Corona en de nieuwe Concert-cultuur

september 14, 2020 by  
Filed under artikel, Voorpagina

Drie concerten hebben we nu achter de rug sinds het weer een beetje mag. En de bezoekersaantallen zijn nog steeds dramatisch, maar er gloort wel een andere concert-cultuur. En dat zou wel eens winst kunnen zijn. 

Eerst het sombere nieuws. In het nieuwe Concertgebouw passen 350 toehoorders op corona-afstand. In een zaal waar zonder corona ruimte is voor 2000 luisteraars. Daar kan geen verdienmodel tegenop. Toch zal het Concertgebouworkest het voorlopig met die 350 betalende toehoorders moeten doen. Bovendien het is de vraag hoeveel stoelen bezet zullen zijn als dat vaccin er eindelijk is. De gemiddelde luisteraar van het Concertgebouworkest, ja, het Koninklijke Concertgebouworkest, is ver op leeftijd. Hij vond het toch al vermoeiend, en zeker op een koude en natte winteravond was de reis naar de Van Baerlestraat al vaak te lang. Ik vrees dat het in Concertgebouw net zo zal gaan als in de kerken: na corona haakt een grote groep definitief af. 

Daarom is het zo belangrijk dat deze tijden ook laten zien dat het allemaal anders kan. En dat ook de traditionelen in het Nederlandse muziekleven, met het Koninklijk Concertgebouworkest aan de top, hun concertcultuur kunnen veranderen. We waren bij het concert van Andris Nelsons die ons in één uur een prachtige Rachmaninov 2 voorschotelde. We namen het drankje en de jassen mee naar de zaal. En na afloop mochten we meteen weer naar buiten. Geen eindeloze pauze met al die Amsterdamse kak die niet voor Nelsons komt maar voor elkaar. Geen mannen die elkaar gauw nog even aanraken. Geen vrouwen meer die de hele avond meer aandacht hebben voor hun haar en geen hobo van een klarinet kunnen onderscheiden. En vooral niet meer met 12 mannen tegelijk in het ‘druppelhok’ samen proberen er nog iets uit te persen. Mag ik voortaan altijd een concert van een uur, zonder de verplichte ouverture? Of is dat juist het verdienmodel van het KCO? 

In het Muziekgebouw aan het IJ hoorden we het Belgische Collectief met Das Lied von der Erde van Mahler. Bewerking door Schönberg en De Leeuw: strijkkwintet, blaaskwintet, basklarinet, harp en harmonium. Wat een schoonheid, wat een feest om te horen. Waarom moet Mahler altijd zo groot? Dit intieme concert raakte me meer dan zo’n volle bak. En ook het KCO kan in deze bezetting spelen. 

Bij kasteel Duivenvoorde hoorden we het NBE. Het NBE is altijd goed voor verrassingen en voor een alternatieve programmering. Maar zelfs zij vonden in corona-tijd nog weer nieuwe varianten. We kregen niet alleen een concert onder een zeildoek in de buitenlucht. Echt bijzonder was de wandeling door het park, met op onverwachte plekken een mini-concertje van heel bijzondere combinaties. Geen Mozart en Mahler. Alle muziekculturen naast elkaar en door elkaar heen. Het enige nadeel: met alle happen en dranken en gezelligheid duurde het, los van onze eigen afspraken, misschien al weer te lang. Want dat begin ik wel te leren. Waarom moesten al die concerten voor corona altijd zo lang duren, terwijl de wereld zoveel sneller is geworden? 

Deel dit bericht:

Ruud Lubbers controleert zelfs zijn eigen geschiedenis

september 7, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Ruud Lubbers was vaak ongrijpbaar. En na zijn dood lijkt het niet anders. 

In 2018 was Ruud Lubbers nog maar net dood toen enkele maanden later onder eigen naam het boekje Persoonlijke herinneringen verscheen. Hij was ooit aan een boek begonnen, maar bij zijn dood lagen er slechts enkele korte schetsen en een aantal interviews. De interviewer had de ondankbare taak op zich genomen om van dit alles een geheel te maken. Maar een geheel werd het niet. Ik vond het vooral een pijnlijk boekje omdat Lubbers alle grootsheid die we van hem gewend waren leek te hebben verloren. Het meest bleven zijn verontschuldigen aan Elco Brinkman hangen, de man die hem in 1994 moest opvolgen als CDA-leider én al premier, maar daarvoor een paar maatjes te klein was. Lubbers had dat indertijd te laat door. Toen hij besefte dat Brinkman niet zijn gedroomde opvolger was, maakte hij hem het leven alsnog heel erg zuur. 

Onlangs verschenen de ‘politieke memoires’ van Ruud Lubbers, van de hand van Theo Brinkel. Brinkel spitte in de jaren 1993-1995 samen met Lubbers in 21 gesprekken diens politieke leven door. Memoires in de vorm van 21 interviews. Het zegt veel over Lubbers dat dit boek nu pas verschijnt. Tot zijn dood heeft hij nooit willen instemmen met een publicatie. Nu doet de familie dat gelukkig wel. 

En dat feit alleen al, dat Lubbers geen toestemming gaf, typeert de man ten voeten uit. Want bovenal was Lubbers een control freak. Er stonden een paar teksten in het boek, die wel eens tot problemen zouden kunnen leiden. Over Elco Brinkman geen goed woord, maar dat was tot daaraan toe. Brinkman was al lang gevallen. Maar zijn woede over Helmut Kohl die hem de pas afsneed naar het voorzitterschap van de Europese Commissie, kon maar beter niet naar buiten komen. Je wist maar nooit wanneer hij Kohl nog eens nodig zou hebben.

Overigens kom je buiten Kohl en Brinkman om in de memoires van Lubbers alleen maar aardige mensen tegen. Mensen die hij “mag”. Natuurlijk, er is wel eens een akkefietje, maar eigenlijk “mag” Lubbers iedereen. Dat is bijzonder, omdat de politiek geen wereld is om vrienden te maken. Als Lubbers hier over bijna iedereen zegt dat hij ze “mocht”, is dus iemand bezig zijn eigen geschiedenis te herschrijven. Hier controleert iemand zijn nagedachtenis. 

Juist daarom is het een echt Lubbers-boek. Ruud Lubbers was twaalf jaar minister-president. Omdat hij was wie hij was. Een uitermate intelligente politicus, die alles zag en daardoor de ander vaak een slag voor was. Die zich inhoudelijk in elk onderwerp verdiepte. Die meteen vier oplossingen in gedachten had. Die in de ministerraad kon verrassen omdat hij de dossiers soms beter had gelezen dan de verantwoordelijke minister. Natuurlijk, hij moet soms heel irritant zijn geweest. Het is voor veel mensen irritant om te moeten toegeven dat de ander veel beter is. Daarom was Lubbers bepaald niet geliefd bij iedereen. Maar hij stak er wel met kop en schouders bovenuit. En daarom had dat kleine boekje met Herinneringen twee jaar geleden niet mogen verschijnen. Daar sprak een oude man, en niet meer de man die vaak irritant goed was. 

Dat wil niet zeggen dat er op de loopbaan van Ruud Lubbers geen ander perspectief denkbaar is. Vooral die twee affaires met Brinkman en met Kohl laten zich ook anders beschrijven. Bijvoorbeeld als de affaires waarin Lubbers eigenlijk de controle langzaam kwijt raakte. En het mooie van zijn memoires is dat hij ons wil doen geloven dat hij die controle nog wel degelijk had. 

Lubbers was in 1989 al zeven jaar minister-president toen hij aan zijn derde kabinet begon. Hij meldde intern dat het zijn laatste kabinet zou worden. Heel wijs, na 12 jaar is je houdbaarheid wel verstreken. Al snel wees Lubbers Elco Brinkman aan als zijn opvolger. Brinkman was minister geweest in de eerste twee kabinetten-Lubbers. Vanaf 1989 was hij fractievoorzitter van het CDA in de Kamer. Een logische keuze. Maar ook een onmogelijke keuze. Want Brinkman kon zich alleen maar profileren door zich tegen de “Baas” af te zetten en dat was de “Baas” niet gewend. En daarvan ook niet gediend. Laat ik het anders formuleren: Lubbers begreep wel dat het zo werkte, maar hij zou het zelf inhoudelijk heel anders hebben gedaan. Hij legde de arme Brinkman langs zijn eigen meetlat. En die Brinkman was inderdaad een paar maatjes te klein. 

Lubbers probeert in zijn beschrijving van het conflict met Brinkman vooral zijn eigen grootheid te laten zien. Hij mist echter de grootheid om te zien dat grote leiders vaak hele kleine mensen worden als ze de macht en de aandacht weer moeten afstaan. 

