Waarom ik een wasdroger mag

april 22, 2018 by  
Filed under Geen categorie

Achter mijn huis bouwen ze 13 ha zonnepanelen. Dat is even wennen. Maar ik heb het ervoor over. We moeten van die fossiele energie af. Toch roept dat veld wel vragen bij me op. Zeker nu ik druk nadenk over het verduurzamen van mijn eigen huis. 

Zo vraag ik me af: waarom moet ik eigenlijk zonnepanelen op mijn dak leggen, met veel getimmer en veel gedoe, als er achter mijn huis duizenden zonnepanelen liggen te gloeien in de zon? Is dat niet erg inefficiënt? Ik weet het: er zijn mensen die menen dat de overgang naar duurzame energie meteen een overgang van grootschalige naar kleinschalige energie-opwekking zal betekenen. Maar is dat niet een beetje nostalgisch gedacht? Ik zou best een moestuin kunnen gaan bijhouden, grond genoeg op het eigen erf, maar ik ga veel liever naar de markt. Goedkoper en kost me veel minder tijd. Waarom geldt dat niet voor zonnepanelen? 

In feite geldt dat dilemma nu al voor een deel van mijn energie. Sinds een jaar betrek ik mijn elektriciteit bij Greenchoice. Greenchoice werkt CO2-neutraal: hun energie is duurzaam en als dat niet zo is compenseren ze de CO2-uitstoot door een paar extra bomen te planten. Als ik al van het gas af zou zijn, zou mijn huis dus niet energieneutraal zijn, maar wel CO2-neutraal. En daar gaat het toch om? Ergo: als ik van het gas afga, waarom zou ik dan zonnepanelen op mijn dak moeten plaatsen? 

Ja, ik ken het argument: “alle beetjes helpen”. De omslag naar duurzame energie heeft zoveel urgentie dat we nu alles moeten doen wat maar mogelijk is. Maar als ik zie welke ontwikkelingen zich de afgelopen tien jaar, nee: 5 jaar, hebben voorgedaan op het gebied van duurzame energie ben ik helemaal niet zo pessimistisch. Het eerste windmolenpark op zee zonder subsidie is al gegund. Een beetje CO2-belasting erbij, en de omslag is een feit. Bovendien krijg ik nauwelijks een cent terug als ik te veel duurzame energie produceer. Die ‘kleine beetjes’ zijn blijkbaar toch niet zo belangrijk. 

Aan de voorkant van mijn huis staan al vele jaren 12 prachtige windmolens. Het aantal windmolens breidt zich de laatste jaren snel  uit. Van sommige molens kan ik zeggen: daaraan heb ik meebetaald. Inmiddels heb ik meer dan een ton geïnvesteerd in windmolens. Dat roept een volgende vraag op: waarom moet ik mijn woning CO2-neutraal maken, als ik eraan bijdraag dat elders kolencentrales kunnen worden gesloten door de energie die door ‘mijn’ windmolens worden opgewekt. Door mijn windmolens bespaar ik meer CO2 dan mijn centrale verwarming aan CO2 kost. 

Ik heb inmiddels een inductiekookplaat besteld. Dus nog minder gas. Ik zou een boiler kunnen aanschaffen. Nog minder gas. En die houtkachel moet er ook eens komen. Nog minder gas. En wie bezwaar heeft tegen mijn houtkachel houd ik voor dat ‘fijn stof’ het broeikaseffect tegengaat. Op dat moment is mijn CO2-balans sterk negatief. Of positief, hoe je het maar wilt zien. Dus het gaat niet om mijn huis, maar om mijn eigen CO2-balans. 

Eigenlijk is dit alles een heel ingewikkelde redenering om een antwoord te geven op die ene prangende vraag: moet ik mijn wasdroger de deur uitdoen? Ik weet het: een wasdroger kost erg veel stroom. Maar wat is er tegen als dat duurzame stroom is en ik er niet van hou die natte was elke keer aan dat wiebelige rekje te hangen? En als mijn eigen CO2-balans al negatief is? Vergeet niet dat de zon elke dag de aarde 15.000 keer zoveel energie schenkt als we op die dag nodig hebben. Dus als alle energie duurzaam is, mag ik best een wasdroger.

Haven-stad, een typisch Amsterdamse wijk

april 17, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad, Voorpagina

De delta, het water en de slappe bodem

Hoe behoud je de identiteit van Amsterdam in Haven-stad? Hoe voorkom je de zoveelste nieuwbouwwijk die toevallig aan het water ligt? Hoe voorkom je het kopieëren van andere grote steden? Dan zal je moeten formuleren wat de identiteit van Amsterdam is. En zal je moeten kijken hoe je die indentiteit vormgeeft in Haven-stad. Op een manier die past bij de huidige tijd. 

Als je 100 mensen zou vragen wat  ‘Amsterdam’ voor hen betekent, zal je veel verschillende antwoorden krijgen. Maar als je 100 mensen vraagt wat Amsterdam onderscheidt van München of Wenen of Parijs dan zal je veel meer consensus zien. Al bij eerste aanblik is Amsterdam een typische Nederlandse stad, die in veel opzichten meer op Dokkum lijkt dan op Berlijn. Dokkum heeft grachten, Berlijn niet.

De grachten zijn bepalend voor het aangezicht van Amsterdam. Maar het gaat om meer: het gaat om het bouwen in een venige delta. Amsterdam had grachten nodig om het overtollige water te kunnen afvoeren. En Amsterdam bouwde zijn Centraal Station op ‘aangeplempte’ grond. Maar Amsterdam is ook een lage stad omdat de venige grond (lange tijd) geen hogere gebouwen toeliet. En Amsterdam is een stad gebouwd van baksteen, omdat we in Nederland onze stenen noodgedwongen moeten bakken van rivierklei. Ga over de grens en je ziet geen grachten, je ziet hogere gebouwen (ook van oudere datum) en je ziet vooral geen roodbruine bakstenen. 

Egalitair en anti-autoritair

Daarmee is iets gezegd over de bouwkundige identiteit van de stad. Die identiteit verwijst sterk terug naar de delta, het water en de slappe bodem. Maar wonderwel paste die identiteit ook bij maatschappelijke identiteit van de stad. Amsterdam is een tamelijk egalitaire stad. Het is van oorsprong een hoofdstad zonder monarch, zonder vorsten. 

Overigens heeft heel Nederland het altijd moeilijk gehad met vorsten. We hebben nooit een eigen keizer gehad, we deden iets met stadhouders, die zich later koning mochten noemen. Ja keizers van buiten, die hadden we soms. Maar in de Tachtigjarige oorlog hebben we Philips II eruit gewerkt en daarna zijn de grafen en later de koningen vooral versiering geweest. De steden maakten in de Republiek van de Zeven Provinciën de dienst uit. In een ingewikkeld spel van geven en nemen. Het polderen zat al heel vroeg in ons DNA. 

