De PvdA revisited

juni 28, 2019 by  
Filed under Geen categorie

Frans Timmermans kreeg mijn stem bij de laatste verkiezingen. Hij stak er gewoon met kop en schouders bovenuit. Daarmee zou ik mijn blog kunnen beëindigen. Maar mijn keuze voor Timmermans heeft me aan het denken gezet.

In 2017 legde ik in een blog uit waarom ik niet op de PvdA zou stemmen. Hoewel ik al bijna 50 jaar lid was van die partij. Het programma van GroenLinks sprak me meer aan. Ik had het gevoel dat de PvdA de achterban was kwijtgeraakt die mij met die partij verbond. En er waren geen strategische redenen meer om voor de PvdA te stemmen. Ook met mijn stem zou Lodewijk Asscher dik van Mark Rutte verliezen. 

Aukje van Roessel legde meteen de vinger op de zere plek. Dit waren geen argumenten voor een strategische stem bij de verkiezingen. Dit waren argumenten waarmee je afscheid neemt van een partij. Ik had in 2016 en 2017 al meer schepen achter me verbrand en meende pardoes dat ik ook de PvdA wel kon verlaten. In de energie van het moment meldde ik me meteen aan bij GroenLinks. Omdat een burger lid hoort te zijn van een politieke partij. 

En daar zat ik dan. Ik kreeg zo af en toe een Nieuwsbrief van mijn nieuwe club. Ik kreeg uitnodigingen voor congressen en festivals, maar voelde me niet echt uitgenodigd. Dat herkende ik wel van de PvdA, maar het lag dit keer ook echt aan mij. Die nieuwe partij raakte me niet. Ook bij de verkiezingen bleef ik zwalken. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2018 stemde ik PvdA, mede omdat GroenLinks in mijn gemeente niet meedeed. Bij de Statenverkiezingen van 2019 stemde ik GroenLinks. Maar bij de uitslagen keek ik toch vooral naar de PvdA. 

Langzaam begon ik te beseffen dat je wel je lidmaatschap kan opzeggen van een partij, maar dat daarmee je hondentrouw niet meteen is verdwenen. Ik was meer dan 45 jaar lid geweest van de PvdA. Ik was bij vlagen zeer actief geweest, zowel plaatselijk als landelijk. Zo’n partij gaat ergens in je botten zitten. En die botten merken niet eens dat je formeel je lidmaatschap hebt opgezegd. 

Bij verkiezingen treurde ik dan ook meer om het verlies van ‘de partij’ dan dat ik me verheugde over de winst van GroenLinks. Als Lodewijk Asscher een boek schreef dat deels teleurstellend was, verlangde ik naar meer. Als standpunten van GroenLinks plichtmatig waren, hetgeen vaak het geval was, voelde ik geen behoefte om daartegen intern te protesteren. Ik ergerde me slechts heftig aan de cultus rondom Jesse Klaver, maar ook daarover liet ik mij binnen die partij niet horen. Eigenlijk raakte GroenLinks me niet. Ja, eenmaal kwam ik in actie. Toen dat ene brave kamerlid, dat iets had gezegd over de mislukking van het sociaal leenstelsel voor studenten, onderuit werd geschopt door de Leider. Ik zegde meteen mijn lidmaatschap weer op.

Ik geef toe: in de PvdA zijn de manieren ook niet altijd om over naar huis te schrijven. Ook in de PvdA worden mensen afgebrand en geofferd op het altaar van de Leider. Maar daar accepteerde ik dat soort dingen altijd wel. Misschien omdat de PvdA er eerlijk vooruit komt niet de idealistische partij te zijn die GroenLinks claimt te zijn. Misschien omdat ik altijd wel vrienden had in de partij, die even hard scholden op de Leider als ik. En misschien vooral omdat de PvdA mijn partij was.

En is.

Ik moet dus gewoon ophouden met dat gekke gedoe. Dat zoeken. Die twijfel. Ik behoor lid te zijn van die partij. Ik heb me gisteren weer aangemeld. Dat geeft me in ieder geval weer het recht om over ‘de partij’ te mopperen.

Ja het spijt me dat ik de partij voor het historische dieptepunt van 2017 heb verlaten. Het voelt ook ongemakkelijk om weer terug te komen na de historische winst van Frans Timmermans. En nu de partij weer in de peilingen klimt. Maar je kan ook zeggen dat velen even behoefte aan afstand hadden. En dat dat enige hoop geeft voor de toekomst. 

Mensen in nood zijn welkom, de anderen als ze nodig zijn

juni 17, 2019 by  
Filed under artikel

Ik worstel. Ik worstel met de winst van de sociaal-democraten in Denemarken. Ik worstel met de IND. Ik worstel met een vastlopende rechtsstaat. Ik worstel wellicht met een bias.

De Deense sociaal-democraten wonnen de verkiezingen en de Deens PVV verloor de helft van zijn stemmental. De oorzaak was simpel: de sociaal-democraten kozen abrupt voor een heel ander migratiebeleid. Zeg maar: een heel hard migratiebeleid. De oude kiezers keerden abrupt terug op het oude nest. Die winst van de sociaal-democraten is op zich geen reden om het migratiebeleid aan te scherpen. Die winst zet wel aan tot nadenken. Blijkbaar waren oude kiezers nogal fors in de steek gelaten. De vraag is: hadden ze gelijk?

De IND is niet in staat om criminele asielzoekers het land uit te zetten. Een combinatie van een grote organisatie en een soft beleid. Mensen die in hun eigen land moeten vrezen voor hun leven, moeten gastvrij worden ontvangen. Maar waarom mogen we van gasten niet vragen dat ze zich netjes gedragen. Persoonlijk heb ik geen enkele moeite om tegen mijn eigen gasten vriendelijk te verzoeken om morgen na het ontbijt te vertrekken, als ze te veel hebben gedronken. Waarom zouden we criminele gasten dan niet direct weg sturen?

De rechtsstaat beschermt de Nederlandse burger tegen de Nederlandse staat. Iedereen is gelijk voor de wet en de overheid mag alleen optreden binnen de grenzen van de wet. En ook dan nog hebben burgers veel rechten om zich tegen overheidshandelen te verweren. Maar moet al die rechtsbescherming ook gelden voor mensen die vriendelijk vragen om binnen te mogen komen? Ze zijn immers nog geen lid van de gemeenschap. Snelheid lijkt me daar te prefereren boven bovenmatige rechtsbescherming. Er is wel een belangrijke voorwaarde: allen die het Nederlandschap hebben verworven, zijn gelijk voor de wet.  

Ik heb een bias, die loopt van de Tweede Wereldoorlog tot het multiculturele drama van Paul Scheffer. Die bias behelst dat ik discrimineer als ik iemand van een andere kleur of cultuur de toegang tot dit land zou willen ontzeggen. Die bias fluistert me in dat asielzoekers nauwelijks crimineler zijn dan autochtone leeftijdgenoten. Die bias maakt me vooral bang om onderscheid te maken tussen insiders en outsiders. Intussen blijven criminele asielzoekers gewoon crimineel. Bovendien weet ik maar al te goed dat mijn afkeer om anderen toegang tot dit land te ontzeggen, goed gedijt in wijken waarin migranten nu juist niet wonen en onder mensen die zich geen zorgen hoeven te maken over hun baan. Dat ligt nogal anders voor mensen die een reële angst hebben dat hun portieken en hun banen wel door migranten worden overgenomen. En die hun verzorgingsstaat zien afkalven, omdat asielzoekers een bovenmatig beroep doen op de uitkeringen. Ja, wat is het eenvoudig om gastvrij te zijn, als je van de gast nooit last hebt.

