Het @C19RedTeam en de pseudo-wetenschap

oktober 26, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

In tijden van corona komen alle lessen die ik de laatste tien jaar heb gegeven over de relatie tussen kennis en beleid over het voetlicht. Zo ook het onderscheid tussen academic science en public science. Grof gezegd het onderscheid tussen Jaap van Dissel en het Red Team dat de laatste weken veel aandacht krijgt in de media. 

De taakverdeling tussen kennis en beleid was tot op heden tamelijk simpel en voldeed aan twee regels. 

Regel 1: beleid moet je op kennis baseren om kansrijk te zijn. Zo moet je weten hoe een virus zich kan verspreiden, welke consequenties de verspreiding van een virus kan hebben en welke maatregelen de verspreiding van het virus kunnen tegengaan. 

Regel 2:  wat je moet doen is geen wetenschappelijke, maar een politieke vraag. Daarbij spelen allerlei politieke overwegingen. Hoe wegen we de voor- en nadelen van een lockdown? In welke mate moeten de rechten van mensen worden ingeperkt? In welke mate laten we ons leiden door draagvlak onder de burgers?

Met name Jaap van Dissel, het RIVM en het OMT hebben tot op heden de kennis aangedragen, op grond waarvan de regering tot een afgewogen oordeel kwam. Een enkele keer leek Van Dissel de grens van kennis en beleid te overschrijden. Als hij niet alleen vertelde wat hij van COVID-19 wist, maar ook vertelde wat er zou moeten gebeuren. Maar normaliter hielden Van Dissel én Rutte het onderscheid tussen kennis en beleid scherp in beeld. Van Dissel vertelde wat hij wist en Rutte vertelde wat er ging gebeuren. En zo hoort het ook. 

En toen was daar plotseling het Red Team. Een tamelijk willekeurige groep wetenschappers die menen dat het OMT zich te zeer beperkt tot virologische kennis. Die waarschuwing is om twee redenen terecht. 

Ja, het is goed om te voorkomen dat de virologen die het kabinet adviseren te veel met zichzelf in gesprek gaan en dat andere virologische kennis ten onrechte buiten beeld raakt. 

Ja, het is goed dat het beleid niet alleen gebaseerd is op virologische kennis, maar ook op kennis uit andere disciplines. Denk aan sociologen en psychologen die veel kunnen melden over de sociale gevolgen van een lockdown en over de reacties van mensen op beleid. Denk aan economen en de economische gevolgen van een lockdown. Denk aan onderwijskundigen en de mogelijke toename van de ongelijkheid van kansen in het onderwijs . 

In het eerste geval heb je hele goede virologen nodig die nog niet zijn gehoord. In het tweede geval heb je hele goede sociologen, economen, psychologen, onderwijskundigen etc nodig. Het kan aan mij liggen, maar al die mensen tref ik niet aan in het Red Team. Ik zie in het Red Team vooral andere wetenschappers die denken veel verstand te hebben van virussen. 

In mijn wetenschap maken we dan een onderscheid tussen academic science en public science. Jaap van Dissel en zijn leden van het OMT staan voor de academic science: integere wetenschappers die gedegen onderzoek doen op hun eigen vakgebied en die eindeloos journals napluizen op zoek naar de nieuwste wetenschappelijke inzichten. De meesten houden zich met onderzoek bezig en niet met beleid. Gelukkig zijn een aantal van hen wel bereid om beleidsmakers (en samenleving) van die nieuwste inzichten in hun vak op de hoogte te houden. 

Public science staat voor wetenschappers die zich schijnbaar liever in het publieke debat roeren dan zelf onderzoek te doen. Dit soort wetenschappers vertelt bij voorkeur wat er moet gebeuren. Ze presenteren meer meningen dan feiten. Niet zelden gaat het daarbij om wetenschappers die ver buiten hun eigen vakgebied een privé-mening slijten voor wetenschappelijke inzichten. Daarom wordt wel eens over pseudo-wetenschappers gesproken. 

Laten we het laatste advies van het Red Team eens tegen die achtergrond bekijken. Het Red Team adviseert de regering om op korte termijn te kiezen voor een keiharde lockdown van enkele weken. Vanuit de gedachte, ja zelfs de belofte dat Nederland daarna weer terug kan naar het ‘oude normaal’, omdat we dan COVID-19 definitief onder controle zouden hebben. 

Ongetwijfeld zijn het slimme mensen. Maar waarom zou Rutte dit advies moeten overnemen? 

Ten eerste blijkt uit hun advies van het Red Team nergens dat het OMT belangrijke virologische kennis heeft gemist. Daarvoor mist het Red Team zelf ook te veel deskundigheid op virologisch gebied.

Ten tweede rijkt het Red Team nauwelijks andere relevante kennis aan. Nee, het Red Team heeft het vooral over COVID-19, juist waarover het zo weinig weet.

Ten derde gaat het Red Team op de stoel van de politiek zitten door zelf de afweging te maken tussen volksgezondheid, economie, onderwijs, draagvlak, rechtsstaat etc. Maar waarom zouden we hen die afweging laten maken? Dan heb ik zelf ook nog wel een mening. 

Ach ja, in tijden van COVID-19 telt Nederland 17 miljoen virologen. Daar is niks op tegen. Als je maar weet welke mensen er echt verstand van hebben en als je maar weet dat al die kennis nooit bewijst wat je moet doen. Daarvoor hebben we gelukkig de politiek. 

Deel dit bericht:

Biografie Hans Wiegel vraagt om bijstelling beeld

oktober 24, 2020 by  
Filed under Geen categorie

Pieter Sijpersma schreef een indrukwekkende biografie over Hans Wiegel. Indrukwekkend in omvang. Inclusief 100 pagina’s noten 766 pagina’s dik. Maar het is niet de omvang die de biografie zo indrukwekkend maakt. Het is vooral de evenwichtigheid van biografie die imponeert, een biografie waarin alle aspecten van Hans Wiegel het gewicht krijgen die ze verdienen. 

