Groeikernen: bijzondere stedebouw, weinig doorleefd

september 10, 2013 by  
Filed under De Stad

De onvermijdelijke suburbanisatie

De regering stond voor een enorme bouwopgave. De bevolking groeide hard, de welvaart nam toe en er moesten veel nieuwe huizen worden gebouwd. Het idee bestond dat er in de steden onvoldoende plek was, in ieder geval werd daar nauwelijks gebouwd. Het gevolg was een ongekende trek naar buiten. Er dreigde in de jaren 60 zelfs een ongecontroleerde suburbanisatie, een sprawl naar Nederlandse maat. En toen de stadsvernieuwing in de jaren 70 eindelijk ter hand werd genomen, nam het aantal woningen in de steden alleen nog maar verder af.

Groeikernen vormden het antwoord op de leegloop van de stad en het dreigende vollopen van het ommeland. Planologen spraken van de noodzaak van ‘gebundelde deconcentratie’. De leegloop van de steden moest worden gekanaliseerd, satellietsteden moesten de stedelijke leegloop opvangen. Aanvankelijk dacht men vooral aan satellietsteden aan de buitenkant van de Randstad, later kwamen ze ook midden in het Groene Hart terecht. Vanaf 1972 spraken we over ‘groeikernen’. Het begrip kwam het eerst voor in de Nota Volkshuisvesting uit dat jaar. Ondanks zijn populariteit was het geen lang leven beschoren. In de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening van 1988 kwam het woord al niet meer voor.

Alleen gemeenten die als zodanig waren aangewezen voor het Rijk waren een groeikern. Maar de dynamische klank zorgde ervoor dat ook andere gemeenten zich ‘groeikern’ gingen noemen. Gemeenten als Leidschendam en Vlaardingen, maar ook Hoogezand-Sappemeer. Tijdelijk kenden we ook nog ‘groeisteden’. Groningen, Zwolle, Breda en Helmond werden in de Verstedelijkingsnota uit 1976 (een onderdeel van de Derde Nota over de Ruimtelijke Ordening) als zodanig aangemerkt. Ook zij kregen de opdracht (en de middelen) om te groeien.

Effectief of succesvol

Gelet op het imago van steden als Spijkenisse, Purmerend, Capelle aan den IJssel, Lelystad en Zoetermeer is het nauwelijks voorstelbaar dat het nog maar enkele decennia geleden een grote eer was om als ‘groeikern’ te worden aangewezen. Hoewel veel mensen er naar grote tevredenheid wonen, wordt zowel door ‘echte’ stedelingen en door ‘echte’ plattelanders een beetje meewarig over dergelijke steden gesproken. Eenvormig, kleurloos en je kan er de weg niet vinden. Dat is ongeveer het beeld. Dat is niet terecht.

Laten we eerst vaststellen dat er een grootse prestatie is geleverd. Tussen 1970 en 1985 is het inwonertal van de 15 groeikernen met 446.000 personen toegenomen. Het hoogtepunt van de groeispurt van de groeikernen lag in 1980. Na 1980 nam de groei snel af, om de simpele reden dat de echte steden hun politieke koers drastisch hadden bijgesteld: in plaats van de ‘overloop’ naar de groeikernen te ondersteunen, wilden ze zelf weer groeien. Overigens met hele goede redenen. Niettemin zijn er in korte tijd onwaarschijnlijk veel woningen gebouwd. Het beleid is zonder meer effectief geweest. Of het ook succesvol is geweest, is een andere vraag.

Gelukkig verschijnen er de laatste tijd verschillende studies over de groeikernen, die het beeld kunnen inkleuren en kunnen nuanceren. Voor een weloverwogen oordeel is het nodig om de groeikernen vanuit verschillende perspectieven te bezien. Er is het ruimtelijk perspectief: heeft de gebundelde deconcentratie er inderdaad toe geleid dat de Nederlandse sprawl is voorkomen (zie het standaardwerk van Van der Cammen en De Klerk over Ruimtelijke ordening)? Er is het sociologisch perspectief: hoe gedijen die lokale samenlevingen nu de meeste groeikernen zijn volgroeid en hoe tevreden zijn de inwoners met hun buurt en hun huis (zie bijvoorbeeld de Atlas nieuwe steden van Arnold Reijndorp en anderen)? Er is het politieke perspectief: hoe komt het dat veel lokale partijen een grote stem hebben in de gemeentepolitiek van de voormalige groeikernen (mij nog geen goed overzicht bekend)? En er is het stedebouwkundige perspectief, simpel gezegd: hoe zien die nieuwe steden eruit? In deze blog ga ik alleen op die stedebouwkundige kant in, aan de hand van een interessant boek van Willem Jan Pantus: Groeikernen in Nederland; een studie naar stedebouw en architectuur. Het aardige van het boek is dat het vooral een overzicht biedt en geen keiharde conclusies. De auteur geeft de lezer de ruimte om zelf zijn conclusies te trekken. Laat ik hier een poging wagen.