Met Kohl gebeurde iets vergelijkbaars. Kohl en Lubbers waren al jaren zeer goede bekenden van elkaar. Onder andere via de Europese christen-democratie. Maar Lubbers begon in zijn derde kabinet een beetje het zicht op zijn eigen positie in Europa kwijt te raken. Hij begon randvoorwaarden te stellen aan de Duitse eenwording, hij meende dat de Europese Bank niet naar Frankfurt moest maar naar het provinciaalse Bonn. En daarvan was Helmut Kohl op zijn beurt niet gediend. Overigens was Kohl ook langzaam het zicht aan het kwijtraken op zijn eigen menselijkheid. Kohl en Lubbers waanden zich allebei te groot, maar Kohl was als vertegenwoordiger van Duitsland toch echt een kopje groter. Geïrriteerd door Lubbers gedrag, zette Kohl hem de voet dwars bij zijn poging om voorzitter van de Europese Commissie te worden. Lubbers boos en vol onbegrip. 

Dit soort episodes contrasteren met de dagelijkse politiek en zijn daarom zo boeiend. Politiek is meestal een doortimmerd spel van macht en inhoud. Waarin politici hun doelen weten te bereiken door op het juiste moment de juiste dosis macht in te zetten. Maar politici zijn ook mensen. Je kan zelfs zeggen dat ze alleen maar heel groot kunnen worden als ze het mengsel van macht en inhoud aanlengen met een goed gedoseerde hoeveelheid ‘mens’, ‘persoon’. En het boeiende is dat politici aan het einde van hun loopbaan vaak de mist ingaan omdat die ‘mens’ een te groot gewicht krijgt. Ze vinden het moeilijk om afscheid te nemen. Ze raken snel gekwetst, omdat ze niet zelden een meer dan normale hoeveelheid narcisme onder de leden hebben. Ze denken dat de buitenwereld het allemaal doet. Maar ze doen het zelf. 

Het gaat vaak heel subtiel. Want zonder de persoon die ze zijn, hadden de grote politici nooit tot die grote hoogte kunnen stijgen. Lubbers was niet alleen een Macher, maar was ook een gelovig mens, die juist daarom 12 jaar het CDA aan zijn voeten had. Dat was niet gespeeld, dat was de mens Ruud Lubbers. Joop den Uyl was jarenlang bij zijn achterban zo geliefd omdat hij naast een handig politicus ook ‘Ome Joop’ was. 

En dan gaat aan het einde toch het ego te veel opspelen. Dan kan Joop den Uyl geen afscheid nemen omdat hij denkt dat alleen hij het kan. Dan gaat Ruud Lubbers kinderachtig de strijd aan met Elco Brinkman, omdat hij zich niet kan voorstellen dat hij door zo’n man zal worden opgevolgd. 

Juist in dat licht zijn die memoires van Lubbers zo interessant. Want ook na zijn neergang probeert Lubbers controle te houden. En probeert hij zijn geschiedenis weer in zijn eigen voordeel te corrigeren. Het is juist die karaktertrek die hem zo groot heeft gemaakt. 

Deel dit bericht:

@ferdgrapperhaus mist vooral politieke antenne

september 3, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Grapperhaus maakte een fout op de gelukkigste dag van zijn leven. Sneu voor die dag en de herinnering die het echtpaar er nog jaren aan zal hebben. Is het reden om de goede man naar huis te sturen? Kan het kabinet ons nog wel streng toespreken over het ‘nieuwe normaal’ als de verantwoordelijke minister zich niet aan het ‘nieuwe normaal’ houdt? Maken we niet allemaal wel eens een fout? Moeten we het de minister niet vergeven omdat hij wellicht in de roze wolken was?

Ik geloof niet dat dat de kwestie is. Want het grootste probleem bij deze minister is niet dat hij een domme fout heeft gemaakt, zijn grootste probleem is dat hij die fout niet heeft zien aankomen. 

Deze man heeft niet van te voren bedacht dat hij dat feestje beter kon uitstellen, omdat hij politiek zeer kwetsbaar was en dat elke fout op dit feestje hem zou worden nagedragen. Hij is immers de man die de boetes uitdeelt op de feestjes die door Rutte en De Jonge worden verboden. 

Deze man heeft niet van te voren bedacht dat hij de positie van Rutte erg zou schaden als er ook maar één foto van zijn feestje naar buiten zou komen. Want hij is niet alleen zijn eigen gezag kwijt, maar Rutte heeft vijf persconferenties nodig om zijn oude gezag weer terug te winnen. 

Deze man heeft niet van te voren bedacht dat het niet genoeg is om de eerste foto met een juridisch fraaie formulering af te doen.Dat het een enkele keer fout was gegaan in het geluk van het moment. Terwijl hij wist dat dat niet zo was en terwijl hij had moeten beseffen dat er altijd nieuwe foto’s zouden opduiken. 

Deze man heeft nog steeds niet bedacht dat er nog meer foto’s naar buiten kunnen komen. En dat hij dan met kop en kont door Rutte eruit wordt gegooid. 

Het maken van een fout kan iedereen overkomen, maar deze man mist blijkbaar een belangrijk politiek gevoel. Deze man is geen politicus en daarom ongeschikt voor de politiek. Een politicus kijkt altijd vooruit. Een politicus bedenkt altijd vooraf hoe bepaalde dingen later zullen vallen. Een scherpzinnige jurist is niet meteen ook een goed politicus. Grapperhaus moet niet kwalijk worden genomen dat hij een fout heeft gemaakt, maar dat hij blijkbaar niet voorziet wanneer hij zichzelf in de nesten werkt. 

Deel dit bericht:

De Zuiderzeelijn komt uit de oude doos #PvdA

augustus 18, 2020 by  
Filed under artikel

Terecht wil de PvdA veel geld uittrekken om de economie weer op gang te helpen. Maar helaas duiken meteen de oude wensenlijstjes weer op. En ja, daar is hij weer: de Zuiderzeelijn, nu vermomd als Lelylijn. In de jaren 0 is er veel over gesproken, een snelle treinverbinding (zweeftrein!) van Amsterdam, via Lelystad, Heerenveen en Drachten naar Groningen. Het kabinet-Balkenende/Bos was zo wijs om ervan te zien. De Noordelijke lobby werd met € 2,7 miljard afgekocht.

Is infrastructuur dan geen goed middel om de economische groei te bevorderen? Ja zeker wel. Hoe verder ik mijn goederen tegen redelijke prijs kan vervoeren, hoe groter mijn afzetgebied en hoe meer ik dus kan verdienen. Er is wel een grens: als de transportkosten te hoog worden, ben ik niet meer concurrerend. Bovendien worden op de markt niet alleen goederen verhandeld, maar ook arbeid. Als het van Groningen minimaal 2 uur rijden vergt om in Amsterdam te komen, zien bijna alle Groningers ervan af om een baan in Amsterdam te zoeken. En omgekeerd. Dus een snelle verbinding kan ervoor zorgen dat Amsterdam en Groningen meer van elkaars arbeidskrachten gaan profiteren. 

Waarom is dat idee van die snelle Lelylijn van Amsterdam naar Groningen dan niet meteen een goed idee. Er zijn twee redenen. 

Ten eerste hangt het ervan af of we met die nieuwe lijn de economie van Nederland willen bevorderen of specifiek de regionale economie van Groningen (waar ze na de aardbevingen nog wel enig recht hebben op genoegdoening door de overheid)? Juist op dit punt moet je voorzichtig zijn met een nieuwe snelle treinverbinding. Die trein zal ongetwijfeld leiden tot meer groei, maar het is zeer ongewis waar die groei gaat neerslaan. Zullen Amsterdammers in Groningen gaan winkelen (ach misschien een keertje), of zullen juist Groningers veel vaker in Amsterdam gaan winkelen (als je daar in een uurtje bent)? Zullen bedrijven zich in Groningen gaan vestigen omdat die Amsterdamse arbeidskrachten geen bezwaar hebben tegen dat treinritje, of zullen juist Groningers geen bezwaar meer hebben tegen een baan in de regio Amsterdam? Eerlijk gezegd: ik vermoed dat die Lelylijn vooral de regio Amsterdam zal versterken. (Wellicht heeft de Amsterdammer Lodewijk Asscher om die reden het plan van zijn Groningse fractiegenoot Henk Nijboer met liefde omarmd.)

Klein voorbeeld: de tunnel onder de Westerschelde heeft mede geleid tot de bevolkingskrimp in Zeeuws-Vlaanderen. Waarom zal je een filiaal van je bedrijf in Terneuzen openen, als mensen even snel via de tunnel in Goes of Middelburg zijn?

Ten tweede mogen infrastructuur (en daarmee bereikbaarheid) goed zijn voor de economie, dat betekent nog niet dat elke nieuwe trein of elke nieuwe weg nog de meerwaarde heeft die de (enorme) kosten rechtvaardigt. Uiteindelijk kunnen de maatschappelijke kosten van nieuwe infrastructuur gewoon hoger zijn dan de maatschappelijke baten. 

Het is in dat opzicht opvallend dat van de 7 mkba’s (maatschappelijke-kosten-baten-analyse’s) van de Zuiderzeelijn uit de jaren 0 er 6 negatief waren. Dat komt mede omdat Groningen wel een groot achterland heeft, maar dat dat achterland nogal leeg is. Tussen Groningen en Bremen vind je niet veel mensen. Ik ken geen mkba’s van recentere datum, om de simpele reden dat de plannen in 2007 definitief de kast in leken te gaan. 