Toen we na de Franse tijd toch een ‘koning’ kregen, was die wel zo slim om niet in de anti-autoritaire en anti-monarchale hoofdstad Amsterdam te gaan wonen. Bij elke kroning vraagt men zich ook af of dat ‘feest’ wel in Amsterdam moet plaatsvinden. Zo hartelijk was het huwelijk van Beatrix niet en velen herinneren zich haar inhuldiging in 1980. Als we ons ergens verzetten tegen een kolderiek koningshuis, is het wel in Amsterdam.

Dit gebrek aan een autoritair vorstenhuis zie je terug in de stad. Nederland is geen Frankrijk, Amsterdam is geen Parijs. Zo werd Amsterdam in haar historie slechts opgezadeld met één paleis, dat potsierlijke paleis op de Dam. Dat is potsierlijk omdat het helemaal niet past in deze stad. De stad kende altijd wel een elite, maar nooit een vorst. De elite praalde aan de grachten. Maar niemand stak er echt boven uit. 

En met het monarchale ontbreekt ook het gezagsgetrouwe. Je ziet het gewoon op straat. Nergens is de kans om door een fiets te worden overreden zo groot als in Amsterdam. We zijn allemaal koning op onze eigen fiets. In Den Haag zie je de dienstauto’s rondrijden, in Amsterdam zie ik nooit een dienstauto. In Den Haag blijven mensen staan kijken naar een dienstauto, kijken wie erin zit. Misschien is het wel Maxima! In Amsterdam wordt zelfs de parkeernorm voor gewone auto’s op 0,2 gezet. En nog liever op 0,1. Een auto vervuilt niet alleen, maar een auto is ook te autoritair om te worden geaccepteerd. Nee, het is de fietser die zich de koning waant, die de identiteit van Amsterdam het best belichaamt. Wij fietsen hier naar het werk. In Amsterdam zijn we egalitair, anti-autoritair en doen we bij voorkeur gewoon. 

Dorp

Arrogantie is alle hoofdsteden eigen. Zoals in alle landen de tweede steden zich beklagen over alle aandacht die naar de hoofdstad gaat. Arrogantie is ook Amsterdam zeker niet vreemd. In Nederland kan een boek verschijnen onder de titel ‘Van wie is de stad’ dat alleen over Amsterdam gaat. Zonder dat de auteur het merkt, en zonder dat de uitgever het merkt en zonder dat de Groene Amsterdammer die vele voorpublicaties heeft verzorgd, het heeft gemerkt. 

Die arrogantie gaat zover dat Amsterdam zich graag meet met andere ‘metropolen’. Daar is ook wel een zekere grond voor, maar qua inwonertal is Amsterdam natuurlijk maar een heel klein metropooltje. Eigenlijk is het een klein stadje, en misschien wel een groot dorp. Amsterdammers merken het zelf niet, maar ze spreken heel vaak in voornamen. En gaan ervan uit dat de anderen weten wie met elke voornaam wordt bedoeld. En iedereen kent elkaar ook! Dat kan, omdat die stad zo klein is en zo overzichtelijk is. Als de Bijlmer weer leefbaarder wordt, kent iedereen wel een vriend die er onlangs weer is gaan wonen. Als je een gastspreker nodig hebt, bel een Amsterdamse vriend en hij regelt er zo vijf. Natuurlijk ook deze stad kent vele lagen en vele scheidslijnen, maar dit dorpse, dit kleinsteedse valt niet te ontkennen. Bij dat kleinsteedse hoort heel veel interactie. Vroeger waren het de kroegen, tegenwoordig is het de latte macchiato. En we lopen er naartoe. Of we gaan  op de fiets. 

Nieuwe economie

De stedenbouwkundige identiteit van Amsterdam lijkt vooral een fysieke oorsprong te hebben: delta, water en slappe bodem. Maar die kleine en lage stad past ook heel goed bij het egalitaire, anti-autoritaire karakter van de stad. Nergens groots en alles onder handbereik. En wat nog aardiger is: juist dat karakter maakt Amsterdam zo geschikt voor de nieuwe creatieve economie, die vooral gebouwd wordt op face-to-face-contacten en op een ideaal woonklimaat. Waar zou je dat anders willen dan in Amsterdam? Prachtig wonen, kleine afstanden, veel cultuur en op elke hoek van de straat een latte macchiato. Veel publiek domein. Juist daarom past Amsterdam zo goed bij wat de huidige economie vraagt. Juist daarom groeit de Amsterdamse economie enorm en is er een groot gebrek aan huizen. En juist daarom moet Haven-stad worden ontwikkeld. 

Toch ontwikkelt elke stad zich op zijn eigen manier in een veranderende economie. Amsterdam heeft het economisch tij mee, maar dat betekent niet dat de economie de ontwikkeling van Amsterdam dicteert. Opvallend voor Amsterdam is dat de middenklasse zich niet geheel laat wegvagen. En dat gezinnen met kinderen ook gewoon in de stad blijven wonen (hoeveel er ook naar buiten de stad verhuizen). Dat is ook de identiteit van Amsterdam. Geen sterke segregatie zoals je die in andere grote steden ziet. Zie London. Amsterdam is geen stad met alleen maar appartementen voor alleen maar hoogopgeleiden in het centrum. Amsterdam kent geen wijken die alleen maar werkloos en arm zijn. En zwart. In het echte Amsterdam wordt niet of gewoond of gewerkt, maar wordt vooral geleefd. 

Nieuwbouw

Wat vraagt dit voor Haven-stad? Egalitair is belangrijk. Interactie is belangrijk, kleinschaligheid is belangrijk. Er is behoefte aan een interessant publiek domein waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Bereikbaarheid is belangrijk, om interactie mogelijk te maken. Menging van bevolkingsgroepen is belangrijk. 

Laten we eerst eens kijken in hoeverre eerdere plannen aan deze criteria voldeden. Het Oostelijk Havengebied zou men zeer ‘Amsterdams’ kunnen noemen, als ik de Piet Heinkade even buiten beschouwing laat. Er is een duidelijke relatie met het water, het is kleinschalig op enkele projecten na, er is een zekere menging van bevolkingsgroepen, maar het aantal interacties is niet op Amsterdams niveau. Dat laatste komt vooral omdat het toch te veel een woonwijk is geworden en te weinig een stadswijk met voldoende werkplekken, bijvoorbeeld voor nieuwe zzp-ers.

Voor IJburg geldt dit alles in veel sterkere mate. Er is wel knap geprobeerd een Amsterdamse wijk te bouwen, maar het is toch vooral een woonwijk waar men veel slaapt (alhoewel het woord Vinex ‘verboden’ is) en de verbindingen met de rest van de stad zijn onvoldoende om een volwaardig interactiemilieu te bereiken. 

