Mevrouw Krikke en de #OVV

oktober 3, 2019 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Op de vroege Nieuwjaarsdag van dit jaar ging er van alles mis in Den Haag. De vreugdevuren op het strand waren veel hoger dan de toegestane 35 meter, zij bevatten veel meer pallets dan waren toegestaan en de bouwers hadden zonder toestemming vaten met ruwe olie tussen de pallets verstopt. De gevolgen zijn bekend. Er ontstonden in een mum van tijd enorme vuurzeeën en een regen van brandend hout daalde neer op de bebouwing van Scheveningen. Tot ieders geluk vielen er geen doden. En bleef de kerk van Scheveningen behouden. 

De lokale Haagse politiek riep de burgemeester ter verantwoording, maar die wist haar vege lijf te redden door een groot onderzoek aan te kondigen. Nadat ze eerst een onderzoeksbureau in de arm had genomen, waarvan ze zelfs bestuurslid was, dwong de gemeenteraad haar het onderzoek in handen te leggen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Één ding was in ieder geval bereikt: de burgemeester kon voorlopig aanblijven.

Vandaag heeft de OVV zijn bevindingen gepresenteerd. Het is een scherp rapport, maar ook een beschaafd rapport. Het is duidelijk dat niet alleen de burgemeester blaam treft. Maar het is ook duidelijk dat de burgemeester voor veel zaken die zijn misgegaan, de eindverantwoordlijke is. 

In mijn opinie zijn er vier zaken misgegaan. 

Ten eerste heeft de gemeente een vage deal gesloten met een vage tegenpartij. Er zijn geen duidelijke afspraken gemaakt en het was onduidelijk met wie die afspraken zijn gemaakt. De  handtekeningen ontbreken, die een deal tot een deal maken. 

Ten tweede heeft de gemeente blijkbaar geprobeerd een groot evenement met een deal (“convenant”) te regelen, terwijl bij grote evenementen gewoon een nette vergunning moet worden verleend als de andere partij een plan heeft dat aan alle voorwaarden voldoet. Zoals de OVV terecht heeft opgemerkt. Bij een vergunningverlening kunnen omwonenden in beroep gaan. Let wel: de omwonenden hadden de voorafgaande jaren ook al geklaagd over de gevaren en de overlast van de zogenaamde vreugdevuren. 

Ten derde is niet ingegrepen door de gemeente toen bleek dat de andere partij zich niet aan de afspraken hield, zoals ik boven al heb geschetst. Wat heb je aan een convenant als je niet reageert als de ander zich niet aan de afspraken houdt? En zeker als omwonenden daarmee in gevaar worden gebracht? 

Ten vierde heeft de gemeente de risico’s (blijkbaar) volstrekt verkeerd ingeschat. Het enige wat de gemeente heeft gedaan, toen duidelijk was dat de bouwers van de vreugdevuren zich niet aan de (vage) afspraken hadden gehouden, was het verplaatsen van de hekken voor het publiek. Dat er ook, zeker met de harde wind die verwacht werd, vuurregens konden optreden, is blijkbaar niet ingeschat. 

En nu is de grote vraag: wat moet er gebeuren? En met name: wat moet gebeuren met mevrouw Krikke? Moet ze weg of mag ze blijven? Laat ik ook daarover vier dingen zeggen.

Ten eerste: Pauline Krikke is politiek verantwoordelijk voor de veiligheid in de stad. Dat impliceert dat ze alleen kan functioneren als ze het vertrouwen heeft van de gemeenteraad. En de enige die bepaalt of dat vertrouwen aanwezig is, is de gemeenteraad zelf. Iedereen kan en mag daarover een opvatting hebben (ik ook), maar de gemeenteraad beslist of ze nog vertrouwen hebben in het functioneren van de burgemeester na deze (bijna)ramp. 

Ten tweede speelt de bestuurlijke chaos die ontstaan is door het corruptieonderzoek tegen twee wethouders en het uiteenvallen van het College van Burgemeester en Wethouders ongetwijfeld een grote rol bij de afweging of de burgemeester nu de laan moet worden uitgestuurd. Dan is de eenvoudige tegenvraag: denkt de gemeenteraad dat deze burgemeester met dit rapport op haar conto in staat is om die bestuurlijke chaos te verkleinen?

Ten derde heeft de burgemeester ook in de zaak De Mos nog wel het een en ander uit te leggen. Zij was formeel verantwoordelijk voor het verlenen van de vergunningen waarvoor De Mos het geld zou hebben ontvangen. Daarmee is zij geenszins schuldig aan corruptie, maar voor het starten met een schone lei is deze burgemeester niet de meest aangewezen persoon.

Ten vierde: nu Krikke heeft aangekondigd dat het voortaan allemaal anders moet (een hele terechte beslissing) is haar positie in de stad verder verzwakt. Den Haag is een vreemde stad, een gespleten stad. Er werd in het verleden wel gesproken over een stad van het zand (rijk) en het veen (arm). De laatste jaren kan je ook spreken over de stad van de PVV en de stad van de VVD (+D66). Het platte Den Haag versus de kakkers (dat voor een deel samenhangt met het zand en het veen). Het platte Den Haag geniet van de vreugdevuren, de kakkers houden van regels en juristen. Krikke heeft haar positie bij de juristen op Nieuwjaarsdag definitief verloren. Door de vreugdevuren aan strenge regels te binden verliest ze haar positie bij plat Den Haag. Straks heeft ze het aan beide zijden van de stad verbruid. Geen ideale positie voor een burgemeester, die nauwelijks in staat is geweest om gezag op te bouwen. 

