Hardlopen is een geloof @marisvsprundel

augustus 11, 2018 by  
Filed under artikel, lopen, Voorpagina

Hardlopen is een geloof. Ik lees al jaren elke maand Runner’s World, het onvolprezen tijdschrift voor de hardloper. En elke maand lees ik weer een nieuwe theorie. Over training, over voeding, over schoenen. En allemaal willen we deze theorieën geloven, omdat we zo graag harder willen lopen.

Hoe heerlijk nu is het om het boek Alles wat je wilt weten over hardlopen van Mariska van Sprundel te lezen. Mariska is wetenschapsjournalist en, hoe grappig, ook verbonden aan hetzelfde Runner’s World. Ze heeft op een uiterst kundige en amusante wijze al die theorieën eens tegen het licht gehouden. En wat blijkt? De meeste zijn onbewezen. Of gewoon niet waar. 

Bijvoorbeeld: er bestaat geen relatie tussen loopschoenen en de kans op blessures. Al het gepraat over proneren en superproneren mist elke grond. Mariska adviseert: koop gewoon een schoen ‘die je lekker zit’.

Bijvoorbeeld: er is helemaal geen ideale pasfrequentie, ieder mens heeft zijn eigen ideale pasfrequentie. En: het is niet waar dat je meer blessures krijgt met een haklanding. Je krijgt met een voorvoetlanding evenveel blessures, alleen andere. Denk aan die minimalistische schoenen, waardoor je eerder een voorvoetlanding ontwikkelt. Ze geven veel meer problemen met de kuiten. Ik kan het uit eigen ervaring bevestigen. 

Bijvoorbeeld: elk lichaam is geschikt om mee hard te lopen. Ongeacht je VO2-max. Alleen voor de top heb je een bepaald lichaam nodig. En dat is deels trainbaar. Je kan volgens Mariska beter een goede sportbeha kopen dan een dure genetische test. 

Bijvoorbeeld: rekken en compressiekousen: niet bewezen dat ze goed of slecht zijn. Misschien moet ik scherper zijn: er geen effect. Maar ook: waar je je goed bij voelt, dat werkt. Dus blijf lekker rekken als je dat altijd al deed. En loop desnoods met die rare zwarte kousen. 

Bijvoorbeeld: geen enkel bewijs dat je minder blessures krijgt als je op een zachte ondergrond loopt. Dat komt omdat we de stijfheid van onze benen meteen aanpassen aan de ondergrond. Waarmee het gewicht van de schokken van het lopen gelijkt blijft. 

Bijvoorbeeld: bietensap helpt een beetje voor recreanten, maar niet voor de toplopers. Van magnesium zijn de voordelen nooit wetenschappelijk aangetoond. 

Bijvoorbeeld: al dat geloof over eten voor een marathon. Die hele voedingsindustrie en al die sportdrankjes. Wetenschappelijk alleen aangetoond door wetenschappers die zich door de Gatorade lieten betalen. Maar kijk ook uit met dat dagenlang stapelen van koolhydraten. Je lichaam kan maar een beperkt aantal koolhydraten opnemen. Ik merkte het zelf een keer in Berlijn, toen ik dagen had gestapeld, en onderweg drie keer uit de broek moest. 

Bijvoorbeeld: voor afvallen helpt een dieet beter dan bewegen. Ook mijn ervaring. Ik val vooral af door heel weinig te eten en rustig in een hoekje te gaan zitten. Al die beweging leidt maar tot extra honger die je niet kan weerstaan. 

Gelukkig, er blijven nog wel enkele geloofsartikelen overeind.

Bijvoorbeeld: je moet alijd naar je lichaam luisteren. Bij een beginnende blessure meteen gas terugnemen. Maar mijn ervaring is dat je een beginnende blessure er ook uit kan lopen. 

Bijvoorbeeld: na vijf jaar zou je per week niet meer dan 40 km met een snelheid van 10 km/uur mogen lopen. En je eerste halve marathon moet je altijd een paar jaar uitstellen, om over de marathon nog maar niet te spreken. Na drie maanden hardlopen liep ik zelf  mijn eerste halve marathon en binnen een jaar mijn eerste hele. 

Bijvoorbeeld: krachttraining met eigen lichaam en gewichten is beter dan met apparaten. Maar ik vind een sportschool stimulerender dan mijn eigen slaapkamer. 

Wat bewijst dit allemaal. Veel geloof blijkt niet waar of is onbewezen. En wat wel waar is wordt door mij lang niet altijd geloofd. En dat is geen kritiek op het boek van Mariska van Sprundel. Het geeft aan hoe hardnekkig geloof in de hardloopwedstrijd is. 

En dat is ook niet zo heel gek. Mariska concludeert vaak dat iets niet bewezen is, maar dat het tegendeel ook niet bewezen is. Vaak adviseert ze om gewoon te doen waarbij je je lekker voelt. En dat doe ik dan ook maar. 

Dat stemt overeen met één van haar laatste conclusies: zelfregulatie is bij het hardlopen heel belangrijk. Ik herken iets. Nee, ik weet waar mijn echte kracht bij het hardlopen ligt: bij de zelfregulatie. Want hardlopen is vooral het weerstaan van verleidingen. Niet op de bank blijven liggen als je geen zin hebt of als het regent. Straks in Rotterdam of in Berlijn of in New York kan het ook regenen. En het lopen van een marathon is het summum van zelfregulatie. Alleen naar het volgende 5km-punt lopen, nooit denken hoe ver het nog is. Steeds uitrekenen hoeveel sneller je loopt dan 5’/km. In het Kralingse bos altijd focussen op die benzinepomp. Bij Alexanderpolder altijd blij zijn dat je niet meer linksaf hoeft over die steentjes. Altijd je verheugen op die sinaasappelen in Kralingen. Vandaar altijd naar de muziek op de Boezemweg. En zo verder, en zo verder. Want over één ding wordt niet gedacht: over stoppen.

