Biografie #Wolkers is te goed voor een proefschrift

november 21, 2017 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Ik lees een prachtig boek. De biografie van Jan Wolkers van Onno Blom. En in de krant woedt een onzinnige discussie over de vraag of dit boek wel een proefschrift mag heten. De discussie raakt me omdat de wetenschap me zo ter harte gaat en omdat de discussie zo herkenbaar is, ook voor de gamma-wetenschapper die ik ben.

Stel je voor. Iemand schrijft een goed boek over een groot auteur uit de vorige eeuw. Dat boek is zo overtuigend dat het ons beeld van Jan Wolkers voor decennia zal bepalen. Alleen al omdat niemand de komende decennia de moeite zal nemen om dit monnikenwerk over te doen. Het boek is bovendien uitstekend gedocumenteerd, met meer dan 100 pp aan noten, die gelukkig niet hoeven te worden gelezen. Bij voorbaat een klassieker. Je zou zeggen: als die man daarop wil promoveren, staat niets dat in de weg.

Nee hoor, in de krant wordt uitgebreid melding gemaakt van het feit dat de eerste promotiecommissie het manuscript heeft afgekeurd. Gelukkig was er een wijze decaan die een tweede commissie het manuscript liet goedkeuren. En vervolgens meldt emeritus hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde Marita Mathijsen in de NRC waaraan een biografie in haar vak moet voldoen om proefschrift-waardig te zijn. En als ik die acht regels tot me laat doordringen, is maar één conclusie denkbaar: Blom moet worden afgewezen. Hoewel Mathijsen zelf niet de moed heeft om die conclusie te trekken.

Zo eist ze bijvoorbeeld secundaire literatuur over het beschreven tijdvak, die ik bij Blom niet tegenkom. Ze eist dat de gebiografeerde wordt gepositioneerd tussen tijdgenoten. Ik neem aan dat ze hier ook weer literatuur van anderen wil zien, die ik bij Blom niet tegenkom. Ze eist bronnenkritiek, die ik bij Blom niet tegenkom. Ze eist een beschouwing van de auteur over zijn opzet, zijn keuzes én een beschouwing over de keuzes die hij niet heeft gemaakt. En natuurlijk moet er een onderzoeksvraag zijn, en bij voorkeur een hypothese. Godzijdank ontbreekt dat allemaal bij Blom.

Mijn conclusie is duidelijk: van al die regels was dit boek niet beter maar slechter geworden. Blom geeft door de ogen van Wolkers een prachtig beeld van de jaren 60. Dat beeld wordt niet scherper als je de lezer dwingt om uitstreksels uit al die bekende boeken over de jaren 60 nog eens te lezen. Blom typeert Wolkers als schrijver uitstekend. Dat wordt niet beter als hij wel of niet tot een school wordt gerekend, die alleen door wetenschappers worden onderkend. “Wolkers heeft wel in Tirade geschreven, maar staat toch op grote afstand van de Tiradegroep.” Zoiets?

Je vraagt je af: waarom doen mensen dit elkaar aan? Waarom bedenken wetenschappers acht regels om aan te tonen dat een goed boek geen proefschrift mag heten? Natuurlijk, niet elk boek is een wetenschappelijk boek. Ook ik wil graag weten waarop Blom zich baseert. Maar uiteindelijk gaat het hier om twee dieperliggende problemen van de geesteswetenschappen (en van de gamma-wetenschappen).

Steeds meer wordt het wetenschapsideaal van de bèta-wetenschappen nagevolgd: het zetten van kleine zeer goed navolgbare stappen aan de grenzen van onze kennis. Waardoor uiteindelijk wetenschappelijke vooruitgang wordt geboekt en deze blog op een iPad kan worden gelezen. Maar bij geesteswetenschappen en veel gammawetenschappen past dat ideaal  helemaal niet. Daar worden vaak dezelfde vragen steeds opnieuw gesteld, omdat de maatschappij zich ontwikkelt en niet de wetenschap.

Veel erger is de neiging van de wetenschap om aan zelfsterilisering ten onder te gaan. In de angst dat ongelijke gevallen niet ongelijk worden behandeld, wordt het wetenschappelijk werk opgehangen aan protocollen en duizenden criteria. Voor het wetenschappelijk onderwijs is dat niet anders. [Ja, het is komisch dat nu juist een boek over onze potente Wolkers aan de zelfsterilisering van de wetenschap ten onder gaat.]

Beide ontwikkelingen dragen ertoe bij dat niet alleen deze biografie bijna werd afgekeurd als proefschrift, maar dat het schrijven van boeken in de wetenschappelijke wereld nog maar nauwelijks wordt gewaardeerd. Terwijl je in de geestes- en gammawetenschappen toch vooral goede boeken moet lezen om iets te leren. Niet wetenschappelijke artikelen blijven je bij, maar goede boeken. Daarom worden in ons vak wetenschappelijke artikelen ook nauwelijks gelezen. Terwijl ze door de bureaucraten hooglijk worden gewaardeerd. Gek he?

Want dat lijkt me het belangrijkste criterium voor een goed wetenschappelijk boek: word ik verrast, lees ik iets nieuws, leer ik ervan? Alleen dat maakt een wetenschappelijk boek tot een goed boek. En niet de vraag of het aan allerlei rituele regels voldoet.

Ja, Onno Blom, waarom wilde je eigenlijk op dit prachtige boek promoveren?

Nieuwe jaargang #Triomf van de stad

april 20, 2017 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

In september 2017 start de leergang Triomf van de stad met een nieuwe groep. De 9e groep. Deelnemers kunnen zich vanaf nu aanmelden. De folder met het programma is hier te vinden: Triomf van de stad, jaargang 2017-2018: programma. Voor een beschrijving van de rode draad van de leergang zie Triomf van de stad: rode draad. Het programma en de opdrachten van de deelnemers van de jaargang 2016-2017 zijn gebundeld in: https://www.yumpu.com/nl/embed/view/tA6kUn12NxXb7HEo. Aanmelding via wimderksendh@gmail.com.

