Onderzoek naar formatie faalt

november 20, 2019 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Zelden zo ambivalent geweest na het lezen van een boek. Het gaat om dit boek: Elke formatie faalt; verkiezingsbeloften die nooit worden waargemaakt van Wimar Bolhuis. Het idee is leuk, de uitvoering is leuk, de verslaglegging is dramatisch en de analyse ontbreekt grotendeels. 

Het idee. Het CPB maakt doorrekeningen van verkiezingsprogramma’s. Het CPB maakt een doorrekening van het regeerakkoord dat na de verkiezingen wordt gesloten. Bolhuis vergelijkt beide op een intelligente manier. Vanzelfsprekend vergelijkt hij alleen de verkiezingsprogramma’s van de regeringspartijen met het regeerakkoord. Bovendien weegt hij de verkiezingsprogramma’s op basis van het zeteltal van de partijen in de Kamer. Het is immers logisch dat de VVD in Rutte III meer in melk te brokkelen heeft dan de ChristenUnie. 

De uitvoering. In meer dan 80% van de gevallen komen de politici hun beloften na. Voor alle duidelijkheid: de regeringspartijen komen in meer dan 80% van de gevallen hun beloften na. Terecht stelt Bolhuis dan ook: “Nederlandse politici zijn over het algemeen betrouwbaar” (p. 97). Niet gek om dat nog eens te bewijzen in tijden van populisme en fake-nieuws. Terzijde: ik heb in het verleden vaak een bijdrage geleverd aan verkiezingsprogramma’s en had indertijd toch niet altijd het idee dat we zulk belangrijk werk aan het verrichten waren. Natuurlijk wijkt het regeerakkoord in een aantal gevallen wel af van wat je op grond van de verkiezingsprogramma’s van de regeringspartijen zou mogen verwachten. En dat zijn geen onbelangrijke zaken. Belastingen en premies voor burgers worden meestal hoger dan beloofd. Belastingen voor bedrijven worden meestal lager dan beloofd. Uitgaven voor sociale zekerheid, openbaar bestuur, zorg, internationale samenwerking en milieu krijgen in de regel meer dan vooraf beloofd. En onderwijs minder. Ook is er bij de inkomstenbelasting meer nivellering dan beloofd. Al wordt dat wel gecompenseerd omdat er uiteindelijk (nog) minder belasting op vermogen wordt geheven dan al was beloofd. 

De verslaglegging. Je zou zeggen een behoorlijk evenwichtig onderzoek met vertrouwenwekkende conclusies. Toch dist Bolhuis in zijn boek een volstrekt ander beeld op. De titel van het boek zegt het al: Elke formatie faalt. Met nadruk op “elke” en op “faalt”. En vanaf het begin van het boek staat de conclusie vast: “De Nederlandse politici vertellen, bewust of onbewust, structureel dezelfde soort ‘leugentjes’ in hun verkiezingsprogramma’s” (p. 13). Om dat te bewijzen presenteert Bolhuis alleen de “afwijkende uitkomsten (of verschillen) tussen verkiezingsbeloften en regeerakkoorden” (p.16). Ik heb al veel raar onderzoek gelezen, maar dit slaat toch zo’n beetje alles. Als je het onderzoek in zijn totaliteit bekijkt blijken politici in meer dan 80% van de gevallen te doen wat ze hadden beloofd. Maar omdat die conclusie blijkbaar niet interessant genoeg is, worden in het boek alleen de bewijzen van het tegendeel (uitgebreid) besproken. En zo bewijst Bolhuis dat politici “structureel dezelfde leugentjes vertellen”. Dan zie je pas hoe sluw die ondertitel van het boek is gekozen: verkiezingsbeloften die nooit worden waargemaakt. Ja, zonder komma. Dus dit boek gaat alleen over de verkiezingsbeloften die nooit worden waargemaakt. Maar die hele titel suggereert maar iets heel anders: dat verkiezingsbeloften nooit worden waargemaakt. Waarom doet zo’n man zoiets?

Analyse. De auteur steekt niet onder stoelen of banken dat hij zijn proefschrift, waarvan dit boek een populaire uitgave is (of moet ik zeggen: populistische?), en het boek zelf heel snel heeft geschreven. Dat is bewonderenswaardig. Maar het onderzoek had wel veel beter kunnen worden als de auteur er meer tijd voor had genomen. Want een analyse van de uitkomsten ontbreekt eigenlijk geheel. Er worden alleen willekeurige verklaringen gegeven, zonder dat deze systematisch zijn onderzocht. Daarmee wordt een geweldige kans gemist. Want waarom stemmen regeerakkoorden zo sterk overeen met de beloften die eerder aan de kiezers zijn gedaan en waarom wijken ze op sommige (essentiële) punten toch ook af? Komt dat laatste door het werk van de lobbyisten? Komt dat door de ambtenaren die zich nadrukkelijk met de formatie bemoeien (hoewel ze zelf altijd een heel ander beeld ophouden)? Komt dat omdat verkiezingsprogramma’s vooral voor de eigen partij zijn bedoeld en niet voor de kiezer? Of komt het door de psychologie van verkiezingen en formaties? Het bekt immers lekker om tijdens de verkiezingen te melden dat er fors moet worden gesneden in het aantal ambtenaren, maar na de verkiezingen heb je die ambtenaren toch vaak wel erg nodig. Het bekt lekker dat er veel meer geld moet naar onderwijs, maar na de verkiezingen blijkt het toch ingewikkelder om daarvoor een directe bestemming te vinden. Zoals een regeerakkoord wellicht nivellerender is omdat het kabinet er ‘voor alle Nederlanders’ wil zijn en niet alleen voor de eigen achterban.  

Stikstof doet instituties kraken

november 15, 2019 by  
Filed under artikel, De Stad, Geen categorie, Voorpagina

Voor wie van politiek houdt, zijn het mooie tijden. De VVD die de 130 km afschaft, het CDA dat de veestapel gaat inkrimpen. En we staan nog maar aan het begin. Die stikstofcrisis is nog lang niet opgelost. En ook het klimaat zal veel vragen van regeringspartijen die niet zo lang geleden nog openlijk twijfelden aan de klimaatverandering. Het knarst en piept in Den Haag.

