Tiende #Triomf van de stad start in september 2018

februari 14, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad, Geen categorie, Voorpagina

In september 2017 start de leergang Triomf van de stad met een nieuwe groep. Groep X. Deelnemers kunnen zich vanaf nu aanmelden. De modules worden gegeven op: 27/28 september 2018, 1/2 november 2018, 6/7 december 2018, 10/11 januari 2019, 14/15 febr 2019 en 21/22 maart 2019. De folder met het programma is hier te vinden: Triomf-van-de-stad-2018-folder Voor een beschrijving van de rode draad van de leergang zie Triomf van de stad: rode draad.

Aanmelding via wimderksendh@gmail.com.

Kajsa: inhoudelijk rationeel is niet meteen politiek rationeel

februari 2, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

Kajsa Ollongren wil dat de steden meer in groen gaan bouwen. Met die uitspraak heeft ze veel kritiek opgeroepen. Ik kan die kritiek wel volgen. Vroeger, ja, vroeger toen bouwden we bij voorkeur in het groen. De groeikernen, de Vinex, allemaal in het groen. Sinds die tijd weten steden dat binnenstedelijk bouwen veel voordelen heeft. Minder mobiliteit, minder aantasting van de natuur, minder aantasting van de noodzakelijke ruimte rondom de steden, en meer stedelijke economische groei, omdat dichtheid nu eenmaal veel agglomeratievoordelen heeft. Om die reden bouwen veel steden tegenwoordig waanzinnig veel woningen in de stad. En niet erbuiten. Amsterdam bouwt er tegenwoordig zelfs 8.000 per jaar. Maar toch zeggen mensen als Peter Boelhouwer (zie mijn interview met hem op deze site) dat de woningbehoefte de komende jaren zo groot is, dat niet aan bouwen in het groen om de stad, valt te ontkomen. Ik vrees dat hij wel gelijk heeft. Dus ergens heeft Kajsa Ollongren, onze minister van Binnenlandse Zaken, wel een punt.

Toch zou ik in haar positie deze opmerking nooit hebben gemaakt. Inhoudelijk mag de opmerking rationeel zijn, maar politiek is ze nogal twijfelachtig. Want laten we wel wezen, niemand wil de natuur om de stad in beton veranderen, niemand wil de schaarse ruimte in Nederland beperken door het ‘stedelijk tapijt’ weer verder uit te rollen. Mensen willen de vogels horen fluiten, willen de rust kunnen vinden buiten de stad. Dus waarom zal je dan als minister op voorhand roepen dat we straks in het groen moeten gaan bouwen. Wat inhoudelijk een beetje rationeel is, is politiek helemaal niet rationeel. Nee, het leek wel alsof Kajsa nog steeds de topambtenaar was, die ze ooit was. Topambtenaren moeten de politiek waarschuwen voor onvermijdelijke ingrepen. Politici kunnen beter aan hun imago en hun maatschappelijke steun denken, zolang die ingrepen nog helemaal niet aan de orde zijn. Dan hebben ze straks misschien voldoende gezag om onwelgevallige beslissingen toch te nemen.

Principes voor ordening van de ondergrond

januari 27, 2018 by  
Filed under artikel

Laten we eerlijk zijn: de ondergrond was lange tijd een vergeten gebied. Het was de plek waar de bovengrond zijn rommel opruimde. Waar de kabels werden gelegd en verlegd, waar de riolen lekten en de tunnels de strijd aangingen met het grondwaterpeil. En waar we zonder al te veel nadenken vele miljarden kubieke meter gas vandaan haalden. Maar die tijd is voorbij. We zien het in Groningen. Maar we zien het ook rondom allerlei duurzame-energie-projecten. Geothermie. Open en gesloten WKO-systemen. En wat te denken van CCS: het ondergronds opslaan van CO2? Dat alles roept de vraag op hoe de ondergrond moet worden geordend.

Het toeval wil dat we een lange traditie hebben met het ordenen van de bovengrond. De Nederlandse ruimtelijke ordening is zelfs lange tijd toonaangevend geweest. We schreven grote nota’s, we bedachten prachtige kaarten en we schiepen vele groeikernen. Het paste allemaal in die naoorlogse jaren. De jaren van de wederopbouw, de jaren waarin we dachten dat wetenschap en techniek voldoende waren om de toekomst vorm te geven. De jaren van het modernisme, de functiescheiding en het paternalisme. En ja, die ruimtelijke ordening had veel succes. Vooral omdat we veel woningen nodig hadden en omdat de landbouw voldoende macht had om de eigen grond vrij te houden van andere claims.

Die tijden zijn al lang voorbij. Ruimtelijke ordening was ooit een ‘facet’, werd toen één van de vele sectoren, en lijkt op nationaal niveau zijn einde te hebben gevonden als een sekte. Nog een tijdje werd het begrip ‘ruimtelijke kwaliteit’ gehoord. In bepaalde kringen. Maar ook dat is voorbij. Het laatste regeerakkoord maakte niet eens meer melding van het feit dat er geen plaats meer is voor een nationale ruimtelijke ordening.

Natuurlijk gaat de strijd om de ruimte gewoon door. Er zijn nog steeds sectoren die ruimte claimen en die daarbij andere sectoren op hun pad vinden. Die strijd staat niet meer in het teken van verheven doelen. Maar gewoon in het teken van strijd en macht. Daarmee lijkt de bovengrond steeds meer op de ondergrond. Toch kan de ondergrond wel leren van de bovengrond. Want de bovengrond kende wel ordeningsprincipes en waarom zouden die niet gelden voor de ondergrond. Nu het daar zo druk lijkt te worden?

Wel zijn er twee grote verschillen die voor de ordening van de ondergrond van belang zijn. Ten eerste is de ondergrond echt driedimensionaal. De bovengrond valt nog samen te vatten op een kaart (bestemmingsplan), de ondergrond kent te veel lagen voor een dergelijke simplificatie van de werkelijkheid. Je kan rustig in hetzelfde gebied gas winnen en een tunnel bouwen. Ten tweede zijn de eigendomsverhoudingen onder de grond fundamenteel anders. Beter gezegd: ondergronds is het domein van de overheid, bovengronds (veelal) het domein van de private grondbezitter. Op het eerste gezicht lijkt dat voordelen te bieden voor de ordening van de ondergrond. Maar dat is bedrieglijke schijn.

Oké, we kunnen onder de grond de strijd rustig laten doorgaan en macht de uitkomst laten bepalen. We kunnen ook enkele ordeningsprincipes formuleren. Ik doe hier het laatste. Ik kom tot drie principes.

Bovengronds speelde fundamenteel altijd de vraag wat moest voorgaan? De economische efficiency, de sociale rechtvaardigheid, de ecologische duurzaamheid of de (historische) identiteit? In de bovengrondse ruimtelijke ordening waren de eerste twee ordeningsprincipes dominant. Regionale economische groei was belangrijk, maar ook het voorzien in een woning voor alle lagen van de bevolking. Erfgoed en duurzaamheid stonden altijd op het tweede plan. Als je het mij vraagt moet de duurzaamheid, en dan met name het winnen van duurzame energie, in de ondergrond voorrang krijgen. De andere belangen mogen ook, maar bij strijdigheid zou duurzame energie voorrang moeten krijgen. Denk aan geothermie, aan WKO, maar ook aan het opslaan van CO2. Dat is mijn persoonlijke voorkeur.