Westerdoks is minder Amsterdams qua uitstraling, maar kent wel een enorme dichtheid. Tegelijkertijd lijkt het publieke domein daaronder te lijden. Er is weinig zichtbare interactie binnen Westerdoks. Westerdoks heeft wel het voordeel dat het vlak tegen de grachtengordel aan ligt. Wat het ontbrekende publieke domein nagenoeg volledig compenseert. 

Ten slotte: Sloterdijk. Hier ontbreekt nagenoeg alles wat Amsterdam tot Amsterdam maakt. Het is een treurig gebied met veel hoogbouw, met veel beton en een publieke ruimte die maar geen publiek domein wil worden. Geen interacties. Geen onverwachtse contacten. Alleen woon-werk-verkeer. De kantorenmarkt in dit gebied lijkt nu pas weer aan te trekken, maar er zal veel moeten gebeuren om het gebied een eigen Amsterdamse identiteit te geven. 

Haven-stad

Als deze analyse klopt kan Amsterdam er veel van leren voor Haven-stad. Want Haven-stad ligt ver weg. Haven-stad kan een gebrek aan publiek domein (face-to-face contacten) niet opvangen door de nabijheid van de ‘stad’. Als die face-to-face-contacten niet binnen Haven-stad zelf ontstaan, wordt het een dooie woonwijk. Eigenlijk zou Haven-stad zelf een nieuwe stad moeten worden. Tegelijkertijd is duidelijk dat het gebied te veel doorsneden wordt door het water om één nieuwe stad te worden. De ontwerpopgave luidt dan ook: maak Haven-stad tot een conglomeraat van nieuwe stadjes, van nieuwe stedelijke milieus. Maar wel echte Amsterdamse stedelijke milieus. 

Geen scheiding van werken en wonen, maar een nadrukkelijke menging. Veel werkplekken voor zzp-ers, veel studio’s en veel latte macchiato’s om de hoek. Veel hippe winkels. Veel woningen voor gezinnen. Veel menging van bevolkingsgroepen. Veel drukte op straat, geen hoogbouw. Zeg maar: veel Jordaan, geen Bijlmer. 

Tot slot

Haven-stad wordt alleen puur Amsterdams als het Amsterdamse gemeentebestuur de leiding houdt. En als het gemeentebestuur dit echt wil. Anders zullen grondeigenaren en projectontwikkelaars vooral Nieuw-London bouwen. En zullen vooral prijs-records worden gebroken. Wat zou het mooi zijn als de toekomstige eigenaren onder strakke regie van de overheid hier zelf hun stad gaan maken. 

 

 

Dag @MarathonRdam, volgend jaar ben ik er weer

april 9, 2018 by  
Filed under artikel, lopen

De marathon in Rotterdam 15 keer gelopen, gisteren zat ik thuis. Ik wilde wel, maar ik kon niet. Gewoon niet getraind, door eindeloze problemen met een voet. Ik heb Rotterdam wel eens vaker gelopen zonder echt te trainen, maar toen zat die marathon nog in mijn lijf. Ik was bang dat hij er nu niet meer in zat. 

Dat was nieuw. In 2000 liep ik mijn eerste marathon in Rotterdam. En daarna miste ik maar 4 keer. In 2005 liep ik Rotterdam niet omdat ik overtraind was. Dat was een kwestie van uitzitten. Daarna loop je weer een nieuwe marathon. In 2007 liep ik Rotterdam niet uit, omdat hij halverwege werd afgelast en mijn loopmaatje wit was. In 2009 liep ik Rotterdam niet, omdat ik een week later de 60 van Texel liep. [In 2005 liep ik Rotterdam nog 2 weken na Texel, als een herstelmarathon.] Dus allemaal goede redenen. Die reden was er nu niet. Ik had sinds de vorige marathon in 2017 gewoon niet getraind, door die voet.

Het is zo’n dag dat je terugkijkt, terwijl je eigenlijk vooruit moet kijken. Mijn eerste Rotterdam ging in 3:49. Na twee jaar was ik binnen de 3:30. Ook die herstelmarathon in 2005 ging in 3:27. Mijn record in Rotterdam is van 2008: 3:18. Alleen in Berlijn liep ik tweemaal harder. 

Daarna gaat het langzamer. Niet geleidelijk, maar met twee duidelijke sprongen. Het is moeilijk toe te geven, maar de tweemaal de Swissair Alpine lopen heeft mijn tempo geen goed gedaan. Bijna 80 km in de bergen hardlopen met een hoogteverschil van 2600 meter heeft mijn lichaam duidelijk geraakt. Of misschien wel al die trainingen van te voren. Maar zonder veel trainen kom je die bergen niet over. 

Na mijn eerste Swissair Alpine in 2010 heb ik Rotterdam nooit meer binnen de 3:30 gelopen. De beste tijd was 3:38 in 2012. En overal staat in mijn logboek dat er blessures waren en dat ik veel te weinig had getraind. Dat beeld versterkt zich na mijn tweede Swissair Alpine in 2013. Ik loop Rotterdam nooit meer binnen de 4:00. Vriend Michiel zei: “Wim, we hadden toch afgesproken dat we hem niet meer zouden lopen, als we meer dan 4 uur nodig hebben?” Maar ik kon hem niet missen. 

En nog steeds niet. Afgelopen zaterdag wandelde ik met hond 14 km, in 2:20. Ik weet dat dat 6 km/uur is en dat je in Rotterdam aan 8 km/uur genoeg hebt om op tijd binnen te komen. Het is wel driemaal zo ver. Zelfs op zondagmorgen om half 8 denk ik nog even: “Waarom geen gokje wagen, de buren willen wel op de hond passen?” Ik waag geen gok. 

Maar het schijnt dat ik mijn voet nu vooral moet trainen om hem weer in vorm te krijgen. Terwijl ik al die tijd niet train omdat die voet zo’n pijn doet. Fysiotherapie blijft een bijzonder vak. Dus nu eerst die voet trainen, dan mijn hele lijf trainen, dan 5 kg afvallen en dan loop ik hem volgend jaar Rotterdam weer binnen de 4:00. Rotterdam, ik kom eraan. 

Memoires van Jacques Wallage beste in zijn soort #PvdA

april 7, 2018 by  
Filed under artikel

Jacques Wallage heeft een mooi boek geschreven, Het land achter de heuvels. Je kan ook zeggen: zijn memoires. Het is goed geschreven, het geeft een uitstekend beeld van de tijd en het geeft een heel goed beeld van de Jacques zelf. Of zoals hij zelf vaak schrijft: van Sjakie. 

