Paul Scheffer: ik zal nooit zeggen dat onze cultuur de beste is

januari 15, 2017 by  

Gesprek met Paul Scheffer

Paul Scheffer is publicist en hoogleraar. Hij was Wibaut-hoogleraar aan de UvA (onderwerp: grootstedelijke problematiek) en is nu hoogleraar Europese studies in Tilburg. Vooral is hij een intellectueel en heeft een dominante plek in het publieke debat over integratie en migranten. In 2000 schreef hij onder de titel ‘Het multiculturele drama’ een artikel in de NRC dat als een bom insloeg. In de jaren 90 werd nog vaak met graagte gesproken over de multiculturele samenleving, met het idee dat onze samenleving zich vooral zou verrijken door de verschillende culturen. Scheffer hielp de weldenkende elite uit hun droom.

Ik vraag hem hoe hij zelf die ‘bom’ heeft ervaren. Hij zegt: ik vond het eigenlijk wel beangstigend. Het nam een hoge vlucht. Het is het meest geciteerde stuk uit de naoorlogse Nederlandse journalistiek. In ieder geval in mijn kleine leventje was het een enorme gebeurtenis. Het had een enorme impact. Er was een kamerdebat van twee dagen over het stuk. Het ging maar door. Tot de dag vandaag. Ook in veel andere landen is het vertaald. Je kan je nu ook niet meer voorstellen dat het zoveel commotie opriep. Nu zijn er veel mensen die veel radicalere dingen zeggen. Toen reageerden veel mensen heel fel. Het zou racistisch zijn, extreem-rechts. De Groene Amsterdammer schreef dat ik Philip de Winter rechts had ingehaald. Ik had ook te maken met bedreigingen.

Een sociale kwestie en een sociaal-culturele kwestie

Wat was voor hem de kern van het verhaal? Scheffer ik begon met de nieuwe sociale kwestie. Daarin verschilde ik echt van Bolkestein. Migranten en hun kinderen blijven achter. Waarom gingen we daar zo gelaten mee om? Daarnaast noemde ik een nieuw sociaal-cultureel vraagstuk, de positie van de islam. Ik zei dat de verzuiling hier geen oplossing voor zou bieden. In die tijd werd echt nog door mensen in de elite gedacht, dat de islam een eigen zuil zou moeten krijgen om de moslims te laten integreren. Terwijl de samenleving inmiddels geheel was ontzuild. Waarom zou verzuiling een oplossing brengen voor de moslims, terwijl wij die verzuiling inmiddels achter ons hadden gelaten? Bovendien kon die moslimgemeenschap helemaal niet verzuilen, omdat er grote verschillen zijn tussen moslims. Etnische verschillen wegen in die groep minstens even zwaar.

Ik heb die twee onderwerpen bewust niet gekoppeld. De sociaal-economische kwestie en de sociaal-culturele. In het debat werd het vaak wel gekoppeld. Dat moet je niet doen. Er zijn heel veel maatschappelijk geslaagde migranten die in toenemende mate zeggen dat ze zich hier niet thuis voelen. Het is niet zo dat als je die economische achterstanden wegwerkt, dat men zich dan ook meteen hier thuisvoelt. Ik zei alleen: als ik die twee vraagstukken tezamen zie, moeten we een terughoudend immigratiebeleid voeren. Vanwege het integratief vermogen van onze steden en van onze instituties. Mijn conclusie luidde: Het multiculturele drama wat zich nu afspeelt is een ernstige bedreiging van de sociale vrede. Daarmee heb ik bewust hard aangezet.

Voor vernieuwing heb je ongeduldige mensen nodig

Scheffer zegt dat hij nadrukkelijk afweek van Bolkestein, omdat die de islam zo centraal stelde: Ik stelde de sociale kwestie voorop. En het was een kritiek op de christendemocratie omdat die de verzuiling zo als oplossing zagen. Vergeet niet dat de verzuiling niet is uitgemond in segregatie omdat er sterke elites waren. Maar de moslimgemeenschap heeft geen sterke elite. Was het maar waar wat Geert Wilders zegt, dat er een georganiseerde moslimgemeenschap was, die iets wilde. Dan kon je er een deal mee maken. Maar dat is er niet, het is een versplinterd geheel. En vergeet niet waarom de verzuiling in Nederland eerder wel een succes is geworden. Er was een bijzondere Grondwet, met dat artikel over de vrijheid van onderwijs. Dat werd gedragen door die zuilen, dat was een product van hun strijd. Een nieuwe zuil hoort helemaal niet in de geschiedenis thuis. We vergeten wel eens dat die zuilen een gezamenlijk dak hebben gedragen en dat het daarom werkte. En een redelijk volgzame achterban. Maar wie spreekt er nu namens de moslimgemeenschap?

