De vertrouwenscommissie als ultieme achterkamer

juli 5, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad, Voorpagina

Er is weer gedoe rondom burgemeestersbenoemingen. In Den Haag is uitgelekt welke twee kandidaten niet zijn benoemd: Plasterk en Marcouch. Preciezer: een duo-raadslid heeft twee namen getwitterd. Maar of deze man de waarheid heeft gesproken weten we niet. Want dat zouden we aan de vertrouwenscommissie moeten vragen en die mag niks zeggen. We weten dus ook niet of er is gelekt uit de vertrouwenscommissie. En of een lid van de commissie daarmee een strafbaar feit heeft gepleegd.

Ja, als we het over vertrouwenscommissies hebben gaat het vooral over lekken en over strafbare feiten. Lekken uit de vertrouwenscommissie hoort niet en is verboden. Maar eigenlijk is dat de wereld op zijn kop. Waarom hoor ik nooit de legitieme vraag naar verantwoording? Is het niet meer dan logisch dat wij, burgers, mogen weten welke kandidaten zijn afgewezen. En wat daarvan de reden is. Draait nu in Arnhem inderdaad de PvdA-banen-carrousel? Of was Marcouch inderdaad de beste, nadat hij mogelijkerwijs in Den Haag is afgewezen? Ja, dat willen wij weten.

Eigenlijk is het bizar wat hier gebeurt. Burgemeester worden tegenwoordig de facto door de gemeenteraad gekozen. Beter gezegd: door de vertrouwenscommissie uit de gemeenteraad. Dat werd enige decennia geleden nog gevierd als democratisering van de burgemeestersbenoeming. Niet het Rijk moest bepalen wie de nieuwe burgemeester werd, maar de gemeente zelf. Ik ontken niet dat daarmee winst is geboekt. Beter een lokale vertrouwenscommissie dan een landelijke carrousel van politieke partijen die onderling gemeenten verdelen.

Maar laten we niet vergeten dat we, toen burgemeesters nog door het Rijk werden benoemd,  veel beter op de hoogte waren van de namen van de kandidaten dan momenten het geval is. Degenen die benoemden legden dan wel  geen verantwoording af, maar ze wisten wel dat we meekeken. We hadden ons met zijn allen kunnen afvragen of Plasterk het burgemeesterschap na een onzichtbaar ministerschap van Binnenlandse Zaken had verdiend. We hadden ons met zijn allen kunnen afvragen of het zwakke burgemeesterschap van Pauline Krikke in Arnhem een goede basis was voor het burgemeesterschap in Den Haag. Het was een gebrekkige transparantie, maar een beetje transparant was het wel.

Sinds de democratisering van de burgemeestersbenoeming tot stilstand is gekomen met de verworvenheid van een vertrouwenscommissie weten we niets meer. Ja, we weten wie is benoemd. Maar waarom hij of zij wordt benoemd en wie de andere kandidaten waren blijft geheel duister. Als we nu over achterkamertjes willen spreken, laten we dat dan in dit geval doen. Zo vind je ze nergens. Lekken uit de achterkamer ishier zelfs wettelijk verboden en strafbaar. Met als bijzonder effect dat er tegenwoordig veel minder gedoe is over burgemeestersbenoemingen dan een paar decennia geleden. Ja, omdat het strafbaar is om iets te weten.

Al met al: het wordt hoog tijd dat we die democratisering van de burgemeestersbenoeming weer ter hand gaan nemen. Er is nog een lange weg te gaan naar een werkelijk openbaar debat over de keuze van de burgemeester. En dat openbare debat moet niet in de gemeenteraad worden gevoerd, laat staan in een vertrouwenscommissie. Maar dat moet een publiek debat zijn onder burgers, die zelf mogen bepalen wie hun nieuwe burgemeester wordt. Lang leve de gekozen burgemeester.

 

 

Het succes van Eindhoven fascineert

juni 19, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

 

Gesprek met Robert Elbrink, hoofd Strategie van de gemeente Eindhoven

Eindhoven ontwikkelt zich razendsnel. Groot Eindhoven (Zuid-Oost-Brabant) kreeg er tussen 2010 en 2015 (december) 11.000 banen bij. Vergelijk dat met Groot Rotterdam of Groot Den Haag, die in dezelfde periode 19.000 banen verloren [bron Statline CBS]. Oké, Groot Amsterdam is hors categorie met een winst van 64.000 banen. Maar het is duidelijk dat Eindhoven zeer floreert. Men is het ‘vertrek’ van Philips en het einde van DAF al lang te boven. Wie aan Eindhoven denkt, denkt tegenwoordig aan ASML, de grote wereldspeler op het terrein van chipsmachines. En aan de Design Academy. En aan de TU/e.

Maar wie de literatuur over stedelijke economie een beetje kent, houdt daaraan toch een heel ander beeld over. Ik zeg met nadruk ‘een beetje’. Die theorie komt er plat gezegd op neer dat vooral steden met ‘amenities’, met een aantrekkelijk woon- en leefklimaat, met veel voorzieningen, het tegenwoordig goed doen. In feite zijn de bedrijven footloose geworden (ze hoeven niet meer aan een kanaal te liggen om grondstoffen aan te voeren en producten af te voeren). Daarom trekken mensen niet meer naar bedrijven, maar trekken bedrijven naar mensen toe. In het wetenschappelijke jargon: werken volgt wonen in plaats van wonen volgt werken. Dus vooral steden waar het aangenaam wonen is, die veel voorzieningen hebben en veel mooie woningen, zouden het economisch goed moeten doen. Dat geldt zeker voor Amsterdam, hoewel het succes van Amsterdam zo langzamerhand in zijn tegendeel begint te verkeren. Amsterdam wordt te druk en te duur. Maar het is vooral zo duur omdat iedereen daar wil wonen. En omdat iedereen daar wil wonen zijn er veel bedrijven en omdat er veel bedrijven zijn wil iedereen er wonen.

Eindhoven heeft een ander woon- en leefklimaat. De woningprijzen liggen veel lager. Er is geen historische binnenstad. Er is geen binnenstad waar velen willen wonen. Er zijn veel minder culturele voorzieningen. In de terminologie van Gerard Marlet is Eindhoven geen ‘aantrekkelijke stad’. En toch doet Eindhoven het zo goed. Het is maar weer eens een bewijs dat de werkelijkheid complexer is dan een simpele theorie. Misschien is Eindhoven wel bij uitstek een stad waar niet ‘werken’ ‘wonen’ volgt, maar ‘werken’ ‘werken’. De dynamiek van de bedrijven trekt nieuwe bedrijven aan.

Er is nog een andere reden waarom Eindhoven zo interessant is. Eindhoven heeft een zeer succesvolle campus, de High Tech Campus Eindhoven. Het is bekend dat elke gemeente tegenwoordig een campus wil. Daarom is het goed om te bekijken waarom succesvolle campussen zijn ontstaan.

Om deze twee redenen spreek ik met Robert Elbrink. Elbrink is al enige tijd de hoofdstrateeg van de gemeente Eindhoven. Zijn strategische afdeling ‘hangt’ onder de Directieraad van de gemeente. Hij werkt als niet-Brabander al lang bij de gemeente Eindhoven, de laatste zeven jaar als hoofd van de afdeling Strategie. Hij kent de gemeente van binnenuit en is nog steeds in staat om het reilen en zeilen van de gemeente op enige afstand te observeren. Een ideale gesprekspartner al met al.

Eindhoven is ontdekt als stad met spannende dingen

Ik vraag Elbrink hoe het op dit moment met Eindhoven gaat. Je wilt zo’n gesprek nu eenmaal vriendelijk beginnen. Het antwoord is dat ook. Elbrink: Economisch gaat het goed. Bedrijven, zeker de high tech bedrijven, draaien als een tierelier. Maar als het gaat om de vraag: profiteert iedereen ervan, dan liggen er nog wel wat uitdagingen. De arbeidsmarkt heeft altijd vertraging ten opzichte van de economie. We moeten opletten of de werkgelegenheid gelijke pas houdt met de economie. Elbrink ziet ook dat het heel goed gaat met belangstelling voor Eindhoven. ”Eindhoven is de afgelopen jaren ontdekt als stad waar spannende dingen gebeuren”. Hij ziet het in de media, maar je ziet het ook in de Tweede Kamer waar gedebatteerd wordt over het einde van het mainportbeleid (de haven van Rotterdam en Schiphol als drijvende krachten van de Nederlandse economie) en waar nadrukkelijk wordt beseft hoe belangrijk de high tech en de industrie van Eindhoven tegenwoordig voor Nederland zijn. Door Eindhoven en de regio daaromheen kan Nederland echt meespelen op wereldniveau met high tech en industrie. “Die bedrijven hier hebben een grote toegevoegde waarde. Als je naar die machines van ASML kijkt en al die toeleveranciers, bijvoorbeeld. Het aantal banen groeit hier nog steeds. Grote vraag naar ICT-ers natuurlijk. Technische vakmensen. Daarom investeren we ook samen met andere gemeenten in programma’s om expats aan te trekken. Hoe zorg je ervoor dat je het aantrekkelijke vestigingsklimaat hebt dat de mensen komen die je hier echt nodig hebt. En hoe kunnen we hun partners, die ook vaak hoogopgeleid zijn, hier ook aan het werk krijgen?”

