#Prorail terug onder de vleugels van moeder overheid

september 9, 2020 by  
Filed under Geen categorie, Voorpagina

Ooit hadden we de Nederlandse Spoorwegen. In de privatiseringswoede van de jaren 90 werd NS naar de markt gebracht en opgeknipt. Na een volgende herschikking bleven NS en Prorail als enige herkenbaar over. Beide zijn zogenaamde overheids-nv’s. Private bedrijven waarvan de  aandelen in handen zijn van de overheid. Daarmee heeft de overheid via eigen commissarissen zeggenschap over het reilen en zeilen van de bedrijven, maar de commissarissen hebben alleen het belang van het bedrijf te dienen. 

Zolang de NS een concessie hebben voor het hoofdnet van de spoorwegen is er geen reden om de juridische positie van NS te veranderen. Over de positie van Prorail bestaat daarentegen veel meer discussie. Moet de rail-infrastructuur van Nederland door een privaat bedrijf worden beheerd? Terwijl de overheid jaarlijks een miljard euro moet bijleggen? Vooral in het vorige kabinet met verantwoordelijke PvdA-staatssecretarissen werden steeds meer vragen gesteld, tot Sharon Dijksma besloot om Prorail weer terug te halen. Het zou van een overheids-nv een zelfstandig bestuursorgaan (zbo) moeten worden. 

De operatie is in volle gang, maar de politieke strijd is nog niet gestreden. Deze week houdt de Kamercommissie nog weer eens een hoorzitting over het onderwerp. Is het echt verstandig om Prorail weer onder de vleugels van de overheid te brengen? Principieel ben ik daarvan wel een voorstander en ondanks alle rompslomp die we over ons halen door de positie van Prorail weer te veranderen, lijkt me dat er ook praktische argumenten zijn voor de omvorming van Prorail naar zbo. 

Ik doe donderdag mee aan die hoorzitting. Dat is verrassend omdat het niet om wetenschappelijke keuze gaat, maar om een politieke. Daarom zal ik me beperken tot het meegeven van enkele overwegingen. En met name een manier van redeneren. Conform het WRR-rapport Het borgen van publiek belang uit 2000, waarvan ik de hoofdauteur was. De WRR zou toen als volgt hebben geredeneerd. 