Ik werp tegen dat verzuiling ook wel laat zien hoe lang zo’n emancipatie kan duren. Ik vraag of Scheffer niet wat vroeg is geweest met zijn conclusie dat het misgaat. Scheffer: de vraag is: hoeveel tijd heb je? Maar we hebben bij de sociale kwestie aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw ook gesproken over een ondraaglijke situatie. Toen hebben mensen zich daar gelukkig over uitgelaten. Toen duurde het nog tot na de oorlog voordat de verzorgingsstaat kwam en in de jaren 60 dat kinderen uit arme gezinnen naar de universiteit konden. Dat had allemaal nog veel langer geduurd als we aan het einde van de negentiende eeuw hadden gezegd: dat duur nog wel anderhalve eeuw. Vernieuwing komt altijd omdat mensen ongeduldig zijn.

Van vermijding naar conflict naar accommodatie

Paul Scheffer spreekt vaak over de ontwikkeling van vermijding naar conflict naar accommodatie als het gaat om integratie. Ik vraag hem: waarom had niemand dat voor jou bedacht? Waarom dachten we dat we in de fase van de vermijding konden blijven zitten? Scheffer: we hebben ons weinig verdiept in de immigratie in andere landen. De these komt uit Amerika, jaren 20 van de vorige eeuw. Studies over integratie van Italianen en Polen in Chicago. Ik kwam studies van een eeuw geleden tegen over het statusverlies van de vader in gezinnen door de immigratie. Leidt tot ontwrichting van gezinnen en tot jeugdcriminaliteit in de tweede generatie. Honderd jaar geleden! Toen ik het las dacht ik: dit gaat over Marokkaanse gezinnen in Slotervaart, Somalische gezinnen in Kopenhagen. We hebben ons zo niet gerealiseerd dat we een immigratiesamenleving waren geworden. We dachten dat ze weer terug zouden gaan. Pas in de jaren 90 begonnen we ons te realiseren dat ze bleven.

En toen ging het nog vooral over sociaal-economische achterstanden. Cultureel werd het een verrijking genoemd. Door mensen als Ed van Thijn. Maar hij niet alleen. Maar over wat soort cultuur hebben we het dan? Daar kwam dan geen antwoord op. Kebab. Men wist eigenlijk niets van Turkse cultuur bijvoorbeeld. Van Turkse muziek, literatuur en noem maar op. En hebben wij het gevoel dat deze heel laagopgeleide Turken vertegenwoordigers zijn van die hoge Turkse cultuur? Dacht het niet. Moet je eens in Istanboel gaan vragen hoe ze daar denken over de mensen die hier naartoe zijn gekomen. Niemand kon dus benoemen wat de verrijking van de Turkse cultuur in Nederland zou zijn. Het gaat om problematische gezinsverhoudingen van Turkse gezinnen hier. De Turkse meisjes die niet mogen doorstuderen. Dat is een andere vorm van cultuur.

Alleen onze rechtscultuur is beter

We praten over de jaren 90 toen het idee van rechtspluralisme in juridische kring nog veel werd gehoord. Vanuit de gedachte dat wij onze normen toch niet kunnen opleggen aan andere geloofsgemeenschappen. Ik houd Scheffer voor dat hij dat heeft doorbroken. Hij zegt duidelijk: onze rechtscultuur is beter. Scheffer spreekt met nadruk over rechtscultuur. Want als het om schilderkunst en architectuur gaat kan je niet zeggen dat onze cultuur van nu beter is dan die van 400 jaar geleden. Taj Mahal is fantastisch bouwwerk. Je kan niet zeggen dat de kathedraal van Reims mooier of beter is. Er zijn dus veel domeinen van cultuur. Je kan niet zeggen, dat Bach achterhaald is. Klassieke filosofie is ook niet achterhaald. Dus ook in onze eigen cultuur is er vaak geen sprake van vooruitgang. En dus ook is de vergelijking met andere culturen ook niet zo simpel.

Maar in een rechtscultuur is wel sprake van vooruitgang als bijvoorbeeld de rechten van minderheden beter worden gewaarborgd. Dus daar kan je wel spreken van beter en minder goed. Het gaat dus om een domein van de cultuur. De zin dat de Westerse cultuur in algemene zin superieur is, is een onverdraaglijke zin.

Ik wijs Scheffer erop dat hij zich verzet tegen het bouwen van traditionele moskeeën in Nederland. Hij pareert: ik ben voor echte integratie. Ik ben dus voor een compromis. Geen traditionele moskeeën op een industrieterrein, maar wel moskeeën echt in de stad, maar dan ook passend in de omgeving. Geen Efteling in de eigen wijk. Maar wel in de eigen wijk. We moeten het idee doorleven dat de islam hier vroeg of laat een autochtone godsdienst wordt.

