Corona en de nieuwe Concert-cultuur

september 14, 2020 by  
Filed under artikel, Voorpagina

Drie concerten hebben we nu achter de rug sinds het weer een beetje mag. En de bezoekersaantallen zijn nog steeds dramatisch, maar er gloort wel een andere concert-cultuur. En dat zou wel eens winst kunnen zijn. 

Eerst het sombere nieuws. In het nieuwe Concertgebouw passen 350 toehoorders op corona-afstand. In een zaal waar zonder corona ruimte is voor 2000 luisteraars. Daar kan geen verdienmodel tegenop. Toch zal het Concertgebouworkest het voorlopig met die 350 betalende toehoorders moeten doen. Bovendien het is de vraag hoeveel stoelen bezet zullen zijn als dat vaccin er eindelijk is. De gemiddelde luisteraar van het Concertgebouworkest, ja, het Koninklijke Concertgebouworkest, is ver op leeftijd. Hij vond het toch al vermoeiend, en zeker op een koude en natte winteravond was de reis naar de Van Baerlestraat al vaak te lang. Ik vrees dat het in Concertgebouw net zo zal gaan als in de kerken: na corona haakt een grote groep definitief af. 

Daarom is het zo belangrijk dat deze tijden ook laten zien dat het allemaal anders kan. En dat ook de traditionelen in het Nederlandse muziekleven, met het Koninklijk Concertgebouworkest aan de top, hun concertcultuur kunnen veranderen. We waren bij het concert van Andris Nelsons die ons in één uur een prachtige Rachmaninov 2 voorschotelde. We namen het drankje en de jassen mee naar de zaal. En na afloop mochten we meteen weer naar buiten. Geen eindeloze pauze met al die Amsterdamse kak die niet voor Nelsons komt maar voor elkaar. Geen mannen die elkaar gauw nog even aanraken. Geen vrouwen meer die de hele avond meer aandacht hebben voor hun haar en geen hobo van een klarinet kunnen onderscheiden. En vooral niet meer met 12 mannen tegelijk in het ‘druppelhok’ samen proberen er nog iets uit te persen. Mag ik voortaan altijd een concert van een uur, zonder de verplichte ouverture? Of is dat juist het verdienmodel van het KCO? 

In het Muziekgebouw aan het IJ hoorden we het Belgische Collectief met Das Lied von der Erde van Mahler. Bewerking door Schönberg en De Leeuw: strijkkwintet, blaaskwintet, basklarinet, harp en harmonium. Wat een schoonheid, wat een feest om te horen. Waarom moet Mahler altijd zo groot? Dit intieme concert raakte me meer dan zo’n volle bak. En ook het KCO kan in deze bezetting spelen. 

Bij kasteel Duivenvoorde hoorden we het NBE. Het NBE is altijd goed voor verrassingen en voor een alternatieve programmering. Maar zelfs zij vonden in corona-tijd nog weer nieuwe varianten. We kregen niet alleen een concert onder een zeildoek in de buitenlucht. Echt bijzonder was de wandeling door het park, met op onverwachte plekken een mini-concertje van heel bijzondere combinaties. Geen Mozart en Mahler. Alle muziekculturen naast elkaar en door elkaar heen. Het enige nadeel: met alle happen en dranken en gezelligheid duurde het, los van onze eigen afspraken, misschien al weer te lang. Want dat begin ik wel te leren. Waarom moesten al die concerten voor corona altijd zo lang duren, terwijl de wereld zoveel sneller is geworden? 

Deel dit bericht:

#Prorail terug onder de vleugels van moeder overheid

september 9, 2020 by  
Filed under Geen categorie, Voorpagina

Ooit hadden we de Nederlandse Spoorwegen. In de privatiseringswoede van de jaren 90 werd NS naar de markt gebracht en opgeknipt. Na een volgende herschikking bleven NS en Prorail als enige herkenbaar over. Beide zijn zogenaamde overheids-nv’s. Private bedrijven waarvan de  aandelen in handen zijn van de overheid. Daarmee heeft de overheid via eigen commissarissen zeggenschap over het reilen en zeilen van de bedrijven, maar de commissarissen hebben alleen het belang van het bedrijf te dienen. 

Zolang de NS een concessie hebben voor het hoofdnet van de spoorwegen is er geen reden om de juridische positie van NS te veranderen. Over de positie van Prorail bestaat daarentegen veel meer discussie. Moet de rail-infrastructuur van Nederland door een privaat bedrijf worden beheerd? Terwijl de overheid jaarlijks een miljard euro moet bijleggen? Vooral in het vorige kabinet met verantwoordelijke PvdA-staatssecretarissen werden steeds meer vragen gesteld, tot Sharon Dijksma besloot om Prorail weer terug te halen. Het zou van een overheids-nv een zelfstandig bestuursorgaan (zbo) moeten worden. 

De operatie is in volle gang, maar de politieke strijd is nog niet gestreden. Deze week houdt de Kamercommissie nog weer eens een hoorzitting over het onderwerp. Is het echt verstandig om Prorail weer onder de vleugels van de overheid te brengen? Principieel ben ik daarvan wel een voorstander en ondanks alle rompslomp die we over ons halen door de positie van Prorail weer te veranderen, lijkt me dat er ook praktische argumenten zijn voor de omvorming van Prorail naar zbo. 

Ik doe donderdag mee aan die hoorzitting. Dat is verrassend omdat het niet om wetenschappelijke keuze gaat, maar om een politieke. Daarom zal ik me beperken tot het meegeven van enkele overwegingen. En met name een manier van redeneren. Conform het WRR-rapport Het borgen van publiek belang uit 2000, waarvan ik de hoofdauteur was. De WRR zou toen als volgt hebben geredeneerd. 

