Botsing met de bureaucratie van de #UvA

juni 30, 2015 by  
Filed under artikel, fagot

En daar is de harde werkelijkheid. Eerder dan gedacht. Ik was de dagen aan het aftellen. Op 3 september zou ik mijn eerste college gaan volgen. De spanning van een nieuwe opleiding. Het gevoel van nieuwe boeken en van boeken kaften. En zoals een vriend me vroeg: “Heb je de nieuwe Rijam-agenda al gekocht?”

Nou nog niet, en misschien moet ik daar ook nog maar even mee wachten. Gisteren meldt de ‘Casus Commissie UvA Matching’ dat ik niet ben toegelaten. Dat mijn inschrijving zal worden ‘geannuleerd’. Mijn inschrijving was na 1 mei ontvangen. En mijn persoonlijke verzoek om toch te worden toegelaten “is afgewezen, omdat er volgens de commissie geen sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor een inschrijving aan de UvA voor 2 mei 2015 niet mogelijk was”.

Ik had de commissie uitgelegd dat mijn situatie in mijn ogen ‘simpel’ was. Ik was al een tijdje van plan om me in 2016 in te schrijven voor muziekwetenschap. Maar in mei besloot ik onverwacht eerder te stoppen aan de Erasmus Universiteit. Zo kreeg ik tijd om deze zomer al met de deeltijdstudie muziekwetenschap te beginnen.

Maar daar heeft deze commissie dus een stokje voor gestoken. Waardoor al mijn goede voornemens om me als brave student te gedragen nu al beginnen te knellen. Want bij het lezen van zo’n mail van zo’n niet-bestaande commissie vraag je je toch meteen drie dingen af. Eén: wat zouden de overwegingen zijn om studenten te verplichten zich voor 1 mei in te schrijven, als elke universiteit gebaat is bij zoveel mogelijk studenten? Twee: wat zijn de criteria van de commissie voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van bijzondere omstandigheden? Drie: bij wie kan ik in beroep? Op deze drie vragen geeft de mail van de commissie geen antwoord. De mail geeft alleen de mogelijkheid om te reageren, onder naam of zelfs anoniem.

En dit alles doet me meteen denken aan een gesprek dat ik vorige week nog in Rotterdam had. Ik zat met twee oudere collega’s een master-examen ‘af te nemen’. Dus drie oude heren en een jong meisje. In het voor- en nagesprek waren de drie heren aan het mopperen. Dat studenten tegenwoordig altijd bezig waren met hun ‘rechten’ en altijd meteen bij de examencommissie in beroep gingen. Wij vroegen ons af of dat een generatiekwestie was. Nou het antwoord kan ik nu wel geven: het is een hele normale reactie van enthousiaste jonge mensen op de massaliteit van het onderwijs en de ondoordringbare bureaucratie van de universiteit.

Na één botsing met de bureaucratie ben ik dus een normale student. Ik ga op zoek naar mijn recht en ga vandaag onderzoeken waar ik dat recht kan halen. En dan heb ik alvast één verzoek aan de UvA: Kunt U zo goed zijn om mij voortaan niet meer aan te spreken met ‘Beste Wim’? Welk communicatiebureau heeft bedacht dat het ondoordringbare beton van de universitaire bureaucratie met deze jovialiteit moet worden opgeleukt? Bovendien ervaar ik het helemaal niet als joviaal of als informeel. Uit Uw mond klinkt het vooral denigrerend.

Mijn eerste schreden op de #UvA

juni 29, 2015 by  
Filed under artikel, fagot

Op 15 juni meld ik me bij het Instituut voor Muziekwetenschap. Ik neem plaats in de wachtruimte. De omgeving is hilarisch. Het gevoel van een oude bezemkast. Brandslangen vlak voor mijn neus. De sfeer van Het Bureau. De jasjes van Maarten Koning worden nog steeds gedragen. Maar ook een jonge Mahler komt voorbij. En een meisje met een hoofddoek verzorgt het multiculturele element. Ik lees intussen dat je stage kan lopen bij de Concertzender. Zou het helpen dat ik al jaren geld naar ze overmaak? En wat zou ik mogen doen? Alleen cd’s opruimen, misschien wel zoeken? Toch geen programma samenstellen, laat staan presenteren? Dat lijkt me wel wat. En volgens mij klinkt mijn stem wel oud genoeg voor deze zender.