Vele soorten groeikernen

De vijftien groeikernen hebben één ding gemeen: ze zijn door het Rijk als zodanig aangewezen. Terecht maakt Pantus een onderscheid tussen de new towns (Lelystad en Almere) en de andere groeikernen. Maar ook die andere groeikernen kennen stedebouwkundige een andere start. In feite is er sprake van een glijdende schaal. Aan het ene uiterste hebben we Lelystad en Almere, aan het andere de nieuwe buitenwijken van Alkmaar, Hoorn en Helmond. Vooral in Helmond krijgt de oude binnenstad een belangrijke impuls van de nieuwbouwwijken die onder de vlag van ‘groeikern’ worden gerealiseerd. Dat blijkt een onderscheidend criterium: wat gebeurt er met de oude dorpskern/stadskern onder invloed van de enorme uitbreidingen? In Huizen bijvoorbeeld concurreert het oude dorp met het nieuwe winkelcentrum. In Zoetermeer, Houten, Capelle aan den IJssel, Purmerend en Nieuwegein wordt het oude dorp als het ware ingekapseld en ingepakt in de nieuwbouw, en verliest het elke centrumfunctie, als daarvan al ooit sprake is geweest. In Spijkenisse vindt er zelfs kaalslag plaats in het oude dorp, in de hoop oud en nieuw beter met elkaar te integreren. Zonder succes overigens. Dus soms valt de groeikern geheel samen met de nieuwe stad; soms gaan oud en nieuw met elkaar concurreren; soms blijft naast de nieuwe stad het oude dorp verweesd achter en soms komt de oude stad versterkt uit de groeikernstatus van de buitenwijken te voorschijn.

Strikte authenticiteit leidt tot eenvormigheid

Daarmee zijn misschien ook wel de grootste verschillen tussen de groeikernen genoemd. En dat is eigenlijk heel opvallend, zeg maar: paradoxaal. Zoals Pantus beschrijft is de stedebouw van de groeikernen namelijk ‘strikt authentiek’. Hier geven stedebouwers hun visitekaartje af, bewoners spelen in de vormgeving van de groeikernen geen rol. Dat zou pas later gebeuren, na de eerste VINEX-golf, wanneer de jaren-dertig-woningen in het hele land uit de grond worden gestampt. Pantus lijkt dat geen verbetering te vinden. Daarnaast lijkt de omgeving in de stedebouw nauwelijks een rol te spelen. Hellevoetsluis heeft iets gedaan met de oude vestiging, Huizen heeft het Gooimeer een plek gegeven in het stedebouwkundig ontwerp. Maar voor het overige valt vooral op dat de locatie juist geen rol van betekenis speelde. Hoorn en Lelystad hebben aanvankelijk helemaal niets gedaan met Markermeer en IJsselmeer. Hetzelfde geldt voor Almere en het IJmeer. Hele wijken van Lelystad hadden in Haarlemmermeer kunnen worden gebouwd en de buitenwijken van Helmond hadden evengoed in Alkmaar kunnen terechtkomen. Veel wijken van groeikernen zijn in de praktijk volstrekt inwisselbaar. Het is het werk van de tekentafel dat overal kan worden verkocht.

Maar dat niet alleen. Wijken zijn niet alleen inwisselbaar, ze zijn ook volstrekt eenvormig. Blijkbaar werd er op al die tekentafels vooral hetzelfde getekend. Niet alleen hadden de wijken van Lelystad even goed in Haarlemmermeer kunnen worden opgetrokken, qua uiterlijk had het ook weinig uitgemaakt. Haarlemmermeer zou er niet anders hebben uitgezien als de tekeningen van Lelystad per ongeluk naar Hoofddorp waren opgestuurd. Zie ook al die winkelcentra, die zo op elkaar lijken. Spijkenisse Kopspijker, Alkmaar de Mare, Almere Centrum, Capelle ad IJssel Koperwijk, Hellevoetsluis Struytse Hoek, Zoetermeer Stadshart. Je waant je overal op dezelfde plek, en niet alleen vanwege de bekende winkelketens. Nee, het zijn overal dezelfde overdekte passages, met dezelfde vrolijke ingang en allemaal al snel met een armoedige uitstraling. Zoals ook in veel groeikernen (verkeerde) zuinigheid heeft geleid tot de bouw van een armoedig nieuw gemeentehuis. De nieuwe gemeentehuizen van Haarlemmermeer en Huizen zijn in dat opzicht het toonbeeld van een gemiste kans.