  1. De positionering van Prorail is geen doel op zich. Privatisering is geen doel op zich, verzelfstandiging is geen doel op zich. Net zo min als het terugbrengen onder de vleugels van de overheid een doel op zich mag zijn. 
  2. De publieke belangen zijn hier het doel. En de positionering van Prorail is wellicht een middel om die publieke belangen beter te dienen. 
  3. Wat zijn publieke belangen? Er zijn veel belangen die we samen belangrijk vinden. Soms kunnen die niet bereikt worden zonder eindverantwoordelijkheid van de overheid. Dan zou ik willen spreken over ‘publieke belangen’. Dat publieke belangen worden bereikt is een eindverantwoordelijkheid van de overheid. 
  4. Wat we samen belangrijk vinden is een politieke keuze. Als de samenleving daarvoor niet zelf kan zorgdragen, moet de overheid iets doen. Op zijn minst een eindverantwoordelijkheid dragen. 
  5. De markt kan veel, mensen kunnen zelf auto rijden, de NS kan zelf treinen rijden, maar het aanleggen van wegen en spoorwegen doen we niet zelf (omdat een ander anders gratis van mijn weg gebruik kan maken): daar heb je een overheid voor nodig. 
  6. De markt kan veel, maar voor het organiseren van een markt heb je ook de overheid nodig.
  7. En je hebt nog heel veel andere publieke belangen: CO2, stikstof etc: ook daar moet de overheid de mobiliteit bijsturen.
  8. De vraag waar het nu om draait: hoe kan je dat soort publieke belangen het beste borgen? Soms met wetgeving en handhaving (uitstoot tegengaan). Soms met positionering van de organisatie. 
  9. Zo hebben we het organiseren van de OV-markt in handen gegeven van de Minister, de provinciale en lokale besturen. Logisch, als we een markt willen hebben, heb je een marktmeester nodig. 
  10. Zo laat je het aanleggen en beheren van spoorwegen aan private partijen. Een overheid moet niet zelf met kiepkarren gaan rijden. 
  11. Maar waar positioneer je organisatie die daartoe de opdrachten verstrekt en daarover het toezicht houdt? Antwoord: daar waar de overheid haar eindverantwoordelijkheid het beste kan waarmaken. 
  12. Ik heb voor de sg van IenM enige jaren geleden het toezicht op Prorail geëvalueerd. En dat toezicht was mager geregeld. En dat lag niet alleen aan het departement. 
  13. Er was bijvoorbeeld vaak spanning tussen de staatssecretaris van IenM en de directie en de Raad van Commissarissen van Prorail over grote investeringen. Prorail vond dat in wezen niet de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris.
  14. Er was bij Prorail geen cultuur van grote openheid ten aanzien van de toezichthoudende functie van het departement. Men had ook niet zoveel zin om over het toezicht door het departement te praten. Alsof men een zelfstandig bedrijf was. 
  15. Maar aan de andere kant had ik als decaan van de Rijksprojectacademie (indertijd: academie voor projectmanagers van RWS, Prorail en Rijksgebouwendienst) bij de deelnemers van Prorail ook niet het gevoel met mensen van een privaat bedrijf te maken te hebben. Er was in dat opzicht ook geen verschil tussen mensen van RWS en van Prorail. 
  16. Conclusie: het borgen van publieke belangen is ook een kwestie van cultuur. Denkt men vanuit publieke belangen of denkt men als een privaat bedrijf? Het is niet onlogisch om RWS en Prorail vanuit het publieke belang te laten denken. 
  17. Als je de overheid verantwoordelijk acht voor de infrastructuur (en voor de concurrentie op de infrastructuur) is het logisch om RWS en Prorail binnen de publieke sfeer te houden/hebben. 
  18. Het werk van Prorail en RWS vraagt om een zekere autonomie. Maar blijkbaar lukt RWS dat goed, zelfs zonder dat hij een zbo is. Waarom zou dat voor Prorail anders zijn?
Deel dit bericht:

Ruud Lubbers controleert zelfs zijn eigen geschiedenis

september 7, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Ruud Lubbers was vaak ongrijpbaar. En na zijn dood lijkt het niet anders. 

In 2018 was Ruud Lubbers nog maar net dood toen enkele maanden later onder eigen naam het boekje Persoonlijke herinneringen verscheen. Hij was ooit aan een boek begonnen, maar bij zijn dood lagen er slechts enkele korte schetsen en een aantal interviews. De interviewer had de ondankbare taak op zich genomen om van dit alles een geheel te maken. Maar een geheel werd het niet. Ik vond het vooral een pijnlijk boekje omdat Lubbers alle grootsheid die we van hem gewend waren leek te hebben verloren. Het meest bleven zijn verontschuldigen aan Elco Brinkman hangen, de man die hem in 1994 moest opvolgen als CDA-leider én al premier, maar daarvoor een paar maatjes te klein was. Lubbers had dat indertijd te laat door. Toen hij besefte dat Brinkman niet zijn gedroomde opvolger was, maakte hij hem het leven alsnog heel erg zuur. 

Onlangs verschenen de ‘politieke memoires’ van Ruud Lubbers, van de hand van Theo Brinkel. Brinkel spitte in de jaren 1993-1995 samen met Lubbers in 21 gesprekken diens politieke leven door. Memoires in de vorm van 21 interviews. Het zegt veel over Lubbers dat dit boek nu pas verschijnt. Tot zijn dood heeft hij nooit willen instemmen met een publicatie. Nu doet de familie dat gelukkig wel. 

En dat feit alleen al, dat Lubbers geen toestemming gaf, typeert de man ten voeten uit. Want bovenal was Lubbers een control freak. Er stonden een paar teksten in het boek, die wel eens tot problemen zouden kunnen leiden. Over Elco Brinkman geen goed woord, maar dat was tot daaraan toe. Brinkman was al lang gevallen. Maar zijn woede over Helmut Kohl die hem de pas afsneed naar het voorzitterschap van de Europese Commissie, kon maar beter niet naar buiten komen. Je wist maar nooit wanneer hij Kohl nog eens nodig zou hebben.

Overigens kom je buiten Kohl en Brinkman om in de memoires van Lubbers alleen maar aardige mensen tegen. Mensen die hij “mag”. Natuurlijk, er is wel eens een akkefietje, maar eigenlijk “mag” Lubbers iedereen. Dat is bijzonder, omdat de politiek geen wereld is om vrienden te maken. Als Lubbers hier over bijna iedereen zegt dat hij ze “mocht”, is dus iemand bezig zijn eigen geschiedenis te herschrijven. Hier controleert iemand zijn nagedachtenis. 

Juist daarom is het een echt Lubbers-boek. Ruud Lubbers was twaalf jaar minister-president. Omdat hij was wie hij was. Een uitermate intelligente politicus, die alles zag en daardoor de ander vaak een slag voor was. Die zich inhoudelijk in elk onderwerp verdiepte. Die meteen vier oplossingen in gedachten had. Die in de ministerraad kon verrassen omdat hij de dossiers soms beter had gelezen dan de verantwoordelijke minister. Natuurlijk, hij moet soms heel irritant zijn geweest. Het is voor veel mensen irritant om te moeten toegeven dat de ander veel beter is. Daarom was Lubbers bepaald niet geliefd bij iedereen. Maar hij stak er wel met kop en schouders bovenuit. En daarom had dat kleine boekje met Herinneringen twee jaar geleden niet mogen verschijnen. Daar sprak een oude man, en niet meer de man die vaak irritant goed was. 

Dat wil niet zeggen dat er op de loopbaan van Ruud Lubbers geen ander perspectief denkbaar is. Vooral die twee affaires met Brinkman en met Kohl laten zich ook anders beschrijven. Bijvoorbeeld als de affaires waarin Lubbers eigenlijk de controle langzaam kwijt raakte. En het mooie van zijn memoires is dat hij ons wil doen geloven dat hij die controle nog wel degelijk had. 

