Wethouder Adriaan Visser als symptoom van zieke cultuur

februari 12, 2019 by  
Filed under De Stad, Geen categorie

Adriaan Visser heeft zijn conclusies getrokken. Hij stapt op als wethouder van Rotterdam, omdat publiek is geworden dat hij (vertrouwelijke) stukken naar de pers heeft gelekt. Het was een (doorzichtige) poging om een onderzoek van de lokale rekenkamer te neutraliseren. Inmiddels is bekend geworden dat ook anderen bij dit lekken betrokken waren. Een raadslid, en mogelijk een andere wethouder. Hier lijkt sprake van een strategie. Het lek van Visser als symptoom van een zieke cultuur.  

De gemeente Rotterdam heeft een uitstekende lokale rekenkamer, met Paul Hofstra als een uitstekende directeur. Het fenomeen van de lokale rekenkamer bestaat nog niet zo lang. Met als doel: het toezicht op het gemeentelijk bestuur te versterken. Alles wat niet door de gemeenteraad wordt gezien (of door tijdgebrek blijft liggen) kan door de lokale rekenkamer worden opgepakt en worden onderzocht. Hoera, voor de lokale democratie. 

Vanzelfsprekend kan er enige spanning ontstaan in de relatie tussen een lokale rekenkamer en het College van Burgemeester en Wethouders. Iedereen weet dat toezicht belangrijk is, maar niet altijd leuk. Juist daarom moet een College van B&W de eigen rekenkamer altijd met respect behandelen. En blijven uitdragen dat de lokale rekenkamer nuttig werk doet, ook als de conclusies politiek even niet uitkomen. In Rotterdam schort het daar al jaren aan. Vorig jaar dreigde het college zelfs naar de rechter te stappen om de publicatie van een concept-rapport van de Rekenkamer (dat vernietigend was over de beveiliging van burgemeester Aboutaleb) tegen te gaan. Ja, men heeft op het stadhuis in Rotterdam blijkbaar soms een opmerkelijke democratie-opvatting. 

Zo was het ook geenszins verrassend dat het Rotterdamse College onlangs weer frontaal de aanval zocht met de lokale rekenkamer. Dit keer ging het om een onderzoek naar het Schieblok (nabij Rotterdam CS), waar vele miljoenen overheidsgeld zijn verdampt door discutabel gemeentelijk beleid. Toeval wil dat dezelfde Visser indertijd als topambtenaar van de gemeente Rotterdam directe bemoeienis met het Schieblok had. Een bemoeienis die dus weinig succesvol is geweest. 

Natuurlijk, het was pijnlijk, het was ingewikkeld. Het was moeilijk om te verdedigen in de gemeenteraad. Maar in plaats van zich voor te bereiden op het debat met de gemeenteraad besloot Visser (en besloten anderen?) om het onderzoek van de Rekenkamer in een kwaad daglicht te stellen door vertrouwelijke stukken naar de pers te lekken. Met name om het negatieve beeld over topambtenaar Visser te doen kantelen. Dit was dus niet voor het eerst, het was een patroon. Alles leek ook dit keer geoorloofd om de lokale rekenkamer het werken onmogelijk te maken. Zelfs georganiseerd lekken van vertrouwelijke stukken. Let wel: de lokale rekenkamer is een onafhankelijk orgaan dat een belangrijke functie vervult in de lokale democratie. Zoals nu andermaal is gebleken. 

Dit stinkt. Hier valt niet één wethouder op onhandigheid. Hier wordt stelselmatig een lokale rekenkamer kapot gemaakt en wordt blijkbaar geen middel geschuwd. Waar dat gebeurt moet niet één wethouder vallen, maar is iedereen verantwoordelijk voor een verziekte politieke cultuur. 

De commissie Remkes: verstandig, gedegen en oud

februari 11, 2019 by  
Filed under Geen categorie

De commissie Remkes heeft ons parlementair stelsel doorgelicht. Het resultaat is een eindrapport van bijna 400 pagina’s. Zeer gedegen, zeer goed gedocumenteerd. Conclusie: de parlementaire democratie in NL functioneert “behoorlijk goed. Zeker internationaal vergeleken. “De kern is stevig.” Maar er zijn wel problemen. Met name de ‘inhoudelijke representatie’ in het parlement moet beter. Het parlement is de wereld van de hoger-opgeleiden, en daarin worden de lager-opgeleiden te weinig gerepresenteerd. Om die reden pleit de commissie dan ook, in mijn ogen terecht, voor het invoeren van een bindend correctief referendum. Burgers moeten de kans krijgen om wetten die in de Kamers zijn aangenomen terug te draaien. Dus geen adviserend referendum, zoals we die een aantal jaren hebben gekend. Maar gewoon bindend. Dat referendum is van belang omdat juist de lager-opgeleiden daarin kansen zien om gehoord te worden. 

Minder overtuigend vind ik het voorstel om de kabinetsformateur door de bevolking te laten kiezen. In het voorstel van de commissie is dit vooral een wassen neus omdat de Kamer drie maanden na de verkiezingen een andere formateur mag aanwijzen. Misschien heeft de commissie wel gelijk om vast te houden aan ons (vage) stelsel waarin Kamer en regering niet werkelijk tegenover elkaar staan. En om niet over te stappen naar een Angelsaksisch systeem van grote tegenstellingen. Maar die gekozen formateur voor drie maanden is van tweeën niks. 