Dat staat nogal haaks op de conclusie van Pantus dat de stedebouw van de groeikernen ‘strikt authentiek’ is. Nee, blijkbaar hebben al die verschillende stedebouwers overal bijna allemaal hetzelfde gedaan. Strikte authenticiteit leidt hier vooral tot eenvormigheid. Vergelijk dat eens met het Oostelijk Havengebied en de IJ-oevers in Amsterdam, waar juist een poging is gedaan om in aansluiting op het bestaande de stad meerwaarde te bieden. Is dat de reden waarom al de nieuwe ‘stadsharten’ in de groeikernen maar niet willen kloppen? Niet de plek en de mensen zijn het uitgangspunt geweest, maar de beperkte creativiteit van de stedebouwer.

Strikte authenticiteit kent wel modes

Die strikte authenticiteit van die stedebouwers was overigens wel aan modes onderhevig. En zoals het met modes hoort te gaan: de stedebouw maakte in alle groeikernen dezelfde ontwikkelingsgang door. Dus ‘strikt authentiek’, maar alle nieuwe trends en modes moeten wel worden gevolgd. Daardoor laten de groeikernen ons een prachtige staalkaart van de geschiedenis van de stedebouw van de tweede helft van de 20e eeuw zien. In Lelystad stond Van Eesteren nog aan de basis van de plannen. Er werd uiteindelijk gekozen voor een functionalistische gridstructuur met vrijliggende fietspaden. Ook Spijkenisse was in aanvang schatplichtig aan CIAM: ruim opgezette woonwijken, doorgaande stroken van galerijflats en rijtjeswoningen strak in het gelid, langs orthogonale stratenplannen. Purmerend kende zijn functionalistische flats van Groosman, Zoetermeer de geknikte galerijflats van Van Eesteren en een stadsplattegrond van Van Emden. Het was de tijd van de Bijlmer, en heel Nederland moest en zou Bijlmerflats krijgen.

Almere kwam een decennium later van de grond. Hier werd gekozen voor een vlekkenplan en de eerste vlek, Almere Haven, werd geteisterd (ja, geen neutrale connotatie) door de periode van de nieuwe truttigheid. Er kwam een namaak-grachtje met namaak-grachtenhuizen. Nadrukkelijk werd afstand genomen van de functionalistische benadering. Le Corbusier leek even helemaal vergeten. De auto stond niet meer centraal, maar de intimiteit. Het was het startsein voor de bouw van ‘bloemkoolwijken’, met woonerven, waar je je auto kwijt kon, als je de weg kwijt was. Niet meer de bereikbaarheid was het streven, maar de onbereikbaarheid.

En ook de bloemkoolwijken kregen weer hun opvolgers. Niet alleen in de groeikernen, maar in het hele land. Wel bieden de groeikernen een welhaast museaal overzicht van de geschiedenis van de stedebouw. Dat geldt het meest voor Zoetermeer, dat niet alleen al aan het bouwen was voordat het tot groeikern werd aangewezen, maar ook in de fase van de VINEX nog fors is doorgegaan met de stadsuitleg. Met reden bracht Zoetermeer enige jaren geleden het boek ‘De gave stad’ uit, waarin de stad werd gepresenteerd als staalkaart van de stedebouw van de tweede helft van de 20e eeuw.

En hier stuiten we op een andere paradox. Eerst zagen we al dat ‘strikte authenticiteit’ vooral heeft geleid tot eenvormigheid. De tweede paradox lijkt nog treffender: juist het gebrek aan historisch besef heeft geleid tot een prachtig historisch overzicht van de recente stedebouw. Omdat zo weinig aandacht is besteed aan de voor Nederland kenmerkende principes van stedebouw, konden de stedebouwkundige modes onverdund worden gevolgd.

Maar dat heeft een keerzijde. In de groeikernen zijn de historie van de Nederlandse stedebouw en de historie van de plek nauwelijks te herkennen. Dat heeft het bizarre effect dat veel woonwijken uit de groeikernen alweer gedateerd zijn, iets wat we van de historische centra van de oude Nederlandse steden nooit zullen zeggen. En dat is nu juist het kenmerkende verschil tussen groeikernen en de oude binnensteden. In de eerste zijn nieuwe stedebouwkundige regels uitgeprobeerd (en blijkbaar afgekeurd), in de tweede zijn eeuwenoude principes steeds weer aan nieuwe omstandigheden aangepast. Experimentele stedebouw staat hier tegenover doorleefde stedebouw. De stedebouwkundige plannen voor de groeikernen zijn inderdaad wel erg origineel, maar ook weinig doorleefd.