Lubbers was in 1989 al zeven jaar minister-president toen hij aan zijn derde kabinet begon. Hij meldde intern dat het zijn laatste kabinet zou worden. Heel wijs, na 12 jaar is je houdbaarheid wel verstreken. Al snel wees Lubbers Elco Brinkman aan als zijn opvolger. Brinkman was minister geweest in de eerste twee kabinetten-Lubbers. Vanaf 1989 was hij fractievoorzitter van het CDA in de Kamer. Een logische keuze. Maar ook een onmogelijke keuze. Want Brinkman kon zich alleen maar profileren door zich tegen de “Baas” af te zetten en dat was de “Baas” niet gewend. En daarvan ook niet gediend. Laat ik het anders formuleren: Lubbers begreep wel dat het zo werkte, maar hij zou het zelf inhoudelijk heel anders hebben gedaan. Hij legde de arme Brinkman langs zijn eigen meetlat. En die Brinkman was inderdaad een paar maatjes te klein. 

Lubbers probeert in zijn beschrijving van het conflict met Brinkman vooral zijn eigen grootheid te laten zien. Hij mist echter de grootheid om te zien dat grote leiders vaak hele kleine mensen worden als ze de macht en de aandacht weer moeten afstaan. 

Met Kohl gebeurde iets vergelijkbaars. Kohl en Lubbers waren al jaren zeer goede bekenden van elkaar. Onder andere via de Europese christen-democratie. Maar Lubbers begon in zijn derde kabinet een beetje het zicht op zijn eigen positie in Europa kwijt te raken. Hij begon randvoorwaarden te stellen aan de Duitse eenwording, hij meende dat de Europese Bank niet naar Frankfurt moest maar naar het provinciaalse Bonn. En daarvan was Helmut Kohl op zijn beurt niet gediend. Overigens was Kohl ook langzaam het zicht aan het kwijtraken op zijn eigen menselijkheid. Kohl en Lubbers waanden zich allebei te groot, maar Kohl was als vertegenwoordiger van Duitsland toch echt een kopje groter. Geïrriteerd door Lubbers gedrag, zette Kohl hem de voet dwars bij zijn poging om voorzitter van de Europese Commissie te worden. Lubbers boos en vol onbegrip. 

Dit soort episodes contrasteren met de dagelijkse politiek en zijn daarom zo boeiend. Politiek is meestal een doortimmerd spel van macht en inhoud. Waarin politici hun doelen weten te bereiken door op het juiste moment de juiste dosis macht in te zetten. Maar politici zijn ook mensen. Je kan zelfs zeggen dat ze alleen maar heel groot kunnen worden als ze het mengsel van macht en inhoud aanlengen met een goed gedoseerde hoeveelheid ‘mens’, ‘persoon’. En het boeiende is dat politici aan het einde van hun loopbaan vaak de mist ingaan omdat die ‘mens’ een te groot gewicht krijgt. Ze vinden het moeilijk om afscheid te nemen. Ze raken snel gekwetst, omdat ze niet zelden een meer dan normale hoeveelheid narcisme onder de leden hebben. Ze denken dat de buitenwereld het allemaal doet. Maar ze doen het zelf. 

Het gaat vaak heel subtiel. Want zonder de persoon die ze zijn, hadden de grote politici nooit tot die grote hoogte kunnen stijgen. Lubbers was niet alleen een Macher, maar was ook een gelovig mens, die juist daarom 12 jaar het CDA aan zijn voeten had. Dat was niet gespeeld, dat was de mens Ruud Lubbers. Joop den Uyl was jarenlang bij zijn achterban zo geliefd omdat hij naast een handig politicus ook ‘Ome Joop’ was. 

En dan gaat aan het einde toch het ego te veel opspelen. Dan kan Joop den Uyl geen afscheid nemen omdat hij denkt dat alleen hij het kan. Dan gaat Ruud Lubbers kinderachtig de strijd aan met Elco Brinkman, omdat hij zich niet kan voorstellen dat hij door zo’n man zal worden opgevolgd. 

Juist in dat licht zijn die memoires van Lubbers zo interessant. Want ook na zijn neergang probeert Lubbers controle te houden. En probeert hij zijn geschiedenis weer in zijn eigen voordeel te corrigeren. Het is juist die karaktertrek die hem zo groot heeft gemaakt. 

Deel dit bericht:

@ferdgrapperhaus mist vooral politieke antenne

september 3, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Grapperhaus maakte een fout op de gelukkigste dag van zijn leven. Sneu voor die dag en de herinnering die het echtpaar er nog jaren aan zal hebben. Is het reden om de goede man naar huis te sturen? Kan het kabinet ons nog wel streng toespreken over het ‘nieuwe normaal’ als de verantwoordelijke minister zich niet aan het ‘nieuwe normaal’ houdt? Maken we niet allemaal wel eens een fout? Moeten we het de minister niet vergeven omdat hij wellicht in de roze wolken was?

Ik geloof niet dat dat de kwestie is. Want het grootste probleem bij deze minister is niet dat hij een domme fout heeft gemaakt, zijn grootste probleem is dat hij die fout niet heeft zien aankomen. 

Deze man heeft niet van te voren bedacht dat hij dat feestje beter kon uitstellen, omdat hij politiek zeer kwetsbaar was en dat elke fout op dit feestje hem zou worden nagedragen. Hij is immers de man die de boetes uitdeelt op de feestjes die door Rutte en De Jonge worden verboden. 

Deze man heeft niet van te voren bedacht dat hij de positie van Rutte erg zou schaden als er ook maar één foto van zijn feestje naar buiten zou komen. Want hij is niet alleen zijn eigen gezag kwijt, maar Rutte heeft vijf persconferenties nodig om zijn oude gezag weer terug te winnen. 

Deze man heeft niet van te voren bedacht dat het niet genoeg is om de eerste foto met een juridisch fraaie formulering af te doen.Dat het een enkele keer fout was gegaan in het geluk van het moment. Terwijl hij wist dat dat niet zo was en terwijl hij had moeten beseffen dat er altijd nieuwe foto’s zouden opduiken. 

Deze man heeft nog steeds niet bedacht dat er nog meer foto’s naar buiten kunnen komen. En dat hij dan met kop en kont door Rutte eruit wordt gegooid. 

Het maken van een fout kan iedereen overkomen, maar deze man mist blijkbaar een belangrijk politiek gevoel. Deze man is geen politicus en daarom ongeschikt voor de politiek. Een politicus kijkt altijd vooruit. Een politicus bedenkt altijd vooraf hoe bepaalde dingen later zullen vallen. Een scherpzinnige jurist is niet meteen ook een goed politicus. Grapperhaus moet niet kwalijk worden genomen dat hij een fout heeft gemaakt, maar dat hij blijkbaar niet voorziet wanneer hij zichzelf in de nesten werkt. 

Deel dit bericht:

De Zuiderzeelijn komt uit de oude doos #PvdA

augustus 18, 2020 by  
Filed under artikel

Terecht wil de PvdA veel geld uittrekken om de economie weer op gang te helpen. Maar helaas duiken meteen de oude wensenlijstjes weer op. En ja, daar is hij weer: de Zuiderzeelijn, nu vermomd als Lelylijn. In de jaren 0 is er veel over gesproken, een snelle treinverbinding (zweeftrein!) van Amsterdam, via Lelystad, Heerenveen en Drachten naar Groningen. Het kabinet-Balkenende/Bos was zo wijs om ervan te zien. De Noordelijke lobby werd met € 2,7 miljard afgekocht.

