Zef Hemel als kind van Amsterdam @ZefHemel

februari 22, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

 

Gesprek met Zef Hemel

Zef Hemel schreef een mooi boek over ‘de toekomst van de stad’. Het is een informatief boek, het staat vol met mooie verhalen. Het is een heel rijk boek. Het geeft een mooi beeld van het ontstaan van steden. Het is ook een bevlogen boek. Hemel meent dat Amsterdam veel harder zou moeten groeien. In de pers sprak Zef Hemel zelfs over 2 miljoen inwoners. Ik noem dat een romantisch ideaal, omdat het wetenschappelijk bewijs voor die 2 miljoen inwoners ontbreekt. Ik schreef dan ook al tweemaal een kritische blog over Zef en zijn boek.

Maar tegelijkertijd is ook waar dat je met straffe significantieniveaus geen stad maakt. Voor de ontwikkeling van een stad heb je een ziener nodig. Van een ziener valt alleen achteraf vast te stellen dat hij er geheel naast zat. En Zef is vooral een ziener. Dat waardeer ik en om die reden ben ik met hem gaan praten.

Drenthe

Zef en ik zijn allebei Drent. Hij komt uit Emmen en ik uit Meppel. We hebben allebei in Groningen gestudeerd. Hij vijf jaar na mij. Het is goed dat we daarmee starten. Met Drenthe en Amsterdam. Het lijkt alsof het boek een soort bevrijding is van Hemel. Hij zegt eerlijk: het boek gaat over mij. Over mijn leven. Wat ik als planoloog geleerd heb. Ik blik terug.

En Hemel wil weg uit Emmen. Dat is duidelijk. Zijn hele boek is één pleidooi voor grootstedelijkheid. Hij definieert dat als complexiteit. “En complexiteit is beschaving.” Ik vraag naar het waarom van deze schijnbaar onweerlegbare stelling. Zef zegt: Ja beschaving is stedelijkheid. Het platteland zelf genereert geen beschaving, dat doet de stad. Daarom wil ik weten hoe steden zijn ontstaat. Voedsel en drinkwater zijn het begin van elke stad. En het platteland is een uitvinding van steden. Mijn boek is daarmee echt een scheppingsverhaal van de stad. Maar het gaat ook echt over de geboorte en bloei van beschavingen en die schuilt in grootstedelijkheid. Het boek is een lofzang op complexiteit.

Ook ik heb Drenthe mentaal verlaten, maar het afscheid van Zef is wel erg bruusk. Daarom vraag ik wat er mis is met Emmen. Hemel: Er is niks mis met Emmen. Ik kende daar vrijwel iedereen. Mijn ouders wonen er. Ik kom er nog steeds. Ik heb me afgevraagd: in wat voor beschaving ben ik opgegroeid. Ik ben niks tekort gekomen, maar ik voelde een gemis. In 1962 kregen wij thuis televisie. Wij waren de eerste generatie met zo’n toestel. Toen zag ik Amsterdam, ik zag de wereld. Daar wilde ik naar toe. In Emmen was één bioscoop, met Dik Trom in het hoofdprogramma. Ik heb Emmen altijd als een kolonie gezien. Je kan het ook wingewest noemen, een gebied dat toelevert aan steden.

Vergeet niet: mijn grootvader begon als veengraver, was politiek actief in de drankbestrijding, werd vakbondsleider, later provinciaal bestuurder. Zijn zoon – mijn vader – moest een koloniale oorlog vechten in Nederlands Indië. Toen hij terugkwam was het veen weg. Er werd door de regering een fabriek neergezet, met veel subsidies. Mijn vader moest daar aan het werk. Weer koloniale uitbuiting. Toen ik ging studeren in Groningen, in 1975, sloot die fabriek. Veel fabrieken sloten in die tijd. Sindsdien groeit weer de werkloosheid. Groningen was een interessante microkosmos. Maar het is een studentenstad. En toen kwam Amsterdam. En ook dat blijkt een tussenfase. Na vijfendertig jaar wil ik hier ook liefst weg.

Ik vraag Hemel of hij dit boek had kunnen schrijven als hij niet in Emmen had gewoond? Hemel: dat is een interessante vraag. Dat weet je nooit. Maar ik heb dit boek zo geschreven omdat ik dit leven heb geleid. Natuurlijk, het is een heel persoonlijk document. Nee, het is geen wetenschappelijk werk.