En wie goed is in zelfregulatie weet dus dat hij vooral voor zich zelf moet uitzoeken wat het beste is. 

Er rest mij slechts één vraag. Hoe kan het dat iemand die zo’n mooi en helder en compleet en geweldig boek schrijft, zelf nog steeds geen marathon heeft gelopen. Want zo’n goed boek schrijf je alleen met een hoge dosis zelfregulatie. 

Weer een nieuw dieet: hoe word ik een #supervetverbrander

juli 29, 2018 by  
Filed under artikel, lopen

Over diëten wordt veel geschreven. Het grappige van al die boeken is dat ze de allemaal de waarheid in pacht hebben. En dat ze met liefde alle andere diëten afkraken. Dat laatste is niet zo moeilijk, omdat diëten maar zelden tot succes leiden. Het eerste is soms een beetje storend. 

Ik weet niet waarom ik het boek heb gekocht. Het was een impulskoop. Het lag op de toonbank van een boekhandel. En ik ben al enkele jaren veel te zwaar. En niet alleen in mijn eigen ogen. En ik wil weer een marathon lopen. Bovendien was het boek geschreven door iemand, Maaike de Vries, die in 2017 de Jungfraumarathon heeft gelopen. Helaas vertelt ze niet in welke tijd. Dat zou ik eigenlijk wel weten voordat ik zo’n boek ga lezen. 

Maaike de Vries is gepromoveerd gezondheidswetenschapper. Ze leert ons dat we allemaal supervetverbranders moeten worden. We moeten relatief minder koolhydraten verbranden en relatief meer vetten. Daar gelooft ze heilig in. Ze schrijft enthousiast, ze schrijft goed. Maar ergens begrijp ik haar redenering niet. 

Overigens is het niet zo erg als je de redenering niet begrijpt. Haar adviezen zijn heel wijs en klinken heel vertrouwd. We moeten meer bewegen, we moeten meer ontspannen, we moeten beter slapen en we moeten goed eten. En dat goede eten houdt in: zoveel mogelijk vers en onbewerkt, zo min mogelijk suikers en andere snelle koolhydraten, minder alcohol, we moeten driemaal daags eten en geen tussendoortjes nemen en we moeten altijd de tijd nemen om te eten. 

Ik heb al bij verschillende sportdiëtistes gelopen, en daar heb ik al deze adviezen al heel vaak gehoord. Oh ja, ook nog meer noten en meer vette vis. Zelf zeg ik altijd: als je de banketbakker en de snackbar overslaat, ben je al een aardig eind op weg. 

Wat is het principe? Een mens heeft veel energie nodig, alleen al om zich warm te houden. Energie halen we uit koolhydraten en uit vetten. Als we evenveel koolhydraten en vetten eten als we nodig hebben voor onze energie, blijven we op gewicht. Als we te veel eten, slaan we de overtollige calorieën op in vet. En worden we dikker. Als we dat langdurig doen worden we te dik. En dat laatste is slecht voor de gezondheid. Dit patroon kan je dus doorbreken door óf minder te eten óf meer energie te gebruiken, bijvoorbeeld door meer te bewegen. 

Ons lichaam zou alleen bij een tekort om meer eten moeten vragen. Het nare van het lichaam is, dat het dat niet doet. Als we te weinig slapen, vraagt het lichaam om meer calorieën dan je voor je energie nodig hebt. Dat geldt ook voor stress. Ook suikers zorgen ervoor dat je hongergevoel wordt aangewakkerd, zonder dat daar in feite een goede reden voor is. Dus door een tekort aan slaap, door stress en door de inname van suikers heb je de neiging om meer te eten dan je nodig hebt. En daar word je dus dikker van en op den duur te dik. En daarmee worden je kansen op gezondheidsproblemen groter. Omgekeerd: als je veel water drinkt, druk je je normale hongergevoel weg, zonder in de energiebehoefte te voorzien. Op die manier krijg je minder binnen dan je lichaam eigenlijk nodig heeft.

Maar waarom moeten we van Maaike de Vries nu allemaal supervetverbranders worden? Ten eerste is me niet helemaal duidelijk wat dat voor mensen zijn, behalve dat ze ‘helden’ zijn in het leven van Maaike. Zelfs marathonlopers zijn supervetverbranders als ze in staat zijn op tijd over te schakelen op hun vetverbranding. Maaike vergeet dat ze al hun koolhydraten dan al hebben verbrand. 

Ten tweede begrijp ik niet zo goed waarom ik meer vet zou moeten verbranden als ik al een laag vetpercentage heb. Of spreekt Maaike de Vries alleen de mensen met overgewicht aan? Ja, inderdaad, zíj doen er goed aan om meer eigen vet te verbranden door minder te eten. Als je in een week 6000 tot 7000 calorieën minder eet, val je één kilo af (als je evenveel beweegt als daarvoor). Maar dan is het middel toch niet om meer vet te verbranden, dan is het middel toch gewoon om minder te eten? 

Of bedoelt Maaike de Vries iets heel anders: het verbranden van vet levert meer energie op dan het verbranden van koolhydraten. Daarmee zou vetverbranding efficiënter zijn. Om die reden zou ik meer vetten en minder koolhydraten moeten eten. Nou, ik kan haar vertellen dat ik daarvan bij de marathon nog nooit iets heb gemerkt. Juist als ik steeds meer moet overgaan op vetverbranding, neemt mijn energie af. 

Of bedoelt ze juist het omgekeerde: vetverbranding is juist minder efficiënt dan koolhydraatververbranding? En dat je daarom meer vetten en minder koolhydraten moet eten, zonder uiteindelijk meer te gaan eten. Het lijkt me een erg omslachtige manier van afvallen. 