  1. De positionering van Prorail is geen doel op zich. Privatisering is geen doel op zich, verzelfstandiging is geen doel op zich. Net zo min als het terugbrengen onder de vleugels van de overheid een doel op zich mag zijn. 
  2. De publieke belangen zijn hier het doel. En de positionering van Prorail is wellicht een middel om die publieke belangen beter te dienen. 
  3. Wat zijn publieke belangen? Er zijn veel belangen die we samen belangrijk vinden. Soms kunnen die niet bereikt worden zonder eindverantwoordelijkheid van de overheid. Dan zou ik willen spreken over ‘publieke belangen’. Dat publieke belangen worden bereikt is een eindverantwoordelijkheid van de overheid. 
  4. Wat we samen belangrijk vinden is een politieke keuze. Als de samenleving daarvoor niet zelf kan zorgdragen, moet de overheid iets doen. Op zijn minst een eindverantwoordelijkheid dragen. 
  5. De markt kan veel, mensen kunnen zelf auto rijden, de NS kan zelf treinen rijden, maar het aanleggen van wegen en spoorwegen doen we niet zelf (omdat een ander anders gratis van mijn weg gebruik kan maken): daar heb je een overheid voor nodig. 
  6. De markt kan veel, maar voor het organiseren van een markt heb je ook de overheid nodig.
  7. En je hebt nog heel veel andere publieke belangen: CO2, stikstof etc: ook daar moet de overheid de mobiliteit bijsturen.
  8. De vraag waar het nu om draait: hoe kan je dat soort publieke belangen het beste borgen? Soms met wetgeving en handhaving (uitstoot tegengaan). Soms met positionering van de organisatie. 
  9. Zo hebben we het organiseren van de OV-markt in handen gegeven van de Minister, de provinciale en lokale besturen. Logisch, als we een markt willen hebben, heb je een marktmeester nodig. 
  10. Zo laat je het aanleggen en beheren van spoorwegen aan private partijen. Een overheid moet niet zelf met kiepkarren gaan rijden. 
  11. Maar waar positioneer je organisatie die daartoe de opdrachten verstrekt en daarover het toezicht houdt? Antwoord: daar waar de overheid haar eindverantwoordelijkheid het beste kan waarmaken. 
  12. Ik heb voor de sg van IenM enige jaren geleden het toezicht op Prorail geëvalueerd. En dat toezicht was mager geregeld. En dat lag niet alleen aan het departement. 
  13. Er was bijvoorbeeld vaak spanning tussen de staatssecretaris van IenM en de directie en de Raad van Commissarissen van Prorail over grote investeringen. Prorail vond dat in wezen niet de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris.
  14. Er was bij Prorail geen cultuur van grote openheid ten aanzien van de toezichthoudende functie van het departement. Men had ook niet zoveel zin om over het toezicht door het departement te praten. Alsof men een zelfstandig bedrijf was. 
  15. Maar aan de andere kant had ik als decaan van de Rijksprojectacademie (indertijd: academie voor projectmanagers van RWS, Prorail en Rijksgebouwendienst) bij de deelnemers van Prorail ook niet het gevoel met mensen van een privaat bedrijf te maken te hebben. Er was in dat opzicht ook geen verschil tussen mensen van RWS en van Prorail. 
  16. Conclusie: het borgen van publieke belangen is ook een kwestie van cultuur. Denkt men vanuit publieke belangen of denkt men als een privaat bedrijf? Het is niet onlogisch om RWS en Prorail vanuit het publieke belang te laten denken. 
  17. Als je de overheid verantwoordelijk acht voor de infrastructuur (en voor de concurrentie op de infrastructuur) is het logisch om RWS en Prorail binnen de publieke sfeer te houden/hebben. 
  18. Het werk van Prorail en RWS vraagt om een zekere autonomie. Maar blijkbaar lukt RWS dat goed, zelfs zonder dat hij een zbo is. Waarom zou dat voor Prorail anders zijn?
Deel dit bericht:

Ruud Lubbers controleert zelfs zijn eigen geschiedenis

september 7, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Ruud Lubbers was vaak ongrijpbaar. En na zijn dood lijkt het niet anders. 

In 2018 was Ruud Lubbers nog maar net dood toen enkele maanden later onder eigen naam het boekje Persoonlijke herinneringen verscheen. Hij was ooit aan een boek begonnen, maar bij zijn dood lagen er slechts enkele korte schetsen en een aantal interviews. De interviewer had de ondankbare taak op zich genomen om van dit alles een geheel te maken. Maar een geheel werd het niet. Ik vond het vooral een pijnlijk boekje omdat Lubbers alle grootsheid die we van hem gewend waren leek te hebben verloren. Het meest bleven zijn verontschuldigen aan Elco Brinkman hangen, de man die hem in 1994 moest opvolgen als CDA-leider én al premier, maar daarvoor een paar maatjes te klein was. Lubbers had dat indertijd te laat door. Toen hij besefte dat Brinkman niet zijn gedroomde opvolger was, maakte hij hem het leven alsnog heel erg zuur. 

Onlangs verschenen de ‘politieke memoires’ van Ruud Lubbers, van de hand van Theo Brinkel. Brinkel spitte in de jaren 1993-1995 samen met Lubbers in 21 gesprekken diens politieke leven door. Memoires in de vorm van 21 interviews. Het zegt veel over Lubbers dat dit boek nu pas verschijnt. Tot zijn dood heeft hij nooit willen instemmen met een publicatie. Nu doet de familie dat gelukkig wel. 

En dat feit alleen al, dat Lubbers geen toestemming gaf, typeert de man ten voeten uit. Want bovenal was Lubbers een control freak. Er stonden een paar teksten in het boek, die wel eens tot problemen zouden kunnen leiden. Over Elco Brinkman geen goed woord, maar dat was tot daaraan toe. Brinkman was al lang gevallen. Maar zijn woede over Helmut Kohl die hem de pas afsneed naar het voorzitterschap van de Europese Commissie, kon maar beter niet naar buiten komen. Je wist maar nooit wanneer hij Kohl nog eens nodig zou hebben.