Tegelijkertijd is het heel bijzonder dat de biografie mij zo’n afgewogen indruk geeft, terwijl ik mijn mening over Hans Wiegel, na lezing heb moeten bijstellen. Blijkbaar was mijn mening over Wiegel nog onvoldoende afgewogen. Maar hoe heb ik dan kunnen vaststellen dat zijn biografie wel zeer afgewogen was? 

Hoe het ook zij, in de jaren 70 waren positieve woorden over Hans Wiegel in de kringen waarin ik verkeerde not done. Wat waren dat voor kringen? Sociologie studeren in Groningen, lid zijn van Nieuw Links, Joop den Uyl steunen ondanks zijn revisionistische standpunten, het meest linkse kabinet van Nederland bejubelen. En het was Hans Wiegel die keiharde, platte oppositie voerde tegen dat kabinet. Het was Hans Wiegel die op slinkse wijze de komst van het tweede kabinet-Den Uyl wist te voorkomen. En het was Hans Wiegel die met zijn voorkeur voor de Telegraaf model stond voor alles wat inging tegen de tijdgeest. Ja, ik weet het, later hebben we ontdekt dat vooral dat moeizame kabinet-Den Uyl tegen de tijdgeest inging. 

In ieder geval herinner ik me die ene cynische grap nog goed, toen dat tweede kabinet-Den Uyl er helemaal niet kwam en Hans Wiegel, de man die in onze ogen niet meer was dan een “ordinaire kletsmajoor”, gewoon minister werd. “Waarom zit Hans Wiegel in het kabinet?” “Een ei hoort erbij”. Het was de tijd waarin met deze slogan reclame werd gemaakt om elke dag een eitje te eten. 

Uit deze prachtige biografie van Sijpersma begrijp ik beter waarom we in de jaren 70 die man allemaal haatten en begrijp ik ook beter dat we die man volstrekt verkeerd hebben gewaardeerd. De man was inderdaad gewoon ‘rechts’ en was daar ook nog eens trots op. Dat was in die tijd een uitstekende reden om de man af te wijzen. Nog erger: de man was geen intellectueel, hij las nooit een boek. Hij las alleen maar kranten en bij uitstek de Telegraaf. Wij vonden in die tijd dat je eindeloos moest argumenteren voordat je een voorspelbaar standpunt innam. En wij vonden dat je de Telegraaf niet behoorde te lezen, omdat die krant rechts en populistisch was en veel erger: fout in de oorlog. 

En dat beeld van Wiegel verdient bijstelling. 

Hans Wiegel mag altijd hebben geposeerd als een authentieke corpsbal, in werkelijkheid was hij slechts enkele maanden lid geweest van het Amsterdamse corps en voelde hij zich daar helemaal niet thuis. Ondanks zijn pakken, zijn horlogekettingen, zijn sigaren en zijn poses was Hans Wiegel een zoon van een heel gewone meubelmaker uit Amsterdam. Hij was veel eerder een Amsterdams ‘schoffie’ dan een Amsterdamse corpsbal. Het gymnasium, de universiteit, en zelfs Den Haag: het was niet zijn milieu. Het maakte hem onzeker en verlegen. Om zijn verlegenheid te camoufleren nam hij die bekende pose aan. En omdat hij uit een heel ander milieu kwam zocht hij steeds erkenning. Wiegel was geen blaaskaak, maar het was gewoon een verlegen jongen. Door zijn achtergrond begreep hij overigens veel meer van de ‘gewone man’ dan al mijn linkse studiegenoten bij elkaar. 

Wiegel was geen intellectueel, maar hij had wel een heldere ideologie. Bovenal moesten mensen de kans krijgen zich te ontwikkelen, uit welk milieu ze ook kwamen. Ja, daarin liet zijn eigen geschiedenis zich goed herkennen. En de overheid had daarin een duidelijke taak. Maar als mensen eenmaal de weg naar welvaart hadden ingeslagen, moest de overheid zich het liefst nergens meer mee bemoeien. Het was ook helemaal niet nodig om te veel te veranderen. Zeker niet als het goed met je ging. 

In feite greep Wiegel met zijn definitie van liberalisme terug op veel oudere liberalen. Daarmee was hij minder conservatief dan hij zichzelf graag profileerde. Het verklaart in ieder geval waarom hij als eerste erin is geslaagd om van de VVD een bredere volkspartij te maken. Niet meer de partij van het oude geld uit Wassenaar en Bloemendaal. Onder Wiegel werd de VVD de partij voor velen die zich hadden opgewerkt en hun succes graag wilden behouden. Zonder deze wending van elite-partij naar volkspartij had de VVD van Rutte nooit bestaan.

Wiegel was ook een briljant debater. Hij was zeer gevat (“Sinterklaas bestaat echt en hij zit daar” – in een debat met Joop den Uyl in Groningen). Hij bespeelde de Kamer, hij fileerde ministers. Hij had ook een briljant gevoel voor zijn achterban. Hij was permanent op reis door het land om al die afdelingen van de VVD te blijven bezoeken. En hij had een perfect gevoel voor nieuws en voor de media. Met veel journalisten had hij een nauwe, vaak bijna vriendschappelijke band. De Telegraaf kwam hem thuis waarschuwen toen zijn eigen partijbestuur tegen hem begon te muiten. 

 Wiegel was niet alleen een voortreffelijke oppositieleider (hoe irritant wij dat in die tijd ook vonden). Hij was ook een uitstekende bestuurder. Natuurlijk, VVD-ers willen liever op de winkel passen dan de maatschappij hervormen. Dat maakt het besturen van een departement per definitie eenvoudiger. Maar dan nog had Wiegel een perfect gevoel om zich te omringen met de juiste mensen en om zo’n departement met een minimum aan energie te besturen. Zoals hij ook de provincie Friesland twaalf jaar lang als commissaris van de Koningin met zijn pink bestuurde. En altijd met die perfecte politieke antenne. Elk commentaar had hij al lang zien aankomen, tegen elk commentaar had hij zich al tevoren ingedekt. Wiegel verstond de kunst om vijf zetten vooruit te denken en in er altijd beter uit te komen. Dat kunnen alleen de hele groten in de politiek. 