Als directeur van het Ruimtelijk Planbureau was ik er niet voor, en ik ben er nog steeds niet voor. Indertijd leverde me dat een telefoontje op van de commissaris van de koningin in Groningen, Hans Alders. Hij vroeg mij: “Hoe sta jij erin, Wim?” Zo begint een goede lobby. Ik vertelde over die 7 mkba’s, waarvan er maar één positief was (bovendien was dat ook nog net die ene die ze in Groningen zelf hadden opgesteld). Hans bleef even stil en begreep dat hier weinig te halen was. Hij sloot af met de legendarische woorden: “Ik begrijp je standpunt, maar ik heb besloten om ervoor te zijn”. Wist hij zelf ook wel beter? 

Deel dit bericht:

Van Dissel, waar is je analyse #corona

augustus 13, 2020 by  
Filed under artikel

Ik ben het een beetje kwijt. Jij ook? Op 16 maart sprak Mark Rutte ons heel overtuigend toe. Hij gebruikte het woord ‘groepsimmuniteit’, wat hij later blijkbaar niet had mogen gebruiken. Maar het overtuigde mij wel. De keuze was duidelijk: of we wachten op een vaccin of we bouwen gecontroleerd groepsimmuniteit op. De gedachte is simpel: als ongeveer 60% van de mensen antistoffen heeft opgebouwd tegen COVID-19 dooft het virus vanzelf uit. Waarom? Omdat je nog maar weinig mensen kan besmetten als je veel mensen tegenkomt die al antistoffen hebben opgebouwd. 

Dat woord gecontroleerd was cruciaal: de zorg moest niet overbelast raken, zodat iedereen die zorg nodig had, dat ook kon krijgen. Zo zouden we ervoor zorgen dat we allemaal besmet raakten, maar dat niemand zou overlijden. Ik geef toe: ondanks het feit dat er nog genoeg IC-bedden waren, gingen er nog wel erg veel mensen nood. En ook in de verpleeghuizen kregen niet alle mensen de zorg die ze nodig hadden. Maar gecontroleerd was het wel. Het werd nooit onbeheersbaar.  

En hoe leven we nu? Eigenlijk heb ik geen idee. Het aantal besmettingen loopt fors op, maar het aantal doden blijft nihil. Je zou zeggen: zo had Mark het bedoeld. Gecontroleerd groepsimmuniteit opbouwen. Want al die jongeren die nu besmet raken, bijvoorbeeld omdat ze zoenen met een scharrel, moeten hoesten, krijgen koorts, moeten overgeven, geven het virus door aan andere scharrels en genezen weer. Zie het verhaal van die redacteur in de Volkskrant. En belangrijker: ze maken antistoffen aan en zetten een kleine stap in de richting van de groepsimmuniteit. Je zou zeggen: nog even doorzetten. 

En toen kwam Jaap van Dissel, die man nog nooit teleurstelde, om de Kamer ‘bij te praten’. Hij was de man die Mark Rutte dat verhaal over groepsimmuniteit had ingefluisterd. Maar juist deze man was nu zeer bezorgd over het grote aantal besmettingen (dat ons elke dag dichterbij die groepsimmuniteit bracht). Volgens hem moest het aantal besmettingen zo snel mogelijk weer naar beneden. 

Maar ik wil helemaal niet van Van Dissel horen wat ik moet doen. Ik wil nooit van wetenschappers horen wat ik moet doen. Van wetenschappers wil ik cijfers horen en dit keer vooral: een analyse. Hoe staan we ervoor? Welke kant gaan we op? Waar zijn we mee bezig? Waar is het idee van de groepsimmuniteit gebleven? Hoe erg is het, dat 700 mensen per dag positief worden getest? Ja, ik wil geen cijfers, ik wil weten waar we staan. 

Ik kon het dit voorjaar nog billijken dat we de economie en de cultuur een enorme klap hebben gegeven uit angst voor de dood. Maar dat gaan we op basis van deze cijfers toch niet weer doen? Zeker als er alleen maar mensen in teststraten positief blijken te zijn? Bovendien het soort mensen dat in maart en april nooit is getest. Terwijl intussen bijna niemand aan het virus overlijdt. 

Misschien mag ik Jaap van Dissel een beetje helpen. Als hij de volgende keer weer geen analyse wil geven, kan hij misschien vertellen hoeveel mensen de afgelopen week griep hebben gekregen, een oorontsteking en een longontsteking zonder dat er van COVID-19 sprake was. Misschien kan hij vertellen hoeveel mensen aan hartfalen zijn overleden en aan kanker. Misschien kan hij ook vertellen hoeveel mensen in het verkeer zijn omgekomen en hoeveel mensen met dodelijke afloop van een keukentrapje zijn gevallen. 

Ik ben best bereid om me weer op te sluiten in Zoom en elke dag twee loopjes te maken met mijn hond. Ik ben zelfs bereid om weer maanden geen muziek te maken met al mijn muziekvrienden. Maar dan wil ik echt wel weten waartoe dat dient. 

Deel dit bericht:

Riskante strategie van Rutte #corona

augustus 7, 2020 by  
Filed under artikel

Mark Rutte deed het uitstekend dit voorjaar. Maar zijn opdracht is nu moeilijker. In maart was de samenleving overdonderd door het grote aantal mensen dat aan COVID-19 overleed, door de enorme druk op de IC’s, door dat nieuwe virus waarvan we eigenlijk nog niks wisten. We hingen aan de lippen van Jaap van Dissel en we waren bereid om alle maatregelen van het kabinet te accepteren. Mark Rutte hoefde niet zoveel, hij moest vooral streng en vaderlijk zijn. En dat deed hij uitstekend. Samen kregen we corona eronder. 

Hoe anders is de situatie nu. Ja, er is nog steeds geen vaccin en we begrijpen het virus nog steeds niet helemaal. Maar we hebben corona ook fors kunnen terugdringen. De IC’s zijn weer leeggestroomd (vandaag 38 COVID-19-patiënten op de IC in maart ongeveer 1700). En het aantal mensen dat aan COVID-19 overlijdt is inmiddels verwaarloosbaar (als je beseft dat van de 2800 mensen die vorige week overleden, er 6 het slachtoffer waren van COVID-19). 

We weten ook dat het aantal besmettingen sinds een paar weken weer oploopt. Gisteren zelfs meer dan 600 nieuwe besmettingen. Wel een heel andere populatie dan in maart en april. Het zijn nu vooral mensen onder de 40 die positief testen, terwijl dat eerder ging om veel oudere mensen. Dat heeft twee oorzaken. Ten eerste wordt nu veel meer getest dan enkele maanden geleden en ten tweede werden toen mensen vooral getest bij opname in het ziekenhuis. En besmette jongeren komen veel minder vaak in een ziekenhuis terecht dan ouderen. Dus dat de gemiddelde leeftijd van besmetting veel lager ligt, hoeft niet te zeggen dat de ziekte zich nu anders verspreidt.

Dan blijven twee cruciale vragen over: waar komt die toename vandaan en hoe erg is het.

De toename zal voor een deel het gevolg zijn van het minder naleven van de bekende regels. We zijn een beetje corona-moe, we hebben weer zin in andere dingen. We kloppen onszelf op de schouder voor al die maanden onthouding en we gaan weer naar de kroeg en het strand. We worden ook kritischer (logisch als de eerste angst voorbij is). In maart en april werd ons heel duidelijk verteld wat er aan de hand was, terwijl wetenschappers nog maar heel weinig wisten. En terwijl wetenschappers nu veel meer weten, beginnen steeds meer mensen te beseffen dat dat nog maar steeds heel weinig is. De toename van het aantal besmettingen is ook voor een deel een selffulfilling prophecy: als het aantal positieve testen oploopt ontstaat onrust waardoor nog meer mensen zich gaan laten testen. Dan vind je bijna vanzelfsprekend ook meer mensen die besmet zijn (ervan uitgaande dat nog lang niet iedereen die werkelijk besmet is, zich ook laat testen). 

Het laat zich heel moeilijk inschatten hoe erg het probleem nu eigenlijk is. Je moet altijd voorbereid zijn op een tweede golf. Maar tegelijkertijd zijn er op dit moment nauwelijks slachtoffers, is er nauwelijks vraag naar IC’s, en zijn er bijna geen ziekenhuisopnames. Dat alles kan nooit een reden zijn om tot een lockdown over te gaan. Je kan je de vraag stellen of kosten en baten van de lockdown van maart in verhouding waren. In ieder geval weten we dat de kosten van een nieuwe lockdown op basis van de huidige cijfers in geen enkele verhouding zouden staan tot de baten. 