Ik ben veel te vroeg, maar ook als een half uur is verstreken is er geen teken van een studieadviseur. Ik ga op zoek en vind een vriendelijke dame, die me netjes met ‘U’ aanspreekt. Ik vraag haar of ze altijd ‘U’ zegt tegen studenten. “Nee, alleen als ze zo oud zijn”. De stemming zit erin. Studieadviseurs leggen de verbinding tussen de systeemwereld van de universiteit en ons, de gewone studenten. En zijn dus onmisbaar. Ook deze dame. Ze schrijft de data van de colleges voor me op een papiertje. Alles onder voorbehoud. Het is pas juni. In Rotterdam was het niet anders. Werken er honderden mensen bij ‘bedrijfsvoering’ of ‘concern’ en hebben ze half juni nog geen definitief rooster voor het volgende jaar.

Maar eerst spreken we over mijn studie. Waarom ik dit wil. En of ik wel serieus genoeg ben. “Je bent toch geen hobbyist, want daar worden wij op afgerekend”. Ja, het rendementsdenken van Den Haag. Of ik noten kan lezen. En of ik vrijstellingen wil. [Nee, want ik wil iets leren.] Dat ik me moet inschrijven via Studielink van DUO. Dat ik met een deeltijdstudie kan beginnen, waarin ik in het eerste jaar maar 26 ECT hoef te halen. Ik verheug me op kleinschaligheid van de studie. Veertig eerstejaars, waaronder ook (oudere!) deeltijders.

Er doemt slechts één klein probleempje op. Aanwezigheid bij de colleges is verplicht. Eenmaal missen wordt nog wel door de vingers gezien, maar vaker moet met een extra opdracht worden gecompenseerd. Een korte blik in mijn agenda leert dat aan extra opdrachten niet valt te ontkomen. Mijn werk stelt ook zijn eisen. Het is toch een deeltijd-opleiding? Waarom zou het andere deel dan geen rechten hebben.

Ja, ik heb me heilig voorgenomen dat ik niet de professor zal uithangen. Ik ben gewoon student. Maar ja, ik heb wel zo mijn opvattingen. Zelf vond ik het altijd een teken van zwakte om de studenten te verplichten om mijn colleges bij te wonen. Als mijn colleges geen of te weinig meerwaarde hebben kunnen de studenten zich beter anders op het tentamen voorbereiden. Anders gezegd: het moet mijn eer zijn om mijn werk zo goed te doen dat de collegezalen volstromen. Niet door handtekeningen te vragen. En nu moet ik plotseling zelf een handtekening zetten. Zal ik straks ook zo snel mogelijk de collegezaal verlaten als ik de lijst heb getekend? Hoe calculerend zal ik worden?

Moet je voor een column fagot kunnen spelen

juni 26, 2015 by  
Filed under fagot

De laatste twee jaar heb ik hier onbevangen wat stukjes geschreven. Als amateur-fagottist. Ik schreef zelfs een keer over mijn uitstapje naar de cello, alsof dat allemaal zo maar kon. En veel erger nog: ik was met de cello begonnen vanuit de gedachte dat ik op mijn laatste embouchure liep en dat mijn jaren als fagottist binnenkort geteld waren.

Hoe anders is de situatie nu. Ik heb mijn baan opgegeven, heb me aangemeld voor eens studie musicologie aan de UvA en heb al weer sinds een half jaar intensief les van Ronald Karten. Elke dag hard studeren om volgend jaar als contactstudent te worden toegelaten aan het Conservatorium van Amsterdam. En om daaraan te wennen, krijg ik les op het conservatorium. Ronald neemt me mee naar de voorspeelavond en dreigt al met de rietenavond. Ik heb het gevoel dat mijn spel er baat bij heeft. Maar hoe meer ik leer, hoe groter het besef dat ik nog nergens ben.

Dat laatste heeft twee oorzaken. Kom een keer naar de voorspeelavond op het CvA en je weet wat ik bedoel. Jonge mensen die fantastisch fagot spelen (Fagerlund!), docenten die hele mooie commentaren hebben (Jos: het gaat niet om de noten, maar om de sfeer achter de noten). Of kom wat te vroeg op les en je hoort hoe een fagot ook kan klinken. Je hoort hoe Ronald aan Suzanne vraagt om die ene noot in Sheherazade iets korter te spelen en Suzanne speelt die ene noot iets korter. Alsof ze alles op dat ding kan.

Maar ook mijn eigen lessen vergroten het besef ‘liefhebber’ te zijn en nog lang geen fagottist. Als liefhebber probeerde ik vooral ‘mooi’ te spelen, maar hoe kan je mooi willen spelen als één op de drie tertsen een tussen-noot laten horen? Of als elke As en elke A en elke Bes en elke B kraakt…? Of elk sprong naar de hoge A een sprong in het duister is? Of wanneer je nu pas merkt dat de onderkant van je heerlijke oude fagot toch wel heel erg lekt? Of als Ronald er fijntjes op wijst dat je ritme in de verte overeenkomt met wat daar ongeveer staat (mijn woorden)? Wat heb ik in godsnaam al die jaren gedaan…?