De commissie meent ook dat de democratische rechtsstaat beter moet worden gestut. Het is niet helemaal duidelijk waarom de commissie die mening is toegedaan, hoe wijs die mening ook is. Er wordt vaag verwezen naar populisme, naar Trump en Brexit. Maar voor het overige straalt de commissie vooral rust uit. En is het blijkbaar toch verstandig om de leden van de Hoge Raad voortaan niet meer op voordracht van de Kamer te benoemen en om de wetten in een Constitutioneel Hof (ex post) te toetsen aan de grondwet. En toch: verstandige voorstellen. 

Misschien is dat wel mijn belangrijkste bezwaar tegen het rapport van de commissie Remkes. Het is allemaal heel verstandig. Het rapport kent een lange waslijst aan aanbevelingen (van het invoeren van het terugzendrecht voor de Eerste Kamer, waardoor de Eerste Kamer voortaan geen plannen van de Tweede Kamer meer kan tegenhouden, maar alleen kan vertragen tot het veranderen van het curriculum van het onderwijs op de middelbare scholen). En al die aanbevelingen hangen samen met een lange waslijst van kleine en grote problemen. Maar echt spannend is het niet. En dat komt omdat de echte analyse van de staat van de democratie ontbreekt. 

Misschien moet ik wel zeggen: het is me te weinig sociologisch en te veel politicologisch. Politicologen weten goed wat er in al die parlementen in de hele wereld gebeurt, maar te weinig wat er in de samenleving speelt. Welke veranderingen doen zich voor in die relatie tussen parlement en samenleving? Wat betekent die democratie in de samenleving. Van commissielid Tom van der Meer heb ik geleerd dat het grote probleem van de huidige democratie toch vooral erin is gelegen dat de politieke partijen hun verbindende rol tussen de samenleving en Den Haag zijn kwijtgeraakt. Politieke partijen zijn steeds meer ‘merken’ geworden en steeds minder vertegenwoordigers van maatschappelijke partijen. Het is ook vaak die kwaliteit die politici in gemeenteraden, colleges van burgemeester en wethouders en parlement missen. In dit verband komt de commissie niet verder dan het voorstel voor een wet op de politieke partijen (PVV mag niet meer, want een partij moet voortaan een vereniging zijn). 

Ik lees ook veel te weinig over de toekomst. Ja, ik lees veel over sociale media, maar lees daar meer angst dan een toekomstbeeld. Zijn sociale media nu een interessante nieuwe plaats voor maatschappelijk debat? Of wordt er maar wat geroepen? Maar was het Vrije Volk met zijn voorspelbare PvdA-mening dan een interessanter fundament voor de democratie? Zijn sociale media vooral een gevaar voor de democratie of een kans?

Ik zou zeggen: laten we al die aanbevelingen maar uitvoeren. Maar of we dan ook toekomstbestendig zijn is zeer de vraag. En dan rest ook slechts één prangende vraag: waarom bestaat zo’n commissie die ons parlementair stelsel op de toekomst moet voorbereiden uit acht mannen en vrouwen, van wie er zes de 60 al (ruimschoots) zijn gepasseerd?

De lokale politiek is nauwelijks interessant

februari 6, 2019 by  
Filed under artikel, De Stad

De gemeenteraadsverkiezingen van vorig jaar zijn geanalyseerd. In een mooi rapport, onder de titel Democratie dichterbij. Een keur aan goede onderzoekers hebben eraan bijgedragen. De uitkomsten zijn verrassend voor degenen die in de lokale democratie nog altijd de ware democratie willen zien. De algemene indruk laat zich namelijk simpel samenvatten: burgers zijn tevreden over hun gemeente en burgers hebben weinig interesse in de lokale politiek. En dat laatste geldt voor jongeren nog meer dan voor ouderen.

Natuurlijk we wisten al dat de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen niet hoger was dan 55%, terwijl meer dan 80% van de kiezers opkomt voor de Kamerverkiezingen. Maar dat kan je nog relativeren door te wijzen op de grote belangstelling van de (landelijke) media voor de Kamerverkiezingen. Die relativering is niet op zijn plaats: burgers vinden de landelijke politiek gewoon (veel) belangrijker dan de lokale. Niet de lokale maar de landelijke democratie is het hart van de democratie in Nederland. 

Is dat nu echt verrassend? Nee. Gemeenten zijn immers vooral uitvoerders van Rijksbeleid. Omdat dat efficiënter en effectiever is. En over die uitvoering zijn de burgers tevreden. Maar daarmee is de gemeente politiek niet meteen interessant. Want de grote beslissingen worden elders genomen. Het Rijk bepaalt de hoogte van de bijstand en bepaalt of een wederprestatie is vereist. De gemeente bepaalt of u voor die bijstandsuitkering in aanmerking komt. 

Daarom is het meest verrassende aan het rapport dat het de gemeente steeds tegenover de rijksoverheid plaats, de lokale verkiezingen tegenover de Kamerverkiezingen. Terwijl in Den Haag het politieke debat wordt gevoerd over wat gemeenten straks moeten gaan doen. 