Willem-Alexander kan geen steden belegeren

september 30, 2019 by  
Filed under artikel, Voorpagina

In de politiek gaat het vaak over ‘frames’, simpel gezegd: over de manier van kijken. Wilders is er een meester in om bepaalde gebeurtenissen op een bepaalde manier te ‘framen’, om er een bepaalde betekenis aan te geven. Die betekenis domineert vervolgens het politieke debat. Zo zouden we geschiedenis als een aaneenschakeling van frames kunnen definiëren. Maar voor historici spelen frames ook nog op twee andere manieren een belangrijke rol in hun werk. Tegen die achtergrond las ik het prachtige boek van Ben Knapen over Johan van Oldenbarnevelt: De man en zijn staat. 

Ten eerste bepaalt het heden hoe we naar de geschiedenis kijken. Zo weten wij nu niet beter dan dat Nederland één natiestaat is. Juist om die reden is Van Oldenbarnevelt nog steeds zo’n interessante figuur, omdat hij de Zeven Provinciën tot één Republiek heeft gesmeed. En ik begrijp inmiddels beter dat hoe belangrijk die oorlog met Spanje is geweest voor die eenwording. Zelfs in de Tachtigjarige Oorlog dreigde zo af en toe een burgeroorlog, met name tussen het gewest Holland en de rest. Maar het was vooral het vakmanschap van Van Oldenbarnevelt die de zeven gewesten bij elkaar hield. Wat een geniale man, maar wat een geniale scharrelaar ook. Aan het einde van zijn leven had al dat scharrelen hem zoveel vijanden opgeleverd dat de beul onvermijdelijk werd. Maar dat is allemaal met het perspectief van het heden. Stel dat Spanje die Tachtigjarige Oorlog wel had gewonnen. En de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden niet uit elkaar waren geslagen, dan hadden we Van Oldenbarnevelt wellicht vooral als een onruststoker gezien, in plaats van als de geniale staatsman waarvoor we hem nu houden. 

Ten tweede wordt de geschiedenis altijd weer gebruikt om de kijk op het heden te veranderen. Zo kreeg Rembrandt in de negentiende eeuw een grote rol in de natievorming van het Koninkrijk en werd mede om die reden om zijn Nachtwacht de tempel van het Rijksmuseum gebouwd. We bedachten de zeventiende eeuw te vereren om ons meer in één Nederland te doen geloven. Zo werd eeuwen later ook de rol van Willem van Oranje en van Maurits opgepoetst om het geloof in de monarchie te versterken. Wie leerde niet op de lager school de heldenverhalen over Willem van Oranje, over Maurits en over Frederik Hendrik. En in dat frame was Van Oldenbarnevelt een dienaar van de Kroon, die ongehoorzaamheid met de dood moest bekopen. 

Maar Van Oldenbarnevelt was helemaal geen dienaar van de Kroon. Hij was de leider van de Staten-Generaal en de Staten-Generaal vormden het hoogste gezag in het land. De stadhouder was gewoon in dienst van de Staten-Generaal. Onder andere voor het belegeren van steden met een legertje dat geheel door de Staten-Generaal werd bekostigd. Dat scheen Maurits goed te doen. Je zou zeggen: onvoldoende reden om eeuwen later nog Koningsdag te vieren en een Argentijnse dame de aanspreektitel van ‘koningin’ te geven. Dat is dan ook alleen maar gelukt door het beeld van de Oranjes in de loop van de eeuwen bij te stellen. Zo hebben we het heden veranderd, door de geschiedenis te herschrijven. Als we dat niet hadden gedaan hadden we die Oranjes gewoon voor de eer kunnen bedanken, toen het belegeren van steden in onbruik begon te raken. 

Joop den Uyl: toch vooral een groot politicus #PvdA

augustus 26, 2019 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Tien jaar geleden verscheen de biografie van Joop den Uyl van Anet Bleich. Ik verslond de biografie en was teleurgesteld. Niet in het boek, maar in Den Uyl. Joop den Uyl was altijd een voorbeeld voor me geweest. Een gedreven visionair, de aanvoerder van een dominante PvdA. De aanvoerder van dat befaamde kabinet en de aanvoerder van mijn partij. Ik wist dat het niet in alle opzichten een aangenaam mens was, zeg maar: een hork. Ik wist dat het een drammer was, niet in staat tot onderhandelen, omdat een goede onderhandelaar ook iets overlaat voor zijn tegenstander. Maar het was vooral iets anders wat me enorm ging tegenstaan: dat gekwelde Messiasgedrag van die gereformeerde Den Uyl. Dat gevoel uit te stralen dat de toekomst van de hele wereld van jou afhankelijk is. Ik begreep plotseling beter waarom zoveel mensen een hekel hadden aan Joop den Uyl. Eigenlijk had ik het helemaal met hem gehad, nadat ik de biografie van Anet Bleich had gelezen. 

Hoe anders heb ik de recente biografie van Dik Verkuil over Joop den Uyl ervaren. Plotseling zag ik de grootheid van Den Uyl weer, plotseling begreep ik weer waarom zijn dood mij in 1987 zo ontroerde. Plotseling vroeg ik me af waarom ik Joop den Uyl al lange tijd niet meer als groot politicus zag. En die omslag in denken is eigenlijk heel opvallend omdat Verkuil, naar eigen zeggen, veel kritischer over Den Uyl schrijft dan Anet Bleich. Dat blijkt al uit de inleiding, waar Verkuil hilarisch beschrijft welke biografen voor hem op Den Uyl zijn afgeknapt. Biografen die Den Uyl nog persoonlijk hebben meegemaakt. Die hem thuis gingen interviewen, maar als antwoord op alle vragen slechts een lang monoloog kregen (en geen thee). 

In ieder geval heeft Verkuil een heel afgewogen biografie geschreven. Zeer compleet, zonder overcompleet te zijn. Met grote betrokkenheid bij het onderwerp van zijn biografie, maar tegelijkertijd met grote distantie in zijn oordeel. Treffend hoe Verkuil elk hoofdstuk afsluit met een nuchtere analyse van het gedrag van zijn hoofdpersoon. Van heldenverering is zeker geen sprake. 

Welk beeld van Joop den Uyl doemt voor mij op het uit deze nieuwe biografie? 