Is infrastructuur dan geen goed middel om de economische groei te bevorderen? Ja zeker wel. Hoe verder ik mijn goederen tegen redelijke prijs kan vervoeren, hoe groter mijn afzetgebied en hoe meer ik dus kan verdienen. Er is wel een grens: als de transportkosten te hoog worden, ben ik niet meer concurrerend. Bovendien worden op de markt niet alleen goederen verhandeld, maar ook arbeid. Als het van Groningen minimaal 2 uur rijden vergt om in Amsterdam te komen, zien bijna alle Groningers ervan af om een baan in Amsterdam te zoeken. En omgekeerd. Dus een snelle verbinding kan ervoor zorgen dat Amsterdam en Groningen meer van elkaars arbeidskrachten gaan profiteren. 

Waarom is dat idee van die snelle Lelylijn van Amsterdam naar Groningen dan niet meteen een goed idee. Er zijn twee redenen. 

Ten eerste hangt het ervan af of we met die nieuwe lijn de economie van Nederland willen bevorderen of specifiek de regionale economie van Groningen (waar ze na de aardbevingen nog wel enig recht hebben op genoegdoening door de overheid)? Juist op dit punt moet je voorzichtig zijn met een nieuwe snelle treinverbinding. Die trein zal ongetwijfeld leiden tot meer groei, maar het is zeer ongewis waar die groei gaat neerslaan. Zullen Amsterdammers in Groningen gaan winkelen (ach misschien een keertje), of zullen juist Groningers veel vaker in Amsterdam gaan winkelen (als je daar in een uurtje bent)? Zullen bedrijven zich in Groningen gaan vestigen omdat die Amsterdamse arbeidskrachten geen bezwaar hebben tegen dat treinritje, of zullen juist Groningers geen bezwaar meer hebben tegen een baan in de regio Amsterdam? Eerlijk gezegd: ik vermoed dat die Lelylijn vooral de regio Amsterdam zal versterken. (Wellicht heeft de Amsterdammer Lodewijk Asscher om die reden het plan van zijn Groningse fractiegenoot Henk Nijboer met liefde omarmd.)

Klein voorbeeld: de tunnel onder de Westerschelde heeft mede geleid tot de bevolkingskrimp in Zeeuws-Vlaanderen. Waarom zal je een filiaal van je bedrijf in Terneuzen openen, als mensen even snel via de tunnel in Goes of Middelburg zijn?

Ten tweede mogen infrastructuur (en daarmee bereikbaarheid) goed zijn voor de economie, dat betekent nog niet dat elke nieuwe trein of elke nieuwe weg nog de meerwaarde heeft die de (enorme) kosten rechtvaardigt. Uiteindelijk kunnen de maatschappelijke kosten van nieuwe infrastructuur gewoon hoger zijn dan de maatschappelijke baten. 

Het is in dat opzicht opvallend dat van de 7 mkba’s (maatschappelijke-kosten-baten-analyse’s) van de Zuiderzeelijn uit de jaren 0 er 6 negatief waren. Dat komt mede omdat Groningen wel een groot achterland heeft, maar dat dat achterland nogal leeg is. Tussen Groningen en Bremen vind je niet veel mensen. Ik ken geen mkba’s van recentere datum, om de simpele reden dat de plannen in 2007 definitief de kast in leken te gaan. 

Als directeur van het Ruimtelijk Planbureau was ik er niet voor, en ik ben er nog steeds niet voor. Indertijd leverde me dat een telefoontje op van de commissaris van de koningin in Groningen, Hans Alders. Hij vroeg mij: “Hoe sta jij erin, Wim?” Zo begint een goede lobby. Ik vertelde over die 7 mkba’s, waarvan er maar één positief was (bovendien was dat ook nog net die ene die ze in Groningen zelf hadden opgesteld). Hans bleef even stil en begreep dat hier weinig te halen was. Hij sloot af met de legendarische woorden: “Ik begrijp je standpunt, maar ik heb besloten om ervoor te zijn”. Wist hij zelf ook wel beter? 

Deel dit bericht:

Van Dissel, waar is je analyse #corona

augustus 13, 2020 by  
Filed under artikel

Ik ben het een beetje kwijt. Jij ook? Op 16 maart sprak Mark Rutte ons heel overtuigend toe. Hij gebruikte het woord ‘groepsimmuniteit’, wat hij later blijkbaar niet had mogen gebruiken. Maar het overtuigde mij wel. De keuze was duidelijk: of we wachten op een vaccin of we bouwen gecontroleerd groepsimmuniteit op. De gedachte is simpel: als ongeveer 60% van de mensen antistoffen heeft opgebouwd tegen COVID-19 dooft het virus vanzelf uit. Waarom? Omdat je nog maar weinig mensen kan besmetten als je veel mensen tegenkomt die al antistoffen hebben opgebouwd. 

Dat woord gecontroleerd was cruciaal: de zorg moest niet overbelast raken, zodat iedereen die zorg nodig had, dat ook kon krijgen. Zo zouden we ervoor zorgen dat we allemaal besmet raakten, maar dat niemand zou overlijden. Ik geef toe: ondanks het feit dat er nog genoeg IC-bedden waren, gingen er nog wel erg veel mensen nood. En ook in de verpleeghuizen kregen niet alle mensen de zorg die ze nodig hadden. Maar gecontroleerd was het wel. Het werd nooit onbeheersbaar.  

En hoe leven we nu? Eigenlijk heb ik geen idee. Het aantal besmettingen loopt fors op, maar het aantal doden blijft nihil. Je zou zeggen: zo had Mark het bedoeld. Gecontroleerd groepsimmuniteit opbouwen. Want al die jongeren die nu besmet raken, bijvoorbeeld omdat ze zoenen met een scharrel, moeten hoesten, krijgen koorts, moeten overgeven, geven het virus door aan andere scharrels en genezen weer. Zie het verhaal van die redacteur in de Volkskrant. En belangrijker: ze maken antistoffen aan en zetten een kleine stap in de richting van de groepsimmuniteit. Je zou zeggen: nog even doorzetten. 

En toen kwam Jaap van Dissel, die man nog nooit teleurstelde, om de Kamer ‘bij te praten’. Hij was de man die Mark Rutte dat verhaal over groepsimmuniteit had ingefluisterd. Maar juist deze man was nu zeer bezorgd over het grote aantal besmettingen (dat ons elke dag dichterbij die groepsimmuniteit bracht). Volgens hem moest het aantal besmettingen zo snel mogelijk weer naar beneden. 

Maar ik wil helemaal niet van Van Dissel horen wat ik moet doen. Ik wil nooit van wetenschappers horen wat ik moet doen. Van wetenschappers wil ik cijfers horen en dit keer vooral: een analyse. Hoe staan we ervoor? Welke kant gaan we op? Waar zijn we mee bezig? Waar is het idee van de groepsimmuniteit gebleven? Hoe erg is het, dat 700 mensen per dag positief worden getest? Ja, ik wil geen cijfers, ik wil weten waar we staan. 

