De #NOVI als vrijwilligerswerk

januari 24, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Het kan dus toch. Een nationale visie schrijven voor de ruimtelijke ordening. Lees Klein land, grote keuzes van de onafhankelijke denktank Denkwerk. En je denkt: hoe eenvoudig kan het zijn. 

Ik kende Denkwerk nog niet. Ik kende slechts enkele leden. Maar ik zal ze na vandaag niet meer vergeten. Denkwerk wilde een soort NOVI (Nationale Omgevingsvisie) schrijven en vroeg zich af wat daarvoor nodig is. Hun recept is eenvoudig:

  1. Beschrijf de huidige situatie. 
  2. Beschrijf welke trends om ruimtelijke antwoorden vragen.
  3. Weeg de ruimtelijke wensen tegen elkaar af. 

Zeg maar: een frisse combinatie van gedegen kennis en goede politieke keuzen. 

De huidige situatie beschrijven ze maar summier. Ze laten zien hoe de ruimte over de verschillende functies is verdeeld. En ze wekken vooral de indruk de situatie te kennen. Zo laten ze zich negatief uit over verrommeling en verdozing van het landschap en over de versnippering van het Groene Hart. En beseffen heel goed dat Nederland ook krimpregio’s kent.  Belangrijk is dat ze Nederland eerder als een dunbevolkte stad zien dan als een dichtbevolkt land. Dat is vruchtbaar. 

Dan de trends. 

Ten eerste moeten in de komende decennia 1,6 miljoen nieuwe woningen worden gebouwd. Denkwerk verzet zich tegen het ‘paradigma’ van de stedelijke verdichting. Om de simpele reden dat al die woningen waaraan behoefte is niet binnen de stedelijke grenzen kunnen worden gebouwd. Er is immers vooral behoefte aan eengezinswoningen en aan goedkope woningen. En de markt bouwt in de stad vooral te dure appartementen. Denkwerk becijfert dat 35% van de woningbehoefte binnen de steden kan worden geaccommodeerd. Daarom hebben we buiten de steden 300 vierkante kilometer nodig voor de bouw van een miljoen nieuwe woningen. En daarvoor zal de landbouw moeten wijken, vanuit de heldere keuze dat de landbouw niet tweederde van alle ruimte hoeft te behouden. Bovendien worden 300 vierkante kilometer nieuwbouw nog eens gecompenseerd met 300 vierkante kilometer nieuwe natuur. Bouwen in het Groene Hart hoeft niet te worden geschuwd, omdat het gebied al erg versnipperd is en omdat de woningbehoefte in de Randstad het grootste is. En de eigenaren van de grond moeten meebetalen aan de ontwikkeling van het gebied, ook aan de nieuwe natuur. 

Ten tweede vergt de energietransitie heel veel ruimte. Ook als we grote delen van de Noordzee beplanten met windmolenparken en alle daken van bestaande gebouwen benutten voor zonnepanelen, is er nog een kwart van Nederland nodig om voldoende duurzame energie op te wekken. Ook hier volgt een heldere keuze: 25% van Nederland opofferen aan zonnepanelen en windmolens is te veel van het goede. Daarmee wordt de identiteit van Nederland te zeer aangetast. Bovendien wordt overtuigend beargumenteerd dat er onvoldoende draagvlak is voor zo’n drastisch besluit dat bovendien 40% van de landbouwgrond zou vergen. Dat gaat Denkwerk te ver. De conclusie: we hebben kernenergie nodig (met 6 kerncentrales kan de helft van de energie-opwekking op land worden doorgestreept), energie-import (doen we nu ook al) en CCS (afvang van CO2). 

Ten derde zal de behoefte aan mobiliteit toenemen. Nieuwe infrastructuur is volgens Denkwerk geen oplossing. Dus hier geen nieuwe ruimteclaims. (Wat asfalt betreft volg ik die conclusie, maar een extra metrolijn kan wat mij betreft geen kwaad.) De mobiliteit kan vooral veel slimmer, waardoor de capaciteit van de infrastructuur enorm kan worden uitgebreid. Onder andere wordt voorgesteld om banen op snelwegen vrij te maken voor een netwerk van snelbussen. 

En dan hebben we het nog niet over de scherpe conclusie dat nationaal beleid voor alle oplossingen onmisbaar is. Je hebt een nationale overheid nodig die individuele gemeenten overruled die de noodzakelijk nieuwbouw aan de buurgemeente wil overlaten. Je hebt een nationale overheid nodig die richting geeft aan de energietransitie en die ervoor zorgt dat er geen energieparken worden aangelegd waar de woningnood het hoogste is. Je hebt een nationale overheid nodig die nadrukkelijk kiest voor een slimmere mobiliteit. En natuurlijk blijft er nog genoeg te doen op lokaal niveau. Zoals Denkwerk zegt: de centrale overheid gaat over het wat, de lokale overheden over het hoe. Het lijkt me een uitstekend adagium. 

Natuurlijk, het plan is niet helemaal compleet. Ik mis de klimaatadaptatie (waar gaan we wonen als de zeespiegel omhoog gaat). Ik mis de vliegtuigen (uitbreiding luchthavens is niet nodig), ik mis de recreatie (niet in natuurgebieden), ik mis de bedrijventerreinen (stop de woeker). Maar dat doet niets af aan de zuivere, goede onderbouwde redeneringen die hier worden opgezet. En ja, politieke keuzes kunnen altijd worden bestreden. Maar hier worden in ieder geval keuzen gemaakt. 

In dat opzicht ontkom je niet aan een vergelijking met de NOVI, die na jaren van poetsen en plakken inmiddels de fase van ‘concept’ heeft bereikt. Vergeleken bij deze heldere visie is de NOVI een warm bad van zachte modder, waarin niet één keuze wordt gemaakt en waarin vergeten wordt cijfers aan te dragen waarop eventuele keuzen kunnen worden gebaseerd. Ik weet het, dat is een scherp oordeel.  Maar het contrast tussen het vrijwilligerswerk van deze acht leuke lieden en de tekst van die honderden deskundige ambtenaren is gewoon te groot. Hopelijk draagt dit heerlijke rapportje ertoe bij dat het departement uit zijn verlamming wordt bevrijd. 