Ondanks al die politieke successen heeft Hans Wiegel een verdrietig leven gehad. Het verhaal van zijn twee vrouwen, Pien en Marianne, die allebei in het verkeer om het leven kwamen, is algemeen bekend. De eerste na 7 jaar huwelijk, de tweede na 23 jaar. Maar ook zijn politieke carrière loopt uiteindelijk triest af. Als 25-jarige werd hij lid van de Tweede Kamer. Voor zijn 30e was hij fractievoorzitter en hij was amper 30 toen hij lijsttrekker werd van de VVD. Zes jaar later was hij Minister van Binnenlandse Zaken en vice-premier. Maar daarna was het ook over. Al op zijn 40e werd hij commissaris van de Koningin in Friesland, het land van zijn tweede huis. Hij bleef dat 12 jaar. 

Zijn vertrek naar Friesland was zijn eigen keuze, maar hij miste daar de spotlights en met name de erkenning. Hij kon het niet laten om steeds weer hardop te filosoferen over zijn terugkeer naar Den Haag. Aanvankelijk tot groot enthousiasme van zijn achterban. Maar er kwam altijd weer wat tussen en op het laatst wilden ze hem in Den Haag gewoon niet meer. Terwijl hij bleef terugverlangen naar het leiderschap van zijn partij, had zijn partij inmiddels geheel andere wegen ingeslagen. In arre moede ging hij in de verzekeringen. 

Er kwam nog even een nieuwe vriendin in zijn leven. Hij moest met haar mee naar het Concertgebouw. Hij leerde dat hij in de pauze tegen iedereen moest zeggen dat het “fantástisch” was, maar hij voelde zich er niet thuis. Hij was nog steeds de zoon van de meubelmaker. 

Zo’n biografie heeft de man zeker verdiend.

Deel dit bericht:

Knutselen aan het binnenlands bestuur (2)

oktober 21, 2020 by  
Filed under artikel

In een vorige blog recenseerde ik het rapport Als één overheid van de studiegroep Interbestuurlijke en Financiële verhoudingen. De voorzitter, Bernard ter Haar, reageerde op mijn site uitgebreid. Hij dwong mij om mijn gedachten aan te scherpen. Ik zou hem als volgt willen antwoorden.

Dank voor je uitgebreide reactie. Ik ben ook blij dat mijn blog je heeft uitgenodigd om het standpunt van de studiegroep te verhelderen. Want ik ben bang dat jullie rapport gemakkelijk anders kan worden gelezen. Jullie schrijven eigenlijk nauwelijks over gemeenten en helemaal niet over provincies. En dat de democratische rechtsstaat bij ons is verankerd in de lokale, de provinciale en de landelijke democratie kom ik toch werkelijk niet tegen. Laat ik eerlijk zeggen wat me in dat verband benauwt: dat een nieuwe daadkrachtige minister van BZK straks overal interbestuurlijke opdrachtgevende organen en programmateams gaat opzetten en daarbij jullie advies als argument gaat gebruiken. Gelukkig is de kans op een nieuwe daadkrachtige minister van BZK niet zo groot.

Ik ben blij dat je de structuur van het binnenlands bestuur overeind wilt houden. En dat je onderschrijft dat de democratische legitimatie van het bestuur daarin verankerd is. We zijn het samen helemaal eens over het belang van goede spelregels (binnen die bestendige bestuurlijke structuur). En over jullie simpele doch fraaie 4W-vragen. Het is ook helemaal niet verkeerd om gemeenten, provincies en Rijk nog eens helder te zeggen dat niemand anders dan zij drieën verantwoordelijk zijn voor de trage samenwerking en de trage uitvoering.  En dat er tal van mogelijkheden zijn om tot betere samenwerking te komen. Als ze dat ook daadwerkelijk willen

Want ook jij dwingt mij om mijn standpunt te verhelderen. De cruciale vraag die hier voor ligt is namelijk de volgende: moet de samenwerking beter omdat de studiegroep (om het simpel te zeggen) vindt dat er te weinig huizen worden gebouwd of omdat zowel Rijk, provincie als gemeenten vinden dat er te weinig huizen worden gebouwd? Alleen als Rijk én provincies én gemeenten er alles aan doen om meer huizen te bouwen en als dat desondanks niet lukt, kan een gebrekkige interbestuurlijke samenwerking daarvan één van de oorzaken zijn. 

Maar die laatste situatie lijkt zich (nog) helemaal niet voor te doen. Hoeveel miljarden trok de Rijksoverheid uit voor het aanleggen van een aardgasnet voor alle woningen in de jaren 60, hoeveel miljarden trok de Rijksoverheid uit voor de stadsvernieuwing in de jaren 70 en 80, hoeveel miljarden trok de Rijksoverheid voor de woningbouw in de jaren 50, 60, 70, 80 en 90? En hoeveel draagt de Rijksoverheid nu bij aan woningbouw en aan energiezuinig maken van huizen? Het Rijk sluit nu woondeals. 

Niet voor niets verwees ik in mijn blog naar de Vinex en naar Ruimte voor de Rivier. Daar zagen we een Rijksoverheid die er echt voor ging en die met veel geld de interbestuurlijke samenwerking in de gewenste richting stuurde. 

Daarom adresseren jullie in je rapport zeker een belangrijk probleem. In al die gezamenlijke overleggen tussen gemeenten onderling, tussen gemeenten en provincies en Rijk zouden alle partijen zich veel scherper moeten afvragen: wat wil ik bereiken, wat kom ik hier halen? En alle partijen zouden de andere partijen ook veel scherper moeten bevragen: wat wil je echt en wat heb je erover over. Concreter: wat denk je nu echt met die woondeals te bereiken? 