Ik kon het dit voorjaar nog billijken dat we de economie en de cultuur een enorme klap hebben gegeven uit angst voor de dood. Maar dat gaan we op basis van deze cijfers toch niet weer doen? Zeker als er alleen maar mensen in teststraten positief blijken te zijn? Bovendien het soort mensen dat in maart en april nooit is getest. Terwijl intussen bijna niemand aan het virus overlijdt. 

Misschien mag ik Jaap van Dissel een beetje helpen. Als hij de volgende keer weer geen analyse wil geven, kan hij misschien vertellen hoeveel mensen de afgelopen week griep hebben gekregen, een oorontsteking en een longontsteking zonder dat er van COVID-19 sprake was. Misschien kan hij vertellen hoeveel mensen aan hartfalen zijn overleden en aan kanker. Misschien kan hij ook vertellen hoeveel mensen in het verkeer zijn omgekomen en hoeveel mensen met dodelijke afloop van een keukentrapje zijn gevallen. 

Ik ben best bereid om me weer op te sluiten in Zoom en elke dag twee loopjes te maken met mijn hond. Ik ben zelfs bereid om weer maanden geen muziek te maken met al mijn muziekvrienden. Maar dan wil ik echt wel weten waartoe dat dient. 

Deel dit bericht:

Riskante strategie van Rutte #corona

augustus 7, 2020 by  
Filed under artikel

Mark Rutte deed het uitstekend dit voorjaar. Maar zijn opdracht is nu moeilijker. In maart was de samenleving overdonderd door het grote aantal mensen dat aan COVID-19 overleed, door de enorme druk op de IC’s, door dat nieuwe virus waarvan we eigenlijk nog niks wisten. We hingen aan de lippen van Jaap van Dissel en we waren bereid om alle maatregelen van het kabinet te accepteren. Mark Rutte hoefde niet zoveel, hij moest vooral streng en vaderlijk zijn. En dat deed hij uitstekend. Samen kregen we corona eronder. 

Hoe anders is de situatie nu. Ja, er is nog steeds geen vaccin en we begrijpen het virus nog steeds niet helemaal. Maar we hebben corona ook fors kunnen terugdringen. De IC’s zijn weer leeggestroomd (vandaag 38 COVID-19-patiënten op de IC in maart ongeveer 1700). En het aantal mensen dat aan COVID-19 overlijdt is inmiddels verwaarloosbaar (als je beseft dat van de 2800 mensen die vorige week overleden, er 6 het slachtoffer waren van COVID-19). 

We weten ook dat het aantal besmettingen sinds een paar weken weer oploopt. Gisteren zelfs meer dan 600 nieuwe besmettingen. Wel een heel andere populatie dan in maart en april. Het zijn nu vooral mensen onder de 40 die positief testen, terwijl dat eerder ging om veel oudere mensen. Dat heeft twee oorzaken. Ten eerste wordt nu veel meer getest dan enkele maanden geleden en ten tweede werden toen mensen vooral getest bij opname in het ziekenhuis. En besmette jongeren komen veel minder vaak in een ziekenhuis terecht dan ouderen. Dus dat de gemiddelde leeftijd van besmetting veel lager ligt, hoeft niet te zeggen dat de ziekte zich nu anders verspreidt.

Dan blijven twee cruciale vragen over: waar komt die toename vandaan en hoe erg is het.

De toename zal voor een deel het gevolg zijn van het minder naleven van de bekende regels. We zijn een beetje corona-moe, we hebben weer zin in andere dingen. We kloppen onszelf op de schouder voor al die maanden onthouding en we gaan weer naar de kroeg en het strand. We worden ook kritischer (logisch als de eerste angst voorbij is). In maart en april werd ons heel duidelijk verteld wat er aan de hand was, terwijl wetenschappers nog maar heel weinig wisten. En terwijl wetenschappers nu veel meer weten, beginnen steeds meer mensen te beseffen dat dat nog maar steeds heel weinig is. De toename van het aantal besmettingen is ook voor een deel een selffulfilling prophecy: als het aantal positieve testen oploopt ontstaat onrust waardoor nog meer mensen zich gaan laten testen. Dan vind je bijna vanzelfsprekend ook meer mensen die besmet zijn (ervan uitgaande dat nog lang niet iedereen die werkelijk besmet is, zich ook laat testen). 

Het laat zich heel moeilijk inschatten hoe erg het probleem nu eigenlijk is. Je moet altijd voorbereid zijn op een tweede golf. Maar tegelijkertijd zijn er op dit moment nauwelijks slachtoffers, is er nauwelijks vraag naar IC’s, en zijn er bijna geen ziekenhuisopnames. Dat alles kan nooit een reden zijn om tot een lockdown over te gaan. Je kan je de vraag stellen of kosten en baten van de lockdown van maart in verhouding waren. In ieder geval weten we dat de kosten van een nieuwe lockdown op basis van de huidige cijfers in geen enkele verhouding zouden staan tot de baten. 

Toch staat het kabinet onder sterke druk, niet in het minst van de media. Alle cijfers worden elke dag weer uitgeplozen. “Het gaat de verkeerde kant op!” Want het virus mag inmiddels zijn terugdrongen, de angst voor het virus hebben nog veel mensen onder de leden. De verhouding corona-moe versus corona-angst zal voor iedereen verschillend liggen, maar voor Rutte c.s. heeft de samenleving wel degelijk twee polen: de mensen die genoeg hebben van al die regels en de mensen die al snel angstig zijn voor een tweede golf. En die tweede groep dwingt het kabinet om strenger op te treden. Terwijl die eerste waarschijnlijk nog steeds blijft tegenwerken. 

Daarmee is de strategie van het kabinet riskant. De kans is groot dat het aantal positieve testen blijft stijgen, zonder dat wij precies weten wat dat betekent. De kans is ook niet denkbeeldig dat het aantal slachtoffers gering blijft en er niet meteen een oploop komt voor de IC’s. En wat gaat het kabinet dan doen? We gaan de economie toch niet stilleggen terwijl we last hebben van een virus waaraan maar weinig mensen overlijden? 

Eerlijk gezegd, ik geloof wel dat de 3,5 miljoen Nederlanders die gisteravond naar Rutte hebben gekeken, zich aan de regels houden. Maar ik geloof niet alle andere anderen zich weer aan de regels gaan houden. 

Eerlijk gezegd zou het me niet verbazen als het aantal positieve testen verder oploopt, terwijl het aantal slachtoffers bescheiden blijft.

Wat zegt Rutte dan over twee weken als hij moet vaststellen dat het aantal positieve testen boven de 1000 per dag is gestegen? Dat er geen reden is voor strengere maatregelen, omdat daarmee de economie te veel zou worden geschaad? Dan zal niemand hem meer geloven als die tweede golf werkelijk een keer komt.

