Biografie #Wolkers is te goed voor een proefschrift

november 21, 2017 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Ik lees een prachtig boek. De biografie van Jan Wolkers van Onno Blom. En in de krant woedt een onzinnige discussie over de vraag of dit boek wel een proefschrift mag heten. De discussie raakt me omdat de wetenschap me zo ter harte gaat en omdat de discussie zo herkenbaar is, ook voor de gamma-wetenschapper die ik ben.

Stel je voor. Iemand schrijft een goed boek over een groot auteur uit de vorige eeuw. Dat boek is zo overtuigend dat het ons beeld van Jan Wolkers voor decennia zal bepalen. Alleen al omdat niemand de komende decennia de moeite zal nemen om dit monnikenwerk over te doen. Het boek is bovendien uitstekend gedocumenteerd, met meer dan 100 pp aan noten, die gelukkig niet hoeven te worden gelezen. Bij voorbaat een klassieker. Je zou zeggen: als die man daarop wil promoveren, staat niets dat in de weg.

Nee hoor, in de krant wordt uitgebreid melding gemaakt van het feit dat de eerste promotiecommissie het manuscript heeft afgekeurd. Gelukkig was er een wijze decaan die een tweede commissie het manuscript liet goedkeuren. En vervolgens meldt emeritus hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde Marita Mathijsen in de NRC waaraan een biografie in haar vak moet voldoen om proefschrift-waardig te zijn. En als ik die acht regels tot me laat doordringen, is maar één conclusie denkbaar: Blom moet worden afgewezen. Hoewel Mathijsen zelf niet de moed heeft om die conclusie te trekken.

Zo eist ze bijvoorbeeld secundaire literatuur over het beschreven tijdvak, die ik bij Blom niet tegenkom. Ze eist dat de gebiografeerde wordt gepositioneerd tussen tijdgenoten. Ik neem aan dat ze hier ook weer literatuur van anderen wil zien, die ik bij Blom niet tegenkom. Ze eist bronnenkritiek, die ik bij Blom niet tegenkom. Ze eist een beschouwing van de auteur over zijn opzet, zijn keuzes én een beschouwing over de keuzes die hij niet heeft gemaakt. En natuurlijk moet er een onderzoeksvraag zijn, en bij voorkeur een hypothese. Godzijdank ontbreekt dat allemaal bij Blom.

Mijn conclusie is duidelijk: van al die regels was dit boek niet beter maar slechter geworden. Blom geeft door de ogen van Wolkers een prachtig beeld van de jaren 60. Dat beeld wordt niet scherper als je de lezer dwingt om uitstreksels uit al die bekende boeken over de jaren 60 nog eens te lezen. Blom typeert Wolkers als schrijver uitstekend. Dat wordt niet beter als hij wel of niet tot een school wordt gerekend, die alleen door wetenschappers worden onderkend. “Wolkers heeft wel in Tirade geschreven, maar staat toch op grote afstand van de Tiradegroep.” Zoiets?

Je vraagt je af: waarom doen mensen dit elkaar aan? Waarom bedenken wetenschappers acht regels om aan te tonen dat een goed boek geen proefschrift mag heten? Natuurlijk, niet elk boek is een wetenschappelijk boek. Ook ik wil graag weten waarop Blom zich baseert. Maar uiteindelijk gaat het hier om twee dieperliggende problemen van de geesteswetenschappen (en van de gamma-wetenschappen).

Steeds meer wordt het wetenschapsideaal van de bèta-wetenschappen nagevolgd: het zetten van kleine zeer goed navolgbare stappen aan de grenzen van onze kennis. Waardoor uiteindelijk wetenschappelijke vooruitgang wordt geboekt en deze blog op een iPad kan worden gelezen. Maar bij geesteswetenschappen en veel gammawetenschappen past dat ideaal  helemaal niet. Daar worden vaak dezelfde vragen steeds opnieuw gesteld, omdat de maatschappij zich ontwikkelt en niet de wetenschap.

Veel erger is de neiging van de wetenschap om aan zelfsterilisering ten onder te gaan. In de angst dat ongelijke gevallen niet ongelijk worden behandeld, wordt het wetenschappelijk werk opgehangen aan protocollen en duizenden criteria. Voor het wetenschappelijk onderwijs is dat niet anders. [Ja, het is komisch dat nu juist een boek over onze potente Wolkers aan de zelfsterilisering van de wetenschap ten onder gaat.]

Beide ontwikkelingen dragen ertoe bij dat niet alleen deze biografie bijna werd afgekeurd als proefschrift, maar dat het schrijven van boeken in de wetenschappelijke wereld nog maar nauwelijks wordt gewaardeerd. Terwijl je in de geestes- en gammawetenschappen toch vooral goede boeken moet lezen om iets te leren. Niet wetenschappelijke artikelen blijven je bij, maar goede boeken. Daarom worden in ons vak wetenschappelijke artikelen ook nauwelijks gelezen. Terwijl ze door de bureaucraten hooglijk worden gewaardeerd. Gek he?

Want dat lijkt me het belangrijkste criterium voor een goed wetenschappelijk boek: word ik verrast, lees ik iets nieuws, leer ik ervan? Alleen dat maakt een wetenschappelijk boek tot een goed boek. En niet de vraag of het aan allerlei rituele regels voldoet.

Ja, Onno Blom, waarom wilde je eigenlijk op dit prachtige boek promoveren?

Heckel is weg

november 7, 2017 by  
Filed under artikel, fagot

Heckel is weg. Hij is niet weggelopen. Maar ik heb hem weggedaan. Ik weer niet wat erger is.

We zijn meer dan 25 jaar bij elkaar geweest. Mijn Heckel en ik. Hij heette eigenlijk Heckel 5546/2. Hij was zelfs een bepaald model Heckel. Model 41i. Maar voor mij was hij gewoon Heckel. We waren vergroeid met elkaar. Hoeveel uren heb ik hem niet in mijn handen gehouden, hoeveel uren heb ik hem niet gedragen?

Hij was eenkennig, zoals ik eenkennig was. Hij wilde alleen mij en ik wilde alleen hem. Bij andere fagottisten liet hij weinig los. En ook als ik hem te lang alleen had gelaten, was hij stug en nukkig. Duurde het weer een paar dagen voordat hij zich aan me overgaf. Sowieso had hij elke dag 20 minuten nodig om glans te krijgen. Maar als ik heel veel speelde hing hij soms onbedaarlijk los in zijn vel.

Met Heckel was het net als met een hond. Je kon hem nooit alleen laten en je wilde hem nooit alleen laten. Altijd wist ik waar hij lag. En altijd voelde hij zich onder mijn aandacht. Ja onze liefde ging soms zo ver dat ik hem streelde. Zacht over zijn kleppen. Maar bij voorkeur streelde ik de bolling bovenin de klankbeker. Ik deed dat ook wel eens als Heckel geen zin had. Maar het hielp meer om op mijn adem te letten. Uiteindelijk was Heckel gevoeliger voor adem dan voor strelende handen. Diepe adem wilde hij het liefst. Een lage Bes moest uit mijn billen komen, een lage F vlak onder de riem van mijn broek. Van hoge adem werd Heckel vaak een beetje bang. Benepen.

Ja, Heckel kon zich enorm geven én Heckel kon enorm nukkig zijn. En misschien was hij ook wel erg verwend. Een nieuw riet kon meneer erg appreciëren. Dan ging hij knorren. Maar als het riet een maandje oud was, voelde meneer zich al gauw tekort gedaan. Dan liet hij zijn middel Es wankelen, om nog maar niet spreken van de overgeblazen Es. Ook die overgeblazen D werd al snel te laag, als meneer op het riet was uitgekeken. Zo heb ik hem meer dan 25 jaar goede rietjes gevoerd. Steeds maar weer nieuwe rieten. Hij kon er geen genoeg van krijgen.

Maar wat kreeg ik er veel voor terug! De solo in Shostakowitch 9. De solo in Tjaikovsky 4. Een trekje hier en een trekje daag. De gedeeltelijk mislukte solo’s in het Vioolconcert van Beethoven. Hoe warm kon hij niet klinken in de Mattheus. Dan waren we helemaal één. Heckel en ik. Anderen wisten dat. Ooit zei iemand tegen mij: “Ooh, jij bent die Heckel uit Bellitoni”. Een mooier moment hebben we samen niet gehad.