Ja, en als je dan ook nog ziek wordt en medicijnen slikt die niet bevordelijk zijn voor je embouchure, zit je op een avond in je eigen amateurorkestje te vloeken dat je er niks meer van kan. Dat het nooit wat zal worden met jou. Dat je ermee gaat stoppen, als het niet snel beter wordt. En natuurlijk geef je het riet de schuld. Rieten hebben altijd de schuld. Na een vakantie heeft altijd het riet moeite om erin weer in te komen, en niet jij. Maar je weet beter. Je weet dat goed fagot spelen gewoon ontzettend moeilijk is. En dat je morgen weer hard aan de slag moet met die tertsen, met die krakende noten en die rammelende ritmiek.

Maar toch blijft er iets knagen: waarom durf ik eigenlijk hier elke keer een column te vullen? Of hoef je voor een column alleen te kunnen schrijven?

[Voor De Fagot, tijdschrift voor fagottisten]

Bij muziek heb je geen discussie over beter

mei 31, 2015 by  
Filed under fagot

Elizabeth Schwarzkopf heeft de toon gezet. De befaamde sopraan was al op hoge leeftijd toen ze nog masterclasses gaf aan jonge zangers. Erg zachtzinnig ging het er bij haar niet aan toe. Als iemand niet aan haar hoge eisen voldeed, kon haar commentaar vernietigend en zelfs vernederend zijn. De masterclasses werden later op de tv uitgezonden en gingen daarmee deel uitmaken van ons collectieve geheugen. Vanaf dat moment waren masterclasses voor sommigen bij voorbaat berucht.

Hoe anders kan het ook. In het kader van de Operadagen Rotterdam gaven Henk Neven en Hans Eijsackers vorige week  een masterclass aan liedduo’s: zangers en hun eigen begeleiders. De masters gaven vooral vertrouwen. Hoe eerlijk ze soms ook waren (een pianist heeft “too much…uh… prikkeldraad” in zijn spel). Maar elk commentaar begon met waardering, met de positieve kanten. En wat een ander als ‘fout’ zou betitelen, werd door de masters vaak als ‘een andere interpretatie’ neergezet. Alle positieve opmerkingen verschaften de ruimte om echt aan het werk te gaan. Om de zangers en de duo’s te helpen. En de effecten waren ernaar. Natuurlijk waren alle duo’s bij hun eerste presentatie gespannen en musiceerden ze ongetwijfeld onder hun niveau. Maar de progressie in een uur was gewoon opvallend.

Waar letten die masters op? Op de interpretatie van de tekst, vanzelfsprekend, op de inbeelding van de tekst, op het interacteren met het publiek en op het onderlinge samenspel. En natuurlijk: hoe kan je het beste klank maken. Een jonge Duitse bariton werd goedkeurden op zijn opkomende buik geklopt. En eigenlijk waren ze alleen maar scherp en direct als de musicus zich niet voorbereidde op zijn of haar eerste noot. Je kan pas beginnen als je weet wat je gaat vertellen.

Ja, dit was ‘leren’. Hier werd veel ‘geleerd’. Met enige droefheid dacht ik ondertussen aan mijn collegezaal met honderd keuzevakkers. Daar sta ik alleen op het podium. En zijn de leerlingen in het beste geval toehoorder. Bij een masterclass staan de leerling en de master samen op het podium. En is de leerling in gespannen afwachting van het oordeel van de master. Bij mij zijn de studenten vooral benieuwd naar het tentamen. Ja, op de universiteit leiden we vooral op tot het maken van een tentamen.

Maar er is een nog groter verschil tussen mijn bestuurskunde-studenten en deze liedduo’s. Wanneer heeft een bestuurskunde-student iets geleerd? Als hij een boek kan navertellen? Als hij vier argumenten voor en vier argumenten tegen de representatieve democratie kan opnoemen (dus een paar dagen kan onthouden)? Of wanneer hij het openbaar bestuur beter begrijpt? Maar hoe meten we dat laatste? Moeten we hem vragen een advies uit te brengen over een bepaalde casus? Maar wat is een goed advies? Wat is goed bestuur?

Hoe anders leek het hier, bij de die masterclass. De masters, de deelnemers, de hele zaal, iedereen hoorde de progressie. Hoorde dat de liedduo’s in korte tijd beter waren geworden. Soms was hun expressiviteit toegenomen, soms was hun voordracht intenser, soms klonken de stemmen dieper of stralender, soms was er meer samenspel. Maar in ieder geval waren ze gewoon beter dan een half uur eerder. Blijkbaar is ‘beter’ in dit vak een soort ‘objectief’ gegeven. In dat opzicht zal ook Elisabeth Schwarzkopf indertijd wel gelijk hebben gehad.