Maar aan het streven naar duurzaamheid moet een ander principe vooraf gaan: het voorzorgprincipe. Elke keer als ik weer te maken krijg met een ondergronds project, of het nu CCS is, of gaswinning of geothermie, elke keer krijg ik weer de indruk dat we de maakbaarheid van de ondergrond schromelijk overschatten. Beter gezegd: we weten nog maar verdomd weinig van de evenwichten onder de grond. En ja, dan zijn soms aardbevingen het gevolg van te willekeurig slaan van putten en gaten. We zouden moeten afspreken dat we voortaan pas ondergrond gaan, als we weten hoe we een nieuw evenwicht weten te creëren.

Maar ook aan dat principe moet nog een ander principe vooraf gaan: het burgerinstemmingprincipe. In Barendrecht konden de burgers de ondergrondse ingrepen van de overheid nog keren. De volkswoede blies het opslaan van CO2 letterlijk van tafel. Maar in Groningen is de verhouding met de overheid voor lange tijd fundamenteel verstoord omdat de burgers nimmer zijn gehoord toen vooral de rest van het land mocht profiteren van het Groningse gas. Hier wreekt zich dat burgers geen eigenaar zijn van de ondergrond, terwijl ondergrondse activiteiten zich wel afspelen onder hun eigen grond. Inclusief alle bijbehorende onzekerheden.

Ik realiseer me dat een instemmingsrecht van de betrokken burgers een zwaar instrument is. Dat heb ik ervoor over. Iedereen heeft het recht om van de bevingen van anderen verschoond te blijven. Ik realiseer me ook dat een instemmingsrecht van burgers niet moet ontaarden in volledige stilstand. Maar om die stilstand te vermijden is het een schone taak voor de overheid om burgers voordat de ingrepen plaatsvinden, van het belang daarvan te overtuigen. In dat opzicht is Barendrecht een goed voorbeeld: als het niet lukt om de burgers van de ingreep te overtuigen, is dat een goede reden om het plan af te blazen.

Modernisme, ideologie en architectuur #BernardHulsman

januari 17, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

Het zal al een aantal jaren geleden zijn dat Bernard Hulsman op de achterpagina van het eerste katern van de NRC een serie begon over gebouwen, bruggen en wat dies meer zij die erg op elkaar leken. De boodschap leek te zijn: architecten zijn minder origineel dan ze vaak zelf suggereren. En de foto’s bewezen dat keer op keer. Het is me ontgaan wanneer deze serie is gestopt en waarom. Er zijn wel meer van die series in de krant die wel leest, maar die je niet mist als ze zijn opgehouden. In dit geval vermoed ik dat de auteur zelf ook onvoldoende bevrediging vond in het uitzoeken van nagenoeg identieke foto’s van toch echt verschillende gebouwen.

Tot mijn grote verrassing kwam ik de stukjes weer tegen in een fantastisch boek van dezelfde Bernard Hulsman. Apenrotsen en andere nauwe verwanten. Hier waren ze een onderdeel geworden van een prachtige collage over ‘de moderne architectuur’, samen met mooie interviews met de gladiatoren van de Nederlandse architectuur en met andere interessante essays van Hulsman’s hand. Je zou kunnen denken dat het een postmodern rommeltje is geworden en in bepaalde opzichten is dat ook zo. Maar juist dat rommeltje vormt een prachtig geheel en geeft een prachtig beeld van de stand van de architectuur van de laatste eeuw. Ik ken ze niet allemaal, maar ik geen beter boek over dat onderwerp. Hier nergens ingewikkelde theorieën, hier nergens onbegrijpelijke zinnen. Want boeken over architectuur willen nogal eens hoogdravend en onbegrijpelijk zijn. Vaak geschreven door een architect, waarbij mijn conclusie altijd is: “Beperk u voortaan tot het bouwen van huizen, in de hoop dat u dat beter kan.”

Maar het is meer dan een boeiende collage. Hulsman zet namelijk een heldere streep onder het modernisme. Het kan ook geen toeval zijn dat dit boek zo weinig volgens de modernistische orde is opgebouwd. Dat het gewoon een postmodern boek is. Ik vermoed dat Hulsman dit commentaar helemaal niet erg vindt. Het is wel geestig dat de uitgever op de omslag rept over een ‘reis door de wereld van de moderne architectuur’. Alsof alles wat ‘hedendaags’ is ook nog steeds ‘modern’ is. Maar het is juist Bernard Hulsman die afrekent met het modernisme. Die dat afwijzen van puntdaken belachelijk maakt, die zich verbaast over die bouwkunde-opleidingen die jarenlang maar één God hadden, namelijk Le Corbusier. Die met onverholen pret vertelt over de lekkende daken van de modernisten en boos is op het dedain van de meeste modernisten tegenover de uiteindelijke bewoner, die eerder geborgenheid zoekt in plaatsvan glazen wanden en witte muren. Om nog maar niet te spreken over de simpele behoefte aan opbergruimte waarin de hardcore modernist weigert te voorzien. Hulsman maakt er gehakt van. Hij laat niet na om te benadrukken dat Le Corbusier niet alleen een hardcore modernist was, maar ook een hardcore fascist. Hij vertelt met graagte en terecht dat Mies van der Rohe pas naar Amerika is gevlucht, nadat het hem was mislukt om de toparchitect van de nazi’s te worden. Als hij niet was afgewezen, was niet Speer maar Mies de architect van Germania geworden. Ja, Hulsman weet treffend het autoritaire en het totalitaire van de modernisten te benoemen. En af te keuren. En juist daarom kan Hulsman zo neutraal en bijna objectief schrijven over de postmodernisten en bijvoorbeeld over de neo-traditionalisten. Overigens was er ook op Philip Johnson politiek veel aan te merken.

Hulsman is wars van het modernisme. Toch spreekt hij vergoelijkend over het fascisme van Le Corbusier, vanwege dat kapelletje in Ronchamps. Dat verbaast me. Want het lijkt me niet dat tegen één mooie kerk zeer verwerpelijke politieke standpunten mogen worden weggestreept. Eerlijk gezegd lijkt me dat beide dingen weinig met elkaar te maken hebben en daarom verdienen zowel het kapelletje in Ronchamps als de politieke opvattingen van Le Corbusier een zelfstandige beoordeling. Overigens kan ik zelf die verering van Ronchamps nooit helemaal begrijpen. Het kan komen omdat ik Ronchamps in dezelfde vakantie bezocht als de basiliek van Vézelay.

Zeker waar het gaat over modernistische stedebouw, denk voor het gemak even aan de Bijlmer, raakt de beoordeling van het modernisme de relatie tussen politiek en architectuur. Die relatie is evident, maar ook complex. Hulsman zegt er wijze dingen over, maar weigert duidelijke conclusies te trekken. En als hij dat wel doet, zijn ze een tikkeltje teleurstellend. Zo schrijft hij op pagina 297: “Er bestaat geen verband tussen architectuurstijlen en politieke ideologieën.” Nou dat mag op het eerste gezicht waar zijn, maar daarmee is de relatie tussen architectuur en politiek niet afdoende beschreven.