Deel dit bericht:

De metropool van het tussenland

juli 29, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Theo Baart maakt prachtige foto’s. Hij is bekend van zijn foto’s van steden en van landschappen. Ik zou bijna zeggen: wie kent hem niet in de wereld van de ruimtelijke ordening? Onlangs heeft hij aan zijn rijke en omvangrijke oeuvre weer een prachtig boek toegevoegd: Groot Amsterdam, metropool in ontwikkeling. Een boek dat je alleen al vanwege de foto’s wilt hebben. Oer-Hollands. Ruysdael-wolken, polders, ijspret, veel water en groen, en vanwege het onderwerp begrijpelijk, veel tussenland. Het moment is altijd goed gekozen. 

Toch is er reden om meer over dit boek te zeggen, want Theo Baart wil er zelf meer mee zeggen. Zoals hij in zijn inleiding schrijft: “Ik ben een bewoner van een metropoolregio. Mijn hele leven al, alleen was ik me daarvan tot voor kort nauwelijks bewust.” En in zijn uitleiding schrijft hij: “Ik ben geïnteresseerd in beeld als argument, onderzoek, verkenning of bewering. Een laag die iets toevoegt aan wat tekst en kaarten kan vertellen. […] Het bestaan van de metropoolregio valt niet te bewijzen met één beeld. Alle foto’s bij elkaar doen dat hopelijk wel.” Zowel in de eerste als in de laatste zin lees je enige twijfel. Hij woont in een metropoolregio, maar was zich dit blijkbaar niet bewust. Dat is bijzonder voor een man die al decennia in de wereld van de ruimtelijke ordening en de planologie rondloopt. In de laatste zin schrijft dat alle foto’s bij elkaar hopelijk bewijzen dat die metropoolregio bestaat. Erg zeker is hij niet van zijn zaak. 

Dat is niet zo verwonderlijk. Als je opzoekt wat een ‘metropool’ is, dan staat er vaak meteen: ‘wereldstad’. En Amsterdam is een wereldstad voor ons, zeker als we die term meer figuurlijk dan letterlijk nemen. Maar elders denkt men daar wellicht anders over. Het is dan ook grappig dat we in bestuurlijk Nederland liever over een metropoolregio spreken, terwijl het bij een metropool toch ook niet alleen gaat om een “zeer grote stad met voorsteden”, maar ook om de periferie die op die kernstad is betrokken (aldus Wikipedia). Alsof we toch stiekem het gevoel hebben dat Groot-Amsterdam meer een regio is dan een metropool. 

Baart vult zijn foto’s ook aan met tekst. Als een ervaren journalist trekt hij in het gebied rond en doet daarvan verslag. Wellicht komt het door de selectie van onderwerpen, of de selectie van de locaties waarvan verslag wordt gedaan, maar in dit deel van het boek komt de metropoolregio Groot-Amsterdam toch vooral erg kneuterig naar voren. Maar misschien geldt dat ook wel voor veel van die foto’s. Nederland is op veel plaatsen een kneuterig land en Groot-Amsterdam is daar duidelijk de hoofdstad van. 

Het spijt me voor Theo, maar eigenlijk vind ik niet zo interessant welke conclusies hij zelf uit zijn foto’s trekt en of Groot-Amsterdam nu een metropool is of een metropoolregio of een groot dorp (sociologisch zijn er goede argumenten om Amsterdam zelf als een groot dorp te bestempelen). Het is veel interessanter om al die prachtige foto’s op je zelf te laten inwerken en om daar je eigen observaties bij te maken. Ik raad dat iedereen aan, vraag jezelf af: wat zie ik hier?

Ten eerste zie ik heel veel natuur, veel water, veel bomen (en weinig dieren, maar daar heb je misschien een andere fotograaf voor nodig). Theo Baart heeft zijn foto’s gepresenteerd langs zeven routes, vanaf de rand van de metropoolregio naar de kernstad. En heel vaak begint hij ergens midden in de natuur (of midden in een polder). En anders komt hij onderweg veel natuur tegen. We weten allemaal dat Amsterdam juist daardoor zo’n aantrekkelijke stad is. De ‘vingerstructuur’ zorgt ervoor dat je naar alle richtingen vrij snel in de natuur bent. De duinen, de plassen, de Marker Wadden. In ieder geval ligt de natuur voor een wereldstad wel heel dichtbij. 

Ten tweede zie ik in al die foto’s nauwelijks een kernstad, daarvoor is Amsterdam eigenlijk ook gewoon te klein, als we haar even vergelijken met Parijs en London, om twee voorbeelden in de nabijheid te noemen. De metropoolregio Amsterdam is vooral ontstaan door verklontering (ik besef dat dit woord niet snel de folders van de VVV en van de MRA zal halen). Een verklontering van steden, dorpen en new towns. Natuurlijk ligt het oude Amsterdam daar middenin. Maar we zien ook Zaanstad en Weesp, we zien Abcoude, Buitenkaag, Aalsmeer en Uithoorn. En wie zien Lelystad, Almere, Hoofddorp en Purmerend. En in dat geheel is Amsterdam wel het centrum, maar niet de kernstad waarop al die inwoners van al die steden en dorpen betrokken zijn. Al die daily urban systems zijn vooral veel kris-kras-relaties. 

Ten derde zie ik heel veel ‘tussenland’. Ik denk daarbij meteen aan de mooie studie van het Ruimtelijk Planbureau, die al lang geleden onder leiding van Han Lörzing verscheen. En ik zeg er meteen bij dat dat tussenland op meer manieren kan worden beschreven en gewaardeerd. Het gaat in ieder geval om al die gebieden die tussen het open land (natuur, polders) en de steden geleidelijk zijn ontstaan. De één ziet vooral het verrommelde karakter van dit soort gebieden,  de ander ziet hier vooral broedplaatsen ontstaan voor allerlei activiteit (overigens ook crimineel). Je zou de foto’s van Theo Baart moeten turven in vier categorieën: natuur, dorpen/stadjes, tussenland en hoog-stedelijk. Het zou me niet verbazen als de categorie tussenland de meeste foto’s telt en hoog-stedelijk de minste. Zegt dat iets over de fascinatie van Baart of zegt dat iets over onze metropoolregio Amsterdam? 

Mijn laatste observatie hangt sterk met de voorgaande samen. Ik zie weinig, heel weinig ruimtelijke ordening op al die foto’s. Ik weet dat door planologen de betekenis van de ruimtelijke ordening (in Nederland) wel eens wordt overschat, maar zo organisch als dit boek suggereert, is Nederland toch echt niet gegroeid. Of is die organische schijn juist het succes van de Nederlandse ruimtelijke ordening?

[op verzoek geschreven van gebiedsontwikkeling.nl (en daar ook gepubliceerd)]

Deel dit bericht:

De jaren 60 zijn meer dan folklore

juli 25, 2020 by  
Filed under artikel

De jaren 60, je moest ze hebben meegemaakt. Zo werd altijd luid verkondigd – vooral door degenen die de jaren zelf hadden meegemaakt. De bezetting van het Maagdenhuis, het popfestival in Kralingen als Nederlandse pendanten van Parijs en Woodstock. Het huwelijk van Beatrix in Claus versluierd achter de rookbommen, het oproer bij de Telegraaf. Het bloot van Phil Bloom in Hoepla.  Aktie Tomaat en Aktie Notenkraker. Het valt niet te ontkennen: het waren enerverende jaren. 

