Over segregatie in de steden van @Platform31

februari 25, 2014 by  
Filed under artikel, De Stad

Soort zoekt soort. Zo luidt de titel van een rapport dat Platform31 in samenwerking met de VU heeft uitgebracht. Het rapport is een bundel; een bundel van artikelen van verschillende auteurs. Dat heeft altijd een groot gevaar: welke conclusie moeten we nu uit al die stukjes trekken? Ik geef toe: voor de leesbaarheid is het aantrekkelijk. Veel korte stukjes van veel leuke auteurs met veel foto’s en plaatjes. Maar als wetenschapper zou ik willen weten wat ik na lezing meer weet dan ervoor. Op dat punt had het rapport aan scherpte kunnen winnen.

Soort zoekt soort. Dat is niet nieuw. Maar de scheidslijnen zijn wel aan het veranderen. Speelde vroeger religie een grotere rol bij de ‘ruimtelijke uitsortering’, tegenwoordig gaat het vooral om opleiding en daaraan gekoppeld inkomen. De hoger-opgeleiden treffen elkaar steeds meer in de steden, en binnen de steden in bepaalde wijken. Zoals er andere wijken zijn waar de migranten hun eerste schrede op de Nederlandse maatschappelijke ladder zetten. En wijken waar autochtonen naar alle waarschijnlijkheid nooit meer een kans zullen krijgen.

Ruimtelijke economen leren ons dat de eerste clustering positief is voor de samenleving. Clustering van talent, van hoge opleidingen, van creativiteit is goed voor de economische groei. Ondanks het bestaan van allerlei virtuele gemeenschappen, is het face-to-face-contact vaak cruciaal voor de echte innovatie. En innovaties zorgen voor een verhoging van de arbeidsproductiviteit en die zorgt op zich weer voor een hoger BNP.

Je zou zeggen dat clustering aan de onderkant ook voordelen heeft. Voor migranten is het van belang om aansluiting te krijgen bij hun eigen netwerk (voor een deel familie). Dat netwerk zorgt soms voor informeel werk en kan nieuwkomers  op gang helpen. Saunders heeft daarover mooi geschreven in zijn boek over the arrival cities en over arrival neigbourhoods. Aan de andere kant is denkbaar dat juist de cumulatie van problemen in achterstandswijken de kansen voor de bewoners om maatschappelijk te slagen kleiner maken. In de wetenschap spreken we in dit verband over het buurteffect. Veel beleidsmakers zijn overtuigd van het bestaan van dit effect van de buurt op de kansen van hun bewoners. Daarom is het beleid er vaak op gericht om wijken op te knappen.

Helaas voor hen, voor het buurteffect ontbreekt nog steeds overtuigend bewijs. Jaco Dagevos mag in dit rapport nogmaals aantonen dat allochtonen meer contact hebben met autochtonen, naarmate er meer autochtonen in hun wijk wonen, maar daarmee is nog niet bewezen dat hun maatschappelijke kansen door dat contact ook daadwerkelijk worden vergroot (nog afgezien van de evidentie van het onderzoeksresultaat). Maarten van Ham wijst hier terecht op een ander effect: het selectieeffect. Veel mensen wonen in achterstandswijken omdat ze werkloos zijn en in armoede leven. Natuurlijk is er een relatie tussen werkloosheid en achterstandswijken. Maar daarmee nog niet meteen een causale relatie. En als die causale relatie zou bestaan, zou die wel eens omgekeerd kunnen zijn aan hetgeen veel beleidsmakers denken: omdat ik werkloos ben woon ik in een achterstandswijk.

Die conclusie is niet nieuw. Maar haalt wel het fundament weg onder het mengen van wijken. Ik volg het heldere stuk van Van Ham in de bundel. Hij stelt dat het ‘opzettelijk mengen’ van wijken door sociale huurwoningen te slopen en te vervangen door duurdere koopwoningen geen positieve effecten heeft op de sociale stijging van de oorspronkelijke bewoners. ‘Mengen om daarmee sociale stijging te bereiken, is daarom onzin.’ Als je de wijk wilt veranderen, heeft het vervangen van sociale huurwoningen door duurdere koopwoningen vanzelfsprekend wel zin, schrijft Van Ham. Daarmee zal het percentage werklozen in de wijk duidelijk afnemen. Maar niet omdat de oorspronkelijke bewoners een baan krijgen, maar omdat ze vertrekken naar een andere achterstandswijk, waar nog wel plek voor hen is. Waarmee ze ook nog eens hun sociale netwerk kwijt raken. Spreiden is dus symptoombestrijding. Van Ham concludeert: ‘Concentraties van armoede zijn een symptoom van ongelijkheid en het gevolg van armoede, niet de oorzaak. Om deze ongelijkheid aan te pakken en de sociale mobiliteit te bevorderen zijn niet investeringen in buurten nodig, maar voornamelijk investeringen in scholing en opleiding.’

Is dit ook de conclusie van het boek? De redacteuren trekken inderdaad in het slothoofdstuk dezelfde conclusie: inzetten op scholing is beter dan het aanpakken van probleemwijken. Dat lijkt me een ongemakkelijk waarheid. Het is dan ook jammer dat deze conclusie zodanig in de slotbeschouwing verpakt zit, dat alle kans wordt geboden om erover heen te lezen.

Comments

Tell us what you're thinking...
and oh, if you want a pic to show with your comment, go get a gravatar!