Ik vraag aan Elbrink waarom Eindhoven toch zo’n groot succes is. Hij zegt: Combinatie van factoren. De tijdgeest. Technologie is ‘in’, technologie is niet meer eng. Nerds zijn zelfs hip. Industrie is niet meer vies. Uniek aan Eindhoven is ook de combinatie van high tech en creatief. Die combinatie komt niet zoveel voor in de wereld. Design Academy is motor en magneet voor creatief talent. En die mensen blijven steeds meer in Eindhoven werken als ze zijn afgestudeerd. In Strijp S, en dat soort gebieden met industrieel erfgoed. Dat geeft een zelfversterkend effect. En er zijn mogelijkheden om high tech en creativiteit fantastisch te verbinden. Denk aan wearables: Enthousiast vertelt hij dat ook de gemeente al een designer in dienst heeft. Vooral om te bedenken hoe ze maatschappelijke vraagstukken en complexe multi-stakeholders vraagstukken beter kunnen oplossen. “We moeten leren om te denken vanuit de mensen voor wie je het doet. Anders dan de standaard beleidscyclus. Waarbij we na een paar jaar constateren dat het niet werkt en dan weer opnieuw beginnen”.

Het toeval van Eindhoven

Ik wil verder terug naar de oorsprong van het succes. Elbrink vat het helder samen. Eindhoven is een succes geworden door twee toevalsmomenten. Philips koos aan het einde van de negentiende eeuw voor Eindhoven en niet voor Breda. En in de jaren 90 werd besloten om het gebied van het NatLab open te stellen. Dat heeft het succes van Eindhoven bepaald. Historische toevalstreffers die je niet kan herhalen. Als Philips niet was gekomen was Eindhoven nog steeds een gezellig Kempisch dorp met een mooie markt en met carnaval. Net zoals Eersel of Oirschot. Daar kan je prachtig wonen, dichtbij heidegrond. De echte groei kwam met Philips.

Door de beslissing om het NatLab-gebied open te stellen zijn we enorm verbreed. Natuurlijk, Philips er zelf ook nog. En het bijzondere is dat de grote bedrijven bijna allemaal wortels hebben in Philips. “ASML is in 1984 begonnen als joint venture van ASMI en Philips en leek niet kansrijk”. Philips dacht: dat kan nooit wat worden. Boonstra heeft heel veel afgestoten. En veel van die bedrijven zijn zelfstandig een succes geworden. Waarschijnlijk omdat ze zelfstandig veel meer focus konden aanbrengen. Ook de bedrijven die later weer zijn overgenomen door VDL. En dan krijg je weer nieuwe toeleveringsbedrijven. Ook heel veel ingenieurs in Eindhoven hebben nog hun wortels in Philips. Mensen die goed met elkaar kunnen samenwerken omdat ze bij Philips op school hebben gezeten en dezelfde taal spreken.

Ja, dat openstellen van het NatLab gebied is een cruciaal moment geweest. Op basis van open innovatie model. Van een gesloten vesting naar een levendig high tech researchpark. Met nu meer dan 100 bedrijven en kennisinstellingen. Vroeger was het echt afgesloten. Je kwam daar niet. De gedachte van een Strip als ontmoetingsplek met allerlei facilities heeft erg bijgedragen aan de interactie op dat gebied.

Natuurlijk heeft uiteindelijk Philips zelf besloten om het NatLab open te stellen. Het was in de tijd dat Philips besloot om het hoofdkantoor naar Amsterdam te verplaatsen. De gemeente heeft er wel sterk op aangedrongen om de research in Eindhoven te verankeren. Toen heeft Philips veel geld geïnvesteerd om de Campus te ontwikkelen. En toen kwam het besef dat dit soort gebieden veel rendabeler worden als anderen er ook gebruik van kunnen maken. Je kan ook niet meer alle kennis en innovatie in één bedrijf houden. Je moet dus ketens ontwikkelen. Philips floreert daar zelf ook nog. Weinig mensen weten ook dat het hoofdkantoor van Philips Lighting hier in Eindhoven zit, niet in Amsterdam. Ach, wij zeggen altijd: Philips is weggegaan met 200 man. De directie en de marketing. Het hart is hier gebleven. De research, de kennis en kunde, de ingenieurs, die zijn hier nooit weggegaan. Bijzonder is dat je bij Eindhoven tegenwoordig eerder denkt aan ASML. Maar ja ASML bepaalt het tempo van Silicon Valley. Dat is de tijdgeest.

Ontkent Eindhoven de theorie of voorspelt de theorie het einde van Eindhoven

Het wordt tijd om Elbrink de vraag voor te leggen waarom Eindhoven niet aan de theorie voldoet. Eindhoven is toch veel te klein voor wat er allemaal gebeurt. En het is toch helemaal niet genoeg? Hoe kan het hier zo goed gaan, terwijl het hier toch veel minder aantrekkelijk is om te wonen dan in Amsterdam of Utrecht? Elbrink kan voor twee antwoorden kiezen. Of: die theorie deugt niet, of: het is maar de vraag hoe goed het gaat.

Elbrink kiest eerst een defensieve variant. Hij zegt: Dat hangt ook van je woonwensen af. Amsterdam is te vol en te duur. Je kan hier tegen een redelijk prijs een grondgebonden woning redelijk dicht tegen het centrum aan kopen. Maar dan zegt hij dat je ‘amenities’ op verschillende manieren kan definiëren. “Onze cultuurvoorzieningen zijn abominabel. Wij krijgen daarvoor ook bijna niets van Den Haag, in vergelijking met andere steden”. Ik probeer het even: die nerds hebben blijkbaar geen cultuur nodig. Daarin gaat Elbrink niet mee: Dat weet je pas als die voorzieningen er zijn. Ik dring aan: Maar de praktijk bewijst dat jullie je gewoon zo fantastisch kunnen ontwikkelingen met die € 1,53 per inwoner voor cultuur van het Rijk. Elbrink houdt stand. Niet voor niets heeft Eindhoven de laatste jaren in Den Haag gelobbyd voor meer culturele voorzieningen in de stad. Hij zegt: “Nee, het piept en kraakt”. We hebben sinds 2008 echt moeten bezuinigen. We hadden voor die tijd relatief goede voorzieningen op gebied van sport, cultuur, theater, denk aan de Effenaar. Dat was best veel voor een stad van deze omvang. Maar toen we moesten bezuinigen, werden al die voorzieningen heel kwetsbaar.

We hebben het alle voorzieningen zelf kunnen opbouwen door onze snelle groei. Heidegrond, schapen eraf, huizen erop zetten. En dat leverde heel veel geld op. Maar we zijn door onze grond heen. Toen hebben we het kabelbedrijf verkocht en een energiebedrijf voor 800 miljoen. Onze aandelen in het Bouwfonds verkocht. In 2008 viel onze bouw stil, we hadden de mooiste dingen verkocht en het Rijk ging bezuinigen op het Gemeentefonds. Toen kwam de decentralisatie met enorme taakstelling erover heen. Het piept en kraakt. We hebben 70 miljoen op jaarbasis op de gemeentebegroting bezuinigd. Enorme druk op alle voorzieningen. Cultuur, sport. Aantal daarvan zijn omgevallen. We kunnen nu wel goed draaien. Maar mijn grote zorg is of we dat over 10 jaar nog doen na al die bezuinigingen. Is het bestendig genoeg? Elbrink zegt: Ik ben er nog niet van overtuigd dat de theorie niet klopt. Het kan een hippe hype zijn, wat er nu gebeurt. Maar ik vraag me serieus af of het publieke fundament van Eindhoven wel sterk genoeg is voor de toekomst.