En nu is hij dan weg. Weggebracht om te worden verkocht. Ik voel me als een boer, die zijn koeien zonder emotie naar de slacht laat brengen. Misschien gaat Heckel wel naar Amerika, het schijnt dat ze daar veel belangstelling hebben voor die oude Heckels. En dan hoop ik dat hij een Amerikaan vindt die hem ook streelt over de bolling in zijn klankbeker. En die hem heel vaak uitlaat. Maar wát ik ook hoop, alles komt voort uit schaamte. Schaamte dat ik Heckel gewoon heb weggebracht. Omdat ik een mooier instrument heb gekocht en Heckel’s geld nodig heb om die te betalen. Heckel, het spijt me. Zoveel ondankbaarheid voor zoveel mooie jaren.

 

 

 

Tiende leergang ‘Triomf van de stad’ start in september 2018

november 7, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad, Voorpagina

De belangstelling voor de leergang ‘Triomf van de stad’ voor stedelijke strategen (met prachtige praktijkvoorbeelden en vooraanstaande wetenschappers) is nog immer groot. Om die reden kan ik nu al de tiende leergang aankondigen. De data zijn: 27/28 september 2018, 1/2 november 2018, 13/14 december 2018, 10/11 januari 2019, 14/15 febr 2019 en 21/22 maart 2019. Onder voorbehoud van een Elfstedentocht. Noteer al vast.

Rutte III heeft vooral vertrouwen in de notulen

oktober 10, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

Het beoordelen van een regeerakkoord is altijd een voorlopige beoordeling. Je weet niet hoe het straks uit gaat pakken. Maar toch het is goed om die tekst eens zorgvuldig door te nemen. En je in je beoordeling niet te laten leiden door wat de spindoctors deze uren aan de media vertellen.

Mij vallen drie dingen op in het nieuwe regeerakkoord. Ten eerste: zo’n overgang naar een nieuwe regering biedt altijd de mogelijkheid van kleine ‘doorbraken’. Van die onderwerpen waarover al lang is gesproken en die we nu eindelijk eens gaan doen. Experimenteren met wietteelt door de overheid. Afschaffing van Wet Hillen (voortaan ook woningforfait als de hypotheek is afbetaald). Gekozen burgemeester. Versimpeling belastingstelsel. Aftrekposten niet meer aftrekken van het hoogste tarief. De schade van de aardbevingen in Groningen wordt niet meer door de NAM bepaald. Etc. Dat soort voornemens geven me een gevoel van opluchting. Eindelijk.

Ten tweede doet het kabinet meer aan klimaatbeleid dan ik had durven hopen. Het regeerakkoord straalt uit dat men Parijs wil halen en zelfs meer. Er wordt helder aangegeven waar de CO2-winst moet worden geboekt. Er komt een CO2-belasting. Er gaat op korte termijn één kolencentrale dicht en de rest volgt voor 2030. Maar hoe hoog de ambitie ook is, de plannen hadden wel wat concreter gekund. Zie bijvoorbeeld de ambitie om de bestaande woningvoorraad energieneutraal te maken. Dat blijkt in de praktijk uitermate ingewikkeld te zijn. Dan verwacht je grote instrumenten en heel veel geld. Maar het regeerakkoord komt niet verder dan samen een plan maken. Ja, er is nog 100 miljoen euro voor corporaties die hun woningbestand verduurzamen. Als dat alles is, heb je blijkbaar toch minder ambitie dan je suggereert.

Ten derde is het regeerakkoord vooral teleurstellend. Dit is geen visie voor de komende jaren, dit zijn de notulen van een Ministerraad van een willekeurig centrumkabinet. Ze hebben gewoon 210 dagen ‘ministertje’ zitten spelen en voor elk onderwerp een nette compromistekst bedacht. Ik kan me heel goed voorstellen dat Pechtold, Buma en Segers na die 210 dagen hebben bedacht dat het werk in de Kamer toch leuker is.

En zoals dat vaak gaat in een kabinet: dan onderwerpen zijn nauwelijks in samenhang bezien. Ja, dan is het niet vreemd dat het ruimtelijke perspectief nagenoeg geheel ontbreekt. Wie notulen schrijft en wie geen samenhang zoekt, komt nooit bij de ruimte uit. Schiphol mag verder groeien, Rotterdam moet vooral CO2 onder de grond stoppen, Eindhoven krijgt mainport-status (wat dat in concreto ook mag inhouden), de Wadden krijgen een beheersautoriteit, de Veluwe en het Groene Hart moeten worden beschermd, het Deltaprogramma, de Nationale parken en het Kustpact (duinbescherming) moeten doorgaan, er moet meer infrastructuur bij en er moeten meer woningen worden gebouwd. Maar dat is geen ruimtelijke afweging, laat staan een visie voor Nederland.

En verder geen woord over de grote steden (ja, de PvdA zat duidelijk niet aan tafel), als motoren van onze economie. Geen woord over Amsterdam als brandpunt van de economie. Geen woord over de achterblijvende economie van de Zuidvleugel. Wel geld naar nieuwe infrastructuur, maar geen geld naar de woningbouw in de steden (waardoor je die nieuwe infrastructuur niet meer nodig hebt). Geen woord over de voormalige groeikernen die langzaam wegzakken. Geen woord over de ruimtelijke uitsortering rondom de grote steden, waar de kansarmen plaats moeten maken voor de nieuwe rijken. Geen woord over al die honderdduizenden woningen die in het Westen van het land in de komende jaren moeten worden gebouwd. Ja, waar gaan we dat eigenlijk doen? En hoe gaan we het doen met de mobiliteit als onze auto straks zelfrijdend wordt. Ja, zegt het regeerakkoord: de nieuwe infrastructuur moet daarvoor geschikt worden gemaakt. Maar hebben we nog nieuwe infra nodig als die auto’s netjes achter elkaar aan hobbelen? Nee, dat is geen visie, dat zijn notulen.

 

 

Nieuwe kansen voor de haven van Scheveningen

oktober 4, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

 

Gesprek met Arno Segeren, accountmanager van de gemeente

De ontwikkeling van de haven van Scheveningen is heel interessant in het licht van de ontwikkeling van steden. De haven is vanouds bekend vanwege de vissers. Maar het was ook jarenlang de thuishaven van de Norfolkline, een rederij actief op het gebied van het vervoer van containers tussen Groot-Brittannië en Nederland. Maar een haven aan zee is tegenwoordig ook een aantrekkelijke en hippe woonplek. Veel steden bouwen appartementen aan de havens, vaak voor de hoogopgeleiden die de tegenwoordige stad zo nodig heeft voor haar ontwikkeling.

De werkelijkheid is weerbarstiger. Want met de komst van woningen neemt de behoefte aan bedrijfsruimte niet af. De gemeente Den Haag is zich daarvan steeds meer bewust geraakt. Zo lag het accent in de Scheveningse Haven een aantal jaren geleden vooral op de haven als decor van woningbouw. In 2015 is dat beleid aanzienlijk omgebogen met de nota Scheveningen Haven, is en blijft haven. Het vertrek van de Norfolkline had geleid tot een verlies van zeshonderd banen, vooral banen voor lager opgeleiden. Terwijl de haven nog steeds veel economische potentie had. Bovendien drong het besef door dat een doodse haven ook een doods decor voor wonen oplevert. Wonen aan een levendige haven biedt voordelen. Al kan er ook spanning ontstaan tussen het woongenot en de havenactiviteiten.

Voldoende reden voor een gesprek met de accountmanager van de gemeente voor de Scheveningse haven, Arno Segeren. Wij fietsen in een wat druilerige regen rond in de haven en ik leer veel over het belang van een actief gemeentelijk beleid. En het succes aan beide zijden is te zien. Er wordt aan de ene kant enorm gebouwd en aan de andere kant groeien de economische activiteiten in de haven. Het aantal banen stijgt weer.

Segeren wijst erop dat je altijd moet kijken naar de unieke kenmerken van een gebied. Den Haag heeft die unieke ligging aan de Noordzee en de haven is de toegangspoort. Die kwaliteiten moet je in stand houden. Maak van die haven geen ‘bak water’. Dat kan ook. Je kan de havenactiviteiten afbouwen. Dan heb je water en een stukje industrieel erfgoed. Een oude havenkraan, een paar pakhuizen. Die kan je allemaal heel mooi maken. Zie Duisburg. Mooi museum voor moderne kunst erbij. Maar het blijft een bak water waar je op uit kijkt. Zo maak je niet optimaal gebruik van de kwaliteiten die je hebt. En ook bij ons raakte de haven in vergetelheid. Het beeld was: met de visserij gaat het niet goed en alleen maar slechter. De Norfolkline is vertrokken.