Interbestuurlijke samenwerking is een middel. Helaas wordt het te vaak als doel gezien. Vandaar mijn bezwaar tegen een nieuw interbestuurlijk opdrachtgevend orgaan of nieuwe programmateams. Richt niet op voorhand nieuwe organen op (en maak ze zeker niet belangrijker door regionale organen samen te voegen, zoals jullie betogen). Maar laat eerste alle partijen voor zichzelf bedenken wat ze willen bereiken. Laat hen vervolgens op zoek gaan naar medestanders en laten ze samen de tegenstanders verslaan. Het is eigenlijk gewoon politiek. 

Deel dit bericht:

Weemoed

oktober 20, 2020 by  
Filed under artikel

Elk jaar weer, als we de boot in oktober naar de winterberging brengen. Je weet dat het nu echt voorbij is. Dat je de volgende week niet meer kan varen. Het lijkt alsof je al niet meer mag genieten. Zo’n laatste dag staat vooral in het teken van de planning en van de organisatie. 

Eerst met de auto naar de winterberging, Reekers in Woudsend. Daarna met de streektaxi naar jachthaven Pieter Bouwe in Gaastmeer. Dan nog één keer over de steiger, nog één keer aan boord stappen, nog één keer de motor starten, nog één keer de landvasten losmaken en nog één keer de haven uitvaren. De boot is al afgetuigd, ook de mast blijft achter in de jachthaven. Een boot zonder tuig en zonder mast, is eigenlijk al geen boot meer. De spinnen zoeken een veilig heenkomen en het teak op de bodem van de kuip is al een beetje groen. 

Het was een vreemd jaar. In het voorjaar hadden we door corona veel tijd en hebben we veel gevaren. De laatste twee weken voor de schoolvakantie zeilden we nog naar Enkhuizen, Elburg, Vollenhove en Blokzijl. En toen de vakantie begon en de gekte in Friesland toesloeg, lag ik in een ziekenhuis. Een onwillige teen werd rechtgezet. Optimistisch als ik ben dacht ik dat we in augustus wel weer konden zeilen. Te optimistisch. Uiteindelijk liep ik tot 5 oktober met krukken. Dus meer dan een nachtje slapen op de boot werd het niet deze zomer. 

Als we de haven uitvaren wil Marie Louise wel een moord doen voor nog één lang weekend op de boot. Zo moorddadig is ze normaal niet. We dromen waarheen we zouden varen. Het wordt Staveren, de hele Fluessen af, de Morra over, door de brug bij Warns; in Staveren liggen we altijd ergens aan stuurboord. Ik verdenk Marie Louise ervan dat haar keuze op Staveren is gevallen vanwege dat ene leuke kledingwinkeltje, van Buuf. Wel een hele goede reden. 

Ja, weemoed. We varen het Grote Gaastmeer over, we draaien de Yntemasloot in. Als we tweehonderd meter verder zijn, breekt de zon door. Over het Piel, langs de Fluessen naar het Heegermeer. De zon voelt warm aan, ook al omdat de wind het helemaal laat afweten. We krijgen zin om de planning en de organisatie even helemaal te vergeten. We kunnen nog best even een ommetje maken. We laten de Woudseindse Rakken rechts liggen en varen bij Heeg naar binnen. We gaan langs de jeugdherberg It beaken. Rechtsaf onder de vaste brug door. Daar waar oude en nieuwe Jeltesloot elkaar raken steken we over en varen langs de Elfstedenroute naar Woudsend. 

Het dorp tekent met zijn twee torens en zijn twee molens mooi af tegen de heldere lucht. Voor de brug naar links, ik zet de motor nog iets zachter om het afscheid nog iets uit te stellen. We glijden zachtjes over het water. Aan het einde van de vaart ligt Reekers aan stuurboord. We meren af. Halen het midzwaard op. We brengen nog wat spullen naar de auto en we sluiten de boot definitief af. We geven Steven de reservesleutels. De echte sleutels zal ik de hele winter bij me dragen. 

Deel dit bericht:

Waarom moet de koning onschendbaar zijn

oktober 20, 2020 by  
Filed under artikel

Stel dat de koning de minister-president helemaal niet heeft ingelicht. Over zijn vakantiereisje. Er zijn drie goede redenen. 

Ten eerste is het inschattingsvermogen van de koning niet opvallend groot. Er zijn te veel voorbeelden uit het verleden die daarvan inmiddels het bewijs zijn. De kans is dus groot dat de koning niet heeft beseft dat hij zijn reisje naar zijn tweede huis met Rutte zou moeten bespreken. 

Ten tweede reageerde Rutte opvallend laat. Pas op zondag schreef hij een brief aan de Kamer en die werd amper in het openbaar toegelicht. Waar was Rutte, die normaal toch erg graag de controle houdt, op vrijdag en waar was hij op zaterdag? Zou hij gedacht hebben: hoe minder ik zeg, hoe meer de woede uitgaat naar de man die mij erin heeft geluisd? 

Ten derde stond Hugo de Jonge op de persconferentie van de minister-president met een mond vol tanden. Hij wist van niets. Zou Rutte én een inschattingsfout hebben gemaakt én vergeten zijn De Jonge van de reis van de koning op de hoogte te brengen? Dan zou Rutte zelfs op vrijdag zijn fout nog niet hebben ingezien. Sorry, ik geloof het niet. 

De rest van het verhaal klopt bij mijn hypothese. Rutte draagt de ministeriële verantwoordelijkheid voor de handel en wandel van de koning, tenzij het een privé-kwestie betreft. Ministeriële verantwoordelijkheid veronderstelt niet dat de minister-president de koning verontschuldigt. Want dan blijft de fout bij de koning liggen. Ministeriële verantwoordelijkheid betekent dat de minister-president de fout van de koning tot zijn eigen fout maakt. Dat is de enige manier om de koning helemaal uit de wind te houden. Ik kan me de woede van Rutte in zo’n geval goed voorstellen. 