Jacques Wallage was voor mij heel lang een naam. Pas veel later zou ik hem persoonlijk ontmoeten. En die naam Jacques was voor mij onverbrekelijk verbonden met Max. Max van den Berg. Toen ik in 1970 in Groningen kwam studeren, hadden zij de macht al bijna geheel overgenomen in de plaatselijke PvdA. Ook mijn partij. Ik kwam daar weinig omdat ik me in geheel niet uitgenodigd voelde door Jacques en Max. Zij deelden de lakens uit en waren niet van plan die lakens snel uit handen te geven. Max was al wethouder, Jacques zou het twee jaar later worden. Roemruchte tijden, die veel goeds hebben gebracht voor Groningen. Maar de bende van Max en Jacques maakte ook duidelijk hoe kwetsbaar democratie kan zijn. Vele oude sociaal-democraten werden het stadhuis uitgejaagd of zelfs naar Sliedrecht verbannen, zoals PvdA-wethouder Wim Hendriks overkwam. Hij mocht de rest van zijn werkzame leven burgemeester spelen in een dorp aan de Merwede. In ieder geval weerhield de geharnaste, quasi-revolutionaire sfeer van het duo Max en Jacques me ervan om me nog actief met die partij te bemoeien. Later bleken Jacques en Max overigens allebei aardige mannen te zijn. 

Max werd met veel kabaal voorzitter van de partij. Jacques werd gewoon Kamerlid. Maar zijn ster zou ook in Den Haag gaan stijgen, zij het veel langzamer dan in Groningen. In het derde kabinet Lubbers werd Jacques eerst staatssecretaris van Onderwijs en later nog een jaartje van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In die laatste hoedanigheid kwam ik hem een paar maal tegen als lid van een beraadsgroep en van een commissie, die hem moesten helpen met het verder ontwikkelen van zijn beleid. In 1994 was Jacques plotseling de tweede man van de partij en werd hij fractievoorzitter tijdens het eerste paarse kabinet. Voordat hij minister kon worden in het tweede paarse kabinet vertrok hij weer naar Groningen om daar burgemeester te worden. Na zijn burgemeesterschap was hij nog een aantal jaren voorzitter van de Raad voor het Openbaar Bestuur en viel daar op met allerlei heftige pleidooien voor meer democratie, meer burgers en minder politici. 

Het is boeiend om deze lange carrière van binnenuit te lezen. Het valt op dat Wallage veel meer last heeft gehad van zijn joodse verleden dan naar buiten voor mij zichtbaar was. Een typische tweede-generatie-slachtoffer. Met twee ouders die heel beschadigd uit de oorlog waren gekomen. Een onzekere man ook, die burgemeester van Groningen werd omdat hij zich zeer gevleid voelde door alle druk die vanuit Groningen op hem werd uitgeoefend en omdat hij de strijd om de opvolging van Kok zelf niet aandurfde. Die eerlijkheid van Wallage in zijn boek, neemt je voor hem in. 

Toch schuurt er iets met die eerlijkheid. Want heb ik het nu helemaal misgehad in Groningen? Waren al die machinaties van Max en Jacques achteraf gezien alleen maar roddels? En hoe word je zo maar tweede man van de PvdA, een partij die toch niet bekend staat om zijn gebrek aan carrièreliefhebbers? In het boek krijg je soms medelijden met een man die liever kleine Sjakie was gebleven. Maar hij zal toch ook zelf wel eens een stapje hebben gezet, waar anderen altijd met messen in de weer waren?

Helder is Wallage in ieder geval in de weergave van zijn politieke opvattingen. En hoe die verschoven zijn. Ook wie deze memoires niet heeft gelezen weet dat Wallage zich steeds meer zorgen is gaan maken over de democratie. En steeds meer heil is gaan verwachten van andere vormen van democratie dan de representatieve. In dat opzicht is het boeiend dat hij het WBS-rapportje De verplaatsing van de politiek, waarvan ik één van de auteurs was, nog eens aanhaalt. Zo schrijft hij op pag. 248: “opgeslokt door de actuele politiek hielden dergelijke fundamentele verschuivingen ons onvoldoende bezig.” Die indruk kregen we al toen we het rapport aan hem aanboden. Ik herinner me nog goed dat ik Jacques even later op weg naar de parkeergarage nog even tegenkwam. Hij keek me kameraadschappelijk aan en zei: “te veel D66”. Hij kon eigenlijk niet geloven dat ik als echte sociaal-democraat niet meer voor de overheid, voor de politieke partijen en voor de publieke zaak zou kiezen. Overigens waren die andere schrijvers ook sociaal-democraat.

Het grappige is dat Jacques dat rapport achterna is gegaan, richting D66. En dat ik zo’n rapport nu nooit meer zou schrijven. Het werken aan het WRR-rapport Het borgen van publiek belang heeft me daarbij veel geholpen. Dat laatste rapport was vooral een aanklacht tegen de onzinnigheid van vele privatiseringsoperaties, waarbij het publieke belang vaak geheel uit beeld was geraakt. De WRR stelde dat juist eerst het publieke belang zou moeten worden gedefinieerd, om vervolgens de organisatievorm daarop aan te passen. Terwijl Jacques steeds meer zou overhellen naar een grotere zeggenschap voor burgers, ging ik de onmisbaarheid van een overheid voor het behartigen van collectieve belangen sterker benadrukken. We zijn elkaar ergens tussen De verplaatsing en 2018 gepasseerd.

Overigens is die ontwikkeling van Jacques Wallage minder vreemd. Hij heeft zijn hele leven doorgebracht tussen politici die dachten dat in Den Haag de hele samenleving wordt bestuurd. En als burgemeester, als lokale politicus, is hij steeds meer gaan zien dat dat vanzelfsprekend onzin is. Lokale bestuurders hebben nu eenmaal vaak een realistischer beeld van beleid en samenleving dan de politici in Den Haag. Terecht is Wallage zich in Groningen meermalen gaan afvragen: “kunnen burgers en bedrijven, maatschappelijke instellingen dit niet zelf?”

En vanuit die kennis en ervaring is hij zich gaan ergeren aan Den Haag. Zo schreef hij op een kladje bij de kabinetsformatie van 2010, toen hij zelf informateur was: “Het systeem is doodziek, maar de hoofdpersonen voelen zich kiplekker”. Ik vind het overdreven en overtrokken, maar ik begrijp hem wel. Het lijkt alsof hij zijn eigen habitus langzaam is gaan haten. Hij is gaandeweg van de politiek ‘vervreemd’, om een woord te gebruiken dat Jacques zelf graag gebruikt. En hij gebruikt vervolgens soms veel te grote woorden. 

Wallage is ook somber. Hij maakt zich veel zorgen over populisme. Over Trump, over Wilders, over Le Pen. En hij laat zich niet het recht ontnemen ‘om de oorlog erbij te halen’. Hij ziet veel parallellen met de eerste helft van de vorige eeuw. En iemand met zijn achtergrond heeft het recht daarop te wijzen.