Wij menen tegenwoordig dat die haven veel meer kan opleveren. Het is een unieke kwaliteit van de stad, net zoals de regering, de internationale organisaties, het vrede, recht en veiligheid. Dat is allemaal economie. Voor economische groei kan je beter iets versterken wat je al hebt dan iets heel nieuws te bedenken. Op unieke kwaliteiten moet je zuinig zijn. Ook die haven heeft ons veel te bieden. Visserij van oudsher. Maar de haven is ook de toegangspoort naar de windmolenlocaties op de Noordzee. Daar wordt veel geïnvesteerd. En daar heeft Den Haag potentieel veel te bieden. Dat is werkgelegenheid. Bijvoorbeeld voor elektriciens. Die windmolens mogen niet stilstaan. Daar heb je veel geschoold personeel voor nodig. Ook de watersport biedt ons in economische zin veel, in termen van bezoekers, bestedingen, werkgelegenheid.

We zoeken naar niches. Je bent bij ons direct op de Noordzee. Dus als er testen moeten worden gedaan op zee, kan je dat goed doen vanuit Scheveningen. Of dat veel gaat opleveren, weten we nog niet. Maar we zijn ervan overtuigd dat die haven van Scheveningen voor sommige producten best eens de beste haven kunnen zijn. Een diepzeehaven met onbelemmerde toegang. Hij ligt centraal in het land, hij ligt in de stad, hij ligt dicht bij Delft, bij Leiden, bij TNO, bij Deltares. Allerlei partijen die actief zijn op de Noordzee.

En zo zie je zelfs een verschuiving van woningbouw naar economische activiteit in de plannen. Waar mogelijk voegen we bedrijfsruimte toe en op enkele plekken onderzoeken we of de geplande woningbouw deels geschrapt kan worden uit de plannen. In de tussentijd zijn er ook andere functies toegevoegd. We hebben het Zuiderstrandtheater tijdelijk gebouwd in de haven. Daar vinden nu ook veel aan havens of de Noordzee gerelateerde bijeenkomsten en conferenties plaats. Maar we gaan nu weer kijken of we daar bedrijvigheid kunnen krijgen als het theater weer wordt afgebroken.

En er zijn nog nieuwe kansen. De effecten van klimaatverandering worden zichtbaar aan de kust. Op een gegeven moment zullen ook rondom de haven maatregelen nodig zijn vanwege de stijging van de zeespiegel. Het garanderen van de veiligheid voor het achterland vormt dan de aanleiding voor een verkenning naar de zeewaartse uitbreiding van de haven. Maar dit zit allemaal nog in de verkennende fase.

De gemeente Den Haag heeft vier prioriteiten in de Scheveningse haven. Ik vraag Segeren om ze voor me samen te vatten. Visserij, watersport, offshore dienstverlening en innovatie. Visserij van oudsher. Belangrijk, zowel in directe als in indirecte zin. Scheveningen zonder haven, dan ben je niet anders dan Zandvoort. Authentiek, het hoort erbij. Veel werkgelegenheid, op zee en in de handel. De visafslag in Scheveningen is in grootte de derde van Nederland. Je kan ook vis kopen die niet fysiek op dat moment aanwezig is. Daarnaast hebben we twee grote internationaal opererende reders met zogenaamde trawlers. Nederlands visbureau zit hier. Veel handel, groothandel en detailhandel. Het is een compleet cluster. Trawlers die drie weken op zee zijn, kotters die elke week terugkeren en de kleinschalige visserij die elke dag weer binnenvaart. Het is een volledig cluster. Je hebt de drie onderdelen wel nodig.

Segeren maakt een interessante tussenopmerking over de rol van de overheid. Hij zegt: het is voor de overheid makkelijker om iets te verpesten dan om een positieve ontwikkeling aan te zwengelen. Daarom moet je als overheid de belangen in het gebied goed kennen. Dat is accountmanagement.

We gaan door met de tweede prioriteit: de watersport. Ook een economische sector. Recreatie, botenbouw, innovatie, topsport. We hebben Jachtclub Scheveningen, een grote jachtclub met 600 leden. Daarnaast het Topzeilcentrum met Olympische sporters en talentploeg die hier trainen. Er zit ook een catamaranbouwer. Dat zijn van die parels in het havengebied. Dit alles wordt nog versterkt door de finish van de Volvo Ocean Race in 2018. Moeten we trots op zijn. Er komen extra ligplaatsen, vooral voor passanten. Daar zijn er al te weinig van. En we hebben het Sailing Innovation Centre. Hoe kunnen we meer Olympische medailles winnen. Kennis over voedsel, over stroming, wind, communicatie etc.

Offshore-dienstverlening is de derde prioriteit. De tenderprocedure voor het windmolenpark Holland Kust Zuid loopt nu. Ze hebben allemaal goed gekeken naar de haven van Scheveningen. Welke haven is het meest geschikt als uitvalsbasis. We hebben ze één voor één op bezoek gehad. Maar als ze elders al een uitvalsbasis hebben wordt het moeilijker. Het gaat niet om de bouw, alleen om het onderhoud. Daarvoor heb je een opslagloods nodig en snelle kleine bootjes. Dat kan heel goed bij ons in de haven. Het is echt geschoold werk. Werken op zee vraagt ook nog weer extra vaardigheden. Ze willen echt mensen van hier het onderhoud laten doen. Die molens staan er immers voor 20 jaar. En die mensen worden ook ingezet voor de bouw. Dus dat levert echte werkgelegenheid op voor mensen uit deze regio. Scheveningen heeft ook een voordeel voor dit soort bedrijven, omdat het een grote arbeidsmarkt te beiden heeft. Meer dan IJmuiden bijvoorbeeld.

Innovatie, de laatste prioriteit. De genoemde drie zijn ook al innovatief. Wat zijn de echte voordelen van de haven. Je bent in een paar minuten op zee. Onbelemmerde toegang tot de haven. Je zit meteen midden in de stad en in een kennisintensieve regio. Veel kennisinstituten richten zich op het water. Die haven is dus geschikt voor allerlei innovaties op de Noordzee. Dat kan gaan over golfenergie. Zeewierteelt. The Ocean Clean-up, zij het vooral de lancering van hun eerste prototype. De doop van de solarboat van TU Delft heeft hier plaatsgevonden, ook om ons meer bekendheid te geven. We zijn toegetreden tot valorisatie-programma ‘Kust en Waterbeheer’ rondom TU Delft. Veel startende bedrijfjes met innovatieve producten. Soms zijn we de eerste klant, de launching customer. Op andere momenten stellen we ruimte ter beschikking. De ‘Slam Dam’ is hier uitgeprobeerd op de Doctor Lelykade. Als vervanger van de zandzakken. Al die bedrijven kunnen van elkaar leren. Hebben we in de toekomst ook een specifieke plek voor: de oude kantoor van de Norfolkline. Komen woningen in en ruimte voor innovatieve bedrijven onder de naam Innoport. Of dat ook lukt weten we niet, maar als er geen ruimte is voor innovatieve bedrijven, dan lukt het zeker niet. Twee jaar geleden was er geen ruimte meer voor dit soort bedrijven. Alleen maar kantoorruimte. Je hebt daarnaast ook loodsen nodig, opslagruimte. Ook hiervoor zitten verschillende projecten in de pijplijn.

Ik maak een overstap naar de Norfolkline. Ze gingen weg omdat de schepen te groot werden. Zijn naar Vlaardingen gegaan. Zeshonderd banen weg. Veel laaggeschoold. Ik vraag Segeren of je dat soort banen weer terugkrijgt. Segeren zegt dat het om een probleem van de hele stad gaat. Den Haag heeft weinig banen in de logistiek of in productie. Dus zoeken we naar andere sectoren. En het is moeilijk om als je heel lang een ambtenarenstad bent geweest om zo maar een andere sector aan te trekken. Toerisme zou een kans kunnen bieden. Veel instapbanen. Je kan vaak gisteren daar al beginnen. Maar voor iedere baan heb je bepaalde vaardigheden nodig. De uitdaging is tweeledig. We hebben een bestand van mensen in een uitkering die moeten worden geactiveerd. En we hebben werkgelegenheid nodig voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Je moet dat goed uit elkaar houden. Als je een hotel bouwt heb je mensen nodig die de was doen, die de kamers schoonmaken. Maar of dat mensen zullen zijn die nu een uitkering hebben in Den Haag, is maar zeer de vraag.