Rampenbestrijding: het vermijden van vermijdbare schade

oktober 24, 2016 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Bij toeval raakte ik betrokken bij de evaluatie van de veiligheidsregio Drenthe. Dat was bijzonder omdat  mijn expertise niet bij veiligheid ligt. Dat heeft ook voordelen, omdat je als buitenstaander onnozele vragen kan stellen.

Zo viel het me op dat het blijkbaar een grote vraag was of de veiligheidsregio in Drenthe wel aan allerlei vormvereisten voldeed. Nee, dat deed Drenthe niet. Maar dat roept bij mij de vraag op waarom je aan bepaalde vormvereisten moet voldoen om bestaansrecht te hebben. Voor mij is de cruciale vraag of de regio veiligheid kan garanderen voor haar burgers. Het gaat om het resultaat. Ik kan me goed voorstellen dat de veiligheidssituatie in Drenthe wat minder ingewikkeld is dan in Zuid-Holland, om maar een buitenplaats te noemen. Dat betekent dat de veiligheidsregio Drenthe misschien heel goed in staat is om de veiligheid voor haar burgers te garanderen, ook als ze niet voldoet aan de vormvereisten die in Zuid-Holland nodig zijn.

Hoe kunnen we nu vaststellen waaraan Drenthe dan wel moet voldoen? Door naar de praktijk te kijken. En ja hoor, dat gingen we doen. We gingen een oefening doen en we gingen kijken hoe het met de veiligheid van de burgers in die oefening was gesteld. Nu is een oefening altijd maar een oefening. Maar dat was niet mijn probleem met deze oefening. Want in de oefening begon het probleem met die vormvereisten van voren af aan. Als de actoren in de oefening niet conform het protocol hadden gehandeld was er iets fout gegaan. Omdat eerder was gebleken dat het goed zou zijn om te handelen volgens de regels die in het protocol waren opgenomen. Maar dat was weer eerder en weer elders. Dus wat zegt dat over nu en hier?

Ik begon me af te vragen: wanneer hebben ze het nu echt goed gedaan bij een ramp? Laten we voorop stellen: de calamiteit is op het moment zelf niet meer te voorkomen. Als een chemische fabriek ontploft, is dat een gegeven. Dus een ramp kent altijd schade. De kern van het probleem is: hoeveel extra schade is er die had kunnen worden voorkomen? Hadden de gevolgen van brand kleiner kunnen zijn als de brandweer anders had gehandeld? Had het vrijkomen van giftige stoffen kunnen worden voorkomen, nadat de fabriek was ontploft? Had de grote onrust die uiteindelijk onder de bevolking ontstond, kunnen worden voorkomen?

Laat ik al die vervolgschade maar samenvatten onder het begrip ‘maatschappelijke schade’. Een veiligheidsregio doet zijn werk dus goed als zij erin slaagt om die maatschappelijke schade zo gering mogelijk te houden. Als alle maatschappelijke schade is voorkomen die vermeden had kunnen worden. Risico’s zijn niet uit te sluiten, schade is bij een calamiteit onvermijdelijk. Het gaat erom of de extra schade die vermeden had kunnen worden, ook daadwerkelijk is vermeden.

Dat brengt ons een stap verder. Het gaat dus uiteindelijk niet om het volgen van het protocol. Maar om het vermijden van vermijdbare schade. Maar welke schade was achteraf gezien vermijdbaar geweest? Moeten we daarvoor ook weer normen gaan aanleggen …..? Dat brengt ons bij een belangrijk debat in het toezicht. Sommigen menen dat er absolute normen zijn. Bepaalde zaken mogen gewoon per definitie niet voorkomen. En als ze wel voorkomen heb je een fout gemaakt. Zo wordt achteraf nogal eens naar een ramp gekeken.

In het tuchtrecht zien we een heel andere benadering. Daar vraagt men zich vaak af of de betrokkene redelijkerwijs verstandig heeft gehandeld. Gelet wat hij op dat moment wist of had kunnen weten. En gelet op de kennis die hij op dat moment redelijkerwijs had moeten hebben. In feite leg je dan niet de norm bij de schade, maar bij de collega’s. Hadden zij redelijkerwijs ook zo gehandeld in dezelfde situatie? Ik vind dat een sympathieke manier van redeneren. Je maakt dus geen fout omdat je plotseling in een onmogelijke situatie bent terecht gekomen. Je maakt een fout omdat je het in die situatie redelijkerwijs beter had kunnen doen.

Bij het beoordelen van veiligheidsregio’s moet het dus uiteindelijk altijd gaan om de maatschappelijke schade die redelijkerwijs had kunnen worden vermeden. Niet om die vormvereisten voor een regio die in Den Haag worden bedacht. Niet om het protocol dat bij rampen moet worden gevolgd. En niet om het bepalen van externe schade die nooit had mogen voorkomen. Maar zo’n benadering vraagt wel veel. Van veel betrokkenen. Omdat het tegenwoordig zo gangbaar is om inspanningen te richten op het protocol en niet op het resultaat. Maar dat heeft vaak wel averechtse effecten.

Ik zou zeggen: leg niet alles vast in regels die hun eigen schijnwereld creëren. Dan is het beter om nog eens goed na te denken over veiligheid en over risico’s. Of om een buitenstaander onnozele vragen te laten stellen.

Met verleiden worden we niet #energieneutraal

maart 9, 2016 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Bij toeval raakte ik de afgelopen maanden verzeild in de boeiende wereld van de gebouwde omgeving. Ik kreeg een belangrijke vraag mee: hoe krijgen we de gebouwde omgeving energieneutraal? Energieneutraal betekent: netto vraagt de woning geen energie. In de praktijk zal het gaan om een combinatie van het opwekken van duurzame energie en energiebesparing.

Als we de energieneutraliteit van de bouw bezien, valt een groot contrast op tussen de nieuwbouw en de bestaande bouw. Bij de nieuwbouw wordt grote vooruitgang geboekt. En er wordt hard gewerkt om de eisen van BENG (Europese richtlijn voor ‘bijna-energie-neutrale-gebouwen] voor het einde van 2020 te halen. De verwachtingen zijn dat dat gaat lukken.