Maar hoe groot was het historisch belang van die jaren 60? Die vraag stelt Piet van Rooy zich in zijn nieuwe boek Alles! En wel nu!, dat recent is verschenen. Piet de Rooy is een gerenomeerd historicus. Jarenlang hoogleraar in Amsterdam. En hij deed mee in de jaren 60. En dat laatste lijkt zijn blik te hebben vertroebeld. Hoe verhelderend zijn boek ook is. 

Over de jaren 60 in Nederland is erg veel geschreven, al zijn er vooral twee bijbels. Beide bijbels bevallen De Rooy niet. En hij heeft goede argumenten. De eerste bijbel is geschreven door Hans Rigthart. Rigthart verklaart de jaren 60 als een conflict tussen twee generaties die min of meer gelijktijdig in een crisis geraakten. De vooroorlogse generatie versus de protestgeneratie, de babyboomers. De Rooy laat treffend zien dat die analyse wel interessant is maar niet overtuigend. Veel spraakmakers van de jaren 60 bleken namelijk al veel ouder te zijn dan die zogenaamde protestgeneratie. Dat hele denken in generaties is charmant maar ook erg wankel. Waar leg je de censuur tussen generaties en waarom zouden generaties een interne samenhang vertonen? Leuk idee van Rigthart, maar wetenschappelijk niet houdbaar.

James Kennedy schreef die andere bijbel over de jaren 60. Kennedy betoogde dat de elite zelf de veranderingen had geïnitieerd of op zijn minst pijlsnel met begrip tegemoet had getreden. Hij verklaarde dat uit de “eeuwenoude” Nederlandse traditie van zoeken naar consensus. De Rooy gelooft ten eerste niet zo in die initiërende elite, en ziet hoogstens een accommoderende elite. Bovendien zegt de reactie van de elite nog niet waar de onrust vandaan komt. Dus een leuke these van Kennedy, maar geen verklaring. 

Dan wordt het tijd voor De Rooy zelf om de jaren 60 tegen het licht te houden. In zijn voorwoord zet hij meteen te toon. Slechts twee kleine groepen waren verantwoordelijk voor al het rumoer in de jaren 60: de zogenaamde rebellen, de zelfbenoemde woordvoerders van een nieuwe jeugdcultuur en de journalisten die hun nieuwe kritische houding konden etaleren door vrijwel elke uiting van de rebellen serieus te nemen, waardoor de rebellen weer in hun zelfoverschatting werden gestijfd. Zij creëerden het beeld van de jaren 60, een beeld dat jaren door henzelf in stand kon worden gehouden. Want rebellen en journalisten bleken later zeer succesvol in het verwerven en behouden van goede maatschappelijke posities. 

Dat noemt men ‘debunken’ volgens goed politicologisch gebruik. En De Rooy heeft natuurlijk gelijk: die rebellen waren geen revolutionairen die de samenleving een andere richting wezen. Niet zelden waren het warhoofden die er vooral genoegen in schepten om het gezag te tarten. Niet voor niks doofde Provo na een paar jaar weer geheel uit. Maar ook in de politiek was de inhoudelijke vernieuwing dun. D66 kwam eigenlijk niet verder dan een gekozen burgemeester en een districtenstelsel. En Tien over Rood van Nieuw Links was een vooral een leuk pamflet om de machtsstrijd binnen de PvdA mee aan te gaan. Natuurlijk waren er uitzondering, ik denk aan Joke Kool-Smit. Maar over het algemeen moest je voor de inhoudelijke vernieuwing niet bij de ‘rebellen’ zijn. Om nog twee kleine voorbeelden te geven: het toejuichen van Fidel Castro en van het DDR-regime waren gewoon dwaalwegen van warhoofden. Bovendien was er vaak moeilijk lijn te brengen in al die maatschappelijke erupties. Want ook in Staphorst gingen ze de straat op, in dat geval om vreemdgangers aan de schandpaal te nagelen. Eigenlijk waren de jaren 60 in de woorden van Piet de Rooy vooral een ‘geweldig feest’. 

Het is goed dat het allemaal eens werd gezegd. Maar daarna lijkt Piet de Rooy het relativeren niet meer te kunnen laten. In drie hoofdstukken probeert hij te analyseren wat er wél is veranderd in de jaren 60. Hij laat helder zien hoe de maatschappelijk betekenis  van de kerken heel snel is verschrompeld. Hij laat zien dat seks en bloot een normaal onderdeel werden van de samenleving en hij betoogt dat we allemaal een beetje bohémien zijn geworden waardoor onze verhouding met het gezag (van overheid, van wetenschap, van notabelen) fundamenteel is veranderd. Maar tegelijkertijd relativeert hij die veranderingen weer. We mogen de kerk hebben verlaten, maar de behoefte aan religie hebben we niet verloren. Onze seksuele gewoonten zijn intussen al weer veranderd en zijn door de eeuwen heen altijd aan verandering onderhevig geweest. En uiteindelijk zijn we natuurlijk allemaal gewone burgers gebleven. 

Als je De Rooy leest, lijkt er dus niet zoveel veranderd te zijn. Maar dat is natuurlijk niet waar. Er is sinds de jaren 60 heel veel veranderd, maar meestal niet in de richting die de ‘warhoofden’ van de jaren 60 in gedachten hadden. Terwijl samenleving, economie en politiek na de oorlog al weer snel de vooroorlogse groef te pakken hadden, werd Nederland pas in de jaren 60 van die groef bevrijd. Om de simpele reden dat er weer welvaart was en er een nieuwe generatie was opgegroeid die de oorlog niet bewust had meegemaakt. En het hielp dat het aantal studenten in de jaren 60 enorm toenam. Daarmee kon de Nederlandse samenleving eindelijk van de verzuiling worden bevrijd. Die verzuiling was immers vooral een instrument voor de elite om controle te houden. En die bevrijding had grote gevolgen. De omvang van de zuilen (katholiek, gereformeerd, hervormd, algemeen liberaal en socialistisch) bepaalde steeds minder de uitslag van de verkiezingen. De burgers werden werkelijk vrij om hun eigen voorkeur te volgen. Juist daarom is er momenteel nog maar weinig over van oude de confessionele partijen (later gefuseerd in het CDA) en de PvdA, de partijen die het lange tijd voor het zeggen hebben gehad. De Volkskrant is geen katholieke krant meer en het Vrije Volk, waarin jarenlang socialisten werden gemaand hoe ze moesten denken en leven, is zelfs geheel ter ziele. In de omroep herinneren alleen vreemde namen nog aan een verzuild verleden. De vakbeweging ging fuseren en zoekt nog steeds naar een nieuwe identiteit. Ook de kiem voor de neo-liberale tijdgeest die in de jaren 80 echt vorm begon te krijgen, is in de jaren 60 gelegd. Mensen wilden eigen keuzes maken en kregen daarvoor steeds meer mogelijkheden. In dat opzicht heeft Lubbers de jaren 60 beter aangevoeld dan Den Uyl, hoe vreemd dat ook mag klinken. 