Mijn tante zei altijd al: “Elk pondje gaat door het mondje”. Gelukkig lijkt Maaike de Vries dit op pag. 103 van haar boek ook te beseffen. Daar schrijft ze onverwachts dat supervetverbranders ook kunnen aankomen als ze te veel eten, beter gezegd: “als ze meer binnenkrijgen dan ze nodig hebben”. Dus niet de vetverbranding zorgt voor gewichtsverlies maar minder eten. 

Voorlopig eet ik de komende maanden driemaal daags, eet ik geen tussendoortjes, sla ik de snackbar en de banketbakker over en ga ik meer bewegen. En slapen doe ik altijd wel goed. 

 

Maaike de Vries, Hoe word ik een supervetverbrander; slanker, fitter en strakker binnen een maand, Uitgeverij Lucht BV Utrecht, 2018.

Journalistiek is geen onderzoek #NRC

juli 17, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

De NRC volgt al maanden nauwgezet de vorming van de Colleges van Burgemeester en Wethouders na de gemeenteraadsverkiezingen van afgelopen maart. Gisteren kwam de eindstand. Allemaal niet erg verrassend. CDA en VVD handhaven zich, D66 verliest dik en lokale partijen winnen weer. Het is goed dat de NRC dit soort onderzoek doet. Maar het doen van onderzoek is wel een vak. En het is de vraag of de NRC ook dit vak beheerst. Het onderzoek was een rommeltje. Misschien kan het ook niet anders als 100 redacteuren elk 3 gemeenten voor hun rekening nemen. En een stagiair alles mag optellen. Waarom was het een rommeltje? 

Ten eerste: wat was nu eigenlijk de vraag van dit onderzoek. Ik kreeg de indruk dat de NRC verder wilde gaan dan het geven van de uitslag: hoe zijn uiteindelijk de colleges samengesteld. Ja, ze wilden ook de formatie beschrijven. Maar wat wilden ze daar dan van weten? Of kregen we soms toevallig wat te horen over gemeente X omdat journalist Y daar zijn tweede huis had? De NRC wilde ook een kwantitatieve analyse doen. Maar ging het dan om een vergelijking tussen de nieuwe en de oude colleges (wie had gewonnen, wie had verloren) of ging het om een vergelijking tussen de gemeenteraadsverkiezingen van maart en de collegevorming daarna (was het verlies bij de collegevorming net zo groot als het verlies bij de raadsverkiezingen?). Als ik niet weet wat de vraag is van het onderzoek, kan ik ook niet bepalen of de onderzoeksopzet en de keuze van de variabelen adequaat zijn.

Ten tweede: opvallend genoeg ging het in de analyse vooral om het wel of niet deelnemen aan het nieuwe college. Dat is een leuke indicator, maar weinig precies. Ik heb bijvoorbeeld nergens gelezen hoeveel wethouders de verschillende partijen gezamenlijk in al die gemeenten hebben weten te verwerven. Was dat relatief gezien meer of minder dan vorig jaar? Het maakt nogal uit of je 1 wethouder hebt in Rotterdam (in een college van 10 wethouders) of 4. Alleen bij de NRC niet. 

Ten derde: ook de NRC deed weer mee aan de onzinnige vergelijking tussen VVD, CDA, D’66 etc. versus de lokale partijen. Hoewel ik nergens heb gelezen hoe een lokale partij door de NRC wordt gedefinieerd, is het alleen maar zinnig om lokale partijen met landelijke partijen te vergelijken. Om de simpele reden dat lokale partijen een verzamelterm is (bedacht door wetenschappers) voor heel veel totaal verschillende partijen die gemeen hebben dat ze maar in één gemeente aan de verkiezingen meedoen (althans volgens mijn definitie). Leefbaar Rotterdam is de grootste partij in Rotterdam, en is daar groter dan CDA, VVD, D66, maar landelijk hebben VVD, CDA en D66 veel meer stemmen en raadszetels dan Leefbaar Rotterdam. Vergeet niet dat sommige lokale partijen ronduit populistisch zijn, dat andere lokale partijen een plaatselijke combinatie zijn van linkse partijen en dat weer andere lokale partijen vooral one-issue-partijen zijn. Al die partijen worden door de NRC op één grote hoop gegooid. Dan moet je dat ook met al die landelijke partijen doen.

Ik weet het: wetenschappers zijn vaak tenenkrommend precies en genuanceerd. Maar dat probleem los je niet op door er een rommeltje van te maken. 

Waar komt die welvaart van Nederland vandaan?

juli 8, 2018 by  
Filed under artikel

Soms zie je plotseling een boek liggen. De titel is goed en wekt verwachtingen. Één van de auteurs biedt vertrouwen. Maar wat kan het tegenvallen.

Het overkwam me met het boek De kwetsbare welvaart van Nederland, 1850-2050. Met als ondertitel Naar een circulaire economie. [Van Harry Lintsen, Frank Veraart, Jan Pueter Smit en John Grin.] Het boek geeft een overzicht van de ontwikkeling van Nederland vanaf 1850. Maar waarom spreekt de titel dan van 2050? Omdat de auteurs van mening zijn dat Nederland in de komende 30 jaar de overstap moet maken naar een circulaire economie. Niet omdat Nederland die overstap zal maken, maar omdat Nederland die overstap moet maken. Een verrassend einde van een historische beschrijving van 165 jaar Nederland. 

Laat duidelijk zijn: een historische beschrijving komt altijd voort uit het frame dat in de tegenwoordige tijd relevant is. Daarom is het interessant dat de Nederlandse welvaart in de afgelopen 165 jaar hier niet alleen in termen van economische groei wordt beschreven. Terecht gaan de auteurs ook in op het verlies aan natuurlijk kapitaal. Op het enorme gebruik van fossiele energie, op de afname van biodiversiteit. Dat biedt een breder perspectief. En laat ook goed zien waar de probleem vandaan komen waarvoor we nu heel snel een oplossing moeten zien te vinden. 