In de bestaande gebouwde omgeving zijn de doelen veel minder scherp (2050) en is er van grote vooruitgang geen sprake. Deze relatieve stilstand is niet van de laatste jaren. Zoals één van mijn gesprekspartners zei: “Het is een sikkeneurig onderwerp.”

Mede om die reden heb ik in het beleidsatelier na de hoopvolle kennismaking eerst de vraag centraal gesteld: wat beweegt de eigenaar? Wil het beleid succesvol zijn dan zullen we om te beginnen zicht moeten hebben op de beweegredenen van de eigenaar van de gebouwde omgeving. De eigenaar-bewoner, de corporatiebestuurder en de investeerder in particuliere huur.

Het resultaat was niet verrassend, maar misschien toch ook wel weer onthullend. Voor de drie categorieën eigenaren geldt in feite hetzelfde: er zijn wel koplopers maar het ‘opschalen’ wil maar niet lukken. Er worden vorderingen geboekt bij mensen die het onderwerp belangrijk vinden, maar veel te weinig mensen vinden het onderwerp echt belangrijk. Voor de meeste mensen heeft energie onvoldoende prioriteit. Het is ook geen onderwerp waar veel mensen over spreken. Vergelijk dat bijvoorbeeld met Duitsland waar energie wel het onderwerp van gesprek is onder mensen.

De prioriteiten van de mensen

We weten dat ‘energie’ een onderdeel is van het klimaatdebat. Er zijn ongetwijfeld veel koplopers die daarom werk maken van energieneutraliteit. Maar ‘klimaat’ heeft voor de grote meerderheid van de huiseigenaren geen hoge prioriteit. Daarbij is het klimaatdebat een moeilijk debat. Ten eerste zijn er altijd nog de ontkenners, zij het dat hun geluid in kracht lijkt af te nemen. Ten tweede doen de echt schadelijke gevolgen van de klimaatverandering zich niet op dit moment voor, maar op de langere termijn. Ten derde zullen maatregelen die we nu nemen, pas op langere termijn een zichtbaar effect hebben. Ten vierde is het onderwerp voor veel mensen te groot. Je weet niet waar je moet beginnen. Heb je al voldoende gedaan als je zoveel hebt geïnvesteerd in een windmolenpark dat je zelf netto meer energie opwekt dan verbruikt?

Ook de omstandigheden prikkelen te weinig om grote stappen te maken. Hoewel evident is dat je op termijn kan verdienen aan het energiezuiniger maken van je woning of aan het opwekken van duurzame energie, toch zijn die voordelen voor de meesten te gering om ‘aan die rompslomp te beginnen’. Ik vat het niet in Haagse, maar in gewone-mensen taal samen. Dus: als men toch moet verbouwen, is er nog wel bereidheid om het verlagen van energierekening mee te nemen in de overwegingen, maar in alle andere gevallen wordt dat onderwerp graag uitgesteld.

En laten we eerlijk zijn. De voordelen van energieneutraliteit zijn ook niet erg opvallend voor de eigenaar. De financiële voordelen zijn aantoonbaar, maar pas over een aantal jaren. En dan nog zijn ze maar beperkt. De nadelen zijn misschien wel evidenter. Een hoop gedoe, problemen met de ventilatie en het lawaai van de warmtepompen laat zich maar moeilijk wegdrukken. Wie zich veel zorgen maakt over de klimaatverandering, neemt dit soort nadelen graag voor lief. Maar de meeste mensen maken zich niet veel zorgen over de klimaatverandering. Vergelijk het met de komst van het gas. In een paar jaar tijd ging heel Nederland over op aardgas. Op dat moment waren de voordelen in termen van comfort wel opvallend aanwezig. Ook de slaapkamers waren plotseling aangenaam warm en het vullen van de kolenkit was verleden tijd.

Bij de woningcorporaties speelt bovendien het probleem van de split incentive. De kosten van de investeringen liggen bij de corporaties, terwijl de baten terecht komen bij de bewoners. Dat vraagt om huurverhogingen die soms moeilijk te verkopen zijn. Bovendien staan de corporaties niet meteen te springen om de overheid hier ten dienste te zijn, na de huurdersheffing van € 1,7 miljard.

Misschien moet nog wel het meest te denken geven dat de eigenaren van de private huurwoningen zo weinig geneigd zijn om te investeren in energieneutraliteit. In deze wereld gaat het immers bij uitstek om geld en om rendement.

De prioriteiten van de politiek moeten anders

Het is overigens niet gepast om de huiseigenaren een verwijt te maken. Klimaat en energie mogen bij hen onvoldoende prioriteit hebben, er is alle reden om hetzelfde over ‘Den Haag’ te zeggen. Al heel lang worden over de energieneutraliteit van de gebouwde omgeving gesproken, maar nog nimmer zijn harde doelen gesteld en/of stevige beleidsinstrumenten ingezet. We vinden het onderwerp belangrijk, maar we doen te weinig om de noodzakelijke opschaling te bewerkstelligen. Vergelijk het eens met de stadsvernieuwing in de jaren 70 en 80 van de afgelopen eeuw. Hoeveel budgetten en hoeveel energie daaraan werden besteed.

Is het ook niet tekenend dat we geen minister van Energie hebben?

In feite staat het beleid vooral in het teken van ‘verleiden’ en van een niet altijd consistent subsidiebeleid. Het gevolg is dat er ook geen echte markt voor energieneutrale verbouw ontstaat. Dat laatste is toch al ingewikkeld omdat in Nederland de bouw vooral in het teken van de nieuwbouw staat. Daar komt nog bij dat we al lange tijd een cultuur hebben van gebrekkige oplevering van huizen. Daarbij zijn in de vorige eeuw (jaren 60) veel slechte woningen gebouwd. Het is niet zo vreemd dat in die cultuur energielabels en EPC’s op basis van de papieren werkelijkheid worden vastgesteld.