En naast die prioriteiten heb je natuurlijk het toerisme. Ik vraag naar de synergie tussen haven en toerisme. Segeren vertelt over de kleinere cruiseschepen die de gemeente naar de stad wil halen. Lost het probleem van de werkloosheid niet op, maar het levert wel wat op. Daarnaast is Scheveningen een Tallship-friendly port. Daarnaast heeft die haven veel evenementen. De Volvo Ocean Race die hier gaat finishen. Dat leidt tot veel drukte en veel bestedingen in de stad.

We gaan in ons gesprek terug naar de mogelijke spanning tussen wonen en bedrijvigheid in de haven. Segeren beaamt dat. Milieuzones geven grenzen aan. Ook toerisme kan overlast geven. De visserij is niet het probleem. Dat hoort bij Scheveningen. Maar ja, het gaat ook om de werkelijke stank en het werkelijke geluid en de perceptie van de stank en de perceptie van het geluid. Ja, het ruikt hier naar vis en naar zee! Als ik er kom ruik ik het wel. Maar ik denk ook: ik ben weer op de mooiste plek van Den Haag!

Maar die spanning, ja, daar heb je een bestemmingsplan voor. En iedere overheid krijgt klachten. Dus ook over laden en lossen op verkeerde tijdstippen. Maar er zijn meer klachten over de hoogbouw van de woningen dan over de haven! Het gaat om het eigen uitzicht. Maar we hebben geen recht op uitzicht in Nederland. Scheveningers die klagen over al die nieuwbouw en over de bereikbaarheid. Maar er wordt ook veel nieuwbouw erg fraai gevonden. Een rondje lopen in de haven wordt belangrijk gevonden. Tegelijkertijd moeten sommige delen van de haven soms worden afgesloten. Het is een zeehaven. Voor de veiligheid moet je soms kades afsluiten bij laden en lossen. De douane wil zicht hebben op de drugs etc. Zo is dat nu eenmaal. Dus je kan niet altijd het ‘rondje haven’ lopen.

Ik wil afronden met de vraag wat een gemeente kan en wat een gemeente niet kan in dit soort ontwikkelingen. Segeren zei al: je kan het vooral verpesten. Segeren verwoordt het ook nog anders: Gemeentelijk beleid is een noodzakelijke voorwaarde voor economische ontwikkeling van de stad, maar geen voldoende voorwaarde. En soms komt het nieuwe bedrijf geheel uit zichzelf, maar dan moet je het toch nog weer vaak ruimtelijk faciliteren. Een bestemmingsplan geldt voor heel Nederland. Maar het is duidelijk: de gemeente zorgt niet voor werkgelegenheid, maar de bedrijven zorgen voor werkgelegenheid. Maar we kunnen die bedrijven wel helpen om het ondernemen net iets makkelijker te maken. Bijvoorbeeld door te luisteren wat hun behoeften zijn. Dat heet accountmanagement. Je kan soms in geval van innovatie een subsidie geven. Je kan ze dus ruimtelijk faciliteren door een bedrijfsterrein te bestemmen terwijl je weet dat de verkoop van grond voor nieuwe woningen veel meer oplevert. En je kan bedrijven die er nog niet zitten enthousiast proberen te maken. Vertellen over de kwaliteiten van die plek. En als dat verhaal kloppend is, kan je daarin succesvol zijn. Veel koffiedrinken, wat je ook moet doen in zo’n gebied, is op zich niet voldoende.

Persoonlijk trek ik de conclusie dat alleen om die reden de haven van Scheveningen toekomst heeft. Want Segeren heeft een kloppend verhaal.

 

Bell – Heckel: 2 – 1

september 24, 2017 by  
Filed under artikel, fagot

Ooit zei een fagottiste tegen mij: misschien moet je die Heckel inruilen voor een gemakkelijker instrument. Ik was verbaasd, beledigd bijna. Mijn Heckel! Hoe zou ik die nu kunnen wegdoen? En nog wel voor een simpelere fagot. Er was geen mooiere klank dan die van de hoge F op mijn Heckel. Of die overgeblazen G, zonder pink, en dus te hoog. Maar wat was dat een mooie toon.

Toch ben ik haar advies nooit helemaal vergeten. Mijn Heckel was een oude Heckel, 5000-serie. Dus zeg maar uit 1925. Weinig kleppen en lang niet zo geperfectioneerd als de moderne Heckel. De gevolgen zijn er naar. De zuiverheid is een probleem en bijna elke noot verdient een aparte behandeling. Dus een langzame sonate kan een feest zijn, maar als het sneller gaat dan een achtste is het hard werken. Heel hard werken. Dat ding loopt gewoon niet zo soepel. Maar ja, die hoge F en overgeblazen G. Of die middel F die heel los in zijn vel hangt. Ik kon er niet zonder.

En dan kan het raar gaan. Omdat de nieuwe Heckel een levertijd heeft van 11 jaar, nee, je kan nu zelfs geen Heckel meer bestellen, is mijn fagot intussen € 25.000 waard. Ja, het zijn bizarre bedragen. Op dat moment komen andere instrumenten die wel technisch perfect zijn, onverwachts binnen handbereid. Tegelijkertijd wordt Max Vera  importeur van Bell in Europa, samen met Gustavo Núnez. Ik vraag hem of ik de Bell eens mag proberen. Ik speel  een paar uur op het model dat hij in huis heeft. Het is wennen, maar het is erg verleidelijk. Natuurlijk een nieuwe Heckel zal nog mooier zijn, maar een nieuwe Bell is gewoon een beter instrument dan een oude Heckel. Ik besluit het te doen. Tot mijn eigen schrik.

Vrijdag  was de nieuwe fagot binnen. Bij Max mag je altijd kiezen tussen het gloednieuwe instrument dat hij in huis heeft en het gloednieuwe instrument dat net is aangekomen. Onder leiding van Gustavo maak ik mijn keuze. We nemen er alle tijd voor. Het is moeilijk omdat het instrument zo anders is. Wat vroeger moeilijk was, is nu eenvoudig. Maar mijn mond en mijn embouchure moeten daar nog wel aan wennen. Na twee uur is de beslissing gevallen. Gewoon het instrument dat ik een aantal maanden geleden al heb geprobeerd.

Op mijn lieve, dierbare Heckel waren vooral de hoge D en de middel Es een probleem. Na een huwelijk van 25 jaar weet je niet meer anders. Maar als de nieuwe liefde een gewone D en een gewone Es heeft, lijken ze vooral ongewoon. En klinken ze plotseling akelig vals en onstabiel. Als ik ’s avonds thuis kom, durf ik er nog niet op te spelen. Bang voor de teleurstelling. Maar de volgende dag ga ik aan de slag. Het is verrassend hoe snel het beter gaat. Nee, het is allemaal nog erg vals. Ja, allerlei noten klinken nog niet goed. Maar het gaat wel snel vooruit.

Een paar uur later ben ik ver genoeg om vast te stellen dat sommige dingen op de nieuwe Bell gewoon veel makkelijker gaan. Staccato gaat veel beter op een instrument dat veel sneller luistert. Octaaf-sprongen lijken geen moeite meer te vragen. En alles beneden de middel F loopt al als een trein. En elke keer merk ik weer: hoe minder ik doe, hoe beter het gaat. Zou dat het grote verschil met de Heckel zijn? En zou dat nu al merkbaar zijn? Nee, nee, Heckel je bent heel lief. Maar die ander is wel een stuk makkelijker.