 

[zie ook: “Waarom neuzelen sociaal-democraten over burgerkracht” op deze site: https://wp.me/p2RkZJ-wgB]

Lokale verkiezingen zijn nationale verkiezingen

maart 15, 2018 by  
Filed under artikel

Er wordt veel afgegeven op landelijke politici die zich met de lokale verkiezingen bemoeien. De NRC meldt dat lokaal heel andere thema’s spelen. De Volkskrant meldt dat er lokaal grote verschillen zijn. Dat klopt allemaal. Het zwembad is in de gemeente vaak belangrijker dan de islam en de bodemgesteldheid is in Groningen anders dan op de Veluwe. Toch is die kritiek op de landelijke politici niet terecht. Vooral omdat het karakter van het lokaal bestuur door velen verkeerd wordt begrepen. Ik geef drie argumenten waarom landelijke politici zich terecht actief met de gemeenteraadsverkiezingen bezighouden.

Ten eerste hebben die lokale verkiezingen mogelijkerwijs een grote impact op de landelijke politiek. Want de journalisten die nu landelijke politici om terughoudendheid vragen, zijn straks de eersten om dezelfde landelijke politici te vragen waarom hun partij zo dik heeft verloren. Vooral voor D66 staat veel op het spel. De vorige raadsverkiezingen gingen geweldig, als dat nu minder gaat, zal D66 zich ongetwijfeld op haar positie in het kabinet gaan beraden.

Ten tweede is voor dat laatste ook alle reden omdat heel veel mensen (ongeveer 80%) op grond van landelijke overwegingen hun stem uitbrengen bij de lokale verkiezingen. Ja, er zijn lokale partijen, maar zelfs de overweging om op lokale partij te stemmen kan voortkomen uit terughoudendheid om op de ‘eigen’ landelijke partij te stemmen, omdat die partij wel of niet in het kabinet zit. Lokale partijen zijn ook helemaal niet belangrijker dan landelijke partijen. Nog steeds gaat 70% van de stemmen naar landelijke partijen bij de lokale verkiezingen.

Ten derde is het helemaal niet verrassend dat zoveel mensen op grond van landelijke overwegingen hun lokale stem uitbrengen. Want gemeenten zijn in Nederland voor het grootste deel uitvoerders van Rijksbeleid. En als er al sprake is van decentralisatie, het overhevelen van rijkstaken naar de gemeenten, dan nog worden de gemeenten geacht de rijkswetten lokaal uit te voeren. Het is heel goed dat dat gebeurt, omdat je ter plekke veel beter kan beoordelen hoe de wet het beste tot zijn recht komt. Maar dat betekent niet dat de gemeenteraad mag beslissen hoe hoog de bijstand moet zijn, of mag beslissen dat de sociale werkvoorziening wel blijft bestaan. Natuurlijk zijn er verschillen tussen de gemeenten. Omdat de omstandigheden anders zijn. Of de welvaart. Of de bodemgesteldheid. Maar meestal niet omdat de gemeenten op politieke gronden voor een andere uitvoering van dezelfde wet kiezen.

Vergeet ook niet dat gemeenten voor ongeveer 90% van hun inkomsten afhankelijk zijn van het Rijk. Het Rijk geeft al dat geld niet als een vorm van liefdadigheid. Maar gewoon om gemeenten in staat te stellen al die Rijkswetten uit te voeren. En om in het hele land paspoorten te verkopen en huisvuil op te halen.

Inderdaad, er wordt vaak een andere indruk gewekt bij lokale verkiezingen. Zeker door lokale partijen, partijen die maar in één gemeente aan de verkiezingen deelnemen. Het is immers niet leuk om te moeten zeggen dat je vooral het rijksbeleid moet uitvoeren. En daarom wordt bij lokale verkiezingen bovenmatig veel over zwembaden gediscussieerd.

Daarmee zeg ik niet dat lokale verkiezingen onbelangrijk zijn. Eenderde van de publieke gelden worden door gemeenten uitgegeven. Het is dus van groot belang dat hier mensen worden gekozen in wie we vertrouwen hebben. Het vertrouwen dat ze de gemeente de komende vier jaar goed kunnen besturen. En omdat heel veel mensen heel weinig raadsleden kennen, is het niet gek dat mensen iemand van een landelijke partij als hun vertrouwenspersoon in de gemeenteraad kiezen. Omdat ze van  die landelijke partijen door al die landelijke politici meestal wel een goed beeld hebben.

Uniek en geborgen wonen

maart 10, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

Laten we elkaar niet voor de gek houden. Als sociaal-democraten je vragen om je ‘droom over wonen’ te omschrijven is er één groot gevaar: de oude groef van de oude plaat. Wonen, daar waren we goed in. Beter gezegd: volkshuisvesting, daar waren we goed in. En, inderdaad de samenleving is de sociaal-democratie veel dank verschuldigd voor de volkshuisvesting.

Maar die tijd is geweest. Godzijdank. Want wonen in de vorige eeuw heeft zich vooral gekenmerkt door een verstikkend paternalisme. Nee, geen gewoon paternalisme. Een verstikkend paternalisme.

Dat paternalisme kwam van drie kanten. Van de ruimtelijke ordening, van de ontwerpers en van de sociaal-democratie. Voorzover deze drie zich goed laten onderscheiden. Vooral bij ruimtelijke ordening gold vaak het adagium: ruimtelijke ordening = maatschappelijke ordening = sociaal-democratie.

De nood was hoog. Al aan het begin van de 20e eeuw. De steden waren in snel tempo ontploft, de kwaliteit van de bouw was vaak ondermaats. Met de Woningwet van 1901 kreeg de overheid eindelijk grip op deze woekering. Maar het was vooral de woningnood na de Tweede Wereldoorlog die de ruimtelijke ordenaars hun opdracht gaf. Er was een probleem en dat zouden ze eens netjes voor ons oplossen. De burger had licht, lucht en ruimte nodig en de overheid zorgde daarvoor. Ze stuurden de burger naar Spijkenisse. Purmerend. Zoetermeer. Lelystad. Daar was veel licht, lucht en ruimte.

Maar toen de burgers ook meteen een auto kochten, kwamen de files, en moesten hun kinderen dichterbij de stad worden gehuisvest. Ze werden gelukkig in de Vinex. Ze kregen niet alleen een huis, waarvan alle maten in een Bouwbesluit werden bijgehouden, ze kregen ook scholen, winkels en vooral: ‘ontmoeting’. Want een samenleving bestaat bij de gratie van ‘ontmoeting’. En ze moesten juist helemaal niet in die auto. Ruimtelijke ordenaars houden niet van auto’s. Helaas is een goed openbaar vervoer vaak te duur of komt vaak te laat.

Het was jammer dat de plek waar al die nieuwe huizen moesten komen, vaak een negatieve keuze leek te zijn. Mensen moesten vooral in het uitrollend stedelijk tapijt wonen, om te voorkomen dat ze in de natuur gingen wonen. Dat is eigenlijk heel vreemd. Nederland kent helemaal niet zo veel natuur. En als je natuur vrij wil houden van bebouwing, kan je toch beter het bouwen in natuurgebieden verbieden. In plaats van burger te dwingen om zich in Spijkenisse te vestigen. Of Purmerend, of Lelystad, of Zoetermeer.