Oké, hij geeft wel iets toe: Wij zijn een heel andere stad, dat is waar. We hebben geen debatcentrum. Als je in Amsterdam twee mensen bij elkaar zet, dan heb je een debat. Als je hier twee mensen bij elkaar zet heb je een prototype. Maar we missen dat debatcentrum toch echt. Dat hoor je ook van mensen. We zijn wel een stad van meer dan 200.000 inwoners. Daar hoort debat bij.

Succes zonder bereikbaarheid

De theorie over regionale economie stelt bereikbaarheid centraal. En ook daar is Eindhoven al weer zo atypisch. Ze hebben een klote-klein vliegveld. Vergelijk dat met Schiphol. Ze klagen over de verbindingen met Duitsland. Die theorie klopt wel. Bereikbaarheid is heel belangrijk voor een regionale economie. Maar hoe kan het dan dat jullie bereikbaarheid naatje is, en dat je het toch geweldig doet? Elbrink: ik ben er gewoon niet gerust op dat we de toekomst op orde hebben. Ik ben wel blij met die theorie om aan te tonen dat er wat moet gebeuren. Ook bedrijfsleven vraagt erom. Het is wel kwetsbaar. In het verleden hadden we altijd zelf genoeg geld om als er een probleem was, om het probleem ook zelf te fiksen. We hadden altijd heel veel geld. En dat is de afgelopen vijf jaar duidelijk minder. Daar zie je de kwetsbaarheid ontstaan. Voorbeeld: Automotive moest naar Helmond, hebben we een miljoen bij gelegd. Europa vraagt ook vaak om cofinanciering vanuit Europa, dan heb je geld nodig. Dat ging allemaal hartstikke makkelijk. Maar dat gaat niet meer. Daar word ik nerveus van. We hebben niet meer de kracht om het zelf alleen te fiksen.

Een katholieke stad met een Philips-cultuur

Tot slot spreek ik met Elbrink over de rol van de overheid. Is die economie echt wel te beïnvloeden. Elbrink meent ten eerste dat Rijk, provincie en gemeente hun eigen verantwoordelijkheid hebben. Maar altijd samen moeten optrekken. Hij heeft niets met de gedachte “je gaat erover of je gaat er niet over”. Dat staat haaks op de praktijk.

Hoe belangrijk is het Rijksbeleid voor de stad? Elbrink: Het stimuleren van innovatie is belangrijk. Bedrijven hebben daar veel plezier van. Dat soort beleid is cruciaal. Arbeidsmarktbeleid ook. Dat is allemaal generiek beleid, voor alle bedrijven in het hele land. Maar als het alleen om Eindhoven gaat, ziet Elbrink toch vooral dat de G4 royaal bediend worden en dat Eindhoven als grootste van de kleintjes de kruimels krijgt. “Dat is een hardnekkig restant uit de jaren 90. Ik gun die G4 dat wel. Maar die cesuur is vreemd.”

Daarom is Elbrink blij met de introductie van het brainport-begrip in 2004 in de Nota Ruimte. Ik daag hem uit: wat heb je nu aan zo’n begrip. Ik begrijp dat ik niet te snel en te veel moet willen. Praten over ‘brainport’ betekent de eerste herwaardering van economische sectoren die niet over bloemen en vrachtwagens gingen. De verandering markeren. “We werden herkend en erkend door Den Haag.” Daarna is het een kwestie van lange adem. Elbrink hoopt dat het nieuwe denken op termijn leidt tot andere verdeelmodellen. Want: “Als er cadeautjes worden uitgedeeld zie je altijd dat de eerste cadeautjes naar de G4 gaan”. Dat soort logica doorbreken is een zaak van lange adem. Roept ook veel weerstand op, gaat om belangen. Gelukkig zien we in trajecten als REOS en het rapport “Maak Verschil” van de studiegroep Openbaar bestuur ontwikkelingen die beter aansluiten bij de logica van deze tijd. Het gaat om economische kerngebieden waar het geld verdiend wordt.

Wat is de rol van de gemeente? Ik hoor Elbrink meermalen zeggen: “even helpen”. Even wat geld bijleggen. Hier aan het Stadhuisplein wordt de dienst niet uitgemaakt. Maar we kunnen wel helpen. Dat is de bestuurscultuur die dateert uit de tijd van Philips, die hier wel alles bepaalde. Er is hier geen cultuur van ‘we run this city’. Lange traditie met veel maatschappelijk initiatief, veel stakeholders. Daarmee cijfer ik de gemeente niet weg. Als organisatie kent de gemeente iedereen. Zo kunnen wij mensen met elkaar in contact brengen. We kunnen de smeerolie zijn. Soms brengen we bedrijven met elkaar in contact. Vaker brengen we bedrijven en maatschappelijke instellingen met elkaar in contact. En we zijn voor de funding natuurlijk vaak belangrijk. Denk ook aan de Stichting Brainport, onze Economic Board, sinds 2011. Die vindt zijn oorsprong in de jaren 90. We hadden malaise bij Philips, en DAF. Burgemeester Rein Welschen haalde de mensen bij elkaar. Bedrijven, universiteit, gemeente. Zo is uiteindelijk de Brainport ontstaan.

We zijn een pragmatische stad, een pragmatisch gemeentebestuur. We lopen ze niet in de weg. Je moet je steeds afvragen: voegen we echt iets toe? Wanneer moet je even niks doen? Geen beleid maken. Ja, de gemeente hielp Philips groter worden. Dat is nog steeds onze cultuur. Natuurlijk denken we wel dat het uitmaakt wat we doen. Maar het is toch vooral actief faciliteren.

 

 

Politieke partijen onder het juk van het #CPB

juni 13, 2017 by  
Filed under artikel

Al een tijdje stond het proefschrift van Wimar Bolhuis op mijn lijstje van te lezen boeken. Ik had er ergens over gelezen. Het zou gaan om een mooie studie over de doorrekeningen van de verkiezingsprogramma’s door het CPB. Voor de geïnteresseerden: “Keuzes in Kaart”. Voor de incrowd afgekort tot KiK. Maar enkele weken geleden werd ik verrast door een tweet van Wimar waarin hij meldde dat hij in de zomermaanden zijn proefschrift zou afschrijven. Over Keuzes in Kaart. Dat proefschrift dat ik wilde lezen was nog helemaal niet klaar! Wel was dit voorjaar onder grote belangstelling van alle nog levende CPB-directeuren door Wimar een boek gepresenteerd over hetzelfde onderwerp, onder de titel De rekenmeesters van de politiek. De basis voor zijn proefschrift.

Ik heb die ‘voorstudie’ inmiddels gelezen. En ik heb me afgevraagd hoe lang de zomer van 2017 voor Wimar Bolhuis wordt. Is het alleen nog een kwestie van noten bij elkaar harken en indexen maken? Of moet er nog een flinke slag worden gemaakt?

Wat op dit moment voorligt is een heerlijk helder boek over de grote rol die het CPB speelt in de verkiezingstijd. Sinds 1986 is het snel usance geworden dat de politieke partijen hun programma’s laten doorrekenen door het CPB. Daarbij ‘voorspelt’ het CPB de gevolgen van de programma’s in termen van groei van het BBP, begrotingstekort van de overheid, werkgelegenheid en koopkrachtsverschillen, enzovoorts. Het mag duidelijk zijn dat de partijen er zich veel aan gelegen laten liggen om op al die punten hoog te scoren bij het CPB. Hoewel de aandacht voor de verschillende criteria vanzelfsprekend van partij tot partij verschilt.

Daarnaast voert het CPB een reality check uit op alle voorstellen van de politieke partijen. Terecht zet het vraagtekens bij de haalbaarheid van verschillende beleidsvoornemens. Zo gaan veel politieke partijen er graag vanuit dat er veel kan worden gewonnen door het overheidsapparaat drastisch in te krimpen. De CPB merkt in zo’n geval nuchter op dat die inkrimping blijkbaar niet zo eenvoudig gaat, omdat hij anders al lang had plaatsgevonden. Gevolg: het CPB schat de budgettaire gevolgen van inkrimping van het overheidsapparaat meestal lager in dan de partijen die die inkrimping voorstaan. In beide gevallen, bij de ‘reality check’ en bij de feitelijke doorrekening van de consequenties van allerlei beleidsvoornemens, gaat er dus een disciplinerende werking uit van het werk van het CPB. Fact-free-politics wordt bestreden. Politieke partijen kunnen niet meer zomaar wat roepen. Want dan kunnen ze er in ieder geval van verzekerd zijn dat andere partijen hun met de cijfers van het CPB om de oren zullen slaan.