Onder dat ‘beter’ ligt een simpel begrip: ‘beheersing’. Alleen door je instrument, je stem beter te beheersen ben je in staat tot een betere uitvoering te komen. Deze blog heeft dan ook een simpele conclusie: wie een goede muzikant wil worden, moet gewoon heel hard studeren. Daar wordt ie ‘beter’ van. En natuurlijk: bij hele goede masters in de leer gaan. Zeg maar: het type Henk Neven en Hans Eijsackers.

Een bindend studieadvies voor een oude man

mei 17, 2015 by  
Filed under artikel, fagot

“De onderwijsbalie is telefonisch te bereiken op werkdagen van 11 tot half 1 en van half 2 tot 3”. Ik ben in totaal driemaal op het antwoordapparaat gestuit. Ik wil me informeren over een studie muziekwetenschappen. Ja, op de website van de UvA is veel informatie te vinden, maar op de simpele vraag of het ‘bindend studieadvies’ ook geldt voor iemand van 63 jaar zonder haast en zonder carrièreperspectief, kan ik nergens een antwoord vinden. Een korte mailwisseling leidt tot de conclusie dat ik maar een afspraak moet maken met de studieadviseur. En die afspraak valt alleen te maken via de onderwijsbalie.

Ik plan mijn vierde poging tussen 11 en half 1. Ruim na 11 uur en ruim voor half 1. Dan moet het toch lukken. Het antwoordapparaat blijkt inderdaad buiten werking gesteld. Maar nu wordt niet opgenomen. Het zou toch niet waar zijn? Zouden alle universiteiten hetzelfde zijn?

Bij mijn vijfde poging heb ik succes. Een vriendelijke dame is bereid me te helpen. Over drie weken kan ik terecht. Als ik opmerk dat ik dan niet kan, mag ik een week later. Maar het wordt duidelijk niet op prijs wordt gesteld dat ik het eerste aanbod afwimpel. “Wat is uw studentnummer?” “Dat heb ik niet, ik wil me juist informeren of ik student zou willen worden…”. Dat laatste vooruitzicht geeft weer enige glans aan ons gesprek. Zo te merken, kunnen ze nog wel een student gebruiken. Als ik hen was zou ik vanaf 8 uur ’s morgens telefonisch bereikbaar zijn.

Ik weet het, het is niet eerlijk. Die lieve mevrouw weet niet dat ik al 37 jaar aan een universiteit werk en al 26 jaar hoogleraar ben. Dat ik mijn agenda niet meteen helemaal kan vrijmaken voor een gesprek met een studieadviseur. En ik weet ook dat niet zij, maar ik me moet aanpassen. Ik wil weer student worden. 45 jaar na de eerste keer. De vraag is of ik dat kan.

Zou ik vrijstelling krijgen voor de minor ‘Beleid en bestuur’ die ik in Rotterdam zelf geef? Of zou de examencommissie daar heel lang over moeten vergaderen? Ik weet inmiddels hoe examencommissies zijn. De mijne berispte me vorig jaar nog omdat ik de studenten voor mijn minor ‘Beleid en bestuur’ de mogelijkheid had gegeven om een tentamen door een paper te vervangen. Daarmee trad ik in de rechten van de student. Ja, ook mijn eigen universiteit begreep ik niet altijd.

Je kan er tegenin gaan of je kan het laten gebeuren. Het voelt als een ziekenhuis, waar je bloed moet laten prikken. Je kan boos worden dat je zolang moet wachten als iedereen gaat koffiedrinken. Je kan boos worden op je eigen afhankelijkheid. Maar je kan ook een goed boek meenemen en lekker gaan lezen  als de artsen hun tijd belangrijker vinden dan de jouwe.

Dat zijn mijn twee eerste voornemen voor mijn studie muziekwetenschap aan de UvA: ik neem altijd een boek mee en ik kan ga nooit klagen. En zo af en toe schrijf ik hier een blog. Schrijf ik alles van me af.

Waarom amateurmusici altijd amateurs zullen blijven

december 22, 2014 by  
Filed under fagot

Je hebt amateurmusici en je hebt beroepsmusici. Er is één groot verschil: zij zijn veel beter.