Is de overheid het grootste probleem van de energietransitie

januari 28, 2019 by  
Filed under Geen categorie

Niemand was verrast, behalve het kabinet. Uit het Urgenda-arrest van 2015 was duidelijk dat Nederland veel meer moest doen aan het terugdringen van de CO2-uitstoot. Het kabinet besloot de rechter te volgen, maar ging ook in beroep. Het arrest werd in 2017 in hoger beroep bekrachtigd. Het kabinet besloot de rechter te volgen, maar ging toch in cassatie. En nu vertelt het PBL ons dat het kabinet tot nu toe veel te weinig heeft gedaan om de deadline van 2020 te halen. Het kan nog, maar dan zijn majeure besluiten nodig.

Niemand was verrast, behalve het kabinet. Er was geen strategie, er was geen plan. Rutte stamelde: “Ons doel is het doel te halen”. Daarvoor was eerst nieuwe studie nodig. Het kabinet vertelt pas in april wat er verder gaat gebeuren. Je zou onwil kunnen vermoeden. Maar ik vrees dat het veel erger is. Het zou wel eens onkunde kunnen zijn. Waarschijnlijk heeft het kabinet geen idee wat het moet doen. Anders hadden ze na vier jaar nadenken hun plannen toch wel meteen op tafel kunnen leggen? Daarmee zou de overheid wel eens het grootste struikelblok van de energietransitie kunnen worden.

Dat gevoel bekroop me overigens al eerder. Al die Klimaattafels suggereren een grote interesse in ideeën van anderen. Maar ze kunnen ook pijnlijk camoufleren dat de overheid zelf geen idee heeft wat het moet doen. Ik betwijfel ook of de overheid voldoende kennis in huis heeft. Want als de overheid al plannen presenteert, dan zijn het vaak de verkeerde plannen. Waarom moeten we allemaal warmtepompen installeren als 86% van de elektriciteit nog fossiel wordt opgewekt? Welk paard wordt hier achter welke wagen gespannen? 

Het gaat ook om een ander inzicht: niet de overheid moet bedenken hoe burgers en bedrijven hun CO2-uitstoot moeten beperken. Dat kunnen burgers en bedrijven zelf veel beter. Als de overheid maar aangeeft welke richting we opgaan en burgers en bedrijven nadrukkelijk prikkelt om die richting in te slaan. 

Die CO2-heffing is daarvoor een uitstekend instrument. Dan bepalen burgers zelf of ze een  warmtepomp installeren of hun energie afnemen bij Greenchoice, dan bepalen bedrijven zelf wel op welke wijze ze willen innoveren. Dus overheid: zorg ervoor dat wij ons gedrag veranderen, maar bepaal ajb niet wat wij moeten gaan doen. En verhoog vooral de heffingen als wij ons gedrag onvoldoende snel veranderen.

In deze rolverdeling heeft de overheid haar handen nog vol aan het aanpassen van alle regelgeving die de energietransitie in de weg staat. Hoeveel jaren heeft de overheid erover gedaan om in de wet vast te leggen dat een gasaansluiting niet meer verplicht was? Het gaf weinig vertrouwen dat al die andere regelgeving die de energietransitie tegenhoudt, wel snel zal worden aangepast. 

En helaas leidt het Urgenda-arrest nu alleen maar tot paniekvoetbal. Het is uitstekend om kolencentrales te sluiten. Maar het gaat nu wel heel veel geld kosten. Het is beter om de spelregels zo te veranderen dat er met kolen geen droog brood meer is te verdienen. Dan sluiten die dingen vanzelf. 

Nog één slotvraag: heeft de rijksoverheid wel voldoende goede juristen in huis, die nieuwe wetten kunnen maken en oude kunnen aanpassen?

We verbannen het #WODC naar een eiland

januari 24, 2019 by  
Filed under artikel

Het laatste rapport over de WODC-affaire is verschenen, de laatste keer dat ik er iets over schrijf. De affaire begon met een klokkenluidster, die (terecht) gehoor vond bij Nieuwsuur. De klacht luidde dat het WODC, het onderzoeksbureau van het ministerie van Justitie en Veiligheid, te sterk onder invloed stond van het eigen departement. De onafhankelijkheid van het onderzoek zou in het geding zijn. Een belangrijk verwijt. Als een departement zelf de conclusies van onderzoek schrijft, heb je er niks meer aan.

Commotie. Er komen maar liefst drie onderzoekscommissies, met drie rapporten. De eerste commissie zegt dat de melding van de klokkenluidster niet erg handig, oftewel onzorgvuldig, was afgehandeld. Exit de directeur van het WODC. De tweede commissie zegt dat de klacht van de klokkenluidster niettemin nogal overdreven was. Er was weinig aan de hand, zeg maar een storm in een glas water. De zaak lijkt afgedaan. Maar dan komt de derde commissie. Deze commissie zegt dat er bij het WODC “regelmatig” sprake is van ongewenste beïnvloeding door beleidsmedewerkers. Althans zo meldt de voorzitter van de commissie in de pers. Maar het onderzoek waarop hij zich baseert maakt op mij weinig indruk. Ik zal zeggen waarom.

Ten eerste beoordeelt de commissie het WODC met verkeerde maatstaven. De commissie maakt geen helder onderscheid tussen een onderzoeksbureau (van een departement) en een planbureau (van regering en parlement). En legt vervolgens het WODC (en het eigen departement) langs de meetlat van een planbureau. Zie bijvoorbeeld de enthousiaste verwijzing naar Max Weber die schrijft dat onderzoek naar ‘ongemakkelijke feiten’ altijd nodig is. Ik geef graag toe dat de positie van het WODC ook een beetje hybride is, maar het WODC is geen planbureau. Het WODC doet primair onderzoek voor het eigen departement en dan is het logisch dat het eigen departement de onderzoeksvragen stelt. Maar de commissie schrijft daarentegen: “Bewindslieden en beleidsambtenaren wanen zich opdrachtgever.” Ja, natuurlijk, dat zijn ze ook. 