Dat is mijn worsteling. Ik heb steeds meer behoefte om mijn redenering van voren af aan opnieuw op te bouwen. Geen analyse. Geen beschouwing met cijfers en getallen. Geen bestuurskunde, geen sociologie. En al helemaal geen politieke filosofie. Geen verhaal over wat zou kunnen en wat zou moeten. Maar gewoon een grondhouding. Hoe sta ik tegenover de komst van asielzoekers, hoe sta ik tegenover de komst van arbeidsmigranten? Ja, ik merk dat ik vooral dat onderscheid wil maken: tussen mensen die in levensnood verkeren en mensen die om andere redenen naar Nederland willen migreren. 

Voor mensen in levensnood (oorlog, geweld) moet altijd plaats zijn. Dat is een kwestie van barmhartigheid. Maar waarom zouden we accepteren dat asielzoekers ook na vele jaren nog niet zijn geïntegreerd? Dat hun werkloosheid na 20 jaar nog vele malen hoger ligt dan bij de autochtone bevolking. Gastvrijheid genieten verplicht om snel op eigen benen te gaan staan. Dat Deense idee van een verplichte kinderopvang, met als oogmerk de taal snel te leren, is zo gek nog niet. Gastvrijheid genieten verplicht ook om niet langdurig gebruik te maken uitkeringen. Hoe fnuikend is ook de hoogte van onze uitkeringen, onvergelijkbaar met de ondersteuning in het land van herkomst? Er is geen enkele reden om asielzoekers te bevoordelen boven mensen die (al) in Nederland wonen.

Laten we ook eens helder zijn over de rechten van mensen die asiel vragen. Wat is erop tegen als zij minder rechten hebben dan mensen die het Nederlanderschap al eerder (bij geboorte of bij naturalisatie) hebben verworven? Er is geen legitieme reden voor tijdrekkende rechtsbescherming. Die asielprocedure hoeft in een rechtsstaat, waarin de rechtsbescherming alleen een recht is van de leden, niet langer te duren dan een half jaar. Asielzoekers wier leven niet wordt bedreigd of criminele asielzoekers worden teruggestuurd. En waarom krijgen statushouders geen proeftijd van, zeg, vijf jaar? Wie zich in deze periode misdraagt, wordt alsnog uitgezet. Ook wie geen enkele poging doet om een bestaan op te bouwen in het nieuwe land, verliest zijn recht op verblijf. Tegenover gastvrijheid mag men toch wel hoffelijkheid verwachten?

Dus ook als er sprake is van levensbedreigende situaties, worden er strenge eisen aan een definitief verblijf gesteld. Omdat ik niet wil dat insiders zich ontheemd gaan voelen. Outsiders moeten (als ze elders hun leven niet veilig zijn) insiders kunnen worden, zonder dat insiders op hun beurt het gevoel krijgen outsiders te zijn. 

En wat moet het antwoord zijn op de komst van al die anderen die hier alleen komen om een nieuwe toekomst op te bouwen? Laat voorop staan dat hun wens volstrekt legitiem is. Hier zijn de kansen op economische voorspoed ongetwijfeld groter dan in veel andere landen. Uit solidaire overwegingen en vanuit de gedachte dat andere culturen een verrijking zijn voor ons land, is vaak aan die legitieme wensen van outsiders toegegeven. Ook economisch zijn er veel voordelen aan arbeidsmigranten verbonden. Veel sectoren kunnen momenteel al niet meer zonder arbeidsmigranten. Maar ook: hoe meer arbeidsmigranten, hoe meer verdringing op de arbeidsmarkt dreigt. En hoe minder kansen voor mensen die hier al een bestaan hebben opgebouwd. Die hier geboren en getogen zijn. Ik merk dat ik mijn woorden zorgvuldig zoek, dat ik tastend tot een redenering kom. De kern van de vraag is: heeft de insider meer rechten dan de outsider? En het antwoord op die vraag werd in het publieke debat vaak door insiders gegeven die van outsiders geen last hadden. Laten we daarentegen redeneren vanuit de positie van de insiders wier belangen wel door de komst van arbeidsmigranten worden geschaad. 

Mogen wij onze welvaart onthouden aan hen die veel minder welvarend zijn? We leven in een verzorgingsstaat waar het recht van eigendom wettelijk is verankerd. We doen elke nacht ons wc-raam dicht om het stelen van onze eigendommen te voorkomen. En waarom zou het dan niet legitiem zijn om onze welvaart als ons eigendom te beschouwen? En om anderen daarvan uit te sluiten? Op zijn minst gedeeltelijk? Natuurlijk ben ik graag solidair. Maar het wordt wat magertjes als mijn solidariteit juist ten koste gaat van mensen die in onze samenleving al weinig kansen hebben. 

Het toelaten van arbeidsmigranten moeten we dus koppelen aan de kansen van de insiders. Als hun kansen niet worden geschaad, is en ruimte voor outsiders. Arbeidsmigranten laten we toe voorzover ze nodig zijn. 

Ja, wellicht is dit standpunt niet erg verrassend. Maar het heeft mij toch vele jaren gekost, voordat ik hier uitkwam. 

Bell, de onderkoning onder de fagotten

juni 16, 2019 by  
Filed under fagot

Natuurlijk, de Heckel is onovertroffen. Maar de Heckel heeft een waanzinnige levertijd (tot 15 jaar) of is überhaupt niet meer te bestellen. De website van de firma Heckel is in ieder geval onbereikbaar. En als je een nieuwe Heckel op de kop kan tikken, betaal je de hoofdprijs. Dus zelfs professionals hebben tegenwoordig goede redenen om over een ander instrument na te denken. Bijvoorbeeld een Bell. Een B.H. Bell uit Canada. Daarover gaat dit verhaal. 

Ik ben een groot liefhebber van de Bell, ik bespeel er zelf één. Dat kwam zo. Jaren bespeelde ik een hele oude Heckel, één uit de 5.000-serie. Het was een prachtig instrument, maar met kuren. Maarten Vonk en Max Vera hebben zich jaren uitgesloofd om hem ‘aan de onderkant’ tochtvrij te maken. Maar dat duurde in de regel niet lang. En omdat de prijzen van oude Heckels de laatste jaren omhoog schoten (vanwege die lange levertijden), kwam een Bell binnen bereik. Ik geef toe nog een fors bedrag: voor € 35.000 heb je een nieuwe. En nu ben ik dolenthousiast over de Bell. Een goed uitgangspunt voor een objectief stukje over de Bell, als onderkoning onder de fagotten. 

Om mijn stukje nog subjectiever te maken sprak ik langdurig met Gustavo Núñez, die samen met Max Vera de importeur van Bell is voor Europa. Maar wat maakt het uit: het is gewoon een fantastisch instrument. Laat je overtuigen en ga eens naar de website van Bell: www.bellbassoons.com en luister naar een weinig diepgravende compositie voor twee fagotten en orkest. Die klank is onovertroffen. 

Benson Bell stond al jaren bekend als een hele goede fagot-reparateur. Een geheim-tip voor insiders. Als je echt een probleem met je Heckel had moest je maar naar Benson Bell in de buurt van Toronto. Ja, in de middle of nowhere. Bell had als reparateur jarenlang studie gemaakt van Heckels. Hij had er honderden, misschien wel duizenden opgemeten, aan de binnenkant. Hij ontdekte dat er grote verschillen bestaan tussen Heckels. En hij wist welke Heckels beter waren dan andere Heckels. Zo kon hij je soms helpen als je niet helemaal tevreden was mijn je Heckel. 

Op een gegeven moment, een jaar of 25 geleden, zei hij tegen een klant die met een Heckel met problemen bij hem kwam, dat hij hem wilde repareren, maar dat hij ook bereid was een nieuwe fagot te bouwen die beter was dan deze Heckel ooit zou worden. Hij hield woord. Hij bouwde een een nieuwe Bell naar een Heckel 7000. En de nieuwe eigenaar wilde nooit meer iets anders dan een Bell.