De auteurs gaan dus uit van een brede welvaartsdefinitie. Dat is op zich interessant. Maar verder valt het boek vooral tegen. Zoveel indicatoren van de brede welvaart zijn nu ook niet cijfermatig te duiden, vanaf 1850. We krijgen dus veel en vaak dezelfde cijfers. Gelardeerd met heel veel willekeurige beschrijving. En die beschrijving is dan ook nog gekleurd ook. Bij welvaart gaat het bij deze auteurs nooit om rijkdom maar altijd om minder armoede. 

Als je belangrijkste cijfers in hoofdstuk 1 hebt gelezen, heb je eigenlijk het hele boek wel gelezen. Persoonlijk zou ik graag eens een verklaring zien, een analyse, maar die vind ik nergens.

Mij boeit bijvoorbeeld de vraag: waarom is Nederland zo rijk (geworden)? Hoe komt het bijvoorbeeld dat we al jaren in de top-10 van de wereld staan van hoogste inkomen per hoofd van de bevolking? 

Laat ik specifieker zijn. Ik had willen weten of en in welke mate de volgende factoren onze welvaart in de afgelopen eeuw hebben bepaald:

  • Geografie: ligging aan de monding van belangrijke rivieren heeft ons een voorsprong gegeven op gebied van handel en transport. Dat heeft vervolgens onze handelsmentaliteit en onze international gerichtheid versterkt. Zodat we ook in de luchtvaart weer een dominante positie hebben weten in te nemen: Schiphol en KLM. 
  • Geografie: we hebben veel baat gehad bij kolen en aardgas. Een Belgische collega zei me laatst nog eens: kijk naar jullie fantastische stations, allemaal betaald door de opbrengsten van het aardgas uit Groningen. En hij had gelijk.
  • Cultuur: we profiteren van onze protestantse ethiek: het is nooit goed genoeg. Zie Max Weber. 
  • Cultuur: we hebben een cultuur van minderheden in plaats van een cultuur van meerderheden. Dat leidt tot het zoeken naar consensus. Polderoverleg brengt ons verder dan steeds weer andere meerderheidspartijen. 
  • Bestuur: we hebben een betrouwbaar bestuur, waarin corruptie nauwelijks voortkomt. 
  • Bestuur: we hebben een bescheiden bestuur, geen grootse daden, behalve als het om het weerstaan van hoog water gaat. Er is dus ook weinig verspilling. 
  • Padafhankelijkheid: natuurlijk leidt macht tot meer macht en geld tot meer geld. De koloniën hebben ons veel welvaart gebracht, hoe onrechtvaardig het koloniale systeem ook was. Maar de padafhankelijkheid heeft soms ook tot vertraging geleid. Zo vond de industriële revolutie hier veel later plaats dan in omringende landen. 

Kijk, dat had ik nu willen weten: in welke mate zijn dit soort factoren bepalend geweest voor onze welvaart sinds 1850. 

Podiumangst [148]

juni 18, 2018 by  
Filed under artikel, fagot

Het blijft een boeiend onderwerp waarover ik al vaker heb geschreven. Podiumangst. Die onverklaarbare zenuwen die je in de greep kunnen krijgen als je moet optreden op  een voorspeelavond op het conservatorium. Eigenlijk is het niet te verklaren. Je zit met nog 20 mensen in een te grote zaal met een te groot podium. Die 20 kan je gemakshalve in drie groepen verdelen. Ten eerste heb je het publiek. Op de vingers van één hand te tellen. Ten tweede je collega-fagottisten. Die zitten op hun eigen beurt te wachten of zitten uit te blazen omdat hun beurt er al op zit. In beide gevallen luisteren ze amper naar jou. Ten derde heb je de drie docenten, die tamelijk onverstoorbaar voor zich uit zitten te staren. Ze kijken niet bemoedigend als je het podium opgaat en ze laten geen goed- of afkeuring blijken als je het podium weer verlaat. Ja, je vraagt je af, hoe kan je van dit zooitje ongeregeld zo’n podiumangst krijgen. Doet er niet toe, je hebt het.

Ik geef het toe. Ik slikte. Bètablokkers. Twee tabletten per keer. Het is een soort doping. Maar dan in omgekeerde richting. Je praat er niet over. Hoogstens onder elkaar. Hoeveel heb jij geslikt?

Mijn leraar wees mij er vaak op dat ik toch voldoende podiumervaring had. Ik had mijn hele leven college gegeven, soms voor hele grote zalen. Ik had mijn hele leven congressen voorgezeten. Ik had mijn hele leven kleine en grote toespraken gehouden. En daar had ik inderdaad nooit last van podiumangst. Misschien is het ijdelheid, maar ik vond het altijd wel erg leuk om het podium met kwieke tred te bestijgen, een stilte te laten vallen en mijn verhaal met een snedige reactie op de dagvoorzitter te beginnen. Of met een zalige anekdote. Om meteen de sfeer te bepalen. Ik vond het leuk om te zien hoe elk woord, hoe elke zin, hoe elke grap viel in die zaal. En om meteen weer op die reactie uit de zaal te reageren. Ja, zei mijn leraar, je kan het dus wel. Zou ik dan gewoon mijn recital moeten beginnen door de zaal toe te spreken? 

Twee weken geleden rondde ik mijn contractstudie aan het conservatorium af. En ik leerde dat ik de zaal niet moest toespreken. Ik moest zelfs het tegenovergestelde doen: ik moest de zaal negeren. Dat is mijn belangrijkste les van de afgelopen twee jaar.