Toch staat het kabinet onder sterke druk, niet in het minst van de media. Alle cijfers worden elke dag weer uitgeplozen. “Het gaat de verkeerde kant op!” Want het virus mag inmiddels zijn terugdrongen, de angst voor het virus hebben nog veel mensen onder de leden. De verhouding corona-moe versus corona-angst zal voor iedereen verschillend liggen, maar voor Rutte c.s. heeft de samenleving wel degelijk twee polen: de mensen die genoeg hebben van al die regels en de mensen die al snel angstig zijn voor een tweede golf. En die tweede groep dwingt het kabinet om strenger op te treden. Terwijl die eerste waarschijnlijk nog steeds blijft tegenwerken. 

Daarmee is de strategie van het kabinet riskant. De kans is groot dat het aantal positieve testen blijft stijgen, zonder dat wij precies weten wat dat betekent. De kans is ook niet denkbeeldig dat het aantal slachtoffers gering blijft en er niet meteen een oploop komt voor de IC’s. En wat gaat het kabinet dan doen? We gaan de economie toch niet stilleggen terwijl we last hebben van een virus waaraan maar weinig mensen overlijden? 

Eerlijk gezegd, ik geloof wel dat de 3,5 miljoen Nederlanders die gisteravond naar Rutte hebben gekeken, zich aan de regels houden. Maar ik geloof niet alle andere anderen zich weer aan de regels gaan houden. 

Eerlijk gezegd zou het me niet verbazen als het aantal positieve testen verder oploopt, terwijl het aantal slachtoffers bescheiden blijft.

Wat zegt Rutte dan over twee weken als hij moet vaststellen dat het aantal positieve testen boven de 1000 per dag is gestegen? Dat er geen reden is voor strengere maatregelen, omdat daarmee de economie te veel zou worden geschaad? Dan zal niemand hem meer geloven als die tweede golf werkelijk een keer komt.

Deel dit bericht:

De metropool van het tussenland

juli 29, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Theo Baart maakt prachtige foto’s. Hij is bekend van zijn foto’s van steden en van landschappen. Ik zou bijna zeggen: wie kent hem niet in de wereld van de ruimtelijke ordening? Onlangs heeft hij aan zijn rijke en omvangrijke oeuvre weer een prachtig boek toegevoegd: Groot Amsterdam, metropool in ontwikkeling. Een boek dat je alleen al vanwege de foto’s wilt hebben. Oer-Hollands. Ruysdael-wolken, polders, ijspret, veel water en groen, en vanwege het onderwerp begrijpelijk, veel tussenland. Het moment is altijd goed gekozen. 

Toch is er reden om meer over dit boek te zeggen, want Theo Baart wil er zelf meer mee zeggen. Zoals hij in zijn inleiding schrijft: “Ik ben een bewoner van een metropoolregio. Mijn hele leven al, alleen was ik me daarvan tot voor kort nauwelijks bewust.” En in zijn uitleiding schrijft hij: “Ik ben geïnteresseerd in beeld als argument, onderzoek, verkenning of bewering. Een laag die iets toevoegt aan wat tekst en kaarten kan vertellen. […] Het bestaan van de metropoolregio valt niet te bewijzen met één beeld. Alle foto’s bij elkaar doen dat hopelijk wel.” Zowel in de eerste als in de laatste zin lees je enige twijfel. Hij woont in een metropoolregio, maar was zich dit blijkbaar niet bewust. Dat is bijzonder voor een man die al decennia in de wereld van de ruimtelijke ordening en de planologie rondloopt. In de laatste zin schrijft dat alle foto’s bij elkaar hopelijk bewijzen dat die metropoolregio bestaat. Erg zeker is hij niet van zijn zaak. 

Dat is niet zo verwonderlijk. Als je opzoekt wat een ‘metropool’ is, dan staat er vaak meteen: ‘wereldstad’. En Amsterdam is een wereldstad voor ons, zeker als we die term meer figuurlijk dan letterlijk nemen. Maar elders denkt men daar wellicht anders over. Het is dan ook grappig dat we in bestuurlijk Nederland liever over een metropoolregio spreken, terwijl het bij een metropool toch ook niet alleen gaat om een “zeer grote stad met voorsteden”, maar ook om de periferie die op die kernstad is betrokken (aldus Wikipedia). Alsof we toch stiekem het gevoel hebben dat Groot-Amsterdam meer een regio is dan een metropool. 

Baart vult zijn foto’s ook aan met tekst. Als een ervaren journalist trekt hij in het gebied rond en doet daarvan verslag. Wellicht komt het door de selectie van onderwerpen, of de selectie van de locaties waarvan verslag wordt gedaan, maar in dit deel van het boek komt de metropoolregio Groot-Amsterdam toch vooral erg kneuterig naar voren. Maar misschien geldt dat ook wel voor veel van die foto’s. Nederland is op veel plaatsen een kneuterig land en Groot-Amsterdam is daar duidelijk de hoofdstad van. 

Het spijt me voor Theo, maar eigenlijk vind ik niet zo interessant welke conclusies hij zelf uit zijn foto’s trekt en of Groot-Amsterdam nu een metropool is of een metropoolregio of een groot dorp (sociologisch zijn er goede argumenten om Amsterdam zelf als een groot dorp te bestempelen). Het is veel interessanter om al die prachtige foto’s op je zelf te laten inwerken en om daar je eigen observaties bij te maken. Ik raad dat iedereen aan, vraag jezelf af: wat zie ik hier?

Ten eerste zie ik heel veel natuur, veel water, veel bomen (en weinig dieren, maar daar heb je misschien een andere fotograaf voor nodig). Theo Baart heeft zijn foto’s gepresenteerd langs zeven routes, vanaf de rand van de metropoolregio naar de kernstad. En heel vaak begint hij ergens midden in de natuur (of midden in een polder). En anders komt hij onderweg veel natuur tegen. We weten allemaal dat Amsterdam juist daardoor zo’n aantrekkelijke stad is. De ‘vingerstructuur’ zorgt ervoor dat je naar alle richtingen vrij snel in de natuur bent. De duinen, de plassen, de Marker Wadden. In ieder geval ligt de natuur voor een wereldstad wel heel dichtbij. 

Ten tweede zie ik in al die foto’s nauwelijks een kernstad, daarvoor is Amsterdam eigenlijk ook gewoon te klein, als we haar even vergelijken met Parijs en London, om twee voorbeelden in de nabijheid te noemen. De metropoolregio Amsterdam is vooral ontstaan door verklontering (ik besef dat dit woord niet snel de folders van de VVV en van de MRA zal halen). Een verklontering van steden, dorpen en new towns. Natuurlijk ligt het oude Amsterdam daar middenin. Maar we zien ook Zaanstad en Weesp, we zien Abcoude, Buitenkaag, Aalsmeer en Uithoorn. En wie zien Lelystad, Almere, Hoofddorp en Purmerend. En in dat geheel is Amsterdam wel het centrum, maar niet de kernstad waarop al die inwoners van al die steden en dorpen betrokken zijn. Al die daily urban systems zijn vooral veel kris-kras-relaties. 

Ten derde zie ik heel veel ‘tussenland’. Ik denk daarbij meteen aan de mooie studie van het Ruimtelijk Planbureau, die al lang geleden onder leiding van Han Lörzing verscheen. En ik zeg er meteen bij dat dat tussenland op meer manieren kan worden beschreven en gewaardeerd. Het gaat in ieder geval om al die gebieden die tussen het open land (natuur, polders) en de steden geleidelijk zijn ontstaan. De één ziet vooral het verrommelde karakter van dit soort gebieden,  de ander ziet hier vooral broedplaatsen ontstaan voor allerlei activiteit (overigens ook crimineel). Je zou de foto’s van Theo Baart moeten turven in vier categorieën: natuur, dorpen/stadjes, tussenland en hoog-stedelijk. Het zou me niet verbazen als de categorie tussenland de meeste foto’s telt en hoog-stedelijk de minste. Zegt dat iets over de fascinatie van Baart of zegt dat iets over onze metropoolregio Amsterdam? 

Mijn laatste observatie hangt sterk met de voorgaande samen. Ik zie weinig, heel weinig ruimtelijke ordening op al die foto’s. Ik weet dat door planologen de betekenis van de ruimtelijke ordening (in Nederland) wel eens wordt overschat, maar zo organisch als dit boek suggereert, is Nederland toch echt niet gegroeid. Of is die organische schijn juist het succes van de Nederlandse ruimtelijke ordening?

[op verzoek geschreven van gebiedsontwikkeling.nl (en daar ook gepubliceerd)]

Deel dit bericht:

De jaren 60 zijn meer dan folklore

juli 25, 2020 by  
Filed under artikel

De jaren 60, je moest ze hebben meegemaakt. Zo werd altijd luid verkondigd – vooral door degenen die de jaren zelf hadden meegemaakt. De bezetting van het Maagdenhuis, het popfestival in Kralingen als Nederlandse pendanten van Parijs en Woodstock. Het huwelijk van Beatrix in Claus versluierd achter de rookbommen, het oproer bij de Telegraaf. Het bloot van Phil Bloom in Hoepla.  Aktie Tomaat en Aktie Notenkraker. Het valt niet te ontkennen: het waren enerverende jaren. 