Een dag later, ik heb Bell nu twee dagen in huis, begrijp ik pas wat al die leraren al die jaren tegen me hebben gezegd. Wim, je moet meer ontspannen, je moet je onderkaak laten hangen, er moet een potlood tussen je kaken kunnen. Wim, je moet niet knijpen. Want juist dán begint mijn lieve Bell te klinken. Veel erger: als ik weer knijp komt er soms gewoon geen geluid meer uit. Dus niet meteen de orkestpartij van de Vier lette Lieder studeren, want dan ga je automatisch weer knijpen. Maar gewoon Weissenborn deel 2. Of desnoods deel 1. En steeds weer die verbazing: Oh, bedoelden ze dat?! Fagot spelen is eigenlijk heel eenvoudig. 🙂

En er gebeurt nog iets op die tweede dag. Ik maak me vanzelfsprekend zorgen over mijn klank. Beter gezegd: zou ik ooit die Heckel-klank weer terugvinden? Ronald zei nog aardig dat ik die klank gewoon ‘mee’ moest nemen naar de nieuwe Bell. Maar zou dat lukken? Zit ik straks niet met een goede fagot waarop het makkelijk spelen is, maar waarop ik het specifieke van de Heckel toch zal missen? Ik probeer even het langzame middendeel van het Divertimento van Kees Olthuis. En het gebeurt! Mijn nieuwe Bell begint te zoemen, begint zachtjes te janken en klinkt soms oorverdovend sonoor. Nee, het is geen Heckel. Het is iets anders. En dit doet helemaal niets onder voor mijn Heckel. Nee, nee, Heckel, je bent heel lief, maar je gaat toch gewoon de deur uit.

Vanwaar dat zwijmelen over #burgerkracht, #PvdA?

september 19, 2017 by  
Filed under artikel

Verrukkelijk artikel van Annemarie Kok in Socialisme & Democratie, het wetenschappelijk periodiek van de PvdA. Ze stelt de terechte vraag waarom zoveel vooraanstaande PvdA-ers (als Wallage en Plasterk) zijn gaan geloven in ‘burgerkracht’. We zouden de burgers zelf moeten laten beslissen over hun leefomgeving. Negatief gezegd: waarom zijn ze ‘klaar’ met de politiek. ‘Hoe zijn we toch in dit ‘weg-met-ons’-verhaal verzeild geraakt? Ik vat het artikel van Annemarie Kok en mijn gedachten in vijf vragen samen:

  • Wat is er mis aan de representatieve democratie? Waarom zou het ‘vijf voor twaalf’ zijn? Twijfels over de kwaliteit van raadsleden in sommige gemeenten is gerechtvaardigd. Maar waarom moet dan de representatieve democratie weg? Wellicht is het beter om het raadslidmaatschap aantrekkelijker te maken (dus niet het wachtgeld afschaffen, Ronald).
  • Willen burgers burgerkracht leveren? “Maar niets wijst op een spontane bereidheid onder de meeste burgers om gratis en voor niets op structurele basis over van alles mee te denken, maatschappelijke werk in de buurt te verrichten en/of bestuurlijke verantwoordelijkheid te dragen”, schrijft Kok.
  • Kan iedereen burgerkracht leveren? Voorstanders van burgerkracht wijzen op het hoge opleidingsniveau van de burger. Maar daarbij denken ze vooral aan hun eigen vrienden. Nog steeds is het vmbo de populairste onderwijsvorm. En het is bekend dat lager-opgeleiden meer moeite hebben om mee te doen in die leuke processen waarbij burgers het werk van gemeenteraden overnemen.
  • Wat doen we met de tegenstellingen? Politiek gaat toch over tegenstellingen? Voorstanders van burgerkracht lijken vaak te suggereren dat we het allemaal met elkaar eens zijn. Maar zoals een wethouder mij laatste vertelde: voor mij bestaat de burger niet; bedoel je de astmapatiënt of de berijder van een oude diesel in de binnenstad? Ja, wie krijgt dan zijn zin?
  • Waarom horen we altijd dezelfde voorbeelden over burgerkracht? Het gaat altijd over groene straten en opgelapte leeszalen. Het gaat nooit over sociale zekerheid, over klimaatverandering, over ongelijke kansen in het onderwijs, over ondermijning door criminele milieus. Zou het kunnen zijn dat je juist in de PvdA meer steun voor de representatieve democratie zou verwachten?

Sharon Gesthuizen roept niet alleen vragen op over de #SP

september 17, 2017 by  
Filed under artikel

Sharon Gesthuizen schreef een indrukwekkend boek. Het kwam al uitgebreid voorbij in de media. Maar die aandacht had wel een bijsmaak. Haar boek werd immers vooral gelezen als een aanklacht tegen het centralisme binnen de SP. Tegen de dictatuur van Jan Marijnissen. Tegen de geslotenheid van een partij die zegt op te komen voor de belangen van het volk. Zeg maar: tegen de laatste communistische partij die Nederland rijk is. Het boek van Gesthuizen werd vooral gebruikt om onze beschaafde weerzin tegen de autocratische geslotenheid van de SP te ventileren.

Ik ken Sharon Gesthuizen niet beter dan de gemiddelde krantenlezer. Ik heb haar in haar boek leren kennen als gedreven en betrokken. Als integer zelfs. Maar in alle commentaren mis ik toch het feit dat diezelfde Sharon Gesthuizen zich in diezelfde SP naar boven heeft weet te knokken. Zij heeft geflyerd, ze heeft vergaderd, ze is raadslid in Haarlem geweest, ze is persoonlijk medewerker van Agnes Kant geweest, ze heeft in het klasje van Jan Marijnissen gezeten en ze is 10 jaar Kamerlid geweest voor de partij. Ze was een aansprekend Kamerlid, ze deed dat goed. Maar ze blijft wel een exponent van de cultuur van die partij. Ik neem háár dat niet kwalijk. Maar de media hadden haar wel één keer kunnen vragen hoe iemand met zo’n afkeer van de SP daar zo lang heeft kunnen functioneren en zo hoog heeft kunnen stijgen? Met alle respect voor de openheid waarmee Gesthuizen haar leven bij de SP beschrijft.

Bovendien is het te gemakkelijk om alleen op de SP af te geven, hoezeer die vervelende partij er ook om vraagt. De cultuur van de SP roept namelijk vragen op waar alle partijen tegen aan lopen. Ik noem er drie.

Ten eerste: hoe democratisch kan en moet een politieke partij intern zijn? Het is beschamend om te lezen hoe strak de SP werd en wordt geleid. Om te lezen hoe bot en autoritair Jan Marijnissen zijn fractiegenoten afblaft. Om te lezen hoe de partijlijn door een kleine elite wordt uitgezet, terwijl het gemiddelde Kamerlid slechts mag raden welke opvattingen voortaan verboden zijn. Om te lezen hoe de opvolging van Marijnissen als partijvoorzitter intern wordt geregisseerd (en wordt gemanipuleerd). Ondanks de dappere poging van Sharon Gesthuizen om zich als ‘tegenkandidaat’ te presenteren. Ik zou in zo’n omgeving nooit willen en kunnen leven. Maar tegelijkertijd zijn politieke partijen bij uitstek plekken voor machtsvorming. Binnen politieke partijen proberen mensen hun idealen te verwezenlijken of hun plekje onder de zon te bemachtigen. En een politieke partij kan ook niet zonder regie als ze effectief wil zijn in het machtsspel met de andere partijen. Het centralisme van de SP stuit me tegen de borst, maar hoeveel interne democratie kan een politieke partij werkelijk aan om nog een rol van betekenis te kunnen spelen?

Ten tweede: is de politiek een slangenkuil omdat het de verkeerde mensen aantrekt, of kan de politiek alleen maar een slangenkuil zijn om überhaupt te kunnen bestaan? Sharon Gesthuizen verbaast zich regelmatig in haar boek over het functioneren van haar collega’s. Als Jan M. weer eens horkerig zijn zin doordrijft in de fractie, houdt bijna iedereen zijn mond. Slechts achter zijn rug durft een enkeling voorzichtig kritiek te uiten op de grote leider. Pas na een langdurige burn-out besluit Gesthuizen om de collega’s niet meer als vrienden te zien en om voortaan geheel haar eigen weg te gaan. Anders gezegd: om niemand meer op voorhand te vertrouwen. We zeggen vaak dat politieke partijen dat soort mensen aantrekken, mensen die gedijen in een slangenkuil. Nogmaals: ik zou er niet kunnen leven. Maar hoe onnozel is het ook om te denken dat machtsvorming lief kan zijn of transparant of eerlijk of aardig? Wie onderhandelt zal altijd zijn kaarten tegen de borst moeten houden. Wie coalities wil smeden, zal nooit open spel kunnen spelen. Is ‘rattigheid’ in de politiek alleen maar negatief? Of gaat het louter om een beschrijving van een vaardigheid die in de politiek niet kan worden gemist?