Bij een toespraak ben je in voortdurende dialoog met de zaal. Je bent permanent alert op de reactie van de zaal. Je past je woorden aan. Je past je timing aan. Je past je grappen en anekdotes aan. En zo krijg je een hele zaal stil. In aandachtige stilte. En soms laat je een hele zaal weer even ontspannen. Maar niet in die mate dat ze de anekdote nog eens gaan navertellen aan hun buurman. Natuurlijk, dat lukt lang niet altijd. Maar het is wel het doel. De zaal aan je lippen. En daarom moet je interacteren met de zaal. 

Bij muziek is dat echt werkelijk anders. Bij muziek kan je niet je verhaal aanpassen aan de reactie van de zaal. Bij muziek moet je vooral spelen wat er staat. En bij voorkeur foutloos. Als het foutloos is, kan je nog eens proberen om je eigen muzikaliteit erin te leggen. Maar ook die muzikaliteit wordt begrensd door wat er staat. Om het als muzikant op een podium goed te doen, moet je de partij dus eindeloos hebben gestudeerd en moet je de concertsituatie vaak hebben nagebootst. Jaap van Zweden zei eens: ik had nooit podiumangst, want ik kende de partij. Ik vrees dat hij helemaal gelijk had. 

Ik heb vaak gespeecht aan de hand van enkele punten op een papiertje. Die punten kregen woorden in interactie met de zaal. Bij muziek staan al die woorden van te voren vast. Alle noten moeten worden gespeeld in het goede tempo. In feite zat mijn podiumervaring mij bij mijn fagot dus in de weg. Ik dacht: ik lul me er ter plekke wel uit. Maar op een fagot kan je niet lullen, maar alleen de goede of de verkeerde noten spelen. 

Op mijn examen begreep ik het eindelijk. Ik had al drie generales achter de rug toen ik het podium betrad. Ik had de composities al meer dan een jaar op mijn lessenaar staan. Beter zou ik de muziek nooit kunnen spelen. En ik werd rustig door me op de muziek te concentreren. Ik maakte een buiging naar het publiek, maar zag het niet. Op mijn vriendin na. En ik speelde. Zo goed mogelijk, zoals ik het allemaal had ingestudeerd. Ja, ik hoorde de stilte in de zaal. Die ervoer ik. Misschien voelde ik me wel gedragen door het publiek. Maar ik ging er geen andere noten van spelen of een ander tempo. Nee, ik concentreerde me op mijn eigen partij. 

Een vriend zei: “Je was erg geconcentreerd”. Maar dat ben ik ook als ik een congres voorzit of een zaal toespreek. Maar dan concentreer ik me op de interactie met de zaal. Nu concentreerde ik me op mijn partij. En ik had het gevoel dat ik mijn podiumangst voor het eerst een beetje onder controle had. Misschien had ik wel met één bètablokker kunnen volstaan. 

Studie afgerond aan Conservatorium van Amsterdam

juni 7, 2018 by  
Filed under fagot, Geen categorie

Twee jaar lang ben ik contractstudent geweest op het Conservatorium van Amsterdam. Op maandag 4 juni 2018 heb ik deze periode met een recital afgesloten. Over het begrip contractstudent bestond nogal eens verwarring. Maar in de praktijk was volstrekt helder wat me te doen stond. Les krijgen en heel veel studeren. 

Het aardige van een conservatorium is dat je een ‘meester-gezel-relatie’ hebt met je hoofdvakdocent. De sfeer is zeer vriendschappelijk, maar als de meester zegt dat je harder moet studeren dan heeft het geen zin om te zeggen dat je ‘dat anders ziet’. Of als de meester zegt dat de G weer te hoog is, of dat de eerste frase pas in de zesde maat eindigt. Dat is het grappige verschil met een promovendus aan de universiteit. Die komen er wel mee weg als ze zeggen ‘dat ze het anders zien’. Althans in mijn vakgebied. 

Ronald Karten was mijn hoofdvakdocent. Tussendoor had ik les bij Jos de Lange en Simon Van Holen. En volgde ik een paar keer een masterclass bij Gustavo Núñes en Mette Laugs. Ronald put altijd uit zijn grote muzikaliteit, Jos is analytisch heel sterk, Simon leert hoe je moet studeren en hoe je techniek (in mijn geval: een beetje) beter wordt. Gustavo is de man van de ongelofelijke perfectie. En Mette weet waar elke noot vandaan moet komen. Myrthe Westerop deed intussen dappere pogingen om mijn houding te verbeteren met Alexander-techniek.

Wat al deze mensen gemeen hebben is hun grote gedrevenheid, hun liefde voor de muziek, hun aardigheid en vooral hun bescheidenheid. Zo heb ik kunnen zien hoe ongelofelijk veel het kost om als beroepsmusicus te slagen. Wat een doorzettingsvermogen, vanzelfsprekend naast een groot talent. Om dat twee jaar van dichtbij te mogen zien, heeft me het meeste verrijkt. 

Ja, ik speel ook beter fagot dan twee jaar geleden, maar dat zal, vrees ik, tijdelijk blijken te zijn. Dus luister goed vanavond. 

Het programma is geleidelijk ontstaan in de afgelopen twee jaar. Ik heb gekozen voor drie werken die me erg na aan het hart liggen. 

Telemann componeerde zijn sonate in es klein voor viola da gamba. Deze prachtige sonate laat zich goed op de moderne fagot spelen. De hoge noten herinneren aan de gamba. Ik word begeleid door twee vrienden met wie ik al heel veel jaren geleden barokmuziek maakte.

Olthuis was jarenlang fagottist van het Concertgebouworkest. Daarnaast componeerde hij onder andere dit Divertimento, dat hij opdroeg aan zijn collega Ronald Karten. Het voldoet geheel aan mijn definitie van goede muziek: muziek die nooit verveelt. Ik weet niet of de toehoorder dat na één uitvoering al kan vaststellen. 