Het was een visionair. Het was een man die heel lang en heel diep heeft nagedacht over de sociaal-democratie. Wiens visie ons fundamenteel nog steeds veel heeft te zeggen. Natuurlijk, hij leefde in een andere tijd, bovendien was hij een moralist. Maar in de essentie ging het hem om vrijheid en om zelf-ontplooiing. En de fundamentele taak van de overheid om aan een zo groot mogelijke vrijheid van haar burgers bij te dragen. Dat hij daarbij zelf wilde invullen wat goed voor burgers was (geen auto’s, geen overbodige luxe, wel cultuur etc.) zij hem vergeven. En kunnen we ook vergeten als we in de huidige tijd nog eens goed zouden overdenken hoe een sociaal-democratisch gestuurde overheid zou kunnen bijdragen aan de vrijheid van haar burgers. 

Het was geen wetenschapper. Joop den Uyl heeft ergens nog een eredoctoraat gekregen van de Universiteit van Amsterdam. Dat is hem gegund, maar was eigenlijk onterecht. Niet elk groot denker is een wetenschapper. Een wetenschapper twijfelt en gebruikt argumenten om dichterbij de waarheid te komen. Joop den Uyl was zeer belezen en gebruikte alle wetenschappelijke argumenten slechts om zijn politieke visie te ondersteunen. 

Het was een verbinder. Ik herinner me die verkiezingsbijeenkomsten na de val van dat dramatische kabinet Van Agt-Den Uyl, waar honderden op afkwamen om hem te horen spreken. Het was een geweldige redenaar, en dat was hij juist omdat hij verschillende bevolkingsgroepen wist aan te spreken. Ik weet het: in 1977 rekende 40% van het electoraat zich nog tot de arbeidersklasse en tweederde van hen stemde op de PvdA. Maar Joop den Uyl was wel in staat om die arbeidersklasse met de hoogopgeleide elite te verbinden. Later spraken we over de spagaat en tegenwoordig is de arbeidersklasse verdwenen en de hoogopgeleide elite vooral naar andere partijen overgestapt. 

Het was een drammer. Het moet verschrikkelijk zijn geweest om minister te zijn geweest in zijn kabinet (laat staan minister in het mislukte kabinet Van Agt-Den Uyl). Er was nooit ruimte voor een ander standpunt, er was eigenlijk nooit ruimte voor een compromis. Natuurlijk, hij wist heel goed wanneer bepaalde standpunten politiek niet meer houdbaar waren. Maar als hij in een gesprek iets weggaf, wist je dat morgenochtend het terug-onderhandelen zou beginnen. Toch is hem wel verweten dat hij zijn tweede kabinet in 1977 niet met het machtswoord door die verschrikkelijk Partijraad wist te loodsen. Gek genoeg treft dat verwijt altijd Joop den Uyl, terwijl het echte verwijt natuurlijk Piet Reckman treft en niet te vergeten mensen als Ed van Thijn en Hans Kombrink met hun blinde meerderheidsdenken.

Het was een tragische held. Hij beleefde zijn hoogtepunt in 1973 met de komst van zijn kabinet. Dat kabinet heeft veel gedaan voor de onderkant van de samenleving. Maar de lat werd veel te hoog gelegd en daardoor kon het slechts op een mislukking uitdraaien. De formatie van 1977 is door links verprutst. Het eerste kabinet-Van Agt kon zijn tijd volmaken door een zichzelf overschattende oppositie. Het tweede kabinet Van Agt werd door vice-premier Den Uyl een volslagen mislukking. Maar we vergeten te gemakkelijk dat tijdens Lubbers-I de PvdA onder Den Uyl in de peilingen lange tijd op 55 tot 60 zetels stond. En te gemakkelijk wordt Den Uyl verweten dat hij te laat plaats maakte voor een opvolger, waarbij we even gemakkelijk vergeten dat lange tijd niemand aan het niveau van Den Uyl kon tippen. 

Het was een groot politicus. En, het was, denk ik, geen aardige man. Maar waarom zou een groot politicus aardig moeten zijn. 

Mensen in nood zijn welkom, de anderen als ze nodig zijn

juni 17, 2019 by  
Filed under artikel

Ik worstel. Ik worstel met de winst van de sociaal-democraten in Denemarken. Ik worstel met de IND. Ik worstel met een vastlopende rechtsstaat. Ik worstel wellicht met een bias.

De Deense sociaal-democraten wonnen de verkiezingen en de Deens PVV verloor de helft van zijn stemmental. De oorzaak was simpel: de sociaal-democraten kozen abrupt voor een heel ander migratiebeleid. Zeg maar: een heel hard migratiebeleid. De oude kiezers keerden abrupt terug op het oude nest. Die winst van de sociaal-democraten is op zich geen reden om het migratiebeleid aan te scherpen. Die winst zet wel aan tot nadenken. Blijkbaar waren oude kiezers nogal fors in de steek gelaten. De vraag is: hadden ze gelijk?

De IND is niet in staat om criminele asielzoekers het land uit te zetten. Een combinatie van een grote organisatie en een soft beleid. Mensen die in hun eigen land moeten vrezen voor hun leven, moeten gastvrij worden ontvangen. Maar waarom mogen we van gasten niet vragen dat ze zich netjes gedragen. Persoonlijk heb ik geen enkele moeite om tegen mijn eigen gasten vriendelijk te verzoeken om morgen na het ontbijt te vertrekken, als ze te veel hebben gedronken. Waarom zouden we criminele gasten dan niet direct weg sturen?

De rechtsstaat beschermt de Nederlandse burger tegen de Nederlandse staat. Iedereen is gelijk voor de wet en de overheid mag alleen optreden binnen de grenzen van de wet. En ook dan nog hebben burgers veel rechten om zich tegen overheidshandelen te verweren. Maar moet al die rechtsbescherming ook gelden voor mensen die vriendelijk vragen om binnen te mogen komen? Ze zijn immers nog geen lid van de gemeenschap. Snelheid lijkt me daar te prefereren boven bovenmatige rechtsbescherming. Er is wel een belangrijke voorwaarde: allen die het Nederlandschap hebben verworven, zijn gelijk voor de wet.  