Treurig Nederland

januari 21, 2020 by  
Filed under artikel, De Stad, Geen categorie, Voorpagina

Lees het boek Treurtrips van Mark van Wonderen en gruwel over de vele lelijke plekken die Nederland rijk is. Gelukkig is het geen systematisch, laat staan representatief overzicht, toch wordt duidelijk hoeveel lelijke plekken in Nederland vallen te ontdekken. De ondertitel luidt niet voor niets (Het)ontdek Nederland! Het typeert de sfeer van het boek dat de vele prachtige foto’s niet alleen gelardeerd worden door een geestige tekst, maar dat de lezer ook geholpen wordt met kaarten van ‘inspirerende fiets-, wandel- en scootmobielroutes’. 

Maar de analyse ontbreekt. Daarom zou het een geschikt boek zijn voor een cursus planologie. Ik zou de cursisten twee dingen willen vragen: wat zijn ‘lelijke’ plekken en waar treffen we die vaak aan? De vraag ‘wat is een lelijke plek’ lijkt nogal subjectief. Maar hij is veel minder subjectief dan op het eerste gezicht lijkt. Lelijke plekken zijn vooral onherbergzame plekken, plekken waar je je niet geborgen voelt, plekken waar de onveiligheid tiert. Er zijn ongetwijfeld een paar planologen te vinden die liefkozend over ‘rafelranden’ zullen spreken, maar de meeste mensen zouden op dit soort ‘lelijke’ plekken vooral niet willen zijn. 

Waar vinden we dat soort plekken en hoe zijn ze ontstaan. Ik tel door mijn oogharen vijf soorten lelijke plekken. 

Aan de randen van de steden: hoe mooi de binnensteden van Amsterdam, Rotterdam of Dordrecht ook mogen zijn, de lelijke plekken aan de randen van de stad zijn vaak schrijnend. Misschien kunnen we beter spreken over de achterkant van de steden. Van Wonderen maakt een verbluffende reportage over de metrolijn Hoek van Holland – Nesselande, met veel opvallende lelijkheid. Maar ook de buitenwijken van Dordrecht en Amsterdam-Noord tellen veel lelijke plekken. 

Perifere gebieden: Velsen heeft wonderschone lelijke plekken, maar dat geldt al evenzeer voor de echte krimpgebieden: Zeeuws-Vlaanderen, Parkstad Limburg (wie ooit die naam heeft bedacht) en Delfzijl, Drachten en de veenkoloniën in Groningen en Drenthe. Het zijn de gebieden waar de industrie nog dominant is, of waar de industrie juist al is verdwenen. Velsen (IJmuiden) zucht onder de Hoogovens, in Drachten worden nog scheerapparaten gemaakt door Philips, maar in de veenkoloniën zijn de strokartonfabrieken al lang gesloten, net zoals de mijnen in Heerlen. 

Bedachte gebieden: deze categorie is zorgelijker voor de planologen in mijn klasje. Het lijkt alsof er een nauwe correlatie bestaat tussen het aantal lelijke plekken en de mate van overheidsbemoeienis. Natuurlijk, het verbaast niet dat Lelystad uitgebreid wordt geportretteerd. Maar ook Almere, Zoetermeer (station!) en dat arme Delfzijl dat ooit100.000 inwoners had moeten gaan tellen. Het zou een boeiende vraag zijn voor een proefschrift: wie heeft er meer lelijke plekken op zijn geweten: de markt of de overheid? 

Modernistische plekken: het zal niet verbazen dat de nieuwbouw uit de jaren 60 en 70 veel lelijke plekken heeft opgeleverd. De vreselijke galerijflats met ingebouwde onveiligheid worden op tal van plekken al weer afgebroken, met ook hier de Bijlmer als hoogtepunt. Toch staat de modernistische stedebouw in veel opleidingen nog te boek als een hoogtepunt. Maar heldere maquettes verhullen de onveiligheid en de lelijkheid op de begane grond. En die les kunnen nog steeds veel architecten en stedebouwkundigen ter harte nemen. 

Overdekte winkelcentra: de treurigheid van winkelleegstand is vooral zichtbaar in die vreselijke overdekte wijkwinkelcentra die overal in Nederland sinds de jaren 70 zijn verrezen. Te weinig kwaliteit. Te gewoon. En blijkbaar werkt dat concept van overdekte winkelstraten in Nederland niet goed, ondanks de regen en wind die ons klimaat kenmerken. En als de leegstand toeslaat, zijn de lelijke plekken dichtbij. Eerlijk gezegd heb ik die voorkeur voor overdekte winkelcentra nooit begrepen. Wie de schoonheid van veel binnensteden beter had begrepen, was er nooit aan begonnen. 

Daarmee verwijzen de ‘lelijke plekken’ van Van Wonderen sterk naar de jaren 60, 70 en 80 van de vorige eeuw.  Veel van wat toen is bedacht, leidt nu tot een mooi boek over lelijke plekken. 

De paradox van de nationale ruimtelijke ordening (#NOVI)

december 31, 2019 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Ik heb het even nagezocht: het ministerie van Binnenlandse Zaken kent een directoraat-generaal Bestuur, ruimte en wonen en dit DG kent een directie Ruimtelijke ordening. En deze directie heeft een waarnemend directeur. Maar dat laatste terzijde. Eigenlijk is hier sprake van een paradox, van een pijnlijke paradox. Omdat de visie van het kabinet op ‘ruimtelijke ordening’ een werkelijke ordening van de ruimte in de weg staat. 

Bij ruimtelijke ordening gaat het in essentie om het verdelen van ruimte over de verschillende maatschappelijke behoeften. Daar kan je lang over praten, maar de essentie is dat daarbij behoeften (belangen) tegen elkaar worden afgewogen omdat de ruimte (net als geld) eindig is. Er zijn altijd meer wensen dan er vervuld kunnen worden. We kunnen dit belangenconflict op twee manieren oplossen: of een democratisch gelegitimeerde overheid beslist of het recht van de sterkste geldt. Er zijn goede redenen om voor het eerste te kiezen (hoewel de uitkomst vaak een wonderlijk mengsel is van beide). De belangrijkste: ruimte is een collectief goed. Ruimtelijke ordening is geen conflictbeslechting tussen twee partijen, maar raakt ons allen, omdat de ruimte van ons allemaal is.

