De fagot en de trukendoos

december 11, 2014 by  
Filed under artikel, fagot

Vorige week knapte er weer een snaar op mijn cello. Na twee jaar ben ik dan nog geheel onthand. Ik bezit geen reserve-snaren, en ben al gauw bang een volgende snaar te strak te spannen met hetzelfde gevolg. Het doet me weer even beseffen dat ik fagottist ben. Gewoon fagottist. En dat ik dat met liefde ben. Die fagot is na al die jaren een onderdeel van mezelf. Wij houden van elkaar, wij liefkozen elkaar soms, we houden elkaar altijd in de gaten en we kennen elkaar door en door. Als ik mijn geklungel met die cello zie, dan besef ik dat fagot-spelen ook één grote trukendoos is, die je pas na jaren een beetje beheerst. Zoals dat voor cello-spelen natuurlijk net zo is.

Het leuke is dat die trukendoos niet alleen in de loop der jaren steeds voller wordt omdat je leert, maar ook omdat er steeds weer nieuwe dingen worden bedacht. Toen ik mijn eerste les kreeg bij Fred Gaasterland, broer van Peter, was er nog geen beensteun. Op les speelden we staand en we droegen de fagot met een simpele band om onze nek. Pas in de tijd dat ik les had van Maarten Vonk kwamen de eerste beensteunen op de markt. Henk de Wit verkocht ze. Ik ging naar hem toe en genoot een middag van zijn huis, terwijl hij de beensteun op mijn fagot monteerde. Ik speelde er een aantal jaren mee, maar voelde me altijd gehinderd door dat ding. Ik heb daarna allerlei tuigjes geprobeerd, die inderdaad als tuigje voelden. Beperkend en belemmerend. Nu speel ik al weer jaren met een zachte nekband van een saxofoon.

Maarten Vonk leerde me ook een andere truc. Jaren had ik alle noten met een ’t’, dus met de tong aangezet. Dat was de regel. Ergens in de jaren 80 ontstond de gewoonte om de hogere noten zonder ’t’ en op ademsteun aan te zetten. De inzet wordt egaler en klank van de noot mooier en, bovendien, het dwingt je om je ademsteun op orde te hebben.

Ronald Karten leerde me een simpel trucje om om te gaan met het water in je es. Voor elke inzet blaas je met een korte ademstoot het water uit je es. Vanzelfsprekend blaas je zo zacht, dat het riet niet aanspreekt. Je vingers vormen al de greep van de volgende noot. Ook hier is het voordeel dat je ademsteun wordt gestimuleerd. Het belangrijkste is dat je nooit meer last hebt van dat vreselijke tikken van het water in je fagot. Omdat mijn buurman in het orkest veel last heeft van water, realiseerde ik me laatst dat ik blijkbaar al jaren voor elke inzet dit routinegebaar maak. Zonder dat ik het nog merk.

De Fagot is ook een prachtig blad voor uitbreiding van je trukendoos. Of om je weer bewust te worden van je trucs. Zo las ik in één van de artikelen over Brian Pollard dat Brian erop stond dat je de glijklep gebruikt bij de middel A. Toen ik het wilde uitproberen bleek dat ik dat altijd al deed. Zal Ronald me wel hebben geleerd, of Maarten of Fred.

En in het laatste nummer van De Fagot stond een mooi verhaal over lefreQue. Maarten Vonk had me al overgehaald. Voor een mooi bedrag verkocht hij me twee simpele gebogen zilveren plaatjes, die voorkómen dat niet te veel geluidstrillingen in het kurk van je fagot blijven steken. Zo verbinden ze mijn es met de vleugel rechtstreeks en worden dan ook mooi ‘klankbrug’ genoemd in het artikel in De Fagot. Het is het zoveelste trucje om een beter geluid uit mijn fagot te krijgen. Want het helpt inderdaad. De klank wordt voller en, ik heb het gevoel, ook egaler. Er is ook een nadeel. De fagot voelt stugger in mijn geval. Vooral het vibrato gaat minder automatisch. Nou heeft mijn oude Heckel toch al neiging om in het begin wat terughoudend te zijn. Ja, hij lijkt erg op mijn hond. En begint hij pas te gloeien na een kwartiertje spelen. En vooral als ik wat vaker studeer. Want laat dat duidelijk zijn, die trukendoos heb je nodig, maar je komt toch het verst als je elke dag lange noten blaast.

Comments

Tell us what you're thinking...
and oh, if you want a pic to show with your comment, go get a gravatar!