Politieke partijen onder het juk van het #CPB

juni 13, 2017 by  
Filed under artikel

Al een tijdje stond het proefschrift van Wimar Bolhuis op mijn lijstje van te lezen boeken. Ik had er ergens over gelezen. Het zou gaan om een mooie studie over de doorrekeningen van de verkiezingsprogramma’s door het CPB. Voor de geïnteresseerden: “Keuzes in Kaart”. Voor de incrowd afgekort tot KiK. Maar enkele weken geleden werd ik verrast door een tweet van Wimar waarin hij meldde dat hij in de zomermaanden zijn proefschrift zou afschrijven. Over Keuzes in Kaart. Dat proefschrift dat ik wilde lezen was nog helemaal niet klaar! Wel was dit voorjaar onder grote belangstelling van alle nog levende CPB-directeuren door Wimar een boek gepresenteerd over hetzelfde onderwerp, onder de titel De rekenmeesters van de politiek. De basis voor zijn proefschrift.

Ik heb die ‘voorstudie’ inmiddels gelezen. En ik heb me afgevraagd hoe lang de zomer van 2017 voor Wimar Bolhuis wordt. Is het alleen nog een kwestie van noten bij elkaar harken en indexen maken? Of moet er nog een flinke slag worden gemaakt?

Wat op dit moment voorligt is een heerlijk helder boek over de grote rol die het CPB speelt in de verkiezingstijd. Sinds 1986 is het snel usance geworden dat de politieke partijen hun programma’s laten doorrekenen door het CPB. Daarbij ‘voorspelt’ het CPB de gevolgen van de programma’s in termen van groei van het BBP, begrotingstekort van de overheid, werkgelegenheid en koopkrachtsverschillen, enzovoorts. Het mag duidelijk zijn dat de partijen er zich veel aan gelegen laten liggen om op al die punten hoog te scoren bij het CPB. Hoewel de aandacht voor de verschillende criteria vanzelfsprekend van partij tot partij verschilt.

Daarnaast voert het CPB een reality check uit op alle voorstellen van de politieke partijen. Terecht zet het vraagtekens bij de haalbaarheid van verschillende beleidsvoornemens. Zo gaan veel politieke partijen er graag vanuit dat er veel kan worden gewonnen door het overheidsapparaat drastisch in te krimpen. De CPB merkt in zo’n geval nuchter op dat die inkrimping blijkbaar niet zo eenvoudig gaat, omdat hij anders al lang had plaatsgevonden. Gevolg: het CPB schat de budgettaire gevolgen van inkrimping van het overheidsapparaat meestal lager in dan de partijen die die inkrimping voorstaan. In beide gevallen, bij de ‘reality check’ en bij de feitelijke doorrekening van de consequenties van allerlei beleidsvoornemens, gaat er dus een disciplinerende werking uit van het werk van het CPB. Fact-free-politics wordt bestreden. Politieke partijen kunnen niet meer zomaar wat roepen. Want dan kunnen ze er in ieder geval van verzekerd zijn dat andere partijen hun met de cijfers van het CPB om de oren zullen slaan.

Wimar Bolhuis beschrijft het proces van doorrekenen, dat ik nu wel erg kort samenvat, heel helder. Hij laat ook de betekenis zien van het werk van de Werkgroep Begrotingsruimte (topambtenaren) en van de middellange termijnverkenningen van het CPB die juist worden gepubliceerd voordat de partijen aan hun programma’s beginnen. Dan weten ze ten eerste hoe de toekomst zich bij ‘ongewijzigd’ beleid gaat ontvouwen en ten tweede wat er voor nodig is om bepaalde algemene doelen van begrotingsbeleid en EMU-normen te halen. Die middellange termijnverkenningen vormen ten slotte weer de basis voor de doorrekeningen van de verkiezingsprogramma’s door het CPB.

Dus: mooi boek! Je zou zeggen niks meer aan doen. Ik zou in ieder geval zeggen: niet volproppen met noten en niet achteraf er allerlei theorieën bij zoeken, omdat dat in de wereld van de wetenschap nu eenmaal zou moeten. Toch biedt het definitieve proefschrift ook nog een fantastische kans om het boek tot een klassieker te maken. Daartoe behoeft het één ding: reflectie. Het boek is nu nog te beschrijvend. Daarmee geeft het een mooi inkijkje in de wereld van Den Haag. Maar daarmee is het ook te veel een verhaal van de drukte van Den Haag. Over de overuren die al die CPB-medewerkers moeten maken om hun KiK af te krijgen. Over de gepensioneerden die weer worden ingevlogen om ’s avonds de pagina’s nog op de goede volgorde te leggen. Maar drukte is niet zo belangrijk. Het gaat om de achterliggende vragen. Het boek roept bij mij vier samenhangende vragen op.