Het conflict is een stap in de goede richting

Ik houdt Scheffer voor dat hij eigenlijk heel optimistisch is. Na het conflict komt de accommodatie. Scheffer: het conflict hoeft niet gemakkelijk te zijn. Maar als het geweldloos is, is het al een teken van integratie. Mensen bemoeien zich met elkaar. Vragen zich af: hoe moeten we hier samenleven. Maar er is ook dreiging met geweld als een belangrijke schaduw over het debat. Bovendien dreigen buitenlandse conflicten binnenlandse conflicten te worden. Zeg: Gülen. Als het Midden-Oosten ontploft, houd ik mijn hart vast voor het Nederlandse integratiedebat.

De PVV zie ik, zolang het debat geweldloos blijft, als een onderdeel van de normale cyclus. Wilders heeft met zijn politiek voor iedereen duidelijk gemaakt dat de islam onderdeel is van de Nederlandse samenleving. Paradoxaal effect. Achter elk probleem ziet hij een een moslim. Hij spreekt er zoveel over dat het niemand meer kan ontgaan dat de islam een gevestigd onderdeel van Nederland is geworden. In dat conflict dat Wilders creëert, zie je dat anderen zich gaan organiseren. Over DENK ben ik dan ook best positief, afgezien van hun eigen tegenstrijdigheden. Maar het is goed dat migranten hun plaats opeisen. Waarom vergadert de Kamer niet met Kerstmis, maar wel met Suikerfeest? Het debat over Zwarte Piet gaat ook over toe-eigening. De migranten eigenen zich de samenleving toe. Maar daardoor worden ze ook zelf toe-geëigend door die samenleving. De essentie van de discussie over Zwarte Piet is dat een deel van de Surinamers zegt: dat is ook ons feest. Wij willen dat feest ook voeren, zonder ons ongemakkelijk te voeren. Die roetveeg-Piet: aan beide kanten een verlies, maar er ontstaat wel iets nieuws uit. Tradities worden altijd opnieuw uitgevonden. Over tien jaar verdedigen we met hartstocht onze roet-Piet. Kerstmis hoort bij ons land, maar dan komt ook de vraag van 800.000 moslims: hoe zit het dan met het Suikerfeest? Daar kunnen we toch rustig over nadenken. Maar dat is anders als het gaat over genitale verminking onder het argument dat het hun cultuur is. Dat laatste zal wel waar zijn, maar niet alle cultuur is waardevol.

Op zoek naar nieuwe tradities op basis van gelijkwaardigheid

Zo laat Scheffer prachtig zien dat je op het punt van de rechtscultuur vast moet houden aan je normen, maar dat je op veel andere punten kan werken aan nieuwe tradities, door een compromis te vinden. Hij vindt het ook zo teleurstellend dat Rutte op dit punt niet meer leiding geeft. Dat hij niet verder komt dat: Zwarte Piet is zwart anders zouden we hem niet zwart noemen. Scheffer wil dus niet wegkijken, hij wil niet twee dingen naast elkaar laten bestaan. Maar wil ook echt iets van beide kanten vragen. Scheffer: dat is het principe van de gelijke behandeling. Dat is ons ideaal. Maar dat ideaal staat overeind. En dat moeten we niet onderuit laten halen. Gelijke behandeling betekent dat iedereen mag zeggen wat hij wil. Je mag ook zeggen dat homoseksualiteit pervers is. Ik zou niet graag leven in een samenleving waarin het verboden zou zijn om allerlei dingen te zeggen. Maar gelijke behandeling gaat verder. Het gaat om gelijkwaardigheid. Homoseksualiteit behandelen we als gelijkwaardig.

We leven in een open samenleving. Voor mij is dat de kern. Met de hoge norm van wederkerigheid. En het houden aan de rechtsregels in een samenleving is heel belangrijk, maar het gaat hier om veel meer. Er zijn ook heel veel zaken wezenlijk voor een samenleving, waartoe je mensen niet juridisch kan verplichten. Daarom is een open samenleving ook zo kwetsbaar. Je kan het niet allemaal via het recht afdwingen. Het gaat om vrijwillige instemming.

Gelijkwaardigheid vraagt wederkerigheid

Om welke hoge normen gaat het, op basis waarvan je het debat moet voeren? De norm van gelijkwaardigheid stelt hoge eisen. Daarmee is het liberalisme niet neutraal. De norm van gelijkwaardigheid is niet neutraal. En vraagt ook veel. Ook in onze geschiedenis zijn vrouwen en mannen nog maar kort gelijkwaardig. Het is dus een hele hoge norm. Het gaat om meer dan de wet. Maar dat je elkaar in de geleefde werkelijkheid tegemoet treedt met wederzijds respect.

Maar ik ga niet iemand respecteren die mij niet respecteert. Ik wil de rechten van de moslims hier in dit land verdedigen, maar er moet wel wat terugkomen. Moslims moeten ook gevoel voor verantwoordelijkheid tonen voor het grotere geheel. En voor de rechten van mensen met wie je het fundamenteel niet eens bent. Ook orthodox-gelovigen hebben recht op duurzaam respect, als zij ook hetzelfde respect kunnen opbrengen voor ongelovigen.