Wimar Bolhuis beschrijft het proces van doorrekenen, dat ik nu wel erg kort samenvat, heel helder. Hij laat ook de betekenis zien van het werk van de Werkgroep Begrotingsruimte (topambtenaren) en van de middellange termijnverkenningen van het CPB die juist worden gepubliceerd voordat de partijen aan hun programma’s beginnen. Dan weten ze ten eerste hoe de toekomst zich bij ‘ongewijzigd’ beleid gaat ontvouwen en ten tweede wat er voor nodig is om bepaalde algemene doelen van begrotingsbeleid en EMU-normen te halen. Die middellange termijnverkenningen vormen ten slotte weer de basis voor de doorrekeningen van de verkiezingsprogramma’s door het CPB.

Dus: mooi boek! Je zou zeggen niks meer aan doen. Ik zou in ieder geval zeggen: niet volproppen met noten en niet achteraf er allerlei theorieën bij zoeken, omdat dat in de wereld van de wetenschap nu eenmaal zou moeten. Toch biedt het definitieve proefschrift ook nog een fantastische kans om het boek tot een klassieker te maken. Daartoe behoeft het één ding: reflectie. Het boek is nu nog te beschrijvend. Daarmee geeft het een mooi inkijkje in de wereld van Den Haag. Maar daarmee is het ook te veel een verhaal van de drukte van Den Haag. Over de overuren die al die CPB-medewerkers moeten maken om hun KiK af te krijgen. Over de gepensioneerden die weer worden ingevlogen om ’s avonds de pagina’s nog op de goede volgorde te leggen. Maar drukte is niet zo belangrijk. Het gaat om de achterliggende vragen. Het boek roept bij mij vier samenhangende vragen op.

Ten eerste: hoe moeten we de doorrekeningen door het CPB historisch plaatsen? In dat verband is het interessant dat de doorrekeningen zich vooral afspelen op de oude links-rechts-tegenstelling. Uiteindelijk gaat het om welvaart, werkgelegenheid en koopkracht. Ja, al die andere beleidsvoornemens worden ook meegenomen, maar toch veel minder om hun eventuele maatschappelijke effecten en veel meer om hun gevolgen voor de overheidsfinanciën en daarmee uiteindelijk weer voor de welvaart, de werkgelegenheid enzovoorts. En waar de ideologische geschillen op deze as steeds kleiner zijn geworden (hoe komen we anders aan Paars-1, Paars-2 en Rutte-Asscher?) ontstaat er ruimte voor de technische zuiverheid van het CPB. Politiek als technocratisch project, waarbij de ambtenaren aangeven welke maatregel wel en welke maatregel minder effect heeft. Maar waar de oude links-rechts-as betekenis verloot in Den Haag, werden andere en nieuwe maatschappelijke tegenstellingen dominanter. Denk aan migratie, klimaat, voltooid leven. In dat licht zijn de doorrekeningen geen symptoom van een groeiende macht van het CPB, maar eerder een symptoom van verschuivende maatschappelijke en politieke tegenstellingen. Waar de tegenstellingen minder groot zijn, mag het CPB schijnbaar belangrijk worden.

Ten tweede: hoe ‘objectief’ zijn die doorrekeningen eigenlijk? Wimar Bolhuis ziet wel de beperkingen van de analyses (wetenschappers weten niet alles), maar lijkt mogelijke vertekeningen over het hoofd te zien. Ik vraag me bijvoorbeeld af hoe je ‘waardevrij’ een reality check op beleidsvoornemens kan doen? Daarbij speelt toch altijd een ideologische bias een rol. Op zich al de bias dat grote omwentelingen zich niet zullen voordoen (waardoor sommige voorstellen als onrealistisch worden afgedaan). Maar belangrijker is dat de modellen waarmee de wel geaccepteerde beleidsvoornemens worden doorgerekend, ideologisch geladen zijn. En niet volledig empirisch onderbouwd. Zo menen economen bijvoorbeeld dat het verkleinen van inkomensverschillen leidt tot een lagere economische groei. Modelmatig klopt dit. Maar onder welke omstandigheden is het waar? En veel interessanter: onder welke omstandigheden is het niet waar?

Ten derde is het  boeiend dat Bolhuis zich nergens afvraagt wat er later eigenlijk van die doorrekeningen is terechtgekomen. Het moet toch mogelijk zijn om al dat ex ante-denkwerk nog eens ex post te herhalen. Heeft die flexibilisering dan werkelijkheid tot een grotere welvaart geleid? En wat zijn de effecten van investeringen in het onderwijs werkelijk geweest? En heeft de marktwerking in de zorg werkelijk tot een beheersing van de kosten geleid of zijn de kosten nu op een andere plaats belegd? Ach, allemaal van die simpele vragen. Maar juist bij die doorrekeningen verwacht je dat iemand nog eens terugkijkt. En zeker een promovendus moet daarvoor de tijd hebben.

Ten slotte: welke invloed hebben de CPB-doorrekeningen op het beleid? Ik sprak al over de disciplinering. Partijen worden gedwongen zich beter voor te bereiden op de wereld van het echte beleid. Die disciplinering  zou in principe ook moeten leiden tot een snellere formatie. De partijen hebben het CPB-frame immers al geaccepteerd. Alleen jammer voor het CPB dat de formatie met GroenLinks nu voor de tweede keer vastloopt op de migratie en niet op de cijfers over de werkgelegenheid.

Maar die disciplinering kan ook (grote) nadelen hebben. Want er is niet alleen sprake van trechtering maar ook van vertekening. Bolhuis wijst daarop als hij schrijft dat de doorrekeningen ‘misschien leiden tot een suboptimaal beleid’. Omdat experimenten en erg vernieuwende beleidswensen door het CPB al snel worden afgedaan als ‘effect onbekend’. En omdat partijen in hun programma’s al gauw gaan anticiperen op de uitkomsten van het CPB. Ze weten inmiddels hoe ze hun formulieren in moeten vullen om er als beste uit te komen. Een rechtgeaarde CPB-er ziet dat wellicht niet als een probleem, maar als een succes. In zijn ogen hebben de partijen zich immers meer op ‘de werkelijkheid’ gebaseerd. Maar dat is alleen waar als die modellen van het CPB ook een waarheidsgetrouwe schematisering van die werkelijkheid zijn. En dat zijn ze niet. Niet alleen zijn er andere dingen onder de zon dan financiën en BBP. Ook gaan de CPB-modellen uit van een bepaald mens- en maatschappijbeeld waardoor ze in ieder geval niet voor iedereen met de werkelijkheid overeen komen. Laat ik daarvan nog één voorbeeld geven. Economen zijn altijd verguld van marktwerking. Het CPB al evenzeer. Hoe meer deregulering en globalisering, hoe hoger de economische groei. Dat zijn geen feiten, dat is geen disciplinering, dat zijn droomwensen. En die dromen zijn lang niet altijd uitgekomen. Dan krijgt het woord disciplinering toch plotseling een ander klank. En is het toeschrijven van de verkiezingsprogramma naar de rekenmeesters van het CPB veel minder onschuldig dan het aanvankelijk lijkt.

Ja Wimar, dat worden nog mooie zomermaanden.

De onvermijdelijkheid van een politieke elite

juni 5, 2017 by  
Filed under artikel

Je hebt van die boeken. Ze stellen zo teleur dat weggooien een serieuze optie is. Helaas geldt dat ook voor het boek van Joost Vulling over De kinderen van Pim. Vullings interviewt de 26 Kamerleden die op de vleugels van Fortuyn in 2002 werden gekozen. Een enkeling weigert mee te doen en krijgt in het boek een kort geschreven portret. Helaas, ik kom er niet door heen. Ik heb de laatste interviews overgeslagen. Dat heeft twee oorzaken. Ook de auteur gaat niet vrij uit. Het boek is niet goed opgezet. Elke interview kent bijna dezelfde vragen en dezelfde opbouw. Daardoor staat het boek stil en komt het niet tot ontwikkeling. Het is als een eend die niet los komt van het water.