In het begin van deze eeuw kwam ook Gustavo Núñez in contact met Bell. Een leerling van een collega uit Toronto wilde een lesje nemen en bezocht Gustavo in New York, waar het KCO net was neergestreken voor zijn jaarlijkse reis naar de United States. De leerling deed zijn fagotkist open en Gustavo wilde meteen weten wat voor instrument het was. Het was een Bell. Hij klonk zo goed, dat Gustavo tijdens een volgende reis naar Toronto een bezoek bracht aan Benson Bell. En meteen een Bell bestelde. Nummer 42. Hij zou er bij terugkomst in Amsterdam meteen Mahler 1 op spelen. Vader Jacob op Bell. Later raakte hij verknocht aan nummer 57, nog te beluisteren op een opname van de Vuurvogel van het KCO. Nog later kocht hij een derde Bell, nummer 113, waarmee hij een prachtige eigen CD-opname maakte van het “Capricho van Kees Olthuis en de “Ciranda” van Villa-Lobos voor Channel Classics. Maar zoals Heckels onderling verschillen, verschillen ook Bells. De nieuwste Bell van Núñez was vooral geschikt voor kamermuziek, niets voor de grote zaal. Zal wel aan het hout hebben gelegen. Zoals nummer 57 uit heel mooi hout is gemaakt en nog steeds door Gustavo wordt bespeeld. 

Waarin zit die schoonheid van de Bell? In het geluid, in de egaliteit en in de perfectie. Natuurlijk een Heckel (een goede Heckel) is onovertroffen. Met een Heckel kan je beter kleuren en beter afstemmen op anderen. Maar qua klank doet de Bell nauwelijks voor hem onder. Opvallend is ook dat Heckel en Bell de enige fagotten zijn die van binnen zijn gelakt. En de Bell is heel egaal. Niet in negatieve zin (vlak), maar in positieve zin: de noten verschillen nauwelijks onderling in klank. Bovendien is hij zo zuiver, dat je bijna niets hoeft te doen. En wat is zijn mooiste register? Persoonlijk hou ik erg van zijn hoge G, Gustavo roemt het hele tenorregister (van middel Bes, naar hoge As). Maar natuurlijk is dat allemaal betrekkelijk bij een zo egaal instrument. Zijn lage D is bijvoorbeeld ook opvallend helder en bovendien niet te hoog. 

Bell maakte in de beginjaren 4-6 fagotten per jaar. Tegenwoordig zijn dat er 10-12. Zelf heb ik nummer 150, inmiddels is hij boven de 180. Dat is natuurlijk een productie die onvergelijkbaar is met Heckel, of met Fox of met Yamaha, waarvan er duizenden zijn. Ja, Bell, is echt een instrument voor de liefhebber. Daarvan zijn er ook in Europa steeds meer te vinden. Momenteel wordt de helft van de productie in Europa verkocht. Zoals verteld zijn Gustavo en Max de importeurs van Bell voor Europa (amsterdambassooncenter.com). Ze hebben belangrijk voorwerk gedaan door een keuze te maken voor het Amsterdam-model. Bij Bell moet je over elke klep en elk rollertje zelf beslissen. Het Amsterdam-model is gewoon de fagot zoals Gustavo die zelf zou willen hebben. Natuurlijk kan je elk ander model ook in Europa kopen, maar bespaar je de moeite. Ik dacht met mijn leraar Ronald Karten na over elke klep en elk rollertje en kwam ook gewoon bij het Amsterdam-model uit.

Toch zou het zo maar kunnen gebeuren dat er over tien jaar geen nieuwe Bells meer worden gebouwd. Benson Bell is momenteel ongeveer 60. Hij heeft een man of drie in dienst. Maar die drie mannen ondersteunen alleen maar. Ze maken schroeven en kleppen en dat soort werk. Het echte bouwen en het spuiten doet Bell helemaal zelf. Er schijnt een zoon te zijn, die soms een handje helpt maar geen enkele ambitie heeft om de zaak van zijn vader over te nemen. Er is dus geen opvolger! Er is maar één oplossing: ga er zo snel mogelijk één kopen. Voordat ze niet meer worden gebouwd. 

[gepubliceerd in De Fagot]

Statistieken liegen niet

juni 4, 2019 by  
Filed under Geen categorie

Er zijn 1.600 kinderen kwijt in de asielzoekerscentra. Begrijpelijk dat de media daarvan uitgebreid melding maken. Ik zat (weer eens) in de auto en kreeg alles mee. Hoe erg het was. Mensenhandel, prostitutie. Dat zoiets in Nederland kan gebeuren. 

Maar duiding ontbrak. Laat duidelijk zijn: elk kind dat zoek raakt is er één te veel. Maar ik heb wel behoefte aan cijfers, aan statistieken. 

Mijn eerste vraag zou luiden: op welke periode hebben deze 1.600 kinderen betrekking. In de NRC las ik dat het om een periode van 4,5 jaar ging. Dus minder dan 400 kinderen per jaar. Maar die 4,5 jaar werd op de radio nergens genoemd.

Mijn tweede vraag zou luiden: hoeveel kinderen zijn niet kwijtgeraakt? Gaat het bij die 400 kinderen om 50% van alle kinderen, om 10%, om 1% of om 0,1%? 

Mijn derde vraag zou luiden: hoeveel volwassen asielzoekers raken per jaar kwijt in asielzoekerscentra? We weten dat veel uitgeprocedeerde asielzoekers niet teruggaan naar hun land van herkomst, maar ergens in de samenleving verdwijnen. Ik zou hopen dat ze hun kinderen meenemen in hun (formeel gedefinieerde) illegaliteit. Stel dat er kinderen niet meegaan met hun ouders bij hun vlucht uit een asielzoekerscentrum, dan zou dat een groter probleem zijn dan die “1.600 kwijtgeraakte kinderen”. 

Mijn vierde vraag zou zijn: hoeveel kwijtgeraakte kinderen raken in handen van mensenhandelaren? Ik begreep dat ook veel kinderen onderdak vinden bij familie in Nederland en Duitsland. Dat lijkt me voor een kind veel aangenamer dan om alleen in een asielzoekerscentrum te zitten. Hier raken geen kinderen kwijt, maar worden kinderen teruggevonden. 

Ja, een beetje statistiek is heel nuttig voor de duiding van een probleem. Als er al sprake is van een probleem. 

De stad, de markt en de wereld

mei 23, 2019 by  
Filed under De Stad, Geen categorie

Wie in de stad rondloopt komt ze nog vaak tegen: de armoedige huizen van de blije stadsvernieuwing uit de jaren zeventig en tachtig. Punaise-bouw. Ze zijn al lang weer aan renovatie toe. Maar toch stonden die woningen ergens voor. Voor de wederopstanding van de steden én voor een sterke lokale overheid. Na de oorlog waren de Nederlandse steden verpauperd en verkrot. Aanvankelijk waren sloop en kaalslag het enige antwoord. En groeikernen en suburbanisatie.Tot een nieuwe generatie het in de steden voor het zeggen kreeg. Er kwam een nieuw zelfbewustzijn. De stad werd opnieuw op de tekentafel gelegd. In al die jaren was de stad het ruimtelijk project van de overheid, vanzelfsprekend met een zekere inspraak. De stad als antwoord op de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog. De stad eerst als een modernistisch antwoord op verkrotting, later als een nostalgisch antwoord op het modernisme. Maar we hadden nog niet door dat na 1989 alles anders zou zijn. 