Al met al: het streven naar een energieneutrale gebouwde omgeving is vooral omgeven met een wereld van geloof en goede bedoelingen. In feite zegt de overheid: als we de burger maar duidelijk maken hoe belangrijk is, dan zal hij zijn huis heus wel energieneutraal maken. Het is toch zo belangrijk? De systeemwereld van het departement wordt hier te zeer bepaald door de leefwereld van de eigen ambtenaar. Maar de meerderheid van de bevolking is geen beleidsmedewerker op een departement.

Enerzijds is het daarmee een voorzichtig en bijna vriendelijk beleid. Anderzijds toont de overheid zich hier van een hautaine kant. Hij meent te weten welke prioriteiten burgers zouden moeten stellen. Het is de vraag of de tegenwoordige burger van dat soort gedachten gediend is. Ik kom daarmee toe aan een volgende conclusie. Er zijn voldoende middelen om te komen tot een energieneutrale gebouwde omgeving. Zelfs op afzienbare termijn. Maar de governance deugt niet.

Naar een andere governance

Het is een kwestie van politiek: of men wil inzetten op een energieneutra gebouwde omgeving op afzienbare termijn of men wil het niet. Over die keuze laat ik me hier niet uit. Maar als men voor het eerste kiest kan de overheid niet volstaan met achterover leunen. Er moet een doel worden gesteld (een stip op de horizon) en dat doel moet langs twee lijnen worden bereikt. Ten eerste niet door te verleiden, maar door te duwen. De eisen zullen langzaam moeten worden aangescherpt. En als die eisen niet worden gehaald, moeten er sancties komen. Ten tweede moeten experimenten ruimhartig worden aangemoedigd en moet tevens van die experimenten worden geleerd.

In dat licht is het goed om een vergelijking te maken met de nieuwbouw. Daar zijn doelen gesteld (en het doet niet terzake dat het ‘eindjaar’ een paar jaar naar achteren is verschoven). BENG geldt voor 31-12-2000. Zo weet iedereen waar hij op termijn aan toe is. Bovendien zijn de normen gaandeweg aangescherpt. Daarnaast wordt ruimschoots geëxperimenteerd (en bestaan er helaas wel klachten in het veld over de bereidheid van de overheid om van die experimenten te leren). Dus: stip op de horizon, experimenteren en leren en geleidelijk aanscherpen van de normen (duwen). In feite wordt iedereen daar op termijn tot energieneutraliteit verplicht.

In dat opzicht ligt de lat in de gebouwde omgeving hoger dan bij de nieuwbouw. Voor een nieuwbouwwoning kan een vergunning worden geweigerd. En zo kan de bouwer en de nieuwe eigenaar tot energieneutraliteit worden verplicht. Zo eenvoudig ligt het niet voor de bestaande bouw. Je kan de normen daar wel wettelijk verhogen, maar het is veel ingewikkelder om het aanscherpen van normen vervolgens ook te handhaven. Beter gezegd: voor de gebouwde omgeving zal je een andere methodiek moeten hanteren om te werken aan een sense of urgency. Je zal eigenare op een andere manier moeten duwen in de richting van energieneutraliteit.

Het zou goed zijn als in de lange termijnverkenning energie een uitvoeringsagenda zou worden opgenomen die deze nieuwe governance voor de gebouwde omgeving zou uitwerken. Voorlopig geef ik slechts enkele voorbeelden.

Voorbeeld: de gasnetten moeten in grote delen van Nederland in het komende decennium worden vervangen. Wie een sense of urgency wil creëren zou nu reeds kunnen aangeven dat de gasnetten niet meer worden vervangen. Het geeft twee voordelen: iedereen weet waar hij aan toe is en iedereen heeft volop tijd om zich op de nieuwe situatie voor te bereiden.

Voorbeeld: op voorwaarde dat de energielabels een juist beeld geven van het energiegebruik, kunnen ze worden gekoppeld aan onroerendzaakbelasting en overdrachtsbelasting. Het is bekend dat burgers erg gevoelig zijn voor verhogingen van de ozb.

Voorbeeld: het streefjaar van 2050 voor een energieneutrale gebouwde omgeving geeft geen gevoel van urgentie. Het is te ver weg: “het zal onze tijd wel duren”. Die stip op de horizon moet naar voren worden gehaald. Of op zijn minst moeten heldere tussendoelen worden geformuleerd.

Voorbeeld: als een streefjaar voor een energieneutrale gebouwde omgeving serieus wordt genomen, kan nu reeds worden aangegeven met welke stappen de energiebelasting de komende jaren zal worden verhoogd. Als iedereen weet dat de energie elk jaar 5% meer zal kosten, ontstaat een helder gevoel van urgentie. En natuurlijk is eenzelfde beleid mogelijk met een belasting op CO2.

Voorbeeld: er moeten veel meer fondsen komen om de overstap naar energieneutraliteit gunstiger en eenvoudiger te maken. Dat hoeft geen nieuwe ISV te worden, waarbij de overheid weer braaf bijdraagt. Het gaat mij wel om investeringsfondsen waarop eigenaren een tijdelijk beroep kunnen doen. De overheid zou wel garant moeten staan.

Voorbeeld: leg de energiebedrijven quota voor duurzame energie op, die op een transparante manier zullen stijgen in de komende decennia.

Over elk voorbeeld kan worden gediscussieerd. Dat beoog ik hier niet. Ik probeer alleen maar aan te geven hoe de governance eruit moet zien om een energieneutrale gebouwde omgeving in 2035 te bereiken. Duidelijk maken dat aan energieneutraliteit in de gebouwde omgeving niet valt te ontkomen, mede door tussentijds de normen steeds verder aan te scherpen en daar waar nodig is ondersteunen bij experimenteren en leren.

Tot slot

Ik realiseer mij terdege dat de vraag waarmee dit project begon een andere was. Die vraag had betrekking op de taakverdeling tussen Rijk, provincies en gemeenten. Maar die vraag ging voorbij aan de basisvraag waarom die energietransitie voor de gebouwde omgeving zo moeizaam op gang komt. Dat er wel veel koplopers zijn, maar dat de opschaling naar de massa nog steeds niet wil lukken.