Dat gaat niet alleen om de partijen, maar ook om de institutionele verhoudingen. Die hele stikstofcrisis is veroorzaakt door de rechter, die ons typische gedoogbeleid naar de prullenbak verwees. In de Urgenda-zaak sprak de rechter uit dat de regering zich aan internationale afspraken moet houden en een veel actiever klimaatbeleid moet voeren. En zelfs de afschot in de Oostvaardersplassen is recentelijk weer stopgezet omdat de rechter verder schieten verbood. Die rol van de rechter, het is allemaal nieuw. Mijn vertrouwen in de democratische rechtsstaat is er alleen maar door vergroot. Maar het kabinet heeft grote moeite om met dit nieuwe fenomeen om te gaan. In de Urgenda-zaak werd steeds gehoopt dat een hogere rechter anders zou oordelen, hetgeen niet gebeurde. De stikstof-uitspraak van de Raad van State werd vooral juridisch benaderd (hoe bedenken we een nieuwe truc, zoals minister Van Nieuwenhuizen zich liet ontvallen), terwijl een politiek antwoord gewenst was. In alle gevallen is de reactie too little too late. 

Het knarst en piept ook in het binnenlands bestuur. Het lijkt erop dat de verhoudingen tussen Rijk, provincie en gemeenten eraan toe zijn om opnieuw te worden gedefinieerd. Een paar jaar geleden moest de jeugdzorg worden gedecentraliseerd: voortaan zouden de gemeenten verantwoordelijk worden. Nu wordt al weer bekeken hoe die maatregel kan worden teruggedraaid. Is jeugdzorg dus toch geen lokale taak? Het kabinet neemt een besluit over de stikstof en een dag later beslissen de provincies om bij de vergunningverlening andere regels te hanteren.  Je zou toch denken dat de stikstof een nationale kwestie is en dat de Rijksoverheid bevoegd is om te bepalen wat er op dit punt moet gebeuren. 

Deze ontwikkelingen verbazen me overigens niet. Al veel langer verschuiven de posities in het binnenlands bestuur. Op de oorzaken daarvan ga ik hier niet verder in. De taal waarmee het binnenlands bestuur wordt beschreven is gaandeweg veranderd. Gemeenten noemen zich  tegenwoordig ‘mede-overheid’ in plaats van het verfoeide ‘lagere overheid’. Provincies roepen dat zij (en niemand anders) over de regionale economie gaan en over het platteland. En dus blijkbaar ook over de stikstof. Termen als ‘horizontaal bestuur’ worden in deze sfeer graag gebezigd, alsof er geen hiërarchie meer in het binnenlands bestuur zou bestaan. Ja, dan is het logisch dat je je weinig aantrekt van het nieuwe stikstofbeleid van de regering. 

Terwijl het binnenlands bestuur ooit zo helder door Thorbecke is ontworpen. De gemeente ging volgens Thorbecke over de zaken die op het lokale niveau speelden. De provincie en het Rijk hadden daarover niets te zeggen. In dat opzicht was er geen hiërarchie in het binnenlands bestuur. Zoals de provincie ging over de zaken op provinciaal niveau en de Rijksoverheid over zaken op nationaal niveau. Maar als er een hoger belang geldt gaat dat altijd voor. Want Thorbecke zei al dat het nationale belang boven het provinciale gaat en het provinciale belang boven het lokale belang. In dat opzicht behoorde er wel hiërarchie te zijn. Dat probleem is een steeds grotere rol gaan spelen naarmate provincies en gemeenten meer Rijkstaken zijn gaan uitvoeren.

Wat betekent dit voor de stikstof? En voor de jeugdzorg? En noem maar op. Niemand twijfelt eraan dat de stikstof een nationale kwestie is. Dan is het niet meer dan logisch dat de Rijksoverheid hier de verantwoordelijkheid neemt (en hier verantwoordelijk wordt gehouden). En ook als het Rijk ervoor kiest om het stikstofbeleid door provincies te laten uitvoeren – dat kan immers efficiënter zijn -, dan horen de provincies het beleid uit te voeren binnen de kaders die door het Rijk zijn gesteld. Voor de jeugdzorg geldt eenzelfde redenering. Burgers hebben er recht op dat er in elke gemeente een goede jeugdzorg is, en dat die jeugdzorg niet afhankelijk moet zijn van allerlei politieke keuzen binnen de gemeente. Dan is er dus sprake van een nationale verantwoordelijkheid en kan de regering de jeugdzorg dus niet zo maar over de schutting van de gemeenten gooien. Natuurlijk kunnen gemeenten helpen bij de uitvoering van de jeugdzorg. Maar dat kan niet betekenen dat de kaders van de jeugdzorg van gemeente tot gemeente verschillen. Het Rijk moet de kaders stellen en de bijbehorende budgetten leveren. 

Dus laten we ophouden met al die fuzzy woorden als mede-overheden en horizontale verhoudingen tussen rijk, provincies en gemeenten. Als het een lokale kwestie is de gemeente helemaal vrij om zelf te beslissen. Als het een landelijke kwestie is, beslist het Rijk en voeren provincie en gemeente slechts uit. Natuurlijk, met beleidsvrijheid omdat het beleid daarmee efficiënter en effectiever wordt. Maar altijd binnen de kaders die het Rijk helder heeft aangegeven. Ja, in dat opzicht zijn, conform Thorbecke, de provincies en de gemeenten werkelijk lagere overheden

Bij het #RIVM breien ze hele lange zinnen

oktober 30, 2019 by  
Filed under artikel, Voorpagina

Je kan (in de auto) de radio niet aanzetten of het gaat over stikstof, PFAS of CO2. Althans in mijn oren. Voor anderen gaat het misschien over boeren of bouwers. In feite gaat het om hetzelfde. En kennisinstellingen spelen in dat publieke debat een grote rol. De boeren gingen bij hun tweede optocht niet voor niks bij het RIVM op bezoek. Directeur Hans Brug, die ter plekke directeur-generaal wordt genoemd, sprak de boeren kort doch netjes toe. Zijn toespraak was voldoende om de boeren verder te laten optrekken naar Den Haag. 

Ik hou me al een kleine 30 jaar bezig met de relatie tussen kennis en beleid. En volg dus met name de bewegingen van de kennisinstellingen in deze publieke debatten. En dan vallen me veel dingen op. 