Ten derde: in hoeverre moeten politieke partijen de stem van het volk volgen dan wel in hoeverre moeten zij de richting wijzen? Jan Marijnissen riep in de Kamer altijd dat hij op wilde komen voor de zwaksten in de samenleving. Als de grote leider van de linkse politiek. Maar in zijn fractie kapte hij elk debat af over zaken waarvoor ‘onze mensen’ zich niet (zouden) interesseren. In die zin was de man inderdaad even populistisch als de PVV. Zat die Marijnissen nu in de politiek om de samenleving te verbeteren, of om bij bepaalde groepen in de smaak te vallen? Op zich is die vraag niet meer zo interessant. Belangrijker is de conclusie dat ook elke politicus met idealen zijn achterban steeds nauwkeurig in de gaten moet houden.

 

 

De vertrouwenscommissie als ultieme achterkamer

september 1, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

Er is weer gedoe rondom burgemeestersbenoemingen. In Den Haag lekte vorige maand uit welke twee kandidaten niet waren benoemd: Plasterk en Marcouch. De twee namen werden door een  duo-raadslid via twitter publiek gemaakt. Of de man de waarheid heeft gesproken weten we niet. Want dat zouden we aan de vertrouwenscommissie moeten vragen en die mag niks zeggen. Ergo: we weten niet eens of er is  is gelekt uit de vertrouwenscommissie. En of een lid van de commissie daarmee een strafbaar (!) feit heeft gepleegd.

Deze week werd een raadslid uit Den Bosch van zijn bed gelicht, omdat hij ervan wordt verdacht uit de vertrouwenscommissie te hebben gelekt. We weten inmiddels dat de  voorkeurskandidaat van de commissie, Jan Hamming, op het laatste moment toch voor het burgemeestersambt in Zaanstad zou hebben gekozen. En aldus werd nummer twee de burgemeester van Den Bosch: Jack Mikkers. Er werd schande van gesproken. Maar wat is erop tegen om naar twee gemeenten tegelijk te solliciteren? Bij de sociale dienst moet je wel twee keer per week solliciteren, om voor een uitkering in aanmerking te komen.

Ja, als we het over vertrouwenscommissies hebben gaat het vooral over lekken en over strafbare feiten. Lekken uit de vertrouwenscommissie hoort niet en is verboden. Maar eigenlijk is dat de wereld op zijn kop. Waarom hoor ik nooit de legitieme vraag naar verantwoording? Is het niet meer dan logisch dat wij, burgers, mogen weten welke kandidaten zijn afgewezen. En wat daarvan de reden is. Draait nu in Arnhem inderdaad de PvdA-banen-carrousel? Of was Marcouch inderdaad de beste, nadat hij mogelijkerwijs in Den Haag is afgewezen? En was Jack Mikkers inderdaad de beste kandidaat, nadat Jan Hamming was afgevallen? Ja, dat willen wij weten. En daarom moeten we iedereen die ons meer verteld over wat er in de vertrouwenscommissie is besproken, alleen maar dankbaar zijn.

Eigenlijk is het bizar wat hier gebeurt. Burgemeesters worden tegenwoordig de facto door de gemeenteraad gekozen. Beter gezegd: door de vertrouwenscommissie uit de gemeenteraad. Dat werd enige decennia geleden nog gevierd als democratisering van de burgemeestersbenoeming. Niet het Rijk moest bepalen wie de nieuwe burgemeester werd, maar de gemeente zelf. Het zij gezegd: daarmee is winst geboekt. Beter een lokale vertrouwenscommissie dan een landelijke carrousel van politieke partijen die onderling gemeenten verdelen.

Maar toen burgemeesters nog door het Rijk werden benoemd, waren we wel veel beter op de hoogte van de namen van de kandidaten. Oké, er werd geen verantwoording afgelegd over de benoeming, maar de benoemers wisten wel dat we meekeken. We hadden ons met zijn allen kunnen afvragen of Plasterk het burgemeesterschap van Den Haag na een onzichtbaar ministerschap van Binnenlandse Zaken had verdiend. We hadden ons met zijn allen kunnen afvragen of het zwakke burgemeesterschap van Pauline Krikke in Arnhem een goede basis was voor het burgemeesterschap in Den Haag. Het was een gebrekkige transparantie, maar een beetje transparant was het wel.

Sinds de democratisering van de burgemeestersbenoeming tot stilstand is gekomen met de ‘verworvenheid’ van een vertrouwenscommissie weten we niets meer. Ja, we weten wie is benoemd. Maar waarom hij of zij wordt benoemd en wie de andere kandidaten waren blijft geheel duister. Als we nu over achterkamertjes willen spreken, laten we dat dan hier doen. Zo vind je ze nergens. Lekken uit deze achterkamer is zelfs wettelijk verboden en strafbaar. Met als bijzonder effect dat er tegenwoordig veel minder gedoe is over burgemeestersbenoemingen dan twintig jaar geleden. Ja, omdat het strafbaar is om iets te weten.

En waarom mogen we niks weten? Omdat de politieke partijen ongezien willen uitmaken wie onze burgemeester moet worden? Of is het ‘grote’ probleem dat kandidaten kunnen worden beschadigd als ze de eer aan een ander moeten laten. Dat zou vooral voor solliciterende burgemeesters uit andere gemeenten moeten gelden. Maar zou het niet bij een publieke functie horen dat je publiek wordt beoordeeld?

Al met al: het wordt hoog tijd dat we die democratisering van de burgemeestersbenoeming weer ter hand gaan nemen. Er is nog een lange weg te gaan naar een werkelijk openbaar debat over de keuze van de burgemeester. En dat openbare debat moet niet in de gemeenteraad worden gevoerd, laat staan in een vertrouwenscommissie. Dat moet een publiek debat zijn onder burgers, die zelf mogen bepalen wie hun nieuwe burgemeester wordt. Lang leve de gekozen burgemeester.

 

[verscheen in de Volkskrant van 1 sept 2017]

 

Het succes van Eindhoven fascineert

juni 19, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

 

Gesprek met Robert Elbrink, hoofd Strategie van de gemeente Eindhoven

Eindhoven ontwikkelt zich razendsnel. Groot Eindhoven (Zuid-Oost-Brabant) kreeg er tussen 2010 en 2015 (december) 11.000 banen bij. Vergelijk dat met Groot Rotterdam of Groot Den Haag, die in dezelfde periode 19.000 banen verloren [bron Statline CBS]. Oké, Groot Amsterdam is hors categorie met een winst van 64.000 banen. Maar het is duidelijk dat Eindhoven zeer floreert. Men is het ‘vertrek’ van Philips en het einde van DAF al lang te boven. Wie aan Eindhoven denkt, denkt tegenwoordig aan ASML, de grote wereldspeler op het terrein van chipsmachines. En aan de Design Academy. En aan de TU/e.

Maar wie de literatuur over stedelijke economie een beetje kent, houdt daaraan toch een heel ander beeld over. Ik zeg met nadruk ‘een beetje’. Die theorie komt er plat gezegd op neer dat vooral steden met ‘amenities’, met een aantrekkelijk woon- en leefklimaat, met veel voorzieningen, het tegenwoordig goed doen. In feite zijn de bedrijven footloose geworden (ze hoeven niet meer aan een kanaal te liggen om grondstoffen aan te voeren en producten af te voeren). Daarom trekken mensen niet meer naar bedrijven, maar trekken bedrijven naar mensen toe. In het wetenschappelijke jargon: werken volgt wonen in plaats van wonen volgt werken. Dus vooral steden waar het aangenaam wonen is, die veel voorzieningen hebben en veel mooie woningen, zouden het economisch goed moeten doen. Dat geldt zeker voor Amsterdam, hoewel het succes van Amsterdam zo langzamerhand in zijn tegendeel begint te verkeren. Amsterdam wordt te druk en te duur. Maar het is vooral zo duur omdat iedereen daar wil wonen. En omdat iedereen daar wil wonen zijn er veel bedrijven en omdat er veel bedrijven zijn wil iedereen er wonen.