Voor de koplopers heb je een ander beleid nodig dan voor de opschaling naar de massa. Hoe belangrijk gemeenten en provincies ook kunnen zijn voor experimenten, voor het vaststellen van de stip op de horizon en voor het duwen is voor de rijksoverheid aan zet. Daar moet de energietransitie van de gebouwde omgeving werkelijk beginnen. Het gaat hier immers om een groot nationaal thema. Het gaat hier over geopolitiek (Russisch gas), het gaat hier om klimaatbeleid en het gaat hier over de toekomst van Slochteren. De rijksoverheid kan het niet maken om al die problemen door te schuiven naar de gemeenten. De rijksoverheid is zelf aan zet.

Het aardige verhaal is dat die energietransitie technisch gezien moet kunnen slagen. Als het niet lukt, is de reden simpel: we willen het niet.

 

#Amsterdam is de Randstad, de Randstad is Amsterdam

februari 18, 2016 by  
Filed under De Stad, Geen categorie

Het begint er steeds meer op te lijken. We hebben geen Randstad, we hebben Amsterdam. En de rest is daarvan afgeleid. Tien jaar geleden kwam het Ruimtelijk Planbureau al tot de conclusie dat de Randstad niet bestond. Conclusie: er zijn vier stadsgewesten, vier daily-urban-systems. En als er al een beweging is naar een groter geheel dan is er een trend in de richting van Amsterdam. Amsterdam was niet alleen het centrum van Nederland, maar ook bij uitstek het centrum van wat wel de Randstad werd genoemd.

Inmiddels zijn er weer allerlei nieuwe cijfers die laten zien hoe dominant die positie van Amsterdam begint te worden. Zo kan je patronen afleiden van de plaatsen waar mensen hun elektrische auto opladen. Toevallig kreeg ik daarvan een overzicht:

  • Van de mensen die zijn opgeladen in Amsterdam, laadt 78% de volgende keer weer op in Amsterdam;   7% in Rotterdam, 8% in Den Haag en 7% in Utrecht.
  • Van de mensen die zijn opgeladen in Rotterdam, laadt 51% de volgende keer weer op in Rotterdam; 28% in Amsterdam, 14% in Den Haag en 7% in Utrecht.
  • Van de mensen die zijn opgeladen in Den Haag, laadt 42% de volgende keer weer op in Den Haag; 36% in Amsterdam, 14% in Rotterdam en 7% in Utrecht.
  • Van de mensen die zijn opgeladen in Utrecht, laadt 40% de volgende keer weer op in Utrecht; 40% in Amsterdam, 9% in Rotterdam en 10% in Den Haag.

De cijfers moeten met grote voorzichtigheid worden geinterpreteerd. Mensen met elektrische of hybride auto’s zijn geen doorsnee-Nederlanders. Bovendien kan er sprake zijn van onderzoek-artifacten omdat de steden niet allemaal even ver van elkaar afliggen. Maar toch.

Het overheersende patroon is duidelijk. Als men niet in de eigen stad blijft, is de kans het grootst dat men naar Amsterdam gaat. De Randstad is geen verzameling min of meer gelijkwaardige stadsgewesten. Amsterdam steekt daar ver boven uit.

En er is nog iets: het lijkt zelfs alsof mensen in Den Haag en Rotterdam meer met Amsterdam hebben dan met elkaar. Dat idee van die Zuidvleugel lijkt geen maatschappelijke realiteitswaarde te hebben. Het moet de Metropoolregio Rotterdam-Den Haag te denken geven.

 

 

Steden: don’t go with the flow

oktober 6, 2015 by  
Filed under De Stad, Geen categorie

Vijftig jaar geleden was Rotterdam een bloeiende stad. De stad werd herbouwd, de haven profiteerde van de nieuwe kranen en de ruime nieuwe kades. De Floriade van 1960 markeerde de vooruitgang. In dezelfde tijd werden in Amsterdam delen van de oude binnenstad gesloopt en werd serieus over het dempen van grachten gesproken. De stad had duidelijk behoefte aan impulsen.

Nog geen 50 jaar later zijn de rollen geheel omgedraaid. De economie is fors veranderd. De industrie heeft zijn dominante positie verloren. Het draait tegenwoordig vooral om kennis, innovatie, face-to-face contacten etc. De haven is vrijwel geheel geautomatiseerd. Nieuwe werknemers gaan niet meer in de nabijheid van fabrieken wonen, maar bedrijven vestigen zich vooral in de nabijheid van interessante werknemers. En omdat hoogopgeleiden graag in de buurt van oude binnensteden wonen, floreert Amsterdam tegenwoordig en heeft Rotterdam veel terrein verloren.

Het lijken autonome ontwikkelingen, en dat zijn het voor deel ook. In ieder geval kan je het de gemeente Rotterdam niet kwalijk nemen dat de economische structuur is veranderd. Net zo min als Amsterdam voor de triomf van de eigen stad zichzelf op de schouders hoeft te slaan.

Dit mag allemaal zo zijn, het betekent niet dat lokaal besturen voortaan zinloos is. Economen hebben wel eens de neiging om te zeggen: “Go with the flow”. En dat bekt ook wel lekker. En het is waar als ze bedoelen dat de overheid niet moet proberen tegen de economische trends in te gaan. En niet moet proberen om een campus te ontwikkelen waar geen bedrijf wil zitten. Maar het is ook een onzinnig advies. Als ze alleen op aarde is om de economische trends te volgen, kan de overheid beter naar huis gaan. Het is de taak, en zelfs de bestaansreden van een overheid om ervoor te zorgen dat de uitkomst uiteindelijk anders is dan de markt lijkt te willen. In een politiek gewenste richting.
Als je meer wilt weten over de ontwikkeling van de stad is de PBLQ-leergang De Triomf van de stad een aanrader.

Nationale politie: de nederlaag van de Bokito’s

oktober 2, 2015 by  
Filed under Geen categorie

De nationale politie is voorlopig op een drama uitgelopen. Op het moment dat 65.000 politiemensen geen idee meer hebben waar ze aan toe zijn, stapt de hoogste baas Gerard Bouman op. Omdat een ander type leiderschap op dit moment nodig zou zijn. Het is de vraag of dat al niet eerder het geval was.