Vanuit welke discipline ik ook redeneer, ik ontkom er niet aan om de ordening van de ruimte in handen van de overheid te leggen. Dat vergt niet alleen dat de overheid keuzes maakt, maar ook de macht heeft om die keuzes te effectueren. Zo was de Wet op de Ruimtelijke Ordening uit 1965 ook bedoeld. In bestemmingsplannen werden de keuzen van de lokale overheid juridisch bindend vastgelegd. En gemeenten waren gebonden aan hogere plannen. Zo kregen de nationale Nota’s over de Ruimtelijke Ordening (nationale visies op de gewenste ruimtelijke ordening) grote betekenis voor de inrichting van het land. In de jaren 70 werd  de suburbanisatie gebundeld door groeikernen te ontwikkelen, in de jaren 90 werden stedelijke uitbreidingen (Vinex) in de directe nabijheid van stedelijke centra gerealiseerd. Inderdaad, ruimtelijke ordening vergt: 1 afwegen en keuzes maken, 2 doorzettingsmacht en 3 visie. Als één ontbreekt gaat het al mis. En als 1 en 2 ontbreken, hoef je eigenlijk niet meer aan 3 te beginnen. 

Ik zie in de recente geschiedenis drie momenten waarop het model van de ruimtelijke ordening fundamenteel is ondermijnd. Oorspronkelijk noemden we ruimtelijk beleid met reden ‘facet-beleid’. Facetbeleid oversteeg sectoraal beleid. De sectoren vertegenwoordigden de verschillende maatschappelijk belangen: landbouw, wonen, industrie, natuur, erfgoed, vervoer, etc.). Onderling vochten zij om ‘geld’ en ‘ruimte’. De minister van Financiën beslechtte het conflict over geld en de minister van Ruimtelijke ordening het conflict over de ruimte. De eerst vanuit een bepaalde visie op de overheidsfinanciën en op de economische ontwikkeling van het land, de tweede vanuit een bredere ruimtelijke visie, waarin het belang van economische groei en het belang van sociale rechtvaardigheid altijd een dominante rol speelden. Gaandeweg is dat idee van een overkoepelende ruimtelijke visie verlaten. De sectoren begonnen onderling de ruimte te verdelen, waarbij het recht van de sterkste opgeld deed. En de Ruimtelijke Ordening werd steeds meer een eigen sector die zich bekommerde om ‘ruimtelijke kwaliteit’. De uitkomst van de machtsstrijd tussen de sectoren moest er wel een beetje leuk uit zien. Het was de tijd waarin minister Cramer zich zorgen maakte over ‘Mooi Nederland’ en ‘snelweg-panorama’s. 

Met name minister Sybilla Dekker is verantwoordelijk geweest voor de tweede ondermijning van de ruimtelijke ordening. De Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening werd vervangen door de Nota Ruimte. Een heel dik boekwerk, maar eigenlijk was het in twee zinnen samen te vatten. Centraal wat centraal moet, lokaal wat lokaal kan. En: centraal hoeft er eigenlijk niks. Want ondanks die mooi eerste zin, werd de nationale ruimtelijke ordening nooit verder ingevuld. Volgende regeerakkoorden vermeldden dan ook doodleuk dat er geen ‘nationale ruimtelijke ordening’ meer was. Het argument was simpel: de ruimte kan veel beter door de gemeenten worden ingericht. Het is immers hun ‘leefomgeving’. Maar in feite ging het om een veel politieker statement: bij de ruimtelijke ontwikkeling moest het recht van de sterkste gelden. Dat paste veel beter bij de neoliberale tijdgeest, paste veel beter bij een VVD-minister en paste veel beter bij de afkeer bij velen van het maakbaarheidsdenken van ‘links’ waarvan de ruimtelijke ordening lange tijd het icoon is geweest. 

In het laatste decennium is het denken in termen van decentralisatie nog verder doorgeschoten. Zoals de samenvatting van de Nationale Omgevingsvisie vermeldt: “Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers.” Bij het verdelen van de ruimte, gaat het niet meer om het beslechten van belangenconflicten, maar om ‘samenwerking’. Maar het helpt niet om over ‘goede’ samenwerking te schrijven als het om echte belangenconflicten gaat en de noodzaak van fundamentele keuzen blijft bestaan. Daarmee werd de ruimtelijke ordening voor de derde maal ondermijnd.

Of deze ontwikkelingen onvermijdelijk zijn, laat ik hier onweersproken. Hoe het verder moet, is hier ook niet aan de orde. Voor dit moment trek ik slechts de conclusie dat je drie ingrediënten nodig hebt als je de ruimte wilt ordenen: afwegingen en keuzen, macht om die keuzen te effectueren en visie om tot een juiste afweging te komen. En ik constateer dat de eerste twee momenteel ontbreken. Dan heeft het werken aan een visie weinig zin. Ook als je bewust het woord ruimtelijke ordening vermijd. Want dat laatst is slechts een schijnoplossing. 

De zelfreferentiële wetenschap

december 23, 2019 by  
Filed under artikel, Geen categorie

De Volkskrant meldt dat mannelijke wetenschappers meer over hun eigen werk ‘jubelen’ dan hun vrouwelijke collega’s. En wie zijn eigen werk meer bejubeld, wordt vaker geciteerd. En wie vaker wordt geciteerd heeft meer aanzien en krijgt meer subsidie. Zo verdedigen de mannen hun plekje op de apenrots. Ik hoop dat vrouwen niet hetzelfde gaan doen. Zich op de borst kloppen vanwege eigen vermeende wetenschappelijke prestaties. 