Beethoven schreef zijn Trio voor fluit, fagot en piano nog in de tijd dat hij in Bonn woonde, waarschijnlijk in 1786. Hij moet toen ongeveer 16 jaar oud zijn geweest. Ik heb het gekozen omdat ik dol ben op Beethoven, die heel veel werken heeft gecomponeerd die je steeds weer wilt horen. Maar misschien is een andere reden nog belangrijker: de fagot is in wezen geen solo-instrument. Het is vooral een instrument voor het samenspel, het is een instrument dat moet verbinden door te kleuren. Ik speel hier samen met Ellen Alberts en Jaap Kooi, beiden professionele musici. Met Ellen speelde ik ooit samen in het Regionaal Jeugdorkest en in het orkest van het Conservatorium van Groningen. Jaap is één van de correpetitoren van het CvA, van wie ik veel heb geleerd. 

Dit recital is één groot dankwoord aan de geweldige musici van wie ik de afgelopen twee jaar les heb gehad.

 

Programma van het recital

 

Georg Philipp Telemann, Sonate in e klein voor fagot en continuo

Cantabile – Allegro – Recitativo – Arioso

Petra de Man, cello; Theo Goedhart, klavecimbel

Kees Olthuis, Divertimento

Andante – Giocoso – Andante – Giocoso

Ludwig van Beethoven, Trio in G groot voor fluit, fagot en piano, WoO 37

Allegro – Thema, Andante con variazioni

Ellen Alberts, fluit; Jaap Kooi, piano

 

Stein van Eden maakte met zijn iPhone een paar leuke opnamen:

 

 

 

 

 

 

 

De musicus

juni 7, 2018 by  
Filed under artikel, fagot

De afgelopen twee jaar heb ik gestudeerd aan het Conservatorium van Amsterdam. Wat een bijzondere wereld en wat een bijzondere mensen, die musici. Ik heb mijn hele leven in de wetenschap gezeten en in het openbaar bestuur. Ik heb daar veel gedreven mensen meegemaakt, ook veel creatieve mensen. Maar het lijkt alsof bij musici alles intenser is. Heftiger, emotioneler. Naast musici zijn heel veel andere mensen plotseling heel erg saai. Hoe komt dat? Er zal ongetwijfeld veel over geschreven zijn. Niets daarvan heb ik gelezen. Ik observeer slechts en ik zie dat de echte musici drie eigenschappen hebben en drie kenmerken. Ja, ik blijf wetenschapper. Eerst de eigenschappen. 

Musici hebben creatieve talenten die andere mensen ontberen. Ze kunnen andere mensen met hun uitvoeringen in vervoering brengen. Ze roepen bij toehoorders het gevoel op: “dit zou ik nooit kunnen”. Een muurtje metselen kan iedereen leren, een proefschrift schrijven is voor velen met uithoudingsvermogen weggelegd, maar Beethoven als ‘nieuw’ laten klinken, vraagt een enorm talent, dat slechts enkelen is gegeven. 

Musici roeren mensen omdat ze hun eigen emoties toevoegen aan de muziek zoals die geschreven staat. Het is meer dan muzikaliteit, het is persoonlijk. Elke grote musicus drukt zijn of haar eigen stempel op de muziek. Natuurlijk, ook wetenschappers zijn heel herkenbaar in hun werk. De ene is meer consciëntieus, de andere verrast vaker. Ook dat zijn persoonlijke verschillen, maar persoonlijke emoties gaan veel dieper. En een musicus moet diep gaan om echt te roeren. 

Musici hebben enorme technische gaven. Al die emoties komen pas tot hun recht door een ongelofelijke beheersing van het instrument. En om het eigen instrument werkelijk te beheersen moet er ontzettend veel worden gestudeerd. De verhalen van violisten die tijdens het wachten op luchthavens nog maar een uur toonladders gaan studeren. De verhalen van pianisten die minimaal acht uur per dag studeren. En ze moeten blijven studeren om hun niveau vast te houden. 

Die combinatie van creatief talent, emoties en techniek leidt tot een heel herkenbaar gedrag. Ik observeer (weer) drie verschijningsvormen. 

Een musicus is op elk moment van de dag musicus. Het kan zijn dat mijn beeld te romantisch is. Ook een musicus eet spruitjes. Maar toch is hij in zijn hoofd altijd bezig met het volgende concert. 

Een musicus is gedreven. Een gedrevenheid die misschien wel het beste wordt gesymboliseerd door de hechte band met het instrument. Cellisten sjouwen met hun cello, violisten en fagottisten dragen hun instrument vaak op hun rug met zich mee. Zo ziet gedrevenheid eruit. 

Gedrevenheid en emoties dragen ertoe bij dat onderlinge relaties vaak intenser zijn of op zijn minst intenser lijken. Het maakt toch uit of je als wetenschapper met enkele collega’s een artikeltje hebt geschreven of als musicus met enkele collega’s een strijkkwartet van Beethoven in vele sessies hebt doorgrondt. 

En dat alles leidt voor mij tot de conclusie dat musici vooral een rijk leven hebben. Of het een gelukkig leven is, is een andere vraag.

Vanwaar dat klagen over #gemeenteraden

mei 21, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

Wim Voermans was bijna een groot man geweest in de wereld van het lokaal bestuur. Hij kreeg als wetenschapper veel geld om onderzoek te doen naar het functioneren van de gemeenteraad. Een commissie onder leiding van toenmalig wethouder Kajsa Ollongren zou zijn onderzoek omzetten in een belangrijk advies. Het liep allemaal anders. Voermans was te positief over de gemeenteraden volgens zijn opdrachtgever, de VNG. Hij werd vakkundig kaltgestellt. Voermans kreeg meer geld om langer onderzoek te doen en de  VNG riep snel een andere commissie in het leven onder leiding van Wim van den Donk. Het resultaat liet zich voorspellen: Van den Donk meldde dat er veel mis is met het functioneren van de gemeenteraad. En dat wilde de VNG blijkbaar horen. 