De casus roept dan ook andermaal de vraag op of de minister-president de ministeriële verantwoordelijkheid moet dragen voor de handel en wandel van de koning. Die hele gedachte gaat terug naar een slimmigheidje van Thorbecke. In de tijd van Thorbecke hadden de ministers nog niet zoveel te zeggen en regeerde de koning volop mee. Daarmee was hij heel kwetsbaar. Thorbecke deed een dubbel voorstel: “Majesteit, we maken u bij wet onschendbaar en de ministers verantwoordelijk voor uw daden. Dan kan niemand u afrekenen op uw fouten.” En: “Majesteit, als de ministers verantwoordelijk zijn, moet u voortaan ook doen wat de ministers willen”. Het heeft even geduurd voordat het tweede voorstel doordrong tot het hoofd van de Oranjes. 

Hoe anders is de situatie nu. Slechts in naam maakt de koning nog deel uit van de ‘regering’. Dat is dan ook achterhaald. Zelfs de rol van de koning bij de kabinetsformatie is sinds Willem-Alexander tot nul teruggebracht. In feite is de koning een volledig ceremoniële figuur geworden. Die met een leger van spindoctors zijn imago probeert hoog te houden. Die man doet goede dingen en die man maakt fouten. Waarom moet Rutte daarvoor eigen verantwoordelijk zijn? Is de onschendbaarheid van de koning eigenlijk niet uit de tijd?  

Deel dit bericht:

Twaalfde Triomf van de stad start niet in oktober 2020

oktober 16, 2020 by  
Filed under De Stad, Geen categorie, Voorpagina

Sinds 2012 organiseren Karen Ephraim en ik de leergang Triomf van de Stad. Een prachtige leergang met veel topwetenschappers én met veel praktijkmensen. Geheel ontworpen voor stedelijke strategen. Over de ontwikkeling van de steden en over het antwoord dat de overheid daarop zou kunnen geven. Sinds 2012 hebben 11 groepen van 10-16 deelnemers de leergang gevolgd. De belangstelling lijkt alleen maar toe te nemen. Het was dan ook heel vanzelfsprekend om dit jaar door te gaan met de 12e editie.

Maar COVID-19 heeft roet in het eten gegooid. Er was te veel twijfel. Waarom zou je wel de hele week thuiswerken, en toch op cursus gaan? Daarom is de 12e jaargang een jaar uitgesteld. In september 2021 starten we weer, als COVID-19 het tegen die tijd wel toelaat. Met de cursisten die zich al hebben aangemeld, en met anderen die nog willen aansluiten.

De data worden nog vastgesteld. En we zullen het gedwongen tussenjaar benutten om de leergang nog eens grondig tegen het licht te houden. We willen nog meer praktijkvoorbeelden en we willen nog meer interactie.

Zolang het programma nog niet gereed is, staat hieronder het programma van de leergang die nooit zou plaatsvinden.

Deel dit bericht:

Knutselen aan het binnenlands bestuur

oktober 15, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Het gaat niet goed met de samenwerking tussen Rijk en gemeenten. Die samenwerking komt bij grote opgaven als woningbouw en energietransitie onvoldoende van de grond. Het was reden voor het Bestuurlijk Overleg Financiële verhoudingen om een studiegroep Interbestuurlijke en Financiële verhoudingen opdracht te geven om een advies uit te brengen. Het advies verscheen onder de titel Als één overheid. Leuk rapport, maar ik hoop niet dat het te veel navolging krijgt.

De kracht van het rapport is meteen zijn zwakte. De auteurs melden dat ze dicht willen aansluiten bij de praktijk en niet een puur conceptueel advies willen uitbrengen over interbestuurlijke samenwerking (tussen Rijk, gemeenten, waterschappen etc.). Drie casus staan centraal: de woningbouwopgave, de energietransitie en de ambulantisering van de GGZ. Het gaat niet goed met de samenwerking op deze drie gebieden: te weinig richting, te veel slordigheid. En het is goed om van die praktijk te leren. Maar het wordt minder als ook per casus naar oplossingen worden gezocht. Dan wordt het knutselen, terwijl juist conceptueel denken over het binnenlands bestuur ons verder had kunnen brengen. 

Bovendien wordt het advies te sterk bepaald door de drie toevallige casus die zijn onderzocht. Want stel dat de studiegroep studie had gemaakt van ‘Ruimte voor de Rivier’, van de Veiligheidsregio’s, van de Vinex wellicht, of van de Regionale Energie Strategieën (die laatste worden wel genoemd), dan was de conclusie wellicht heel anders geweest. In ieder geval zijn deze laatste vier casus wel een voorbeeld van geslaagde samenwerking tussen Rijk en gemeenten. 

Door vooral aandacht te hebben voor de praktijk loop je ook het gevaar dat je de structuur van het binnenlands bestuur en zeker de achterliggende principes van die structuur over het hoofd ziet. Zo richt het advies zich te veel op het proces en het vereiste procesmanagement en vergeet het de structuur waarbinnen die processen moeten plaatsvinden. Zo is het tamelijk zorgelijk dat nergens over democratische structuren wordt gesproken, laat staan over democratische beïnvloeding. Het is ook opvallend dat het woord provincie, zeker in de oplossingen nergens wordt genoemd. Zeg dan eerlijk dat je de provincie wilt opheffen en geef daarvoor dan eerst enkele zwaarwegende argumenten. 

Een goed binnenlands bestuur vraagt om een heldere structuur en om heldere afspraken over het proces. De studiegroep kiest in eerste instantie overigens wel voor heldere afspraken over het proces. Zo adviseert de studiegroep om bij elke opgave de volgende 4 W-vragen te stellen: wat willen we bereiken (de doelen), wie doet mee, wie doet wat en welke instrumenten zetten we in? 

Maar daarna gaan de studiegroep toch vooral figuurzagen. Er moet een interbestuurlijk opdrachtgevend orgaan komen voor de woningbouw, er moeten interbestuurlijke programmateams komen voor de energietransitie en bij de ambulantisering van de GGZ moeten centrumgemeenten de bevoegdheden maar overnemen van de kleine gemeenten. Dat roept meteen heel veel vragen op. Hoeveel macht krijgen die organen en teams en hoe is die macht democratisch gelegitimeerd en hoe zit het met de democratische rechten van burgers van kleine gemeenten als centrumgemeenten de baas gaan spelen? 