Ten eerste richt het verwijt van velen zich tegen de onderzoekers vanuit de onbewezen gedachte: als het het onderzoek niet deugt, deugt het beleid ook niet. En daarom trekken velen het onderzoek louter om politieke redenen in twijfel. Zo roepen de boeren dat het onderzoek naar stikstof verkeerde meetpunten hanteert (hetgeen niet waar was). Maar vervolgens roepen ze dat hun stikstof-uitstoot al met 60% is gedaald. Op basis van dezelfde meetmethoden. Dat lijk weinig consequent. Helaas doen Tweede Kamerleden even gemakkelijk mee aan dat bashen van het onderzoek. Zeker van hen zou je meer wijsheid verwachten, alleen al in eigen belang, omdat veel beleid niet zonder wetenschappelijke onderbouwing kan. Zij kunnen moeilijk nu de uitkomsten van onderzoek zonder enig bewijs in twijfel trekken, om straks weer te roepen “dat onderzoek heeft aangetoond dat… etc.” 

Ten tweede zijn interviews met onderzoekers niet zelden tenenkrommend. Je zou toch verwachten dat het RIVM een paar mensen speciaal heeft opgeleid om op Radio 1 op simpele vragen simpele antwoorden te geven. Hebben ze daar geen communicatie-afdeling? Nu lijkt het alsof voor elk interview weer een andere wereldvreemde wetenschapper van achter zijn bureau is gesleurd om eindeloze onbegrijpelijke zinnen te breien. Ik ben wetenschapper, en als ik er al helemaal niets van begrijp, is er toch echt iets mis. Misschien denken ze bij het RIVM dat wereldvreemdheid een voorwaarde is voor goed onderzoek. 

Ten derde lijken de onderzoekers nauwelijks te hebben nagedacht over de specifieke rol die ze in dit debat vervullen. Die rol is simpel: ze reiken data aan en zo nodig duiden ze die data. De speech van directeur Hans Brug van het RIVM was in dat opzicht opvallend. Hij verdedigde helder waarom zijn modellen zeer adequaat zijn en zeker het beste wat nu denkbaar is. Maar hij vertelde niet dat hij alleen maar onderzoekt en dat de politiek beslist. Waarom zei hij niet tegen die boeren dat hij onderzoekt hoeveel stikstof er is, en dat de politiek besluit hoeveel stikstof er mag zijn? Of denkt het RIVM dat die laatste vraag objectief door de wetenschap kan worden bepaald. 

Daar lijkt het inderdaad op. Want elders meldt het RIVM dat de door de politiek gekozen ondergrens voor PFAS “niet wetenschappelijk onderbouwd is”, alsof er grenzen zijn die door de wetenschap kunnen worden vastgesteld. Een grens is een norm en normen kunnen nooit wetenschappelijk worden bewezen. Wetenschappers vertel ons alsjeblieft “hoe het zit” en doe dat zo betrouwbaar mogelijk. En laat de vraag hoeveel biodiversiteit we willen hebben, hoe gezond we moeten zijn en of het klimaat moet worden gered over aan de politiek. Die hebben het daar al moeilijk genoeg mee. 

Het einde van de polder

oktober 22, 2019 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

We zijn er jaren goed in geweest. In polderen. Polderen staat voor compromissen sluiten. Polderen staat voor met alle betrokkenen in gesprek gaan. Polderen staat voor draagvlak. Polderen staat ook voor schipperen. Voor het opzoeken van de grenzen van de wet. En als we over die grenzen heengaan noemen we het gedogen. Als er twee kenmerkende woorden zijn voor de Nederlandse politieke cultuur, dan zijn het ‘polderen’ en ‘gedogen’. En het is waar: we hebben er een belangrijk deel van onze welvaart aan te danken. 

Toch zijn er steeds meer signalen dat we het met polderen en gedogen niet meer redden. We kunnen ze elke dag in de krant lezen. Maar het is de vraag of ze door de politiek ook zo worden begrepen. 

Denk aan de stikstof en de landbouw. Ik weet dat de boeren veel last hebben van de overheid. Maar als je de zaak vervuilt hoor je dat ook te hebben. De politiek gooit het echter al jaren op een akkoordje met de landbouwwereld en bedacht zonder schaamte regels (PAS) die in strijd waren met de Natura-2000-richtlijnen van Brussel. Toen de Raad van State vervolgens een grens trok, deed het kabinet alsof het verrast was. Vervolgens kwamen de boeren in actie. Acties die aanvankelijk op volle steun van nagenoeg alle partijen konden rekenen. Intussen holt de kwaliteit van de natuur achteruit. Verder polderen en verder gedogen zijn dus geen begaanbare weg meer. 

Denk aan de Pfas. Ik weet dat de bouw veel last heeft van de overheid. Maar als je de zaak vervuilt hoor je dat ook te hebben. Het probleem was al jaren bekend, maar de overheid dacht er in goed overleg met de bouwwereld en met gedogen wel weer uit te komen. Helaas hebben de stoffen die schuilgaan achter het begrip Pfas grote nadelige gevolgen voor de voortplanting en zijn ze niet zelden kankerverwekkend. En weer moet het RIVM een oplossing aanreiken, waar we behoefte hebben aan een overheid die hier even niet poldert en niet allerlei ellende gedoogt.

Denk aan de drugscriminaliteit. We hebben het inmiddels moeten meemaken dat een advocaat van een kroongetuige is vermoord. Er gaan in de grote steden en zeker in Brabant honderden miljoenen om in de drugseconomie. Veel mensen raken verstrikt in de netwerken van de criminaliteit. De bovenwereld is al lang niet meer gescheiden van de onderwereld. Het lokaal bestuur dreigt op sommige plekken door de criminelen te worden ondermijnd. En nog steeds mag je legaal wiet kopen dat illegaal wordt geproduceerd. Een erger voorbeeld van gedogen kent de Nederlandse politiek niet. 

Denk aan de CO2. Ik weet dat er veel geld wordt verdiend aan fossiele energie in Nederland. Tegelijkertijd polderen we ons gek aan tafels om energieakkoorden en klimaatakkoorden te sluiten. Maar die tafels verplichten de deelnemers uiteindelijk tot niks. Tegelijkertijd is Nederland ver achterop geraakt met het opwekken van niet-fossiele energie, de beste methode om minder CO2 uit te stoten. Want zo lang de overheid ons niet verplicht om de voorstellen van de klimaattafels na te leven, leidt polderen ook hier weer vooral tot gedogen. 