Laten we eerst vaststellen dat regimes bepaalde architecten hebben uitgesloten en ongetwijfeld nog steeds uitsluiten. Laten we ook vaststellen dat architecten hebben geprobeerd bij dubieuze regimes in het gevlei te komen om ruimte te scheppen voor hun eigen originele creaturen. Denk aan Mies van der Rohe en de nazi’s. Maar denk ook aan Rem Koolhaas die scherp door Hulsman wordt ondervraagd over zijn nieuwe onderkomen voor het symbool van de Chinese onderdrukking en lees het onwaarachtige antwoord van Koolhaas.

Laten we daarna vaststellen dat veel architecten ideologisch gedreven zijn. Ik sprak al over de fascist Le Corbusier (die ook een leuk kapelletje bouwde). En wat te denken van de communist Mart Stam, die niet voor een opdracht maar uit overtuiging in Rusland ging werken. Lees het prachtige interview van Hulsman met zijn vrouw Lotte Stam-Beese, die tot haar dood in 1988 in het Russische communisme bleef geloven. En denk eens aan de constructivisten die, toen ze daartoe in Rusland de kans kregen, andere architecten op ideologische gronden het werken onmogelijk maakten.

Maar de essentie is, dat architectuur en vooral stedebouw voortkomen uit een bepaald wereldbeeld. Daarom kunnen architecten elkaar ook zo goed verketteren. Overigens is dat hun eigen zorg. Het is mij een zorg dat architecten hun wereldbeeld opleggen aan al die mensen die in al die huizen en steden moeten wonen. En dat gold met name voor de modernisten, van wie het dan ook niet verrassend is dat ze vaak bij totalitaire ideologieën uitkwamen. Totalitair in ontwerpen, totalitair in denken en uiteindelijk totalitair in politieke keuzes. Het is allemaal niet zo vreemd.

Maar het gaat hier wel om de leefwereld van anderen. Het gaat om burgers die zich veelal niet konden verweren. Het waren gewone burgers die al lang blij waren met een woning in Bijlmer. Architecten zouden zich om die reden van alle kunstenaars het meest terughoudend moeten opstellen. Maar het tegendeel is het geval.

Hoe konden we de stad zo haten

januari 3, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

We zijn het bijna vergeten, maar niet zo lang geleden werd de stad gehaat. De stad werd gezien als een plek die zo snel mogelijk onder reconstructie moest. Een plek die moest worden aangepast aan moderne tijden en waar de verpauperde zooi uit het verleden bij voorkeur zo snel mogelijk moest worden gesloopt. Alle gemeentebestuurders leken in de jaren 50 en 60 van de afgelopen eeuw van doorbraken te dromen. Van ruimte voor nieuwe kantoren in de nieuwe city. Van nieuwe wegen die het nieuwe verkeer tot in het hart van de steden zou brengen. Van het dempen van singels en van het afbreken van krotten.

Tim Verlaan schreef er een mooi boek over: De ruimtemakers. Hij analyseert een paar van die grote ingrepen die de stadsbestuurders uit die tijd voor hun burgers in petto hadden. Hoog Catharijne in Utrecht, het Spuikwartier in Den Haag en bijvoorbeeld de bouw van het Maupoleum in Amsterdam. Nieuwe tijden! Samen met projectontwikkelaars werden de steden op de schop genomen. Verlaan laat mooi zien hoe snel de tegenstand tegen deze plannen opkwam. Veel plannen zijn daardoor nooit uitgevoerd. Het tij van de ‘moderne stad’ was in de jaren 70 al weer snel voorbij.

Natuurlijk, ook alle genoemde grote ingrepen zullen zijn voortgekomen uit liefde voor de stad. Maar wie ziet hoeveel er kapot is gemaakt en hoeveel er kapot gemaakt had kunnen worden, beseft dat die liefde eerder abstract dan erg concreet was. Wat een verschil met de huidige stedebouw waar met liefde wordt omgegaan met oude structuren. In dat licht kunnen we de stedebouw van de jaren 60 beter met haat te associëren.

Wie het boek van Verlaan leest vraagt zich af waar die haat tegen de stad vandaan kwam. Verlaan beschrijft veel en analyseert minder. Hij wijst op de suburbanisatie, hij wijst op de enorme toename van de mobiliteit, hij wijst op de veranderingen in de economie, waar fabrieken plaats gingen maken voor kantoren. Het had ook kunnen wijzen op het voorzichtige optimisme na de ellende van de Tweede Wereldoorlog. De wens om alles beter te doen. Maar moesten we daarom de oude stad haten? Ik denk dat die haat vooral voortkwam uit het modernisme, dat zijn oorsprong al heeft in het begin van de vorige eeuw. Met zijn nadruk op het scheiden van functies in de stedebouw en met het adagium form follows function in de architectuur. Gevelwanden waren uit. Het ging om het accommoderen van de nieuwe vervoersstromen. Het ging om een nieuwe tijd. Natuurlijk, ook ik kan genieten van de schoonheid van het nieuwe Maupoleum op die eerste foto’s. Zoals je kan genieten van al die foto’s van het nieuwe Rotterdam uit dezelfde tijd. Veel zon, veel licht, veel lucht en ruimte. Veel nieuw geluk en veel nieuwe welvaart. Waarom zouden we nog in die oude krotten willen blijven wonen? Dat was echt een andere tijd.

In dat licht is de reactie eigenlijk minder verrassend en minder nieuw. In ieder geval minder modern. Verlaan geeft overigens ook voor die omslag nauwelijks argumenten. Hij wijst terecht op de enorme toename van het aantal studenten dat aan de universiteiten ging studeren en in de binnensteden ging wonen. Zij vormden een prachtige voedingsbodem voor het verzet tegen de politiek van kaalslag en modernisme. Het was een nieuwe generatie die de Tweede Wereldoorlog niet (bewust) had meegemaakt. En dat moest wel tot een generatiekloof leiden met hun ouders. In de reactie ging het om kleinschaligheid versus de grootschaligheid van de ingrepen, ging het om sociaal-culturele beleving, in plaats van om geldverdienende projectontwikkelaars. Het Maupoleum van Zanstra werd ingeruild voor het Vredenburg van Hertzberger. En Jane Jacobs werd onze leidsvrouw. Maar waar die omslag precies vandaan kwam, het blijft één van de fascinerende dingen van sociale verandering.

In ieder geval was de liefde voor de stad weer terug. De stad als plek waar mensen elkaar ontmoeten. De stad waar mensen geborgenheid vinden. De stad waar mensen weer graag wilden wonen. Jan Schaefer begon met zijn stadsvernieuwing. Oude wijken werden niet meer gesloopt, maar opgeknapt. En beetje voor beetje zijn de stadsbestuurders de haat tegen de stad met veel liefde gaan beantwoorden. Gaten werden weer opgevuld, sommige grachten werden weer open gegraven. Het Maupoleum werd weer afgebroken en vervangen door een tamelijk non-descript gebouw, zoals vele stedelijke gebouwen non-descript zijn, terwijl ze samen wel een prachtige stad kunnen vormen.

Maar zo eenvoudig gaat het elders niet. Hoog Catharijne is net weer helemaal op de schop genomen. In de Catharijnesingel stroomt weer water, maar de moloch van Hoog Catharijne is niet weg te krijgen. Bovendien lijkt de haat tegen de stad in Utrecht nu aan de andere kant van het station weer volop te gedijen. Het Spuikwartier in Den Haag heeft structuur gekregen door de bouw van het nieuwe stadhuis, maar maakt nog steeds geen onderdeel uit van de echte stad. En de Wibautstraat (verrassend genoeg niet beschreven in het boek van Verlaan) blijft ondanks alle lieve pogingen, nog steeds een autosnelweg. Het probleem is helder: de structuur van de stad is op deze plaatsen zo compleet verwoest dat herstel heel moeilijk wordt. Zeker als de eigendomsverhoudingen niet aan herstel van de stad bijdragen.