Overigens kom je buiten Kohl en Brinkman om in de memoires van Lubbers alleen maar aardige mensen tegen. Mensen die hij “mag”. Natuurlijk, er is wel eens een akkefietje, maar eigenlijk “mag” Lubbers iedereen. Dat is bijzonder, omdat de politiek geen wereld is om vrienden te maken. Als Lubbers hier over bijna iedereen zegt dat hij ze “mocht”, is dus iemand bezig zijn eigen geschiedenis te herschrijven. Hier controleert iemand zijn nagedachtenis. 

Juist daarom is het een echt Lubbers-boek. Ruud Lubbers was twaalf jaar minister-president. Omdat hij was wie hij was. Een uitermate intelligente politicus, die alles zag en daardoor de ander vaak een slag voor was. Die zich inhoudelijk in elk onderwerp verdiepte. Die meteen vier oplossingen in gedachten had. Die in de ministerraad kon verrassen omdat hij de dossiers soms beter had gelezen dan de verantwoordelijke minister. Natuurlijk, hij moet soms heel irritant zijn geweest. Het is voor veel mensen irritant om te moeten toegeven dat de ander veel beter is. Daarom was Lubbers bepaald niet geliefd bij iedereen. Maar hij stak er wel met kop en schouders bovenuit. En daarom had dat kleine boekje met Herinneringen twee jaar geleden niet mogen verschijnen. Daar sprak een oude man, en niet meer de man die vaak irritant goed was. 

Dat wil niet zeggen dat er op de loopbaan van Ruud Lubbers geen ander perspectief denkbaar is. Vooral die twee affaires met Brinkman en met Kohl laten zich ook anders beschrijven. Bijvoorbeeld als de affaires waarin Lubbers eigenlijk de controle langzaam kwijt raakte. En het mooie van zijn memoires is dat hij ons wil doen geloven dat hij die controle nog wel degelijk had. 

Lubbers was in 1989 al zeven jaar minister-president toen hij aan zijn derde kabinet begon. Hij meldde intern dat het zijn laatste kabinet zou worden. Heel wijs, na 12 jaar is je houdbaarheid wel verstreken. Al snel wees Lubbers Elco Brinkman aan als zijn opvolger. Brinkman was minister geweest in de eerste twee kabinetten-Lubbers. Vanaf 1989 was hij fractievoorzitter van het CDA in de Kamer. Een logische keuze. Maar ook een onmogelijke keuze. Want Brinkman kon zich alleen maar profileren door zich tegen de “Baas” af te zetten en dat was de “Baas” niet gewend. En daarvan ook niet gediend. Laat ik het anders formuleren: Lubbers begreep wel dat het zo werkte, maar hij zou het zelf inhoudelijk heel anders hebben gedaan. Hij legde de arme Brinkman langs zijn eigen meetlat. En die Brinkman was inderdaad een paar maatjes te klein. 

Lubbers probeert in zijn beschrijving van het conflict met Brinkman vooral zijn eigen grootheid te laten zien. Hij mist echter de grootheid om te zien dat grote leiders vaak hele kleine mensen worden als ze de macht en de aandacht weer moeten afstaan. 

Met Kohl gebeurde iets vergelijkbaars. Kohl en Lubbers waren al jaren zeer goede bekenden van elkaar. Onder andere via de Europese christen-democratie. Maar Lubbers begon in zijn derde kabinet een beetje het zicht op zijn eigen positie in Europa kwijt te raken. Hij begon randvoorwaarden te stellen aan de Duitse eenwording, hij meende dat de Europese Bank niet naar Frankfurt moest maar naar het provinciaalse Bonn. En daarvan was Helmut Kohl op zijn beurt niet gediend. Overigens was Kohl ook langzaam het zicht aan het kwijtraken op zijn eigen menselijkheid. Kohl en Lubbers waanden zich allebei te groot, maar Kohl was als vertegenwoordiger van Duitsland toch echt een kopje groter. Geïrriteerd door Lubbers gedrag, zette Kohl hem de voet dwars bij zijn poging om voorzitter van de Europese Commissie te worden. Lubbers boos en vol onbegrip. 