Voor mij staat dit onderzoekje overigens voor iets heel anders: de dolgedraaide wetenschap, waarin het aantal gepubliceerde artikelen én het aantal keren geciteerd worden, de norm is geworden voor alles. En vooral voor de wetenschappelijke status. Om een mooie term te gebruiken: het systeem is zelfreferentieel geworden. Ze verwijzen alleen nog naar zichzelf. De aap naar wie het meest wordt verwezen, mag boven op de rots, sorry krijgt de prijzen en de subsidies. 

Ik weet het, het lijkt niet onlogisch. Er moet toch een reden zijn om iemand een subsidie te geven of professor te maken. Maar ik weet niet of al die artikelen (ik vermijd hier het woord zelf-plagiaat) en al die citaties (ik vermijd hier het woord vriendendienst) ook alles zeggen over waar de wetenschap toe dient: ons dingen te doen begrijpen die we eerder nog niet begrepen. En daarbij doel ik bij ‘ons’ en ‘wij’ op mensen zoals u en ik. Op de burgers in de samenleving die het beoefenen van wetenschappen mogelijk maken. We organiseren die universiteiten toch vooral om ten behoeve van de samenleving ‘dingen te begrijpen die we eerder nog niet begrepen’?  

Ho, ho, ik verlang niet alleen toegepast onderzoek. Ik ben een groot liefhebber van fundamenteel onderzoek. Omdat we niet op voorhand weten wanneer de samenleving profijt zal hebben van het denkwerk van knappe mensen. Maar uiteindelijk wil ik toch wel dat moeilijke formules leiden tot de ontwikkeling van een iPad, dat fundamenteel onderzoek leidt tot betere behandelmethoden in de ziekenhuizen, dat psychologen geen artikelen tellen, maar onze therapeuten betere handvaten geven om ingewikkelde psychische ziektebeelden te duiden, dat bestuurskundigen ambtenaren een beter inzicht geven in hun eigen handelen. 

Grappig dat de Nobelprijs nog steeds wordt gegeven aan mensen die echt iets hebben ‘uitgevonden’, ongeacht hoeveel keer ze binnen het zelfreferentiële systeem van de wetenschap zijn geciteerd. Het zou mooi zijn als dat weer de norm werd. Je krijgt pas subsidie, je wordt pas professor als je dingen heb bedacht die voor de samenleving van nut kunnen zijn. 

De Belastingdienst moet geld innen

december 12, 2019 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Natuurlijk is staatssecretaris Menno Snel verantwoordelijk voor alle schrikbarende fouten van de Belastingdienst. Maar de politiek had ook nooit mogen besluiten om de Belastingdienst verantwoordelijk te maken voor het uitdelen van toeslagen. Ik geef toe: ik heb daar een rol in gehad.

Ergens in de jaren 90 werd ik voorzitter van een commissie, die moest adviseren over de ‘harmonisatie van het inkomensbegrip’. Inderdaad, onbegrijpelijke Haagse taal. Acht departementen waren in de commissie vertegenwoordigd. Het probleem zou zijn dat al die inkomensafhankelijke regelingen (huursubsidie, kinderopvang, kwijtschelding lokale lasten, aanvullende studiebeurs) uitgingen van een ander inkomensbegrip. De commissie had weinig zin in dit gemillimeter. Iemand riep: moeten we niet aantonen dat al die inkomensafhankelijke regelingen leuk lijken voor de bühne, maar eigenlijk zouden moeten worden afgeschaft? De commissie werd enthousiast en schreef tot schrik van het kabinet een rapport waarin werd geconcludeerd dat al die inkomensafhankelijke regelingen meer nadelen dan voordelen hadden.

De drie belangrijkste nadelen. Ten eerste het niet-gebruik, omdat de regelingen vaak te ingewikkeld zijn en de mensen die ervan gebruik moesten maken, vaak te onderontwikkeld. In die tijd ontving 30% van de mensen die recht hadden op huursubsidie, geen huursubsidie. Omdat ze vergaten hem aan te vragen, omdat ze niet wisten hoe ze hem moesten aanvragen of omdat ze dachten dat zij toch nooit door de overheid werden geholpen. Ten tweede verstoren inkomensafhankelijke regelingen de markt. Mensen die recht hadden op gesubsidieerde kinderopvang bleken bijna nooit hun ouders in te schakelen, terwijl mensen die geen subsidie kregen hun kinderen meestal bij hun ouders parkeerden. Ofwel: mensen hadden hun subsidie liever aan iets anders besteed. We waren dus bezig met inkomenspolitiek (tegengaan van armoede), terwijl de betrokkenen het extra geld zelf liever aan iets anders hadden besteed (en hun ouders hadden gevraagd om een paar dagen per week op de kinderen te passen). Ten derde leiden al die regelingen tot de ‘armoedeval’, wellicht het grootste probleem. Door al die inkomensafhankelijke regelingen verloor je vaak zoveel geld als je weer ging werken, dat het aantrekkelijker was om werkloos te blijven. 

Simpel gezegd: het systeem was veel te ingewikkeld geworden. En de neveneffecten waren groter dan wat met de regelingen werd beoogd. Uiteindelijk waren al die inkomensafhankelijke regelingen inkomenspolitiek verpakt in een aantal goede bedoelingen. Overigens is dat nog steeds niet veranderd. Alleen heten die inkomensafhankelijke regelingen tegenwoordig vaak inkomensafhankelijke toeslagen. En daarvoor was mijn commissie verantwoordelijk.

Dat zat zo. De commissie begreep heel goed dat een algehele verhoging van het minimumloon en van de uitkeringen (met tegelijkertijd wegstrepen van alle inkomensafhankelijke regelingen) politiek niet haalbaar was en ook wel heel veel zou kosten. Daarom stelde de commissie voor om inkomensafhankelijke regelingen voortaan te integreren met de inkomstenbelasting. Wie hypotheek heeft op een huis mag de hypotheekrente aftrekken van het belastbaar inkomen. Waarom zouden arme mensen de huur van hun huis niet mogen aftrekken? Zo zou je dat hele ingewikkelde systeem van inkomensafhankelijke regelingen kunnen versimpelen. En bovendien had iemand overzicht over het geheel: de Belastingdienst. Zo kon je ook die armoedeval voorkomen.

