De toekomst van de stad – advies van de RLi

mei 1, 2014 by  
Filed under De Stad

De Raad voor de Leefomgeving en infrastructuur heeft een kloek rapport afgeleverd over de toekomst van de stad. Er ligt een uitgebreide studie aan ten grondslag. Veel literatuur is geraadpleegd, vele deskundigen zijn gesproken. Het siert de RLi dat zoveel werk is gemaakt van dit belangrijke onderwerp. Het rapport valt in twee delen uiteen: het advies en de analyse. Eerst iets over de analyse.

In de analyse worden vier opgaven voor de stad onderscheiden: het versterken en verbinden van economie en kennis, het vergroten van de connectiviteit van de steden, de transformatie van de gebouwde omgeving en de verbetering van openbare ruimte en publiek domein. Daarnaast wordt een paragraaf gewijd aan het onderwerp zelforganisatie. Dat is een tamelijk bekend lijstje. Het is het lijstje van ‘de triomf van de stad’. Steden doen het steeds beter door een concentratie van kennis en economie. Maar toch is het lijstje opgaven ook verrassend. Ik mis de schaduwzijde van de ‘triomf van de stad’ namelijk geheel. Niets over Amsterdam-buiten-de-ring, niets over Rotterdam-Zuid, niets over Heerlen of Enschede. Terwijl de triomf van de stad niet alleen aan bepaalde steden voorbij gaat, maar ook aan hele bevolkingsgroepen. Misschien nog opvallender is het ontbreken van elke gedachte over duurzaamheid, energieneutraliteit, luchtkwaliteit en dergelijke. En ten slotte ontbreekt de notie dat veel steden nog aanzienlijk zullen groeien in de komende decennia. Terwijl het hier toch gaat over ‘de toekomst van de stad’. Ik geef toe: dat onderwerp is ook wel heel breed.

Hoe belangrijk de onderliggende analyse ook is, het gaat bij een adviesorgaan uiteindelijk om het advies. Ik vat het advies kort samen.

De RLi ziet veel kansen voor ‘zelforganisatie’: maatschappelijke initiatieven. De overheid moet meer belemmeringen voor dergelijke initiatieven wegnemen. De maatschappelijke verschillen die het gevolg van zelforganisatie kunnen zijn moeten deels worden geaccepteerd (waar de buurtbibliotheek komt is immers afhankelijk van het maatschappelijke initiatief).

Daarnaast moet de complementariteit tussen en binnen stedelijke regio’s door nationale en lokale overheden worden versterkt. Het Rijk moet om die reden het topsectorenbeleid een ruimtelijk accent geven en de steden moeten meer investeren in hun eigen identiteit en kracht en waar nodig lenen van de buren. Vooral nieuwe infrastructuur moet de complementariteit van de steden vergroten.

Vervolgens moet de overheid zich meer richten op de transformatie van het bestaande. De tijden van grote nieuwbouw liggen achter ons. Gemeenten moeten hun grondposities afwaarderen. Dat dit voor jaren ten koste zal gaan van de gemeentelijke begroting wordt daarbij niet vermeld.

En ten slotte is een goed bestuur van de stad een vereiste, dat zowel robuust als veerkrachtig is. Overigens kunnen we dat laatste iedereen toewensen. Goed bestuur houdt onder andere in dat wordt ingezet op goede samenwerkingsrelaties. ‘Regionaal samenwerkende gemeenten zijn de dragers van de toekomst’. Gemeenten kunnen op dit punt al veel, maar het instellen van een regiofonds kan een extra stimulans zijn. Het gaat hier niet alleen om de schaal van het stadsgewest (centrumgemeente en randgemeenten), maar ook om de schaal van Rotterdam-Den Haag en Amsterdam-Utrecht. Samenwerking tussen Amsterdam en Eindhoven is een stap te ver.

Rest de vraag: wat moeten we ervan vinden? Nogmaals, het is goed dat de RLi dit grote onderwerp ter hand heeft genomen. Het is ook goed dat adviesorganen nieuwe kennis voor het beleid duiden en van richting voorzien. Ik zie ook dat, zoals gezegd, de analyse wat beperkt was en dat die inperking (of moet ik zeggen: verschraling) zich in de aanbevelingen nadrukkelijk voortzet. Zeker als we bedenken dat dit advies niet alleen in Den Haag zal worden gelezen, maar ook in de steden. De steden moeten meer samenwerken en meer ruimte geven aan zelforganisatie. Ik vrees dat dat de belangrijkste conclusies zijn die na lezing van de soms wat wollige teksten zullen overblijven.