En daarom is die haat tegen de stad ook onuitwisbaar. Misschien is dat ook wel goed. Een echte stad heeft een geschiedenis. En laat zijn geschiedenis ook zien in al zijn lagen. Juist die gelaagdheid maakt een stad tot een echte stad. En met die blije gedachte zal ik me de volgende keer weer door de bouwputten achter Utrecht CS blijven spoeden.

De overheid is belangrijk voor sociaal-democraten

januari 2, 2018 by  
Filed under artikel

Het duurde even voordat ik de gelijkenis zag. Ik had me opgewonden over een stukje van Jacques Wallage over ‘burgerkracht’. Zoals ik me eerder had opgewonden over een nota van Ronald Plasterk over ‘doe-democratie’. Ik schreef voor Socialisme & Democratie een reactie [zie hier] Waarom zouden we moeten geloven dat de overdracht van taken van de overheid naar de burgers een panacee voor alle kwalen is? Het deed me denken aan het neo-liberale vertoog uit de jaren 80 en 90, toen we moesten kiezen voor de markt. Misschien zal deze vergelijking op het eerste gezicht verbazen. Maar de gelijkenis is frappant.

Voor de neo-liberalen was de overheid niet de oplossing, maar het probleem. En ja hoor: de markt kon het allemaal veel beter. Zo werd niet alleen heel veel is geprivatiseerd, maar werd ook op veel plaatsen het marktmechanisme ingevoerd: aanbod en vraag bepalen de prijs. Voor de neo-democraten is de politiek niet de oplossing, maar het probleem. En ja hoor: de burger kan het allemaal beter zelf doen. In beide gevallen wordt het nest van de representatieve democratie bevuild.

Maar waarom zouden we op voorhand kunnen zeggen dat de markt beter is dan de overheid. Of waarom weten Wallage en Plasterk op voorhand dat de burger beter is dan de politiek (de overheid). Volg even de redenering van WRR uit 2000: het politieke debat moet niet gaan om een ideologische keuze tussen overheid en markt maar om de vraag welke maatschappelijke belangen in het geding zijn. Wat willen we met elkaar bereiken? Willen we waterveiligheid, willen we bestaanszekerheid, willen we een solidaire gezondheidszorg? Willen we sociale cohesie, willen we voldoende brood, willen we duurzame energie? Laat, stelde de WRR, bij voorkeur de markt zelf die problemen oplossen. Maar als dat niet lukt heb je toch echt de overheid nodig. De markt zorgt uit zichzelf voor voldoende brood. Maar de markt zal door de overheid moeten worden gestuurd voordat duurzame energie de overhand heeft. Waarom zou je voor de markt kiezen, als de markt het alleen niet af kan? Waarom zou voor de overheid te kiezen, als de markt het zelf ook kan?

De discussie ‘overheid of burger’ is in de kern een even onzinnige discussie. Ook hier moeten we eerst vaststellen welke waarden we in de samenleving willen nastreven, welke maatschappelijke belangen moeten worden gediend. Hebben we groen gras nodig? Laat de buurt zijn eigen plantsoen gaan maaien en grijp in als ze ruzie gaan maken. Hebben we groen gas nodig, hoop dan dat de markt zijn werk doet, of stimuleer de ontwikkeling van groen gas door de maatschappelijke kosten van fossiele energie in rekening te brengen bij de producent. Ach, vult u maar aan. In veel gevallen kunnen de burgers het allemaal zelf wel. Maar in nog meer gevallen heb je echt een overheid nodig, als je erop staat dat bepaalde maatschappelijke belangen worden behartigd. En vooral sociaal-democraten zouden moeten weten dat veel van hun idealen niet zonder steun van de overheid kunnen worden verwezenlijkt.

Waarom neuzelen sociaal-democraten over burgerkracht

december 21, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

Annemarie Kok schreef een prachtig stuk in S&D. Ze stelde de terechte vraag waarom zoveel vooraanstaande PvdA-ers (Wallage en Plasterk) zijn gaan geloven in ‘burgerkracht’ en ‘doe-democratie’. We zouden de burgers veel vaker zelf moeten laten beslissen. Ook wel: meer democratie en minder politiek. En het is opvallend dat je dit geluid vooral van politici hoort. Kok vraagt zich af: waarom zijn ze ‘klaar’ met de politiek. ‘Hoe zijn we toch in dit ‘weg-met-ons’-verhaal verzeild geraakt? Jacques Wallage voelde zich aangevallen en reageerde met een verkeerde intonatie en met een verkeerde argumentatie. Alle reden om nog even erop terug te komen.

Ik vermoed dat Wallage heeft verzuimd het essay Binding genoeg te lezen dat aan de basis stond van Koks beschouwing in S&D. Misschien had hij dan anders gereageerd. Binding genoeg is een helder opgebouwd filosofisch betoog, verpakt in een brief aan Jane Jacobs. De stad Groningen, waar Annemarie Kok woont, fungeert als basis. Zoals in vele steden, en in nota’s van Plasterk en Wallage, bestaat er in Groningen zorg over de wegvallende sociale cohesie, het wegvallende gemeenschapsgevoel. En zoals elders wil de gemeente Groningen daaraan iets doen door de beslissingsmacht in handen van de burgers te leggen. Kok analyseert dat er met die sociale cohesie in de Nederlandse samenleving weinig mis is. Ja, de buurt is steeds minder een integrerend kader, maar is dat al zolang Jacques van Doorn daarop een halve eeuw geleden wees. De sociale cohesie is langs functionele weg opnieuw ingevuld. Het probleem bestaat dus niet. En volgens Kok mankeert er ook alles aan de oplossing, als er wel een probleem zou zijn.

In Binding genoeg geeft Kok hilarische voorbeelden. Ze beschrijft hoe ze verzeild raakt op een G1000-bijeenkomst waar ‘Stadjers’ (Groningers) samen plannen voor de toekomst van hun stad gaan smeden. Drie dringen vallen haar van deze conferentie op. Ten eerste is na een korte gedachtenwisseling al meteen duidelijk in welke richting de stad zich moet ontwikkelen en wordt voor het gemak aangenomen dat alle niet-aanwezigen het met deze richting wel eens zullen zijn. Ten tweede hebben professionals op de conferentie een bepalende rol, onder andere omdat ze aan elke tafel als gespreksleider optreden. Ten derde komt er uiteindelijk niets terecht van al die plannen die binnen in één dag zijn ontwikkeld en vastgesteld. Na een jaar is iedereen het gedoe weer vergeten.

Het tweede voorbeeld gaat over de Stripheldenbuurt in Almere, waar de gemeente burgers  verantwoordelijk heeft gemaakt voor de openbare ruimte (verlichting, bestrating, binnentuin en de riolering). Alweer vanuit de gedachte dat deze ‘gezamenlijkheid’ de sociale cohesie in de buurt zou versterken. En ook alweer vanuit de gedachte dat de burgers het over het gebruik van die openbare ruimte vanzelfsprekend eens zijn. Waarom zou de gemeente zich daar dan nog mee bemoeien? Nou, misschien wel omdat het gedrag van de ene burger negatieve effecten heeft voor de ander? Het hele onzinnige idee heeft uiteindelijk vooral tot burenconflicten, hoge kosten en hoofdpijn geleid.