Eigenlijk is het bijna komisch dat 65% van de (geënquêteerde) medewerkers van WODC geen invloed van het beleid heeft ondervonden bij de agendering van het eigen onderzoek. Zitten ze daar bij het WODC alleen maar eigen hobby’s te bevredigen? Hoe gevoelig zijn ze voor de kennisvragen van hun broodheren? De commissie daarentegen windt zich op over de 12% van de geënquêteerden die die beïnvloeding wel heeft ervaren. Dit soort onbevredigende conclusies hadden kunnen voorkomen als de commissie de relatie tussen WODC en departement eerst had geproblematiseerd en vervolgens helder had aangegeven wat wij én wat het department van het WODC mag verwachten. 

Ten tweede is de commissie erg meegegaan in het (al eerder door mij beschreven) frame van de ambtenaren als bedrieglijke paladijnen en de onderzoekers als onafhankelijke helden. In dit rapport konden alleen de ambtenaren iets fout doen. Maar onderzoekers zijn geen helden en moeten ook worden gecorrigeerd. Zo wordt slechts bij toeval geschreven over een onderzoek dat alle deadlines overschreed. Dat lijkt me een hele goede reden voor ingrijpen van een minister die om een onderzoek verlegen zit. En de beleidsmaker die bezwaar maakt tegen aanbevelingen van een onderzoeker wordt ‘ongewenste beïnvloeding’ verweten, terwijl de betreffende onderzoeker daar toch gewoon op de stoel van de beleidsmaker gaat zitten. En nooit wordt de mogelijkheid opengelaten dat concept-teksten slordig zouden kunnen zijn, onjuist zouden kunnen zijn gelet op de achterliggende analyse of zelfs politiek gekleurd. Overal worden tekstsuggesties van de ambtenaren in de begeleidingscommissie als ‘ongewenste beïnvloeding’ gezien. Laten we eerlijk zijn: onderzoekers zijn ook mensen die fouten maken en nog erger: die allerlei politieke opvattingen hebben (zeker als ze zo lang op zo’n instituut hebben gewerkt). 

Ten derde krijg ik (dan ook) het gevoel dat de auteurs van het rapport onvoldoende de ingewikkelde relatie tussen kennis en beleid hebben begrepen. De commissie schrijft dat bij dit soort onderzoek de balans tussen nabijheid en onafhankelijkheid per definitie spannend is. Ik neem aan dat de commissie de balans tussen relevantie en onafhankelijkheid bedoelt. Nabijheid kan de relevantie vergroten en afstand de onafhankelijkheid. Maar nergens wordt over relevantie gesproken. Is het wellicht een freudiaanse verspreking om alleen over (ongewenste) nabijheid en onafhankelijkheid te spreken?

De belastingbetaler heeft er niet alleen recht op dat onderzoekers van het WODC onafhankelijk hun onderzoeksconclusies kunnen trekken. Maar waarom zou het onjuist zijn als  beleidsmakers gedurende het onderzoek vragen om de probleemstelling aan te passen (zoals de commissie suggereert)? Ik weet heel goed dat ambtenaren dat soort vragen kunnen stellen als zichtbaar wordt dat de uitkomsten van het onderzoek heel vervelend kunnen worden voor hun minister. Maar het kan ook zijn dat de onderzoekers de aanvankelijke vraag verkeerd hebben geïnterpreteerd. Het kan ook zijn dat het beleid inmiddels is veranderd (kabinetsformatie!) waardoor de aanvankelijke vraag niet meer relevant is. Een andere vraag: wat is er op tegen om het publiceren van het onderzoeksrapport een maand uit te stellen, zodat het tegelijkertijd met een nieuwe nota de minister naar de Kamer kan worden gestuurd? Die minister heeft dat onderzoek toch gevraagd om die nota te kunnen schrijven? Nee, commissie, beleidsonderzoek heeft niet alleen te maken met onafhankelijkheid, maar evenzeer met relevantie.

Ten vierde: het onderzoek van de commissie is geen goed onderzoek. Ik vind het soms zelfs: knullig onderzoek. Er worden medewerkers van het WODC geïnterviewd en geënqueteerd, alsmede medewerkers van het departement en externe onderzoekers die via bemiddeling van het WODC onderzoek hebben gedaan voor het departement. Er worden vier, ja vier casus nader onderzocht van de 1600 onderzoeken die onderzocht hadden kunnen worden. En bovendien zijn het vier casus die uit de gesprekken naar voren kwamen. Een zeer minimale en zeer selecte steekproef, waaruit overigens ook nog geenszins schokkende resultaten naar voren komen. Bijvoorbeeld: de onderzoekers en de beleidsmakers waren het niet eens over de doeleinden van beleid die in het geding waren. Dat zijn onderzoekers en beleidsmakers nooit. En de beleidsmakers maakten zich boos over de genoemde deadlines die door de onderzoekers niet werden gehaald. 