Maar veel belangrijker is dat al die mannen (en die enkele vrouw) ook werkelijk niets hebben te vertellen. Ze begrijpen niet waarin ze zijn terechtgekomen, ze hebben nul interessante standpunten, ze roddelen over anderen zonder enige moeite te doen die ander te begrijpen. Het is een en al treurnis. En wie zich nog herinnert hoe de LPF indertijd vechtend over straat rolde, leest niks nieuws. Er is zelfs niet één klein primeurtje. Niets. Geen enkel nieuw inzicht.

Vullings sluit af met een Slotwoord. Hij grijpt het niet aan om het boek op een hoger niveau te brengen. In feite herhaalt hij nog eens wat hij allemaal heeft gehoord. Niets dus. Ik kan me voorstellen dat je als interviewer niet meteen na afloop gaat roepen dat je niets nieuws hebt gehoord. Zo’n conclusie slaat ook op jezelf terug. Maar toch had Vullings in dat geval zich enkele interessante vragen kunnen stellen.

Ten eerste: hoe is het mogelijk dat Fortuyn al deze mensen zelf heeft uitverkoren (met enige steun van een enkele adjudant)? En wat zegt dat over de man zelf? En: stel dat Fortuyn het inderdaad tot premier zou hebben geschopt, welke ministers zou hij dan zelf hebben uitgekozen? Nog erger dan het zooitje ongeregeld dat onder regie van Mat Herben naar het Catshuis ging? Ik weet dat Fortuyn voor velen een ongrijpbare figuur blijft, een man met charisma onder brede lagen van de bevolking. Maar ik geloof dat het nu in het Witte Huis een stuk ordentelijker is dan indertijd in de fractiekamer van de LPF.

Ten tweede: is een politieke elite onvermijdelijk? Ik ken alle bezwaren tegen Den Haag. Tegen de diplomademocratie. Dat er een elite is, met zijn eigen codes, zijn eigen vaardigheden, zijn eigen kennis, zijn eigen ervaring. Mijn zijn eigen regels over regering en oppositie, over formatie, over omgang met ambtenaren. Met hun eigen contacten, hun eigen netwerken. Allemaal waar. In een democratie is van groot belang om alert te zijn op de kloof tussen de burger en het bestuur. Om die kloof niet te groot te laten worden. Maar wie dit boek leest begrijpt dat in de democratie een kloof ook onvermijdelijk is. Dat een politieke elite onvermijdelijk is. Als deze 26 Kamerleden van de LPF gewone burgers waren, en dat waren ze, maakt dit boek één ding wel heel erg duidelijk: met gewone burgers kan je dit land niet besturen.

Waarom een goede marathonloper twee artsen heeft

mei 24, 2017 by  
Filed under artikel

Wat is dat toch met mijn hart. In 2010 meldde een sportarts dat mijn hart last had van ST-depressies. Een second opinion bij Paul van Dijkman leert dat er niets aan de hand is. Dat de afwijkingen in het elektrocardiogram slechts voortkomen uit mijn bizar goede conditie. Een paar weken later loop ik voor het eerst de Swiss Alpine rondom Davos. 78 km met 2600 hoogtemeters.

Maar dat ruisje zat nog steeds in mijn hart. Een longarts in Dirksland merkt het op. Ze helpt me enorm met mijn longen, maar minder met haar advies om ook nog even langs de cardioloog te gaan. Het wordt een bizar bezoek bij die cardioloog uit Dirksland.

Eerst een echo-cardiogram, daarna een electro-cardiogram. Geen idee wat ze allemaal met me doen. Dan het gesprek met de cardioloog. “U hebt wat kalk op uw aorta-klep. Dat is niet erg, maar daar moet u wel ooit aan worden geopereerd.” Ik vraag voorzichtig wanneer dat moet gebeuren. “Afhankelijk van hoe oud u wilt worden.” Ik zeg monter dat ik er nog geen last van heb, ik heb immers net een marathon gelopen. “Dat moet u nooit meer doen.” Hij zegt het bozig en met venijn. Ik vraag of de kalk met de cholesterol te maken heeft. Nee. Ik krijg een wetenschappelijke verhandeling van een cardioloog uit Dirksland. Deze kalk is gewoon slijtage, heeft niets met cholesterol te maken. Uw cholesterol is overigens wel veel te hoog. Later blijkt dat een “beetje te hoog”, nadat ik een paar weken wat slordig met mijn medicijnen ben omgegaan.

De cardioloog laat me allerlei bewegende beelden op zijn scherm zien. Van mijn hart en van het hart van andere patiënten. Straks laat hij mijn hart aan andere patiënten zien. Overigens was zijn blik toch al 90% van de tijd op zijn beeldscherm gericht. Wel handig om nu samen op dat scherm te kijken. Ik begrijp dat mijn klep er niet goed uit ziet, maar dat het nauwelijks verder uit het onderzoek blijkt. Er is slechts sprake van een ‘mild’ drukverschil. Maar ja, die klep ziet er slecht uit. Vooral bij extreme duursport kan je met zo’n klep, na uitdroging, gaan flauwvallen. Ik meld dat ik dat probleem al lang herken, maar inmiddels heb opgelost door onderweg zout in te nemen. Ik ben dan ook benieuwd of hier sprake is van een nieuwe of van een oude kwaal. Als ik die vraag stelt, volgt er vooral irritatie. Dat het zijn advies is, en dat ik het allemaal zelf maar moet weten. En dat hij geen jurist is. Ziet hij mij daarvoor aan? Voelt hij zich in het nauw gedreven? Ik stelde geen juridische, maar slechts een methodologische vraag.

Vervolgens zegt de cardioloog woedend dat marathon-lopen ‘dodelijk’ is. Dat er afgelopen weekend in Rotterdam ook weer allerlei mensen zijn afgevoerd. Ik meld maar niet dat niemand is doodgegaan. Dat zijn schoonvader ook zo’n “idioot” is die alleen maar marathons wil lopen. En nooit de gevaren daarvan wil inzien. Ik ben even verbouwereerd. Ik ben niet erg geïnteresseerd in de schoonvader van de cardioloog. Ik kom hier voor mijn eigen hart. Maar daarna besef ik dat zijn advies om voortaan geen marathons meer te lopen dus weinig discriminerend is. Blijkbaar geeft hij dat advies aan iedereen. Als ik dat opper, zegt hij weer venijnig dat hij geen jurist is. Ik ook niet, maar dat doet blijkbaar niet terzake.

Inmiddels kan hij dat ene verontrustende plaatje van mijn hartklep niet meer terugvinden in zijn computer. Het mompelt dat hij verder onderzoek nodig heeft. Via de slokdarm. Het maakt allemaal geen sterke indruk. Na al die stelligheid over zijn schoonvader en mij hart. Hij vraagt: “Wat gaan we doen?” Ik zeg dat ik er eerst over wil nadenken. Hij stelt de vraag nog eens. Ik antwoord het antwoord nog eens. Hij zegt: dat betekent dat ik u nooit meer zal zien. Ik geef geen bevestigend antwoord. Ik ben even mijn assertiviteit kwijt. Later bedenk ik me dat ik die rare man luidkeels gelijk had moeten geven. Nee, natuurlijk kom ik nooit meer bij deze rare cardioloog in Dirksland? Alleen zijn gesprekstechniek is al een goede reden om nooit meer naar hem terug te gaan. Ik vrees dat die techniek nooit beter zal worden. Deze man weet immers alles altijd beter.

Op 24 april ga ik naar Paul van Dijkman. De man die zulke goede second opinions kan geven. Hij laat me onderzoeken. Weer een elektrocardiogram, weer een echo. En ja, er zit een beetje kalk op die ene klep. Niemand weet hoe lang die kalk er al zit. Maar het heeft geen enkel effect op mijn hart. Dat functioneert uitstekend. “Blijf jij lekker die gekke dingen doen.” “Blijf vooral marathons lopen”. En kom over twee tot drie jaar nog eens terug. Gaan we kijken of er niks is veranderd.

Marathons en ultralopen [gelopen en gepland]

april 30, 2017 by  
Filed under artikel, lopen

Hieronder een lijst met alle door mij gelopen marathons en ultralopen sinds 2000, plus de nog geplande lopen.