Eindhoven heeft een ander woon- en leefklimaat. De woningprijzen liggen veel lager. Er is geen historische binnenstad. Er is geen binnenstad waar velen willen wonen. Er zijn veel minder culturele voorzieningen. In de terminologie van Gerard Marlet is Eindhoven geen ‘aantrekkelijke stad’. En toch doet Eindhoven het zo goed. Het is maar weer eens een bewijs dat de werkelijkheid complexer is dan een simpele theorie. Misschien is Eindhoven wel bij uitstek een stad waar niet ‘werken’ ‘wonen’ volgt, maar ‘werken’ ‘werken’. De dynamiek van de bedrijven trekt nieuwe bedrijven aan.

Er is nog een andere reden waarom Eindhoven zo interessant is. Eindhoven heeft een zeer succesvolle campus, de High Tech Campus Eindhoven. Het is bekend dat elke gemeente tegenwoordig een campus wil. Daarom is het goed om te bekijken waarom succesvolle campussen zijn ontstaan.

Om deze twee redenen spreek ik met Robert Elbrink. Elbrink is al enige tijd de hoofdstrateeg van de gemeente Eindhoven. Zijn strategische afdeling ‘hangt’ onder de Directieraad van de gemeente. Hij werkt als niet-Brabander al lang bij de gemeente Eindhoven, de laatste zeven jaar als hoofd van de afdeling Strategie. Hij kent de gemeente van binnenuit en is nog steeds in staat om het reilen en zeilen van de gemeente op enige afstand te observeren. Een ideale gesprekspartner al met al.

Eindhoven is ontdekt als stad met spannende dingen

Ik vraag Elbrink hoe het op dit moment met Eindhoven gaat. Je wilt zo’n gesprek nu eenmaal vriendelijk beginnen. Het antwoord is dat ook. Elbrink: Economisch gaat het goed. Bedrijven, zeker de high tech bedrijven, draaien als een tierelier. Maar als het gaat om de vraag: profiteert iedereen ervan, dan liggen er nog wel wat uitdagingen. De arbeidsmarkt heeft altijd vertraging ten opzichte van de economie. We moeten opletten of de werkgelegenheid gelijke pas houdt met de economie. Elbrink ziet ook dat het heel goed gaat met belangstelling voor Eindhoven. ”Eindhoven is de afgelopen jaren ontdekt als stad waar spannende dingen gebeuren”. Hij ziet het in de media, maar je ziet het ook in de Tweede Kamer waar gedebatteerd wordt over het einde van het mainportbeleid (de haven van Rotterdam en Schiphol als drijvende krachten van de Nederlandse economie) en waar nadrukkelijk wordt beseft hoe belangrijk de high tech en de industrie van Eindhoven tegenwoordig voor Nederland zijn. Door Eindhoven en de regio daaromheen kan Nederland echt meespelen op wereldniveau met high tech en industrie. “Die bedrijven hier hebben een grote toegevoegde waarde. Als je naar die machines van ASML kijkt en al die toeleveranciers, bijvoorbeeld. Het aantal banen groeit hier nog steeds. Grote vraag naar ICT-ers natuurlijk. Technische vakmensen. Daarom investeren we ook samen met andere gemeenten in programma’s om expats aan te trekken. Hoe zorg je ervoor dat je het aantrekkelijke vestigingsklimaat hebt dat de mensen komen die je hier echt nodig hebt. En hoe kunnen we hun partners, die ook vaak hoogopgeleid zijn, hier ook aan het werk krijgen?”

Ik vraag aan Elbrink waarom Eindhoven toch zo’n groot succes is. Hij zegt: Combinatie van factoren. De tijdgeest. Technologie is ‘in’, technologie is niet meer eng. Nerds zijn zelfs hip. Industrie is niet meer vies. Uniek aan Eindhoven is ook de combinatie van high tech en creatief. Die combinatie komt niet zoveel voor in de wereld. Design Academy is motor en magneet voor creatief talent. En die mensen blijven steeds meer in Eindhoven werken als ze zijn afgestudeerd. In Strijp S, en dat soort gebieden met industrieel erfgoed. Dat geeft een zelfversterkend effect. En er zijn mogelijkheden om high tech en creativiteit fantastisch te verbinden. Denk aan wearables: Enthousiast vertelt hij dat ook de gemeente al een designer in dienst heeft. Vooral om te bedenken hoe ze maatschappelijke vraagstukken en complexe multi-stakeholders vraagstukken beter kunnen oplossen. “We moeten leren om te denken vanuit de mensen voor wie je het doet. Anders dan de standaard beleidscyclus. Waarbij we na een paar jaar constateren dat het niet werkt en dan weer opnieuw beginnen”.

Het toeval van Eindhoven

Ik wil verder terug naar de oorsprong van het succes. Elbrink vat het helder samen. Eindhoven is een succes geworden door twee toevalsmomenten. Philips koos aan het einde van de negentiende eeuw voor Eindhoven en niet voor Breda. En in de jaren 90 werd besloten om het gebied van het NatLab open te stellen. Dat heeft het succes van Eindhoven bepaald. Historische toevalstreffers die je niet kan herhalen. Als Philips niet was gekomen was Eindhoven nog steeds een gezellig Kempisch dorp met een mooie markt en met carnaval. Net zoals Eersel of Oirschot. Daar kan je prachtig wonen, dichtbij heidegrond. De echte groei kwam met Philips.

Door de beslissing om het NatLab-gebied open te stellen zijn we enorm verbreed. Natuurlijk, Philips er zelf ook nog. En het bijzondere is dat de grote bedrijven bijna allemaal wortels hebben in Philips. “ASML is in 1984 begonnen als joint venture van ASMI en Philips en leek niet kansrijk”. Philips dacht: dat kan nooit wat worden. Boonstra heeft heel veel afgestoten. En veel van die bedrijven zijn zelfstandig een succes geworden. Waarschijnlijk omdat ze zelfstandig veel meer focus konden aanbrengen. Ook de bedrijven die later weer zijn overgenomen door VDL. En dan krijg je weer nieuwe toeleveringsbedrijven. Ook heel veel ingenieurs in Eindhoven hebben nog hun wortels in Philips. Mensen die goed met elkaar kunnen samenwerken omdat ze bij Philips op school hebben gezeten en dezelfde taal spreken.

Ja, dat openstellen van het NatLab gebied is een cruciaal moment geweest. Op basis van open innovatie model. Van een gesloten vesting naar een levendig high tech researchpark. Met nu meer dan 100 bedrijven en kennisinstellingen. Vroeger was het echt afgesloten. Je kwam daar niet. De gedachte van een Strip als ontmoetingsplek met allerlei facilities heeft erg bijgedragen aan de interactie op dat gebied.

Natuurlijk heeft uiteindelijk Philips zelf besloten om het NatLab open te stellen. Het was in de tijd dat Philips besloot om het hoofdkantoor naar Amsterdam te verplaatsen. De gemeente heeft er wel sterk op aangedrongen om de research in Eindhoven te verankeren. Toen heeft Philips veel geld geïnvesteerd om de Campus te ontwikkelen. En toen kwam het besef dat dit soort gebieden veel rendabeler worden als anderen er ook gebruik van kunnen maken. Je kan ook niet meer alle kennis en innovatie in één bedrijf houden. Je moet dus ketens ontwikkelen. Philips floreert daar zelf ook nog. Weinig mensen weten ook dat het hoofdkantoor van Philips Lighting hier in Eindhoven zit, niet in Amsterdam. Ach, wij zeggen altijd: Philips is weggegaan met 200 man. De directie en de marketing. Het hart is hier gebleven. De research, de kennis en kunde, de ingenieurs, die zijn hier nooit weggegaan. Bijzonder is dat je bij Eindhoven tegenwoordig eerder denkt aan ASML. Maar ja ASML bepaalt het tempo van Silicon Valley. Dat is de tijdgeest.

Ontkent Eindhoven de theorie of voorspelt de theorie het einde van Eindhoven

Het wordt tijd om Elbrink de vraag voor te leggen waarom Eindhoven niet aan de theorie voldoet. Eindhoven is toch veel te klein voor wat er allemaal gebeurt. En het is toch helemaal niet genoeg? Hoe kan het hier zo goed gaan, terwijl het hier toch veel minder aantrekkelijk is om te wonen dan in Amsterdam of Utrecht? Elbrink kan voor twee antwoorden kiezen. Of: die theorie deugt niet, of: het is maar de vraag hoe goed het gaat.