Ten eerste: hoe moeten we de doorrekeningen door het CPB historisch plaatsen? In dat verband is het interessant dat de doorrekeningen zich vooral afspelen op de oude links-rechts-tegenstelling. Uiteindelijk gaat het om welvaart, werkgelegenheid en koopkracht. Ja, al die andere beleidsvoornemens worden ook meegenomen, maar toch veel minder om hun eventuele maatschappelijke effecten en veel meer om hun gevolgen voor de overheidsfinanciën en daarmee uiteindelijk weer voor de welvaart, de werkgelegenheid enzovoorts. En waar de ideologische geschillen op deze as steeds kleiner zijn geworden (hoe komen we anders aan Paars-1, Paars-2 en Rutte-Asscher?) ontstaat er ruimte voor de technische zuiverheid van het CPB. Politiek als technocratisch project, waarbij de ambtenaren aangeven welke maatregel wel en welke maatregel minder effect heeft. Maar waar de oude links-rechts-as betekenis verloot in Den Haag, werden andere en nieuwe maatschappelijke tegenstellingen dominanter. Denk aan migratie, klimaat, voltooid leven. In dat licht zijn de doorrekeningen geen symptoom van een groeiende macht van het CPB, maar eerder een symptoom van verschuivende maatschappelijke en politieke tegenstellingen. Waar de tegenstellingen minder groot zijn, mag het CPB schijnbaar belangrijk worden.

Ten tweede: hoe ‘objectief’ zijn die doorrekeningen eigenlijk? Wimar Bolhuis ziet wel de beperkingen van de analyses (wetenschappers weten niet alles), maar lijkt mogelijke vertekeningen over het hoofd te zien. Ik vraag me bijvoorbeeld af hoe je ‘waardevrij’ een reality check op beleidsvoornemens kan doen? Daarbij speelt toch altijd een ideologische bias een rol. Op zich al de bias dat grote omwentelingen zich niet zullen voordoen (waardoor sommige voorstellen als onrealistisch worden afgedaan). Maar belangrijker is dat de modellen waarmee de wel geaccepteerde beleidsvoornemens worden doorgerekend, ideologisch geladen zijn. En niet volledig empirisch onderbouwd. Zo menen economen bijvoorbeeld dat het verkleinen van inkomensverschillen leidt tot een lagere economische groei. Modelmatig klopt dit. Maar onder welke omstandigheden is het waar? En veel interessanter: onder welke omstandigheden is het niet waar?

Ten derde is het  boeiend dat Bolhuis zich nergens afvraagt wat er later eigenlijk van die doorrekeningen is terechtgekomen. Het moet toch mogelijk zijn om al dat ex ante-denkwerk nog eens ex post te herhalen. Heeft die flexibilisering dan werkelijkheid tot een grotere welvaart geleid? En wat zijn de effecten van investeringen in het onderwijs werkelijk geweest? En heeft de marktwerking in de zorg werkelijk tot een beheersing van de kosten geleid of zijn de kosten nu op een andere plaats belegd? Ach, allemaal van die simpele vragen. Maar juist bij die doorrekeningen verwacht je dat iemand nog eens terugkijkt. En zeker een promovendus moet daarvoor de tijd hebben.

Ten slotte: welke invloed hebben de CPB-doorrekeningen op het beleid? Ik sprak al over de disciplinering. Partijen worden gedwongen zich beter voor te bereiden op de wereld van het echte beleid. Die disciplinering  zou in principe ook moeten leiden tot een snellere formatie. De partijen hebben het CPB-frame immers al geaccepteerd. Alleen jammer voor het CPB dat de formatie met GroenLinks nu voor de tweede keer vastloopt op de migratie en niet op de cijfers over de werkgelegenheid.

Maar die disciplinering kan ook (grote) nadelen hebben. Want er is niet alleen sprake van trechtering maar ook van vertekening. Bolhuis wijst daarop als hij schrijft dat de doorrekeningen ‘misschien leiden tot een suboptimaal beleid’. Omdat experimenten en erg vernieuwende beleidswensen door het CPB al snel worden afgedaan als ‘effect onbekend’. En omdat partijen in hun programma’s al gauw gaan anticiperen op de uitkomsten van het CPB. Ze weten inmiddels hoe ze hun formulieren in moeten vullen om er als beste uit te komen. Een rechtgeaarde CPB-er ziet dat wellicht niet als een probleem, maar als een succes. In zijn ogen hebben de partijen zich immers meer op ‘de werkelijkheid’ gebaseerd. Maar dat is alleen waar als die modellen van het CPB ook een waarheidsgetrouwe schematisering van die werkelijkheid zijn. En dat zijn ze niet. Niet alleen zijn er andere dingen onder de zon dan financiën en BBP. Ook gaan de CPB-modellen uit van een bepaald mens- en maatschappijbeeld waardoor ze in ieder geval niet voor iedereen met de werkelijkheid overeen komen. Laat ik daarvan nog één voorbeeld geven. Economen zijn altijd verguld van marktwerking. Het CPB al evenzeer. Hoe meer deregulering en globalisering, hoe hoger de economische groei. Dat zijn geen feiten, dat is geen disciplinering, dat zijn droomwensen. En die dromen zijn lang niet altijd uitgekomen. Dan krijgt het woord disciplinering toch plotseling een ander klank. En is het toeschrijven van de verkiezingsprogramma naar de rekenmeesters van het CPB veel minder onschuldig dan het aanvankelijk lijkt.

Ja Wimar, dat worden nog mooie zomermaanden.

Comments

One Comment on "Politieke partijen onder het juk van het #CPB"

  1. Theo Mensen on wo, 14th jun 2017 04:53 

    Dat er onder het #juk van het #CPB zoveel politieke kwesties buiten beeld blijven zou (ook) voor Tinbergen onverdraaglijk zijn.

Tell us what you're thinking...
and oh, if you want a pic to show with your comment, go get a gravatar!