Ik weet het: het polderen is een uniek model. Het is ook een model dat lange tijd succesvol is geweest. Maar als we onze natuur, ons klimaat, onze samenleving echt willen beschermen, is polderen op dit moment niet meer genoeg. En moet gedogen worden verboden. Ik vind het grappig om al die boeren in Den Haag te zien rondrijden. Ik vind het even grappig dat de bouwers over een paar weken daar ook gaan rondrijden. Maar daar hebben we nu even niks aan. We hebben behoefte aan een overheid die met gezag de grenzen aangeeft waaraan bouwers, boeren en burgers zich hebben te houden. 

[Volkskrant, 24 oktober 2019]

Investeringsfondsen zijn vooral anti-democratisch

oktober 10, 2019 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Er moet een investeringsfonds komen. Er wordt gesproken over 50 miljard. Omdat het lenen van geld niets meer kost. Ik begrijp die wens. Maar ik vind het een slecht idee. En ik begrijp niet waarom mensen het wel een goed idee kunnen vinden. Ik geef drie voorbeelden, die met vele andere zijn aan te vullen.

Het eerste voorbeeld: nog niet zo lang geleden stopten we een deel van de aardgasbaten in een fonds voor economische structuurversterking. Er was een commissie van wijzen, er waren onafhankelijke adviezen van de planbureaus. Maar de verdeling van het geld was een bizar gerommel tussen departementen. Zo kon het rustig gebeuren dat plannen, die al tweemaal door de ‘experts’ waren afgewezen, alsnog werden toegekend omdat het betreffende departement nog ‘niks had gekregen’. Overigens ging het meeste geld naar nog meer asfalt. Omdat de asfaltlobby wilde doen geloven dat asfalt het beste middel was om de economische structuur te versterken. Het was in die tijd dat een nieuwe minister van Financiën zich afvroeg waarom al die miljarden niet gewoon via zijn begroting liepen. Zodat ook de Kamer daarover kon oordelen. Het waren toch gewoon politieke keuzes. 

Het tweede voorbeeld: Groningen kreeg vorig jaar € 1,15 miljard. Als een soort genoegdoening voor alle ellende. Niet om de schade van de bevingen te herstellen of om de huizen te versterken. Nee, om de economische structuur van het gebied te versterken. Ik was zijdelings bij dit proces betrokken. Na twee minuten ging al niet meer om de vraag hoe de Groningse economie beter kon worden van al dat geld, maar wie het geld zou mogen verdelen. Ongetwijfeld zullen degenen met de meeste macht (en de beste lobbyisten) er straks met het geld vandoor gaan, en niet degenen met de beste plannen. 

Het derde voorbeeld: ooit werd het Waddenfonds in het leven geroepen. 800 miljoen voor het behoud van de Waddenzee. De verdeling van dat geld was een heel ingewikkeld spel, waarin eerst werd bepaald dat het niet om de Waddenzee ging, maar om het Waddengebied. En vervolgens dat het niet alleen om de ecologie moest gaan, maar ook om de economie. Omdat Friesland zo achtergesteld was. En zo werd de eerste 10 miljoen ooit uitgegeven aan de verhoging van de bruggen in de Noordelijke Elfstedenroute. Ja, ter bevordering van het toerisme. 

Er lijken altijd goede redenen te zijn om aparte fondsen te creëren naast de reguliere begroting. Maar die argumenten zijn niet zelden anti-democratisch. Zo horen we dat politici extra geld toch alleen maar gebruiken om de tekorten bij het onderwijs of in de zorg aan te vullen, of nog erger: om de uitkeringen te verhogen. Alsof de welvaart van het land daarmee niet gediend zou zijn. En alsof we de Tweede Kamer daarvoor niet zouden hebben gekozen. 

Bovendien zijn die argumenten niet zelden vals. Het is niet waar dat ‘experts’ ervoor kunnen zorgen dat het geld op de goede plek terecht komt. Hun deskundigheid staat niet borg voor een ordentelijke verdeling van gelden. Nog los van de vraag wat een ‘goede plek’ is. Dat is uiteindelijk altijd een politieke vraag die door gekozen politici in openbaarheid moet worden beantwoord. Fondsen staan helaas te vaak model voor duistere achterkamers waarin niet de deskundigheid maar de machtsverdeling de uitkomst bepaalt.

Tot slot heb ik nog één vraag. Waarom is die lage rente wel een reden om een enorm fonds in het leven te roepen en geen reden om de staatsschuld een beetje op te laten lopen? Wat is er op tegen om de komende 5 jaar 10 miljard meer uit te geven volgens de normale begroting? Dan kan het parlement gewoon zijn democratische afweging maken. Onze eigen Kamerleden en geen onduidelijke experts. Transparant in plaats van duistere machtsspelletjes. 

Verschenen in Trouw, 18 oktober 2019

Mevrouw Krikke en de #OVV

oktober 3, 2019 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Op de vroege Nieuwjaarsdag van dit jaar ging er van alles mis in Den Haag. De vreugdevuren op het strand waren veel hoger dan de toegestane 35 meter, zij bevatten veel meer pallets dan waren toegestaan en de bouwers hadden zonder toestemming vaten met ruwe olie tussen de pallets verstopt. De gevolgen zijn bekend. Er ontstonden in een mum van tijd enorme vuurzeeën en een regen van brandend hout daalde neer op de bebouwing van Scheveningen. Tot ieders geluk vielen er geen doden. En bleef de kerk van Scheveningen behouden. 

De lokale Haagse politiek riep de burgemeester ter verantwoording, maar die wist haar vege lijf te redden door een groot onderzoek aan te kondigen. Nadat ze eerst een onderzoeksbureau in de arm had genomen, waarvan ze zelfs bestuurslid was, dwong de gemeenteraad haar het onderzoek in handen te leggen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Één ding was in ieder geval bereikt: de burgemeester kon voorlopig aanblijven.

Vandaag heeft de OVV zijn bevindingen gepresenteerd. Het is een scherp rapport, maar ook een beschaafd rapport. Het is duidelijk dat niet alleen de burgemeester blaam treft. Maar het is ook duidelijk dat de burgemeester voor veel zaken die zijn misgegaan, de eindverantwoordlijke is. 

In mijn opinie zijn er vier zaken misgegaan. 