In een interview in de Volkskrant mag Bouman het boetekleed aantrekken. Hij doet het niet. Ondanks twee uitspraken die daartoe alle aanleiding geven. Zo zegt hij: “Wij leefden te lang met de gedachte dat de wereld snel maakbaar is.” En: “We hebben er grote organisatieadviesbureaus bij betrokken en vroegen: hoe vaak hebben jullie zo’n complexe reorganisatie meegemaakt? Het antwoord was: nul keer.” De eerste opmerking is misschien wel eerlijk, maar ook opvallend onnozel. De tweede was blijkbaar reden om de rug te rechten en om eens iets te laten zien, dat nog niemand had laten zien.

Het is niet alleen Gerard Bouman die onnozel is en blaam treft. Het is ook een Minister die de nationale politie wil doorvoeren (waarvan hij overigens in zijn vorige functie altijd een tegenstander was). Het is het kabinet dat een dergelijk besluit neemt. Het zijn al die bestuurders die overal voor één keer hun organisatie definitief op orde willen brengen. Het zijn al die macho’s die over de ruggen van al die medewerkers hun eigen monument op willen richten. Het zijn al die Bokito’s van de reorganisatie. Ze hebben twee dingen gemeen: hun reorganisatie wordt geen succes en hun opvolger start opgewekt met …. een reorganisatie.

Laat het opstappen van Bouman eindelijk eens een les zijn. En laten al die managers dan eens vijf dingen leren:

  1. Medewerkers zijn geen koelkasten, die je willekeurig kan verplaatsen. Het mooie van medewerkers is dat ze gevoel hebben.
  2. Juist medewerkers hebben verstand van de organisatie. Als er iets moet worden veranderd, geef hen dan daarin het voortouw.
  3. Een organisatie draait niet op schema’s en structuren, een organisatie draait vooral op de informele relaties tussen de medewerkers. Wie die informele relaties verwoest, heeft jaren en jaren nodig om iets nieuws op te bouwen.
  4. Organisatieproblemen zijn niet digitaal, oplossingen net zo min. Van een regionale politie naar één nationale is voor sommige problemen een oplossing, voor andere niet.
  5. Het gaat binnen organisaties altijd om dilemma’s. Je hebt centrale aansturing nodig (ICT) én lokaal maatwerk. In elke organisatie moet je een evenwicht zien te vinden tussen dat soort tegenstrijdige wensen. En omdat de omstandigheden vaak veranderen, is er ook vaak behoefte aan een nieuw evenwicht. ‘Heldere keuzes’ zijn dus rampzalig. Reorganiseren is een heel fijnmazig spel in een subtiele relatie tussen medewerkers en leiding.

De #universiteit is te mooi om tijd te verknoeien

augustus 31, 2015 by  
Filed under Geen categorie

Een vriend op Facebook schreef me: het moet wel een bijzondere ervaring om na zoveel jaar weer in de collegebanken te zitten. Nou dat was het! Niet alleen omdat het zo lang geleden was. Maar vooral omdat ik al die jaren aan de andere kant heb gestaan. Precies een jaar geleden ontving ik de eerstejaars in Rotterdam en legde ze uit wat de kernvragen van de bestuurskunde zijn. Nu zit ik mijn best te doen om alleen student te zijn. Ik kan het niet laten om veel te observeren.

En er valt veel te observeren. We beginnen om 10 uur met één uur introductie voor de eerstejaars. De helft van de afdeling musicologie is opgetrommeld en stelt zich voor en vertelt zijn of haar plannen. Het is allemaal, ja zeg maar, gewoon lief. En het is heel erg herkenbaar. Het is duidelijk wie de hoogleraren zijn. Het is duidelijk wie de universitair hoofddocent is. De laatste is de spreekstalmeester. Maar de ene hoogleraar moet haar natuurlijk wel even inleiden. De andere hoogleraar wordt door zijn onderdanen heftig geprezen dat hij nog even aanwezig is. Eigenlijk is hij daar te hoog voor. Hij laat zich door al deze lof verleiden om nog even achter het katheder te gaan staan. Charmant, rommelig, en zonder enige voorbereiding. Hij heeft dan ook geen verhaal. Als hij dat zelf bemerkt, rondt hij gelukkig snel af.

Ik kan ervan genieten, van de universiteit. Hoe hoe weinig professioneel het ook allemaal gaat. Er worden wat ‘stencils’ uitgedeeld. ik gebruik met opzet nog maar eens dat woord. Het is soms smoezelig en groezelig. Er wordt gehakkeld (omdat de collega’s erbij zijn?). Er wordt authentiek enthousiast gedoceerd. De sheet is onleesbaar of de beamer werkt niet. Ja, bij Nelissen en Schouten doen ze dat allemaal heel anders. Dan zou er koffie zijn geweest en een petitfour en een map met (gedeeltelijk overbodig) lesmateriaal. Wij zitten gewoon in zaal 3.01 na het beklimmen van zes trappen. In het rooster voor de middag blijkt dezelfde zaal  ‘Universiteitstheater’ te heten. Maar de docenten zijn gedreven, ze houden van hun vak. In de commerciële wereld houden ze vooral van mijn centen.

Ook dat college in de middag biedt veel stof voor observatie. Ik zal later nog wel eens spreken over het schoolse karakter van de universiteit. En dat die schoolsheid eerder de behoefte lijkt van de docenten dan dat studenten daarvoor veel aanleiding geven. Op het rooster staan 3 uur ‘inleiding musicologie’. Die inleiding, ik schreef het al, is vooral een samenraapsel van onderwerpen en vooral van wensen van individuele docenten. Collegeprogramma’s komen altijd incrementeel en organisch tot stand. Ooit was er een grote gedachte en daarna veel docenten en hoogleraren die hun eigen vak overeind willen houden. Het geeft niet. Behalve dat al dat aanbod nooit wordt afgestemd op onze vraag.