Dit soort episodes contrasteren met de dagelijkse politiek en zijn daarom zo boeiend. Politiek is meestal een doortimmerd spel van macht en inhoud. Waarin politici hun doelen weten te bereiken door op het juiste moment de juiste dosis macht in te zetten. Maar politici zijn ook mensen. Je kan zelfs zeggen dat ze alleen maar heel groot kunnen worden als ze het mengsel van macht en inhoud aanlengen met een goed gedoseerde hoeveelheid ‘mens’, ‘persoon’. En het boeiende is dat politici aan het einde van hun loopbaan vaak de mist ingaan omdat die ‘mens’ een te groot gewicht krijgt. Ze vinden het moeilijk om afscheid te nemen. Ze raken snel gekwetst, omdat ze niet zelden een meer dan normale hoeveelheid narcisme onder de leden hebben. Ze denken dat de buitenwereld het allemaal doet. Maar ze doen het zelf. 

Het gaat vaak heel subtiel. Want zonder de persoon die ze zijn, hadden de grote politici nooit tot die grote hoogte kunnen stijgen. Lubbers was niet alleen een Macher, maar was ook een gelovig mens, die juist daarom 12 jaar het CDA aan zijn voeten had. Dat was niet gespeeld, dat was de mens Ruud Lubbers. Joop den Uyl was jarenlang bij zijn achterban zo geliefd omdat hij naast een handig politicus ook ‘Ome Joop’ was. 

En dan gaat aan het einde toch het ego te veel opspelen. Dan kan Joop den Uyl geen afscheid nemen omdat hij denkt dat alleen hij het kan. Dan gaat Ruud Lubbers kinderachtig de strijd aan met Elco Brinkman, omdat hij zich niet kan voorstellen dat hij door zo’n man zal worden opgevolgd. 

Juist in dat licht zijn die memoires van Lubbers zo interessant. Want ook na zijn neergang probeert Lubbers controle te houden. En probeert hij zijn geschiedenis weer in zijn eigen voordeel te corrigeren. Het is juist die karaktertrek die hem zo groot heeft gemaakt. 

Deel dit bericht:

@ferdgrapperhaus mist vooral politieke antenne

september 3, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Grapperhaus maakte een fout op de gelukkigste dag van zijn leven. Sneu voor die dag en de herinnering die het echtpaar er nog jaren aan zal hebben. Is het reden om de goede man naar huis te sturen? Kan het kabinet ons nog wel streng toespreken over het ‘nieuwe normaal’ als de verantwoordelijke minister zich niet aan het ‘nieuwe normaal’ houdt? Maken we niet allemaal wel eens een fout? Moeten we het de minister niet vergeven omdat hij wellicht in de roze wolken was?

Ik geloof niet dat dat de kwestie is. Want het grootste probleem bij deze minister is niet dat hij een domme fout heeft gemaakt, zijn grootste probleem is dat hij die fout niet heeft zien aankomen. 

Deze man heeft niet van te voren bedacht dat hij dat feestje beter kon uitstellen, omdat hij politiek zeer kwetsbaar was en dat elke fout op dit feestje hem zou worden nagedragen. Hij is immers de man die de boetes uitdeelt op de feestjes die door Rutte en De Jonge worden verboden. 

Deze man heeft niet van te voren bedacht dat hij de positie van Rutte erg zou schaden als er ook maar één foto van zijn feestje naar buiten zou komen. Want hij is niet alleen zijn eigen gezag kwijt, maar Rutte heeft vijf persconferenties nodig om zijn oude gezag weer terug te winnen. 

Deze man heeft niet van te voren bedacht dat het niet genoeg is om de eerste foto met een juridisch fraaie formulering af te doen.Dat het een enkele keer fout was gegaan in het geluk van het moment. Terwijl hij wist dat dat niet zo was en terwijl hij had moeten beseffen dat er altijd nieuwe foto’s zouden opduiken. 

Deze man heeft nog steeds niet bedacht dat er nog meer foto’s naar buiten kunnen komen. En dat hij dan met kop en kont door Rutte eruit wordt gegooid. 