Ontwerpers voegen aan al dit paternalisme graag hun eigen paternalisme toe. Zo moeten we vanaf Van Eesteren in flatjes wonen, terwijl dat geen ruimtewinst oplevert. Ik geloof niet dat iemand om die flatjes had gevraagd. Het modernisme, waarvan genoemde Van Eesteren een belangrijk aanvoerder was, bereikte zijn hoogtepunt in de Bijlmer. Daar moest ook nog eens al het verkeer worden gescheiden. Zodat er helemaal geen geborgenheid meer overbleef en alleen maar onveiligheid. De Bijlmer is inmiddels grotendeels verdwenen, maar al die namaak-Bijlmers bestaan nog steeds. Daarna kregen we overal bloemkoolwijken, en daarna overal namaakwijken.

Wat ging er mis? Twee dingen. Ten eerste hebben mensen veel te weinig mogelijkheden gehad om hun eigen woning te wonen. Kansen op eigenheid zijn alleen maar weggelegd voor de echte rijken. Ten tweede waren die ontwerpers helemaal niet bezig met geborgenheid, wat het ultieme doel van elke stedebouwer zou moeten zijn. Mensen moeten zich veilig, geborgen voelen in hun stad, in hun dorp. Waarom zijn onze historische binnensteden zo’n succes? Wat maakt dat je je veilig waant in al die dorpen, van Friesland tot Brabant en Zeeland? Die identiteit is nauwelijks terug te vinden in al die plannen van ontwerpers die niet met de burger bezig waren, maar met hun eigen culturele expressie.

Maar de tijden zijn veranderd! Vooral de laatste 20 jaar laten prachtige voorbeelden van woningbouw zien. Ik word altijd blij als ik denk aan het Oostelijk Havengebied in Amsterdam. En al die andere plekken in Nederlandse steden en dorpen waar met ongelofelijke kunde ruimte is gemaakt voor individuele wensen van burgers én waar tegelijkertijd is gezorgd voor identiteit en geborgenheid. Dat vraagt geen paternalisme, maar vakmanschap. En het vraagt een ontzettende kennis van de Nederlandse stedebouw. Wat maakt Nederlandse steden en dorpen tot plekken waar zoveel mensen zich geborgen voelen?

Ik weet het: het spreken over paternalisme is een retorische truc. Het hoeft immers weinig betoog dat paternalisme onzalig is. Bovendien is een actieve rol van de overheid hier wel gewenst. Juist om die eigenheid en die geborgenheid te garanderen. Als mensen geheel vrij worden gelaten, ontstaat geen stad, geen dorp. Dan wordt, naar ik vrees, vooral veel kapot gemaakt. De overheid zal met regels burgers vrij moeten maken om hun eigen unieke plek te scheppen. En de overheid zal met regels voor een zodanige samenhang moeten zorgen dat ook de plek zijn eigenheid heeft en de burger zich geborgen voelt.

Daar heb je een overheid bij nodig en daar heb je ontwerpers bij nodig. De Amsterdamse grachtengordel is juist zo mooi geworden omdat er goede generieke regels golden, over dakgoothoogten en kavelbreedtes en rooilijnen. Etcetera. Dat soort regels moet de overheid formuleren, op basis van kennis van ontwerpers. Want het zijn de goede ontwerpers die het unieke van een plek in regels kunnen vertalen.

Het is om deze reden dat ik bang voor het nieuwe Amsterdam Haven-stad. Ik zie nog te veel maquette, ik zie te veel aantallen (een stad als Leiden!), ik zie te veel pogingen om gedrag van burgers te bedwingen (0,1 auto per huishouden), te veel vragen over het vervoer en veel (terechte) klimaateisen. Maar ik hoor niet die twee essentiële vragen: hoe zorgen we dat mensen daar hun eigen unieke woning zullen vinden, en dat ze zich allen geborgen weten in die winderige omgeving van de Amsterdamse haven.

Voor degenen die ik nog niet heb kunnen overtuigen heb ik slechts een simpel advies. Ga naar Rotterdam, rij met auto of fiets over de Mathenesserlaan (wat een prachtige maatvoering), via het museumpark naar de Erasmusbrug. Inderdaad, een geweldig icoon. Ga door naar de Wilhelminapier. Waai niet weg. Mis alles wat een Nederlandse stad tot stad maakt. En voel je niet geborgen.

 

[geschreven op verzoek van de redactie van Socialisme & Democratie]

@Trendrede 2018: “Wie is wij?”

maart 3, 2018 by  
Filed under artikel, Geen categorie

De economie laat zich moeilijk voorspellen. De samenleving nog minder. Dat dacht ik altijd totdat ik de Trendrede 2018 van de Nederlandse toekomstdenkers las. Het bleek toch tamelijk eenvoudig. Je nodigt een aantal denkers uit, je vraagt hen allen om enkele mooie woorden te formuleren, je vraagt een redacteur om alle mooie woorden in tamelijke willekeurige volgorde achter elkaar te zetten. En ziedaar: we weten hoe de samenleving zich de komende jaren gaat ontwikkelen. En om je bij te praten: de trefwoorden voor de komende jaren zijn domein-integratie, samenhang, overzien en ontschotting.

Ik geef toe: ik ben altijd een beetje sceptisch bij trendwatchers. Sociologen kunnen jaren over een onderzoek naar een klein detail doen, maar trendwatchers zien in een oogopslag van achter hun bureau hoe de samenleving zich gaat ontwikkelen. Daarbij baseren ze zich vaak op de bekende trendy voorbeelden van voortrekkers en dwarsdenkers. En met groot gemak wordt een enkel voorbeeld gegeneraliseerd naar ons allen. Ja, misschien ligt hier al het eerste probleem: trendwatchers hebben wel eens de neiging om trends met trendy te verwarren. Trends gelden voor de samenleving, trendy is goed voor een intermezzo op de congressen waar de trendwatchers elkaar tegen het lijf lopen.

In de meeste gevallen worden in deze Trendrede helemaal geen voorbeelden genoemd. Het is een prachtig boeket van open deuren en onbewezen stellingen. Met name als het om de toekomst gaat. In de analyse van het heden kan ik de toekomstdenkers nog wel een beetje volgen. Ze zien veel verbrokkeling in de samenleving. Niet zo heel verrassend. Maar bij de toekomst gaat het echt mis. Zo gaat de toekomst ons veel Hollands holisme (mooie alliteratie) en veel samensturing brengen. Waarom? Geen idee. En: “het betekenisverlangen binnen de samenleving groeit”. Mijn betekenisverlangen groeide overigens vooral bij het lezen van deze Trendrede. Ik ploegde mij met moeite door deze grindberg van warme woorden heen.

Juist in die warme woorden zit overigens het antwoord op al mijn vragen. Deze trendwatchers geven niet overtuigend aan waarom ‘domein-integratie’ en ‘overzien’ de trefwoorden van de komende jaren zijn, ze laten de lezer vooral geloven dat dat de trefwoorden zijn. En dat doen ze uitermate kundig. Ik zie mooie retorische trucs.