In mijn huidige orkest is het geen onderwerp van gesprek. Ons niveau is dan ook zo onderhoudend, dat niemand zich met een beroepsorkest wil vergelijken. Maar dat geldt niet voor alle amateur-orkesten waarin ik heb gespeeld. In momenten van overmoed vergeleken we ons zelf graag met een provinciaal beroepsorkest. Natuurlijk, zij waren technisch wel beter, maar ons enthousiasme compenseerde dat tekort. Ja, zeker na een geslaagd concert waren we door alle adrenaline soms zo gelukkig met onszelf dat we meenden dat een serieuze vergelijking op zijn plaats was. Natuurlijk, het was een misvatting, maar wel een hardnekkige. Beroepsmusici zijn gewoon veel beter, ook als ze er geen zin in hebben, ook als ze ruzie hebben met hun dirigent, ook als ze in een slechte zaal spelen. Ja altijd. Die enkele keer dat ik mijn eigen orkest vanuit de zaal hoorde, omdat ik geen tijd had gehad voor alle repetities, werd me dat snel duidelijk. Het orkest speelde heel goed voor een amateur-orkest, maar het hoogst bereikbare was toch zonder fouten spelen. Alle noten onder elkaar. En dat lukte vaak niet meer dan tien maten.

En laat ik eerlijk zijn, ook in mijn huidige orkest drukken we affiches als we een concert gaan geven. Niet om onze familie en onze vrienden te bereiken, maar omdat we denken dat we ook onbekenden een hele mooie avond kunnen bezorgen. We hebben toch heel hard gestudeerd? Gelukkig zijn we uiteindelijk altijd te lui om veel affiches op te hangen. Blijkbaar beseffen we diep in ons hart dat familie en vrienden efficiënter op een andere manier kunnen worden benaderd. Want dat is ons publiek. Niet meer en niet minder. En ook menen we dat we elke keer een volwaardig programma moeten aanbieden. Alsof familie en vrienden het niet heerlijk zouden kunnen vinden als het concert een half uur eerder is afgelopen.

Vanwaar dan toch die vergelijking? Waarom moeten amateurmusici zich me beroepsmusici vergelijken? Waarom is het niet genoeg om te genieten van het eigen samenspel, Waarom is het niet genoeg om alleen voor familie en vrienden onderhoudend te zijn? Ik heb vier hypotheses (ja, mijn beroep is wetenschapper).

In de goede amateur-orkesten kom je soms mensen tegen die een conservatorium-diploma op zak hebben. Ze hebben de status van orkestmusicus nooit bereikt in de professionele wereld en geven vaak les. Of ze hebben gewoon een nette baan buiten de muziek. Want er zijn ook nogal wat mensen die naast het conservatorium een universitaire opleiding hebben gevolgd. Het omgekeerde komt nog veel vaker voor. Net zoals er heel wat amateurmusici zijn die uiteindelijk de keuze hebben gemaakt om niet naar het conservatorium te gaan. Uit allerlei jeugdorkesten en studentenorkesten kennen ze nog heel wat medestudenten die wel voor een loopbaan in de muziek hebben gekozen. En inderdaad, die hoboïst uit het studentenorkest was helemaal niet zo heel veel beter, toen hij naar het conservatorium vertrok. Maar daarna studeerde hij wel jaren vijf uur per dag of meer. En haalde hij een niveau dat wij nooit meer zullen bereiken. Mekaar kennen is dus heel wat anders dan even goed zijn.

Er is ook een sociologische verklaring. Relatief veel amateurmusici behoren tot de maatschappelijke elite, of op zijn minst tot de maatschappelijke bovenlaag. Lang niet alle beroepsmusici genieten zoveel maatschappelijk aanzien. Natuurlijk, het is veel beter dan in de tijd van de hoforkesten, maar ik vrees dat nog steeds veel bezoekers van het Concertgebouw met liefde dezelfde musici voor een eigen huisconcert in Bloemendaal met een fooi afschepen. En zelfs in het Concertgebouw krijgen de blazers van het Nieuwjaarsconcert niet meer dan € 200 voor een hele middag spelen. Dat is niet het tarief van de advocaat op het donderdagavond-concert. En voor de professionele dirigenten van de amateur-orkesten is het ook vaak schrapen in vergelijking met het salaris van de gegoede burgerij die ze voor zich treffen. Ik weet: het is een gevaarlijke hypothese. Ik weet ook dat veel amateurmusici muzikaal zeer opkijken tegen beroepsmusici. Dat statusgevoel kan een eerlijke vergelijking soms in de weg staan.

En het is niet alleen een statusgevoel. Veel amateurmusici zijn geslaagd in het leven. Veel amateur-orkesten zijn een voortzetting van het studentenorkest van vroeger. Er zitten weinig mensen om je heen die niet op de universiteit zijn geweest. Een allochtoon kom je niet tegen, wel een expat. Ze spelen vaak op uitstekende instrumenten, omdat uitstekende instrumenten worden verkocht aan degene die het hoogste biedt. En dat geldt voor mij al evenzeer: al jaren bespeel ik een prachtige Heckel. En zoals mensen die maatschappelijk geslaagd zijn, soms met veel poeha de grootst mogelijke onzin kunnen uitkramen, zo gaan ze soms ook denken hele goede musici te zijn. Wie geslaagd is in het leven, denkt al gauw god te zijn op zijn fagot.