Ten eerste heeft de gemeente een vage deal gesloten met een vage tegenpartij. Er zijn geen duidelijke afspraken gemaakt en het was onduidelijk met wie die afspraken zijn gemaakt. De  handtekeningen ontbreken, die een deal tot een deal maken. 

Ten tweede heeft de gemeente blijkbaar geprobeerd een groot evenement met een deal (“convenant”) te regelen, terwijl bij grote evenementen gewoon een nette vergunning moet worden verleend als de andere partij een plan heeft dat aan alle voorwaarden voldoet. Zoals de OVV terecht heeft opgemerkt. Bij een vergunningverlening kunnen omwonenden in beroep gaan. Let wel: de omwonenden hadden de voorafgaande jaren ook al geklaagd over de gevaren en de overlast van de zogenaamde vreugdevuren. 

Ten derde is niet ingegrepen door de gemeente toen bleek dat de andere partij zich niet aan de afspraken hield, zoals ik boven al heb geschetst. Wat heb je aan een convenant als je niet reageert als de ander zich niet aan de afspraken houdt? En zeker als omwonenden daarmee in gevaar worden gebracht? 

Ten vierde heeft de gemeente de risico’s (blijkbaar) volstrekt verkeerd ingeschat. Het enige wat de gemeente heeft gedaan, toen duidelijk was dat de bouwers van de vreugdevuren zich niet aan de (vage) afspraken hadden gehouden, was het verplaatsen van de hekken voor het publiek. Dat er ook, zeker met de harde wind die verwacht werd, vuurregens konden optreden, is blijkbaar niet ingeschat. 

En nu is de grote vraag: wat moet er gebeuren? En met name: wat moet gebeuren met mevrouw Krikke? Moet ze weg of mag ze blijven? Laat ik ook daarover vier dingen zeggen.

Ten eerste: Pauline Krikke is politiek verantwoordelijk voor de veiligheid in de stad. Dat impliceert dat ze alleen kan functioneren als ze het vertrouwen heeft van de gemeenteraad. En de enige die bepaalt of dat vertrouwen aanwezig is, is de gemeenteraad zelf. Iedereen kan en mag daarover een opvatting hebben (ik ook), maar de gemeenteraad beslist of ze nog vertrouwen hebben in het functioneren van de burgemeester na deze (bijna)ramp. 

Ten tweede speelt de bestuurlijke chaos die ontstaan is door het corruptieonderzoek tegen twee wethouders en het uiteenvallen van het College van Burgemeester en Wethouders ongetwijfeld een grote rol bij de afweging of de burgemeester nu de laan moet worden uitgestuurd. Dan is de eenvoudige tegenvraag: denkt de gemeenteraad dat deze burgemeester met dit rapport op haar conto in staat is om die bestuurlijke chaos te verkleinen?

Ten derde heeft de burgemeester ook in de zaak De Mos nog wel het een en ander uit te leggen. Zij was formeel verantwoordelijk voor het verlenen van de vergunningen waarvoor De Mos het geld zou hebben ontvangen. Daarmee is zij geenszins schuldig aan corruptie, maar voor het starten met een schone lei is deze burgemeester niet de meest aangewezen persoon.

Ten vierde: nu Krikke heeft aangekondigd dat het voortaan allemaal anders moet (een hele terechte beslissing) is haar positie in de stad verder verzwakt. Den Haag is een vreemde stad, een gespleten stad. Er werd in het verleden wel gesproken over een stad van het zand (rijk) en het veen (arm). De laatste jaren kan je ook spreken over de stad van de PVV en de stad van de VVD (+D66). Het platte Den Haag versus de kakkers (dat voor een deel samenhangt met het zand en het veen). Het platte Den Haag geniet van de vreugdevuren, de kakkers houden van regels en juristen. Krikke heeft haar positie bij de juristen op Nieuwjaarsdag definitief verloren. Door de vreugdevuren aan strenge regels te binden verliest ze haar positie bij plat Den Haag. Straks heeft ze het aan beide zijden van de stad verbruid. Geen ideale positie voor een burgemeester, die nauwelijks in staat is geweest om gezag op te bouwen. 

Willem-Alexander kan geen steden belegeren

september 30, 2019 by  
Filed under artikel

In de politiek gaat het vaak over ‘frames’, simpel gezegd: over de manier van kijken. Wilders is er een meester in om bepaalde gebeurtenissen op een bepaalde manier te ‘framen’, om er een bepaalde betekenis aan te geven. Die betekenis domineert vervolgens het politieke debat. Zo zouden we geschiedenis als een aaneenschakeling van frames kunnen definiëren. Maar voor historici spelen frames ook nog op twee andere manieren een belangrijke rol in hun werk. Tegen die achtergrond las ik het prachtige boek van Ben Knapen over Johan van Oldenbarnevelt: De man en zijn staat. 

Ten eerste bepaalt het heden hoe we naar de geschiedenis kijken. Zo weten wij nu niet beter dan dat Nederland één natiestaat is. Juist om die reden is Van Oldenbarnevelt nog steeds zo’n interessante figuur, omdat hij de Zeven Provinciën tot één Republiek heeft gesmeed. En ik begrijp inmiddels beter dat hoe belangrijk die oorlog met Spanje is geweest voor die eenwording. Zelfs in de Tachtigjarige Oorlog dreigde zo af en toe een burgeroorlog, met name tussen het gewest Holland en de rest. Maar het was vooral het vakmanschap van Van Oldenbarnevelt die de zeven gewesten bij elkaar hield. Wat een geniale man, maar wat een geniale scharrelaar ook. Aan het einde van zijn leven had al dat scharrelen hem zoveel vijanden opgeleverd dat de beul onvermijdelijk werd. Maar dat is allemaal met het perspectief van het heden. Stel dat Spanje die Tachtigjarige Oorlog wel had gewonnen. En de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden niet uit elkaar waren geslagen, dan hadden we Van Oldenbarnevelt wellicht vooral als een onruststoker gezien, in plaats van als de geniale staatsman waarvoor we hem nu houden. 