Daarnaast zijn beide aanbevelingen niet overtuigend onderbouwd. Ten aanzien van de samenwerking wordt verwezen naar een begrip dat je tegenwoordig in elk debat wel een paar keer tegenkomt: borrowed size. Simpel: de Nederlandse steden zijn qua schaal en dichtheid te klein om met London en Parijs te kunnen concurreren. In de Randstad wonen wel ongeveer evenveel mensen, maar ze wonen te gefragmenteerd. Volgens economen kost dat de Randstad 18% aan functies, wat dat ook mag betekenen. Ik geloof dat graag, hoewel ik me altijd wel verbaas over de hoge positie van Nederland als land op tal van economische lijstjes. Zou het ook kunnen zijn dat de concurrentie tussen onze steden Nederland internationaal groot maakt of dat andere dingen dan schaal en dichtheid een misschien wel even grote rol spelen?

Bovendien: ik begrijp dat hele begrip borrowed size nog steeds niet helemaal. Moet ik nu begrijpen dat Den Haag internationaal te klein is (overigens niet te klein om al meer dan 80 internationale organisaties naar binnen te halen!) en om die reden meer van de Rotterdamse schaal zou moeten profiteren? En hoe moet ik me dat profiteren dan voorstellen? Ik weet dat het in de stedelijke economie gaat om agglomeratievoordelen. De stad heeft meer te bieden dan het platteland omdat de dichtheid een groter afzetgebied garandeert en een grotere en interessantere arbeidsmarkt; en omdat dichtheid leidt tot meer contacten en contacten leiden tot innovaties. Maar als de mensen uit Rotterdam nauwelijks in Den Haag werken en omgekeerd al helemaal niet het geval is, nemen de agglomeratievoordelen niet toe als we doen alsof die twee steden voortaan één stad zijn.

Het doet men denken aan het wilde plan om de universiteiten van Rotterdam, Delft en Leiden samen te voegen. Dan zouden we inderdaad enorm stijgen op de internationale lijstjes. Maar het onderzoek en het onderwijs zouden er op zich geen snars beter van worden. Tenzij we de dichtheid zouden vergroten door afdelingen van de ene universiteit met afdelingen van de andere samen te voegen. Helaas voeg je de steden Rotterdam en Den Haag niet zo gemakkelijk samen.

De arbeidsmarkten van Rotterdam en Den Haag kunnen elkaar alleen versterken als we de verbindingen, infrastructuur én vervoer, verbeteren. Pas op dat moment wordt het aantrekkelijker om van de ene naar de andere stad te forensen. En wordt de overlap tussen de arbeidsmarkten van beide steden groter. En kan Den Haag dus meer van de Rotterdamse beroepsbevolking profiteren en omgekeerd. Conclusie: regionale samenwerking kan nooit kwaad, bijvoorbeeld om de verbindingen te verbeteren. Maar samenwerking op zich zal weinig effect hebben, als onduidelijk is welke instrumenten voor agglomeratievorming daarmee voorhanden komen.

Ook bij het begrip zelforganisatie valt nog wel iets meer op te merken. Zo maakt het mij wat argwanend dat alle studies over zelforganisatie beginnen of eindigen met die ene buurtbibliotheek in Rotterdam-West. Een prachtig initiatief, maar hoe vaak komt het nu werkelijk voor dat de samenleving taken op zich neemt die door de overheid zijn afgestoten? In Den Haag zijn 6 van de 18 bibliotheekfilialen gesloten. Ik geloof niet dat er ook maar ergens een nieuwe bibliotheek door buurtbewoners is ingericht. Bovendien kom ik zelforganisatie te veel tegen in de Haagse Vogelwijk en te weinig in Transvaal, waar zelforganisatie veel eerder staat voor eigen richting.

Daarnaast wordt het hoog tijd voor een vertoog-analyse van het woord ‘zelforganisatie’. Is het iets wat burgers graag willen of is het juist iets wat de overheid de laatste jaren voorstaat, omdat er fors moet worden bezuinigd? Of wordt zelforganisatie vooral toegejuicht door wat progressievere ambtenaren die onder een rechtse minister of wethouder een paar pilaartjes van de verzorgingsstaat moeten afbreken? Of is het een nieuw en verfrissend inzicht dat een stad niet door een het stadsbestuur wordt gemaakt? En hoe waar is die laatste gedachte? Inderdaad, ik word een beetje kriegel van al die pleidooien voor zelforganisatie.

Tot slot proef ik een zekere tegenstrijdigheid in het rapport. Bij de regionale samenwerking lijkt de RLi de betekenis van de overheidssturing nogal te overschatten, alsof alleen het oprichten van een Metropoolregio Rotterdam-Den Haag al tot agglomeratievoordelen zal leiden. Tegelijkertijd wordt in het hoofdstuk over de zelforganisatie juist gepleit om aan te sluiten bij maatschappelijke initiatieven. Een systeemoplossing met weinig perspectief versus aansluiten bij de leefwereld van de burgers. Een opvallende combi.

 

Comments

Tell us what you're thinking...
and oh, if you want a pic to show with your comment, go get a gravatar!