Tegenbewegingen

Het is dan ook niet verrassend dat na de eeuwwisseling een tegenbeweging op gang is gekomen. De huidige bezoeker van groeikernen wordt steeds vaker verrast door opvallende architectuur. In Almere Centrum zijn Koolhaas, SANAA, Van Dongen en Van Zuuk actief en succesvol geweest. In Lelystad hebben Van Egeraat, Van Zuuk en Mastenbroek gebouwd aan een hele nieuwe Zilverparkkade. Calatrava heeft drie bruggen gebouwd in Haarlemmermeer. Van Huut een theater in Hoorn, Van Berkel een theater in Lelystad. In Spijkenisse heeft Sjoerd Soeters een nieuw winkelcentrum ontworpen, Ben van Berkel (alweer) een nieuw theater en MVRDV een nieuwe bibliotheek. Spijkenisse afficheert zich inmiddels zelf als een ‘stad met hernieuwde ambities’. Toch is het de vraag of grote architecten het gebrek aan doorleefde stedebouw kunnen goedmaken.

Ook anderszins maken de groeikernen momenteel veranderingen door: er wordt alweer gesloopt. In Nieuwegein, in Lelystad gaan hele straten tegen de grond. In Zoetermeer is het prachtige Meerzicht van Alberts geamoveerd. Het stemt treurig, het is zo vergankelijk, het is zo weinig duurzaam. Al wijken de groeikernen hier niet af van de uitbreidingswijken die in andere steden in dezelfde tijd zijn gebouwd. Van de oorspronkelijke Bijlmermeer is ook nog maar weinig over.

Het zou ook hoopvol kunnen stemmen. Juist door her en der te slopen en door interessante nieuwe bouwwerken toe te voegen, zou een echte stad kunnen ontstaan. De eenvormigheid zou kunnen worden doorbroken. Er zouden inderdaad steden met ‘hernieuwde ambities’ kunnen ontstaan. Zou op die manier iets van organische stedelijke ontwikkeling tot stand kunnen worden gebracht? Wellicht. Al vergt organische stedebouw meer dan het slopen van slechte delen en het toevoegen van nieuwe woningen. Organische stedebouw vraagt nu juist een plan, een overtuigend verhaal, waarbinnen al die kleine veranderingen een plek kunnen krijgen. Het kenmerkende van de groeikernen is dat dat eenduidige verhaal er niet is. Neo-truttigheid is soms maar een paar straten verwijderd van functionalisme. En ook daarin staan de groeikernen niet alleen. De historische steden van Nederland kennen hun structurerende principes heel goed. Maar daar waar de historie is weggeslagen, zoals in het centrum van Rotterdam en in delen van Utrecht (Hoog Catharijne) en Den Haag (Spuiplein), is de zoektocht naar nieuwe masterplannen even ingewikkeld als in veel groeikernen het geval is. En waar de structurerende principes ontbreken, zal het organisch groeien vermoedelijk nergens toe leiden.

Comments

4 Comments on "Groeikernen: bijzondere stedebouw, weinig doorleefd"

  1. Jeroen Louis on di, 10th sep 2013 12:12 

    ‘En dat is nu juist het kenmerkende verschil tussen groeikernen en de oude binnensteden. In de eerste zijn nieuwe stedebouwkundige regels uitgeprobeerd (en blijkbaar afgekeurd), in de tweede zijn eeuwenoude principes steeds weer aan nieuwe omstandigheden aangepast. Experimentele stedebouw staat hier tegenover doorleefde stedebouw.’

    Is het ook niet zo dat de groeikernen te veel bedacht zijn? Gepland en ontworpen door deskundigen, op grote schaal, zonder oog voor de menselijke maat? De maakbare stad?

    Terwijl de historische kernen juist niet vanaf een bouwtekening zijn ontstaan, maar eerder organisch, stukje bij beetje? En dat juist het ‘rommelige’ van zo’n minder gecontroleerd totstandgekomen ons aanspreekt (weer vanwege die menselijke maat)?

    Als dat zo is, komt het heil ook niet van beroemde architecten met hun grote projecten, want zij werken vaak (samen met de overheid) nog steeds vanuit die maakbaarheidsgedachte.

    Misschien minder controle en beheersing in de stedenbouw en meer laissez-faire?