Ten tweede wordt de geschiedenis altijd weer gebruikt om de kijk op het heden te veranderen. Zo kreeg Rembrandt in de negentiende eeuw een grote rol in de natievorming van het Koninkrijk en werd mede om die reden om zijn Nachtwacht de tempel van het Rijksmuseum gebouwd. We bedachten de zeventiende eeuw te vereren om ons meer in één Nederland te doen geloven. Zo werd eeuwen later ook de rol van Willem van Oranje en van Maurits opgepoetst om het geloof in de monarchie te versterken. Wie leerde niet op de lager school de heldenverhalen over Willem van Oranje, over Maurits en over Frederik Hendrik. En in dat frame was Van Oldenbarnevelt een dienaar van de Kroon, die ongehoorzaamheid met de dood moest bekopen. 

Maar Van Oldenbarnevelt was helemaal geen dienaar van de Kroon. Hij was de leider van de Staten-Generaal en de Staten-Generaal vormden het hoogste gezag in het land. De stadhouder was gewoon in dienst van de Staten-Generaal. Onder andere voor het belegeren van steden met een legertje dat geheel door de Staten-Generaal werd bekostigd. Dat scheen Maurits goed te doen. Je zou zeggen: onvoldoende reden om eeuwen later nog Koningsdag te vieren en een Argentijnse dame de aanspreektitel van ‘koningin’ te geven. Dat is dan ook alleen maar gelukt door het beeld van de Oranjes in de loop van de eeuwen bij te stellen. Zo hebben we het heden veranderd, door de geschiedenis te herschrijven. Als we dat niet hadden gedaan hadden we die Oranjes gewoon voor de eer kunnen bedanken, toen het belegeren van steden in onbruik begon te raken. 

Joop den Uyl: toch vooral een groot politicus #PvdA

augustus 26, 2019 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Tien jaar geleden verscheen de biografie van Joop den Uyl van Anet Bleich. Ik verslond de biografie en was teleurgesteld. Niet in het boek, maar in Den Uyl. Joop den Uyl was altijd een voorbeeld voor me geweest. Een gedreven visionair, de aanvoerder van een dominante PvdA. De aanvoerder van dat befaamde kabinet en de aanvoerder van mijn partij. Ik wist dat het niet in alle opzichten een aangenaam mens was, zeg maar: een hork. Ik wist dat het een drammer was, niet in staat tot onderhandelen, omdat een goede onderhandelaar ook iets overlaat voor zijn tegenstander. Maar het was vooral iets anders wat me enorm ging tegenstaan: dat gekwelde Messiasgedrag van die gereformeerde Den Uyl. Dat gevoel uit te stralen dat de toekomst van de hele wereld van jou afhankelijk is. Ik begreep plotseling beter waarom zoveel mensen een hekel hadden aan Joop den Uyl. Eigenlijk had ik het helemaal met hem gehad, nadat ik de biografie van Anet Bleich had gelezen. 

Hoe anders heb ik de recente biografie van Dik Verkuil over Joop den Uyl ervaren. Plotseling zag ik de grootheid van Den Uyl weer, plotseling begreep ik weer waarom zijn dood mij in 1987 zo ontroerde. Plotseling vroeg ik me af waarom ik Joop den Uyl al lange tijd niet meer als groot politicus zag. En die omslag in denken is eigenlijk heel opvallend omdat Verkuil, naar eigen zeggen, veel kritischer over Den Uyl schrijft dan Anet Bleich. Dat blijkt al uit de inleiding, waar Verkuil hilarisch beschrijft welke biografen voor hem op Den Uyl zijn afgeknapt. Biografen die Den Uyl nog persoonlijk hebben meegemaakt. Die hem thuis gingen interviewen, maar als antwoord op alle vragen slechts een lang monoloog kregen (en geen thee). 

In ieder geval heeft Verkuil een heel afgewogen biografie geschreven. Zeer compleet, zonder overcompleet te zijn. Met grote betrokkenheid bij het onderwerp van zijn biografie, maar tegelijkertijd met grote distantie in zijn oordeel. Treffend hoe Verkuil elk hoofdstuk afsluit met een nuchtere analyse van het gedrag van zijn hoofdpersoon. Van heldenverering is zeker geen sprake. 

Welk beeld van Joop den Uyl doemt voor mij op het uit deze nieuwe biografie? 

Het was een visionair. Het was een man die heel lang en heel diep heeft nagedacht over de sociaal-democratie. Wiens visie ons fundamenteel nog steeds veel heeft te zeggen. Natuurlijk, hij leefde in een andere tijd, bovendien was hij een moralist. Maar in de essentie ging het hem om vrijheid en om zelf-ontplooiing. En de fundamentele taak van de overheid om aan een zo groot mogelijke vrijheid van haar burgers bij te dragen. Dat hij daarbij zelf wilde invullen wat goed voor burgers was (geen auto’s, geen overbodige luxe, wel cultuur etc.) zij hem vergeven. En kunnen we ook vergeten als we in de huidige tijd nog eens goed zouden overdenken hoe een sociaal-democratisch gestuurde overheid zou kunnen bijdragen aan de vrijheid van haar burgers. 

Het was geen wetenschapper. Joop den Uyl heeft ergens nog een eredoctoraat gekregen van de Universiteit van Amsterdam. Dat is hem gegund, maar was eigenlijk onterecht. Niet elk groot denker is een wetenschapper. Een wetenschapper twijfelt en gebruikt argumenten om dichterbij de waarheid te komen. Joop den Uyl was zeer belezen en gebruikte alle wetenschappelijke argumenten slechts om zijn politieke visie te ondersteunen. 

Het was een verbinder. Ik herinner me die verkiezingsbijeenkomsten na de val van dat dramatische kabinet Van Agt-Den Uyl, waar honderden op afkwamen om hem te horen spreken. Het was een geweldige redenaar, en dat was hij juist omdat hij verschillende bevolkingsgroepen wist aan te spreken. Ik weet het: in 1977 rekende 40% van het electoraat zich nog tot de arbeidersklasse en tweederde van hen stemde op de PvdA. Maar Joop den Uyl was wel in staat om die arbeidersklasse met de hoogopgeleide elite te verbinden. Later spraken we over de spagaat en tegenwoordig is de arbeidersklasse verdwenen en de hoogopgeleide elite vooral naar andere partijen overgestapt. 