De stad is rijker leven

Hemel schrijft lyrisch over de stad in zijn boek. De stad: dat is rijker leven. Grote steden zijn beter voor mensen. Grootstedelijkheid maakt mensen vrij. Ik vraag hem hoe hij dat allemaal zo zeker weet. Hemel: Dat zijn ontboezemingen. Maar veel mensen ervaren het ook zo. De stad maakt vrij, omdat er niet te veel sociale cohesie is. Te veel sociale cohesie is niet goed. In een stad kan je als individu alle gradaties van sociale cohesie aantreffen, waaruit je kunt kiezen. In de grootstad ben je teruggeworpen op jezelf. Het is helemaal jouw eigen verantwoordelijkheid om in de wereld te stappen en verbindingen te leggen. Alle mogelijkheden liggen aan je voeten.

Is dat niet een beetje kil? Is daar nog wel solidariteit? Hemel: Dat is een persoonlijke keuze. Je bent in de stad bevrijd uit het dwingende dorpse verband. Die kleine gemeenschap waar iedereen elkaar kent.

Ik prijs me gelukkig met een auteur die in ‘het echt’ al even romantisch denkt over de stad als in zijn boek. De stad komt voor hem vooral overeen met voordelen, met agglomeratievoordelen. Ik werp hem tegen dat het begrip agglomeratienadeel nergens wordt genoemd, terwijl de theorie daar toch heel duidelijk over is. Een grotere schaal betekent ook nadelen, als congestie, stank, overlast, criminaliteit. Hemel: Ja, die kritiek heb ik al gekregen. Kijk, het boek is een pleidooi. Ik wilde me uitspreken. Iedereen graaft in zijn geheugen. Dat kan niet anders. Het is mijn boekenkast, het gaat over mijn leven. Maar die agglomeratienadelen zitten er wel degelijk in! Maar de agglomeratievoordelen zijn groter, zij lossen de problemen in steden altijd razendsnel op.

Volgens Hemel zijn steden niet alleen rijker, maar ook duurzamer. Ik suggereer voorzichtig dat windmolens vooral op zee succesvol zijn. Nee, zegt Hemel, die windmolens op zee zijn niet echt duurzaam. Dat is een ingenieurs-oplossing. Echt duurzaamheid bereik je door de stad te vergroten. Dan gebruiken mensen alles intensiever. De infrastructuur. De voorzieningen die mensen met elkaar delen. Je eet op straat, je hebt geen keuken meer nodig. Je gebruikt minder vierkante meters. Kijk in Aziatische steden. In Tokyo slapen ze in een cabine, op een paar vierkante meter. Dat is super duurzaam. Het probleem is: we hebben te veel mensen. In steden hebben die talloze mensen geen auto meer nodig! Ja, ik ga het liefste in Tokyo wonen, dat is mijn droom. Dat wil ik nog meemaken.Ik vind al die discussies over duurzaamheid eigenlijk maar windowdressing. Het is grootstedelijkheid, als de allerhoogste vorm van beschaving met de kleinste ecologische voetafdruk en de allergrootste rijkdom die de natuur ons aanbiedt. Een metropool is bovendien het allermooiste.

Hoe kan Nederland bestaan

Economen zijn het met Hemel eens: in steden zijn mensen productiever dan buiten steden. Toch doemt er een levensgrote vraag op als we de redenering van Hemel tot het einde volgen. Dan zou Nederland niet zo welvarend kunnen zijn. Wij hebben geen grote steden, we hebben Amsterdam en dat telt nog niet eens een miljoen inwoners. Hoe kan dat? Wat is er dan waar van Zef’s verhaal? Hemel: Ja, die vraag is interessant. Misschien dat ik daarom ook niet begrepen word. Die vraag roep ik wel op. Daar ben ik nu mee bezig. In Nederland leven we van handel. We zijn een belastingparadijs. We zijn oliesjeik met ons aardgas. We hebben onze koloniën geplunderd. We hebben een economie gebaseerd op logistiek, agrifood en chemie. Schiphol is een slimme truc, net zoals de Europoort en de Maasvlakte. Al die datacenters, alweer zo’n truc. We zijn dus slim, maar zonder steden te bouwen zijn we toch heel rijk geworden.

Ik reageer: Je hebt dus geen grote steden nodig. Hemel: zoals wij nu leven is apert niet duurzaam, dit is gewoon niet houdbaar. Amsterdam was indertijd één van de grootste steden ter wereld. In de negentiende eeuw klopte alles nog, zoals Amsterdam en Rotterdam destijds snel groeiden. De cesuur zit rond 1929. Toen ging het mis. Toen zijn we gestopt met steden bouwen. Toen zijn we gaan herverdelen, ruimtelijk spreiden, verdelende rechtvaardigheid voorop stellen met de komst van het Gemeentefonds.