Zo bestaat de wereld voor deze trendwatchers uit enerzijds hele warme en mooie dingen en anderzijds uit hele koude en kille dingen. Laat ik beginnen met de koude dingen. Denk aan: ‘ik’, ‘systeem’ (en zelfs ‘woekerende systeemvereisten’), ‘overheid’, ‘samenloze leving’, ‘regels’ en ‘verbrokkelen’. Daar staan tegenover: ‘wij’, ‘samensturing’, ‘ontregelen’ en ‘integraal’. Ik doe maar een greep uit de grindberg. Maar het werkt. Want al lezend wil je na drie pagina’s maar één ding. Je wilt naar de zon. Je wilt naar een blije wereld. En je gaat er vanzelf in geloven dat die zal komen. Het is nu eenmaal makkelijker om in de komst van Messias te geloven dan te beseffen dat de duivel op je staat te wachten.

Daarom geloof ik graag (ja ik geloof ook), dat vele lezers de Trendrede heel overtuigend vinden. Bovendien brengt de woordkeuze je meteen in een staat van geluk en welbevinden. Heel veel mooie woorden, heel veel neologismen, waarmee mijn autocorrectie veel moeite heeft. Veel mooie zinnen. Geen spelfouten. En vooral de vele open deuren geven je het gevoel dat je het echt kan volgen. Zo bewegen we “van gelijkheid naar gelijkwaardigheid” en daarom is “maatwerk onvermijdelijk”. We hebben “geen behoefte aan individuele vrijheid maar aan gezamenlijke kaders”. Dat een paar alinea’s het tegenovergestelde staat mag de pret niet deren: “pas wanneer mensen er individueel mogen zijn, kan het gezamenlijke floreren”. En vooral: de toekomst is aan de cirkel. De trendonderzoekers hebben vooral veel geloof in de cirkel van vertrouwen waar geen hiërarchie meer is. Iedereen blij, iedereen gelijk, niemand meer de baas. (Oh nee, sorry, we moesten gelijkwaardig zijn.) Krachtige metaforen, grootse suggesties. Wat te denken van “een krachtige nieuwgroei onder het maaiveld” die al deze positieve trends zal ondersteunen?

Bij al die mooie woorden kijk je mekaar begrijpend aan, empatisch, of je krijgt de slappe lach. Wat te denken van “Zelfgecreëerde cirkels van vertrouwen leveren een basaal gevoel van veiligheid en eenheid”? Dat geldt immers ook voor zelfgebakken brood. Ja, en voor gebakken lucht.

Wat te denken ook van hun terugblik op een eerdere Trendrede waarin dezelfde watchers de behoefte aan systeemelastiek hebben voorspeld: “Die lijkt er intussen te komen. Nieuwe technologie, een veranderde omgeving en een rijker menselijke bewustzijn dragen talloze mogelijkheden aan, die niet meer passen binnen de huidige knellende kaders. Er zijn zoveel nuanceringen bijgekomen. Virtueel en analoog, tijd en plaats, alles stroomt door elkaar.” Het is flauw, maar waar: alles stroomt in deze Trendrede door elkaar, maar enige logica valt niet te ontdekken.

Er zijn wel eens mensen die beweren dat trendwatchers de waarzeggers van deze tijd zijn. Die conclusie is te algemeen. Deze Trendrede is vooral een hele goede preek. De trendwatcher als de nieuwe dominee. Zo’n preek geeft je een warm gevoel. Je hoort zinnen waar je het mee eens bent. En je gaat vooral met richting weer naar huis. Maak je niet druk over de verbrokkeling van de samenloze leving, samensturing heeft de toekomst! Het ‘ik’ heeft zijn langste tijd gehad, het ‘wij’ komt weer centraal te staan. De dominee heft zijn handen ten hemel en de geldzakken kunnen rondgaan.

En dan komt er plotseling dat twijfelende einde aan de rede. Juist een goede dominee kent ook twijfel. Die laatste zin, die laatste vraag: “Wie is wij?” Eerlijk gezegd weet ik niet of ik wil weten, wie deze Trendrede heeft geschreven.

Wie voorspelt de aardbevingen in Groningen

februari 26, 2018 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Er wordt veel over gepraat. Ze halen vaak de krant. De aardbevingen in Groningen. Het gaat over schade aan boerderijen en aan kerken. Het gaat over angst van mensen. Wat doet de overheid? Wat doet de NAM? Maar het gaat ook over wetenschap. Over voorspellingen: hoeveel staat ons nog te wachten? Onderzoekers doen goed werk, maar het valt me op dat ze beter zijn in modellen dan in communicatie. Zo is voor veel mensen onduidelijk wat al die voorspellingen inhouden. Vooral als ze worden weergegeven op mooie kaartjes met mooie kleurtjes. Velen denken dat die kaarten vertellen hoe groot de kans op een aardbeving is in de komende jaren. En waar die kans het grootste is. Maar dat is niet zo. Bovendien zijn er meerdere kaarten. En ja, die worden erg vaak geactualiseerd. En zo zien velen al snel door de bomen het bos niet meer.

In samenspraak met betrokkenen heb ik geprobeerd de aardbevingen en de kaarten in simpele mensen-taal samen te vatten. De tekst is voor mijn verantwoordelijkheid, omdat de onderzoekers het onderling uiteindelijk niet eens konden worden. En misschien zegt dat laatste al genoeg.

Deskundigen en burgers

In het ‘Groningenveld’ zit het gas niet in één grote bel, maar in poreus zandsteen. Door het gas uit de diepe ondergrond te halen, zakt het zandsteen langzaam in. Dat noemen we compactie. Door die compactie kan op 3000 meter diepte, langs breuklijnen in de aarde, aardbevingsactiviteit ontstaan.

Veel van die aardbevingen voelen we boven de grond helemaal niet. Pas bij zwaardere schokken treden grondbewegingen op die een gewoon mens kan waarnemen.

De intensiteit van die grondbewegingen, door deskundigen gemeten als ‘grondversnellingen’, hangt niet alleen af van de zwaarte van de beving in de ondergrond, maar ook van de samenstelling van de bodem. En die verschilt van plaats tot plaats. Dit maakt dat de intensiteit van de grondbewegingen ook verschilt van plaats tot plaats.

Dus als ze over aardbevingen spreken, bedoelen deskundigen en normale burgers wellicht iets anders. Deskundigen denken bij een aardbeving specifiek aan de breukactiviteit in de diepe ondergrond (met alle gevolgen vandien). Burgers voelen (heftige trillingen) en denken aan scheuren in hun woning. Anders gezegd: wat burgers een aardbeving noemen, beschrijven deskundigen als grondbeweging. En wanneer burgers willen weten hoe groot de dreiging van een nieuwe aardbeving is, willen deskundigen weten welke maximale grondversnellingen binnen een bepaalde periode zijn te verwachten. Ze gebruiken daarvoor de term piekgrondversnelling, of in het Engels ‘Peak Ground Acceleration”, afgekort: PGA.