Het laatste hoofdstuk van mijn boek ‘Het land van aankomst’ heet ook de grondwet van gelijkwaardigheid. Maar daar zijn we nog lang niet. Een meerderheid van de Nederlandse bevolking meent nog dat de islam niet past bij onze democratie. En een substantiële minderheid van de moslims zegt nog dat de democratie niet past bij hun geloof. Veel moslims vinden onze leefwijze maar decadent en willen hun kinderen daarvan afschermen. Maar ja, de zwartekousenkerk is ook geen vooruitgang. Ik heb nooit begrepen dat mensen uit links-liberale kring de Nederlandse zwartekousenkerk afwijzen, en die nieuwe zwartekousenkerk van de islam, omdat die van ver komt, omarmen. Een zwarte kous is een zwarte kous. Ik zie hoe Jeruzalem verandert, nu een kwart van de stad wordt bewoond door orthodoxe joden. De hele sfeer van de stad verandert omdat de orthodoxen het principe van wederkerigheid afwijzen, ze eisen een recht op waarheid op dat ze aan niemand anders gunnen. In een open samenleving weten mensen hun eigen waarheidsmonopolie te relativeren. Pluralisme is dus geen vlak begrip, je moet het steeds onderhouden.

Normatief appèl

Ik zal dus ook nooit zeggen dat onze cultuur het beste is. Cultuur ontwikkelt zich in zelfonderzoek. Ik vind wel onze rechtscultuur het beste. Ik vind onze politieke cultuur, de westerse democratie het beste. De democratie biedt de beste mogelijkheden aan mensen om verschillend te kunnen leven. Onze geschiedenis is toch ook niet alleen maar om trots op te zijn. Hoe kan het Westen de geboortegrond van de mensenrechten zijn geweest en er tegelijkertijd zo’n inbreuk op hebben gemaakt?

We praten verder over het toepassen van hoge normen op concrete situaties. Dat Job Cohen het ooit eerst goedkeurde dat agenten niet de hand van een vrouw wilden schudden. En later terecht terugkwam op dit toegeeflijke standpunt. De politie belichaamt een hogere norm van de rechtsstaat. Als je iedereen de hand schudt is dat een symbool van gelijkwaardigheid. Het kan niet zo zijn dat je bepaalde mensen, namelijk vrouwen, geen hand schudt. Die norm moet je aan mensen voorhouden. Het gaat om een normatief appèl, wat je juist niet in de wet kan vastleggen. Ook is een hoofddoek bij de politie niet juist. Het gaat niet alleen om een uniform, maar het gaat om uniformiteit. Je wilt neutraliteit bij de politie. En dus geen symbool van geloofsovertuiging.

Ik vind dat debat wel een enorme verrijking. Je wordt gedwongen op zoek te gaan naar de onderliggende gedachten van een rechtscultuur. Waarom mogen meisjes van 14 jaar niet trouwen. Door het culturele debat wordt je zo uitgedaagd om de onderliggende gedachten van de rechtscultuur te expliciteren. Het heet niet voor niets rechtscultuur, het gaat om de onderliggende normen van het recht.

De Nederlander bestaat wel

Ik hou Paul Scheffer voor dat hij in zijn befaamde tekst schreef dat we op zoek moeten naar nieuwe woorden voor ‘wij’. Scheffer noemt zijn kritiek op de uitspraak van Maxima dat ‘de’ Nederlander niet zou bestaan. Nou die bestaat wel! Dat is de kern van onze rechtsstatelijkheid. Van ons burgerschap. Dan zou je ook niet meer kunnen zeggen: “Wij hebben gefaald in Srebrenica.” We moeten ons plaatsvervangend kunnen schamen, plaatsvervangend verantwoordelijk voelen. We moeten trots kunnen zijn, op de Deltawerken, mooie literatuur, mooie gebouwen. Het multiculturalisme wilde ons ‘wij’ afschaffen. We zijn allemaal verschillend. Hoezo: ‘we’? Dat deed Maxima. Die creëerde een vacuüm.

Het is heel goed als een Turk, of als Aboutaleb zegt: Wij, Nederlanders. Hij eigent zich iets toe en hij wordt meteen toe-geëigend. Op die manier moeten we een nieuwe betekenis gaan geven aan het ‘wij’. Het ‘wij’ is niet meer een blanke, witte Nederlander. Het is rampzalig voor een democratie als mensen niet meer ‘wij’ kunnen zeggen. We zijn onderdeel van iets groters, van een geschiedenis, van een taalgemeenschap. We brengen hier samen een samenleving tot stand. In dat woord ‘wij’ zit de essentie van de democratische verantwoordelijkheid voor iets wat groter is dan jezelf. Collectieve verantwoordelijkheid. Dat is iets anders dan collectieve schuld. Zie het debat in het naoorlogse Duitsland.