Het was een drammer. Het moet verschrikkelijk zijn geweest om minister te zijn geweest in zijn kabinet (laat staan minister in het mislukte kabinet Van Agt-Den Uyl). Er was nooit ruimte voor een ander standpunt, er was eigenlijk nooit ruimte voor een compromis. Natuurlijk, hij wist heel goed wanneer bepaalde standpunten politiek niet meer houdbaar waren. Maar als hij in een gesprek iets weggaf, wist je dat morgenochtend het terug-onderhandelen zou beginnen. Toch is hem wel verweten dat hij zijn tweede kabinet in 1977 niet met het machtswoord door die verschrikkelijk Partijraad wist te loodsen. Gek genoeg treft dat verwijt altijd Joop den Uyl, terwijl het echte verwijt natuurlijk Piet Reckman treft en niet te vergeten mensen als Ed van Thijn en Hans Kombrink met hun blinde meerderheidsdenken.

Het was een tragische held. Hij beleefde zijn hoogtepunt in 1973 met de komst van zijn kabinet. Dat kabinet heeft veel gedaan voor de onderkant van de samenleving. Maar de lat werd veel te hoog gelegd en daardoor kon het slechts op een mislukking uitdraaien. De formatie van 1977 is door links verprutst. Het eerste kabinet-Van Agt kon zijn tijd volmaken door een zichzelf overschattende oppositie. Het tweede kabinet Van Agt werd door vice-premier Den Uyl een volslagen mislukking. Maar we vergeten te gemakkelijk dat tijdens Lubbers-I de PvdA onder Den Uyl in de peilingen lange tijd op 55 tot 60 zetels stond. En te gemakkelijk wordt Den Uyl verweten dat hij te laat plaats maakte voor een opvolger, waarbij we even gemakkelijk vergeten dat lange tijd niemand aan het niveau van Den Uyl kon tippen. 

Het was een groot politicus. En, het was, denk ik, geen aardige man. Maar waarom zou een groot politicus aardig moeten zijn. 

Mensen in nood zijn welkom, de anderen als ze nodig zijn

juni 17, 2019 by  
Filed under artikel

Ik worstel. Ik worstel met de winst van de sociaal-democraten in Denemarken. Ik worstel met de IND. Ik worstel met een vastlopende rechtsstaat. Ik worstel wellicht met een bias.

De Deense sociaal-democraten wonnen de verkiezingen en de Deens PVV verloor de helft van zijn stemmental. De oorzaak was simpel: de sociaal-democraten kozen abrupt voor een heel ander migratiebeleid. Zeg maar: een heel hard migratiebeleid. De oude kiezers keerden abrupt terug op het oude nest. Die winst van de sociaal-democraten is op zich geen reden om het migratiebeleid aan te scherpen. Die winst zet wel aan tot nadenken. Blijkbaar waren oude kiezers nogal fors in de steek gelaten. De vraag is: hadden ze gelijk?

De IND is niet in staat om criminele asielzoekers het land uit te zetten. Een combinatie van een grote organisatie en een soft beleid. Mensen die in hun eigen land moeten vrezen voor hun leven, moeten gastvrij worden ontvangen. Maar waarom mogen we van gasten niet vragen dat ze zich netjes gedragen. Persoonlijk heb ik geen enkele moeite om tegen mijn eigen gasten vriendelijk te verzoeken om morgen na het ontbijt te vertrekken, als ze te veel hebben gedronken. Waarom zouden we criminele gasten dan niet direct weg sturen?

De rechtsstaat beschermt de Nederlandse burger tegen de Nederlandse staat. Iedereen is gelijk voor de wet en de overheid mag alleen optreden binnen de grenzen van de wet. En ook dan nog hebben burgers veel rechten om zich tegen overheidshandelen te verweren. Maar moet al die rechtsbescherming ook gelden voor mensen die vriendelijk vragen om binnen te mogen komen? Ze zijn immers nog geen lid van de gemeenschap. Snelheid lijkt me daar te prefereren boven bovenmatige rechtsbescherming. Er is wel een belangrijke voorwaarde: allen die het Nederlandschap hebben verworven, zijn gelijk voor de wet.  

Ik heb een bias, die loopt van de Tweede Wereldoorlog tot het multiculturele drama van Paul Scheffer. Die bias behelst dat ik discrimineer als ik iemand van een andere kleur of cultuur de toegang tot dit land zou willen ontzeggen. Die bias fluistert me in dat asielzoekers nauwelijks crimineler zijn dan autochtone leeftijdgenoten. Die bias maakt me vooral bang om onderscheid te maken tussen insiders en outsiders. Intussen blijven criminele asielzoekers gewoon crimineel. Bovendien weet ik maar al te goed dat mijn afkeer om anderen toegang tot dit land te ontzeggen, goed gedijt in wijken waarin migranten nu juist niet wonen en onder mensen die zich geen zorgen hoeven te maken over hun baan. Dat ligt nogal anders voor mensen die een reële angst hebben dat hun portieken en hun banen wel door migranten worden overgenomen. En die hun verzorgingsstaat zien afkalven, omdat asielzoekers een bovenmatig beroep doen op de uitkeringen. Ja, wat is het eenvoudig om gastvrij te zijn, als je van de gast nooit last hebt.

Dat is mijn worsteling. Ik heb steeds meer behoefte om mijn redenering van voren af aan opnieuw op te bouwen. Geen analyse. Geen beschouwing met cijfers en getallen. Geen bestuurskunde, geen sociologie. En al helemaal geen politieke filosofie. Geen verhaal over wat zou kunnen en wat zou moeten. Maar gewoon een grondhouding. Hoe sta ik tegenover de komst van asielzoekers, hoe sta ik tegenover de komst van arbeidsmigranten? Ja, ik merk dat ik vooral dat onderscheid wil maken: tussen mensen die in levensnood verkeren en mensen die om andere redenen naar Nederland willen migreren. 

Voor mensen in levensnood (oorlog, geweld) moet altijd plaats zijn. Dat is een kwestie van barmhartigheid. Maar waarom zouden we accepteren dat asielzoekers ook na vele jaren nog niet zijn geïntegreerd? Dat hun werkloosheid na 20 jaar nog vele malen hoger ligt dan bij de autochtone bevolking. Gastvrijheid genieten verplicht om snel op eigen benen te gaan staan. Dat Deense idee van een verplichte kinderopvang, met als oogmerk de taal snel te leren, is zo gek nog niet. Gastvrijheid genieten verplicht ook om niet langdurig gebruik te maken uitkeringen. Hoe fnuikend is ook de hoogte van onze uitkeringen, onvergelijkbaar met de ondersteuning in het land van herkomst? Er is geen enkele reden om asielzoekers te bevoordelen boven mensen die (al) in Nederland wonen.