Ten vijfde: vervelender is dat ik niet weet hoe de commissie tot haar conclusies komt. 3% van de onderzoekers en van de beleidsmedewerkers hebben meegemaakt dat teksten onder druk van het beleid zijn aangepast. In hun hele leven. En zonder dat we weten of dit, ook vanuit het onderzoek zelf gezien, onterecht was. 6 tot 12% van de medewerkers van het WODC klagen over de cultuur van de organisatie. Dat gaat om 3-5 personen van de 80, omdat de respons op de enquête maar matig was. Natuurlijk, er worden meer pogingen gedaan om het proces en de inhoud van het onderzoek te beïnvloeden. Maar de meeste pogingen verdwijnen netjes in de prullenbak. Als je met rijksambtenaren te maken hebt, moet je niet van suiker zijn. En je hebt onder rijksambtenaren nu eenmaal ook bange mensen. De wereld is niet ideaal en zeker niet in Den Haag. De cruciale vraag is: staat die 3% voor gebrekkig onderzoek, voor bange ambtenaren of voor “regelmatige ongewenste beïnvloeding” van het WODC door het ministerie? De commissie kiest voor het laatste. Het doet me denken aan de afdeling communicatie van een ministerie die met liefde bepaalde conclusies uit een onderzoek opblaast en uit hun context haalt. Maakt de commissie zich hier schuldig aan hetgeen ze zelf het departement verwijt?

Tot slot. De commissie stelt voor om het WODC te verhuizen naar een plek buiten het ministerie. De minister heeft meteen gehoor gegeven aan dit verzoek. Intussen stelt de commissie dat ze geen onderzoek heeft gedaan naar de deugdelijkheid van het onderzoek van het WODC. De commissie haalt zelfs de laatste visitatiecommissie aan die die deugdelijkheid nog nadrukkelijk heeft geprezen. De commissie heeft zich bovendien, zoals gezegd, geenszins bekommerd om de relevantie van het onderzoek van het WODC. Iedereen weet dat die relevantie met nabijheid is gediend. Waarom zou je dat WODC dan eigenlijk verhuizen naar een plek waar onderzoekers in stilte hun werk kunnen doen, niet meer gestoord door al die vragen van het departement? 

Jelle Zijlstra als technocraat in de goede zin van het woord

januari 14, 2019 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Jelle Zijlstra was minister van Economische Zaken en van Financien, en gedurende korte tijd premier. Hij genoot in de jaren 50 en 60 een grote populariteit. Ik zeg het er maar even bij, omdat het al weer een tijdje is geleden en niet iedereen de man zal hebben meegemaakt. 

Toen ik politiek bewust werd, was Jelle al president van de Nederlandse Bank, dat hij 14 jaar zou zijn. In mijn herinnering een man die vooral mopperde over het beleid. Dat er te weinig werd bezuinigd en te weinig werd hervormd. Later bleek overigens dat hij gelijk had. 

Nu Jonne Harmsma een knappe biografie heeft geschreven kunnen we allemaal ons beeld aanscherpen. Mijn conclusie: het was een groot man, in die tijd. Hij liep voorop bij de Europese integratie en in zijn tijd als bankdirecteur had hij internationaal een groot aanzien. Het was ook een briljant man, die in hoog tempo opklom uit een arm milieu in Friesland en al op zijn 29e hoogleraar was aan de VU. Niet ten onrechte door sommigen in één adem genoemd met Tinbergen, niet als wetenschapper, want daarvoor nam hij te snel de afslag naar de Den Haag, maar wel als erflater van de economie in de twintigste eeuw. 

Zijlstra staat symbool voor de Wederopbouw van Nederland. Maar ook voor de rol die in die tijd aan de wetenschap werd toegedicht. We zouden hem nu zonder probleem ‘technocraat’ noemen, niet als kritiek, laat staan als scheldwoord. Men meende indertijd oprecht dat de samenleving beter af zou zijn als wetenschappers het beleid bepaalden. Politiek moest niet gebaseerd zijn op kennis, nee, kennis van de economie moest bepalend zijn voor de politiek. Bij technocraten is er dan altijd een schijn van objectiviteit, van waardevrijheid. Die schijn verheft hen boven het politieke gepeupel. Maar wie de richting van het beleid formuleert, geeft politiek richting en is dus nooit objectief. De wetenschap geeft op zich ook nooit een antwoord op de vraag welk beleid wenselijk is. Er zijn altijd politieke afwegingen nodig. De biograaf beseft dat terdege. En in zijn hart zal Zijlstra dat ook wel hebben begrepen, maar in de dagelijkse praktijk leek hij die belangrijke nuance wel eens te vergeten. Met liefde sprak Zijlstra over ‘eerlijke politiek’, die volgens hem kon worden bereikt als de politiek de objectieve economische kennis nauwgezet zou volgen. 