PlaatsAfstandDatumTijdAantekening
Rotterdammarathon16 april 200003:49:17Loopgek, pp. 43-46
Rotterdammarathon22 april 200103:37:04
Amsterdammarathon21 oktober 200103:48:36
Rotterdammarathon21 april 200203:27:38
Berlijnmarathon29 september 200203:22:24
Rotterdammarathon13 april 200303:22:03
Leidenmarathon8 juni 200303:53:49
Rotterdammarathon4 april 200403:23:23
Leidenmarathon13 juni 200403:38:04
Berlijnmarathon26 september 200403:17:36
Apeldoornmarathon29 januari 200503:35:23
Texel60 km28 maart 200505:22:02Loopgek, pp. 133-136
Rotterdammarathon10 april 200503:27:22
Leidenmarathon12 juni 200503:28:44
Jungfraumarathon9 september 200605:00:48Loopgek, pp. 119-122
Bunschoten50 km12 mei 200704:18:38Loopgek, pp. 29-31
Bruggemarathon8 juli 200703:27:00
Zeelandmarathon6 oktober 200703:35:53Loopgek, pp. 142-145
Spijkenissemarathon9 december 200703:36:07
Apeldoornmarathon3 februari 200803:40:54
Rotterdammarathon13 april 200803:18:27
Den Haag64.103 m [6-uurs]21 juni 200806:00:00Loopgek, pp. 79-82
Berlijnmarathon28 september 200803:29:32
Spijkenissemarathon7 december 200803:23:32
Apeldoornmarathon1 februari 200903:33:24
Texel60 km13 april 200905:14:01Loopgek, pp.133-136
Amersfoortmarathon14 juni 200904:00:41
Berlijnmarathon20 september 200903:13:56Loopgek, pp. 53-56, 65-70
Apeldoornmarathon21 februari 201003:32:48Loopgek, pp. 22-28
Rotterdammarathon11 april 201003:53:54Loopgek, pp. 47-49
Den Haag65.030 m [6-uurs]19 juni 201006:00:00Loopgek, pp. 83-86
Davos78,5 km [Swiss Alpine]31 juli 201010:20:44Loopgek
New Yorkmarathon7 november 201003:38:55
Rotterdammarathon10 april 201103:52:47
La Roche-en-Ardennemarathon5 juni 201104:32:08
Davosmarathon30 juli 201104:01:43
Berlijnmarathon25 september 201103:37:05
Amsterdammarathon16 oktober 201103:30:24
Rotterdammarathon15 april 201203:38:18
Den Haagmarathon13 januari 201304:33:14zie 1
Rotterdammarathon14 april 201303:44:07zie 2
Leidenmarathon26 mei 201303:47:54
Davos78,0 km [Swiss Alpine]28 juli 201312:45:41zie 3
Rotterdammarathon13 april 201404:12:55
Amersfoortmarathon15 juni 201404:10:23
Rotterdammarathon12 april 201504:26:34
Amsterdammarathon18 oktober 201504:07:04
Rotterdammarathon10 april 201604:04:16
Rotterdammarathon
9 april 201604:41:24
Leidenmarathon21 mei 2016

 

1 : Column over de strandmarathon

2 : Interview bij Radio Rijnmond

3 : Verslag in NRC

 

Professoren moeten geen actie voeren #Trouw

april 24, 2017 by  
Filed under artikel

En weer is er een open brief van hoogleraren in Trouw. Weer is Jan Rotmans de aanstichter. De energietransitie gaat veel te langzaam en het nieuwe kabinet moet miljarden investeren, de belasting vergroenen en die vijf kolencentrales snel sluiten.

Ik ben het loeiend eens met al die 12 aanbevelingen van die 90 hoogleraren. En toch irriteren die openbare brieven van hoogleraren me steeds meer. Om de simpele reden dat onderzoek niet aantoont wat je moet doen. Wetenschappers beschrijven in het beste geval de keuzes die voorliggen. Daarmee kleineer ik de rol van wetenschap in de politiek geenszins. Kennis moet beleid onderbouwen. Maar juist om gewichtig te kunnen zijn, zal de wetenschap terughoudend moeten zijn. Met name met het ventileren van privé-opvattingen. Want die 12 aanbevelingen van die 90 hoogleraren zijn gewoon privé-opvattingen van 90 willekeurige burgers. Niet belangrijker dan de privé-opvattingen van 90 benzinepomphouders.

Oké, ze zijn erg betrokken die 90 professoren. Daar hebben ze recht op en dat valt in hen te prijzen. Maar waarom krijgen nu juist altijd die hoogleraren weer een podium in Trouw? Of hebben die benzinepomphouders geen tijd om een stukje te schrijven. Laten we nu eens met elkaar vaststellen dat de mening van een wetenschapper ook maar gewoon een mening is.

Let wel, de kranten mogen wat mij betreft boordevol staan met analyses van wetenschappers. Vertel ons alles over de klimaatverandering, vertel ons alles over de rol van de mens in de klimaatverandering, vertel ons alles over mogelijke oplossingen. Maar laat ons zelf bepalen welke keuzes uiteindelijk moeten worden gemaakt.

Inderdaad, dit soort brieven irriteert me. En niet alleen vanwege de gedachte dat brieven met titels zwaarder moeten wegen. Ook vanwege de zelfingenomenheid van zo’n brief. Wat denken die 90 hoogleraren hier nou mee te bereiken? Laat ik eens even meedenken: wat zouden ze ermee kunnen bereiken?

Ten eerste: de brief krijgt veel likes op social media van mensen die er net zo over denken. Dat mag lekker voelen, maar daarmee heb je dus niets gewonnen.

Ten tweede: het is uitermate naïef om te denken dat die kabinetsformatie door zo’n brief anders gaat verlopen. Jan en Alleman sturen brieven naar de kabinetsinformateur. Een brief zou alleen zin kunnen hebben, als een nieuw inzicht wordt geboden of een nieuwe oplossing. Maar dat is het sluiten van 5 kolencentrales niet.

Ten derde getuigt het van zelfoverschatting om te denken dat zo’n brief andere mensen zal overtuigen. Alsof al die mensen het nog steeds niet goed hebben begrepen. Maar, helaas, Henk en Ingrid zullen hun mening niet plotseling bijstellen als ze de brief in Trouw driemaal hebben gelezen en viermaal hebben overdacht.

Ik vrees dat er iets heel anders gebeurt. Dat veel mensen gaan denken dat alle professoren links zijn, dat alle professoren tijd hebben voor het voeren van actie, dat alle professoren denken het altijd beter te weten. En dat er weer niet naar hen wordt geluisterd. Ik weet het: ik ken geen Henk en Ingrid’s. Ik kom uit hetzelfde gesloten intellectuele milieu. Maar als ik me probeer te verplaatsen in al die andere mensen, kan ik me een zekere irritatie heel goed voorstellen.

Dus wat bereik je met zo’n brief? Je bevestigt de linkse elite in hun mening, de politici hebben wel wat anders aan hun hoofd en de massa raakt geïrriteerd. Misschien kunnen de professoren zich beter op hun onderzoek richten. Om nog scherper te krijgen op welke vragen de politiek een antwoord moet geven.

 

[gepubliceerd in Trouw, 27 april 2017]

Was Teevendeal meer dan een inschattingsfout @bas_haan?

april 21, 2017 by  
Filed under artikel

Het boek lag al even op mijn bureau: De rekening van Rutte van Bas Haan. Maar toen ik eenmaal was begonnen, moest ik het uitlezen. Wat een goede journalist, wat een geweldig boek over de Nederlandse politiek. Haan verweeft kundig zijn eigen verhaal met het verhaal van de Teevendeal. Zijn verhaal is natuurlijk ook voor een belangrijk deel de Teevendeal. Hij heeft als journalist van Nieuwsuur de Teevendeal aan het licht gebracht. En hij heeft steeds weer nieuwe onthullingen gedaan, waardoor de Teevendeal groter en groter werd. Ja, je kan zeggen dat Haan er bijna persoonlijk voor heeft gezorgd dat drie bewindslieden (Opstelten, Teeven en Van der Steur) moesten opstappen, dat een zwakke Kamervoorzitter (Van Miltenburg) uiteindelijk weg moest en dat Rutte toch ook aanzienlijk is beschadigd. We zullen nooit weten welk deel van de acht zetels verlies bij de Kamerverkiezingen voor de VVD aan het werk van Bas Haan zijn te danken.

Zo was er maar één man die de Teevendeal zo van binnenuit kon beschrijven. En dat was Bas Haan. Eigenlijk kent het boek maar één bezwaar. De Teevendeal was nog niet ‘af’ toen het werd geschreven. Het boek is immers zelf het laatste zetje geweest dat Van der Steur te veel is geworden. Maar dat kan je auteur moeilijk kwalijk nemen. Laat hij voor een volgende druk maar een Epiloog schrijven met als boodschap: “Dit boek is Van der Steur te veel geweest”.