We betraden een era waarin het neo-liberalisme en het verlangen naar de markt de overheid met zijn oude tekentafels snel terugwierpen. Een tijdperk waarin grenzen in snel tempo vervaagden en waarin we eerst nog over mondialisering maar al snel over globalisering spraken. De positie van de steden was daarin voorlopig nog onduidelijk. Want door de snelle opkomst van internet, laptops en smartphones leek de ‘world flat’ te worden. Het zou niet meer uitmaken waar je ging wonen, overal kon je met je laptop aan het werk. Maar er werd ook gesproken over glokalisering, de globalisering zou in steden voet aan land gaan zetten. Er werd gesproken over de Triomf van stad, mede vanwege de creatieve klasse die zich daar zou vestigen. En toen hoorden we al snel niet veel meer over die ‘world’ die ‘flat’ zou worden. Nee, in de globaliserende wereld werd het alleen maar drukker in de steden. 

Ook in Nederland. Door de globalisering was de industrie in snel tempo uit Nederland vertrokken. We moesten voortaan ons geld vooral verdienen met onze hoge opleidingen. En met onze connecties over de hele wereld. Steden werden hubs in een netwerk, kristallisatiepunten van een globale economie. En dé plek voor face-to-face contacten. Juist in dat directe contact ontstond de innovatie en in de economie werd je niet meer groot met eeuwigdurende herhaling (Ford), maar juist met de unieke innovatie. 

Veel burgemeesters en wethouders waren enthousiast. Eindelijk stond hun stad op de wereldkaart. Gingen de bestuurders vroeger naar China om nieuwe bedrijven te halen, tegenwoordig komen die bedrijven vanzelf als jij de goede hoogopgeleide werknemers in de aanbieding hebt. Dus gemeentebesturen moeten vooral zorgen voor een plek waar hoogopgeleiden graag willen wonen. En ze moeten ervoor zorgen dat de afgestudeerden in de stad blijven wonen. Het zijn de aantrekkelijke steden die op dit punt succesvol zijn. Gerard Marlet schreef er een mooi proefschrift over. Waar de oude grachten in de jaren 50 nog op de nominatie stonden om te worden gedempt, vinden de hoogopgeleiden er nu een ideale woonplek. 

De stedelijke besturen scheppen tegenwoordig op zijn best de randvoorwaarden voor een bloeiende lokale economie. Zie het Oostelijk Havengebied al in de jaren 90, zie het oude  spoorcomplex in Tilburg dat tegenwoordig ruimte biedt voor nieuwe bedrijvigheid en nieuwe kenniswerkers. Helaas denken veel gemeentebesturen ook dat ze zelf een hun eigen Silicon Valley kunnen plannen. Maar dan blijkt dat de nieuwe economie toch heel wat weerbarstiger is dan de tekentafel-bestuurders gewend waren. Valley’s en campussen ontstaan vooral bij toeval en als de buurman er al één heeft, is het zinloos om dat idee te kopiëren. De globale economie zet wel voet aan land in de steden, maar besluit zelf in welke stad dat het beste kan. 

Het doet me soms sterk denken aan de zorg. Misschien een rare vergelijking. Maar ook de zorg was vroeger van de overheid. Het mocht zo zijn dat artsen te veel verdienden en zich moeilijk lieten sturen, er mochten wachtlijsten zijn, maar de overheid was de baas. Tegenwoordig is de zorg overgelaten aan de onzichtbare hand van de markt. Wie aan het stuur zit, is onduidelijk. En de winsten verdwijnen vooral naar elders. Bij steden bekruipt me eenzelfde gevoel. Te meer omdat steden een pion zijn geworden in een mondiale markt. 

Die mondiale markt heeft de steden de laatste decennia veel goeds gebracht. En daardoor hebben de steden veel bijgedragen aan de gestegen welvaart. Waar vroeger de haven van Rotterdam en de luchthaven van Schiphol de fundamenten waren van de economische groei, zijn dat nu de High Tech Campus van Eindhoven, de Food Valley in Wageningen en de vele terrasjes in Amsterdam. 

Maar die ontwikkeling heeft ook iets ongrijpbaars, omdat ze wordt bepaald door de wetten van de globale markt. En die wetten hebben ook schaduwzijden. De Triomf van de stad vindt zijn tegenhanger in de Schaduw van de stad. Triomf en Schaduw gaan gelijk op. En terwijl de stedelijke besturen tien jaar geleden nog druk bezig waren om de Triomf op te stoken, worden ze nu steeds meer met de Schaduw geconfronteerd. Terwijl hun gereedschap uit de jaren 80 in onbruik is geraakt. 

Mag ik wat schaduwen noemen, vanuit een vijftal perspectieven. Ik begin met het demografisch perspectief. De Nederlandse steden groeien door hun geboorteoverschot en door een buitenlands vestigingsoverschot. Binnenlands gezien hebben alle grote steden een vertrekoverschot. Simpel gezegd: er komen veel expats binnen die de huizenprijzen zodanig opdrijven, dat veel stedelijke bewoners wel gedwongen zijn om ergens anders hun heil te zoeken. Niet omdat ze de stad willen verlaten, maar gewoon omdat de woningen in de stad voor hen onbetaalbaar zijn geworden. Zo worden de lagere én de middeninkomens de stad uitgedreven, of verdrongen naar de randen van de stad. Bovendien ontstaat daarmee het gevaar dat veel randgemeenten (denk aan de voormalige groeikernen) hun bevolkingsopbouw zien verschralen. De sterke groei van de stedelijke regio’s vertaalt zich verderop in het land in krimp. Een geringe bevolkingskrimp hoeft niet altijd een probleem te zijn, maar bevolkingskrimp kan zichzelf wel gaan versterken als jongeren in versterkte mate wegtrekken omdat met de krimp van de bevolking ook de nieuwe kansen zijn verdwenen.

Vanuit economisch perspectief zien we dat de Triomf van de stad bepaald niet aan iedereen ten goede komt. Met de groei van de werkgelegenheid aan de bovenkant blijkt de werkloosheid aan de onderkant helemaal niet af te nemen. Vanwege een mismatch op de arbeidsmarkt. Voor de velen voor wie in de industrie en in de haven nog wel werk was te vinden, is in de kenniseconomie nog maar weinig plaats. Zeker als alle terrasjes door studenten worden bediend. De Triomf versterkt een maatschappelijke tweedeling die zich verscherpt langs lijnen van werk, inkomen, gezondheid en niet te vergeten onderwijs. Ook tussen de steden zijn er grote verschillen. De regio Den Haag en de regio Rotterdam hebben op dit moment ongeveer even veel arbeidsplaatsen als in 2008, op het hoogtepunt voor de crisis. Amsterdam heeft er ruim 70.000 meer. Ook Utrecht en Eindhoven doen het erg goed. Dat heeft alles te maken met het opleidingsniveau van de beroepsbevolking.  Vanuit economisch perspectief valt ook op dat de infrastructuur de toegenomen mobiliteit nauwelijks aan kan. Dat kan op termijn schadelijk zijn voor de bereikbaarheid van de stedelijke economieën.

Vanuit geografisch perspectief zien we dat de maatschappelijke tweedeling zich ook ruimtelijk vertaald. Segregatie is in Nederland nog steeds bescheiden, als we het met steden elders in de wereld vergelijken. Maar concentratie van armoede en werkloosheid kan leiden tot een cumulatie van problemen, waardoor de kansen om in de samenleving verder te komen, steeds kleiner worden. Vanuit geografisch perspectief valt er ook veel te zeggen over de voorzieningen, de culturele instellingen etc die de stad een voorsprong geeft op het ommeland. Wat steden aantrekkelijk maakt voor de gezochte kenniswerkers, kan steden ook aantrekkelijk maken voor toerisme. De gemeente Amsterdam dreigt al uit balans te raken. Te meer daar de winkels door de stijgende vierkante-meter-prijzen homogeniseren. Airbnb doet de rest. Er komen zoveel mensen op aantrekkelijke steden af, dat deze moeite hebben om aantrekkelijk te blijven.