Harmsma, ongetwijfeld ook van huis uit een Fries, doet zijn mooie biografie enigszins afbreuk door aan het slot een poging te doen om Zijlstra nog beter te duiden dan anderen voor hem al hebben gedaan. Hij stelt dat Zijlstra slecht in schijn een non-politicus is geweest, dat hij die rol van non-politicus alleen maar met verve heeft gespeeld, maar dat hij natuurlijk een altijd volbloed politicus is geweest. Voor Harmsma is kristalhelder dat Zijlstra geen wetenschapper was, maar een politicus. Ik ben dat niet met hem eens. Natuurlijk speelde Zijlstra graag dat hij moest worden overgehaald om een nieuwe politieke functie te aanvaarden, vaak met het argument dat hij eerder wetenschapper was dan politicus. Dat was het spel van een volleerd politicus. Natuurlijk was Zijlstra ook een volleerd politicus. Maar ik begrijp toch ook heel goed dat Zijlstra zich altijd wetenschapper is blijven voelen. Want hij was namelijk niet alleen politcus maar ook technocraat. Een wetenschapper die op grond van zijn grote kennis van de economie meende politici te kunnen voorschrijven wat de enige juiste weg zou zijn. Die wetenschappelijke habitus was niet alleen maar een spel, het was de basis van het politieke bestaan van Jelle Zijlstra. 

Vuurtje stoken en de rol van de overheid

januari 7, 2019 by  
Filed under artikel, Geen categorie


In Scheveningen hebben ze het vuur te hoog opgepookt. En burgemeester Krikke zit op de (brand)blaren. Ze heeft al een grondige evaluatie beloofd. Maar zoals dat in een democratie hoort: die evaluatie is al volop aan de gang. Daarvoor hoeven we niet te wachten op een commissie van de burgemeester. 

Waarom is er een overheid? Om publieke belangen te behartigen. Om zaken te regelen die we onderling niet kunnen regelen, maar toch geregeld willen hebben. Wanneer geldt dat? Volgens de economische wetenschap bij collectieve goederen, bij externe effecten en bij verdelingsvraagstukken. Ik vrees dat de economische wetenschap hier meer heeft bij te dragen dan het vak dat ik lang heb gedoceerd, de bestuurskunde. 

In de bestuurskunde heeft al lang de mening postgevat dat de overheid ‘ook maar één van de maatschappelijke partijen is’. Voor de goede orde: die onzin heb ik zelf nooit gedoceerd. Maar ik hoorde het wel overal om me heen. Daar hoorde een heel vertoog bij: horizontalisering van bestuur, netwerken, wederzijdse afhankelijkheden en onderhandelingshuishouding. Met als centrale stelling: de overheid moet niet voor ons beslissen, maar moet met ons gaan onderhandelen. Alleen dan is er draagvlak voor beleid. 

Ik heb niets tegen een overheid die draagvlak zoekt in de samenleving, maar ik heb wel een hekel aan een overheid die zijn verantwoordelijkheid niet neemt. Juist wanneer de samenleving het zelf niet redt én de overheid zich opstelt als ‘één van de partijen’. Laten we eens teruggaan naar de drie redenen die de economische wetenschap aanreikt voor overheidsingrijpen. 

Het klimaat verandert. We zullen iets moeten doen. Maar het heeft weinig zin als alle huishoudens van het gas af gaan, terwijl de industrie CO2 blijft uitstoten. Het klimaat is een collectief goed. Bij collectieve goederen heeft niemand zin om het probleem voor een ander op te lossen. Dus is de overheid aan zet. Toch onderhandelt de overheid nu al een jaar met een aantal partijen over een Klimaatakkoord. Natuurlijk lost dat niets op. Waarom zouden die partijen een standpunt innemen dat hun eigen belang schaadt? Hier hebben we een overheid nodig die iedereen dwingt om bij te dragen aan een beter klimaat.

De pensioenen zijn al jaren verouderd. En al die jaren wordt er in de SER over een nieuw pensioenstelsel onderhandeld. Dat is op zich niet zo vreemd, omdat het om geld van de werknemers gaat. Maar één ding is wel duidelijk: de partijen komen er onderling niet uit. Omdat het ook om een verdelingsvraagstuk gaat. Tussen jong en oud bijvoorbeeld, en tussen werknemers en zzp-ers. En verdelingsvraagstukken worden niet opgelost door onderhandeling tussen partijen. Maar door een overheid die zijn verantwoordelijkheid neemt.

In Den Haag onderhandelt de overheid al jaren met burgers over het ‘vieren’ van oudjaar. De vreugdevuren op het strand zijn daarvan de uitkomst. Over de hoogte van de vuren wordt nog steeds onderhandeld. Met wie? Met de bouwers van de brandstapels. Maar die vuren hebben wel externe effecten. Voor mensen die niet gehoord zijn, maar wel de vonkenregen op hun dak krijgen. En je hebt juist de overheid nodig als de onderhandeling van twee partijen het belang van derden schaadt. Omdat de overheid hier al één van de onderhandelende partijen is, kon zij niet meer optreden voor de mensen haar echt nodig hebben. 

Ja, de bestuurskunde krijgt gelijk: de overheid gedraagt zich vaak als één van de partijen. En de economische wetenschap laat zien dat de overheid daarmee gewoon tekort schiet.

Klimaatakkoord grote stap vooruit

december 24, 2018 by  
Filed under artikel, Geen categorie


Inderdaad, het zogenaamde Klimaatakkoord is veel te mager. Er komt geen CO2-heffing. Er komt geen rekeningrijden. Het vliegverkeer wordt niet aangepakt. De landbouw blijft vooral buiten schot. Nog simpeler: terwijl de bedrijven verantwoordelijk zijn voor 80% van de CO2-uitstoot, moeten vooral de gewone burgers de lasten van het akkoord dragen.