Het maken van een fout kan iedereen overkomen, maar deze man mist blijkbaar een belangrijk politiek gevoel. Deze man is geen politicus en daarom ongeschikt voor de politiek. Een politicus kijkt altijd vooruit. Een politicus bedenkt altijd vooraf hoe bepaalde dingen later zullen vallen. Een scherpzinnige jurist is niet meteen ook een goed politicus. Grapperhaus moet niet kwalijk worden genomen dat hij een fout heeft gemaakt, maar dat hij blijkbaar niet voorziet wanneer hij zichzelf in de nesten werkt. 

Deel dit bericht:

De metropool van het tussenland

juli 29, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Theo Baart maakt prachtige foto’s. Hij is bekend van zijn foto’s van steden en van landschappen. Ik zou bijna zeggen: wie kent hem niet in de wereld van de ruimtelijke ordening? Onlangs heeft hij aan zijn rijke en omvangrijke oeuvre weer een prachtig boek toegevoegd: Groot Amsterdam, metropool in ontwikkeling. Een boek dat je alleen al vanwege de foto’s wilt hebben. Oer-Hollands. Ruysdael-wolken, polders, ijspret, veel water en groen, en vanwege het onderwerp begrijpelijk, veel tussenland. Het moment is altijd goed gekozen. 

Toch is er reden om meer over dit boek te zeggen, want Theo Baart wil er zelf meer mee zeggen. Zoals hij in zijn inleiding schrijft: “Ik ben een bewoner van een metropoolregio. Mijn hele leven al, alleen was ik me daarvan tot voor kort nauwelijks bewust.” En in zijn uitleiding schrijft hij: “Ik ben geïnteresseerd in beeld als argument, onderzoek, verkenning of bewering. Een laag die iets toevoegt aan wat tekst en kaarten kan vertellen. […] Het bestaan van de metropoolregio valt niet te bewijzen met één beeld. Alle foto’s bij elkaar doen dat hopelijk wel.” Zowel in de eerste als in de laatste zin lees je enige twijfel. Hij woont in een metropoolregio, maar was zich dit blijkbaar niet bewust. Dat is bijzonder voor een man die al decennia in de wereld van de ruimtelijke ordening en de planologie rondloopt. In de laatste zin schrijft dat alle foto’s bij elkaar hopelijk bewijzen dat die metropoolregio bestaat. Erg zeker is hij niet van zijn zaak. 

Dat is niet zo verwonderlijk. Als je opzoekt wat een ‘metropool’ is, dan staat er vaak meteen: ‘wereldstad’. En Amsterdam is een wereldstad voor ons, zeker als we die term meer figuurlijk dan letterlijk nemen. Maar elders denkt men daar wellicht anders over. Het is dan ook grappig dat we in bestuurlijk Nederland liever over een metropoolregio spreken, terwijl het bij een metropool toch ook niet alleen gaat om een “zeer grote stad met voorsteden”, maar ook om de periferie die op die kernstad is betrokken (aldus Wikipedia). Alsof we toch stiekem het gevoel hebben dat Groot-Amsterdam meer een regio is dan een metropool. 

Baart vult zijn foto’s ook aan met tekst. Als een ervaren journalist trekt hij in het gebied rond en doet daarvan verslag. Wellicht komt het door de selectie van onderwerpen, of de selectie van de locaties waarvan verslag wordt gedaan, maar in dit deel van het boek komt de metropoolregio Groot-Amsterdam toch vooral erg kneuterig naar voren. Maar misschien geldt dat ook wel voor veel van die foto’s. Nederland is op veel plaatsen een kneuterig land en Groot-Amsterdam is daar duidelijk de hoofdstad van. 

Het spijt me voor Theo, maar eigenlijk vind ik niet zo interessant welke conclusies hij zelf uit zijn foto’s trekt en of Groot-Amsterdam nu een metropool is of een metropoolregio of een groot dorp (sociologisch zijn er goede argumenten om Amsterdam zelf als een groot dorp te bestempelen). Het is veel interessanter om al die prachtige foto’s op je zelf te laten inwerken en om daar je eigen observaties bij te maken. Ik raad dat iedereen aan, vraag jezelf af: wat zie ik hier?