Vanuit sociologisch perspectief valt op dat het aantal nationaliteiten en culturen in de steden in de afgelopen decennia enorm is toegenomen. De kansarme migranten starten vaak in arrival neighbourhoods in de grote steden om van daaruit vaak langzaam op te klimmen en naar betere wijken te verhuizen en soms te suburbaniseren. Ik spreek hier niet over expats. Lange tijd waren migranten vooral ‘gastarbeiders’ (Spanjaarden, Italianen, later Turken en Marokkanen) of mensen uit het rijke koloniale verleden (Molukkers, Surinamers, Antillianen). Tegenwoordig leidt de globalisering ertoe dat in Amsterdam en Rotterdam bijna 200 nationaliteiten wonen. Bovendien blijven veel migranten steeds korter. Of blijven ze in een globaliserende wereld gemakkelijker met het thuisland verbonden. Zo vindt Turkse politiek zijn weerslag in Rotterdamse wijken. Dat kan een extra druk leggen op integratie van nieuwkomers. En kan autochtonen een gevoel van ontheemding geven, zeker als ze toch al Globalisierungsverlierer zijn. Dat kan tot spanningen leiden en dat raakt de lokale politiek. Terwijl nu juist een tolerante cultuur de aantrekkelijkheid van steden voor de hoogopgeleiden, die de brandstof vormen van de motor van de kenniseconomie, vergroot. Populisme kan steden dus op termijn op achterstand zetten. 

Stedebouwkundig is er sprake van een boeiende paradox. Aantrekkelijke steden zijn vaak historische steden. Grachten. Dát zijn de plekken waar veel hoogopgeleiden willen wonen om te werken in een kenniseconomie die in veel opzichten footloos en grenzeloos is. Maar tegelijkertijd sluiten steden lang niet altijd in hun nieuwbouw aan bij de stad die ze altijd zijn geweest. Het lijkt er zelfs op dat gekozen wordt voor een internationaal imago, of op zijn minst voor een imago waarvan men denkt dat het internationaal is. Soms staat dat niet alleen haaks op de stad die men was, maar is het ook in strijd met de diversiteit die echte steden kenmerkt. Het gaat hier verder dan de oude tegenstelling tussen Le Corbusier en Jane Jacobs. Juist in de huidige kenniseconomie hebben steden de diversiteit nodig waarvoor Jane Jacobs een halve eeuw geleden pleitte. Dat roept ook de vraag op wie de vormgevers zijn van de nieuwe stad. De markt heeft daarin altijd een rol gehad, zij het eerder wel binnen duidelijke kaders van het stedelijk bestuur. Die kaders zijn enerzijds schijnbaar verwaterd, de overheid lijkt vaak de wensen van de markt te volgen. Daarnaast is de succesvolle stad een prachtig investeringsobject geworden voor mensen die dat kunnen betalen. In London wordt in hele straten, buurten nog maar nauwelijks gewoond omdat de huizen door investeerders zijn opgekocht. Ook in Nederlandse steden zie je ontwikkelingen in die richting. De vraag: van wie is de stad? lijkt tegenwoordig eenvoudig te beantwoorden. En dat hoeft niemand na 30 jaar neo-liberale politiek te verbazen. 

Inderdaad, de Triomf van de steden is onweerlegbaar. En die Triomf heeft veel te maken met de globalisering van de economie. Steden zijn schakels in de globaliserende economie. Soms straalt de Triomf af op de stedelijke bestuurders. Barber meende zelfs dat de burgemeesters de tegenwoordiger wereldleiders zijn. Dat lijkt me een vreemde conclusie als steden nu juist tot grote bloei zijn gekomen in een neo-liberale tijd waarin de markt het voortouw moest nemen, én als kristallisatiepunten van de globalisering, waarover nationale overheden, en laat staan lokale overheden, per definitie weinig te zeggen hebben. En tegelijkertijd kent die Triomf schaduwen, die veel inspanningen vragen van de overheid. Dat vraagt een heel subtiel spel van het stedelijk bestuur.

[verschenen in Binnenlands Bestuur, 24 mei 2019]

De demograaf en de stad

mei 13, 2019 by  
Filed under De Stad, Geen categorie

Clara Mulder is hoogleraar Demografie en Ruimte aan de Universiteit van Groningen. Ik spreek haar op 7 mei 2019 over de stad. Maar ik vraag haar eerst naar haar vak. Ik beschrijf in het onderstaande het gesprek, alleen specifieke uitspraken van Clara Mulder staan tussen aanhalingstekens.

Wat is demografie

Demografie gaat over de samenstelling van bevolkingen en over gebeurtenissen die die samenstelling beïnvloeden. Zoals: geboorte, sterfte en verhuizing. Maar het vak verbreedt. We krijgen steeds meer belangstelling voor (samenstelling van) huishoudens. We krijgen meer belangstelling voor kwalitatief onderzoek, naast de vele cijfers over geboorteoverschotten en vestigingsoverschotten. Maar het blijft altijd gaan om die bevolking.

Volgens de boeken heeft demografie geen formeel object, geen eigen manier van redeneren. Demografie kenmerkt zich door het materiële object: het onderwerp, namelijk de bevolking. Voor een verklaring voor de trends die demografen vinden, spelen ze vaak leentjebuur bij andere wetenschappen. Als economie, sociologie, geografie. In dat opzicht is demografie echt een interdisciplinaire wetenschap.

Toch blijkt in het gesprek dat ik met Clara heb vooral één ding: demografen hebben een heel eigen manier van redeneren. Als het om de stad gaat, start de analyse altijd met geboortes, sterftes, inkomende verhuizingen en uitgaande verhuizingen. En op basis daarvan is er een geboorteoverschot of een sterfteoverschot en een vestigingsoverschot of een vertrekoverschot. En altijd is er de factor tijd die die grootheden bepaalt. Een stad groeit niet alleen door de instroom van studenten, maar ook omdat de levensverwachting van mensen stijgt en mensen daarom later sterven. En als ik in een vraag een fout maak met cijfers: luidt het antwoord meteen: “Dat kan niet.” Demografen hebben in ieder geval iets met cijfers. 

Eenheid van analyse

Demografie gaat dus over bevolking. Maar waarnaar kijkt de demograaf nu specifiek? Naar de bevolking van een land, van een stad. Of naar het ‘demografisch’ gedrag van mensen? Kijken we naar geboorteoverschotten en vertrekoverschotten van steden of naar de levensloop van mensen (hoe vaak verhuizen ze van waar naar waar?). In het eerste geval is de bevolking binnen een bepaald territoir (in dit geval: van de stad) de eenheid van analyse, in het tweede geval het individu. Binnen de demografie spreken ze over de macro- en de micro-benadering. Clara is van de tweede benadering. In die micro-benadering ligt vaak de verklaring besloten van wat men op macro-niveau vindt. 

Macro kan niet zonder micro

Het leek mij dat het moeilijker is om gegevens van de levensloop van mensen te verzamelen, dan de geboortes en sterftes in een stad in een bepaald jaar. Maar tegenwoordig staan veel micro-data van het CBS ter beschikking van de onderzoekers, vanzelfsprekend zonder schending van de privacy. Allerlei registers zijn sinds 1995 aan elkaar gekoppeld. Bevolkingsregisters van gemeenten, gebouwenregisters, belastingregisters. Zo kan je mensen heel goed individueel volgen. 

Toch zijn die macro-cijfers op één of andere manier gemakkelijker te presenteren. Steden presenteren bijna altijd gegevens over wijken en niet over de levensloop van de mensen die in die wijken zijn geboren. Terwijl aan de universiteiten toch veel van dat laatste onderzoek wordt gedaan. Ook het SCP doet dit soort onderzoek. Je leest bijvoorbeeld dat het inkomen in een wijk is veranderd. Maar komt dat door selectieve instroom en selectieve uitstroom van mensen of omdat mensen meer of minder zijn gaan verdienen? 