Ach, ach, wat was het een goed plan. Maar Den Haag schrok zich een hoedje. Ieder departement was trots op zijn eigen regeling. Dus na vele jaren trok men de verkeerde conclusie dat de Belastingdienst verantwoordelijk moest worden gemaakt voor de uitvoering van al die eigen regelingen. Er kwam geen aftrekpost voor huren, maar een huurtoeslag uit te voeren door de Belastingdienst. Terwijl de Belastingdienst goed is in belastingen met al die aftrekposten. Dus in het innen van geld en niet in het uitdelen van geld. 

Het zit in de genen van de Belastingdienst dat ze geld van je willen hebben. Dat soort mensen worden logischerwijs gek van de gedachte dat ten onrechte te veel geld wordt uitgedeeld. Met dat soort genen vind je het prettiger om liever te weinig dan te veel uit te geven. 

Mag ik meer dan 20 jaar na dato namens mijn commissie nog eens melden dat wij nooit hebben voorgesteld om al die regelingen door de Belastingdienst te laten uitvoeren? Wij stelden ‘slechts’ voor om al die regelingen op te doeken en onrechtvaardigheden voortaan via de inkomstenbelasting te repareren. Had men ons advies maar opgevolgd, dan had Menno Snel nu kunnen blijven zitten.

We rijden vanaf vandaag 100 km

november 28, 2019 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Het is een ‘rotmaatregel’. Volgens de VVD. Om de stikstof-uitstoot te beperken mogen we nog maar 100 km per uur rijden. Overdag, in het hele land. 

Overigens is dit geen rotmaatregel, maar een voortreffelijke maatregel. De uitstoot van stikstof daalt aanzienlijk bij 100 km. Ja, ook als we verdisconteren dat je 5 minuten later ter plekke bent. Fijn voor de natuur. De uitstoot van CO2 is aanzienlijk lager. Fijn voor het klimaat. Er is veel minder lawaai bij 100. Fijn voor de omwonenden. Er zijn veel minder verkeersongelukken en er vallen minder doden in het verkeer bij 100. Vooral fijn voor de nabestaanden. En er zijn bij 100 veel minder files, omdat er meer auto’s tegelijk over een weg gaan als ze langzamer rijden en omdat er minder ongelukken zijn die files kunnen veroorzaken. Fijn voor de automobilist.

Het zijn allemaal bekende feiten. Die iedereen overigens op zijn eigen wijze mag wegen. Want, eerlijk gezegd: het is ook lekker om hard te rijden. Dat heerlijke gevoel om op de linkerbaan al die andere auto’s met grote snelheid te passeren. Persoonlijk reed ik altijd met liefde 130 of zo mogelijk 140. Ja, ik was ook altijd een groot voorstander van 100 km/uur. Om al die andere redenen. Daar hebben we een goed woord voor: hypocriet. En daar valt mee te leven. 

Totdat je geconfronteerd wordt met een lamzakkerig kabinet dat maanden nodig heeft om een beslissing te nemen waarvoor elke schoolklas hoogstens een middag nodig had gehad. Dan voelt die hypocrisie plotseling toch minder fijn. Waarom rijd ik eigenlijk 130, terwijl ik van de overheid verlang dat 100 het maximum wordt? Ik kan je zeggen: die boodschap is aangekomen. Ik rijd sinds vorige nooit meer harder dan 100. En het bevalt me goed.

Het grappige is namelijk dat het qua reistijd maar weinig scheelt. Vroeger maakte ik er een sport van om mijn eigen navigator te verslaan. Vanaf Groningen naar Oegstgeest kwam ik vaak 5 minuten eerder aan dan de navigator in Groningen had voorspeld. Tegenwoordig kom ik 5 minuten later aan. Het scheelt 10 minuten op meer dan 200 km. 

Daar staan grote voordelen tegenover: het rijden geeft veel minder spanning. Je kachelt vooral in de rechterbaan. Soms passeer je een vrachtauto. Intussen luister je naar de radio of naar mooie muziek. Er zit wel een gevaar aan: ik raak soms iets te ontspannen en heb dan geen idee meer waar ik ben. Nu komt dat in Flevopolders wel vaker voor. 

En dat ik minder uitstoot valt ook heel goed af te lezen aan het benzineverbruik. Ik lijk tegenwoordig eindeloos te rijden op een volle tank. En dat klopt ook met de feiten. Voor eenzelfde afstand heb je 30% minder benzine nodig  als je 100 rijdt in plaats van 130. 

Het kabinet heeft de rotmaatregel genomen, maar het is mij onbekend wanneer die daadwerkelijk ingaat. Ik kan iedereen aanraden om daar niet meer op te wachten. We rijden vanaf vandaag 100 km. 

Onderzoek naar formatie faalt

november 20, 2019 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Zelden zo ambivalent geweest na het lezen van een boek. Het gaat om dit boek: Elke formatie faalt; verkiezingsbeloften die nooit worden waargemaakt van Wimar Bolhuis. Het idee is leuk, de uitvoering is leuk, de verslaglegging is dramatisch en de analyse ontbreekt grotendeels. 

Het idee. Het CPB maakt doorrekeningen van verkiezingsprogramma’s. Het CPB maakt een doorrekening van het regeerakkoord dat na de verkiezingen wordt gesloten. Bolhuis vergelijkt beide op een intelligente manier. Vanzelfsprekend vergelijkt hij alleen de verkiezingsprogramma’s van de regeringspartijen met het regeerakkoord. Bovendien weegt hij de verkiezingsprogramma’s op basis van het zeteltal van de partijen in de Kamer. Het is immers logisch dat de VVD in Rutte III meer in melk te brokkelen heeft dan de ChristenUnie. 