Ik heb een bias, die loopt van de Tweede Wereldoorlog tot het multiculturele drama van Paul Scheffer. Die bias behelst dat ik discrimineer als ik iemand van een andere kleur of cultuur de toegang tot dit land zou willen ontzeggen. Die bias fluistert me in dat asielzoekers nauwelijks crimineler zijn dan autochtone leeftijdgenoten. Die bias maakt me vooral bang om onderscheid te maken tussen insiders en outsiders. Intussen blijven criminele asielzoekers gewoon crimineel. Bovendien weet ik maar al te goed dat mijn afkeer om anderen toegang tot dit land te ontzeggen, goed gedijt in wijken waarin migranten nu juist niet wonen en onder mensen die zich geen zorgen hoeven te maken over hun baan. Dat ligt nogal anders voor mensen die een reële angst hebben dat hun portieken en hun banen wel door migranten worden overgenomen. En die hun verzorgingsstaat zien afkalven, omdat asielzoekers een bovenmatig beroep doen op de uitkeringen. Ja, wat is het eenvoudig om gastvrij te zijn, als je van de gast nooit last hebt.

Dat is mijn worsteling. Ik heb steeds meer behoefte om mijn redenering van voren af aan opnieuw op te bouwen. Geen analyse. Geen beschouwing met cijfers en getallen. Geen bestuurskunde, geen sociologie. En al helemaal geen politieke filosofie. Geen verhaal over wat zou kunnen en wat zou moeten. Maar gewoon een grondhouding. Hoe sta ik tegenover de komst van asielzoekers, hoe sta ik tegenover de komst van arbeidsmigranten? Ja, ik merk dat ik vooral dat onderscheid wil maken: tussen mensen die in levensnood verkeren en mensen die om andere redenen naar Nederland willen migreren. 

Voor mensen in levensnood (oorlog, geweld) moet altijd plaats zijn. Dat is een kwestie van barmhartigheid. Maar waarom zouden we accepteren dat asielzoekers ook na vele jaren nog niet zijn geïntegreerd? Dat hun werkloosheid na 20 jaar nog vele malen hoger ligt dan bij de autochtone bevolking. Gastvrijheid genieten verplicht om snel op eigen benen te gaan staan. Dat Deense idee van een verplichte kinderopvang, met als oogmerk de taal snel te leren, is zo gek nog niet. Gastvrijheid genieten verplicht ook om niet langdurig gebruik te maken uitkeringen. Hoe fnuikend is ook de hoogte van onze uitkeringen, onvergelijkbaar met de ondersteuning in het land van herkomst? Er is geen enkele reden om asielzoekers te bevoordelen boven mensen die (al) in Nederland wonen.

Laten we ook eens helder zijn over de rechten van mensen die asiel vragen. Wat is erop tegen als zij minder rechten hebben dan mensen die het Nederlanderschap al eerder (bij geboorte of bij naturalisatie) hebben verworven? Er is geen legitieme reden voor tijdrekkende rechtsbescherming. Die asielprocedure hoeft in een rechtsstaat, waarin de rechtsbescherming alleen een recht is van de leden, niet langer te duren dan een half jaar. Asielzoekers wier leven niet wordt bedreigd of criminele asielzoekers worden teruggestuurd. En waarom krijgen statushouders geen proeftijd van, zeg, vijf jaar? Wie zich in deze periode misdraagt, wordt alsnog uitgezet. Ook wie geen enkele poging doet om een bestaan op te bouwen in het nieuwe land, verliest zijn recht op verblijf. Tegenover gastvrijheid mag men toch wel hoffelijkheid verwachten?

Dus ook als er sprake is van levensbedreigende situaties, worden er strenge eisen aan een definitief verblijf gesteld. Omdat ik niet wil dat insiders zich ontheemd gaan voelen. Outsiders moeten (als ze elders hun leven niet veilig zijn) insiders kunnen worden, zonder dat insiders op hun beurt het gevoel krijgen outsiders te zijn. 

En wat moet het antwoord zijn op de komst van al die anderen die hier alleen komen om een nieuwe toekomst op te bouwen? Laat voorop staan dat hun wens volstrekt legitiem is. Hier zijn de kansen op economische voorspoed ongetwijfeld groter dan in veel andere landen. Uit solidaire overwegingen en vanuit de gedachte dat andere culturen een verrijking zijn voor ons land, is vaak aan die legitieme wensen van outsiders toegegeven. Ook economisch zijn er veel voordelen aan arbeidsmigranten verbonden. Veel sectoren kunnen momenteel al niet meer zonder arbeidsmigranten. Maar ook: hoe meer arbeidsmigranten, hoe meer verdringing op de arbeidsmarkt dreigt. En hoe minder kansen voor mensen die hier al een bestaan hebben opgebouwd. Die hier geboren en getogen zijn. Ik merk dat ik mijn woorden zorgvuldig zoek, dat ik tastend tot een redenering kom. De kern van de vraag is: heeft de insider meer rechten dan de outsider? En het antwoord op die vraag werd in het publieke debat vaak door insiders gegeven die van outsiders geen last hadden. Laten we daarentegen redeneren vanuit de positie van de insiders wier belangen wel door de komst van arbeidsmigranten worden geschaad. 

Mogen wij onze welvaart onthouden aan hen die veel minder welvarend zijn? We leven in een verzorgingsstaat waar het recht van eigendom wettelijk is verankerd. We doen elke nacht ons wc-raam dicht om het stelen van onze eigendommen te voorkomen. En waarom zou het dan niet legitiem zijn om onze welvaart als ons eigendom te beschouwen? En om anderen daarvan uit te sluiten? Op zijn minst gedeeltelijk? Natuurlijk ben ik graag solidair. Maar het wordt wat magertjes als mijn solidariteit juist ten koste gaat van mensen die in onze samenleving al weinig kansen hebben. 