Ik geef toe: de vierde hypothese overtuigt mij het meest. Het is ook een hele simpele hypothese: veel amateurmusici zouden niets liever willen dan zo goed te spelen als een beroepsmusicus. Dat niveau zullen ze nooit halen. De beroeps hebben een niet te achterhalen voorsprong genomen in hun conservatorium-tijd, waarin die vijf uur per dag werd gestudeerd. Of meer. Dat spelniveau haal je nooit meer als je in je hele leven een paar uur week studeert. Dus misschien is al die neiging om te vergelijken wel gewoon een kwestie van gezonde jaloezie.

Maar waarom zou je jaloers zijn?  Beroepsmusici spelen veel beter dan amateurmusici, beroepsorkesten zijn veel beter dan amateur-orkesten. Maar amateurs hebben het grote genoegen fouten te mogen maken. En dat is een beroepsmusicus niet gegeven.

De fagot en de trukendoos

december 11, 2014 by  
Filed under artikel, fagot

Vorige week knapte er weer een snaar op mijn cello. Na twee jaar ben ik dan nog geheel onthand. Ik bezit geen reserve-snaren, en ben al gauw bang een volgende snaar te strak te spannen met hetzelfde gevolg. Het doet me weer even beseffen dat ik fagottist ben. Gewoon fagottist. En dat ik dat met liefde ben. Die fagot is na al die jaren een onderdeel van mezelf. Wij houden van elkaar, wij liefkozen elkaar soms, we houden elkaar altijd in de gaten en we kennen elkaar door en door. Als ik mijn geklungel met die cello zie, dan besef ik dat fagot-spelen ook één grote trukendoos is, die je pas na jaren een beetje beheerst. Zoals dat voor cello-spelen natuurlijk net zo is.

Het leuke is dat die trukendoos niet alleen in de loop der jaren steeds voller wordt omdat je leert, maar ook omdat er steeds weer nieuwe dingen worden bedacht. Toen ik mijn eerste les kreeg bij Fred Gaasterland, broer van Peter, was er nog geen beensteun. Op les speelden we staand en we droegen de fagot met een simpele band om onze nek. Pas in de tijd dat ik les had van Maarten Vonk kwamen de eerste beensteunen op de markt. Henk de Wit verkocht ze. Ik ging naar hem toe en genoot een middag van zijn huis, terwijl hij de beensteun op mijn fagot monteerde. Ik speelde er een aantal jaren mee, maar voelde me altijd gehinderd door dat ding. Ik heb daarna allerlei tuigjes geprobeerd, die inderdaad als tuigje voelden. Beperkend en belemmerend. Nu speel ik al weer jaren met een zachte nekband van een saxofoon.

Maarten Vonk leerde me ook een andere truc. Jaren had ik alle noten met een ’t’, dus met de tong aangezet. Dat was de regel. Ergens in de jaren 80 ontstond de gewoonte om de hogere noten zonder ’t’ en op ademsteun aan te zetten. De inzet wordt egaler en klank van de noot mooier en, bovendien, het dwingt je om je ademsteun op orde te hebben.

Ronald Karten leerde me een simpel trucje om om te gaan met het water in je es. Voor elke inzet blaas je met een korte ademstoot het water uit je es. Vanzelfsprekend blaas je zo zacht, dat het riet niet aanspreekt. Je vingers vormen al de greep van de volgende noot. Ook hier is het voordeel dat je ademsteun wordt gestimuleerd. Het belangrijkste is dat je nooit meer last hebt van dat vreselijke tikken van het water in je fagot. Omdat mijn buurman in het orkest veel last heeft van water, realiseerde ik me laatst dat ik blijkbaar al jaren voor elke inzet dit routinegebaar maak. Zonder dat ik het nog merk.

De Fagot is ook een prachtig blad voor uitbreiding van je trukendoos. Of om je weer bewust te worden van je trucs. Zo las ik in één van de artikelen over Brian Pollard dat Brian erop stond dat je de glijklep gebruikt bij de middel A. Toen ik het wilde uitproberen bleek dat ik dat altijd al deed. Zal Ronald me wel hebben geleerd, of Maarten of Fred.