Maar hoe groot was het historisch belang van die jaren 60? Die vraag stelt Piet van Rooy zich in zijn nieuwe boek Alles! En wel nu!, dat recent is verschenen. Piet de Rooy is een gerenomeerd historicus. Jarenlang hoogleraar in Amsterdam. En hij deed mee in de jaren 60. En dat laatste lijkt zijn blik te hebben vertroebeld. Hoe verhelderend zijn boek ook is. 

Over de jaren 60 in Nederland is erg veel geschreven, al zijn er vooral twee bijbels. Beide bijbels bevallen De Rooy niet. En hij heeft goede argumenten. De eerste bijbel is geschreven door Hans Rigthart. Rigthart verklaart de jaren 60 als een conflict tussen twee generaties die min of meer gelijktijdig in een crisis geraakten. De vooroorlogse generatie versus de protestgeneratie, de babyboomers. De Rooy laat treffend zien dat die analyse wel interessant is maar niet overtuigend. Veel spraakmakers van de jaren 60 bleken namelijk al veel ouder te zijn dan die zogenaamde protestgeneratie. Dat hele denken in generaties is charmant maar ook erg wankel. Waar leg je de censuur tussen generaties en waarom zouden generaties een interne samenhang vertonen? Leuk idee van Rigthart, maar wetenschappelijk niet houdbaar.

James Kennedy schreef die andere bijbel over de jaren 60. Kennedy betoogde dat de elite zelf de veranderingen had geïnitieerd of op zijn minst pijlsnel met begrip tegemoet had getreden. Hij verklaarde dat uit de “eeuwenoude” Nederlandse traditie van zoeken naar consensus. De Rooy gelooft ten eerste niet zo in die initiërende elite, en ziet hoogstens een accommoderende elite. Bovendien zegt de reactie van de elite nog niet waar de onrust vandaan komt. Dus een leuke these van Kennedy, maar geen verklaring. 

Dan wordt het tijd voor De Rooy zelf om de jaren 60 tegen het licht te houden. In zijn voorwoord zet hij meteen te toon. Slechts twee kleine groepen waren verantwoordelijk voor al het rumoer in de jaren 60: de zogenaamde rebellen, de zelfbenoemde woordvoerders van een nieuwe jeugdcultuur en de journalisten die hun nieuwe kritische houding konden etaleren door vrijwel elke uiting van de rebellen serieus te nemen, waardoor de rebellen weer in hun zelfoverschatting werden gestijfd. Zij creëerden het beeld van de jaren 60, een beeld dat jaren door henzelf in stand kon worden gehouden. Want rebellen en journalisten bleken later zeer succesvol in het verwerven en behouden van goede maatschappelijke posities. 

Dat noemt men ‘debunken’ volgens goed politicologisch gebruik. En De Rooy heeft natuurlijk gelijk: die rebellen waren geen revolutionairen die de samenleving een andere richting wezen. Niet zelden waren het warhoofden die er vooral genoegen in schepten om het gezag te tarten. Niet voor niks doofde Provo na een paar jaar weer geheel uit. Maar ook in de politiek was de inhoudelijke vernieuwing dun. D66 kwam eigenlijk niet verder dan een gekozen burgemeester en een districtenstelsel. En Tien over Rood van Nieuw Links was een vooral een leuk pamflet om de machtsstrijd binnen de PvdA mee aan te gaan. Natuurlijk waren er uitzondering, ik denk aan Joke Kool-Smit. Maar over het algemeen moest je voor de inhoudelijke vernieuwing niet bij de ‘rebellen’ zijn. Om nog twee kleine voorbeelden te geven: het toejuichen van Fidel Castro en van het DDR-regime waren gewoon dwaalwegen van warhoofden. Bovendien was er vaak moeilijk lijn te brengen in al die maatschappelijke erupties. Want ook in Staphorst gingen ze de straat op, in dat geval om vreemdgangers aan de schandpaal te nagelen. Eigenlijk waren de jaren 60 in de woorden van Piet de Rooy vooral een ‘geweldig feest’. 

Het is goed dat het allemaal eens werd gezegd. Maar daarna lijkt Piet de Rooy het relativeren niet meer te kunnen laten. In drie hoofdstukken probeert hij te analyseren wat er wél is veranderd in de jaren 60. Hij laat helder zien hoe de maatschappelijk betekenis  van de kerken heel snel is verschrompeld. Hij laat zien dat seks en bloot een normaal onderdeel werden van de samenleving en hij betoogt dat we allemaal een beetje bohémien zijn geworden waardoor onze verhouding met het gezag (van overheid, van wetenschap, van notabelen) fundamenteel is veranderd. Maar tegelijkertijd relativeert hij die veranderingen weer. We mogen de kerk hebben verlaten, maar de behoefte aan religie hebben we niet verloren. Onze seksuele gewoonten zijn intussen al weer veranderd en zijn door de eeuwen heen altijd aan verandering onderhevig geweest. En uiteindelijk zijn we natuurlijk allemaal gewone burgers gebleven. 

Als je De Rooy leest, lijkt er dus niet zoveel veranderd te zijn. Maar dat is natuurlijk niet waar. Er is sinds de jaren 60 heel veel veranderd, maar meestal niet in de richting die de ‘warhoofden’ van de jaren 60 in gedachten hadden. Terwijl samenleving, economie en politiek na de oorlog al weer snel de vooroorlogse groef te pakken hadden, werd Nederland pas in de jaren 60 van die groef bevrijd. Om de simpele reden dat er weer welvaart was en er een nieuwe generatie was opgegroeid die de oorlog niet bewust had meegemaakt. En het hielp dat het aantal studenten in de jaren 60 enorm toenam. Daarmee kon de Nederlandse samenleving eindelijk van de verzuiling worden bevrijd. Die verzuiling was immers vooral een instrument voor de elite om controle te houden. En die bevrijding had grote gevolgen. De omvang van de zuilen (katholiek, gereformeerd, hervormd, algemeen liberaal en socialistisch) bepaalde steeds minder de uitslag van de verkiezingen. De burgers werden werkelijk vrij om hun eigen voorkeur te volgen. Juist daarom is er momenteel nog maar weinig over van oude de confessionele partijen (later gefuseerd in het CDA) en de PvdA, de partijen die het lange tijd voor het zeggen hebben gehad. De Volkskrant is geen katholieke krant meer en het Vrije Volk, waarin jarenlang socialisten werden gemaand hoe ze moesten denken en leven, is zelfs geheel ter ziele. In de omroep herinneren alleen vreemde namen nog aan een verzuild verleden. De vakbeweging ging fuseren en zoekt nog steeds naar een nieuwe identiteit. Ook de kiem voor de neo-liberale tijdgeest die in de jaren 80 echt vorm begon te krijgen, is in de jaren 60 gelegd. Mensen wilden eigen keuzes maken en kregen daarvoor steeds meer mogelijkheden. In dat opzicht heeft Lubbers de jaren 60 beter aangevoeld dan Den Uyl, hoe vreemd dat ook mag klinken. 

Er zijn ook twee belangrijke technologische innovaties geweest die het maatschappelijk landschap na de jaren 60 fundamenteel hebben veranderd: de auto en de televisie. Juist de welvaart van de jaren 60 bood velen de mogelijkheid om een auto te kopen. En om niet veel later het vliegtuig te nemen. Niet alleen trokken daardoor veel mensen weg uit de steden (suburbanisatie), maar werden afstanden veel kleiner. In Nederland en in de hele wereld. Dat onze economie op dit moment met nagenoeg de hele wereld is verknoopt hebben we te danken aan de mobiliteitssprong die in de jaren 60 een aanvang nam. 

De televisie heeft al evenzeer bijgedragen aan verkleining van (mentale) afstanden. De eigen straat werd aanvankelijk vervangen door Mies Bouwman en Willem Duys. Later werd de televisie aangevuld met een scala een digitale communicatie. Daarmee ontstond bovendien een beeldcultuur die voor die tijd werkelijk nieuw was. 

Natuurlijk zijn de globalisering en de nieuwe beeldcultuur niet alleen aan de jaren 60 te danken, hoezeer het startpunt daar ook heeft gelegen. Ik heb er dan ook geen bezwaar tegen om vooral die bevrijding van de verzuiling, die ook vaak wordt geduid met het woord ‘individualisering’, als het grootste succes van de jaren 60 te zien. Burgers zijn veel vrijer geworden om hun eigen keuzes te maken. En om daarover te mopperen als hen de keuze niet bevalt. Die bevrijding heeft inderdaad niet veel te maken met die paar ludieke acties in de jaren 60. Roel van Duijn heeft mij niet bevrijd. Hij zag vooral kans om de aandacht op zichzelf te vestigen in een tijd waarin er steeds meer mocht. De beweging van de jaren 60 is niet de oorzaak van de maatschappelijke veranderingen die hun oorsprong hebben in de jaren 60, maar slechts een gevolg. Ach, laat ik grootmoedig zeggen: een symptoom. 