De uitvoering. In meer dan 80% van de gevallen komen de politici hun beloften na. Voor alle duidelijkheid: de regeringspartijen komen in meer dan 80% van de gevallen hun beloften na. Terecht stelt Bolhuis dan ook: “Nederlandse politici zijn over het algemeen betrouwbaar” (p. 97). Niet gek om dat nog eens te bewijzen in tijden van populisme en fake-nieuws. Terzijde: ik heb in het verleden vaak een bijdrage geleverd aan verkiezingsprogramma’s en had indertijd toch niet altijd het idee dat we zulk belangrijk werk aan het verrichten waren. Natuurlijk wijkt het regeerakkoord in een aantal gevallen wel af van wat je op grond van de verkiezingsprogramma’s van de regeringspartijen zou mogen verwachten. En dat zijn geen onbelangrijke zaken. Belastingen en premies voor burgers worden meestal hoger dan beloofd. Belastingen voor bedrijven worden meestal lager dan beloofd. Uitgaven voor sociale zekerheid, openbaar bestuur, zorg, internationale samenwerking en milieu krijgen in de regel meer dan vooraf beloofd. En onderwijs minder. Ook is er bij de inkomstenbelasting meer nivellering dan beloofd. Al wordt dat wel gecompenseerd omdat er uiteindelijk (nog) minder belasting op vermogen wordt geheven dan al was beloofd. 

De verslaglegging. Je zou zeggen een behoorlijk evenwichtig onderzoek met vertrouwenwekkende conclusies. Toch dist Bolhuis in zijn boek een volstrekt ander beeld op. De titel van het boek zegt het al: Elke formatie faalt. Met nadruk op “elke” en op “faalt”. En vanaf het begin van het boek staat de conclusie vast: “De Nederlandse politici vertellen, bewust of onbewust, structureel dezelfde soort ‘leugentjes’ in hun verkiezingsprogramma’s” (p. 13). Om dat te bewijzen presenteert Bolhuis alleen de “afwijkende uitkomsten (of verschillen) tussen verkiezingsbeloften en regeerakkoorden” (p.16). Ik heb al veel raar onderzoek gelezen, maar dit slaat toch zo’n beetje alles. Als je het onderzoek in zijn totaliteit bekijkt blijken politici in meer dan 80% van de gevallen te doen wat ze hadden beloofd. Maar omdat die conclusie blijkbaar niet interessant genoeg is, worden in het boek alleen de bewijzen van het tegendeel (uitgebreid) besproken. En zo bewijst Bolhuis dat politici “structureel dezelfde leugentjes vertellen”. Dan zie je pas hoe sluw die ondertitel van het boek is gekozen: verkiezingsbeloften die nooit worden waargemaakt. Ja, zonder komma. Dus dit boek gaat alleen over de verkiezingsbeloften die nooit worden waargemaakt. Maar die hele titel suggereert maar iets heel anders: dat verkiezingsbeloften nooit worden waargemaakt. Waarom doet zo’n man zoiets?

Analyse. De auteur steekt niet onder stoelen of banken dat hij zijn proefschrift, waarvan dit boek een populaire uitgave is (of moet ik zeggen: populistische?), en het boek zelf heel snel heeft geschreven. Dat is bewonderenswaardig. Maar het onderzoek had wel veel beter kunnen worden als de auteur er meer tijd voor had genomen. Want een analyse van de uitkomsten ontbreekt eigenlijk geheel. Er worden alleen willekeurige verklaringen gegeven, zonder dat deze systematisch zijn onderzocht. Daarmee wordt een geweldige kans gemist. Want waarom stemmen regeerakkoorden zo sterk overeen met de beloften die eerder aan de kiezers zijn gedaan en waarom wijken ze op sommige (essentiële) punten toch ook af? Komt dat laatste door het werk van de lobbyisten? Komt dat door de ambtenaren die zich nadrukkelijk met de formatie bemoeien (hoewel ze zelf altijd een heel ander beeld ophouden)? Komt dat omdat verkiezingsprogramma’s vooral voor de eigen partij zijn bedoeld en niet voor de kiezer? Of komt het door de psychologie van verkiezingen en formaties? Het bekt immers lekker om tijdens de verkiezingen te melden dat er fors moet worden gesneden in het aantal ambtenaren, maar na de verkiezingen heb je die ambtenaren toch vaak wel erg nodig. Het bekt lekker dat er veel meer geld moet naar onderwijs, maar na de verkiezingen blijkt het toch ingewikkelder om daarvoor een directe bestemming te vinden. Zoals een regeerakkoord wellicht nivellerender is omdat het kabinet er ‘voor alle Nederlanders’ wil zijn en niet alleen voor de eigen achterban.  

Stikstof doet instituties kraken

november 15, 2019 by  
Filed under artikel, De Stad, Geen categorie

Voor wie van politiek houdt, zijn het mooie tijden. De VVD die de 130 km afschaft, het CDA dat de veestapel gaat inkrimpen. En we staan nog maar aan het begin. Die stikstofcrisis is nog lang niet opgelost. En ook het klimaat zal veel vragen van regeringspartijen die niet zo lang geleden nog openlijk twijfelden aan de klimaatverandering. Het knarst en piept in Den Haag.

Dat gaat niet alleen om de partijen, maar ook om de institutionele verhoudingen. Die hele stikstofcrisis is veroorzaakt door de rechter, die ons typische gedoogbeleid naar de prullenbak verwees. In de Urgenda-zaak sprak de rechter uit dat de regering zich aan internationale afspraken moet houden en een veel actiever klimaatbeleid moet voeren. En zelfs de afschot in de Oostvaardersplassen is recentelijk weer stopgezet omdat de rechter verder schieten verbood. Die rol van de rechter, het is allemaal nieuw. Mijn vertrouwen in de democratische rechtsstaat is er alleen maar door vergroot. Maar het kabinet heeft grote moeite om met dit nieuwe fenomeen om te gaan. In de Urgenda-zaak werd steeds gehoopt dat een hogere rechter anders zou oordelen, hetgeen niet gebeurde. De stikstof-uitspraak van de Raad van State werd vooral juridisch benaderd (hoe bedenken we een nieuwe truc, zoals minister Van Nieuwenhuizen zich liet ontvallen), terwijl een politiek antwoord gewenst was. In alle gevallen is de reactie too little too late. 