  2. Wim Derksen on di, 10th sep 2013 12:15 

    Ik ben het voor een groot deel met je eens. Maar ‘organisch’ is niet hetzelde als laissez-faire. Achter al die prachtige Nederlandse steden (en dorpen!) gaan boeiende stedebouwkundige regels schuil. Vaak informele regels, maar daarom niet minder dwingend.

  3. Anoniem on di, 17th sep 2013 15:13 

    Boeiend betoog, Wim.
    M.i. is het de combinatie van ideologie en een regelsysteem dat het bij ons meer dan elders mogelijk maakte de ideologie daadwerkelijk vorm te geven, die verantwoordelijk is voor de ‘modes’. Maakbaarheid was in Nederland tussen 1960 en 1985 geen ‘gedachte’, maar een realiteit.
    Overigens valt het volgens mij wel mee. We hebben erg lang geloofd in het modernistische stempelwijken. Daarna hebben we woonerfwijken gebouwd. Je schetst een amechtige opeenvolging van stedenbouwkundige stijlen, maar volgens mij hebben we het met deze twee typologiën zo’n 25 jaar lang gedaan. Er gingen even monomane stijlen (Berlagiaanse gesloten bouwblokken en tuinstadtypologiën van Howard) aan vooraf, en wat opvalt is dat nu juist de Vinex-opvolger veel minder als stijl grijpbaar is: daar wisselt Brandevoort met de ruinewoningen van Kattenbroek, en staan Soeters’ kastelen tegenover de Stad van de Zon of de ADHD-typologie van Leidsche Rijn.
    Het is onjuist dat de mens in die na-oorlogse groeikern-stedenbouw niet centraal stond: het is juist een overenthousiast en optimistisch mensbeeld, dat verantwoordelijk was voor de bijlmer-debacles. (of bedoel je: over u maar zonder u – dan ben ik het eens, want bevoogdend was Van Eesteren cs natuurlijk wel)
    Ik geloof dat het grootste probleem van de na-oorlogse stedenbouw – of breder: ruimtelijke ordening – het denken in functiescheiding is geweest. De eenvormigheid van de groeikernen is daaraan te wijten, en die verklaart ook het contrast met de multifunctionele oude wijken, en de aanpasbaarheid daarvan aan nieuwe wensen en functies.
    De Wro heeft die monofunctionaliteit tot uitgangspunt genomen: één functie per plek, het bestemmingsplan kende niet anders en de dubbelbestemmingen van tegenwoordig zijn een ingewikkelde manier die fundamentele fout uit de Wro te omzeilen. De omgevingswet biedt wat dat betreft meer perspectief, omdat die onderkent dat elke ingreep een integrale afweging vergt.
    Je andere conclusie, de miskenning in de groeikernen van de potentie van de locatie, van de bestaande identiteit van de plek onderschrijf ik wel, dat wil zeggen: indien de locale identiteit was onderkend, waren de verschillen groter geweest. Toch is de aandacht voor lokale identiteit ook een modegril: in Amsterdam is het stratenpatroon van de jordaan wel, de grachtengordel niet gebaseerd op de topografische ondergrond, met de onhandige hoekverdraaiingen die daarvan het gevolg zijn. Ik bedoel te zeggen: de organisch gegroeide steden, met hun impliciete wetten, zijn niet geënt op de identiteit van de plek, maar zo gegroeid als noodgedwongen aanpassing aan bestaande watersystemen, infrastructuur, grondsoorten, het voorhanden bouwmateriaal etc: de lagenbenadering die pas vijftien jaar geleden is “herontdekt” als alternatief voor opgespoten nieuwbouwwijken.

  4. Ellen Smits on wo, 4th feb 2015 15:49 

    Over Zoetermeer gesproken. De stadsplanoloog Van Emden had weinig op met de authentieke inwoners van Zoetermeer. Ons erfgoed tegen de vlakte. Zo zijn er mooie gebouwen vernietigd. Er heeft vast iemand steekpenningen in zijn zak gestoken. Tegenwoordig zouden de mensenrechten deze zaken verbieden. Huizen afbreken terwijl er drie meter verder op in het rijtje nog mensen wonen. Zelfs de plattelandsvrouwenvereniging uit de jaren 60 in Zoetermeer voerden actie om mensen uit hun huis te verjagen. Schande. Land opkopen voor weinig en verkopen voor veel geld. En tja, tot slot, wie laat er nu een trein door zijn dorp rijden in plaats van een tram? Nergens in Nederland. Alleen in Zoetermeer. Totaal van de pot gerukt.

    Van Emden is later op een zijspoor gezet, toen bleek dat hij de hele Voorweg wilde laten platwalsen. Hoezo mensenrechten.

Tell us what you're thinking...
and oh, if you want a pic to show with your comment, go get a gravatar!