Het derde voorbeeld moet Wallage zeker aanspreken. Al wandelend door de stad Groningen constateert Kok hoe blij de burgers nog steeds zijn met het Verkeerscirculatieplan dat door Max van den Berg en Jacques Wallage in de jaren 70 tegen veel weerstand (vooral van bedrijven en middelstand) is doorgevoerd, nee, is doorgedrukt. De politiek nam indertijd zijn verantwoordelijkheid. Het heeft de stad fundamenteel veranderd. Ten goede.

Het is des te opvallender dat Wallage nu zo’n andere positie inneemt. Ik kan me niet herinneren – ik woonde toen ook in Groningen – dat Max en Jacques indertijd veel pogingen hebben gedaan om de onwillige automobilisten en de klagende middenstand te laten meepraten. Laat staan: hen in het kader van burgerkracht de macht over te dragen. Wallage beargumenteert zijn ommezwaai overigens nogal onduidelijk. Hij beroept zich meermalen op het feit dat ‘de politiek het niet meer alleen kan’. Waarbij hij blijkbaar achteloos het begrip politiek voor zichzelf en de zijnen reserveert. Burgers moeten meedenken met het beleid. Je hebt draagvlak nodig. Hoogopgeleide burgers zijn immers in staat veel beleid te frustreren. Maar daarover gaat het stuk van Annemarie Kok helemaal niet. Kok is helemaal niet tegen transparantie of tegen een gesprek met burgers. Kok stelt zich te weer tegen de neiging van veel politici om zelf geheel plaats te maken voor de burger, wie dat dan ook is. Niet de burgers netjes laten meepraten en uiteindelijk zelf beslissen. Nee, gewoon alles over de schutting gooien bij de burger.

Wallage geeft nog een ander, veel grootser argument. Ik citeer: “De opkomst van populistische partijen in heel Europa moet allereerst worden gelezen als een protest tegen het feit dat de prijs van de globalisering wel erg eenzijdig wordt betaald door mensen met een kwetsbare maatschappelijke positie.” Maar Jacques, is dat probleem met burgerkracht op te lossen? Het lijkt me dat hier internationale en nationale overheden aan zet zijn om ervoor te zorgen dat de maatschappelijke ongelijkheid niet veel te groot wordt en dat de kansen om mee te doen eerlijker worden verdeeld. Zeg maar: gewone sociaal-democratie en geen geneuzel over burgerkracht.

Persoonlijk blijf ik met veel vragen zitten na het debat over burgerkracht, doe-democratie, zelf-organisatie of hoe we die neiging van veel politici om hun werk aan burgers over te laten ook maar willen noemen.

  • Wat is er mis aan de representatieve democratie? Waarom zou het ‘vijf voor twaalf’ zijn als meer dan tachtig procent van de mensen gewoon gaat stemmen bij de laatste Kamerverkiezingen? En waarom kan bij gebleken slijtage de representatieve democratie niet worden opgelapt, in plaats van haar met het troebele badwater van de doe-democratie weg te gooien. Als er bijvoorbeeld twijfels zijn over de kwaliteit van raadsleden in sommige gemeenten, waarom maken we het raadslidmaatschap dan niet aantrekkelijker (in plaats van ook nog eens het wachtgeld af te schaffen, meneer Plasterk)?
  • Zijn burgers bereid om burgerkracht te leveren? Ik citeer nog even Annemarie Kok op basis van veel studies: “Maar niets wijst op een spontane bereidheid onder de meeste burgers om gratis en voor niets op structurele basis over van alles mee te denken, maatschappelijke werk in de buurt te verrichten en/of bestuurlijke verantwoordelijkheid te dragen”.
  • Is iedereen in staat om de gevraagde burgerkracht te leveren? Voorstanders van burgerkracht wijzen graag op het hoge opleidingsniveau van de burger. Maar daarbij denken ze vooral aan hun eigen vrienden. Terwijl het vmbo nog steeds de populairste onderwijsvorm is. En het is bekend dat lager-opgeleiden meer moeite hebben om mee te doen in die leuke processen waarbij burgers het werk van gemeenteraden overnemen. Kok wijst terecht ook op de kloof tussen de onkundige burger en de professionals die al gauw de leiding overnemen in het debat.
  • Wat doen we met tegenstellingen? Politiek gaat toch over tegenstellingen? Voorstanders van burgerkracht lijken vaak te suggereren dat we het allemaal op voorhand eens zijn met elkaar. Dat er sprake is van een win-win-situatie. Alleen het woord al. Maar zoals een verstandige wethouder mij laatste zei: “Wim, voor mij bestaat de burger helemaal niet; ik ken alleen de astmapatiënt die nog ongezonder wordt omdat andere burgers met oude diesels in de binnenstad willen rijden” Ja, wie krijgt dan zijn zin? Politiek is toch de gezaghebbende toedeling van waarden?
  • Waarom horen we altijd dezelfde voorbeelden over burgerkracht? Het gaat altijd over groene straten en opgelapte leeszalen. Het gaat nooit over sociale zekerheid, over klimaatverandering, over ongelijke kansen in het onderwijs, over ondermijning door criminele milieus. Allemaal onderwerpen waarop de samenleving zonder overheid en zonder politiek geen antwoord kan geven. Voor ons allen is het goed om nu iets aan het klimaat te doen, maar mij persoonlijk is het veel aantrekkelijker om te wachten tot een ander wat doet. Zou het kunnen zijn dat je juist van de PvdA meer steun voor de representatieve democratie zou verwachten?
  • Hoe overheidscentrisch is dat denken over het vergroten van burgerkracht? Heel erg. De teksten van Plasterk over doe-democratie zijn bij uitstek paternalistisch. Ja, ik krijg jeuk als de overheid over mij schrijft dat “de burger [dus: ik] in positie moet worden gebracht”. Of dat de overheid voortaan moet ‘zorgen dat’ in plaats van ‘zorgen voor’. De overheid moet ervoor zorgen dat ik iets doe? Mogen wij burgers even zelf bepalen wat de overheid voor ons moet doen?
  • Hoe naïef is dat denken over burgerkracht? Plasterk schreef met droge ogen dat we burgers moesten stimuleren om zelf maatschappelijke vraagstukken op te pakken. Gold dat ook voor mannen met zwarte mutsen die in Woerden een asielzoekerscentrum aanvielen? Of voor burgers die de wietteelt in Brabant feitelijk legaliseren? Dat zijn toch ook burgers die zelf maatschappelijke vraagstukken oppakken?
  • Dat brengt ons terug bij die centrale vraag: waar is de overheid van? Mijn antwoord is simpel: de overheid dient die maatschappelijke belangen te behartigen die zonder optreden van de overheid niet worden behartigd. De samenleving is vaak heel goed in staat om zijn eigen zaakjes te regelen. Voor veel sociale cohesie (wat vanzelfsprekend een maatschappelijk belang is) heb je de overheid niet nodig. Maar juist als de samenleving het niet kan, moet de overheid het niet aan de burgers overlaten. En dat zouden sociaal-democraten moeten weten.