Er zijn ook twee belangrijke technologische innovaties geweest die het maatschappelijk landschap na de jaren 60 fundamenteel hebben veranderd: de auto en de televisie. Juist de welvaart van de jaren 60 bood velen de mogelijkheid om een auto te kopen. En om niet veel later het vliegtuig te nemen. Niet alleen trokken daardoor veel mensen weg uit de steden (suburbanisatie), maar werden afstanden veel kleiner. In Nederland en in de hele wereld. Dat onze economie op dit moment met nagenoeg de hele wereld is verknoopt hebben we te danken aan de mobiliteitssprong die in de jaren 60 een aanvang nam. 

De televisie heeft al evenzeer bijgedragen aan verkleining van (mentale) afstanden. De eigen straat werd aanvankelijk vervangen door Mies Bouwman en Willem Duys. Later werd de televisie aangevuld met een scala een digitale communicatie. Daarmee ontstond bovendien een beeldcultuur die voor die tijd werkelijk nieuw was. 

Natuurlijk zijn de globalisering en de nieuwe beeldcultuur niet alleen aan de jaren 60 te danken, hoezeer het startpunt daar ook heeft gelegen. Ik heb er dan ook geen bezwaar tegen om vooral die bevrijding van de verzuiling, die ook vaak wordt geduid met het woord ‘individualisering’, als het grootste succes van de jaren 60 te zien. Burgers zijn veel vrijer geworden om hun eigen keuzes te maken. En om daarover te mopperen als hen de keuze niet bevalt. Die bevrijding heeft inderdaad niet veel te maken met die paar ludieke acties in de jaren 60. Roel van Duijn heeft mij niet bevrijd. Hij zag vooral kans om de aandacht op zichzelf te vestigen in een tijd waarin er steeds meer mocht. De beweging van de jaren 60 is niet de oorzaak van de maatschappelijke veranderingen die hun oorsprong hebben in de jaren 60, maar slechts een gevolg. Ach, laat ik grootmoedig zeggen: een symptoom. 

Piet de Rooy heeft daarom helemaal gelijk als hij concludeert dat de beweging van de jaren 60 nauwelijks maatschappelijke betekenis heeft gehad. Maar hij is zo aandachtig bezig om de beweging van de jaren 60 te demonteren, dat hij de grote maatschappelijke omwenteling die wel in de jaren 60 heeft plaatsgehad te veel relativeert of zelfs over het hoofd lijkt te zien. Nee, in de jaren 60 is de samenleving werkelijk fundamenteel veranderd, alleen hadden we dat ook wel gedaan zonder Maagdenhuis en Kralingen, zonder Hitweek en Hoepla en zonder Nieuw Links en D66. Over die jaren 60 is nu inderdaad wel genoeg geschreven. 

Deel dit bericht:

Corona en de tweede angst-golf

juli 24, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

De angst voor corona is nog niet weg. Nee, de angst voor een tweede golf lijkt zelfs weer op te laaien. Zitten die terrassen niet veel te vol? Kunnen we nog wel op vakantie? En vooral de geruchten nemen weer toe. Dat is niet verwonderlijk, want we weten nog steeds heel weinig van corona. We weten niet hoeveel mensen als besmet zijn geweest, we weten niet hoeveel mensen nog bevattelijk zijn en we weten zelfs niet meer wanneer groepsimmuniteit wordt bereikt. En we hebben nog geen vaccin, onder andere omdat we zo weinig van het virus weten. 

Maar een paar dingen weten we wel en die lijken weinig aandacht te krijgen. In de afgelopen week werden 987 Nederlanders positief getest. Dat is bijna tweemaal zo veel als de week ervoor. Maar we weten ook dat het aantal mensen dat zich wil laten testen veel sneller toeneemt. Er is dus vooral een toenemende angst voor corona.

We weten ook dat de mensen die positief testen in de laatste maanden (cijfers vanaf 4 mei) veel jonger zijn dan ervoor. Voor 4 mei lag de mediaan (het grootste cohort) tussen 55 en 59 jaar, na 4 mei tussen 25 en 29 jaar. Terwijl overduidelijk is dat je meer risico bij COVID-19 loopt naarmate je ouder bent. Onder degenen die aan corona zijn overleden ligt de mediaan tussen 85 en 90 jaar! 

Dat stemt overeen met enkele andere cijfers. Zo zijn vorige week 19 mensen met  een COVID-19-besmetting opgenomen in een ziekenhuis, en zijn er 7 aan COVID-19 overleden. Laten we ons even realiseren dat er wekelijks in Nederland een kleine 3000 mensen komen te overlijden. Waarvan vorige week dus 7 aan COVID-19. 

Natuurlijk, alles kan het begin zijn van een tweede golf. Maar wat we nu meemaken is nog zeker geen golf. En als die golf er al aan komt ligt dat in ieder geval niet aan de “overvolle terrassen”. Want voorzover bekend zijn de besmettingen in 57% van de gevallen thuis opgelopen en in 20% gevallen door contact met een ander familielid. Het werk levert 11% van de besmettingen op en de horeca 4%. 

Ja, cijfers kunnen saai zijn, maar wat zou het goed zijn als journalisten dit soort cijfers eerst lezen voordat ze schrijven dat er sprake is van “een oplaaiend aantal besmettingen” (Volkskrant, hedenochtend).

Als we die cijfers wel lezen, kunnen we twee dingen vaststellen. 

Ten eerste: we hebben de wetenschap aanvankelijk misschien te veel gevolgd en nu dreigt het omgekeerde te gebeuren. Hoewel Rutte terecht heeft opgemerkt dat hij 100%-besluiten moest nemen op basis van 50%-kennis is de politiek lange tijd redelijk  erg slaafs achter het OMT aangelopen (hoeveel waardering ik ook heb voor de zuivere manier waarop RIVM, OMT en Van Dissel hun rol vervulden). Ik vrees dat de politiek zich veel meer door angst heeft laten leiden dan door een grondige afweging van voor- en nadelen van een lockdown, hoe intelligent die ook geweest mag zijn. 

Ten tweede: we hebben ons bij de lockdown misschien onterecht veilig gevoeld, terwijl we ons misschien nu onterecht onveilig voelen. Er was angst in de samenleving en dan voelt het prettig als je op straat, in de winkel en in het park goed afstand houdt. En die angst is niet zo maar weg. Ook als die tweede golf er niet komt, zullen we weer moeten wennen aan nabijheid, aan de aerosolen van de ander. Dus misschien is de corona wel weg, maar de angst nog niet. 

Het vervelende is dat die angst niet alleen de samenleving, maar ook de politiek in zijn greep houdt. En dat maakt het er allemaal niet beter op. Als burgemeesters mondkapjes verplicht willen stellen in de openbare ruimte en ministers dat onzin vinden. Misschien moeten zowel de politiek als de samenleving alert blijven, maar moeten ze hun angstgevoelens meer op cijfers dan op hun onderbuik baseren.  

Deel dit bericht:

Volgende pagina »