Het toelaten van arbeidsmigranten moeten we dus koppelen aan de kansen van de insiders. Als hun kansen niet worden geschaad, is en ruimte voor outsiders. Arbeidsmigranten laten we toe voorzover ze nodig zijn. 

Ja, wellicht is dit standpunt niet erg verrassend. Maar het heeft mij toch vele jaren gekost, voordat ik hier uitkwam. 

De schaduw van de stad

april 9, 2019 by  
Filed under artikel, De Stad

Parijs wordt te duur, Bordeaux heeft de toekomst. Zo meldt de Volkskrant van vanmorgen. Kranten zijn dol op nieuwe trends. Je moet dus altijd voorzichtig zijn met dat soort berichten. Zo valt het me op dat Parijs in de bijbehorende grafiek 2 miljoen inwoners heeft tegen Berlijn bijna 4. Daar worden blijkbaar appels met peren vergeleken. Toevallige gemeentegrenzen versus agglomeraties. En de simpele vraag waarom Parijs zo duur wordt, komt niet aan de orde. Zou het iets te maken kunnen hebben met het feit dat heel veel mensen daar willen wonen. En dat met name de hoogopgeleide hogere inkomens daar willen wonen? Zo slecht zal het er dus toch niet zijn. 

Toch gedijt het bericht op een nieuwe onderstroom. Na alle succesverhalen over de steden (de Triomf van de stad) begint aandacht te komen voor de achterkant van die Triomf. Voor het feit dat de middeninkomens de steden worden uitgedreven, nadat de lagere inkomens al veel eerder in hun banlieus zijn opgesloten. Dat gentrificatie niet alleen betekent dat er meer plek voor hogere inkomens, maar dat ook lagere inkomens zijn verdreven. Dat niet alle steden even populair zijn. En dat een gebrek aan opleiding een steeds grotere handicap wordt. 

Maar het is niet alleen aandacht voor de andere kant van de medaille, het lijkt er ook echt op dat het omslagpunt soms is bereikt. Huizen in de steden worden niet alleen onbetaalbaar duur (althans voor velen), ze worden ook een beleggingsobject. Toeristen brengen niet alleen steeds meer geld in het laatje, maar verstoppen ook delen van de stad. De groei van de infrastructuur kan de groei van de mobiliteit niet meer bijbenen. Het grote aantal nationaliteiten geeft bij groepen autochtonen een ontheemd gevoel. 

Ik weet het: al die nadelen zijn minder sexy dan de Triomf van de stad, met al zijn expats, kenniswerkers, valley’s en campussen. Over dat laatste worden veel gemeentelijke nota’s geschreven. Maar het is de vraag of dat juist is. Want hoeveel invloed heeft de lokale overheid op de Triomf van de stad? Het zou best eens kunnen zijn dat de lokale overheid veel meer kan doen aan het tegengaan van de schaduw van de stad. 

En daarmee is de titel van mijn nieuwe boek genoemd. De schaduw van de stad. Ik zal hier de komende tijd regelmatig teksten publiceren die onderdeel zijn van dat project. Correcties en commentaar zijn van harte welkom. 

Succesvol #klimaatbeleid dichtbij

maart 13, 2019 by  
Filed under artikel

Veel negatieve en sombere berichten over de doorrekening van het Klimaatakkoord door PBL en CPB. Dat politieke partijen en milieubeweging hun kaarten nog even tegen de borst houden begrijp ik goed. Maar dat ook kranten een sombere toon aanslaan, daar begrijp ik niets van. 

Het doel is: 49% CO2-reductie in 2030. De huidige plannen voorzien in een reductie van 43 tot 51%. Oké, dat is wellicht te weinig. Maar de CO2-belasting voor bedrijven, waartoe het kabinet inmiddels heeft besloten, zit nog niet het pakket. Deze enorme opgave van een halvering van de CO2-uitstoot is dus gewoon binnen handbereik. Ik weet het, er zijn nog veel onzekerheden, maar wie had 5 jaar geleden kunnen denken dat er nu concrete plannen op tafel liggen die zo’n enorme impact hebben op de CO2-uitstoot en daarmee op het klimaat? Bovendien heeft het kabinet zich al aan die 49% gecommitteerd.

Nog meer verrast was ik over de financiële gevolgen van het Klimaatakkoord. Het hele akkoord kost de overheid 1,6 – 1,9 miljard euro per jaar, veel minder dan het PBL vorig jaar nog had berekend. [Waar blijft kletsmajoor Baudet met zijn € 1000 miljard?] En voor die 1,6 – 1,9 miljard euro per jaar krijgen we niet alleen een beter klimaat, maar ook een transitie van de economie die voor meer werkgelegenheid en meer economische groei zal zorgen. En het vestigingsklimaat voor bedrijven wordt op geen enkele wijze geschaad.

En dan de kosten voor de burger: 0,4% in 2030! Natuurlijk melden sommige kranten al weer dat het om 1,5% gaat (dan nemen ze allerlei andere klimaatmaatregelen ook mee), maar het Klimaatakkoord op zich, al die 600 voorstellen, kosten de burger slechts 0,4% van zijn inkomen. Hoeveel zal dat inkomen intussen door economische groei zijn gestegen? 

We zijn nog maar een stappen verwijderd van een succesvol klimaatbeleid!

Onschuldig planbureau treft toch blaam #PBL

februari 22, 2019 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Ik kan het slecht hebben, dat gekanker op een planbureau. En zeker gekanker op het PBL, waar ik zoveel goede en integere onderzoekers ken. Maar als je de media op dit moment volgt, ontkom je er niet aan. Onze energierekening blijkt veel hoger uit te komen dan het kabinet ons had beloofd en Wiebes was zo slim om niet alleen spijt te betuigen maar ook om meteen de schuld door te schuiven naar dat planbureau. Vervolgens wist een kiene journalist zich te herinneren dat die prognoses over elektrische auto’s van het PBL ook al niet bleken te kloppen en het beeld was duidelijk. “Die modellen deugen ook nooit”. “How to lie with statistics”. Etcetera. 