Geen herverdeling tussen stad en land

Ik houd Hemel voor dat herverdeling, fundamenteel de herverdeling van de verzorgingsstaat grote economische voordelen heeft gehad. Als iedereen mag meedoen, heeft dat toch veel voordelen? Hemel: Dat is het construct van de verzorgingsstaat. Daar ben ik trouwens ook een kind van. Maar daar zet ik vraagtekens bij. Ik spiegel hem in mijn boek aan de Sovjet Unie. We waren in een wedloop met het Oosten. Gelijkheid stond in Oost en West hoog in het vaandel. Met de verzorgingsstaat wilden we de Sovjets zelfs aftroeven. Achter het IJzeren Gordijn is de boel in 1989 uit elkaar gevallen. Nu verbrokkelt het ook hier. De verzorgingsstaat was een utopie. Het is gewoon niet gelukt. Al die herverdeling tussen stad en ommeland werkt niet. Laat de stad groeien en rijkdom vergaren.

Waarom zou het ommeland daar beter van worden? Hemel: De groei van de steden ontlast al eeuwen het ommeland. Vergeet niet: 80% van het ommeland in Nederland is al stad geworden. Alles is hier gesuburbaniseerd.. Er is dus geen enkele reden om het niet naar de stad toe te vegen. Dat is veel duurzamer, spannender ook, en het brengt meer welvaart. Dus doe niet zo nostalgisch over dat platteland. Dat het krimpt. Het zijn allemaal stedelijke types die daar wonen. Laat de steden hun werk doen! De kinderen in Assen willen allemaal naar Amsterdam. Eigenlijk willen veel mensen daar weg. Bestuurders proberen dat tegen te houden. Maar de mensenwillen iets anders.

Hemel heeft zelf namens de gemeente Amsterdam geadviseerd in Delfzijl. Hij is er een aantal keren geweest. Ik vraag hem hoe zo’n wingewest van de stad beter wordt. Hemel: Je moet daar als het ware teruggaan in de tijd. Krimpen is als monumentenzorg plegen. Je moet veel afbreken, maar het mooie laten staan en een nieuwe functie geven. Dat is een natuurlijk proces. Ja, die Eemshaven doet het wel goed. Maar die heeft weinig met Delfzijl te maken. De werkers in de noordelijke havens zijn hoogopgeleide types die bijna allemaal in Groningen wonen.

De groeikernen als abberatie

Vanaf de jaren 60 zijn we in Nederland groeikernen gaan bouwen, om de steden te ontlasten. Persoonlijk heb ik niet veel met die groeikernen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat we door het bouwen van groeikernen de grote steden groeikansen hebben ontnomen. Stel je voor dat al die mensen in de steden waren blijven wonen. Het huidige snelgroeiende Amsterdam heeft de aderlating van de groeikernen nog steeds niet ingehaald. Er zijn ook mensen die menen dat die groeikernen door de steden zelf gewenst waren. Om de verkrotte wijken te kunnen slopen. Amsterdam zou ook voor dit beleid van ‘gebundelde deconcentratie’ zijn geweest. In zijn boek doet Hemel alsof in1984 op dringend verzoek van Amsterdam eindelijk een einde kwam aan de ‘onttakeling’ van de stad. Was het groeikernenbeleid nu alleen een idee van het Rijk of steunden de steden dat beleid ook. Hemel: Wethouder Roel de Wit wilde dat rijksbeleid volgen. Joop den Uyl wilde er als wethouder van Amsterdam nog niet aan. Joop had nog een grootstedelijke agenda. En toen kwam Roel. En toen sloeg het om. Nee, Roel was een natuurbeschermer.