Haan beschrijft de Teevendeal als buitenstaander. Maar dat is hij allerminst omdat hij de kern van ‘Den Haag’ begrijpt, namelijk de eigen rationaliteit van Den Haag. Soms is het zinnig om in de politiek een onderscheid te maken tussen de inhoudelijke en de politieke rationaliteit. Natuurlijk is het inhoudelijk weinig rationeel om ons allemaal op de snelwegen 130 km te laten rijden om vervolgens verbaasd te zijn over de toename van het aantal verkeersdoden. Maar Den Haag is nu eenmaal niet alleen maar ‘inhoudelijk’ rationeel. Den Haag is die bijzondere mix van inhoudelijke én politieke rationaliteit. Die 130 km was namelijk politiek heel rationeel. Als je tweemaal de verkiezingen wint met behulp van de Telegraaf zal je toch echt een keer iets voor de automobilist moeten doen.

Die hele Teevendeal was ook een kwestie van politieke rationaliteit of juist van een gebrek aan politieke rationaliteit. En het knappe, maar ook het bijzondere van Haan is dat hij deze hele affaire in dat licht beschrijft. Hij laat zien dat de affaire in feite heel simpel was: men is ooit begonnen met een leugen en toen kon men niet meer terug. Liegen werd onvermijdelijk en daarom werd de Teevendeal zo aantrekkelijk voor een goede journalist. Want elke keer werd wel weer iets gezegd wat niet waar was.

Voor de herinnering. Ooit zegt Opstelten in de Kamer dat Teeven als Officier van Justitie in een eerder leven een deal heeft gesloten met een drugscrimineel. De crimineel zou na betaling van een boete 2 miljoen hebben teruggekregen van gelden waarop de overheid beslag had laten leggen. In werkelijkheid ging het om een bedrag van 4,7 miljoen (nog afgezien van alle roerende en onroerende goederen die aan deze Cees H werden teruggegeven). Die deal: die klopt niet, en dat weten alle betrokkenen, uitgezonderd Teeven. Dat zal de reden zijn geweest waarom de minister in de Kamer een lager bedrag heeft genoemd. Het is onduidelijk of Opstelten toen al heeft gelogen. Dat heeft hij in ieder geval daarna wel (en steeds weer) gedaan, en met hem het hele departement en de hele VVD, toen steeds duidelijker werd dat het niet om 2 miljoen ging, maar om 4,7 miljoen. Je kan je afvragen, en Haan doet dat, waarom men niet meteen eerlijk heeft toegegeven dat het bedrag toch hoger was. En dan komt Haan tot de kern: “Men dacht ermee weg te komen”.

Daarmee gaat het boek van Haan in de kern om ‘politieke rationaliteit’. Natuurlijk brengt liegen in de politiek gevaren met zich mee. Je kan erop keihard worden afgerekend als de leugen uitkomt. Maar als het niet uitkomt, hoef je ook niet te verantwoorden dat je eigen staatssecretaris in zijn verleden rare streken heeft uitgehaald. Dat was de keuze: of we liegen om de staatssecretaris uit de wind te houden en lopen daarmee een kleine kans om tegen de lamp te lopen of we vertellen de waarheid en moeten accepteren dat de staatssecretaris op zijn minst beschadigd raakt. Eigenlijk is het een soort wiskundige formule waarin ‘de kans op tegen de lamp lopen’ de uitkomst bepaalt. Bij een kleine kans lieg je, bij een grote kans accepteer je de schade aan de staatssecretaris.

Achteraf kan je stellen dat Opstelten, Teeven, Rutte en al die andere kornuiten van de VVD die kans te klein hebben ingeschat. Ze zagen niet in dat hun eigen paradepaard, namelijk één departement voor Veiligheid én Justitie, dat bovendien werd bemand door twee VVD-bewindslieden, in werkelijkheid al snel een kreupel paard was geworden. Ze zagen niet dat het onmogelijk was geworden om aan zo’n mega-departement leiding te geven. Ze zagen niet dat hun eigen gedram op veiligheid en repressie bij het hele justitiële apparaat op grote weerstand was gestuit. Ze zagen niet dat de rechtsstaat er juist is om crime-fighters als Teeven in toom te houden. Zo was er een geweldige voedingsbodem ontstaan voor de lekken die Ban Haan steeds weer een nieuwe scoop opleverden.

Bas Haan laat dus niet alleen zien hoe één leugen de VVD fataal wordt, hij laat ook zien hoe Den Haag werkt. En tegelijkertijd roept dat natuurlijk vragen op. Want wie vooral alleen maar bezig is met het inschatten van lekken heeft wel een heel cynische kijk op politiek. Kan ik ermee wegkomen of kan ik er niet mee wegkomen? Die vraag gaat helemaal voorbij aan de vraag: “Mag ik ermee wegkomen?”. Natuurlijk weten ze in Den Haag ook dat liegen niet mag. Maar het mag blijkbaar wel als je er zeker van bent dat het niet zal uitkomen. Het boeiende van Bas Haan is, dat hij blijkbaar zo geïnvolveerd is in Den Haag, dat hij die normatieve vraag (mag het wel?) nauwelijks stelt. Maar misschien heeft hij juist daardoor zo’n sterke reconstructie van de ‘feiten’ gemaakt.

Nieuwe jaargang #Triomf van de stad: vanaf nu aanmelden

april 20, 2017 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

In september 2017 start de leergang Triomf van de stad met een nieuwe groep. De 9e groep. Deelnemers kunnen zich vanaf nu aanmelden. De folder met het programma is hier te vinden: Triomf van de stad, jaargang 2017-2018: programma. Voor een beschrijving van de rode draad van de leergang zie Triomf van de stad: rode draad. Het programma en de opdrachten van de deelnemers van de jaargang 2016-2017 zijn gebundeld in: https://www.yumpu.com/nl/embed/view/tA6kUn12NxXb7HEo.

Veel #aardbevingen en nog meer onderzoek

april 13, 2017 by  
Filed under artikel

Onderzoek speelt een grote rol bij de aardbevingen in Groningen. Het begon al met het seismografische onderzoek dat te lang in een la van het Ministerie van EZ bleef liggen. En nadat al die bevingen hadden plaatsgevonden, moesten de gevolgen worden onderzocht. Hoeveel schade heeft de woning door de aardbeving geleden? Hoeveel zijn de huizen in waarde gedaald door de aardbevingen? Kunnen we het effect van de aardbevingen isoleren van andere mogelijke oorzaken? Tegen welke prijs moeten mensen worden uitgekocht?

Het is dan ook begrijpelijk dat de Nationaal Coördinator voor Groningen, Hans Alders, zeer geïnteresseerd is in al het onderzoek dat naar de gevolgen van de aardbevingen wordt verricht. Hij is ook zo wijs geweest om onderzoekers en belanghebbenden bij elkaar te brengen om in een open dialoog de kwaliteit van het onderzoek verder te verhogen. In Groningen hanteren ze voor dit proces de term ‘critical review’ van het onderzoek. De eerste critical review vond plaats in januari en februari van dit jaar. De review had specifiek betrekking op de waardeontwikkeling van de woningen. Ik heb deze critical review voorgezeten en samen met Marielle Gebben, Kirsten Krans en Tom Postmes vormgegeven. Hier blik ik terug. Ten eerste op de uitkomsten van de critical review en ten tweede op het instrument.

Onderzoek naar waardeontwikkeling

Wat was de situatie? Er bestaat nogal wat onderzoek naar de waardeontwikkeling van de woningen in het aardbevingsgebied. De vraagstelling is overal hetzelfde: wat is het effect van de aardbevingen op de prijzen van woningen in het gebied? Maar de uitkomsten zijn verschillend. Let wel, het gaat niet om de waardedaling van concrete huizen door geleden schade. Schade aan huizen wordt (als het goed is!) gewoon door de NAM vergoed. Het gaat hier om de waardeontwikkeling van alle woningen. Simpel gezegd: het gaat om de waardedaling vanwege de dreiging van nieuwe aardbevingen.