En in het laatste nummer van De Fagot stond een mooi verhaal over lefreQue. Maarten Vonk had me al overgehaald. Voor een mooi bedrag verkocht hij me twee simpele gebogen zilveren plaatjes, die voorkómen dat niet te veel geluidstrillingen in het kurk van je fagot blijven steken. Zo verbinden ze mijn es met de vleugel rechtstreeks en worden dan ook mooi ‘klankbrug’ genoemd in het artikel in De Fagot. Het is het zoveelste trucje om een beter geluid uit mijn fagot te krijgen. Want het helpt inderdaad. De klank wordt voller en, ik heb het gevoel, ook egaler. Er is ook een nadeel. De fagot voelt stugger in mijn geval. Vooral het vibrato gaat minder automatisch. Nou heeft mijn oude Heckel toch al neiging om in het begin wat terughoudend te zijn. Ja, hij lijkt erg op mijn hond. En begint hij pas te gloeien na een kwartiertje spelen. En vooral als ik wat vaker studeer. Want laat dat duidelijk zijn, die trukendoos heb je nodig, maar je komt toch het verst als je elke dag lange noten blaast.

Een fagot op afstand

oktober 4, 2014 by  
Filed under artikel, fagot

 

celle orkest evelien

 

Vandaag voor het eerst als cellist in een orkest gezeten. Elke keer als de dirigent ‘fagotten’ zegt, kijk je op. Na 43 jaar als fagot in vele orkesten te hebben gespeeld. Amateur-orkesten. Maar gek genoeg kijk ik ook op als hij ‘celli’ zegt. Of ‘strijkers’. En gek genoeg voelt het heel huiselijk, zo’n groep met allemaal dezelfde partij op de lessenaar. Ik voel me meteen thuis.

Het is geen overstap. Maar het zou wel eens een overstap kunnen worden. Op termijn, als de lippen te slap worden en de embouchure niet meer valt te trainen. Of als het lijf de fysieke inspanning niet meer aankan.

Voorlopig is het vooral bijzonder om te vergelijken. En om de blazers eens op afstand te zien. En te horen. Als fagot meende ik wel eens dat de strijkers te veel zeurden over de harde klank van de blazers. Vandaag begreep ik voor het eerst wat ze bedoelden. Die strijkersklank is eigenlijk heel erg zacht en week. En dan klinkt van achter het orkest een muur van geluid. Die blazers zijn inderdaad heel goed te horen. Nee, ze zijn gewoon vaak te hard. Ik weet dat ik daarop zelf zeker geen uitzondering ben.

Het is dan niet zo verwonderlijk dat je als blazer je eigen groep van blazers ook veel beter hoort dan celli hun eigen groep horen. Ik geef toe, deze cellogroep was niet zo getalenteerd en achter ons stond een drumstel. Maar toch. Als fagot hoor ik altijd alle blazers om me heen, als groep en individueel. Binnen die kakofonie kan ik mezelf heel goed horen. Ik hoor wanneer ik vals speel, ik hoor wanneer het me niet lukt om daar iets aan te doen. Binnen de cellogroep hoor je jezelf veel en veel slechter. Mijn ervaren buurvrouw bevestigde het: “Je hoort wel dat er iemand vals speelt, maar het is soms moeilijk om te bepalen of jij dat bent, of je achterbuurvrouw.” Omdat ik minder ervaren ben hoorde ik soms pijnlijk goed dat ik pijnlijk vals speelde. Maar als ik ergens in de buurt van zuiver kwam, ging mijn eigen geluid in feite ten onder in de groep.

Er zijn meer verschillen. Blazers zijn allemaal nogal individualistisch en sommigen zijn nogal aanwezig. Fagotten vormen daarop geen uitzondering. Het is ondenkbaar dat de blazers een aanvoerder zouden hebben. Die hebben ze naar mijn ervaring ook nooit. Zo’n cellogroep is rustiger, aardiger, maar ook onzichtbaarder. De alten-mop ‘Wat doe je met een dode alt? Die zet je een lessenaar naar achteren’, gaat wel een beetje op voor alle strijkers. Misschien afgezien van de eerste violen die wel altijd strijden om lessenaars en om stoelen. Juist omdat de cellogroep zo vriendelijk bezig is om allemaal een beetje gelijk te spelen, is er wel een aanvoerder. Mijn aanvoerder van vandaag was zo’n aanvoerder. Geen dominant gedrag, maar alleen vriendelijke woorden. Dat het goed ging, dat we daar misschien een opstreek moeten doen en dat de eerste lessenaar daar bij het diviseren beter de moeilijke onderste partij kan spelen.