Ten eerste zie ik heel veel natuur, veel water, veel bomen (en weinig dieren, maar daar heb je misschien een andere fotograaf voor nodig). Theo Baart heeft zijn foto’s gepresenteerd langs zeven routes, vanaf de rand van de metropoolregio naar de kernstad. En heel vaak begint hij ergens midden in de natuur (of midden in een polder). En anders komt hij onderweg veel natuur tegen. We weten allemaal dat Amsterdam juist daardoor zo’n aantrekkelijke stad is. De ‘vingerstructuur’ zorgt ervoor dat je naar alle richtingen vrij snel in de natuur bent. De duinen, de plassen, de Marker Wadden. In ieder geval ligt de natuur voor een wereldstad wel heel dichtbij. 

Ten tweede zie ik in al die foto’s nauwelijks een kernstad, daarvoor is Amsterdam eigenlijk ook gewoon te klein, als we haar even vergelijken met Parijs en London, om twee voorbeelden in de nabijheid te noemen. De metropoolregio Amsterdam is vooral ontstaan door verklontering (ik besef dat dit woord niet snel de folders van de VVV en van de MRA zal halen). Een verklontering van steden, dorpen en new towns. Natuurlijk ligt het oude Amsterdam daar middenin. Maar we zien ook Zaanstad en Weesp, we zien Abcoude, Buitenkaag, Aalsmeer en Uithoorn. En wie zien Lelystad, Almere, Hoofddorp en Purmerend. En in dat geheel is Amsterdam wel het centrum, maar niet de kernstad waarop al die inwoners van al die steden en dorpen betrokken zijn. Al die daily urban systems zijn vooral veel kris-kras-relaties. 

Ten derde zie ik heel veel ‘tussenland’. Ik denk daarbij meteen aan de mooie studie van het Ruimtelijk Planbureau, die al lang geleden onder leiding van Han Lörzing verscheen. En ik zeg er meteen bij dat dat tussenland op meer manieren kan worden beschreven en gewaardeerd. Het gaat in ieder geval om al die gebieden die tussen het open land (natuur, polders) en de steden geleidelijk zijn ontstaan. De één ziet vooral het verrommelde karakter van dit soort gebieden,  de ander ziet hier vooral broedplaatsen ontstaan voor allerlei activiteit (overigens ook crimineel). Je zou de foto’s van Theo Baart moeten turven in vier categorieën: natuur, dorpen/stadjes, tussenland en hoog-stedelijk. Het zou me niet verbazen als de categorie tussenland de meeste foto’s telt en hoog-stedelijk de minste. Zegt dat iets over de fascinatie van Baart of zegt dat iets over onze metropoolregio Amsterdam? 

Mijn laatste observatie hangt sterk met de voorgaande samen. Ik zie weinig, heel weinig ruimtelijke ordening op al die foto’s. Ik weet dat door planologen de betekenis van de ruimtelijke ordening (in Nederland) wel eens wordt overschat, maar zo organisch als dit boek suggereert, is Nederland toch echt niet gegroeid. Of is die organische schijn juist het succes van de Nederlandse ruimtelijke ordening?

[op verzoek geschreven van gebiedsontwikkeling.nl (en daar ook gepubliceerd)]

Deel dit bericht:

Corona en de tweede angst-golf

juli 24, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

De angst voor corona is nog niet weg. Nee, de angst voor een tweede golf lijkt zelfs weer op te laaien. Zitten die terrassen niet veel te vol? Kunnen we nog wel op vakantie? En vooral de geruchten nemen weer toe. Dat is niet verwonderlijk, want we weten nog steeds heel weinig van corona. We weten niet hoeveel mensen als besmet zijn geweest, we weten niet hoeveel mensen nog bevattelijk zijn en we weten zelfs niet meer wanneer groepsimmuniteit wordt bereikt. En we hebben nog geen vaccin, onder andere omdat we zo weinig van het virus weten. 

Maar een paar dingen weten we wel en die lijken weinig aandacht te krijgen. In de afgelopen week werden 987 Nederlanders positief getest. Dat is bijna tweemaal zo veel als de week ervoor. Maar we weten ook dat het aantal mensen dat zich wil laten testen veel sneller toeneemt. Er is dus vooral een toenemende angst voor corona.