Clara Mulder leert demografen om altijd op zoek te gaan naar de achterliggende dynamiek. Tegen studenten spreekt ze over de middelbare-schoolparadox. Gemeenten klagen soms over hun instroom die te laag is opgeleid en over het feit dat juist de beter opgeleide mensen vertrekken. Maar op een middelbare school zijn ze blij als ze hun leerlingen in die zes jaar veel hebben bijgebracht. Clara Mulder: “Het is niet erg voor een stad als middeninkomens vertrekken. Als je als stad je functie hebt vervuld.”

Is het echt een trend?

Het is opvallend dat demografen wel een heel eigen manier van redeneren hebben, maar dat ze nauwelijks definiëren wat een stad is. “Daar zijn we als demografen niet zo dogmatisch in.” Wel kijken ze naar verschillen tussen stedelijk en minder-stedelijk. En Clara Mulder doet nog wel eens een gevoeligheidsanalyse. Verandert het beeld als je niet alleen naar Amsterdam kijkt, maar ook naar de aangrenzende gemeenten? Voor een demograaf zijn zozeer niet steden van belang, als wel grenzen van steden. Je moet weten voor welk gebied je cijfers nodig hebt. 

En die cijfers zijn nog maar het begin. Het gaat vooral om de achterliggende dynamiek die ervoor zorgt dat de demografische kerncijfers veranderen. Als mensen later kinderen krijgen, dan groeit de bevolking minder hard. Als mensen daardoor langer in de stad blijven wonen, groeit de bevolking juist. Ook als mensen later dood gaan groeit de bevolking. Clara vat samen: “Uitstellen heeft een enorm effect op de stand van de bevolking op een bepaald moment.”

En altijd speelt de vraag: is hier sprake van een tijdelijke verandering of is er echt sprake van een trend? Heeft die achterliggende dynamiek een tijdelijk of een permanent karakter? Het brengt ons bij het onderscheid tussen cohort en leeftijd. Als mensen ouder worden en kinderen krijgen hebben ze de neiging om de stad te verlaten. Dat heeft niks met de generatie, het cohort te maken waaruit men stamt, maar alles met leeftijd(sfase). Maar het blijkt ook dat jongere cohorten langer in de stad blijven wonen. Misschien willen ze wel nooit meer vertrekken.

Wie vertrekt wanneer uit de stad

Op dit punt spreken we lang door. Clara Mulder ziet veel mythen. En volgens haar is het doorprikken van mythen een belangrijke taak van wetenschappers. Het is ook helemaal niet waar dat mensen teruggingen naar de stad. Mensen bleven er alleen langer omdat ze later kinderen kregen. Die behoefte aan een tuin is volgens Clara nog even groot als je kinderen krijgt. En er was een tijdelijk probleem in de crisis. In die tijd konden de mensen gewoon niet weg omdat hun huis onder water stond of omdat ze het gewoon niet konden verkopen. De trek uit de stad zou zijn gekeerd. Maar was helemaal niet waar. Toen de crisis voorbij was gingen ze gewoon weer wel. Dat verhaal van de stad als spons was maar een tijdelijk verhaal. 

Er is wel iets bijgekomen: de aantrekkelijkheid van de stad voor investeerders. Clara Mulder is soms bang voor een London-effect, waar de duurste wijken worden opgekocht. En waar nog maar nauwelijks wordt gewoond. Zover zijn we in Nederland nog niet, maar het zou haar niet verbazen als het op kleine schaal al aan het gebeuren is. 

In ieder geval is er binnenlands geen sprake van een vestigingsoverschot in de steden. Er is een vertrekoverschot. Wel is er een buitenlands vestigingsoverschot. En er is een geboorteoverschot. “Ik weet het niet precies waar dat vandaan komt. Men stelt het vertrek waarschijnlijk uit tot na de geboorte van het kind. Vertrekken uit de stad doen mensen rondom de geboorte van kinderen. Soms ervoor. Soms wachten ze tot erna. Hangt ook af van de woningmarkt. Bovendien worden geboortes nog steeds uitgesteld, maar dat houdt op een gegeven moment wel op. Maar er speelt toch ook nog wel iets anders. Ik denk dat mensen door uitstel van geboorten meer aan de stad zijn gehecht en daardoor meer het idee krijgen dat hun kind daar ook kan opgroeien. Steden hebben echt aan populariteit gewonnen. Het wordt niet meer gezien als onbehoorlijk om een kind in een stad te laten opgroeien. Ik ben zelf in Amsterdam opgegroeid, dat was toen heel normaal. Later ontstond met de suburbanisatie het beeld dat je een kind niet in de stad kon laten opgroeien. Dat is wel weer wat teruggedraaid. Ik denk dat ze tegenwoordig vooral later vertrekken. Maar ze vertrekken wel.”

Veel patronen

Die paar cijfers. Een geboorteoverschot, een buitenlands vestigingsoverschot en een binnenlands vertrekoverschot. Dat zijn de ‘grote’ steden in Nederland. En daarachter gaan allerlei patronen schuil. Zo kende lange tijd de meerderheid van de geboorten een migratieachtergrond, de laatste jaren is dat juist niet meer zo. Volgens Clara zijn er twee oorzaken. Ten eerste de herwaardering van de stad. Met de ‘bakfietsmoeder’. “Maar blijven die bakfietsmoeders ook nog in de stad als de kinderen pubers zijn? Als mensen maar even wachten en het kind nog krijgen in de stad heb je al een geboorteoverschot, maar na een paar jaar heb je weer vertrekoverschot van driejarigen. Ten tweede is de suburbanisatie bij de allochtonen pas de laatste jaren echt op gang gekomen. Ze gaan nu naar Almere. En krijgen daar hun kinderen. 

Natuurlijk zijn er ook dwarsverbanden tussen buitenlandse en binnenlandse migratie. Expats gaan vaak weer terug, hoewel er meer in komen dan er uitgaan. Maar ze kunnen na verloop van tijd ook doorverhuizen naar een huis in de regio. Zoals jongeren uit de regio naar de stad gaan en kunnen doorverhuizen naar het buitenland. Alle patronen komen voor. Het gaat altijd om de relatieve omvang.

En nu de sterfte nog. Sterfte is in grote steden vaak laag omdat mensen al eerder vertrekken en er komen er niet veel meer terug op latere leeftijd. Maar leeftijdsspecifiek zijn er signalen dat de sterfte hoger is in steden. Vanwege fijn stof onder andere. Sharon Dijksma wil de benzineauto’s uit Amsterdam weren omdat mensen daar 1 jaar korter zouden leven. “Ik denk wel dat het klopt.” 

De laatste zin typeert deze boeiende én bescheiden wetenschapper!

[tekst voor het boek De schaduw van de stad]

De fagot en de fagottist: Alban Wesly en zijn Leitzinger

mei 8, 2019 by  
Filed under fagot, Geen categorie

Ik had een afspraak met Alban Wesly om over zijn Leitzinger fagot te spreken. Alban kwam niet. Zijn elektronische agenda had het begeven. Een week later was Alban er wel. Hij overlaadde me met excuses en cadeaus. Hij voelde zich nog steeds rot over die stomme agenda. Ik was de enige afspraak die uiteindelijk de mist was ingegaan. 

Zelden zo’n aardige man ontmoet. Hij zal het vreselijk vinden dat ik deze anekdote doorvertel. Toch doe ik het, omdat het zo functioneel is voor het verhaal. Dat zit zo. Ik wilde Alban spreken over zijn Leitzinger fagot. Er zijn niet veel fagottisten die op een Leitzinger spelen. En dan is het opvallend dat één van onze topfagottisten meer dan tachtig concerten per jaar op een Leitzinger speelt. 