Maar had de stad deze ontlasting dan niet nodig? Hemel: al sinds 1929 wordt er stelselmatig geld onttrokken aan de grote steden. Vanaf 1929 moeten zij de broekriem aanhalen. Daardoor ontstond het Jordaanoproer in de jaren 30. Er was geen bouwproductie meer in de steden. Dus zakte de economie weg. Gebeurde overal, dat afknijpen van steden, ze waren weinig geliefd. En toen gingen we de oorlog in. Moeizame wederopbouw in ‘de verzorgingsstaat’. Met allemaal nieuwe steden in de weilanden. Maar dat ging niet werken. De stad had het helemaal niet nodig. Ze raakte enorm verkrot. Vanaf 1961 zijn het richtinggevende nationale ruimtelijke nota’s die de toon zetten. Amsterdam gaat meedoen met de bouw van liefst zes new towns. Dan ga je jezelf te grave dragen. En dat gebeurt dan ook. Onder Roel de Wit wordt het alleen maar erger. We gaan woningen afbreken. En dan ontstaan er opstanden. Bakstenen door de ruiten, en de bestuurders begrijpen het maar niet. Toen ik in 1981 Amsterdam ging wonen was de binnenstad totaal verkrot. Tegenover het verkrotte Amsterdam stond het tegelwitte Emmen in de bossen. Zie je het verband? Na Roel de Wit komt de ontreddering. Han Lammers die het begon te begrijpen. Later wordt hij landdrost in Lelystad en Almere. Bizar. Het was bijna Oost-Duitsland spelen wat we deden. Beter dan Oost-Duitsland. Als ik door Nederland rijd, zie ik overal nog Oostblok-architectuur.

Twee miljoen inwoners zonder centrale planning

Ik houd Zef voor dat hij zelf nog druk heeft meegeschreven aan het Vijfde Nota over de Ruimtelijke ordening van het Rijk. Hemel: Ja, en nee. Ik ben eruit gestapt tijdens het schrijven aan de Vijfde Nota.. Ik heb wel die boxen geregeld en de kaarten. Maar die mooie kaarten hebben ze weer veranderd.
Laat duidelijk zijn: ik had het Zef niet verweten als hij wel hartstochtelijk aan die Vijfde Nota had meegeschreven. Juist omdat je toch wel centrale planning zal moeten hebben om Amsterdam te laten groeien tot 2 miljoen. Hemel: We moeten gewoon de tijd verstaan. Maar de overheid doet nog steeds domme dingen. We groeien nu weer in Amsterdam. Maar het is nog veel te langzaam. 10.000 woningen per jaar zijn nodig. En desondanks halen we die 2 miljoen. Dat soort dingen gaat nooit lineair. Groei gaat exponentieel. Dat heet een gouden eeuw. Eerst ontreddering en chaos. En dan pas gaat het bestuur begrijpen wat er aan de hand is. En eerst dan gaat het goede plannen maken. Dat gebeurde ook in de Tweede Gouden Eeuw met Berlage. Daarvoor is het nu nog te vroeg. Over tien jaar misschien gaan wij werken aan een plan voor een verdubbeling van de stad.

Is daarmee de planologie verdwenen? Planologie is volgens Zef een historisch fenomeen dat hoort bij de sociale welvaartsstaat. Het hoort bij het communistische tijdperk van de twintigste eeuw. Het hoort bij de dominantie van de staat. En dat is nu allemaal voorbij. Er komt iets nieuws. Dat lijkt dicht bij het anarchisme te zitten. Boeiend om te zien hoe steden gaan functioneren, als ze niet meer de uitvoeringsloketten zijn van de natiestaat. Steden moeten weer gaan acteren, volwassen worden. We gaan weer naar vóór 1929 en pakken daar de draad weer op.

Le Corbusier is de bad guy

Er is nog één ding dat me triggert in het boek van Hemel. Hij schrijft de modernisten weg. En toch blijft hij vriendelijk en beleefd over Van Eesteren. Waarom is hij zo blij met Van Eesteren. Dat was toch de man van de modernistische flatjes bij de Zuidas? Hemel: de bad guy is Le Corbusier. Die had geen enkele ethiek. Maar heb ik Van Eesteren in bescherming genomen? Ja, ik steun hem, maar ik neem ook afstand van hem. Ook Benevelo hoort in de vitrinekast van de vergissingen. Van Eesteren was razendknap. Maar hij werkte onder een ongunstig gesternte. In de crisis moest hij knokken en, onderbroken door een oorlog, in de wederopbouw alles heel goedkoop terugbouwen. Veel kunnen we nu afbreken. Geniaal was het, maar in de verkeerde tijd.

Ook Emmen heeft erg geleden onder de stedenbouw van de 20e eeuw. Het is een goed moment voor een slotvraag. Ben je een kind van Amsterdam of van Emmen? Hemel: Ik hou van Amsterdam, ik voel me een kind van Amsterdam. Je kan je wortels nooit verloochenen. Maar mijn liefde voor Amsterdam spreekt toch wel uit mijn boek. Amsterdam is daarin een soort van hoofdpersoon.

Comments

Tell us what you're thinking...
and oh, if you want a pic to show with your comment, go get a gravatar!