Het knarst en piept ook in het binnenlands bestuur. Het lijkt erop dat de verhoudingen tussen Rijk, provincie en gemeenten eraan toe zijn om opnieuw te worden gedefinieerd. Een paar jaar geleden moest de jeugdzorg worden gedecentraliseerd: voortaan zouden de gemeenten verantwoordelijk worden. Nu wordt al weer bekeken hoe die maatregel kan worden teruggedraaid. Is jeugdzorg dus toch geen lokale taak? Het kabinet neemt een besluit over de stikstof en een dag later beslissen de provincies om bij de vergunningverlening andere regels te hanteren.  Je zou toch denken dat de stikstof een nationale kwestie is en dat de Rijksoverheid bevoegd is om te bepalen wat er op dit punt moet gebeuren. 

Deze ontwikkelingen verbazen me overigens niet. Al veel langer verschuiven de posities in het binnenlands bestuur. Op de oorzaken daarvan ga ik hier niet verder in. De taal waarmee het binnenlands bestuur wordt beschreven is gaandeweg veranderd. Gemeenten noemen zich  tegenwoordig ‘mede-overheid’ in plaats van het verfoeide ‘lagere overheid’. Provincies roepen dat zij (en niemand anders) over de regionale economie gaan en over het platteland. En dus blijkbaar ook over de stikstof. Termen als ‘horizontaal bestuur’ worden in deze sfeer graag gebezigd, alsof er geen hiërarchie meer in het binnenlands bestuur zou bestaan. Ja, dan is het logisch dat je je weinig aantrekt van het nieuwe stikstofbeleid van de regering. 

Terwijl het binnenlands bestuur ooit zo helder door Thorbecke is ontworpen. De gemeente ging volgens Thorbecke over de zaken die op het lokale niveau speelden. De provincie en het Rijk hadden daarover niets te zeggen. In dat opzicht was er geen hiërarchie in het binnenlands bestuur. Zoals de provincie ging over de zaken op provinciaal niveau en de Rijksoverheid over zaken op nationaal niveau. Maar als er een hoger belang geldt gaat dat altijd voor. Want Thorbecke zei al dat het nationale belang boven het provinciale gaat en het provinciale belang boven het lokale belang. In dat opzicht behoorde er wel hiërarchie te zijn. Dat probleem is een steeds grotere rol gaan spelen naarmate provincies en gemeenten meer Rijkstaken zijn gaan uitvoeren.

Wat betekent dit voor de stikstof? En voor de jeugdzorg? En noem maar op. Niemand twijfelt eraan dat de stikstof een nationale kwestie is. Dan is het niet meer dan logisch dat de Rijksoverheid hier de verantwoordelijkheid neemt (en hier verantwoordelijk wordt gehouden). En ook als het Rijk ervoor kiest om het stikstofbeleid door provincies te laten uitvoeren – dat kan immers efficiënter zijn -, dan horen de provincies het beleid uit te voeren binnen de kaders die door het Rijk zijn gesteld. Voor de jeugdzorg geldt eenzelfde redenering. Burgers hebben er recht op dat er in elke gemeente een goede jeugdzorg is, en dat die jeugdzorg niet afhankelijk moet zijn van allerlei politieke keuzen binnen de gemeente. Dan is er dus sprake van een nationale verantwoordelijkheid en kan de regering de jeugdzorg dus niet zo maar over de schutting van de gemeenten gooien. Natuurlijk kunnen gemeenten helpen bij de uitvoering van de jeugdzorg. Maar dat kan niet betekenen dat de kaders van de jeugdzorg van gemeente tot gemeente verschillen. Het Rijk moet de kaders stellen en de bijbehorende budgetten leveren. 

Dus laten we ophouden met al die fuzzy woorden als mede-overheden en horizontale verhoudingen tussen rijk, provincies en gemeenten. Als het een lokale kwestie is de gemeente helemaal vrij om zelf te beslissen. Als het een landelijke kwestie is, beslist het Rijk en voeren provincie en gemeente slechts uit. Natuurlijk, met beleidsvrijheid omdat het beleid daarmee efficiënter en effectiever wordt. Maar altijd binnen de kaders die het Rijk helder heeft aangegeven. Ja, in dat opzicht zijn, conform Thorbecke, de provincies en de gemeenten werkelijk lagere overheden

Bij het #RIVM breien ze hele lange zinnen

oktober 30, 2019 by  
Filed under artikel

Je kan (in de auto) de radio niet aanzetten of het gaat over stikstof, PFAS of CO2. Althans in mijn oren. Voor anderen gaat het misschien over boeren of bouwers. In feite gaat het om hetzelfde. En kennisinstellingen spelen in dat publieke debat een grote rol. De boeren gingen bij hun tweede optocht niet voor niks bij het RIVM op bezoek. Directeur Hans Brug, die ter plekke directeur-generaal wordt genoemd, sprak de boeren kort doch netjes toe. Zijn toespraak was voldoende om de boeren verder te laten optrekken naar Den Haag. 

Ik hou me al een kleine 30 jaar bezig met de relatie tussen kennis en beleid. En volg dus met name de bewegingen van de kennisinstellingen in deze publieke debatten. En dan vallen me veel dingen op. 

Ten eerste richt het verwijt van velen zich tegen de onderzoekers vanuit de onbewezen gedachte: als het het onderzoek niet deugt, deugt het beleid ook niet. En daarom trekken velen het onderzoek louter om politieke redenen in twijfel. Zo roepen de boeren dat het onderzoek naar stikstof verkeerde meetpunten hanteert (hetgeen niet waar was). Maar vervolgens roepen ze dat hun stikstof-uitstoot al met 60% is gedaald. Op basis van dezelfde meetmethoden. Dat lijk weinig consequent. Helaas doen Tweede Kamerleden even gemakkelijk mee aan dat bashen van het onderzoek. Zeker van hen zou je meer wijsheid verwachten, alleen al in eigen belang, omdat veel beleid niet zonder wetenschappelijke onderbouwing kan. Zij kunnen moeilijk nu de uitkomsten van onderzoek zonder enig bewijs in twijfel trekken, om straks weer te roepen “dat onderzoek heeft aangetoond dat… etc.” 