Natuurlijk, ook Alban Wesly speelde ooit op een Heckel. Hij kocht er één in de jaren 90. Jos de Lange hielp hem bij de koop. Nou ja, bij Heckel mag je alleen maar zeggen welke kleppen je wilt hebben. Vervolgens krijg je één instrument thuis gestuurd, jouw instrument. Er is geen sprake van dat je uit verschillende instrumenten zou mogen kiezen. Alban speelde er zestien jaar op. Maar de liefde tussen Heckel en Wesly ging nooit erg diep. Alban vond hem gewoon “te zwaar en te groot”. Misschien lag het aan dat ene instrument, dat mogelijk lomper was dan andere Heckels. Misschien was Heckel in die tijd op zoek naar een wat grotere klank, om nog beter de laatste stoel van symfonische zalen te bereiken. Hij weet het niet. 

Perfectionist als hij is bleef Wesly zoeken naar een andere klank. Hij hoorde over Stephan Leitzinger, die in Hösbach, 40 kilometer van Frankfurt, instrumenten maakt. En vooral S-sen. Leitzinger had het echte vak ooit bij de firma Heckel geleerd. Een jaar of zes geleden maakte Wesly op doorreis van Salzburg naar Noord-Duitsland een tussenstop bij Leitzinger en nam twee S-sen mee naar huis. Vlak voor vertrek vertelde Leitzinger hem dat hij sinds kort ook fagotten maakte. Of Wesly er even één wilde proberen. Het beviel zo goed dat Leitzinger een jaar later twee fagotten in Amsterdam op proef kwam afleveren. Twee verschillende modellen. Weer met hulp van Jos de Lange stelde Alban vast dat het ene model veel potentie had. 

Leitzinger ging weer aan het werk en kwam na enige tijd met twee fagotten van het gekozen model naar Amsterdam. Het verschil tussen beide fagotten was niet kleiner dan het verschil tussen die twee modellen. Niettemin was Wesly verrukt van één exemplaar en besloot de overstap te maken van zijn Heckel naar een Leitzinger.

Waarom? Waarom een Rolls Royce inruilen voor een Audi (ook al krijg je geld mee)? Alban: “vanwege het speelgemak”. De Leitzinger speelt veel soepeler, hij intoneert veel gemakkelijker dan de Heckel die Alban had. Hij weegt letterlijk ook minder dan de Heckel. Hij oogt smaller. Maar er gaat toch niets boven een Heckel? Alban krijgt het nauwelijks over zijn lippen, maar toch zweert hij bij zijn Leitzinger. En wie hem hoort in Calefax kan alleen maar beamen dat het een prachtig instrument is. 

Daar ligt misschien een sleutel van het raadsel. Alban Wesly is kamermusicus. Hij speelt nog wel een enkele keer in een ensemble voor moderne muziek, maar zijn hoofdbaan is Calefax, al 33 jaar. Met vijf rietblazers heb je geen groot geluid nodig. En de Leitzinger mengt en kleurt net zo gemakkelijk als een Heckel. 

Schoorvoetend vertelt Alban ook het verhaal dat hij nog een tijdje op een andere, geleende Heckel heeft gespeeld, toen zijn Leitzinger nog wat aanpassingen nodig had. En dat hij die Heckel nog een keer heeft geleend toen Calefax optrad als solist bij het Radio Philharmonisch in een groot werk van Luca Francesconi, met een mega-bezetting. In de Grote Zaal van het Concertgebouw. Daar kwam hij met zijn Leitzinger niet overheen.

Op de vraag of hij niet weer was gaan twijfelen omdat die geleende Heckel toch veel beter was dan de Heckel die hij zelf ooit had gehad, komt aanvankelijk geen duidelijk antwoord. Alban twijfelt of hij wel moet twijfelen. En dan zegt hij: “Voor mij is de Leitzinger perfect. Ik ben er erg blij mee.”

Hij vertelt enthousiast over het niveau van de klankverschillen per register. Een fagot hóórt klankverschillen te hebben tussen de registers. Als je maar wel gemakkelijk van het ene register naar het andere komt. Bij een slechte fagot zijn die klankverschillen tussen registers vaak te groot. Maar een fagot moet voor Alban ook niet te egaal zijn. Als een F wordt gespeeld op een fagot, moet hij dat kunnen horen, ook zonder absoluut gehoor. En een Fis mag soms best een beetje ‘scherp’ zijn, als je hem op een ander moment maar met wat extra kleppen mild kan laten klinken. 

Maar bovenal is het persoonlijk. Zoals Alban zegt: “Het is een gevoelszaak”. Hij zegt niet dat een Leitzinger beter is dan een Heckel. Maar voor hem persoonlijk is een Leitzinger wel beter dan een Heckel. Hoe mooi een Heckel ook klinkt. Voor Alban was die ene Heckel te zwaar, te groot, te dominant wellicht ook. En meteen voegt hij er weer aan toe dat de verschillen tussen individuele instrumenten vaak groter zijn dan tussen twee merken. Maar toch kiest hij weloverwogen voor een Leitzinger. 

Ik zie plotseling die man weer voor me die me overlaadt met excuses en cadeautjes omdat hij zonder enige schuld een afspraak was vergeten. Ik kan me voorstellen dat bij zo’n aardige man geen groot instrument past. En zeker niet als het instrument wat lomp is uitgevallen. Toch zijn het niet alleen haantjes die op een Heckel spelen. Interessant om die relatie tussen de fagottist en zijn of haar instrument verder te verkennen. 

Photo by Leitzinger. Used with permission of Stephan Leitzinger

[column voor De Fagot]

De onmacht van het parlement

april 24, 2019 by  
Filed under Geen categorie

Er zijn te veel debatten in het parlement. Kadija Arib heeft het zelf gezegd. Radio debatteert over dit beklemmende onderwerp. Iedereen gaat mee in de gedachte dat er ‘te veel’ zijn. En de algemene gedachte is dat we dit ‘te veel’ te danken hebben aan de ijdelheid van kamerleden. Ze willen allemaal met hun eigen debat in de media komen. Want dat is de enige manier om na vier jaar hoog op de lijst te komen. Veel verder komt men niet. 

Gelukkig wordt Wim Voermans, hoogleraar staatsrecht in Leiden ingebeld. Die spreekt een beetje zoals hij eruit ziet. Slordig. Maar het zijn de eerste zinnige woorden in het gesprek. Hij vraagt zich terecht af wat ‘te veel’ is en zegt dat het aantal debatten niet eens erg toeneemt. Hij vertelt dat het aantal media-optredens van kamerleden geen relatie heeft met de plaats die men op de volgende kieslijst inneemt (als we de fractievoorzitters even buiten beschouwing laten). En hij zegt dat het ook de functie van Kamerdebatten is om de  mening van mensen ‘in het land’ te laten horen. Van het ijdelheids-argument blijft weinig over. [Ook grappig om zo’n argument te horen van mensen die maar al te graag op de radio meebabbelen, terwijl ze toch werkelijk door niemand zijn gekozen.]

Toch miste ik nog steeds een belangrijk argument: de onmacht van het parlement. Wat moet je doen als een minister niet naar je luistert? Schriftelijke vragen stellen om na drie maanden met vier kluitjes in het riet gestuurd te worden? Ik kan me die frustratie wel voorstellen. Zo’n minister wordt omringd door grote hoeveelheden communicatie-adviseurs die ervoor zorgen dat er niets naar buiten gaat dat de minister schade kan berokkenen. Zo’n minister wordt omringd door een zware ambtelijke top die het grootste deel van de dag bezig is om hun minister uit de wind te houden. Zo’n minister heeft eindeloze hoeveelheden flex-werkende ambtenaren tot zijn beschikking die ervoor zorgen dat een minister zo foutloos en zo kleurloos mogelijk het debat met de Kamer doorstaat. Intussen wordt de Kamer nauwelijks ondersteund en worden de fracties steeds kleiner zodat Kamerleden van steeds meer zaken verstand moeten hebben. Inderdaad, ik zou uit onmacht ook heel vaak een debat met de minister aanvragen. 