Overigens heb ik me (hier) al eerder verbaasd over dat rapport van Wim van den Donk. Het was een somber rapport. Alarmbellen gingen af over het lokaal bestuur. Maar de adviezen van de commissie waren zeer mager. Het dualisme tussen gemeenteraad en College van B&W moest worden geëvalueerd en de wijze van benoeming van de burgemeester moest onaangetast blijven. Dat was alles. Ik dacht meteen al: als er zo weinig hoeft te veranderen, zal er ook niet zoveel aan de hand zijn.

Voermans verwerkte samen met Geerten Waling alle opgedane kennis in een leesbaar boek: Gemeente in de genen. Bovenstaande anekdote komt pas aan het slot van het boek aan bod. En dan pas gaan Voermans en Waling helemaal los. Ze schrijven dat ze zich ergeren aan het geklaag van de bestuurlijke elite over de lokale democratie en met name over het zogenaamde slechte functioneren van gemeenteraden. Ze verbazen zich over alle voorstellen voor andere vormen van democratie (“meervoudige democratie” in de woorden van Van den Donk) die door de bestuurlijke elite worden gedaan. Denk aan de G1000-projecten in tal van steden, waar willekeurige burgers (soms bij loting aangewezen) debatteren over de toekomst van hun stad. 

Tegelijkertijd hebben ze er wel een verklaring voor. Met politicoloog Tom van der Meer constateren ze dat er weinig mis is met onze democratie, maar veel mis is met de bestuurscultuur van de oude partijen. De oude partijen beginnen hun grip op het geheel te verliezen en komen juist daarom, volgens Voermans en Waling, met al die voorstellen voor andere vormen van democratie. Let op: vanuit de gedachte dat die nieuwe vormen van democratie door de elite gemakkelijker zijn te bespelen dan de oude gemeenteraad.

Waarom zou dat zo zijn? Ten eerste verliezen de oude politieke partijen snel terrein in de gemeenteraden (vooral ten gunste van lokale partijen die veel meer een doorsnee zijn van de bevolking dan de hoogopgeleide vertegenwoordigers van de bestuurlijke elite). En ten tweede worden de uitkomsten van al die nieuwe vormen van inspraak, participatie, doe-democratie etc. vaak bepaald door de hoogopgeleiden. Als ze al een uitkomst hebben. Zeg maar, de mensen waarmee de oude elite veel verwantschap voelt. Er moeten dus nieuwe vormen van democratie komen, omdat de elite haar grip op de oude democratie aan het verliezen is.

Het is een interessante gedachte. Maar ben ik het ook eens met die stelling?

Ik heb me inderdaad al tijden verbaasd over die voorliefde voor andere vormen van democratie bij mensen die in de ‘oude democratie’ groot zijn geworden. Annemarie Kok vroeg zich eerder af: vanwaar toch die ‘weg-met-ons-mentaliteit’? Maar ik zag het vooral als een wanhoopspoging, vanwege die vermeende kloof tussen burgers en politiek. Vanwege het vermeende afnemende vertrouwen in politici. Ik zag het toch vooral als een poging om de burgers weer meer bij de politiek te betrekken.

Maar Voermans en Waling gaan veel verder. Zij zien de nieuwe democratische vormen als een instrument van de bestuurlijke elite om de macht vast te houden die gaandeweg in de gemeenteraden is verloren. Die veronderstelde kloof is geen kloof tussen politiek en burgers, maar een kloof tussen de huidige elite en de nieuwe burgers. 

Een aantal feiten valt niet te ontkennen:

Ten eerste: ik ken geen onderzoek dat aantoont dat gemeenteraden tegenwoordig minder functioneren dan vroeger, zeker als het primaire doel is van de gemeenteraad om de bevolking te representeren. 

Ten tweede: er is veel onderzoek dat aantoont dat al die nieuwe vormen van democratie (buiten de gemeenteraad om) vooral ten goede komen aan hoogopgeleiden en dat de Colleges van Burgemeester en Wethouders vaak subtiel gebruik dan wel misbruik weten te maken van de uitkomsten van die nieuwe vormen van democratie. 

Ten derde: al die nieuwe vormen van democratie zijn inderdaad nooit bedoeld om onderwerpen aan te kaarten die de politieke en bestuurlijke elite onwelgevallig zijn. Asielzoekers moeten wel een woning krijgen, vliegtuigen moeten wel blijven vliegen, Polen moeten hier wel kunnen werken, het klimaat moet wel veranderen. 

Ten vierde: vooral in sociaal-democratische hoek zijn veel voorstanders van de nieuwe vormen van democratie te vinden (Plasterk, Wallage etc). De PvdA is in de laatste decennia haar positie in het lokaal bestuur (in de gemeenteraden) geheel kwijtgeraakt. Lokale partijen hebben overigens geen nieuwe vormen van democratie nodig om contact te houden met de bevolking. 

Ten vijfde: nadat ze aanvankelijk enthousiast waren over het referendum, draaien oude politieke partijen momenteel dit instrument weer de nek om, mede omdat de uitkomsten helemaal geen ondersteuning waren voor hun beleid. Worden nieuwe vormen van democratie alleen toegejuicht zolang ze een middel zijn om het beleid van de politieke en bestuurlijke elite te legitimeren? 

Misschien zijn Voermans en Waling wel te cynisch, maar misschien was mijn geloof in de politieke en bestuurlijke elite nog te groot. Ik weet niet wat erger is. 