Daarom was ik zo boos op Maxima. Het was zo in de kern falen. Als je tegenover de PPV, die zegt: “dit zijn wij’, niet zegt: “Er is een ander wij”, maar zegt: “Dat ‘wij’ bestaat niet meer”.

Migranten moeten zich de samenleving toe-eigenen

We sluiten af. Terug naar het multiculturele drama. Ik heb het nog weer eens gelezen onlangs. Het lijkt alsof er niets is veranderd. Het is nog steeds ontzettend actueel. Ik vraag Scheffer of hij het nu anders zou schrijven: Natuurlijk, omdat ik zelf 17 jaar heb geleerd. Vergeet niet: toen hadden we het er niet over. Dat kan je nu niet meer zeggen! Er is heel veel gebeurd. Vergeet ook niet dat we in 2000 bijna geen journalisten hadden met een andere migratie-achtergrond. Er is enorm veel veranderd in het publieke leven in Nederland. Wilders heeft één angst: dat de migranten zich te veel met de samenleving bemoeien. Ik heb één angst: dat de migranten zich te weinig met de samenleving bemoeien. Een groter verschil kan je niet hebben.

10 januari 2017

De nu al legendarische @HenkKamp

januari 10, 2017 by  

Ik weet het: slechts 1,5% van de Nederlanders noemt klimaat als grootste probleem van deze tijd. Slechts 14% van de Nederlanders is overtuigd van de noodzaak van een ander energiebeleid. En juist daarom zal Henk Kamp over enige tijd misschien wel als de belangrijkste minister van het kabinet Rutte-Asscher worden aangeduid. Henk Kamp? Die Henk Kamp, die niet meer zou terugkomen als minister. Ja, die Henk Kamp.

Henk Kamp zit al op zijn vierde ministerie. Hij deed VROM, Defensie, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en nu dan Economische Zaken. Hij was de informateur van het laatste kabinet. Daarna is het stil rondom Henk geworden. Zoals het altijd wat stil is rond het Ministerie van Economische Zaken. Daar gebeurt immers nooit wat. Daar kijken ze of de markt nog functioneert en verspelen ze vaak miljarden aan bedrijfstakken die het uiteindelijk toch niet redden. Het leek een goede plek voor Henk Kamp om zijn pensioen te halen. En omdat de media dat ook hadden bedacht, heeft niemand meer op Henk gelet. Toch heeft EZ onder leiding van Henk Kamp een metamorfose ondergaan.

Vroeger hield EZ  toezicht op de energiemarkt, omdat het een markt was. Maar tegenwoordig voert EZ energiebeleid omdat de uitkomsten van die markt op de lange termijn ongewenst zijn. Vanwege het klimaat. En dat is een enorme omslag, die we zeker niet meteen van een VVD-minister hadden verwacht. Maar ergens moet Henk Kamp in de afgelopen jaren het onvermijdelijke hebben ingezien: een drastische CO2-reductie is onvermijdelijk om de klimaatverandering te keren.

En zo sloot hij eerst met het bedrijfsleven en milieuorganisaties het Energieakkoord, waarin voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis afspraken worden gemaakt over het terugdringen van de CO2-uitstoot. Toen schreef hij een Energierapport, de eerste serieuze analyse van het energievraagstuk van regeringszijde. Ik geef graag toe: ik was aanvankelijk teleurgesteld over dat rapport. Het bleef bij een analyse. En verder werd alleen een Energiedialoog aangekondigd. Ik voorzag ellende. Het energiebeleid leek weg te zakken in eindeloos geklets. Maar toen was daar plotseling toch de Energieagenda van Henk Kamp, waarin helder werd aangegeven wat we allemaal gingen doen om de afspraak van Parijs na te komen.

Natuurlijk, ook die agenda is nog te weinig. Een CO2-arme energievoorziening in 2050 is niet ambitieus genoeg. We moeten op dat moment (al lang) volledig zijn overgestapt naar hernieuwbare energie. We zouden als rijk land meer moeten doen dan het volgen van het tijdpad van Parijs. We zouden op verschillende terreinen koploper moeten willen zijn, omdat we juist dan de economische vruchten van deze transitie zullen kunnen plukken. We zouden voorop moeten willen lopen met het invoeren van een CO2-belasting in plaats van te blijven beweren dat het ETS-systeem ‘in beginsel’ een goed middel is. Want een middel dat volstrekt niet functioneert, functioneert misschien wel zo slecht omdat het ‘in beginsel’ geen goed middel is.

Maar dat die agenda er is, krijgt te weinig aandacht. Willen we ons nog even voor de geest halen dat tijdens het vorige kabinet nog openlijk werd getwijfeld aan de klimaatverandering en aan de noodzaak van CO2-reductie? Dat het vorige kabinet werd gedoogd door een partij die alleen naar klimaatsceptici wenste te luisteren? En nu spreekt het kabinet uit dat het in 2050 (nagenoeg) afgelopen moet zijn met die fossiele energie.