Is het PBL hier iets te verwijten? Laten we eerst vaststellen dat het kabinet zich welbewust op verouderde cijfers heeft gebaseerd, omdat die nog enigszins te verkopen waren. Laten we ook nogmaals vaststellen dat het kabinet met graagte de schuld heeft doorgeschoven naar het PBL. Twee goede redenen om het kabinet een verwijt te maken. 

Maar er is ook een andere kant. Wie iets van politiek begrijpt, weet dat politici zo handelen. Politiek gezien was het handelen van het kabinet heel rationeel. Je gebruikt de cijfers die jou het beste uitkomen en je legt zo snel mogelijk de schuld bij een ander, als blijkt dat je de verkeerde cijfers hebt gebruikt. Zo werkt dat in Den Haag.

In dat opzicht mogen er wel vragen worden gesteld bij het handelen van het PBL. Geen vragen over modellen, dat is veel te goedkoop. Ook geen vragen over verouderde cijfers. Wel vragen bij de politieke alertheid van het PBL. Wel vragen bij de politieke inschattingen die het PBL maakt. Ik trek geen conclusies, omdat ik niet weet wat achter de schermen is gebeurd. Maar ik heb wel vragen. 

Op een bepaald moment is besloten om in 2018 geen nieuwe prognoses te maken van de energielasten. Op dat moment had het PBL kunnen weten dat het kabinet zich in 2019 op verouderde cijfers zou gaan baseren. Is het PBL zich daarvan daadwerkelijk bewust geweest? Heeft het PBL het kabinet vervolgens daarvoor gewaarschuwd? En waarom heeft het PBL niet meteen toen het kabinet uitspraken deed over de verwachte stijging van de energieprijzen in 2019, publiek gemaakt dat die prognoses op verouderde cijfers waren gebaseerd? Ik weet dat je met die laatste actie geen vrienden maakt in de politiek. Maar binnenskamers kan je er in ieder geval mee dreigen. 

Politici zijn briljant in schaken. Ze weten vaak precies wie er na vier zetten de schuld krijgt. Wetenschappers zijn goed in rekenen en zeggen hoogstens dat ze te weinig tijd hebben om hun sommen af te maken. Maar ik vrees dat het PBL niet in problemen was gekomen, als het iets beter had voorzien wanneer het in de toekomst ten onrechte in het verdomhoekje zou terechtkomen. Eigenlijk zit je in Den Haag altijd verkeerd als je de schuld krijgt, hoe onterecht die schuld ook is.

[zie ook: Wat is een planbureau]

Minister, #Schiphol vraagt om een redenering

februari 18, 2019 by  
Filed under artikel

Cora van Nieuwenhuizen heeft haar besluit al genomen. Schiphol moet alle ruimte krijgen om door te groeien en Lelystad gaat open. Soms is het moeilijk om je in de gedachtengang van een ander te verplaatsen. Ik geef toe: ik heb nog nooit VVD gestemd. Toch vraag ik me af of deze minister een gedachtengang heeft. Zou er één diepere gedachte liggen onder deze verkiezingspraat?

Lelystad was ooit bedoeld als overloop van Schiphol. Vakantiegangers zouden voortaan van Lelystad vliegen, opdat Schiphol binnen de gestelde grenzen wat meer ruimte zou krijgen voor de interessante zakenreizigers. Inmiddels heeft de EU een stokje gestoken voor die overloop-gedachte. Als Lelystad opengaat moeten daar ook andere vliegmaatschappijen  kansen krijgen. Dus met Lelystad erbij zal het vliegverkeer boven Nederland alleen maar toenemen. Het lijkt me inderdaad een heel logische gedachte om Schiphol dan ook maar van het slot te halen. 

Mag ik de minister helpen met nadenken? Laat ik fundamenteel beginnen. Waartoe dient een minister, een kabinet, een overheid? Niet alleen om het bedrijfsleven te dienen. Schiphol, KLM, Air-France, etc. Daarvoor is de wereld te complex. Een overheid moet tegengestelde belangen afwegen. En die heb je rondom vliegvelden in overvloed. Schiphol veroorzaakt veel overlast voor omwonenden. Alle partijen zijn het erover eens dat sinds 2008 de geluidsoverlast is toegenomen. Niet alleen in ervaren hinder maar ook uitgedrukt in decibellen. Maar Schiphol is ook van groot belang voor de Nederlandse economie. De economische voordelen van Schiphol hangen sterk samen met de hub-functie van Schiphol. Niet vanwege al die transfers, maar wel vanwege het grote aantal bestemmingen dat vanaf Schiphol rechtstreeks te bereiken is. Dat maakt Schiphol aantrekkelijk, dat trekt bedrijven aan. 

Dus: hoe gaan we overlast tegen (ja, minister, ook dat is uw verantwoordelijkheid) en hoe behouden we de hub-functie? Let wel: die hub hadden we ook al bij 450.000 vliegbewegingen, ook al bij 400.000 vliegbewegingen en ook al bij 350.000 vliegbewegingen. Dus daarvoor hoeft Schiphol echt niet te groeien. Ik durf nog wel een stap verder te gaan. Door het aantal vliegbewegingen van Schiphol te limiteren bij 500.000 wordt Schiphol gedwongen om keuzes te maken. Voor zakenreizigers en tegen Chinese toeristen die de Amsterdamse binnenstad verstoppen. Voor een nog beter vliegveld en tegen toeristen die vaak geen idee hebben waar ze zijn. 

