Je neemt altijd je eigen geluid mee #fagot

juli 5, 2020 by  
Filed under fagot, Geen categorie

In die mooie serie over het KCO “Bloed, zweet en snaren” kwam ook fagottist Jos de Lange uitgebreid in beeld. Als ik me goed herinner zien we hem in een kamertje waarin hij al jaren zijn rieten maakt. Veel mesjes, veel hout, veel rommel. Ieder fagottist kan zich zo’n kamertje wel voorstellen. Jos spreekt daar hele wijze woorden. Hij vertelt de kijker dat het riet verreweg het belangrijkste is voor de klank van de fagot. Daarna komt het S en pas tenslotte het instrument zelf. Eigenlijk is dat een heel opvallende uitspraak in een wereld waarin iedereen heel erg bezig is met zijn instrument. 

Ik sprak mijn lerares Mette Laugs over haar fagot en zij voegde een belangrijk element toe aan de stelling van Jos. Ze zegt: op welk instrument je ook speelt, je neemt altijd je eigen geluid mee. Dus is de bespeler naast het riet ook heel belangrijk. En toen moest ik aan Ronald Karten denken die een keer tegen me zei dat hij op afstand al kon horen dat ik het was. Of ik nu op mijn oude Heckel speelde of op mijn nieuwe Bell, of ik nu op een houten riet speelde of een kunststof riet. En dan laten we maar even in het midden wat hij precies hoorde. En ik moest denken aan de laatste Sacre van Gustavo Núñez in het KCO. Hij speelde niet alleen prachtig, maar ook onmiskenbaar Gustavo. Ik vroeg hem later op welke fagot hij had gespeeld, omdat Gustavo soms op een Bell speelt en graag wisselt tussen zijn Heckels. Het was een oudere Heckel. Maar ik denk dat geen van zijn collega’s het had gemerkt als hij op zijn Bell had gespeeld. Want daar speelde bovenal Gustavo.

Maar Mette staat centraal in dit verhaal. Omdat zij het zo mooi wist te verwoorden: je neemt altijd je eigen geluid mee. Ik sprak haar uitgebreid over haar Yamaha. Ik was nieuwsgierig waarom ze op een Yamaha speelt. Ze vertelde dat ze als klein kind van 12 al op een fagot was begonnen. Eerst een plastic, en later een houten fagot. Haar toenmalige leraar Herman Olij dichtte haar zoveel talent toe dat haar ouders op haar 14e een Püchner voor haar kochten. Je weet wel, zo’n instrument waarop ook Sophie Derveaux (eerder: Dartigalonge) speelt. 

Tot het vierde studiejaar op het conservatorium van Den Haag speelde Mette op die Püchner. Toen liep ze bij toeval tegen een Yamaha op. Een medeleerling had een Yamaha op proef. Mette mocht ook er even op spelen en was meteen verliefd op het instrument. Terwijl iedereen (zeker in die tijd) zei dat je op een Heckel moest spelen, als je als fagottist wilde slagen. Mette: “Als je toen geen Heckel had, hoorde je er niet bij.” Maar Heckels waren in die tijd erg schaars en zeer prijzig. 

En toen viel plotseling alles samen. Haar medeleerling zag uiteindelijk toch van de koop af en zo werd Mette de eerste Nederlandse fagottist die op een Yamaha speelde. Mette: “Het was alsof het een jurk was die me paste. Het voelde helemaal lekker. Ik had het gevoel: ik kan erop zingen, ik kan mezelf hierop ontwikkelen.” En het grappige is: ze is er nog steeds zielsgelukkig mee. Ze heeft nog vaak naar andere instrumenten gekeken. Op andere instrumenten gespeeld. Vooral Heckels. Omdat dat nu eenmaal zo hoorde. Maar nooit was er een instrument dat fijner speelde of haar beter paste.