Vanmiddag valt me vooral op hoe groot de verschillen in informatiedichtheid zijn. Om drie uur starten we. Het eerste half uur gaat voorbij met het opnoemen van namen (aanwezigheidsplicht, kom ik vanzelfsprekend ook nog op terug) en aan het toelichten van het programma. Die toelichting is helaas geen toelichting (bijvoorbeeld: waarom die vak op dit moment in de studie?), maar is het voorlezen van regels en nog eens regels. Allemaal rechtstreeks te vinden op de website en op ons eigen Blackboard (intranet voor studenten). Dan gaat na een half uur plotseling het vuur branden. Docent vraagt: wat is muziek? Hij zet ons vijf kwartier aan het denken. Prachtig college. Jammer dat de docent uiteindelijk vergeet zijn eigen definitie te geven. Hadden we onze onrijpe ideeën nog beter kunnen toetsen.

Dan is het kwart voor vijf. We gaan een kwartier koffiedrinken. Na het kwartier komt docent nr 2. Die neemt een half uur om het idee van opdrachten voor de komende week te verduidelijken. Ik begrijp dat we elke maandagmorgen om uiterlijk 8.59 een opdracht digitaal moeten inleveren. En dat we ’s middags een geprinte versie naar het college moeten meenemen. Ik neem aan dat de docent vervolgens de geprinte versie gaat nakijken. Vanwaar dan die keiharde deadline van 8.59? Als die teksten toch pas een halve dag later worden ingenomen en een week later worden becommentarieerd? Ook dat onderwerp komt nog wel eens terug. Voor nu is vooral belangrijk dat alle procedures en regels over de opdrachten gewoon op Blackboard zijn te vinden. En dat het voorlezen daarvan geen meerwaarde heeft.

Om half zes ronden we maar af, omdat we wel klaar zijn. Zo bestaat het eerste college uit: 5 kwartier mooi verdiepend college, 4 kwartier voorlezen van regels en procedures, die elders beter zijn beschreven en 3 kwartier pauze. Je zou toch zeggen dat dat beter moet kunnen.

En natuurlijk, ik besef: ik heb al een paar jaar ervaring. Ik heb al eens een onderzoeksopzet geschreven. Het zal meespelen in mijn weging van die kwartieren. Toch vallen mij twee dingen op. Eén: wat hebben mijn medestudenten ongelofelijke goede opmerkingen bij het verdiepende college, wat zijn zij al ver in hun denken. Twee: wat zijn alle studenten betrokken bij de echte inhoud en wat worden ze vervelend en afgeleid als het over regels en procedures gaat. Kom op, geef ons volgende keer 12 kwartier fantastisch college! Jullie kunnen het!

 

Kijk ook: De zware onderwijslast aan de universiteit

#UvA: waar is je diploma uit 1970

augustus 6, 2015 by  
Filed under Geen categorie

Ik krijg een vriendelijke uitnodiging voor de introductie van  alle eerstejaars muziekwetenschap op 31 augustus. Toevallig ook mijn laatste dag als hoogleraar.

Ik krijg een dringend verzoek om mijn collegegeld te betalen, hetgeen ik meteen doe.

En dan krijg ik op 6 augustus plotseling weer zo’n boze mail van de UvA-computer. Dat ik niet aan alle vereisten heb voldaan en dat ik wordt  uitgeschreven als ik niet voor 31 augustus aan alle vereisten voldoe. Maar de computer laat zich moeilijk raden. Wat is het probleem? Na diverse malen doorklikken begrijp ik dat ik nog geen gewaarmerkte kopie van mijn eindexamenbul heb ingeleverd. Redelijk verzoek. Maar waarom is die UvA-computer toch altijd zo bars. Afgezien van die jolige aanhef.

Met die aanhef  is dit keer overigens wel meer aan de hand. Werd ik vorige maand nog aangesproken met ‘Beste Wim’, waartegen ik bezwaar maakte, omdat er verder niets informeels aan het bericht viel te ontdekken. Werd ik later aangesproken als ‘Geachte heer Derksen’, een signaal dat ze mijn gemopper in mijn blogs braaf zaten mee te lezen. Maar sinds kort wordt ik aangesproken met ‘Beste Johan’. Iedereen heeft uit zijn jeugd van die Achilleshielen overgehouden. Volstrekt onbelangrijke naar het schijnt, maar voor de betrokkene van groot gewicht. Simpel gezegd: dat ‘Beste Johan’ is een slag onder de gordel. Bovendien: ze hebben me bij de inschrijving gevraagd wat mijn roepnaam was. Mijn antwoord luidde: Wim. Ik herhaal: Wim. Wim dus. En hoe komen ze er dan nu bij om me met Johan aan te spreken? Als je geen computers kan programmeren, gebruik ze dan niet.

Ik mopper wat op Twitter. Over die slag onder de gordel. En over die gewaarmerkte kopie van mijn HBS-B-diploma uit 1970. En of mijn promotiebul misschien ook voldoet. De kans dat ik de laatste kan vinden is 10 jaar groter. En zowaar: de UvA antwoordt per tweet. Een scan van het HBS-diploma of van mijn doctoraalbul is voldoende. De computer had met die gewaarmerkte kopie overvraagd. Blijkbaar een foutje bij het programmeren. Maar een promotiebul is niet toereikend, omdat hij ‘niet valt te verifiëren’.

De komische situatie doet zich inmiddels voor dat mijn promotie in 1980 dus niets meer waard is. Ik mag alléén een bachelor muziekwetenschap beginnen omdat ik een HBS-diploma heb en een doctoraal in de sociologie. Gelukkig heb ik nog wel vijf jaar het jus promovendus.

Max Weber vond bureaucratie een zegen. Het einde van een willekeurig overheidsbestuur. Maar bureaucratie heeft ook zijn nadelen, het kan eenvoudig in al zijn eigen regels verzuipen. Wat bedoeld is als instrument tegen willekeur, wordt een doel op zich. En leidt vooral tot verstarring. De informatisering van de laatste decennia heeft dit effect versterkt. De computer heeft in ieder geval het laatste greintje informaliteit uit het systeem   gehaald.