Piet de Rooy heeft daarom helemaal gelijk als hij concludeert dat de beweging van de jaren 60 nauwelijks maatschappelijke betekenis heeft gehad. Maar hij is zo aandachtig bezig om de beweging van de jaren 60 te demonteren, dat hij de grote maatschappelijke omwenteling die wel in de jaren 60 heeft plaatsgehad te veel relativeert of zelfs over het hoofd lijkt te zien. Nee, in de jaren 60 is de samenleving werkelijk fundamenteel veranderd, alleen hadden we dat ook wel gedaan zonder Maagdenhuis en Kralingen, zonder Hitweek en Hoepla en zonder Nieuw Links en D66. Over die jaren 60 is nu inderdaad wel genoeg geschreven. 

Deel dit bericht:

Corona en de tweede angst-golf

juli 24, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

De angst voor corona is nog niet weg. Nee, de angst voor een tweede golf lijkt zelfs weer op te laaien. Zitten die terrassen niet veel te vol? Kunnen we nog wel op vakantie? En vooral de geruchten nemen weer toe. Dat is niet verwonderlijk, want we weten nog steeds heel weinig van corona. We weten niet hoeveel mensen als besmet zijn geweest, we weten niet hoeveel mensen nog bevattelijk zijn en we weten zelfs niet meer wanneer groepsimmuniteit wordt bereikt. En we hebben nog geen vaccin, onder andere omdat we zo weinig van het virus weten. 

Maar een paar dingen weten we wel en die lijken weinig aandacht te krijgen. In de afgelopen week werden 987 Nederlanders positief getest. Dat is bijna tweemaal zo veel als de week ervoor. Maar we weten ook dat het aantal mensen dat zich wil laten testen veel sneller toeneemt. Er is dus vooral een toenemende angst voor corona.

We weten ook dat de mensen die positief testen in de laatste maanden (cijfers vanaf 4 mei) veel jonger zijn dan ervoor. Voor 4 mei lag de mediaan (het grootste cohort) tussen 55 en 59 jaar, na 4 mei tussen 25 en 29 jaar. Terwijl overduidelijk is dat je meer risico bij COVID-19 loopt naarmate je ouder bent. Onder degenen die aan corona zijn overleden ligt de mediaan tussen 85 en 90 jaar! 

Dat stemt overeen met enkele andere cijfers. Zo zijn vorige week 19 mensen met  een COVID-19-besmetting opgenomen in een ziekenhuis, en zijn er 7 aan COVID-19 overleden. Laten we ons even realiseren dat er wekelijks in Nederland een kleine 3000 mensen komen te overlijden. Waarvan vorige week dus 7 aan COVID-19. 

Natuurlijk, alles kan het begin zijn van een tweede golf. Maar wat we nu meemaken is nog zeker geen golf. En als die golf er al aan komt ligt dat in ieder geval niet aan de “overvolle terrassen”. Want voorzover bekend zijn de besmettingen in 57% van de gevallen thuis opgelopen en in 20% gevallen door contact met een ander familielid. Het werk levert 11% van de besmettingen op en de horeca 4%. 

Ja, cijfers kunnen saai zijn, maar wat zou het goed zijn als journalisten dit soort cijfers eerst lezen voordat ze schrijven dat er sprake is van “een oplaaiend aantal besmettingen” (Volkskrant, hedenochtend).

Als we die cijfers wel lezen, kunnen we twee dingen vaststellen. 

Ten eerste: we hebben de wetenschap aanvankelijk misschien te veel gevolgd en nu dreigt het omgekeerde te gebeuren. Hoewel Rutte terecht heeft opgemerkt dat hij 100%-besluiten moest nemen op basis van 50%-kennis is de politiek lange tijd redelijk  erg slaafs achter het OMT aangelopen (hoeveel waardering ik ook heb voor de zuivere manier waarop RIVM, OMT en Van Dissel hun rol vervulden). Ik vrees dat de politiek zich veel meer door angst heeft laten leiden dan door een grondige afweging van voor- en nadelen van een lockdown, hoe intelligent die ook geweest mag zijn. 

Ten tweede: we hebben ons bij de lockdown misschien onterecht veilig gevoeld, terwijl we ons misschien nu onterecht onveilig voelen. Er was angst in de samenleving en dan voelt het prettig als je op straat, in de winkel en in het park goed afstand houdt. En die angst is niet zo maar weg. Ook als die tweede golf er niet komt, zullen we weer moeten wennen aan nabijheid, aan de aerosolen van de ander. Dus misschien is de corona wel weg, maar de angst nog niet. 

Het vervelende is dat die angst niet alleen de samenleving, maar ook de politiek in zijn greep houdt. En dat maakt het er allemaal niet beter op. Als burgemeesters mondkapjes verplicht willen stellen in de openbare ruimte en ministers dat onzin vinden. Misschien moeten zowel de politiek als de samenleving alert blijven, maar moeten ze hun angstgevoelens meer op cijfers dan op hun onderbuik baseren.  

Deel dit bericht:

Ruimtelijke ordening: disbalans tussen overheid en markt

juli 20, 2020 by  
Filed under artikel, De Stad, Geen categorie

1 Inleiding

Ruimte is (net als geld) eindig, zeker in een klein en dichtbevolkt land als Nederland. Zo zijn er altijd meer ruimtelijke wensen dan er vervuld kunnen worden. Deze wensen (belangen) moeten tegen elkaar worden afgewogen. In de moderne staat bestaan daarvoor twee verdeelmechanismen: hiërarchie (overheid) en markt.

In de tijd van de verzorgingsstaat werd voor de verdeling van de ruimte primair gedacht aan de overheid, die redenerend vanuit publieke belangen de verschillende ruimteclaims moest afwegen. Vanwege het grondrecht op wonen wordt werd de voorkeur gegeven aan nieuwe woningen boven de landbouw.  Vanwege het belang van volledige werkgelegenheid kregen industrieterreinen soms voorrang boven de natuur. Etc. Dit systeem werkt alleen als duidelijk is wie (democratisch gelegitimeerd) de keuzes mag maken en als iedereen aan de genomen besluiten gehouden is. 

Let wel, ook zonder overheid wordt de strijd tussen ruimteclaims beslecht, zij het op een andere wijze. Omdat de eigenaar in die situatie geheel vrij is in het gebruik van zijn grond, wordt de grondmarkt bepalend voor het afwegen van ruimteclaims. Vraag, aanbod en het prijsmechanisme bepalen de uiteindelijke ruimtelijk functie. Grondprijzen worden bepaald door het rendement dat de grond de eigenaar oplevert.  Als het bouwen van huizen meer rendement oplevert dan het telen van aardappelen, zal de bouwer meer betalen dan de boer en zal grond een woonfunctie krijgen. Maar waar weinig behoefte bestaat om te wonen, zal de boer meer willen betalen dan de bouwer en zal de grond een agrarische functie hebben of behouden. Dus de ruimtelijke functie met het hoogste rendement wint. 

Deze beschrijving is niet alleen schetsmatig, maar ook ideaaltypisch: in de praktijk zien we vooral mengvormen. De overheid plant bijvoorbeeld vooral woningen daar waar ze goed verkoopbaar zijn. Ook als publieke belangen een andere plek zouden suggereren. En projectontwikkelaars nemen grondposities in waar de overheid nieuwbouwwijken plant. 

Niettemin zijn er geen andere verdeelmechanismen (als we ervan uitgaan dat in de moderne tijd het geweldsmiddel niet meer geëigend is om grond toe te eigenen). Deze opmerking is niet geheel overbodig aangezien je ook wel hoort dat de overheid in samenwerking met burgers en andere maatschappelijke partijen de ruimte moet ordenen. Maar de uiteindelijke bestemming kan alleen door de overheid of door de eigenaar wordt bepaald, en niet door klimaattafels, buurtcomité’s of welke maatschappelijke partij dan ook.

2 De verschuivende rol van de overheid in de ruimtelijke ordening

Bij de wederopbouw na WO II koos Nederland nadrukkelijk voor een centrale rol van de overheid bij de inrichting van de ruimte. In de bestemmingsplannen (conform de Wet op de Ruimtelijke Ordening uit 1965) werden de keuzen van de lokale overheid voor de burgers bindend vastgelegd. En gemeenten waren gebonden aan hogere plannen. Daardoor hadden de nationale Nota’s over de Ruimtelijke Ordening (nationale visies op de gewenste ruimtelijke ordening) grote betekenis voor de inrichting van het land. In de jaren 70 werd  de suburbanisatie gebundeld door groeikernen te ontwikkelen, in de jaren 90 werden stedelijke uitbreidingen (Vinex) in de directe nabijheid van stedelijke centra gerealiseerd. Er werden dus belangen afgewogen (op grond van een integrale visie op de ruimtelijke inrichting van Nederland) en er was doorzettingsmacht. 