Maar wat maakt een Yamaha zo goed? Volgens Mette is een Yamaha heel egaal qua klankkleur, zuiver en flexibel. Er zit minder weerstand in dan in een Heckel, dus speelt hij iets minder zwaar. Maar toch vooral: het instrument past heel erg bij haar. En toen sprak ze die mooie woorden: “En uiteindelijk neem je altijd je eigen geluid mee. Op welk instrument je ook speelt, je laat toch jezelf horen, je zoekt toch naar een bepaald soort klank.” 

En daarmee gaat het dus niet meer om welk instrument het beste instrument is, maar simpel om de vraag welk instrument jou het beste past en dus voor jou het beste is. En soms: welk instrument jou het beste past in de Sacre. Ja, Sophie Derveaux speelt op een Püchner. Het is niet mijn instrument, maar zij kan blijkbaar haar fantastische spel het beste op een Püchner realiseren. En niet op een Heckel, anders had ze wel daarop gespeeld. En Alban Wesley komt het beste tot zijn recht op een Leitzinger. En Ronald Karten op een Heckel. 

Nee, als je de theorie van Jos de Lange aanvult met de theorie van Mette Laugs gaat het bovenal om de speler, daarna om zijn rieten, daarna om zijn S en ten slotte (pas?) om zijn instrument. Het gaat bovenal om je eigen geluid en om de vraag hoe je dat het beste kan realiseren: met welke riet, met welk S en met welk merk. 

De Fagot, tijdschrift voor fagottisten, nummer 24, juni 2020, p. 19

Deel dit bericht:

Comments

One Comment on "Je neemt altijd je eigen geluid mee #fagot"

  1. Maarten Vonk on ma, 6th jul 2020 11:08 

    Jos is een fantastische fagottist en heeft gelijk als hij zegt eerst je riet dan je es en daarna je fagot. Als Mette daar de persoon voor zet kan ik me ook daar in vinden. Ik zou de persoon dan wel wat specifireren als je persoonlijkheid en daarnaast de mogelijkheden die je met je adem kunt doen.
    Maar….
    In mijn lange carriere als fagotreparateur zie ik ook een andere lijn. Ik zie een verschil tussen professioneel blazen en amateur blazen en dat geeft z’n weerslag op de keuze van rieten, es en de afstelling van het instrument. Een professional kan overal doorheen blazen waar de amateur er tegenaan blaast en in de problemen komt.
    De professional kan de kleppen van de fagot wijder open zetten om meer geluid te kunnen creëren. De amateur speelt beter met kleppen die wat lager staan en waarmee een meer gefixeerde luchtkolom ontstaat die een egalere klank geeft en beter stemt.
    Voor DE amateur wil ik de volgorde dan ook wijzigen. Eerst moet de fagot goed sluiten en goed afgesteld zijn. Dan moet je een es er bij zoeken die past bij de fagot daarna komt het riet dat doodgewoon de luchtkolom aan het trillen moet brengen. Hoe je de luchtkolom aan het trillen breng hangt er af van hoeveel ruimte je je riet durft en kunt geven. Het riet heeft een bepaalde spanning nodig om goed te kunnen trilen maar die moet niet van de lippen komen maar vanuit je ademhaling en ademspanning.
    Is je adem niet goed op orde blijft wordt het riet een obstakel.
    In mijn optiek moet je het riet zo onbelangrijk maken als mogelijk is. Alles op de ademsteun en dan kun je ook met een middelmatig riet prima spelen. Je wordt dan minder afhankelijk van een riet. Met een super riet en een slecht ademsteun kom je helemaal nergens. Zei Jaap Stotijn niet ooit “een superriet moet je weg gooien”. Dat doet natuurlijk niemand maar de gedachte erachter is dat je je niet afhankelijk moet maken van een superriet. Zorg dat je op rieten speelt die gewoon de luchtkolom aan het trillen brengen en dan ben je al een heel eind op weg.

Tell us what you're thinking...
and oh, if you want a pic to show with your comment, go get a gravatar!