Bovendien is de aanpak verrassend helder, gebaseerd op een drietal principes.

Ten eerste stelt de regering een helder einddoel: 80-95% CO2-reductie in 2050. Geen enthousiast gedoe over middelen (energiebesparing, elektrische auto’s etc.). Het maakt de regering niet uit hoe we het bereiken, als we dat ene doel maar bereiken. Dat geeft helderheid en ruimte voor alternatieve oplossingen.

Ten tweede wil de regering ruimte scheppen, stimuleren en met name innovatie bevorderen. En dat allemaal op een consistente wijze. De regering wil doorgaan met de SDE+-regeling. Juist het gebrek aan consistentie was een kenmerk van het Nederlandse beleid in het verleden.

Ten derde wordt er genormeerd en komen er verplichtingen. Gen vrijblijvendheid. Het is niet alleen duidelijk welk doel we willen bereiken, maar de regering zal niet nalaten ons in die richting te duwen. Zo wordt ook al ruimte gemaakt om woningen niet meer op het gasnet aan te sluiten.

Daarmee is een helder kader gegeven. Natuurlijk, ook ik denk op bijna elke pagina van de Energieagenda: dat had wel wat strenger gemogen. Je kan ook zeggen dat het bestaande gasnet over tien jaar niet meer wordt vernieuwd. Je kan ook CO2-belasting heffen. Je kan in het algemeen veel meer verplichtingen stellen, ook op de korte termijn. Maar Henk is nu eenmaal geen lid van GroenLinks en geen directeur van Urgenda.

Maar het doel wordt wel gesteld. En mocht dus over enige jaren blijken dat we te weinig voortgang maken, dan weten we precies aan welke knoppen we moeten draaien. En dat is de grote verdienste van Henk Kamp. Zijn opvolgers hoeven de knoppen alleen nog maar een beetje aan te draaien.

Niets is erger dan de #Elfstedentocht niet uit te rijden #NRC

januari 4, 2017 by  

Het is 4 januari! Het is 20 jaar geleden. De sportpagina’s van de NRC zijn geheel gewijd aan de Elfstedentocht van 1997. Ander sportnieuws is er niet. Hans Buddingh’ verhaalt van zijn tochten in 1985 en 1986. Uitgereden. En van zijn tocht in 1997. Niet uitgereden. Hij verhaalt over de domste beslissing van zijn leven. Dat hij aan het einde van de middag al had besloten om te stoppen. Hij was al in Ried, voorbij Franeker.

Zijn verhaal doet me denken aan die man die op die zondagmorgen na de Tocht der tochten in de trein naast me zat. Vanaf Leeuwarden tot Den Haag. Hij heeft me drie uur ondervraagd. Hoe het toch kwam dat ik hem wel had uitgereden en hij niet. Hoe vaak ik had getraind, hoeveel ik had gegeten op de avond tevoren, hoeveel ik had gedronken onderweg, op wat voor schaatsen ik had gereden (Viking Allround), wat voor kleren ik had gedragen, of ik met een lamp had gereden (je kan beter profiteren van de lampen van anderen), of ik op kop had gereden tussen Workum en Bolsward (je kan beter van een groepje profiteren). De man had al na één dag vreselijke wroeging. Waarom was hij zo dom geweest om hem niet uit te rijden? Hans Buddingh’ heeft nu al 20 jaar wroeging. En traint nog elk jaar om hem de volgende keer wel uit te rijden.

Eigenlijk was ik voorbestemd om hem ook niet uit te rijden. Een week eerder had ik de Hollands Venetië-tocht nog gereden. Bij Giethoorn. Zestig kilometer. Daarna was ik ziek geworden en lag me te verbijten in een vakantiehuisje. Op donderdag klonk het ‘It giet oan’ uit de mond van de legendarische Henk Kroes, zoals alles en iedereen rondom de Elfstedentocht legendarisch is. Ik lag in bed, te zweten onder te veel dekens. Mijn zus concludeerde dat ik niet zou rijden. Mijn vrouw was wijzer en zei: “Natuurlijk rijdt hij hem”.

Op vrijdag kocht ik nog extra kleren in een sportwinkel in Emmen. Of all places. En reed met de trein naar Leeuwarden. Mijn lidmaatschapskaart had ik als altijd bij me. Voor de tocht slikte ik mijn laatste antibiotica (‘Kuur afmaken”). Om 8:20 ging ik van start. Ik had mezelf wijsgemaakt dat ik zou rijden tot het donker zou invallen. Om in ieder geval de sfeer mee te maken. Mijn onderbewuste wist wel beter. En hield me bij de les. Ik wist dat ik in de loop van de middag één uur voorliep op mijn schema uit 1986. Ik was om 4 uur in Franeker. Ja, Hans jij was er om 15.55. Ik wist dat er maar één reden was waarom ik niet zou doorrijden: ik zag op tegen het donker. Om kwart over 5 was het inderdaad pikkedonker. Een erg slechte reden om te stoppen.