En er is nog meer. Buma hoorde ik vanmorgen op de radio vertellen dat hij zijn handtekening nog nergens heeft gezet. En dat dat geldt voor alle politieke partijen die dit kabinet steunen. Eerder waren de milieubeweging en de FNV al weggelopen bij de Klimaattafels van Nijpels. En zelfs Rene Cuperus vraagt zich vanmorgen in de Volkskrant af of we deze plannen wel moeten willen, nu vooral de gele hesjes (weer) hard worden geraakt. 

Maar bekijk het eens van de andere kant. Wat een weelde! Eindelijk een politiek debat over het klimaat. Eindelijk mensen die zich verzetten tegen maatregelen, en eindelijk andere mensen die zich hard maken voor verdergaande maatregelen. Wat een verschil met al die jaren hiervoor. Ja, ik heb al jaren mensen gehoord die wilden overstappen op andere energie, velen wilden de CO2-uitstoot terugdringen. Maar in feite deden we niets. Na al die jaren is slechts6% van al onze energie niet-fossiel. We lopen daarmee ver en ver achter in Europa. We preekten soms mooie woorden, maar we deden in feite niets. Dat er nu eindelijk een debat komt, betekent dat we blijkbaar van plan zijn eindelijk iets te gaan doen. 

Hèhè, eindelijk staat het klimaat echt op de agenda. Nu nog de goede beslissingen nemen.

Alleen de wankele overheid baseert zich op onderzoek

december 20, 2018 by  
Filed under artikel

Al een paar jaar organiseren we in Groningen critical reviews. Het is bijzondere term, ooit door Hans Alders bedacht. Ik zie een critical review altijd maar als een ‘open dialoog tussen wetenschap, overheid en samenleving over onderzoek’. Ik merk dat wetenschappers geïrriteerd raken door het woord ‘review’, alsof hun onderzoek niet genoeg wordt ge-peer-reviewd! Nee, vrienden, dat is hier niet de bedoeling. Het gaat erom dat het goed is als wetenschappers met alle betrokkenen eens openhartig praten over hun onderzoek. Wat je ermee kan, bijvoorbeeld. Hoeveel zekerheid biedt het onderzoek?

We hebben nu vier critical reviews afgerond in Groningen. Over waardeontwikkeling van huizen, over grondversnellingskaarten (voorspelling van de volgende beving), over cultureel erfgoed en over versterking van de sociaal-economische structuur (zeg maar: wat te doen met die € 1,15 miljard die het kabinet daarvoor beschikbaar heeft gesteld?).

Van al die critical reviews worden mooie verslagen ter beschikbaar gesteld. Die ga ik hier niet allemaal herhalen. Het is veel leuker om eens naar de onderlinge verschillen te kijken. Bijvoorbeeld: wanneer heeft de overheid echt oog voor onderzoek? En wanneer niet. 

Op dat punt is er een groot verschil tussen het onderzoek naar de grondversnellingskaarten en het onderzoek naar versterking van de sociaal-economische structuur. Die kaarten leken betrouwbaar maar waren dat niet echt. We weten gewoon nog niet zo goed wat daar in Groningen allemaal onder de grond gebeurt. Ja, er is veel kennis over tectonische aardbevingen (ergens diep onder de grond), maar veel minder over geïnduceerde bevingen op 3.000 meter onder de grond. 

Economen hebben veel onderzoek gedaan naar de effecten van subsidies ter versterking van de sociaal-economische structuur. Ook bestuurskundigen en sociaal-psychologen hebben over dit onderwerp het een en ander te zeggen. 

Dus: wankele kennis versus stevige kennis. Je zou zeggen: de overheid baseert zich meer op het laatste onderzoek en minder op het eerste. Maar het tegendeel lijkt het geval. De overheid klampt zich vast aan grondversnellingskaarten. Om met zekerheid te kunnen zeggen waar versterking van de huizen wel nodig is en waar niet. Om zichzelf daarmee in te dekken tegen procederende burgers. 

Maar als het om het uitdelen van geld gaat ontstaat de rituele dans om de geldpotten. Lobby, macht en toeval lijken een grote rol te spelen. De overheid in de rol van Sinterklaas heeft weinig behoefte om dat fraaie uitdelen te verstoren door wijsneuzigheid van wetenschappers. 

Dus niet de kwaliteit van het onderzoek maakt uit of de overheid zich erop baseert. Maar de rol die de overheid op dat moment te spelen heeft. Kennis staat in de weg bij de Gulle Overheid en kennis is een schild voor de Wankele Overheid, hoe zwak dat schild ook is. 

Let op: dit is een blog. Neem de hypothesen niet meteen voor waar aan. 

Tweede woningen bestaan niet

december 18, 2018 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Volgens minister Kajsa Ollongren zijn er drie soorten recreatiewoningen: woningen op vakantieparken die permanent worden verhuurd, woningen op vakantieparken die te weinig worden verhuurd én particuliere recreatiewoningen die ten onrechte permanent worden bewoond. Meer smaken heeft ze niet. En om het beeld nog wat aan te scherpen meldt ze dat in die laatste woningen vaak criminele activiteiten worden ontplooid. Illegaal en crimineel, dat bekt lekker samen. En stigmatiseert ten onrechte vele duizenden brave burgers die net zo wonen als vele anderen. Wie zo praat over tweede huizen heeft er weinig weet van. Toch komt dit frame de minister niet slecht uit. Want daarmee legt ze alle schuld van alle problemen bij een ander. En niet bij de overheid. 