 

[verschenen in Socialisme & Democratie, 2017, nr 6, pp. 48-50]

Wat valt het #WODC te verwijten

december 12, 2017 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Veel gedoe en veel verontwaardiging over het WODC, de afdeling onderzoek van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De directeur past op verzoek van de minister – ja, alweer Opstelten – de conclusies van onderzoek aan. Er kan veel mis zijn bij het WODC, maar voordat we die conclusie trekken, heb ik eerst negen relativeringen.

Ten eerste: het onderwerp laat zich moeilijk verbeelden, maar Nieuwsuur had wel heel veel beelden van verlichte vensters en toetsenborden nodig om het gebrek aan voorbeelden te camoufleren.

Ten tweede: de twee geïnterviewde hoogleraren betoonden zich goede ‘trekpopprofessoren’: als je eraan trekt vertellen ze op verzoek van de journalist dat het een schande is. Ik heb van Van den Heuvel nog nimmer iets anders gehoord. De man lijkt om 3 uur ‘s nachts nog bereid om zijn stopdas om te doen en schande te spreken. Zonder verder onderzoek te doen en zonder enige nadere duiding te geven.

Ten derde: er is maar één klokkeluider. Ik weet het: klokkeluiders zijn vaak eenzaam en daarom is hun mening niet minder waard, maar ik ken de directeur van het WODC een beetje en ik kan me voorstellen dat zijn driftige gedrag mensen gemakkelijk stimuleert om na jaren in opstand te komen. Hetgeen niet het geval is.

Ten vierde: het WODC is geen universiteit. Het heeft in Den Haag ook een andere status dan een planbureau dat formeel onafhankelijker is. Het lijkt me dan ook heel normaal dat het Ministerie als opdrachtgever de onderzoeksvragen van het WODC formuleert. Waarom hebben ze anders een eigen onderzoeksafdeling? We hebben bovendien al genoeg onderzoekers bij de overheid die hun eigen onderzoeksvragen formuleren. Pas als het departement niet in staat zijn eigen kennisbehoefte te verwoorden, is er een probleem. Maar geen probleem van integriteit.

Ten vijfde: het aanpassen van de onderzoeksopdracht (nadat een ander bureau werd ingehuurd dan het Ministerie wenste) kan een probleem zijn, maar hoeft dat geenszins te zijn. Het is goed dat het departement waakt over de relevantie van het onderzoek. Ook kan de kennisbehoefte geleidelijk zijn verschoven, en dan heeft niemand wat aan een onderzoek dat antwoord geeft op een niet meer relevante vraag. Een probleem ontstaat pas als het departement de opdracht verandert om het risico van onwelgevallige conclusies te verkleinen. Het is de vraag of dat verstandig is. Maar wie denkt dat onderzoek geen onderdeel is van de politiek, is wel heel naïef.

Ten zesde: het beïnvloeden van de keuze van het onderzoeksbureau door het WODC roept de vraag op waarom het departement het uitbesteden van onderzoek geheel heeft ondergebracht bij het WODC. Andere departementen doen dit zelf en vragen zich allemaal van te voren af of het denken van de te kiezen onderzoekers een beetje aansluit bij het denken van het departement.

Ten zevende: het Ministerie zette op verzoek van de Minister ‘sturing’ op het onderzoek. Het lijkt me niet zo heel vreemd als de minister invloed probeert te hebben op het moment van publiceren van onderzoek (gebeurt overal), of zich goed wil voorbereiden op onwelgevallige uitkomsten van onderzoek. Beter dan onderzoek dat door niemand is gevraagd en in een diepe la van een onderzoeksinstelling blijft steken.

Ten achtste: onderzoekers hebben soms de neiging om zich met het beleid te gaan bemoeien. Op basis van hun onderzoek, maar onvermijdelijk ook op basis van persoonlijke politieke standpunten. Want onderzoek toont niet aan wat je moet doen. Onderzoek geeft op zijn best een aardig beeld van de werkelijkheid. Als directeur van het Ruimtelijk Planbureau heb ik verschillende keren persoonlijke aanbevelingen van de onderzoekers uit het onderzoeksrapport geschrapt. En als ik minister was, zou ik daarop ook alert zijn.

Ten negende: de verwoording van conclusies van wetenschappelijk onderzoek ligt niet vast, is geen onomstotelijk gegeven. Dus het is geen bezwaar om de relevantie van het onderzoek te vergroten door de conclusies te schrijven in de context van het beleid.

Dit gezegd hebbende kan ik op basis van de uitzending van Nieuwsuur niet bepalen of hier iets fundamenteel fout is gegaan, ondanks de twee ‘schande-roepende’ professoren. Ik zou vooral één ding willen weten: zijn de conclusies van onderzoek in de uiteindelijke rapportage in hun kern aangepast en aangetast? Eigenlijk kan maar één man of vrouw dat vaststellen: degene die het onderzoek heeft uitgevoerd. En tot op heden hebben we maar één onderzoeker gehoord.

Hoe goed is de EMA voor #Amsterdam

december 11, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

Amsterdam was heel verheugd over het binnenhalen van de EMA, de Geneesmiddelen Autoriteit van de EU. Er was ook nationale trots over de geslaagde lobby van het kabinet en van Wouter Bos. Het was in veel opzichten ook een groot succes voor Amsterdam. NRC Handelsblad plaatste wel een kanttekening. Had Amsterdam wel genoeg woningen voor de 900 hoogopgeleide werknemers van de EMA? En zou de komst van de EMA niet leiden tot nog hogere woningprijzen? De NRC raakte daarmee aan een veel fundamentelere vraag, zonder die vraag ook werkelijk te stellen. Die vraag luidt: wat voor stad wil Amsterdam zijn. Of vooral: wat voor stad wil Amsterdam worden?

De EMA komt uit London. De EMA zal er ook toe leiden dat Amsterdam een heel klein beetje meer op London gaat lijken. London is een sterk gesegregeerde stad. Het centrum van de stad is het eigendom van een internationale, veelal hoogopgeleide elite. Om het brede centrum heen woont de laagopgeleide onderklasse en in de ring daarbuiten woont de middenklasse die dagelijks uren in de metro zit op weg naar het werk. Sorry voor de schematische weergave. In Amsterdam zie je dezelfde ontwikkelingen. Economisch gaat het heel goed met de stad. De huizenprijzen stijgen snel, vooral binnen de Ring, waar veel hoogopgeleiden een plekje zoeken. Daardoor worden veel laagopgeleiden, met een slecht betaalde baan of werkloos, buiten de Ring verdreven. Sorry voor de schematische weergave.

Ja, die EMA zal die trends versterken. Een blits kantoor aan de Zuidas, 900 hoogopgeleide banen, veel hoogopgeleide expats, veel vraag naar dure woningen in de oude stad. Als de gemeente niets doet worden de kansarmen verder naar de buitenkant van de stad verdrongen. En let op: de komst van EMA leidt tot 50.000 extra overnachtingen voor buitenlands bezoek per jaar. Ook dat herkennen we. Amsterdam wordt nu al in sommige wijken overspoeld door bezoek uit de hele wereld. Voor vanwege de grote stedelijke schoonheid van Amsterdam. De grachten zijn voor velen een bezienswaardigheid. Symbolen: Airbnb, rolkoffers. Door EMA dus meer rolkoffers. In dit verband zou ik in verband met de kwetsbaarheid van de binnenstad eerder aan Venetie dan aan London denken.