Er is nog een groot verschil dat niet onvermeld mag blijven. Fagot spelen is fysiek veel en veel zwaarder. Die ademsteun, die ademnood soms, dat gewicht van het instrument. Wat een verschil met zo’n lieve cello die daar tussen je knieën een beetje ligt te knorren. Ontspannen, alles ontspannen. Aan het einde van een repetitie op de fagot heb ik het vaak helemaal gehad. Hier had ik het gevoel nog uren te kunnen doorgaan. Dat blazen heeft nog een ander fysiek verschil: bij de fagot moest ik van Ronald Karten de klank altijd van binnen voelen, in mezelf, niet in het instrument. Bij een cello hoor je het geluid toch echt buiten jezelf. Dat verklaart ook dat blazers zo weinig communiceren tijdens het spelen, laat staan dropjes eten. Strijkers lachen en praten zelfs tijdens het spelen. En om het drop eten zijn ze vermaard.

Voorlopig zit ik woensdag weer in mijn eigen orkest, op de fagot. En vraagt mijn dirigent zich weer af of dat cellospelen niet te veel te koste gaat van de fagot-etudes. Een dirigent heeft altijd gelijk.

Concert ZSO op 14 juni 2014 in Bergkerk Den Haag

mei 25, 2014 by  
Filed under fagot, Geen categorie

ZSO fagotVoor nadere gegevens zie  hier.

 

Bellitoni – onverwoestbaar merk

april 14, 2014 by  
Filed under fagot

Wie Bellitoni in grootse bezetting en aangevuld met koor en solisten op het podium ziet zitten, kan maar moeilijk geloven dat het orkest ooit bij toeval is ontstaan. In de jaren 70 kwamen overal projectorkesten op: orkesten die per project worden samengesteld en na een intensieve repetitieperiode en één of meer concerten weer uit elkaar vallen. Als je net was afgestudeerd was dat iets aantrekkelijker dan het toen wat oubollige Musica in Den Haag dat elke dinsdag repeteerde. Of laat ik het anders zeggen: de gemiddelde leeftijd was er zo hoog dat we elke maand een sterfgeval hadden te betreuren.

De FASO had een paar jaar een projectorkest in Zuid-Holland georganiseerd. Maar na 1978 stopte dat om onduidelijke redenen. Via mijn werk kende ik toevallig de politiek filosoof Herman van Gunsteren. Tevens een begenadigd pianist. We droomden soms van een orkest, waar Herman de solopartij op piano voor zijn rekening zou nemen. Met het wegvallen van het FASO-orkest was het moment daar. Ik regelde een zaaltje, trommelde wat vrienden uit Groningen, die inmiddels ook in de Randstad woonden, en de enkele jongeren van Musica bij elkaar en Peter Greve werd de dirigent. Uiteindelijk speelden we niet zoals het plan was, drie maar twee pianoconcerten van Mozart.

Pas tijdens de repetities ontstond de gedachte dat we in een volgend jaar nog wel eens zouden kunnen doorgaan. Dat werd meteen het najaar. Hans van Hoolwerff bedacht die naam. Die vreemde naam, die toch ook onverwoestbare naam. Het is het bestuur in de eerste jaren nooit gelukt om hem geleidelijk te doen vergeten. Peter Greve bleef de dirigent en het orkest was klein, heel klein. Concerten in het Groene Kerkje in Oegstgeest. Repeteren bij Herman thuis. Pas na vijf jaar ontstond de drang om met een andere dirigent verder te gaan, Jules van Hessen. Onder zijn leiding groeide het orkest, maar een kamerorkest bleef het. De zalen werden groter, het publiek talrijker.

Jules was enthousiast, soms te enthousiast. Daardoor werd Bellitoni beter en beter, maar op een gegeven moment liep hij te ver voor de troepen uit. Alexandru Lascae nam de plaats van Jules in 1990 over. Vanaf dat moment groeide het orkest in hoog tempo en kwamen de grote orkestwerken op de lessenaar te staan. Zo werd niet Van Hessen maar Lascae het keerpunt. Sandu was een geweldige dirigent. Hij vroeg veel van de leden, maar nog meer van zichzelf. Hij viel nooit iemand in het openbaar af en wist als het nodig was te ontspannen, vooral door zijn onovertroffen gebruik van de Nederlandse taal.

Na 21 jaar heb ik het orkest verlaten. Er kwam een andere hobby bij. Qua energie maakte het niet veel uit. Het lopen van een marathon is niet zwaarder dan een repetitieweekend van Bellitoni. Het orkest zweefde bij me vandaan. Het kostte me moeite om de concerten bij te wonen. Als je eenmaal deelgenoot bent geweest van het ecosysteem Bellitoni, past het eigenlijk niet meer om op gehoorsafstand buitenstaander te zijn. Gelukkig zijn er vele anderen die naar Mahler 2 komen luisteren. En terecht.

« Vorige paginaVolgende pagina »