Er is een ander perspectief. Een zonnig perspectief waarin veel burgers met veel plezier en zonder enig probleem permanent in hun tweede woning wonen. En waarin juist de overheid door een onduidelijk beleid voor steeds meer problemen zorgt. Die problemen zijn vooral ontstaan omdat de overheid bij recreatiewoningen nog steeds denkt aan zomerhuisjes. Dat soort huisjes werden in de jaren 50 en 60 gebouwd. Ze waren vooral geschikt  voor de zomervakantie en in de winter werden ze voor maanden afgesloten. Daarna ontstonden die parken met kantines, recreatiezalen en pingpongtafels. Die zijn ook met Kerst te bewonen. 

Maar vanaf de jaren 90 worden er echte tweede huizen gebouwd. Deze huizen voldoen geheel aan het Bouwbesluit van de overheid. Ze kunnen dan ook zonder enig bezwaar permanent worden bewoond en ze vormen niet zelden het villapark van het aanpalende dorp. Zelf bewoon ik zo’n huis. Het was de eerste fout van de rijksoverheid om dit soort riante woningen te blijven zien als recreatiewoningen, zeg maar: vakantiewoningen. 

De lokale overheid wist overigens heel goed dat het hier om normale woningen ging, die goed konden worden benut om de tekorten op de lokale woningmarkt aan te vullen. Zo werden tweede woningen eerste woningen en kregen velen het recht om hun nieuwe woning permanent te bewonen. Ook banken verschaften gewone hypotheken en de belastingdienst trekt al jaren de hypotheekrente af van het belastbaar inkomen. Je zou dat wijs beleid van de lokale overheid kunnen noemen, als de rijksoverheid zich bij deze nieuwe werkelijkheid had aangesloten. Maar formeel was dit gebruik van tweede woningen nog steeds verboden. Laten we daarom maar spreken van de tweede fout.

Minister Sybille Dekker zag dat probleem in Den Haag als eerste. Ze was zo verstandig om de gemeenten op te dragen om een keuze te maken: of u legaliseert de tweede woningen of u gaat werkelijk optreden tegen permanente bewoning. Het vage gedoogbeleid moest stoppen. Als het om vakantiehuizen ging was permanente bewoning niet wenselijk omdat de huizen daarvoor niet geschikt waren; als het om tweede huizen ging die in niets afwijken van eerste huizen, moest worden gelegaliseerd. 

Toen maakten veel gemeenten een derde fout. De digitale keuze vonden ze te moeilijk en ze creëerden een derde optie: de huidige bewoners zou niets in de weg worden gelegd, maar de volgende eigenaren zouden het huis niet meer permanent mogen bewonen. 

Gemeenten en bewoners waren daarmee even gerustgesteld. Maar ten onrechte. De markt was immers niet doof voor het dreigement dat bij volgende eigenaren wél zou worden gehandhaafd. De prijzen van de fraaie tweede huizen daalden fors en werden daardoor voor veel bewoners (zeker als ze een hypotheek hadden) onverkoopbaar. Maar mensen gaan soms dood en huizen moeten soms toch worden verkocht. Meestal was er wel iemand te vinden die het aandurfde: illegaal goedkoop wonen. In andere gevallen staan huizen lang onverkoopbaar leeg. We hebben het in onze wijk de afgelopen jaren ook zien gebeuren. Leegstand en schimmige nieuwe bewoners.

Ollongren zet die schimmigheid graag in de hoek van illegaal en crimineel gedrag. In werkelijkheid heeft de overheid de problemen zelf veroorzaakt. Eerst hebben gemeenten bij volle bewustzijn ingestemd met permanente bewoning, zonder de definitieve stap naar legalisering te durven zetten. Of ze mochten die stap van de provincie niet maken. En nu wil Ollongren dat er weer wordt gehandhaafd. Eerst mag je een huis kopen en het permanent bewonen, vervolgens kan je je huis niet meer verkopen omdat een volgende eigenaar alleen mag recreëren en dan roept de minister op om dat permanent bewonen niet meer te gedogen. Wie maakt er hier nu een potje van? 

De oplossing is zoveel simpeler. Aan die commerciële vakantieparken hoeven we niets te doen. Alle zogenaamde recreatiewoningen die voldoen aan het Bouwbesluit kunnen meteen worden gelegaliseerd: we noemen ze voortaan woning. Meteen een welkome verruiming van de woningmarkt. Dan resteren de vakantiehuisjes die niet geschikt zijn voor permanente bewoning omdat ze niet voldoen aan het Bouwbesluit (en toch vaak permanent worden bewoond). Hier zijn twee oplossingen: of echt handhaven en dus permanente bewoning onmogelijk maken of accepteren dat men in Nederland ook in bouwsels kan wonen die niet aan het Bouwbesluit voldoen. Dat lijkt me een politieke keuze. Overigens: waar laat je al die mensen als ze daar niet meer kunnen wonen?

Maar laat de overheid wel beseffen dat ze er nog nooit in is geslaagd om permanente bewoning tegen te gaan waar het formeel niet mag. Het lijkt me dan ook wijzer om alle woningen voortaan gewoon woningen te noemen. En om in alle woningen criminele activiteiten tegen te gaan. Daaraan heeft de overheid zijn handen al vol. 

Volgende pagina »