Daarmee hebben we meteen twee scenario’s voor de stad genoemd. London en Venetie. Twee scenario’s die niet automatisch samengaan. ‘London’ leidt bijna onvermijdelijk tot meer hoogbouw. Dat zet druk op het historische karakter van de stad. ‘Venetie’ leidt onvermijdelijk tot een grote druk op het woon- en leefklimaat in de binnenstad dat nu nog zo aantrekkelijk is voor de hoogopgeleiden. Uiteindelijk zullen London en Venetie niet samengaan.

Maar er is ook een derde scenario denkbaar. Laat ik het ‘Amsterdam’ noemen. Een gedifferentieerde stad zonder tweedeling, een stad met veel ruimte voor middeninkomens, een stad met een stevige (lokale) verzorgingsstaat. Goed onderwijs, goede zorg, goed arbeidsmarktbeleid, goed vangnet. Een betrouwbare overheid. Met veel ruimte voor handel. Ja, zeg maar, daar waar de kracht van Amsterdam van oorsprong ligt.

Oh, dat kan dus ook. Zeker. Persoonlijk denk ik dat het belang van het laatste scenario nog wel eens wordt onderschat. En dat we tegelijkertijd geneigd zijn om het belang van kapitalistische krachten te overschatten. We moeten ontwikkelingen niet als een gegeven beschouwen. En we moeten beseffen waarom Amsterdam zo floreert. Amsterdam mag trots zijn op zijn eigen kracht. Het zou goed zijn om de komst van EMA in dat licht te bezien. En dan niet meteen te gaan juichen.

 

[verschenen in het Parool, 13 december 2017]

Het recht als selectieve tegenkracht tegen de staat

december 7, 2017 by  
Filed under artikel

Nee, ik ben geen jurist. Ik ben socioloog. Als wetenschapper heb ik wel veel samengewerkt met juristen. Ik heb ze vaak kunnen observeren. Ik heb van hun scherpte genoten. Maar op enige afstand zie je soms ook wat van dichtbij onopgemerkt blijft. Tegelijkertijd kunnen observaties vanaf enige afstand de plank ook volledig misslaan, omdat de afstand te groot is. Ik durf het aan om, op deze plaats, in deze bundel over tegenkrachten, mijn gedachten te laten gaan over tegenkrachten in het recht. En het verzoek van de redactie om te kiezen voor de vorm van een essay, zie ik vooral als een uitnodiging om eens enige niet-onderbouwde gedachten uit te proberen. Ik kan al die gedachten vergezeld doen gaan van de uitroep ‘als ik het goed zie’, of ‘hypothetisch zou men kunnen stellen’. Maar dat zou al te schijtluizig zijn. Vooruit, laten we zien of ik kan aanzetten tot enkele verdiepende gedachten of dat ik de plank gewoon missla.

Mijn eerste observatie

Je hebt twee soorten juristen. De fijnzinnige systeemdenkers en de normatieve wereldverbeteraars. En uiteindelijk zijn ze beiden even normatief. De systeemdenkers bezien in welke mate de werkelijkheid zich verhoudt tot het recht, een systeem van regels en gedachten. Zo spreken ze recht. Je hebt ook systeemdenkers die bezien hoe nieuwe wetgeving zich verhoudt tot het bestaande rechtssysteem. Dat zijn de lieden die commentaren schrijven in losbladige uitgaven van Kluwer. De geesten zijn scherp, maar uiteindelijk kan dit werk niet zonder een forse dosis normen en waarden. Bij voorkeur zijn dat gezamenlijk gedeelde normen en waarden, maar de subjectieve eigen normatieve interpretatie valt niet te vermijden.

Bij de normatieve wereldverbeteraars moet ik erg denken aan mijn toenmalige collega’s van de vakgroep Staatsrecht in Leiden. Aanvankelijk woonde ik in bij de politicologen, die hun normativiteit altijd verstoppen achter een spervuur aan, soms wat cynische vragen. Later kreeg ik zelfs huisvesting bij Staatsrecht. Velen konden alleen begrepen worden als fanatieke wereldverbeteraars. Maar omdat ze een gedeeld wereldbeeld hadden en bij voorkeur refereerden aan dezelfde normen en waarden leek het heel wetenschappelijk. Ik vroeg wel eens voorzichtig of al die rechtsbescherming wel ergens goed voor was. Het was vloeken in de kerk, want rechtsbescherming was het ultieme doel van hun handelen. Omdat altijd kon worden gerefereerd aan het gezamenlijk universum van normen en waarden, waren ook de normatieve wereldverbeteraars in feite systeemdenkers.

Daarmee hebben we dus vastgesteld dat alle juristen én normatief zijn én systeemdenkers.

Mijn tweede observatie

Het was enige weken voor de laatste verkiezingen voor de Tweede Kamer, dat een aantal juristen zich niet alleen boog over de verkiezingsprogramma’s maar ook vaststelde dat een belangrijk deel van deze programma’s in strijd was met de rechtsstaat. Althans zo heb ik deze bijzondere interventie in de verkiezingstijd begrepen. Als socioloog dacht ik altijd dat de wetten door de Staten-Generaal werden vastgesteld. Zo had ik dat ook van de politicologen geleerd. Daarmee is het recht dus niets anders dan de regels waaraan wij ons allen willen binden. En dat geldt uiteindelijk evenzeer voor de rechtsstaat. Dat is geen door God gegeven speeltuin voor juristen. Maar iets wat uiteindelijk politiek wordt bepaald. Uit de genoemde interventie van belangrijke juristen moest ik dus opmaken dat er politieke wensen zijn die juridisch zijn toegestaan en politieke wensen die dat niet zijn. Dat er regels zijn die wij als samenleving mogen stellen en regels die we niet mogen stellen. De jurist plaatst zich hier boven de burger (met wie hij het overigens heel goed voor heeft, maar dat komt later).

Mijn derde observatie

Ik weet het: hiermee doe ik de juristen te kort. Natuurlijk weten juristen dat wetten niet door hen, maar door de regering en het parlement worden vastgesteld. Maar de juristen menen wel dat die wetten aan een aantal universele rechtsbeginselen moeten voldoen. En ze gaan er vanuit dat alle wetten daaraan mogen worden getoetst omdat wij allemaal die rechtsbeginselen aanhangen, dan wel behoren aan te hangen. Het eerste is helaas niet het geval, het tweede is simpelweg buitengewoon normatief. En dus niet universeel. En zo heb ik de constatering dat grote delen van de verkiezingsprogramma’s in strijd zouden zijn met het recht van de rechtsstaat, dan ook maar als een wat bizarre persoonlijke mening van enkele juristen opgevat.

Nu zal een jurist wellicht tegenwerpen dat veel van die rechtsbeginselen zijn vastgelegd in de grondwet. Ik weet dat de grondwet iets lastiger is te wijzigen dan een gewone wet, maar politiek gezien is de grondwet ook maar een stukje papier dat zich in twee lezingen laat wijzigen. Op dit moment kunt u de laatste tegenwerping van de jurist verwachten. Hij of zij zal trots verwijzen naar het EVRM. Het EVRM! Het wordt altijd als afkorting uitgesproken, omdat de jurist ervan uitgaat dat iedereen weet wat het is. Maar, lieve jurist, ook het EVRM is niet universeel; het is niet meer dan een afspraak tussen een aantal landen. Een belangrijke afspraak, waarmee ik persoonlijk ook erg ben ingenomen. Maar het EVRM is niet door God gegeven. Helaas kan de PVV gewoon voorstellen om er zo snel mogelijk uit te stappen. Er bestaan geen universele grondbeginselen van het recht.