De studiegroep meent dat de huidige gebrekkige samenwerking ook voortkomt uit de ongelijkwaardigheid tussen Rijk en gemeenten. Dat zou verholpen moeten worden door gemeenten zelf meer belasting te laten heffen. Dat is een bekend geluid, maar daarom nog niet meteen juist. De betekenis van de gemeente is de afgelopen eeuw verschoven van lokale democratische gemeenschap naar uitvoeringsloket van de rijksoverheid. Dat is niet zo vreemd als burgers veel nationaler en internationaler zijn gaan denken. Het is ook wel erg technocratisch om gemeenten belangrijker te maken alleen omdat de interbestuurlijke samenwerking uit balans is. 

Zo verliest de studiegroep de grote lijn van het binnenlands bestuur uit het oog. Waarom zouden opdrachtgevende organen en programmateams moeten bepalen welke opgave aan de orde is. Laten gemeenten, provincies, waterschappen en Rijk hun eigen doelen inbrengen en daarover gezamenlijk onderhandelen. Dan zal je meteen zien dat die woningbouwopgave niet wordt gerealiseerd zolang het Rijksbeleid zwalkend is en het Rijk niet bereid is een substantieel budget voor de woningbouw ter beschikking te stellen. 

Procesmanagement betekent niet dat er weer nieuwe structuurtjes worden opgericht, maar het betekent slim omgaan met de belangen van anderen. ‘Ruimte voor de rivier’ was daarom zo’n prachtig voorbeeld. Het Rijk stelde vast hoeveel water er per seconde op welke plek door de rivieren moest kunnen stromen. Het Rijk maakte een plan en het Rijk stelde geld ter beschikking. En het Rijk nodigde de lokale partijen uit om zelf een beter plan te maken (dat ook best iets meer mocht kosten). Op voorwaarde dat er in alle gevallen voldoende water door de rivier kon stromen. 

Zo gebeurde het ook met de Vinex in de jaren 90. Het Rijk gaf aan hoeveel woningen per regio gebouwd zouden moeten worden. En het Rijk beloofde daarin fors te investeren als de gemeenten het onderling over de verdeling van de woningen eens zouden zijn. Aldus geschiedde. Het Rijk doet nu ongeveer hetzelfde bij de Regionale Energie Strategieën. Het kader aangeven en geld toezeggen als de partijen ter plaatse het eens zijn geworden over de uitvoering. 

Tot slot een laatste opmerking. Er wordt nogal eens geklaagd over de traagheid van de overheid in het algemeen en van de interbestuurlijke samenwerking in het bijzonder. Velen realiseren zich daarbij vaak niet dat een politieke meerderheid voor het betreffende plan simpel ontbreekt. Dat is teleurstellend voor de minderheid, maar democratisch is het van grote waarde dat de samenwerking op die momenten niet tot stand komt. 

Deel dit bericht:

Wat doen we straks met Rutte @pdekoning

oktober 14, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Mark Rutte is tien jaar minister-president. Petra de Koning schreef een indringend boek over hem. Ze heeft hem lange tijd gevolgd, eerst in Europa en later als politiek redacteur van de NRC in Den Haag. Het project had de instemming van Rutte. Hij vroeg zich wel af hoe informatief het zou zijn om steeds “datzelfde vrolijke mannetje” te zien. Die opmerking typeert hem. Rutte is niet alleen vaak vrolijk, maar hij wil vooral voor de buitenwacht altijd “datzelfde vrolijke mannetje” zijn. 

Laat ik eerlijk zeggen: ik heb Rutte altijd tamelijk onbereikbaar gevonden. We maakten ooit kennis en tijdens het gesprek dat erop volgde was ik vooral gebiologeerd door zijn glimmende zwarte schoenen. Ja, inderdaad een soort teflon-schoenen. Van deze man gleed alles af en op deze man kreeg niemand greep. 

Tot dit voorjaar is mijn beeld nauwelijks veranderd. Maar toen kwam Corona, en groeide Rutte uit tot de staatsman die hij niet eerder was. Daarvoor was hij altijd iets te joviaal geweest, iets te studentikoos, iets te weinig serieus om veel respect af te dwingen. Bij Corona kantelde het beeld. Ik begreep plotseling waarom deze man de volgende verkiezingen zou winnen. 

Het boek van Petra de Koning heeft me dat perspectief weer grotendeels ontnomen. Ze schetst Rutte zo indringend in zijn ongrijpbaarheid dat al mijn oorspronkelijke gedachten alleen maar zijn versterkt. Want Mark Rutte mag zelf ongrijpbaar zijn, het beeld dat De Koning van hem schetst is dat geenszins. Het blijft erg hangen. 

Laat duidelijk zijn dat Rutte voor veel mensen een heel vriendelijk mens is. Die aandacht heeft voor wat mensen bezighoudt, ook in de privé-sfeer, en die dat ook nog eens goed onthoudt. Maar die vriendelijkheid kan ik niet los zien van die ene overheersende karaktertrek: zijn maniakale neiging tot controle. Rutte is een ongeëvenaarde control-freak. En hoewel Petra de Koning dat nergens zo ongenuanceerd opschrijft als ik het nu wel doe: Rutte controleert vooral permanent zijn eigen machtspositie. Controleren gaat bij hem om overleven, van het overleven van zijn kabinet en vooral om het overleven van Mark Rutte. Controleren gaat bij hem ook heel goed samen met delegeren. Vanuit de gedachte: het is altijd beter om een goede assist te geven dan zelf keihard naast te schieten. Tegen zijn adviseurs zegt hij altijd: ik wil alleen op de hoogte worden gebracht als er een conflict dreigt. En in zijn kabinet omringt hij zich vanuit zijn eigen partij graag met bekenden, van wie één ding duidelijk is: ze zullen niet aan mijn poten gaan zagen. 