Vanaf dat moment wist ik dat ik het hing halen. Het feest in Bartlehiem, dat zelfs een lemma heeft in Wikipedia. De tocht door Birdaard. De triomftocht door Dokkum. Precies op het moment dat het Achtuurjournaal opende. De plek waar de ook al legendarische ‘Rudy uit Assen’ om 1 minuut over 11 hoorde dat het voor hem was afgelopen. Hij liet voor de TV-camera’s zijn tranen de vrije loop. Hij reed immers voor zijn zoon die over enkele weken geboren zou worden. Ik werd om 8 uur ruimschoots doorgelaten. Met de wind in de rug reed ik terug naar Bartlehiem. Dan moet je nog even tegen de krachtige wind in naar Oudkerk. En daarna zie je de TV-lichten bij de finish al. Genieten, genieten, genieten. Arme Hans, dat heb je allemaal gemist. Met die 5.091 die de finish niet hebben gehaald. En met de man die in de trein naast me zat. Ik beloof je, ik ga vanavond nog even trainen. Ik hoop dat je meedoet.

De mening van een wetenschapper is ook maar een mening

januari 3, 2017 by  

Wetenschap is niet ‘maar een mening’. Jose van Dijk en Wim Saarloos, respectievelijk president en vice-president van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, verwoorden het uitstekend in de NRC van 3 januari 2017. Ze verzetten zich terecht tegen de Trumpen en Wildersen van deze tijd, die feiten ondergeschikt maken aan hun eigen mening. Als ze niet te pas komen, worden ze door deze heren verdacht gemaakt en geridiculiseerd. Onder andere met het statement dat ‘wetenschap ook maar een mening is’. Dat past niet in een volwassen democratie, waarin beleid hoort te worden ontwikkeld op basis van feiten én overtuigingen. En waarin het debat op basis van feiten en overtuigingen moet worden gevoerd.

Maar Van Dijk en Saarloos vergeten één ding. Namelijk dat er ook veel wetenschappers zijn die een mening verkondigen alsof de feiten maar één antwoord toelaten. Of erger: alsof hun meningen de feiten zijn. Niet voor niets halen Van Dijk en Saarloos in hun fraaie tekst twee bekende voorbeelden aan: de vaccinatie en de klimaatverandering. Maar ze zijn wel zo slim om maar de helft van het verhaal te vertellen. Ze stellen dat het niet terecht is om de klimaatverandering af te doen als een mening. En ze stellen dat het niet terecht is om te suggereren dat vaccinatie kan leiden tot autisme. Daarin hebben ze helemaal gelijk. Maar de andere kant van het verhaal is dat wetenschappers publiekelijk pleiten voor een actief klimaatbeleid en dat wetenschappers publiekelijk, in de Gezondheidsraad en in de media, een bepaalde vaccinatie verdedigen. Alsof de feiten maar één conclusie toelaten.

Maar de feiten zeggen niet wat we moeten doen. Ook al leidt de klimaatverandering ertoe dat de wereld in 2050 vergaat (quod non), dan nog blijft het een normatief, politiek en dus buiten-wetenschappelijk standpunt dat we daar iets tegen moeten doen. Ook al is honderd keer bewezen dat vaccinatie niet tot autisme leidt, dan nog blijft het een normatief, politiek, buitenwetenschappelijk standpunt dat we wel moeten vaccineren. Of niet. Beter gezegd: het gaat hier niet om feiten maar om meningen. Van wetenschappers.

Ik licht dit graag toe. De KNAW heeft zich lange tijd afzijdig gehouden van het debat over de klimaatverandering. Tot het in 2011 blijkbaar genoeg was. De Academie bracht een rapport uit, bestaande uit drie delen. In het eerste deel werd aangegeven hoe wetenschap ‘werkt’, oftewel hoe de wetenschap tot waarheidsgetrouwe uitspraken komt. Helder en weinig verrassend. In het tweede deel werd ons uitgelegd dat de klimaatsceptici, gelet op de stand van de wetenschap, geen gelijk hadden. Helder en enigszins verrassend. Want waarom zou de KNAW moeten aangeven wie er gelijk heeft in de wetenschap? Dat doen we toch zelf in het wetenschappelijk ‘forum’, op onze congressen en in onze peer-reviewed tijdschriften? Maar het derde deel van het rapport was ronduit verbijsterend. Hierin stelde de KNAW dat de regering geen moment meer had te verliezen. De klimaatverandering moest zo snel mogelijk worden bestreden. Oké, ook dit normatieve standpunt is op zich een feit, maar geen feit dat in het wetenschappelijk forum op zijn waarheidsgehalte kan worden getoetst. Het is inderdaad gewoon een mening.