Ik zie in de recente geschiedenis drie momenten waarop het model van de nationale ruimtelijke ordening geleidelijk is verwaterd en uiteindelijk bijna geheel is verdwenen. Oorspronkelijk noemden we ruimtelijk beleid met reden ‘facet-beleid’. Facetbeleid oversteeg sectoraal beleid. De sectoren vertegenwoordigden de verschillende maatschappelijk belangen: landbouw, wonen, industrie, natuur, erfgoed, vervoer, etc.). Onderling vochten zij om ‘geld’ en ‘ruimte’. De minister van Financiën beslechtte het conflict over geld en de minister van Ruimtelijke ordening het conflict over de ruimte. De eerst vanuit een bepaalde visie op de overheidsfinanciën en op de economische ontwikkeling van het land, de tweede vanuit een bredere ruimtelijke visie, waarin het belang van economische groei en het belang van sociale rechtvaardigheid altijd een dominante rol speelden. Gaandeweg is dat idee van een overkoepelende ruimtelijke visie verlaten. De sectoren begonnen onderling de ruimte te verdelen, waarbij het recht van de sterkste opgeld deed. En de Ruimtelijke Ordening werd steeds meer een eigen sector die zich bekommerde om ‘ruimtelijke kwaliteit’. De uitkomst van de machtsstrijd tussen de sectoren moest er wel een beetje leuk uit zien. Het was de tijd waarin minister Cramer zich zorgen maakte over ‘Mooi Nederland’ en over ‘snelweg-panorama’s. 

Met name minister Dekker is verantwoordelijk geweest voor de volgende ondermijning van de nationale ruimtelijke ordening. De Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening werd vervangen door de Nota Ruimte. Een heel dik boekwerk, maar eigenlijk was het in twee zinnen samen te vatten. “Centraal wat centraal moet, lokaal wat lokaal kan”. En: “Centraal hoeft er eigenlijk niks.” Want ondanks die mooi eerste zin, werd de nationale ruimtelijke ordening nooit verder ingevuld. Volgende regeerakkoorden vermeldden dan ook doodleuk dat er geen ‘nationale ruimtelijke ordening’ meer was. Het argument was simpel: de ruimte kan veel beter door de gemeenten worden ingericht. Het is immers hun ‘leefomgeving’. Maar in feite ging het om een veel politieker statement: bij de ruimtelijke ontwikkeling moest vooral de markt zijn werk doen. Dat paste veel beter bij de neoliberale tijdgeest, paste veel beter bij een VVD-minister en paste veel beter bij de afkeer bij velen van het maakbaarheidsdenken van ‘links’ waarvan de ruimtelijke ordening lange tijd het icoon is geweest. 

Daarmee lag de bal bij de lagere overheden. Maar daar is hij niet blijven liggen. In het laatste decennium is het denken in termen van decentralisatie namelijk nog verder doorgeschoten. Zoals de samenvatting van de Nationale Omgevingsvisie vermeldt: “Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers.” Ook binnen gemeenten kan je dit soort geluiden vaak opvangen. Het lijkt alsof het bij het verdelen van de ruimte niet meer om gaat het beslechten van belangenconflicten te aanzien van de ruimte maar om ‘samenwerking’. Maar, zoals gezegd, ‘samenwerking’ is geen verdeelmechanisme. Of het bestemmingsplan bepaalt de ruimtelijke functie, of de eigenaar. 

3 De praktijk van de ruimtelijke ordening

Natuurlijk is ruimtelijke ordening, zelfs in de topjaren 60, in de realiteit nooit de top-down-planning geweest die het model suggereerde. Gemeenten onttrokken zich soms aan nationale plannen en gemeenten gaven bouwvergunningen af in strijd met hun eigen bestemmingsplan. Maar dat laat onverlet dat de overheid erin slaagde om het landschap op veel plaatsen open te houden en om de ongebreidelde suburbanisatie zoals we die andere landen hebben gezien, te voorkomen. Dat was overigens minder het succes van ‘toelatingsplanologie’ via de bestemmingsplannen dan van actieve ‘ontwikkelingsplanologie’. Het nadeel van bestemmingsplannen is immers dat wordt beschreven welke ruimtelijke functies waar zijn toegestaan, maar dat niemand wordt verplicht om die functies daadwerkelijk te realiseren. 

In de ontwikkelingsplanologie gaat de overheid zelf aan de slag, vooral door verandering of behoud te financieren. Zo is het scherpe onderscheid tussen stad en land, zo kenmerkend voor het Nederlandse landschap, vooral te danken aan twee zogenaamde ‘meekoppelende’ belangen: volkshuisvesting en landbouw. De vele subsidies voor woningbouw en landbouw hebben lange tijd het gezicht van het Nederlandse landschap bepaald. De rijksoverheid heeft jaren lang vele miljarden besteed aan de nieuwbouw van woningen. In de jaren 10 verdwenen de twee laatste grote subsidiestromen: de BLS en de ISV (het Besluit Locatiegebonden Subsidies en het Investeringsfonds Stedelijke Vernieuwing). Vele miljarden zijn gepompt in de nieuwe groeikernen, met vele miljarden overheidsgeld zijn de Vinex-locaties van de grond gekomen. De landbouw werd al die jaren financieel gesteund vanuit Brussel. En door de landbouw overeind te houden, bleef het landschap open. Met al dat geld werd de ruimtelijke inrichting in belangrijke mate gestuurd. 

Bij het behoud van de natuur gaat het meestal niet om regels of financiering, maar om eigendom (van partijen die het behoud van de natuur als hoofddoel hebben). Denk aan Natuurmonumenten, provinciale landschappen en Staatsbosbeheer. Hier is dus vooral het marktmechanisme bepalend voor de ruimtelijke functie. Waarbij de overheid één van de marktpartijen is (via Staatsbosbeheer). 

Het verbaast niet dat de sturing door middel van geld dezelfde ontwikkeling te zien geeft als de ontwikkeling van het juridisch kader. Ook de financiële ondersteuning van de ruimtelijke ordening is steeds verder afgebouwd. In 2020 wordt slechts bij toeval met enkele miljoenen gestrooid om segregatie van oude stadswijken tegen te gaan. Het Rijk belijdt tegenwoordig de ruimtelijke ordening nog slechts met de mond. De gemeenten kunnen zonder steun van het Rijk vooral volgen. De markt heeft voorlopig duidelijk gewonnen. 

4 Steden als brandpunt van ruimtelijke ontwikkeling

Steden zijn al eeuwen het brandpunt van de economie. Agglomeratievoordelen leiden tot specialisatie en innovatie. Toch zijn er in de geschiedenis ook fasen geweest waarin de agglomeratienadelen van de steden de voordelen overstegen. Krimp van de steden was het logische gevolg. Vanaf de jaren 60 van de vorige eeuw hebben we zo’n ontwikkeling gezien. De steden vervuilden door de industrie. De steden waren verpauperd door de oorlog. En de auto bood veel mensen de mogelijkheid om buiten de stad te gaan wonen. Opvallend ondersteunde het overheidsbeleid die ontwikkeling door de bouw van new towns (of groeikernen). Daarmee werd de ongebreidelde suburbanisatie effectief tegengegaan. Maar daarmee werd ook de uitholling van de steden ondersteund. Steden zonder groeikernen in de (directe) omgeving zijn namelijk nauwelijks in inwonertal achteruitgegaan. 

Inmiddels zijn de steden hun belangrijkste agglomeratienadeel weer kwijtgeraakt: de vervuilende industrie. De industriële economie heeft in veel steden plaatsgemaakt voor een diensteneconomie, die in het teken staat van kennis. En de maakindustrie die resteert wordt al niet door stank maar door kennis gekenmerkt . Volgens veel wetenschappers is in die nieuwe kenniseconomie het face to face contact tussen kenniswerkers cruciaal voor innovatie. Bedrijven zijn bovendien veel minder gebonden aan plekken waar ze hun grondstoffen konden aanvoeren en hun producten konden afvoeren. Zo zijn vooral steden met veel kenniswerkers populair geworden voor bedrijven. Vaak wordt de stelling verkondigd dat ‘wonen volgt werken’ is vervangen door ‘werken volgt wonen’.  Mensen verhuizen niet meer naar de bedrijven waar ze werk kunnen vinden, maar bedrijven vestigen zich in de buurt van de mensen waaraan ze behoefte hebben. De werkelijkheid is complexer. Want ook bedrijven trekken naar andere bedrijven. Succes kenmerkt zich door een vliegwiel: kennisintensieve bedrijven en kenniswerkers clusteren vooral in de populaire steden. En populaire steden zijn vaak historische steden met veel voorzieningen. Ook is de interactie met universiteiten van groot belang. TUe werkt bijvoorbeeld nauw samen met de High Tech Campus. En de grote universiteiten van Amsterdam en Utrecht leveren elk jaar weer veel nieuwe jonge kenniswerkers af, die in die brandpunten van de economie gemakkelijk een baan kunnen vinden. 

De rijksoverheid heeft deze ontwikkeling eerst nog proberen te begeleiden door het Vinex-beleid. In de directe nabijheid van steden werden nieuwe wijken aangelegd. Daaraan bleek grote behoefte te bestaan, hoewel de wijken vaak een wat saaie naam hebben voor degenen die liever in de dure panden aan de grachten wonen. Maar de Vinex was de laatste klaroenstoot van de overheid. Daarna is, zeker op landelijk niveau de ruimtelijk ordening geruisloos verdwenen. 