En mevrouw de minister, er is nog een groter belang: het klimaat. Vliegtuigen veroorzaken een enorme CO2-uitstoot, zonder dat er sprake is van enige belasting. Vandaar die belachelijke tarieven in de luchtvaart. En natuurlijk moet die CO2-uitstoot vooral worden tegengegaan door de uitstoot te belasten. Dat zal ook gaan gebeuren. Daardoor zal de luchtvaart ongetwijfeld pas op de plaats maken. Maar we kunnen in ieder geval nu een eerste stap zetten door de groei van Schiphol een halt toe te roepen. 

Zijn dat misschien enkele gedachten, minister, die u kan gebruiken? Wellicht komt u zo tot een gedachtengang vóórdat u uw standpunten publiek maakt. 

De lokale politiek is nauwelijks interessant

februari 6, 2019 by  
Filed under artikel, De Stad

De gemeenteraadsverkiezingen van vorig jaar zijn geanalyseerd. In een mooi rapport, onder de titel Democratie dichterbij. Een keur aan goede onderzoekers hebben eraan bijgedragen. De uitkomsten zijn verrassend voor degenen die in de lokale democratie nog altijd de ware democratie willen zien. De algemene indruk laat zich namelijk simpel samenvatten: burgers zijn tevreden over hun gemeente en burgers hebben weinig interesse in de lokale politiek. En dat laatste geldt voor jongeren nog meer dan voor ouderen.

Natuurlijk we wisten al dat de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen niet hoger was dan 55%, terwijl meer dan 80% van de kiezers opkomt voor de Kamerverkiezingen. Maar dat kan je nog relativeren door te wijzen op de grote belangstelling van de (landelijke) media voor de Kamerverkiezingen. Die relativering is niet op zijn plaats: burgers vinden de landelijke politiek gewoon (veel) belangrijker dan de lokale. Niet de lokale maar de landelijke democratie is het hart van de democratie in Nederland. 

Is dat nu echt verrassend? Nee. Gemeenten zijn immers vooral uitvoerders van Rijksbeleid. Omdat dat efficiënter en effectiever is. En over die uitvoering zijn de burgers tevreden. Maar daarmee is de gemeente politiek niet meteen interessant. Want de grote beslissingen worden elders genomen. Het Rijk bepaalt de hoogte van de bijstand en bepaalt of een wederprestatie is vereist. De gemeente bepaalt of u voor die bijstandsuitkering in aanmerking komt. 

Daarom is het meest verrassende aan het rapport dat het de gemeente steeds tegenover de rijksoverheid plaats, de lokale verkiezingen tegenover de Kamerverkiezingen. Terwijl in Den Haag het politieke debat wordt gevoerd over wat gemeenten straks moeten gaan doen. 

We verbannen het #WODC naar een eiland

januari 24, 2019 by  
Filed under artikel

Het laatste rapport over de WODC-affaire is verschenen, de laatste keer dat ik er iets over schrijf. De affaire begon met een klokkenluidster, die (terecht) gehoor vond bij Nieuwsuur. De klacht luidde dat het WODC, het onderzoeksbureau van het ministerie van Justitie en Veiligheid, te sterk onder invloed stond van het eigen departement. De onafhankelijkheid van het onderzoek zou in het geding zijn. Een belangrijk verwijt. Als een departement zelf de conclusies van onderzoek schrijft, heb je er niks meer aan.

Commotie. Er komen maar liefst drie onderzoekscommissies, met drie rapporten. De eerste commissie zegt dat de melding van de klokkenluidster niet erg handig, oftewel onzorgvuldig, was afgehandeld. Exit de directeur van het WODC. De tweede commissie zegt dat de klacht van de klokkenluidster niettemin nogal overdreven was. Er was weinig aan de hand, zeg maar een storm in een glas water. De zaak lijkt afgedaan. Maar dan komt de derde commissie. Deze commissie zegt dat er bij het WODC “regelmatig” sprake is van ongewenste beïnvloeding door beleidsmedewerkers. Althans zo meldt de voorzitter van de commissie in de pers. Maar het onderzoek waarop hij zich baseert maakt op mij weinig indruk. Ik zal zeggen waarom.

Ten eerste beoordeelt de commissie het WODC met verkeerde maatstaven. De commissie maakt geen helder onderscheid tussen een onderzoeksbureau (van een departement) en een planbureau (van regering en parlement). En legt vervolgens het WODC (en het eigen departement) langs de meetlat van een planbureau. Zie bijvoorbeeld de enthousiaste verwijzing naar Max Weber die schrijft dat onderzoek naar ‘ongemakkelijke feiten’ altijd nodig is. Ik geef graag toe dat de positie van het WODC ook een beetje hybride is, maar het WODC is geen planbureau. Het WODC doet primair onderzoek voor het eigen departement en dan is het logisch dat het eigen departement de onderzoeksvragen stelt. Maar de commissie schrijft daarentegen: “Bewindslieden en beleidsambtenaren wanen zich opdrachtgever.” Ja, natuurlijk, dat zijn ze ook. 

Eigenlijk is het bijna komisch dat 65% van de (geënquêteerde) medewerkers van WODC geen invloed van het beleid heeft ondervonden bij de agendering van het eigen onderzoek. Zitten ze daar bij het WODC alleen maar eigen hobby’s te bevredigen? Hoe gevoelig zijn ze voor de kennisvragen van hun broodheren? De commissie daarentegen windt zich op over de 12% van de geënquêteerden die die beïnvloeding wel heeft ervaren. Dit soort onbevredigende conclusies hadden kunnen voorkomen als de commissie de relatie tussen WODC en departement eerst had geproblematiseerd en vervolgens helder had aangegeven wat wij én wat het department van het WODC mag verwachten. 

