam gaat de (echte) triomf nog steeds voorbij, ondanks het goede beleid en de blije berichten vanuit de Coolsingel. Wanneer doen steden het (ook op dit moment) minder goed? Ik noem drie factoren.

  • Ten eerste moet de lokale arbeidsmarkt aansluiten bij de sectoren die in opkomst zijn. Dat heeft alles met padafhankelijkheid te maken. Als je in een vorige fase succesvol was, hoeft dat niet te betekenen dat je nu meteen weer succesvol zal zijn. Simpel gezegd: met havenarbeiders en laaggeschoolden win je het niet in de nieuwe kenniseconomie.
  • Ten tweede: je stad moet met name voor de hoogopgeleiden een aantrekkelijk leefklimaat te bieden hebben. Met het aantrekken van bedrijven kom je er niet meer. Die relatie tussen wonen en werken is veel minder eenduidig dan vroeger. In de industriële tijd trokken de mensen naar de steden omdat daar werk was te vinden. Het wonen volgde het werken. Tegenwoordig vestigen bedrijven zich vooral daar waar de beste werknemers te vinden zijn. Dus als je als stad erin slaagt om de beste mensen aan je te binden, dan komen die bedrijven wel vanzelf. Werken volgt wonen. Anderen menen: werken volgt werken. In ieder geval gaat het om the place to be. En dat kan gaan om de High Tech Campus in Eindhoven, waar alle bedrijven en alle slimme werknemers bij elkaar willen zitten. Of om de aantrekkelijke binnensteden, waar veel geld wordt betaald voor een woning aan de gracht.
  • Ten derde: dat vliegwiel van de stedelijke economie is nog steeds van groot belang. En als het niet in beweging is, is het erg moeilijk in beweging te krijgen. Dan kan je wel proberen bedrijven te verleiden om zich in jouw stad te vestigen, maar dat zullen ze niet doen als jouw stad geen geschikte werknemers te bieden heeft. En dan kan je wel proberen om duurdere huizen te bouwen voor de duurdere, hoogopgeleide werknemers, maar die zullen die huizen niet kopen, als er te weinig banen voor hen zijn. De grote vraag voor het bestuur van Rotterdam is dan ook al jaren: wat moeten we doen om de afgestudeerden van de Erasmus Universiteit in de stad te houden? En dat de huizenprijzen in Rotterdam veel lager zijn dan in Amsterdam is geen pre. Het betekent alleen maar dat er veel meer mensen in Amsterdam willen wonen dan in Rotterdam.

De triomf van de stad geldt niet voor iedereen

En toch wonen er in Amsterdam nog steeds heel veel mensen onder de armoedegrens. Laat je dus niet door die triomf van de stad verblinden! Of misschien is dat woord ‘verblinden’ ook niet helemaal goed gekozen. Je kan beter zeggen: de triomf van de stad drukt alles wat minder opgeleid is en alles wat minder geld heeft, gewoon weg. Weg uit het centrum, weg uit de Ring. Want Amsterdam-West en Amsterdam-Zuidoost en delen van Amsterdam-Noord laten een heel ander Amsterdam zien. Daar zitten de mensen aan wie de triomf voorbij gaat. Vroeger woonden ze nog in de Pijp of in de Staatsliedenbuurt. Of nog vroeger in de Jordaan. Maar een proces van gentrification heeft ervoor gezorgd dat de huizenprijzen in deze wijken akelig snel zijn gestegen. De huizen zijn opgeknapt en de nieuwe hipsters hebben hun intrek genomen.

Het is evident: de triomf van de stad draagt bij aan een verdere segregatie in de stad. Het is niet de scheiding tussen autochtoon en allochtoon. Het is de scheiding tussen westers en niet-westers. De expats maken onderdeel uit van de triomf, het zijn overwegend de niet-westerse allochtonen die naar de randen van de steden worden gedreven en verdreven.

Die tweedeling manifesteerde zich ook bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen. In Amsterdam en Utrecht wonnen gegoede hoogopgeleide burgers het van de achterkant van de stad. D66 was de grote winnaar als partij van de kosmopolitische, hoogopgeleide burger met een goed inkomen. In het gespleten Den Haag won D66 met enkele honderden stemmen van de PVV, de partij van de nationalistische, lager-opgeleide burgers met een relatief laag inkomen. In Rotterdam won de achterkant van de triomf: Leefbaar is hier veruit de grootste partij.