Het gaat dus veel meer om de onmacht van het parlement en niet om de ijdelheid van Kamerleden. Kamerleden afzeiken is overigens het slechts denkbare populisme. Je afzetten tegen de elite, maar je pijlen dan wel richten op het zwakste deel van die elite. Het zou beter zijn om serieus na te denken hoe we de macht van het parlement kunnen vergroten. Tom van der Meer heeft daarvoor een uitstekend voorstel gedaan: vorm vaker minderheidskabinetten. Dat verzwakt de positie van het kabinet tegenover de Kamer. Dan wordt het kabinetsbeleid in samenspraak met de Kamer vastgesteld. Dan wordt het kabinet de vragende partij. En hoeven Kamerleden niet meer al die vruchteloze debatten aan te vragen. 

Zo moeilijk is klimaatbeleid niet

april 16, 2019 by  
Filed under Geen categorie

Jan Paternotte en Rutger Schoris doen een uitstekend voorstel in NRC-Handelsblad: een vliegtaks voor korte vluchten vanaf Schiphol. Ze richten zich rechtstreeks tot de bazen van KLM, Schiphol en NS. Deze drie heren schreven vorig jaar al dat meer mensen op kortere afstanden de trein zouden moeten nemen in plaats van het vliegtuig. Nu was dat wel een heel bijzondere gelegenheidscoalitie. KLM en Schiphol waren vooral op zoek naar ruimte voor langere vluchten en de NS zocht meer klanten voor de trein. En toevallig waren ze het op dat moment samen eens. Vooral om de overheid ertoe aan te zetten meer geld op tafel te leggen voor investeringen op het spoor. Aan dat soort doorzichtige en onwaarachtige acties zou je eigenlijk geen aandacht moeten schenken. Paternotte en Schoris doen dat wel. En daarom verdwijnt hun betoog een beetje in het niets.

Terwijl het onderwerp zo simpel is. Ik doe een poging. Terwille van het klimaat moeten we minder CO2 uitstoten. Reizen per vliegtuig levert 10 keer zoveel CO2-uitstoot op als reizen per trein. Dus zou het goed zijn als mensen vaker de trein zouden nemen. Dat kan allemaal zo zijn, maar mensen beslissen zelf hoe ze reizen. En de meeste mensen laten zich leiden door drie factoren: tijd, geld en kwaliteit. Wat is het snelste, wat is het goedkoopste en wat is het aangenaamste. En die drie factoren zorgen ervoor dat heel veel mensen de trein prefereren als ze naar Brussel gaan en het vliegtuig als ze naar Londen, Parijs of Berlijn willen. Dat kunnen we vervelend vinden voor het klimaat, maar het is niet anders.

Tenzij we iets veranderen aan ‘tijd, geld en kwaliteit’. De reistijden per trein veranderen bij hoge investeringen en dan ook nog pas op langere termijn, omdat het aanleggen van nieuwe infrastructuur heel veel tijd kost. Op korte termijn levert dat geen ander reisgedrag op. Het reizen per trein wordt aangenamer als we minder hoeven over te stappen of gemakkelijker tickets kunnen kopen. Daarop valt niet meer zoveel te winnen, afgezien van de vervelende overstap in Brussel voor de reizigers voor Londen. Dan resteert de prijs. En Paternotte en Schoris hebben helemaal gelijk dat we het reizen per vliegtuig duurder moeten maken door het invoeren van een vliegtaks. Wat mij betreft overigens niet alleen voor de kortere vluchten, omdat de maatschappelijke kosten van het vliegen sowieso onvoldoende worden doorberekend in de prijzen van de tickets. 

Daarmee staat die substitutie van vliegen door treinen op de kortere afstanden model voor het hele klimaatbeleid. Het heeft weinig zin als een paar directeuren roepen dat het eigenlijk beter zou moeten. Het heeft ook weinig zin als we weer meer geld van de overheid gaan vragen voor ongetwijfeld goede investeringen. Het heeft vooral zin als we het gedrag van burgers veranderen. En niet met een beroep op verantwoordelijkheid voor de wereld van onze kinderen. Maar door de mix geld-tijd-kwaliteit zo te veranderen, dat burgers wel gedwongen worden om een andere keuze te maken. En ja, de overheid zal die mix moeten veranderen. 

Zo is de overheid er niet voor om mij te verplichten 3,5 zonnepaneel op mijn dak te leggen, om met mijn buren samen een warmtepomp aan te schaffen of om mijn zolder te isoleren. Als fossiele energie duur genoeg wordt, zal ik heus op tijd mijn knopen tellen. En dan beslis ik zelf wel hoe ik van het gas afkom. 

Zo simpel is een goed klimaatbeleid. Het zou goed zijn als politici en die vele ambtenaren niet bedenken wat ik moet gaan doen, maar mijn mix van geld-tijd-kwaliteit zo gaan veranderen dat ik zelf dingen ga doen die klimaatverandering tegengaan. 

De schaduw van de stad

april 9, 2019 by  
Filed under artikel, De Stad

Parijs wordt te duur, Bordeaux heeft de toekomst. Zo meldt de Volkskrant van vanmorgen. Kranten zijn dol op nieuwe trends. Je moet dus altijd voorzichtig zijn met dat soort berichten. Zo valt het me op dat Parijs in de bijbehorende grafiek 2 miljoen inwoners heeft tegen Berlijn bijna 4. Daar worden blijkbaar appels met peren vergeleken. Toevallige gemeentegrenzen versus agglomeraties. En de simpele vraag waarom Parijs zo duur wordt, komt niet aan de orde. Zou het iets te maken kunnen hebben met het feit dat heel veel mensen daar willen wonen. En dat met name de hoogopgeleide hogere inkomens daar willen wonen? Zo slecht zal het er dus toch niet zijn. 

Toch gedijt het bericht op een nieuwe onderstroom. Na alle succesverhalen over de steden (de Triomf van de stad) begint aandacht te komen voor de achterkant van die Triomf. Voor het feit dat de middeninkomens de steden worden uitgedreven, nadat de lagere inkomens al veel eerder in hun banlieus zijn opgesloten. Dat gentrificatie niet alleen betekent dat er meer plek voor hogere inkomens, maar dat ook lagere inkomens zijn verdreven. Dat niet alle steden even populair zijn. En dat een gebrek aan opleiding een steeds grotere handicap wordt. 

Maar het is niet alleen aandacht voor de andere kant van de medaille, het lijkt er ook echt op dat het omslagpunt soms is bereikt. Huizen in de steden worden niet alleen onbetaalbaar duur (althans voor velen), ze worden ook een beleggingsobject. Toeristen brengen niet alleen steeds meer geld in het laatje, maar verstoppen ook delen van de stad. De groei van de infrastructuur kan de groei van de mobiliteit niet meer bijbenen. Het grote aantal nationaliteiten geeft bij groepen autochtonen een ontheemd gevoel. 

Ik weet het: al die nadelen zijn minder sexy dan de Triomf van de stad, met al zijn expats, kenniswerkers, valley’s en campussen. Over dat laatste worden veel gemeentelijke nota’s geschreven. Maar het is de vraag of dat juist is. Want hoeveel invloed heeft de lokale overheid op de Triomf van de stad? Het zou best eens kunnen zijn dat de lokale overheid veel meer kan doen aan het tegengaan van de schaduw van de stad. 

En daarmee is de titel van mijn nieuwe boek genoemd. De schaduw van de stad. Ik zal hier de komende tijd regelmatig teksten publiceren die onderdeel zijn van dat project. Correcties en commentaar zijn van harte welkom. 

Volgende pagina »