Ten tweede zijn interviews met onderzoekers niet zelden tenenkrommend. Je zou toch verwachten dat het RIVM een paar mensen speciaal heeft opgeleid om op Radio 1 op simpele vragen simpele antwoorden te geven. Hebben ze daar geen communicatie-afdeling? Nu lijkt het alsof voor elk interview weer een andere wereldvreemde wetenschapper van achter zijn bureau is gesleurd om eindeloze onbegrijpelijke zinnen te breien. Ik ben wetenschapper, en als ik er al helemaal niets van begrijp, is er toch echt iets mis. Misschien denken ze bij het RIVM dat wereldvreemdheid een voorwaarde is voor goed onderzoek. 

Ten derde lijken de onderzoekers nauwelijks te hebben nagedacht over de specifieke rol die ze in dit debat vervullen. Die rol is simpel: ze reiken data aan en zo nodig duiden ze die data. De speech van directeur Hans Brug van het RIVM was in dat opzicht opvallend. Hij verdedigde helder waarom zijn modellen zeer adequaat zijn en zeker het beste wat nu denkbaar is. Maar hij vertelde niet dat hij alleen maar onderzoekt en dat de politiek beslist. Waarom zei hij niet tegen die boeren dat hij onderzoekt hoeveel stikstof er is, en dat de politiek besluit hoeveel stikstof er mag zijn? Of denkt het RIVM dat die laatste vraag objectief door de wetenschap kan worden bepaald. 

Daar lijkt het inderdaad op. Want elders meldt het RIVM dat de door de politiek gekozen ondergrens voor PFAS “niet wetenschappelijk onderbouwd is”, alsof er grenzen zijn die door de wetenschap kunnen worden vastgesteld. Een grens is een norm en normen kunnen nooit wetenschappelijk worden bewezen. Wetenschappers vertel ons alsjeblieft “hoe het zit” en doe dat zo betrouwbaar mogelijk. En laat de vraag hoeveel biodiversiteit we willen hebben, hoe gezond we moeten zijn en of het klimaat moet worden gered over aan de politiek. Die hebben het daar al moeilijk genoeg mee. 

Het einde van de polder

oktober 22, 2019 by  
Filed under artikel, Geen categorie

We zijn er jaren goed in geweest. In polderen. Polderen staat voor compromissen sluiten. Polderen staat voor met alle betrokkenen in gesprek gaan. Polderen staat voor draagvlak. Polderen staat ook voor schipperen. Voor het opzoeken van de grenzen van de wet. En als we over die grenzen heengaan noemen we het gedogen. Als er twee kenmerkende woorden zijn voor de Nederlandse politieke cultuur, dan zijn het ‘polderen’ en ‘gedogen’. En het is waar: we hebben er een belangrijk deel van onze welvaart aan te danken. 

Toch zijn er steeds meer signalen dat we het met polderen en gedogen niet meer redden. We kunnen ze elke dag in de krant lezen. Maar het is de vraag of ze door de politiek ook zo worden begrepen. 

Denk aan de stikstof en de landbouw. Ik weet dat de boeren veel last hebben van de overheid. Maar als je de zaak vervuilt hoor je dat ook te hebben. De politiek gooit het echter al jaren op een akkoordje met de landbouwwereld en bedacht zonder schaamte regels (PAS) die in strijd waren met de Natura-2000-richtlijnen van Brussel. Toen de Raad van State vervolgens een grens trok, deed het kabinet alsof het verrast was. Vervolgens kwamen de boeren in actie. Acties die aanvankelijk op volle steun van nagenoeg alle partijen konden rekenen. Intussen holt de kwaliteit van de natuur achteruit. Verder polderen en verder gedogen zijn dus geen begaanbare weg meer. 

Denk aan de Pfas. Ik weet dat de bouw veel last heeft van de overheid. Maar als je de zaak vervuilt hoor je dat ook te hebben. Het probleem was al jaren bekend, maar de overheid dacht er in goed overleg met de bouwwereld en met gedogen wel weer uit te komen. Helaas hebben de stoffen die schuilgaan achter het begrip Pfas grote nadelige gevolgen voor de voortplanting en zijn ze niet zelden kankerverwekkend. En weer moet het RIVM een oplossing aanreiken, waar we behoefte hebben aan een overheid die hier even niet poldert en niet allerlei ellende gedoogt.

Denk aan de drugscriminaliteit. We hebben het inmiddels moeten meemaken dat een advocaat van een kroongetuige is vermoord. Er gaan in de grote steden en zeker in Brabant honderden miljoenen om in de drugseconomie. Veel mensen raken verstrikt in de netwerken van de criminaliteit. De bovenwereld is al lang niet meer gescheiden van de onderwereld. Het lokaal bestuur dreigt op sommige plekken door de criminelen te worden ondermijnd. En nog steeds mag je legaal wiet kopen dat illegaal wordt geproduceerd. Een erger voorbeeld van gedogen kent de Nederlandse politiek niet. 

Denk aan de CO2. Ik weet dat er veel geld wordt verdiend aan fossiele energie in Nederland. Tegelijkertijd polderen we ons gek aan tafels om energieakkoorden en klimaatakkoorden te sluiten. Maar die tafels verplichten de deelnemers uiteindelijk tot niks. Tegelijkertijd is Nederland ver achterop geraakt met het opwekken van niet-fossiele energie, de beste methode om minder CO2 uit te stoten. Want zo lang de overheid ons niet verplicht om de voorstellen van de klimaattafels na te leven, leidt polderen ook hier weer vooral tot gedogen. 

Ik weet het: het polderen is een uniek model. Het is ook een model dat lange tijd succesvol is geweest. Maar als we onze natuur, ons klimaat, onze samenleving echt willen beschermen, is polderen op dit moment niet meer genoeg. En moet gedogen worden verboden. Ik vind het grappig om al die boeren in Den Haag te zien rondrijden. Ik vind het even grappig dat de bouwers over een paar weken daar ook gaan rondrijden. Maar daar hebben we nu even niks aan. We hebben behoefte aan een overheid die met gezag de grenzen aangeeft waaraan bouwers, boeren en burgers zich hebben te houden. 

[Volkskrant, 24 oktober 2019]

Volgende pagina »