Overigens kennen ook de wijken waar de achterkant van de triomf zo goed zichtbaar is, een grote dynamiek. Het zijn namelijk ook de wijken waar de immigranten binnenkomen. Het zijn de zogenaamd arrival neighbourhoods. Waar migranten neerstrijken omdat ze daar hun contacten hebben, omdat de huren laag zijn en omdat de kansen in de informele economie groter zijn. En veel migranten klimmen na een aantal jaren op. De stad als roltrap. En verhuizen naar een betere wijk of naar een randgemeente. Niet dat het gemiddelde van de slechte wijken daarvan beter wordt. Want de plek van de geslaagde migrant wordt vrijwel meteen ingenomen door nieuwe migranten, die weer onder aan de ladder moeten beginnen.

De triomf van de toerist en de triomf van de burger

De triomf is ons grotendeels overkomen. Geen gemeentebestuur kan claimen de triomf zelf te hebben veroorzaakt. Gemeentebesturen kunnen in het beste geval slechts bijsturen. En ze kunnen de randvoorwaarden voor verdere ontwikkeling gunstig maken. Zo is bereikbaarheid in de theorie van de agglomeratievoordelen een groot goed. Bereikbaarheid wordt ook wel uitgedrukt in het aantal banen dat binnen 45’ te bereiken is. De tijd die de gemiddelde werknemer bereid is te reizen naar zijn werk. Als de overheid erin slaagt om het aantal bereikbare banen te vergroten, zullen nog meer mensen een optimale baan vinden en zullen bedrijven nog productiever worden.

Daarnaast moet een gemeentebestuur er vooral voor zorgen dat het leefklimaat in de stad zo goed mogelijk is. Dat er een woning is te vinden voor de hoogopgeleiden die de stad aan zich moet binden. Dat die hoogopgeleiden in deze stad willen leven. Dat er veel cultuur is en veel vermaak. Hoogopgeleiden wonen graag in steden waar goede orkesten, goede poppodia en goede musea zijn. Ook als ze daarvan in de praktijk nauwelijks gebruik maken. En dat er veel groen is en weinig luchtvervuiling en weinig geluidsoverlast.

Maar tegelijkertijd doen zich agglomeratienadelen gelden als de leefkwaliteit in de stad te hoog wordt. En als er te veel cultuur en te veel festivals worden aangeboden. Want het zijn niet alleen de hoogopgeleiden die vanwege deze ‘amenities’ in de steden willen wonen, het zijn ook de toeristen die om die reden de stad willen bezoeken. Amsterdam kan er de laatste jaren over meepraten. De rolkoffers van de airbnb-ers zijn het symbool geworden van de overlast van de toeristen en van de irritatie van de bewoners.

En die toerist staat een beetje symbool voor de burger in het algemeen. Het mag waar zijn dat toeristen sommige delen van Amsterdam overspoelen, het zijn vooral de goedbetaalde hoogopgeleiden die de stad in hun bezit hebben genomen. Dat heeft ook grote gevolgen voor de relatie tussen de burger en het bestuur. Niet zelden hebben de nieuwe stadsbewoners de lokale overheid het nakijken gegeven. Zij weten uitstekend hun woordje te doen, zij kennen hun rechten en weten die ook af te dwingen, zij organiseren in hun eigen buurt de zaken die de gemeente laat liggen of uit haar handen laat vallen. Van de weeromstuit gaat de overheid praten over de ‘doe-democratie’ en de ‘energieke samenleving’. De overheid zou deze vormen van ‘zelforganisatie’ zelfs moeten stimuleren. Daarvoor lijkt weinig reden. De hoogopgeleide burger zit niet op dit soort paternalistische gevoelens te wachten. De triomf van de stad is in veel opzichten ook de triomf van de burger geweest.

Toch heeft niemand baat bij een ‘onzekere overheid’ die nota’s over zelforganisatie en doe-democratie schrijft. De samenleving is meer gediend bij een (lokale) overheid die weet ‘waar ze van is’, die weet welke taken onmiskenbaar overheidstaken zijn. Wat te denken van een goed scholings- en arbeidsmarktbeleid voor de buurten waaraan de triomf voorbij is gegaan. Wat te denken van een effectief beleid tegen de wietkwekerijen die welig tieren aan de randen van de steden? Wat te denken van de bestrijding van de ondermijning die gaandeweg met deze vormen van criminaliteit verbonden is geraakt?

De triomf vasthouden

Ik schreef al: de triomf is niet van alle tijden. Ook de toekomst van de stad is ongewis. Een terugslag als in de jaren 60 en 70 valt niet te voorspellen. Voorlopig moeten gemeentebesturen keihard werken aan de bereikbaarheid en de leefbaarheid van hun steden.