Controle heeft bij Rutte dus vooral te maken met overleven en des te minder met de inhoud. Inhoudelijk valt hij ook heel moeilijk te plaatsen. Niet alleen riep hij ooit met veel plezier dat een visie alleen maar in de weg zit. Intussen heeft hij ook met bijna alle partijen in de Kamer een kabinet gevormd. Elke coalitie gaat hem even gemakkelijk af. Bij kabinetsformaties geeft hij zelfs met zonder problemen kroonjuwelen van de VVD weg, als dat kabinet Rutte er maar komt. Zijn grote gemak van spreken moet ook in dat licht worden gezien. Wie weinig standpunten heeft kan veel standpunten verdedigen. En hoeft ook nooit een draai te maken. 

En ja, de man heeft heftige driftbuien en is blijkbaar niet in staat die te beheersen. De verhalen over zijn driften zijn inmiddels zo talrijk, dat je je afvraagt waarom dat in Den Haag nog steeds wordt getolereerd. Maar de echte machthebbers wordt nu eenmaal veel vergund. Op het eerste gezicht lijkt het tegenstrijdig dat iemand die zijn omgeving permanent wil controleren, ook zonder enige terughoudendheid te keer kan gaan tegen coalitiegenoten, tegen ambtenaren, tegen werkgeversvoorzitters en ga maar door. Maar elke psycholoog kan je vertellen dat juist control-freaks in woede ontsteken als het allemaal niet gaat zoals van te voren was bedacht. 

De Koning scherpt dat beeld van Rutte onweerstaanbaar aan door te verhalen over zijn privé-leven, dat eigenlijk niet mag bestaan. Over zijn geordende bovenhuis waar niemand wordt toegelaten, maar waar Ton Elias toch een keer met een smoes wist door te dringen. Door zijn eindeloze gewoontes: altijd koffie halen op de Korte Poten, altijd een appel eten op de fiets, altijd dezelfde pakken van Napolitaanse snit, altijd die spijkerbroek als het even kan, het liefst met All-stars eronder. En altijd dezelfde korte vakanties op hetzelfde moment in het jaar naar hetzelfde hotel met dezelfde vrienden. Eigenlijk is er alleen dat premierschap.

Petra de Koning waagt zich niet aan de toekomst. Natuurlijk is de kans zeer groot dat Mark Rutte volgend voorjaar zijn vierde kabinet formeert. (Hoewel corona ook nog best eens roet in het eten kan gooien; die strijd is publicitair nog niet gewonnen.) Toch ooit zal er een einde komen aan het premierschap van Rutte. Bijvoorbeeld als er meer meer visie wordt gevraagd en alleen het managen van Nederland niet meer voldoende is. Of wanneer hij eindelijk is versleten. Dan verdient hij veel dank voor al die jaren. Maar we zullen ons ook afvragen wat er daarna van deze man moet worden. Wie kan zich voorstellen dat deze man ooit nog een andere baan zal hebben. En het zou hij het zichzelf kunnen voorstellen? Of zullen we dit “vrolijke mannetje” nog jaren zien rondfietsen in Den Haag met een appel in zijn hand?

Deel dit bericht:

#Corona, het wordt tijd voor een andere aanpak

oktober 12, 2020 by  
Filed under artikel

Er zal wel weer een persconferentie komen en de regels zullen wel weer worden aangescherpt. En ik voorspel dat er binnenkort weer een persconferentie zal komen en dat de regels dan verder zullen worden aangescherpt. Het lijkt slecht te gaan met het virus. Maar het gaat slecht met ons gedrag. Regels worden nauwelijks nageleefd en het niet-naleven van regels wordt nauwelijks bestraft. 

In het voorjaar, ja, toen was alles duidelijk. Toen waren de ziekenhuizen overvol, toen vielen er veel doden en waren we collectief bang. Toen deden we allemaal wat Rutte ons gebood. Moesten we thuiswerken, dan gingen we thuiswerken. Moesten we onze handen wassen, dan wasten we onze handen. En op straat waren twee mensen op één trottoir al te veel. Zo duidelijk is het niet meer. Wat is er allemaal anders.

Ten eerste weten we veel meer over het virus. En zijn patiënten veel beter te behandelen, waardoor er nog maar relatief weinig mensen aan het virus overlijden. Ook los van behandelmethoden dringt het besef in de wetenschap door dat het sterftepercentage in het begin van de pandemie wellicht schromelijk is overschat. Ging de WHO in maart nog uit van een sterftepercentage van 3,4%, inmiddels is dit bijgesteld naar 0,6%. De NRC meldt dat recente studies al uitgaan van een sterftepercentage van 0,24%. Bij een gewone griep ligt het percentage tussen de 0,10 en 0,17%. Maar we weten ook veel meer omdat we veel meer testen. Of beter gezegd: omdat we veel meer testen, vinden we veel meer besmettingen. Daarom laten de huidige cijfers over besmettingen zich zo slecht vergelijken met de cijfers over maart en april. 

Ten tweede weten we veel meer over de gevolgen van de beperkende gedragsregels en over de gevolgen van de intelligente lockdown. We weten inmiddels ook wat we niet meer willen meemaken. We weten dat we de scholen niet meer moeten sluiten. Studenten weten dat online-onderwijs slechts een enkeling weet te motiveren. En we weten vooral dat een tweede lockdown echt desastreuze gevolgen zal hebben voor heel veel bedrijven en niet te vergeten voor de cultuursector. 

Ten derde zijn kosten en baten van beperkende maatregelen zich anders gaan verhouden. Met name door de twee voorgaande argumenten. De baten zijn veel geringer omdat de ziekte zich veel minder erg openbaart en de kosten worden zeker anders gepercipieerd. Als er dagelijks meer dan 150 mensen aan een virus overlijden lijkt die afweging tussen kosten en baten er ook minder toe te doen. Maar momenteel sterven ongeveer 10-20 mensen per dag aan COVID. Let wel van de ongeveer 400 mensen die elke dag in Nederland overlijden. En veel van die slachtoffers hadden zonder COVID niet heel veel langer geleefd. 