Die waardedaling laat zich nog niet zo eenvoudig vaststellen. Ten eerste bestaat geen eenduidigheid over de grenzen van het bevingsgebied. Ook in de stad Groningen worden de bevingen gevoeld, maar is de stad daarmee ook bevingsgebied? Ten tweede is het de vraag waarmee de feitelijke waardeontwikkeling moet worden vergeleken. Oost-Groningen is immers een krimpgebied, waar de huizenprijzen zich anders ontwikkelen dan in Amsterdam en Utrecht. Maar de krimp is ook voor een deel een gevolg van de aardbevingen. Dus wanneer we ‘controleren’ op krimpgebieden, zouden we een deel van het effect van de aardbevingen missen. Ten derde: elk gebied heeft een specifiek huizenbestand. En wie iets wil zeggen over het effect van de bevingen, zal de waardeontwikkeling van de huizen moeten vergelijken met de ontwikkeling in een vergelijkbaar huizenbestand. In hoeverre laat een flat in Terneuzen zich vergelijken met een arbeiderswoning in Loppersum?

Dat de uitkomsten van dit onderzoek op ‘macro-niveau’ (we kijken immers naar de algemene prijsontwikkeling van huizen in het hele gebied) verschillend zijn, is dus niet zo verrassend. Eerder was het verrassend dat het effect van de bevingen op de prijsontwikkeling zo gering was: de meeste onderzoekers concludeerden dat de woningen door de bevingen 2 tot 4% in waarde waren gedaald. Een uitkomst die zeker voor de bewoners anti-intuïtief was. De argwaan werd versterkt door het feit dat een aantal onderzoekers ook onderzoek in opdracht van de NAM had gedaan. Hoe groot was hun onafhankelijkheid nog?

Wat behelst nu die critical review? In feite niet meer dan het organiseren van een dialoog tussen onderzoekers onderling en tussen onderzoekers en belanghebbenden. We hebben eerst de onderzoekers aan tafel genood. Dat leverde al tal van vragen op. Daarna hebben we tal van burgers, actiegroepen en maatschappelijke partijen uitgenodigd om bij ons hun vragen neer te leggen. Deze vragen zijn doorgegeven aan de onderzoekers. En op 11 februari zijn alle partijen samengekomen in een kerk in Groningen. Om gezamenlijk over deze vragen te discussiëren. Het gesprek kreeg een extra impuls door de deelname van drie onafhankelijke deskundigen, die meteen maar met ‘Kroonlid’ werden aangesproken: dr Krijn van Beek, prof dr Dorien Manting en drs Jan Nekkers. [Voor een uitgebreider verslag zie: hier]

Conclusies van de critical review

In het verslag zijn de conclusies van de dag beschreven. Ik vat ze samen. Voor mij staan vier conclusies centraal.

Eén: de onderzoekers hebben vastgesteld dat er niet heel veel voor nodig is om onderling tot meer overeenstemming te komen. Ofwel: het onderzoek op macroniveau kan relatief eenvoudig eenduidiger worden gemaakt. Het is ook goed om dit te doen. Wel is het van belang om bij een nieuw onderzoek de belanghebbenden meer te betrekken. In de regel spreken onderzoekers te weinig met belanghebbenden.

Twee: nieuw en beter onderzoek op macro-niveau is geen oplossing voor de betrokkenen. Om twee redenen. Extra onderzoek zal het vertrouwen van burgers in onderzoek niet vergroten. Het vertrouwen in de overheid, in de NAM en in het onderzoek is in het bevingsgebied om begrijpelijke redenen minimaal. Dat wordt niet beter, alleen omdat wetenschappers het onderling eens worden. Bovendien kan macro-onderzoek nooit betrouwbare uitspraken doen over de waardeontwikkeling van individuele panden. Bij onderzoek naar de waardeontwikkeling in het gebied gaat het om grote aantallen en om betrouwbaarheidsmarges. Zelfs voor uitspraken op postcode-niveau zijn de aantallen (meestal) al te gering. Maar ook op postcodeniveau weten we nog niet of het huis van je buurman in de steigers staat. Want juist die steigers verpesten de waarde van je huis.

Drie: deze laatste conclusie heeft ook grote betekenis voor de wijze waarop de NAM tot op heden het waardeverlies van huizen compenseert. Voor de duidelijkheid: de NAM keert alleen uit als je je huis verkoopt en niet, als je dat niet wil of niet lukt. Ik heb me tijdens deze critical review door veel mensen laten uitleggen hoe deze compensatie-regeling (spreek uit: waarderegeling) werkt. Dat ik mijn vraag steeds moest herhalen, zegt veel over de transparantie van de regeling. Laat ik hem proberen samen te vatten in eigen woorden. Als je compensatie vraagt, baseert de NAM zich zowel op een rapport van een taxateur als op vergelijkingscijfers met andere krimpgebieden. Een enkele taxateur heeft zijn eigen vergelijkingscijfers (omdat hij zowel in het bevingsgebied komt als daarbuiten). Daarmee is al onduidelijk wat de rol van de taxateur is. Maar bovendien doet de NAM dus iets wat fundamenteel niet betrouwbaar kan: het doorvertalen van generieke cijfers van elders naar individuele woningen in dit gebied. Wat het macro-onderzoek niet kan, kan de NAM niet plotseling wel. De formele conclusie van de critical review was voorzichtiger, maar met hetzelfde resultaat: het huidige model van de waarderegeling is ‘onvoldoende uitlegbaar’ en er moet op korte termijn een ‘eenvoudig en transparant alternatief’ voor de waarderegeling worden verkend.

Vier: het onderzoek neemt een te dominante plaats in, in het beleidsproces en in het debat. Omdat de politiek niet bereid is om ruimhartig te compenseren, wordt het onderzoek geconfronteerd met overtrokken verwachtingen. En overtrokken kritiek. Bovendien wordt het onderzoek speelbal in een politieke strijd. Laat onderzoekers doen waar ze goed in zijn: het doen van onderzoek. En laat de politiek beslissen hoe karig of hoe ruimhartig de slachtoffers van de bevingen worden gecompenseerd voor hun verliezen.

De waarde van een critical review

Ook op een ander niveau zijn conclusies te verbinden aan deze critical review. Wat is bijvoorbeeld de functie van een critical review? Het is nog te vroeg om definitieve conclusies te trekken. De waarde van een critical review hangt immers ook af van de betekenis die betrokkenen aan de review (gaan) geven. Als Nationaal Coördinator Hans Alders de conclusies van de review uiteindelijk negeert, heeft een dergelijke review weinig betekenis. Als hij ze daarentegen aangrijpt om een streep te zetten door de huidige compensatieregeling, is de betekenis plotseling heel groot.

Voorlopig stel ik vast dat de critical review in ieder geval heeft geleid tot een open dialoog tussen onderzoekers onderling en tussen onderzoekers en belanghebbenden. Dat onderzoekers (te) weinig met elkaar praten, is misschien verrassender dan dat onderzoekers (te) weinig met belanghebbenden praten. In ieder geval hebben de belanghebbenden door deze dialoog meer inzicht gekregen in het onderzoek en zijn onderzoekers beter gaan begrijpen hoe groot de gevolgen van hun onderzoek kunnen zijn. Beide partijen zijn elkaar beter gaan begrijpen. Daarmee vergroot je met zo’n critical review de transparantie én ook de bruikbaarheid van het onderzoek.

Daarnaast leidt een critical review tot een betere weging van het bestaande onderzoek. Onderzoek is nooit absoluut. Er zijn altijd verschillen in uitkomst. Hetzelfde probleem wordt vaak weer net even anders onderzocht. Dat leidt niet tot de conclusie dat iedereen een beetje gelijk heeft. De ene onderzoeker doet echt beter onderzoek dan de ander. Daarmee leidt het debat over onderzoek tot kwaliteitsoordelen. Daardoor ontstaat door een critical review meer eenduidigheid over de uitkomsten. Je zag dat in Groningen ook nadrukkelijk gebeuren.

Ten slotte laat een critical review van onderzoek ook goed zien wat de politieke betekenis van het onderzoek is. Wat ‘zegt het’, wat ‘zegt het niet’? Wat kan je ermee, wat kan je er niet mee? Waar houdt de kennis op en waar moeten de politieke beslissingen worden genomen. Goed beleid is altijd een goede mix van kennis en politieke beslissingen. In Groningen ligt het accent tot op heden te veel bij de kennis, waardoor de rol van de onderzoekers te groot is geworden en de onderzoekers ook de kritiek krijgen die eigenlijk voor de politici is bedoeld.

Volgende pagina »