Elbrink kiest eerst een defensieve variant. Hij zegt: Dat hangt ook van je woonwensen af. Amsterdam is te vol en te duur. Je kan hier tegen een redelijk prijs een grondgebonden woning redelijk dicht tegen het centrum aan kopen. Maar dan zegt hij dat je ‘amenities’ op verschillende manieren kan definiëren. “Onze cultuurvoorzieningen zijn abominabel. Wij krijgen daarvoor ook bijna niets van Den Haag, in vergelijking met andere steden”. Ik probeer het even: die nerds hebben blijkbaar geen cultuur nodig. Daarin gaat Elbrink niet mee: Dat weet je pas als die voorzieningen er zijn. Ik dring aan: Maar de praktijk bewijst dat jullie je gewoon zo fantastisch kunnen ontwikkelingen met die € 1,53 per inwoner voor cultuur van het Rijk. Elbrink houdt stand. Niet voor niets heeft Eindhoven de laatste jaren in Den Haag gelobbyd voor meer culturele voorzieningen in de stad. Hij zegt: “Nee, het piept en kraakt”. We hebben sinds 2008 echt moeten bezuinigen. We hadden voor die tijd relatief goede voorzieningen op gebied van sport, cultuur, theater, denk aan de Effenaar. Dat was best veel voor een stad van deze omvang. Maar toen we moesten bezuinigen, werden al die voorzieningen heel kwetsbaar.

We hebben het alle voorzieningen zelf kunnen opbouwen door onze snelle groei. Heidegrond, schapen eraf, huizen erop zetten. En dat leverde heel veel geld op. Maar we zijn door onze grond heen. Toen hebben we het kabelbedrijf verkocht en een energiebedrijf voor 800 miljoen. Onze aandelen in het Bouwfonds verkocht. In 2008 viel onze bouw stil, we hadden de mooiste dingen verkocht en het Rijk ging bezuinigen op het Gemeentefonds. Toen kwam de decentralisatie met enorme taakstelling erover heen. Het piept en kraakt. We hebben 70 miljoen op jaarbasis op de gemeentebegroting bezuinigd. Enorme druk op alle voorzieningen. Cultuur, sport. Aantal daarvan zijn omgevallen. We kunnen nu wel goed draaien. Maar mijn grote zorg is of we dat over 10 jaar nog doen na al die bezuinigingen. Is het bestendig genoeg? Elbrink zegt: Ik ben er nog niet van overtuigd dat de theorie niet klopt. Het kan een hippe hype zijn, wat er nu gebeurt. Maar ik vraag me serieus af of het publieke fundament van Eindhoven wel sterk genoeg is voor de toekomst.

Oké, hij geeft wel iets toe: Wij zijn een heel andere stad, dat is waar. We hebben geen debatcentrum. Als je in Amsterdam twee mensen bij elkaar zet, dan heb je een debat. Als je hier twee mensen bij elkaar zet heb je een prototype. Maar we missen dat debatcentrum toch echt. Dat hoor je ook van mensen. We zijn wel een stad van meer dan 200.000 inwoners. Daar hoort debat bij.

Succes zonder bereikbaarheid

De theorie over regionale economie stelt bereikbaarheid centraal. En ook daar is Eindhoven al weer zo atypisch. Ze hebben een klote-klein vliegveld. Vergelijk dat met Schiphol. Ze klagen over de verbindingen met Duitsland. Die theorie klopt wel. Bereikbaarheid is heel belangrijk voor een regionale economie. Maar hoe kan het dan dat jullie bereikbaarheid naatje is, en dat je het toch geweldig doet? Elbrink: ik ben er gewoon niet gerust op dat we de toekomst op orde hebben. Ik ben wel blij met die theorie om aan te tonen dat er wat moet gebeuren. Ook bedrijfsleven vraagt erom. Het is wel kwetsbaar. In het verleden hadden we altijd zelf genoeg geld om als er een probleem was, om het probleem ook zelf te fiksen. We hadden altijd heel veel geld. En dat is de afgelopen vijf jaar duidelijk minder. Daar zie je de kwetsbaarheid ontstaan. Voorbeeld: Automotive moest naar Helmond, hebben we een miljoen bij gelegd. Europa vraagt ook vaak om cofinanciering vanuit Europa, dan heb je geld nodig. Dat ging allemaal hartstikke makkelijk. Maar dat gaat niet meer. Daar word ik nerveus van. We hebben niet meer de kracht om het zelf alleen te fiksen.

Een katholieke stad met een Philips-cultuur

Tot slot spreek ik met Elbrink over de rol van de overheid. Is die economie echt wel te beïnvloeden. Elbrink meent ten eerste dat Rijk, provincie en gemeente hun eigen verantwoordelijkheid hebben. Maar altijd samen moeten optrekken. Hij heeft niets met de gedachte “je gaat erover of je gaat er niet over”. Dat staat haaks op de praktijk.

Hoe belangrijk is het Rijksbeleid voor de stad? Elbrink: Het stimuleren van innovatie is belangrijk. Bedrijven hebben daar veel plezier van. Dat soort beleid is cruciaal. Arbeidsmarktbeleid ook. Dat is allemaal generiek beleid, voor alle bedrijven in het hele land. Maar als het alleen om Eindhoven gaat, ziet Elbrink toch vooral dat de G4 royaal bediend worden en dat Eindhoven als grootste van de kleintjes de kruimels krijgt. “Dat is een hardnekkig restant uit de jaren 90. Ik gun die G4 dat wel. Maar die cesuur is vreemd.”

Daarom is Elbrink blij met de introductie van het brainport-begrip in 2004 in de Nota Ruimte. Ik daag hem uit: wat heb je nu aan zo’n begrip. Ik begrijp dat ik niet te snel en te veel moet willen. Praten over ‘brainport’ betekent de eerste herwaardering van economische sectoren die niet over bloemen en vrachtwagens gingen. De verandering markeren. “We werden herkend en erkend door Den Haag.” Daarna is het een kwestie van lange adem. Elbrink hoopt dat het nieuwe denken op termijn leidt tot andere verdeelmodellen. Want: “Als er cadeautjes worden uitgedeeld zie je altijd dat de eerste cadeautjes naar de G4 gaan”. Dat soort logica doorbreken is een zaak van lange adem. Roept ook veel weerstand op, gaat om belangen. Gelukkig zien we in trajecten als REOS en het rapport “Maak Verschil” van de studiegroep Openbaar bestuur ontwikkelingen die beter aansluiten bij de logica van deze tijd. Het gaat om economische kerngebieden waar het geld verdiend wordt.

Wat is de rol van de gemeente? Ik hoor Elbrink meermalen zeggen: “even helpen”. Even wat geld bijleggen. Hier aan het Stadhuisplein wordt de dienst niet uitgemaakt. Maar we kunnen wel helpen. Dat is de bestuurscultuur die dateert uit de tijd van Philips, die hier wel alles bepaalde. Er is hier geen cultuur van ‘we run this city’. Lange traditie met veel maatschappelijk initiatief, veel stakeholders. Daarmee cijfer ik de gemeente niet weg. Als organisatie kent de gemeente iedereen. Zo kunnen wij mensen met elkaar in contact brengen. We kunnen de smeerolie zijn. Soms brengen we bedrijven met elkaar in contact. Vaker brengen we bedrijven en maatschappelijke instellingen met elkaar in contact. En we zijn voor de funding natuurlijk vaak belangrijk. Denk ook aan de Stichting Brainport, onze Economic Board, sinds 2011. Die vindt zijn oorsprong in de jaren 90. We hadden malaise bij Philips, en DAF. Burgemeester Rein Welschen haalde de mensen bij elkaar. Bedrijven, universiteit, gemeente. Zo is uiteindelijk de Brainport ontstaan.

We zijn een pragmatische stad, een pragmatisch gemeentebestuur. We lopen ze niet in de weg. Je moet je steeds afvragen: voegen we echt iets toe? Wanneer moet je even niks doen? Geen beleid maken. Ja, de gemeente hielp Philips groter worden. Dat is nog steeds onze cultuur. Natuurlijk denken we wel dat het uitmaakt wat we doen. Maar het is toch vooral actief faciliteren.

 

 

Volgende pagina »