Natuurlijk, ook ik ben tegen willekeur. Maar is er nu niemand in Amsterdam die mij zonder verdere gewaarmerkte kopieën van bullen uit 1970 kan toelaten, omdat uit mijn antecedenten toch wel is gebleken dat ik ooit de middelbare school heb gehaald? Oh ja, intussen is mijn benoeming tot extern lid van de examencommissie voor de masters van de aanpalende UvA-faculteit schriftelijk bevestigd.

 

Zie ook: #UvA volente, als God het wil

 

Verslaafd aan @MarathonRdam

april 12, 2015 by  
Filed under Geen categorie, lopen

Ook vorig jaar had ik weinig getraind voor de marathon van Rotterdam. Ik had een startbewijs, maar had al lang besloten om mijn favoriete marathon dit jaar aan me voorbij te laten gaan. Bij toeval moest ik de vrijdag voor de marathon in Rotterdam zijn. Ik zag de borden en de hekken en was weer verkocht. Ik reed nog terug naar Den Haag om mijn spullen op te halen. Het werd een heerlijke loop, in 4.12.

De voorbereiding kon nog beroerder. Na die 4.12 deed ik weinig tot niets. Onder druk van een afspraak toch maar de marathon van Amersfoort gelopen in juni 2014. In 4.10. Maar na afloop was mijn meniscus zwaar beschadigd. Ik kwam een half jaar op de tafel bij de fysiotherapie. En toen alles grotendeels voorbij was, had ik geen zin meer. Geen zin. Ik had genoeg gelopen met pijn in mijn rechtervoet, met pijn in mijn linkerknie, met zweepslagen en al dat andere ongemak. Ik had de K78 in juli 2013 volbracht en was nog steeds toe aan rust. Een mentale blessure nam het van de fysieke over. Natuurlijk had ik me voor de zekerheid wel ingeschreven, zoals ik me ook al maanden geleden had ingeschreven voor de Zestig van Texel op Tweede Paasdag. Texel ging voorbij. En Rotterdam leek eenzelfde lot beschoren.

Totdat mijn fysiotherapeute enigszins spottend vroeg of ik Rotterdam nog zou lopen. Ik mompelde iets van ontkenning. “Als je hem start, loop je hem wel uit.” Ik mompelde nog iets van mindere ontkenning.

De volgende dag had ik mijn trainingsschema klaar. Dinsdag 7 km, donderdag 9, zaterdag 13 en maandag 20. Daarna 6 dagen afbouwen tot de marathon. Elke mislukte training zou het einde van de plannen zijn. Ik strompelde heel wat af, maar ik ging wel razendsnel vooruit. Tijdens de trainingen liep ik steeds 4 minuten hard en wisselde dat af met 1 minuut wandelen. Alles lukte. Er waren dus geen redenen meer om Rotterdam niet te lopen.

Ik geef het toe: het is een bizarre voorbereiding. Maar als je 20 km kan lopen in 2 uur, moet je aan 5,5 uur toch echt genoeg hebben voor die 42. En er lonkt wel een spannende marathon. Vroeger liep ik ze als trainingsmarathon, voor nog grotere of snellere loopjes. Nu is het weer een echte marathon. Hij doet me denken aan die eerste keer. Met Bert en met Huib en met Leo. Ach, en zenuwachtig ben ik altijd.

Er is wel één verschil. Toen was het mijn eerste marathon, nu mijn 46e. En toen was ik nog niet verslaafd aan het lopen. Had nog geen boek geschreven onder de titel Loopgek. Want als ik eerlijk ben: het heeft iets van die ene sigaret. Die je plotseling wordt aangeboden en die onweerstaanbaar is.

We zullen zien. Schreef ik op de avond voor de marathon.

En we hebben gezien. Wie geen loper is kan beter stoppen met lezen. Onderstaande is slechts de eufore tekst van een eufore loopgek. Piet loodste me binnen bij Nationale Nederlanden. Zijn club heeft daar altijd gastvrijheid. Verschillende lopers bleek ik te kennen. Beetje kletsen, beetje wc, beetje verkleden, en weer kletsen. Daarna naar de start. De spanning. Het bekende geluid van de heli’s. Het geluid van de spreekstalmeester, wiens tekst altijd aan je voorbij gaat. Nog een flesje drinken in het startvak. En je laatste plas terugdoen in hetzelfde flesje. Het startschot van de burgemeester, als inleiding op die fantastische startmuziek van Rotterdam. Weg op een schema van 6’ lopen en 1’ wandelen. Het leidt tot allerlei sportieve reacties van medelopers, die me na 1 km al van alles aanbieden. Het weer is geweldig. Goede temperatuur, veel zon en dus veel publiek. Ik heb het in Rotterdam nog nooit zo druk gezien. Eten en drinken gaan onderweg zonder problemen. Ik plas twee keer en poep eenmaal. En de organisatie is perfect. Ik kom terecht op een schema van 30’ per 5 km. Op de terugweg wandel ik de Erasmusbrug op. Ik wandel in de tunnel op de Blaak, en ik sta een tijd te praten met Arda op 37 km. Daarna wordt het nog even zwaar. De benen zijn stijf. Maar de geest is helder, en dat is wel eens anders bij het 40-km-punt. Na 4.26.34 bereik ik de finish. Ik stuiter nog een tijdje in het finishvak. We feliciteren elkaar, we omhelzen elkaar, mannen die elkaar nog nooit eerder hebben gezien. Het fantastische moment om Arda en Bas weer te zien. We lopen weer naar Nationale Nederlanden. Nog meer bekenden. En allemaal zijn we vandaag vrienden.

Het was mijn 46e marathon, het was mijn 13e in Rotterdam. Onderweg geniet ik vooral. En als ik denk dan realiseer ik me dat straks alles kapot en over kan zijn. Maar dat ik mijn marathonloopbaan dan wel heb beëindigd met mijn mooiste marathon.

Maar alles is niet kapot. Niets is kapot. Dit jaar toch maar proberen die 50 marathons vol te maken.

Volgende pagina »