Laten we ook eens helder zijn over de rechten van mensen die asiel vragen. Wat is erop tegen als zij minder rechten hebben dan mensen die het Nederlanderschap al eerder (bij geboorte of bij naturalisatie) hebben verworven? Er is geen legitieme reden voor tijdrekkende rechtsbescherming. Die asielprocedure hoeft in een rechtsstaat, waarin de rechtsbescherming alleen een recht is van de leden, niet langer te duren dan een half jaar. Asielzoekers wier leven niet wordt bedreigd of criminele asielzoekers worden teruggestuurd. En waarom krijgen statushouders geen proeftijd van, zeg, vijf jaar? Wie zich in deze periode misdraagt, wordt alsnog uitgezet. Ook wie geen enkele poging doet om een bestaan op te bouwen in het nieuwe land, verliest zijn recht op verblijf. Tegenover gastvrijheid mag men toch wel hoffelijkheid verwachten?

Dus ook als er sprake is van levensbedreigende situaties, worden er strenge eisen aan een definitief verblijf gesteld. Omdat ik niet wil dat insiders zich ontheemd gaan voelen. Outsiders moeten (als ze elders hun leven niet veilig zijn) insiders kunnen worden, zonder dat insiders op hun beurt het gevoel krijgen outsiders te zijn. 

En wat moet het antwoord zijn op de komst van al die anderen die hier alleen komen om een nieuwe toekomst op te bouwen? Laat voorop staan dat hun wens volstrekt legitiem is. Hier zijn de kansen op economische voorspoed ongetwijfeld groter dan in veel andere landen. Uit solidaire overwegingen en vanuit de gedachte dat andere culturen een verrijking zijn voor ons land, is vaak aan die legitieme wensen van outsiders toegegeven. Ook economisch zijn er veel voordelen aan arbeidsmigranten verbonden. Veel sectoren kunnen momenteel al niet meer zonder arbeidsmigranten. Maar ook: hoe meer arbeidsmigranten, hoe meer verdringing op de arbeidsmarkt dreigt. En hoe minder kansen voor mensen die hier al een bestaan hebben opgebouwd. Die hier geboren en getogen zijn. Ik merk dat ik mijn woorden zorgvuldig zoek, dat ik tastend tot een redenering kom. De kern van de vraag is: heeft de insider meer rechten dan de outsider? En het antwoord op die vraag werd in het publieke debat vaak door insiders gegeven die van outsiders geen last hadden. Laten we daarentegen redeneren vanuit de positie van de insiders wier belangen wel door de komst van arbeidsmigranten worden geschaad. 

Mogen wij onze welvaart onthouden aan hen die veel minder welvarend zijn? We leven in een verzorgingsstaat waar het recht van eigendom wettelijk is verankerd. We doen elke nacht ons wc-raam dicht om het stelen van onze eigendommen te voorkomen. En waarom zou het dan niet legitiem zijn om onze welvaart als ons eigendom te beschouwen? En om anderen daarvan uit te sluiten? Op zijn minst gedeeltelijk? Natuurlijk ben ik graag solidair. Maar het wordt wat magertjes als mijn solidariteit juist ten koste gaat van mensen die in onze samenleving al weinig kansen hebben. 

Het toelaten van arbeidsmigranten moeten we dus koppelen aan de kansen van de insiders. Als hun kansen niet worden geschaad, is en ruimte voor outsiders. Arbeidsmigranten laten we toe voorzover ze nodig zijn. 

Ja, wellicht is dit standpunt niet erg verrassend. Maar het heeft mij toch vele jaren gekost, voordat ik hier uitkwam. 

De schaduw van de stad

april 9, 2019 by  
Filed under artikel, De Stad

Parijs wordt te duur, Bordeaux heeft de toekomst. Zo meldt de Volkskrant van vanmorgen. Kranten zijn dol op nieuwe trends. Je moet dus altijd voorzichtig zijn met dat soort berichten. Zo valt het me op dat Parijs in de bijbehorende grafiek 2 miljoen inwoners heeft tegen Berlijn bijna 4. Daar worden blijkbaar appels met peren vergeleken. Toevallige gemeentegrenzen versus agglomeraties. En de simpele vraag waarom Parijs zo duur wordt, komt niet aan de orde. Zou het iets te maken kunnen hebben met het feit dat heel veel mensen daar willen wonen. En dat met name de hoogopgeleide hogere inkomens daar willen wonen? Zo slecht zal het er dus toch niet zijn. 

Toch gedijt het bericht op een nieuwe onderstroom. Na alle succesverhalen over de steden (de Triomf van de stad) begint aandacht te komen voor de achterkant van die Triomf. Voor het feit dat de middeninkomens de steden worden uitgedreven, nadat de lagere inkomens al veel eerder in hun banlieus zijn opgesloten. Dat gentrificatie niet alleen betekent dat er meer plek voor hogere inkomens, maar dat ook lagere inkomens zijn verdreven. Dat niet alle steden even populair zijn. En dat een gebrek aan opleiding een steeds grotere handicap wordt. 

Maar het is niet alleen aandacht voor de andere kant van de medaille, het lijkt er ook echt op dat het omslagpunt soms is bereikt. Huizen in de steden worden niet alleen onbetaalbaar duur (althans voor velen), ze worden ook een beleggingsobject. Toeristen brengen niet alleen steeds meer geld in het laatje, maar verstoppen ook delen van de stad. De groei van de infrastructuur kan de groei van de mobiliteit niet meer bijbenen. Het grote aantal nationaliteiten geeft bij groepen autochtonen een ontheemd gevoel. 

Ik weet het: al die nadelen zijn minder sexy dan de Triomf van de stad, met al zijn expats, kenniswerkers, valley’s en campussen. Over dat laatste worden veel gemeentelijke nota’s geschreven. Maar het is de vraag of dat juist is. Want hoeveel invloed heeft de lokale overheid op de Triomf van de stad? Het zou best eens kunnen zijn dat de lokale overheid veel meer kan doen aan het tegengaan van de schaduw van de stad. 

En daarmee is de titel van mijn nieuwe boek genoemd. De schaduw van de stad. Ik zal hier de komende tijd regelmatig teksten publiceren die onderdeel zijn van dat project. Correcties en commentaar zijn van harte welkom. 

Volgende pagina »