Wat overbleef was de trek naar de stad, die sterk door de markt werd gedreven. Daarbij was kapitaalkracht een belangrijke factor. Het zijn de hogeropgeleiden en de hogere inkomens die zich graag in de steden of in de directe omgeving daarvan vestigen. Ze zijn daarbij selectief. Sommige steden blijven achter (omdat ze minder aantrekkelijk zijn), sommige landsdelen blijven achter of krimpen zelfs (omdat er weinig kenniswerkers wonen). 

Het mag niet onvermeld blijven dat de trek naar de Nederlandse steden wel werd versneld door de belastingwetgeving. Nederlandse steden zijn in trek bij bedrijven omdat Nederland een zeer mild belastingregime heeft voor (internationale) bedrijven. Dat is geen ruimtelijk beleid, maar dat is wel ruimtelijke ordening als neven-effect van ander beleid. 

Er is een laatste factor waardoor veel steden veel drukker zijn geworden in de laatste decennia: het toerisme. Heel veel zaken waar kenniswerkers op afkomen, zijn ook aantrekkelijk voor toeristen. Zo is er bijzondere relatie tussen de trek naar de stad van de kenniseconomie en het toerisme. Kenniswerkers én toeristen zijn op zoek naar de consumer-city. En er is niet alleen een relatie, de drukte van de één wordt ook nog eens door de drukte van de ander versterkt. Overigens heeft toerisme alles met de welvaart te maken. Hoe groter de economische voorspoed hoe meer toeristen er wereldwijd zijn. De overheid zou hier via het reguleren van het vliegverkeer kunnen optreden, maar is daartoe nog steeds niet genegen. 

5 Disbalans tussen overheid en markt in de stad

Vijf jaar geleden heerste er nog een juichstemming in veel steden. Zelfs bij de achterblijvers zag men zoveel positieve ontwikkelingen dat men zich graag spiegelde aan de echte succes-steden: Amsterdam, Utrecht, Eindhoven. Die positieve stemming vlakt af, omdat zich met het succes van de steden vervelende neven-effecten beginnen af te tekenen. Agglomeratienadelen beginnen op te spelen. Het meest zichtbaar is de enorme toename van het toerisme in Amsterdam. In de binnenstad van Amsterdam wordt inmiddels 1 op de 7 huizen regelmatig via Airbnb verhuurd. 

Maar veel fundamenteler zijn de processen van gentrificatie en segregatie. Gemengde wijken, of zelfs arme wijken, worden in redelijk korte tijd overgenomen voor kapitaalkrachtigen. De huizenprijzen doen hier hun werk. Omdat veel mensen in de stad willen wonen, stijgen de huizenprijzen. Op een gegeven moment zijn huizen niet meer betaalbaar voor de oorspronkelijke bewoners van de wijk. De nieuwen kenniswerkers met hun hogere inkomens nemen de wijk over. Dat proces is zelfversterkend, omdat een wijk aantrekkelijker wordt naarmate er meer hogere inkomens wonen. De voorzieningen passen zich aan, het onderwijs wordt beter etc. 

Het is niet verwonderlijk dat veel gemeentebesturen aanvankelijk zeer positief waren over gentrificatie. Maar daarbij werd soms te gemakkelijk vergeten dat door gentrificatie voor de oorspronkelijke inwoners geen plaats meer was. Veel belangrijker: gentrificatie van bepaalde wijken stimuleert segregatie van de stad. Het onderscheid tussen arme en rijke buurten, tussen kansarm en kansrijk wordt scherper. Deze segregatie houdt geen stand bij de gemeentegrenzen. Sommige randgemeenten, vooral de voormalige groeikernen, zien minder hogere inkomens en meer lagere inkomens naar zich toe komen. 

Wie op nog grotere schaal kijkt ziet dat bevolkingskrimp in Nederland tegenwoordig in perifere gebieden een normaal verschijnsel is geworden. Terwijl de groei van Nederland als geheel geenszins tot stilstand is gekomen, krimpt de periferie tegenwoordig. Dat heeft iets te maken met de aard van de groei die vooral door de immigratie wordt bepaald. En immigranten zetten meestal in de grote steden hun eerste stappen in hun nieuwe land. Maar de krimp heeft ook iets te maken met het wegvallen van beleid. In de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog werd de regionale economie fors ondersteund. En onderdelen van de rijksdienst werden naar de periferie van het land overgeplaatst. Daarvan is momenteel geen sprake meer. 

Het voorbeeld laat goed zien dat de overheid én de markt de ruimte ordenen. Soms is de één meer aan zet, soms de ander. In de verzorgingsstaat lag het accent meer bij de overheid, in het neoliberale tijdperk meer bij de markt. In de ruimtelijke ordening is momenteel nog niet te merken dat het neoliberale geloof zijn beste tijd heeft gehad. Wél in het debat over de ruimtelijke ordening. Daar hoor je steeds vaker dat het weer tijd is voor een nieuw elan voor een (nationale) ruimtelijke ordening. Zie onder andere het overtuigende rapport van Denkwerk (Klein land, grote keuzes) over ruimtelijke ordening. 

Persoonlijk meen ik ook dat overheid en markt in de ruimtelijke ordening momenteel in disbalans zijn. Het Rijk denkt alleen nog maar na en laat na om te doen. De gemeenten proberen wel om de markt bij te sturen, maar kunnen dat niet zonder de steun van de Rijksoverheid. Zo nemen steden zich wel voor om meer sociale huurwoningen te bouwen, om de segregatie in de stad tegen te gaan. Amsterdam zet bijvoorbeeld in op minimaal 40% sociale woningbouw in de komende jaren. Maar het is de vraag hoe succesvol dit beleid kan zijn als de corporaties onvoldoende kunnen bouwen omdat hun winsten door het rijk worden afgeroomd (verhuurdersheffing) en als de rijksoverheid geen geld ter beschikking stelt om de nieuwbouw van woningen in de steden te ondersteunen.  Als er aan de onderkant te weinig wordt gebouwd, zal de druk aan de bovenkant alleen maar toenemen. 

Eenzelfde beeld zien we bij de aanpak van zwakke wijken. Gemeenten zouden graag goedkope woningen slopen om ze te vervangen door woningen voor middeninkomens. Maar geld daarvoor is slechts incidenteel en in zeer geringe mate beschikbaar. En met weinig geld zal de menging van zwakke wijken niet van de grond komen. Het enige dat met kleine ingrepen meestal wordt versterkt is het waterbedeffect: de kansarmen stromen door naar slechte wijken die niet worden aangepakt. Ook hier is de markt de overheid vaak te slim af, omdat overheid en markt in disbalans zijn in de ruimtelijke ordening. 

6 Naar een conclusie

De ruimte wordt permanent geordend, of beter: herordend. Door de overheid en door de markt. De overheid ordent met regels en met geld, de markt alleen met geld. De regels van de overheid zijn alleen bindend voor burgers in geval de gemeentelijke bestemmingsplannen. Maar bestemmingsplannen dwingen geen verandering af, ze conserveren datgene wat er is en nodigen uit om tot verandering te komen. En ook het conserveren middels bestemmingsplannen is in de praktijk veel minder dwingend dan de wet suggereert. Eigendom en subsidiëren zijn voor de overheid veel effectievere manieren om de ruimte te ordenen. Eigendom kan een ruimtelijk doel dienen (Staatsbosbeheer), maar is vaak ook niet meer dan een vermogenspositie (vele gronden van Rijksvastgoedbedrijf). Subsidiëren kan zowel betrekking hebben op behoud (landbouw) als bijvoorbeeld op nieuwbouw (van groeikernen, Vinex-wijken). Bij landbouw hebben de subsidies zeker de laatste jaren slechts betekenis voor het openhouden en niet voor behoud van het oorspronkelijke landschap. 

Tegen die achtergrond is het eigenlijk nog verrassend dat de overheid op het gebied van de ruimtelijke ordening nog zoveel heeft bereikt. Want tegenover de grondposities en de geldstromen van de overheid staan de enorme grondposities en de immense geldstromen van de marktpartijen. In het laatste decennium zagen we de geldstromen van de overheid snel opdrogen. En ontstond er een disbalans tussen overheid en markt bij de ordening van de ruimte. 

In dat opzicht is het een verheugend bericht dat het CDA op 19 februari 2020 pleitte voor de de heroprichting van het ministerie van VROM, inclusief de Rijks Planologische Dienst. Ik neem aan om het denken over de gewenste ruimtelijke ordening weer te versterken. Maar die ruimtelijke ordening door de overheid komt pas werkelijk weer op gang als veel meer financiële stromen van de overheid aan ruimtelijke doelen worden gekoppeld. 

[Deze tekst is geschreven op verzoek van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) en is gepubliceerd in: Bart Leurs (red.), Samenwerken, samen betalen?; over de bekostiging van opgaven in de maatschappelijke netwerken, 2020, pp. 63-70. De tekst werd afgesloten op 25 februari 2020]

Deel dit bericht:

Volgende pagina »