Dreigingskaarten

Zowel de NAM als het KNMI maken schattingen van de dreiging van een aardbeving voor alle plaatsen boven het Groningenveld. Hun methodes en hun aannames verschillen.

De NAM maakt een dreigingskaart op grond van kennis over de compactie en op grond van de lokale bodemgesteldheid. De dreigingskaart geeft de grondversnelling weer die (statistisch gezien) één keer in de 475 jaar kan worden overschreden. Het gaat dus om kansen, niet om zekerheden.

[Dat we hier spreken over 475 jaar is een afspraak tussen deskundingen. De periode van 475 jaar is gelijk aan 10% kans in 50 jaar dat de grondversnelling kan worden overschreden.]

De dreigingskaart geeft dus niet aan hoe groot de kans op een ‘voelbare’ aardbeving is in het komende jaar. Of de kans op een aardbeving sterker dan 3 op de schaal van Richter. Of de kans op schade.

Het KNMI maakt ook zo’n dreigingskaart, maar dan  op basis van de seismische activiteit in de afgelopen jaren en op grond van kennis van de lokale bodemgesteldheid. Ook op die kaart wordt de grondversnelling die één keer in de 475 jaar kan worden overschreden, weergegeven. De laatste jaren baseert het KNMI zich op de seismische activiteit in de afgelopen drie jaar.

Er is dus niet één dreigingskaart. Er zijn er zelfs meer dan twee, als we alle updates meetellen. Updates zijn ten eerste onvermijdelijk omdat de kennis toeneemt waardoor steeds weer betere inschattingen van een dreiging kunnen worden gemaakt. Ten tweede brengt het KNMI elk jaar een nieuwe dreigingskaart uit. Ze baseren zich immers op de afgelopen drie jaar.

Overigens laten de dreigingskaarten van NAM en KNMI in uitkomsten geen grote verschillen zien.

Risicokaart

Het risico dat mensen lopen door een aardbeving hangt niet alleen af van de dreiging op een ‘grondversnelling’, maar ook van de robuustheid van de gebouwen. In een slecht gefundeerd huis loop je meer risico dan in een huis dat ‘aardbevingsbestendig’ is gemaakt. Ook als de beving veel minder krachtig is.

De NAM heeft een schatting gemaakt van het risico dat mensen lopen door het gedeeltelijk of geheel instorten van huizen en het vallen van schoorstenen en andere losstaande objecten, op basis van de dreiging van een grondversnelling ter plekke en op basis van de robuustheid van de gebouwen. De NAM gaat daarbij uit van 50 typen gebouwen. Met deze risicokaarten kunnen de risico’s van een aardbeving worden vergeleken met de risico’s die mensen elders lopen ten gevolgd van overstromingen of ten gevolge van de luchtvaart.

Shakemap

Ten slotte is er nog een andere kaart van het KNMI: de trillingskaart, of in het Engels: shakemap. Deze kaart is geen dreigingskaart, maar een kaart van de werkelijke grondbeweging ten gevolge van een reële aardbeving. De kaart geeft zowel de gemeten grondbeweging weer en een zo goed mogelijke schatting van de grondbeweging op plaatsen waar geen metingen zijn. Deze kaart geeft dus een indruk waar naar verwachting schade is opgetreden als gevolg van deze specifieke aardbeving. Het gaat hier dus om analyse van iets wat gebeurd is, en niet om een voorspelling van wat zou kunnen gaan gebeuren.

 

Tiende #Triomf van de stad start in september 2018

februari 14, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad, Geen categorie, Voorpagina

In september 2017 start de leergang Triomf van de stad met een nieuwe groep. Groep X. Deelnemers kunnen zich vanaf nu aanmelden. De modules worden gegeven op: 27/28 september 2018, 1/2 november 2018, 6/7 december 2018, 10/11 januari 2019, 14/15 febr 2019 en 21/22 maart 2019. De folder met het programma is hier te vinden: Triomf-van-de-stad-2018-folder Voor een beschrijving van de rode draad van de leergang zie Triomf van de stad: rode draad. En om te zien wat de cursisten van de jaargang 2017-2018 voor mooie opdrachten hebben gemaakt zie hier: http://wqd.nl/nu9U.

Aanmelding via wimderksendh@gmail.com.

Kajsa: inhoudelijk rationeel is niet meteen politiek rationeel

februari 2, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

Kajsa Ollongren wil dat de steden meer in groen gaan bouwen. Met die uitspraak heeft ze veel kritiek opgeroepen. Ik kan die kritiek wel volgen. Vroeger, ja, vroeger toen bouwden we bij voorkeur in het groen. De groeikernen, de Vinex, allemaal in het groen. Sinds die tijd weten steden dat binnenstedelijk bouwen veel voordelen heeft. Minder mobiliteit, minder aantasting van de natuur, minder aantasting van de noodzakelijke ruimte rondom de steden, en meer stedelijke economische groei, omdat dichtheid nu eenmaal veel agglomeratievoordelen heeft. Om die reden bouwen veel steden tegenwoordig waanzinnig veel woningen in de stad. En niet erbuiten. Amsterdam bouwt er tegenwoordig zelfs 8.000 per jaar. Maar toch zeggen mensen als Peter Boelhouwer (zie mijn interview met hem op deze site) dat de woningbehoefte de komende jaren zo groot is, dat niet aan bouwen in het groen om de stad, valt te ontkomen. Ik vrees dat hij wel gelijk heeft. Dus ergens heeft Kajsa Ollongren, onze minister van Binnenlandse Zaken, wel een punt.

Toch zou ik in haar positie deze opmerking nooit hebben gemaakt. Inhoudelijk mag de opmerking rationeel zijn, maar politiek is ze nogal twijfelachtig. Want laten we wel wezen, niemand wil de natuur om de stad in beton veranderen, niemand wil de schaarse ruimte in Nederland beperken door het ‘stedelijk tapijt’ weer verder uit te rollen. Mensen willen de vogels horen fluiten, willen de rust kunnen vinden buiten de stad. Dus waarom zal je dan als minister op voorhand roepen dat we straks in het groen moeten gaan bouwen. Wat inhoudelijk een beetje rationeel is, is politiek helemaal niet rationeel. Nee, het leek wel alsof Kajsa nog steeds de topambtenaar was, die ze ooit was. Topambtenaren moeten de politiek waarschuwen voor onvermijdelijke ingrepen. Politici kunnen beter aan hun imago en hun maatschappelijke steun denken, zolang die ingrepen nog helemaal niet aan de orde zijn. Dan hebben ze straks misschien voldoende gezag om onwelgevallige beslissingen toch te nemen.

Volgende pagina »