Maar hoe houden we het leefklimaat in de steden goed? Hoe zorgen we ervoor dat de hoger opgeleiden en de hogere inkomens in de steden willen blijven wonen? Één ding is duidelijk: de toekomst van de stad staat of valt met de vraag of we de stad klimaatbestendig weten te maken. Of klimaatneutraal. Of CO2-neutraal. Hoe we het ook willen noemen. De stad zal een belangrijke bijdrage moeten leveren aan de klimaatmitigatie, aan het afremmen en uiteindelijk aan het stoppen van de klimaatverandering. En de stad zal zich moeten aanpassen aan de veranderende klimaatomstandigheden (klimaatadaptatie).

De klimaatmitigatie vraagt het terugbrengen van de CO2-uitstoot tot 0, tot nul. Dat betekent dat de steden van fossiele energie moeten overgaan op zonne-energie, op windenergie, op geothermie. Dat zal ongetwijfeld samengaan met decentrale energieopwekking. Bovendien moet de bestaande bebouwing energiezuinig worden gemaakt. En zal de mobiliteit een geheel ander aanzien krijgen. Hoe ziet het stadsvervoer eruit als de zelfrijdende auto’s (duurzaam) elektrisch zijn aangedreven?

De klimaatadaptatie vraagt in alle steden om nieuwe oplossingen voor de wateropgave. Extreem weer met extreme hoeveelheden regenwater moet worden gepareerd. Bovendien zijn de temperaturen in de steden veel hoger dan buiten de stad. Als de temperaturen wereldwijd gaan stijgen, zullen de gemeenten meer moeten doen om leefbaar te blijven. Veel groen in de stad kan een bijdrage leveren aan het verlagen van de stedelijke temperaturen.

Het is eenvoudiger om deze viervoudige agenda even uit de mouw te schudden dan om haar te realiseren. Hier is echt sprake van een transitie. En transities laten zich niet zo maar op commando afroepen. Tot op heden spreken we vooral over transities als blijkt dat ze zich hebben voorgedaan.

 

De leergang en de leervragen 

Dit is het verhaal van de triomf van de stad. Dit is ook het verhaal van de leergang Triomf van de stad.  Het verhaal vertaalt zich in 6 modules van 2 dagen. In die 6 modules werken we aan een drietal leerdoelen: kennisnemen van de belangrijkste economische, sociale en culturele ontwikkelingen van steden; vertalen van deze kennis naar de eigen stad; ontwikkelen van een effectieve handelingspraktijk voor de eigen stad.

Module 1 – Stedelijke economie: Agglomeratie-effecten, veranderingen door de komst van de kenniseconomie, consumer-city, werken volgt wonen, met welk beleid kunnen we de triomf van de stad ondersteunen?

Module 2 – Demografie en wonen: demografische ontwikkelingen van steden en randgemeenten, van nieuwbouw in de groeikernen naar nieuwbouw in de grote stad, corporaties en wonen in achterstandswijken, regionale samenwerking tussen stad en randgemeenten.

Module 3 – De achterkant van de triomf: toenemende segregatie, immigranten en hun toekomst in Nederland, het effect van opgroeien in een achterstandswijk, effecten en neveneffecten van beleid voor achterstandswijken, onderwijs en gelijke kansen.

Module 4 – Leefklimaat en cultuur: welke ‘amenities’ maken een stad aantrekkelijk? Cultuur, voorzieningen, stedebouw. Maar het leefklimaat in de stad is niet voor iedereen zo positief. Denk aan verschillen in gezondheid. En wie aan het leefklimaat van steden denkt, denkt ook aan culturele verschillen. Hoe gaan we met die verschillen om?

Module 5 – De triomf van de burger: hoe om te gaan met burgers die zichzelf organiseren voor de publieke zaak. Waar is de overheid van? Hoe zorgen we dat ook mensen met een achterstand aanhaken. De ‘zelforganisatie’ van burgers is lang niet altijd in het publieke belang, denk aan criminaliteit en ondermijning.

Module 6 – De toekomst van de triomf: steden zullen alleen kunnen voortbestaan als ze klimaatbestendig zijn. Hoe realiseren we die transitie? Wat betekent dat bijvoorbeeld voor de mobiliteit? En de toekomstige steden zullen slim moeten zijn.

Debatteren met open vizier

november 19, 2013 by  

Ik stel het zeer op prijs als mensen reageren op mijn blogs. Debat dwingt je soms om je argument scherper te formuleren, debat leert je soms dat je een ander perspectief over het hoofd hebt gezien, debat leert je soms dat je een off day had. Dus: reacties zijn welkom. Hoe afwijkend ook: ze worden door mij geplaatst. Ik maak slechts twee voorbehouden voor het plaatsen van de reactie: schelden is niet toegestaan en er wordt met open vizier gestreden: anonieme reacties worden niet geplaatst. Bovendien houd ik me het recht voor om spelfouten te corrigeren. Ik maak er zelf al te veel.