Ten vierde is onze volgzaamheid verdwenen. Gelet op het bovenstaande is dat overigens niet zo vreemd. Beperkende maatregelen leiden alleen tot minder besmettingen als ze worden nageleefd. Die relatie tussen maatregelen en besmettingen lijkt verbroken. En dat vraagt om een ander beleid. 

Wat zou er gebeuren als het huidige beleid (meer besmettingen = meer regels) worden voortgezet? Ik zie drie scenario’s. 

Scenario A: steeds meer beperkende regels zullen door een gebrek aan naleving leiden tot steeds meer besmettingen. Hoe laag het sterftepercentage ook mag zijn, dat zal op den duur leiden tot nieuwe drama’s in de ziekenhuizen en op de IC’s. De kans is aanwezig dat de regels pas zullen worden nageleefd als het al veel te laat is. Veel ellende, veel doden en veel economische schade zal het gevolg zijn. 

Scenario B: we gaan vanaf morgen alle bestaande en nieuwe beperkende regels naleven. De maatschappelijke schade zal groot zijn, maar de overheid krijgt wel zijn zin. Het mag duidelijk zijn dat ik dit scenario niet realistisch acht. 

Scenario C: de ellende blijft binnen de perken, niet omdat we steeds strengere regels steeds beter gaan naleven, maar vooral omdat wetenschappers het virus inmiddels steeds beter onder controle krijgen. Voor de samenleving is dit een prettige optie, maar voor de overheid desastreus. Het blijkt te lonen om overheidsregels massaal aan je laars te lappen. 

Scenario B is zeer onwaarschijnlijk en de scenario’s A en B zijn zeer onaantrekkelijk. Ik kies dan ook voor een vierde scenario, het zogenaamde griep-scenario. Bij griep faciliteren de overheid en de zorg. Je kan een vaccin krijgen, maar het hoeft niet. Je kan je goed aankleden, maar het hoeft niet. Als je ziek bent kan je naar de dokter gaan, maar het hoeft niet. En als je zo ziek bent dat je naar het ziekenhuis moet, krijg je geen voorrang boven mensen die nog zieker ziek zijn. Omdat je besmettelijk bent voor de andere patiënten krijg je een aparte afdeling en bij voorkeur een apart ziekenhuis. 

Het aardige van dit scenario is dat iedereen zelf mag bepalen hoe kwetsbaar hij zich waant. Ouderen zullen meer afstand houden en zullen misschien even niet naar het café gaan. Kwetsbare ouderen zullen in quarantaine gaan. De overheid zorgt voor een boodschappendienst. Verpleeghuizen en verzorgingstehuizen zullen zelf regels opstellen. De klassieke concertzalen zullen ruimte houden tussen de bezoekers,  omdat hun toch al oudere publiek anders geheel thuis zal blijven. (In Ziggodome maken ze werk van de groepsimmuniteit.) Winkels zullen ervoor zorgen dat iedereen naar binnen wil (hier zijn mondkapjes verplicht). Treinen en bussen doen hetzelfde. 

Eigenlijk past het heel goed bij de filosofie van Rutte. “Jullie moeten het zelf doen.” Toch ben ik bang dat hij deze draai niet meer kan maken. 

Deel dit bericht:

Burgerberaad niet goed voor het klimaat

oktober 10, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

In de Volkskrant pleit een aantal mensen voor een Burgerberaad over het klimaat. Het beraad moet middels loting worden geformeerd. De regering moet beloven dat de voorstellen van het beraad aan de Kamer worden voorgelegd en de Kamer moet beloven dat die voorstellen alleen gemotiveerd terzijde worden geschoven. 

Ik heb niks tegen burgerberaden, maar ik maak me wel veel zorgen om het klimaat. En vanwege het laatste zie ik dit keer niks in het eerste. Ik geef vier argumenten. 

De gedachte dat 100 of 1000 aselect gekozen Nederlanders in een aantal bijeenkomsten tot nieuwe ideeën komen is naïef. En het is cynisch over het belang van kennis. En het getuigt van een gebrek aan inzicht. Want er zijn al duizenden goede ideeën om klimaatverandering tegen te gaan. Vraag het aan Urgenda, vraag aan het PBL of vraag het gewoon op het departement. En als al dat allemaal nog niet genoeg is kan je veel beter iedere burger en ieder bedrijf aan het denken zetten door bijvoorbeeld een CO2-belasting te heffen. 

De gedachte dat je draagvlak creëert met een Burgerberaad is al even naïef. Denk je dat Shell zijn verzet tegen de energietransitie plotseling zal staken als een willekeurige middels loting samengestelde groep zegt dat we geen olie en gas meer mogen boren? Klimaatbeleid is een harde strijd om belangen, waarbij iedereen moet worden gedwongen mee te doen. Daar heb je een overtuigende overheid voor nodig en geen willekeurige gespreksgroep. 

Veel erger, een Burgerberaad is geen oplossing voor het probleem waar het hier werkelijk om gaat: het ontbreken van een krachtige politieke meerderheid. Hoe vervelend ook, maar in Den Haag wordt de urgentie van een krachtig klimaatbeleid nog steeds onvoldoende gevoeld. En laten we eerlijk zijn: daaraan zijn we allemaal schuldig. Omdat die urgentie in de samenleving nog steeds onvoldoende wordt gevoeld. Ideeën en plannen zijn er genoeg, maar ze worden onvoldoende opgepakt. 

Ach zul je misschien denken: baat het niet, dan schaadt het niet. Gun iedereen zijn eigen plezier en zijn eigen vergadering. Maar ik vrees dat het instellen van een Burgerraad het klimaat juist wel zal schaden. Omdat het weer een prachtig alibi is om grote beslissingen voor ons uit te schuiven. “Het nieuwe klimaatbeleid wacht op de uitkomsten van het Burgerberaad”. Nee, met Energieakkoorden en Klimaattafels hebben we al tijd genoeg verspeeld. Er is geen tijd meer voor nieuwe gespreksrondes. 

Deel dit bericht:

« Vorige paginaVolgende pagina »