Wetenschap is niet ‘ook maar een mening’. Maar de mening van een wetenschapper is niet meer dan de mening van een ander. Als wetenschappers dat laatste vergeten, geven ze helaas zelf aanleiding voor het kwalijk afgeven op de wetenschap, wat in populistische kring zo gangbaar is. Daarmee ontneem ik wetenschappers geenszins het recht om zich in het publieke debat te mengen. Maar laten ze dat altijd doen uit het besef dat de feiten waarop ze zich baseren, ook andere politieke conclusies toelaten. Want feiten zeggen nooit wat we moeten doen. Daarvoor heb je ook een overtuiging nodig. En die overtuiging is per definitie buiten-wetenschappelijk.

 

Top 200 van de macht als bladvulling van @Volkskrant

december 17, 2016 by  

En daar hebben we hem weer: de top 200 van de macht van de Volkskrant. Ik heb lang meegedraaid in Den Haag en ik heb lang onderzoek gedaan naar macht. Maar deze top 200 is een kwaliteitskrant onwaardig. Natuurlijk, we herkennen allemaal veel mensen. Natuurlijk, de betrokkenen zullen het leuk vinden als ze een plaatsje zijn gestegen. Maar wat zouden we zeggen als het om de Top 200 van de macht van de Nieuwe Revue zou gaan? Ik vrees dat velen zich dan een beetje zouden generen als ze op zo’n lijst zouden staan.

Als wetenschapper is mijn conclusie: het is onzin.

Als wetenschapper weet ik ook dat het verschrikkelijk moeilijk is om vast te stellen wie ‘macht’ heeft. De Volkskrant beseft dat blijkbaar ook door verderop in de krant alleen over ‘invloed’ te spreken. Dat klinkt wat vriendelijker. Maar op de voorpagina wordt toch echt de Top 200 van de macht aangekondigd. Laten we eerst eens proberen om ‘macht’ te definiëren: macht is het vermogen om je zin te krijgen door iemand anders tegen zijn wil in iets te laten doen of besluiten. Er zijn vele varianten van deze definitie, maar de meeste politicologen zijn het er wel over eens dat het bij macht gaat om een vermogen (het is niet eenmalig), om je zin te krijgen (ze doen wat ik wil), tegen de zin van anderen in (je hebt pas macht als ze je ook je zin geven als ze dat eigenlijk niet zouden willen).

Maar hoe stellen we dan vast of iemand macht heeft? Daarover zijn de politicologen het niet eens. Aanvankelijk zocht men vooral naar de reputatie. Als anderen vinden dat ik macht heb, zal ik wel dat vermogen hebben etc. Maar heb ik dat vermogen etc dan ook werkelijk? Geen idee. Om die reden ging een volgende generatie politicologen aan de slag met het grondig analyseren van besluitvormingsprocessen. Interessant, een stap verder, maar als mensen nu eens anticiperen op mijn macht en om die reden al op voorhand mijn standpunt delen? En als over onderwerpen nu eens geen besluiten worden genomen? Dus ook die analyse van besluitvormingsprocessen zegt niet alles.

Toen kwam de gedachte op dat netwerken, zeg maar contacten, misschien wel iets zou zeggen over de verdeling van macht in een samenleving. Als iemand er dichtbij zit, is de kans toch groter dat hij iets te zeggen heeft. Maar ook die analyse vertoont grote gaten. Ten eerste betekent ‘er dichtbij zijn’ niet zonder meer: je zin krijgen. Nee, in feite zegt het eigenlijk niets. Ten tweede: we weten niet in welke netwerken de macht werkelijk wordt uitgeoefend. Zo onderzoekt de Volkskrant elk jaar wie in het bestuur van het Concertgebouw zit, alsof daar wordt besloten over het macro-economisch beleid of over de decentralisatie van de AWBZ.

Wat de Volkskrant precies doet is overigens niet duidelijk. Ik begrijp dat dit jaar één onderzoeker, Jeroen Hendriks, een lijst heeft opgesteld en dat de redactie daar een sappig verhaal bij heeft geschreven. Jeroen Hendriks baseert zich ten eerste op een netwerkanalyse. Vervolgens komt er een computermodel bij van pas, hetgeen de indruk wekt dat er echte wetenschap wordt bedreven. En ten slotte worden de uitkomsten van het onderzoek “bijgesteld na een journalistieke ‘reality check’ via vertrouwelijke gesprekken met prominenten uit de elite” (ja, ja, de eerder genoemde reputatiemethode!). Ten slotte worden Koning en Koningin, kabinet en Tweede-Kamerleden, buitenlandse bestuurders en niet bestuurlijke actieve rijke ondernemers (sic!) en opinieleiders uitgesloten. En zo komt Hans Wijers voor de derde maal bovenaan. En staat Wouter Bos als directeur van het VUmc tot zijn schrik dit keer op plaats 48.

Ik vond het eenmaal wel grappig. Maar bij de zoveelste keer denk ik: bladvulling. Ik stel voor dat de Volkskrant het onderzoek voortaan in de zomer publiceert. In de komkommertijd.

Volgende pagina »