Een prachtig eerbetoon aan Max van der Stoel @AnetBleich

mei 14, 2018 by  
Filed under artikel

Wat een prachtig eerbetoon aan Max van der Stoel, die biografie van Anet Bleich.  Zorgvuldig, goed gedocumenteerd, evenwichtig en goed geschreven. Ik heb het niet alleen met veel plezier gelezen; het heeft mijn bewondering voor Van der Stoel ook doen toenemen. Een staatsman, van on-nederlandse allure.

Waren we ons dat in die tijd echt bewust? Hoeveel Van der Stoel in de wereld heeft betekend voor de democratie en voor minderheden. Voor de mensenrechten. Dat Van der Stoel als een held in Griekenland is onthaald. Dat er een straat naar hem zijn vernoemd in Tsjechië? Waarom hebben we hem nooit op die manier in Nederland geëerd? Omdat wij niet van politieke helden houden? Of hebben we echt nooit goed beseft hoever hij uitstak boven de rest?

Misschien is nog wel pijnlijker dat Van der Stoel, achteraf gezien, vaak heel erg gelijk heeft gehad. Misschien was hij soms wat te aarzelend, maar in de internationale diplomatie gaat zorgvuldigheid boven haast. Misschien was hij soms iets te Atlantisch, maar dat kwam ook omdat zijn afkeur van dictaturen zowel voor rechtse als voor linkse dictaturen gold. Hoe juist, zouden we nu zeggen.

Veel van zijn inzichten blijken achteraf in ieder geval veel houdbaarder dan de gemakkelijke standpunten die veel van zijn ‘linkse’ tegenstanders innamen. Erkenning van de DDR. Uittreden uit de NATO. Kernwapens de wereld uit, te beginnen uit Nederland. En omdat Van der Stoel daarover allemaal veel genuanceerder en wijzer dacht, noemde kamerlid Relus ter Beek hem bot ‘kleurloos’. En dat hebben we eigenlijk met zijn allen gewoon laten gebeuren.

Nu zouden we zeggen dat Van der Stoel een heldere, herkenbare visie had. En dat niet alleen. Het is verrukkelijk om in Bleich’s biografie te lezen hoezeer Van der Stoel het politieke handwerk verstond. Misschien is dat op het internationale toneel nog wel veel belangrijker dan in Den Haag. Hier kan nog wel eens geblunderd worden, daar wordt elk klein foutje afgestraft. Van der Stoel was een meester in het politieke handwerk, en werd daarbij bepaald niet altijd door zijn conservatieve departement gesteund. Ja, ook daar verstonden ze het handwerk, maar soms wel tegen de orders van de eigen minister in. 

In 1981 was het verrassend dat Van der Stoel (nog even) terugkwam als minister van Buitenlandse Zaken. Dat was in feite te danken aan één man: Joop den Uyl, zijn oude makker van de WBS uit de jaren 50. En natuurlijk zijn politiek leider en de premier in zijn vorige kabinet. In de PvdA genoot Van der Stoel weinig steun. Pijnlijk, pijnlijk. Het was de tijd dat PvdA-voorzitter Ien van den Heuvel met (VARA-man en lid van het partijbestuur van de PvdA) Jan Nagel naar Oost-Berlijn gingen, waar Nagel de historische woorden sprak dat de Berlijnse Muur “historisch gezien juist was”. Tenenkrommend. Ook toen al. Maar toch. Bij velen bestond in die tijd werkelijk het idee dat die Van der Stoel te conservatief was, niet geschikt was voor Buitenlandse Zaken. Wat is Van der Stoel in die tijd miskend. En wat is het rechtvaardig dat hij nu met deze prachtige biografie wordt geëerd. 

Dankjewel, Anet Bleich!

Wie we herdenken op 4 mei

mei 4, 2018 by  
Filed under Geen categorie

Er was protest tegen de herdenking van de oorlogsslachtoffers op 4 mei. De verontwaardiging daarover was groot. Velen meenden dat we beter maar niet konden reageren.  En die verontwaardiging was voor een deel ook zeer terecht. Het is goed dat we minimaal eens per jaar alle burgers en alle militairen herdenken die sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in oorlogssituaties zijn omgekomen of vermoord. Om te gedenken hoe belangrijk vrede en vrijheid zijn. 

Maar verontwaardiging die het denken smoort, kan nooit de bedoeling zijn. Zeker niet op dit moment. Want zo moeten er nog steeds vragen worden gezet bij de oorlogsmisdaden die door Nederland zijn gepleegd in de Vrijheidsoorlog van Indonesië. Zoals de Nederlanders in de oorlog door de Duitsers werden onderdrukt, zo werden de Indonesiers in de jaren daarna door Nederlanders onderdrukt. En zoals de Duitsers oorlogsmisdaden pleegden, zo pleegden Nederlanders oorlogsmisdaden. Het is hard maar waar. 

En daarbij zet ik de oorlogsmisdaden van de Duitsers niet op één lijn met de oorlogsmisdaden in het voormalige Nederlands Indië. Omdat elke oorlogsmisdaad op zich moet worden veroordeeld. Maar het is wel wrang dat de slachtoffers van de Nederlandse oorlogsmisdaden op 4 mei niet worden herdacht, vanwege het simpele feite dat het niet om Nederlandse slachtoffers gaat. En we herdenken wél degenen die zijn omgekomen bij het plegen van oorlogsmisdaden in Indonesië. Het zou beter zijn om beiden te herdenken. 

Bij het schrijven van deze woorden voel ik mijn eigen ongemak. Waarom moet ik dit oprakelen terwijl we zo saamhorig onze eigen oorlogsslachtoffers herdenken? Misschien wel omdat we ons eigen oorlogsverleden in Indonesië nog steeds niet echt onder ogen durven zien.

Volgende pagina »