Ten tweede is de commissie erg meegegaan in het (al eerder door mij beschreven) frame van de ambtenaren als bedrieglijke paladijnen en de onderzoekers als onafhankelijke helden. In dit rapport konden alleen de ambtenaren iets fout doen. Maar onderzoekers zijn geen helden en moeten ook worden gecorrigeerd. Zo wordt slechts bij toeval geschreven over een onderzoek dat alle deadlines overschreed. Dat lijkt me een hele goede reden voor ingrijpen van een minister die om een onderzoek verlegen zit. En de beleidsmaker die bezwaar maakt tegen aanbevelingen van een onderzoeker wordt ‘ongewenste beïnvloeding’ verweten, terwijl de betreffende onderzoeker daar toch gewoon op de stoel van de beleidsmaker gaat zitten. En nooit wordt de mogelijkheid opengelaten dat concept-teksten slordig zouden kunnen zijn, onjuist zouden kunnen zijn gelet op de achterliggende analyse of zelfs politiek gekleurd. Overal worden tekstsuggesties van de ambtenaren in de begeleidingscommissie als ‘ongewenste beïnvloeding’ gezien. Laten we eerlijk zijn: onderzoekers zijn ook mensen die fouten maken en nog erger: die allerlei politieke opvattingen hebben (zeker als ze zo lang op zo’n instituut hebben gewerkt). 

Ten derde krijg ik (dan ook) het gevoel dat de auteurs van het rapport onvoldoende de ingewikkelde relatie tussen kennis en beleid hebben begrepen. De commissie schrijft dat bij dit soort onderzoek de balans tussen nabijheid en onafhankelijkheid per definitie spannend is. Ik neem aan dat de commissie de balans tussen relevantie en onafhankelijkheid bedoelt. Nabijheid kan de relevantie vergroten en afstand de onafhankelijkheid. Maar nergens wordt over relevantie gesproken. Is het wellicht een freudiaanse verspreking om alleen over (ongewenste) nabijheid en onafhankelijkheid te spreken?

De belastingbetaler heeft er niet alleen recht op dat onderzoekers van het WODC onafhankelijk hun onderzoeksconclusies kunnen trekken. Maar waarom zou het onjuist zijn als  beleidsmakers gedurende het onderzoek vragen om de probleemstelling aan te passen (zoals de commissie suggereert)? Ik weet heel goed dat ambtenaren dat soort vragen kunnen stellen als zichtbaar wordt dat de uitkomsten van het onderzoek heel vervelend kunnen worden voor hun minister. Maar het kan ook zijn dat de onderzoekers de aanvankelijke vraag verkeerd hebben geïnterpreteerd. Het kan ook zijn dat het beleid inmiddels is veranderd (kabinetsformatie!) waardoor de aanvankelijke vraag niet meer relevant is. Een andere vraag: wat is er op tegen om het publiceren van het onderzoeksrapport een maand uit te stellen, zodat het tegelijkertijd met een nieuwe nota de minister naar de Kamer kan worden gestuurd? Die minister heeft dat onderzoek toch gevraagd om die nota te kunnen schrijven? Nee, commissie, beleidsonderzoek heeft niet alleen te maken met onafhankelijkheid, maar evenzeer met relevantie.

Ten vierde: het onderzoek van de commissie is geen goed onderzoek. Ik vind het soms zelfs: knullig onderzoek. Er worden medewerkers van het WODC geïnterviewd en geënqueteerd, alsmede medewerkers van het departement en externe onderzoekers die via bemiddeling van het WODC onderzoek hebben gedaan voor het departement. Er worden vier, ja vier casus nader onderzocht van de 1600 onderzoeken die onderzocht hadden kunnen worden. En bovendien zijn het vier casus die uit de gesprekken naar voren kwamen. Een zeer minimale en zeer selecte steekproef, waaruit overigens ook nog geenszins schokkende resultaten naar voren komen. Bijvoorbeeld: de onderzoekers en de beleidsmakers waren het niet eens over de doeleinden van beleid die in het geding waren. Dat zijn onderzoekers en beleidsmakers nooit. En de beleidsmakers maakten zich boos over de genoemde deadlines die door de onderzoekers niet werden gehaald. 

Ten vijfde: vervelender is dat ik niet weet hoe de commissie tot haar conclusies komt. 3% van de onderzoekers en van de beleidsmedewerkers hebben meegemaakt dat teksten onder druk van het beleid zijn aangepast. In hun hele leven. En zonder dat we weten of dit, ook vanuit het onderzoek zelf gezien, onterecht was. 6 tot 12% van de medewerkers van het WODC klagen over de cultuur van de organisatie. Dat gaat om 3-5 personen van de 80, omdat de respons op de enquête maar matig was. Natuurlijk, er worden meer pogingen gedaan om het proces en de inhoud van het onderzoek te beïnvloeden. Maar de meeste pogingen verdwijnen netjes in de prullenbak. Als je met rijksambtenaren te maken hebt, moet je niet van suiker zijn. En je hebt onder rijksambtenaren nu eenmaal ook bange mensen. De wereld is niet ideaal en zeker niet in Den Haag. De cruciale vraag is: staat die 3% voor gebrekkig onderzoek, voor bange ambtenaren of voor “regelmatige ongewenste beïnvloeding” van het WODC door het ministerie? De commissie kiest voor het laatste. Het doet me denken aan de afdeling communicatie van een ministerie die met liefde bepaalde conclusies uit een onderzoek opblaast en uit hun context haalt. Maakt de commissie zich hier schuldig aan hetgeen ze zelf het departement verwijt?

Tot slot. De commissie stelt voor om het WODC te verhuizen naar een plek buiten het ministerie. De minister heeft meteen gehoor gegeven aan dit verzoek. Intussen stelt de commissie dat ze geen onderzoek heeft gedaan naar de deugdelijkheid van het onderzoek van het WODC. De commissie haalt zelfs de laatste visitatiecommissie aan die die deugdelijkheid nog nadrukkelijk heeft geprezen. De commissie heeft zich bovendien, zoals gezegd, geenszins bekommerd om de relevantie van het onderzoek van het WODC. Iedereen weet dat die relevantie met nabijheid is gediend. Waarom zou je dat WODC dan eigenlijk verhuizen naar een plek waar onderzoekers in stilte hun werk kunnen doen, niet meer gestoord door al die vragen van het departement? 

Volgende pagina »