Mijn vierde observatie

Het publieke domein is mijn wereld, ik heb dus het meest vertrouwd met de rechtsbeginselen van het publiek recht. Sommige grondbeginselen laten zich in grondrechten vertalen. Andere grondrechten staan meer zelfstandig naast de rechtsbeginselen. Veel van die beginselen en grondrechten zijn nauw verbonden met het idee van de rechtsstaat. Ik noem er een paar, omdat je in een essay zonder voetnoten niet volledig hoeft te zijn: rechtsgelijkheid, rechtszekerheid, rechtsbescherming, privacy, vrijheid van meningsuiting, zelfbeschikking. Voor mij staat de rechtsstaat symbool voor het recht als waarborg. Het recht is niet alleen een instrument van de overheid, maar het recht waarborgt juist de persoonlijke vrijheden van de burger tegenover de staat. De tijd is al lang voorbij dat de staat over individuele onderdanen kon beslissen zonder dat daar een wet aan ten grondslag ligt. Al deze rechtsbeginselen en grondrechten waaraan we steeds refereren, zijn inderdaad tegenkrachten tegen de almachtige staat. Zoals de bureaucratie ooit is begonnen als tegenkracht tegen de monarch. Zo leerde ons Max Weber al.

Mijn vijfde observatie

Hoe bevrijdend die rechtsbeginselen en grondrechten ook mogen zijn geweest, ze hebben ook iets buitengewoon conservatiefs. Alsof de ideale verhouding burger-staat is gevonden en is bereikt. Zo krijgen rechtsbeginselen en grondrechten zelfs een bijna religieuze, sacrale status. Wie rechtsgelijkheid zegt, heeft altijd gelijk. Aan privacy mag niet worden getornd en iedereen heeft het recht te roepen wat hij wil. Het zijn schijnbaar universele waarden, die altijd andere waarden overstijgen. Christelijken en moslims hebben zich eraan te onderwerpen omdat de grondbeginselen van de rechtsstaat universeel zijn, en het geloof slechts particulier.

Als socioloog heb ik daar moeite mee. Er zijn nu eenmaal meerdere waardenstelsels en iedereen heeft het recht om zijn eigen waardenstelsel beter en zelfs universeel te achten, maar daarmee zijn er nog geen universele waardenstelsels die voor iedereen en voor alle tijden geldig zijn. Ja, ik vind persoonlijk de rechtsstaat veel beter dan de sharia, maar ik wil anderen toch niet het recht ontnemen om het met mij oneens te zijn. Ook de gedachte dat we met de liberale democratische rechtsstaat en met de bijbehorende rechtsbeginselen het absolute, het universele hebben bereikt, lijkt me ongefundeerd. Het doet me denken aan het modernisme in de kunst. Ook toen dacht men de universele kunst te hebben gevonden. We hebben (gelukkig) gezien dat er na het modernisme nog een toekomst was.

Mijn zesde observatie

Ik wil nog wel een forse stap verdergaan. Omdat het toch om een essay gaat zonder voetnoten. Die prachtige rechtsbeginselen die als tegenkrachten moesten functioneren tegen de almachtige staat, lijken tegenwoordig vooral de hoogopgeleide elite ten goede te komen. Ja, het is een boude bewering. Zij hoeft niet meteen te worden geaccepteerd. Maar ik hoop wel dat zij het overdenken waard is.

Uit sociologisch onderzoek is bekend dat veel rechtsbescherming vooral de rechten van de beter-gebekten beschermt. Niet voor niets is er in de nieuwe Omgevingswet flink gekort op de rechtsbescherming, omdat de hoogopgeleide elite in de voorgaande wetten veel te veel mogelijkheden had om plannen van de overheid te dwarsbomen. En dus om tegen het publieke belang in te gaan. Ja, ik weet het, iedereen heeft het recht om bezwaar te maken of in beroep te gaan. Maar het zijn maar enkelen die in staat zijn om de kennisvoorsprong van de overheid te overbruggen of zelfs te overtreffen.

Rechtsgelijkheid leidt vaak tot zulke ingewikkelde wetten, dat het denk- en doenvermogen van burgers bepaalt of zij werkelijk ontvangen wat hen rechtens toekomt. Zie het interessante recente rapport van de WRR Weten is nog geen doen over het beperkte ‘doenvermogen’ van veel burgers. Het lastige van rechtsgelijkheid is immers dat ongelijke gevallen ongelijk moeten worden behandeld. En aangezien er erg veel ongelijke gevallen bestaan, hebben de wetten erg veel uitzonderingsbepalingen. Als hoogopgeleide heb ik al vaak moeite om mijn recht te halen, laat staan wat dat voor mensen met een lagere opleiding betekent.

Een zelfde redenering kan men volgen voor het principe van de rechtszekerheid. Overheidshandelen moet op wetgeving zijn gebaseerd. Het beperkt de almacht van de staat in belangrijke mate. Maar wie profiteert daarvan het meest? Welke burgers zijn in staat om tegen de staat te procederen als de staat zich niet aan zijn eigen regels houdt? Deze retorische vraag behoeft geen antwoord.

De vrijheid van meningsuiting leidt ertoe dat hoogopgeleiden alles mogen zeggen en dat vele anderen zich afvragen of respect en fatsoen misschien ook belangrijke waarden zijn. En als de modale burger een agent uitscheldt, krijgt hij een bekeuring.

Het recht op privacy staat nogal eens haaks op de effectieve bestrijding van de criminaliteit, waarvan nu juist de hoogopgeleiden vaak het minste last hebben.

En het recht op zelfbeschikking wordt vooral door hoogopgeleiden geclaimd. Soms om daarbij de laagopgeleiden hun politieke wil op te leggen.

Mijn zevende observatie

Wat een instrument was van de burgerij om de staat in te tomen, is een instrument geworden van de nieuwe elite. Ze laten de laagopgeleiden verweesd achter. Het recht beschermt niet de burger tegen de staat, maar de hoogopgeleide. Of om het in hun eigen jargon te zeggen: het recht beschermt vooral mensen met voldoende denk- en doenvermogen. Daarmee heeft het recht een nieuwe elite gecreëerd. Een veel grotere elite dan weleer, maar nog steeds existeert een grote groep burgers die wel afhankelijk blijven van de grillen van de staat.

Die verweesden laten zich wel steeds meer horen. Juist omdat hun die rechtsgelijkheid is beloofd. Sociologen weten hoe onrustig processen van sociale vergelijking kunnen zijn. En of we nu met Ulrich Beck spreken over de verliezers van de globalisering of met Mark Bovens over de diplomademocratie: we hebben het hier over een toenemende tweedeling in de samenleving. En juist van die tweedeling maken populisten misbruik. Niet om werkelijk voor de maatschappelijke onderkant op te komen, maar wel om zelf macht te verwerven. En helaas blijken al die rechtstatelijke grondbeginselen niet erg aan populisten besteed. Op dat moment zijn tegenkrachten tegen de almacht van de staat minder relevant. Dan is de ondersteuning van de democratische staat veel belangrijker.

Ja, misschien heb ik dan wel liever een wat machtiger staat als het schild voor de zwakken dan een teveel aan tegenkrachten die vooral een hoogopgeleide elite ten goede komen.

Volgende pagina »