We weten ook dat de mensen die positief testen in de laatste maanden (cijfers vanaf 4 mei) veel jonger zijn dan ervoor. Voor 4 mei lag de mediaan (het grootste cohort) tussen 55 en 59 jaar, na 4 mei tussen 25 en 29 jaar. Terwijl overduidelijk is dat je meer risico bij COVID-19 loopt naarmate je ouder bent. Onder degenen die aan corona zijn overleden ligt de mediaan tussen 85 en 90 jaar! 

Dat stemt overeen met enkele andere cijfers. Zo zijn vorige week 19 mensen met  een COVID-19-besmetting opgenomen in een ziekenhuis, en zijn er 7 aan COVID-19 overleden. Laten we ons even realiseren dat er wekelijks in Nederland een kleine 3000 mensen komen te overlijden. Waarvan vorige week dus 7 aan COVID-19. 

Natuurlijk, alles kan het begin zijn van een tweede golf. Maar wat we nu meemaken is nog zeker geen golf. En als die golf er al aan komt ligt dat in ieder geval niet aan de “overvolle terrassen”. Want voorzover bekend zijn de besmettingen in 57% van de gevallen thuis opgelopen en in 20% gevallen door contact met een ander familielid. Het werk levert 11% van de besmettingen op en de horeca 4%. 

Ja, cijfers kunnen saai zijn, maar wat zou het goed zijn als journalisten dit soort cijfers eerst lezen voordat ze schrijven dat er sprake is van “een oplaaiend aantal besmettingen” (Volkskrant, hedenochtend).

Als we die cijfers wel lezen, kunnen we twee dingen vaststellen. 

Ten eerste: we hebben de wetenschap aanvankelijk misschien te veel gevolgd en nu dreigt het omgekeerde te gebeuren. Hoewel Rutte terecht heeft opgemerkt dat hij 100%-besluiten moest nemen op basis van 50%-kennis is de politiek lange tijd redelijk  erg slaafs achter het OMT aangelopen (hoeveel waardering ik ook heb voor de zuivere manier waarop RIVM, OMT en Van Dissel hun rol vervulden). Ik vrees dat de politiek zich veel meer door angst heeft laten leiden dan door een grondige afweging van voor- en nadelen van een lockdown, hoe intelligent die ook geweest mag zijn. 

Ten tweede: we hebben ons bij de lockdown misschien onterecht veilig gevoeld, terwijl we ons misschien nu onterecht onveilig voelen. Er was angst in de samenleving en dan voelt het prettig als je op straat, in de winkel en in het park goed afstand houdt. En die angst is niet zo maar weg. Ook als die tweede golf er niet komt, zullen we weer moeten wennen aan nabijheid, aan de aerosolen van de ander. Dus misschien is de corona wel weg, maar de angst nog niet. 

Het vervelende is dat die angst niet alleen de samenleving, maar ook de politiek in zijn greep houdt. En dat maakt het er allemaal niet beter op. Als burgemeesters mondkapjes verplicht willen stellen in de openbare ruimte en ministers dat onzin vinden. Misschien moeten zowel de politiek als de samenleving alert blijven, maar moeten ze hun angstgevoelens meer op cijfers dan op hun onderbuik baseren.  

Deel dit bericht:

Ruimtelijke ordening: disbalans tussen overheid en markt

juli 20, 2020 by  
Filed under artikel, De Stad, Geen categorie

1 Inleiding

Ruimte is (net als geld) eindig, zeker in een klein en dichtbevolkt land als Nederland. Zo zijn er altijd meer ruimtelijke wensen dan er vervuld kunnen worden. Deze wensen (belangen) moeten tegen elkaar worden afgewogen. In de moderne staat bestaan daarvoor twee verdeelmechanismen: hiërarchie (overheid) en markt.

In de tijd van de verzorgingsstaat werd voor de verdeling van de ruimte primair gedacht aan de overheid, die redenerend vanuit publieke belangen de verschillende ruimteclaims moest afwegen. Vanwege het grondrecht op wonen wordt werd de voorkeur gegeven aan nieuwe woningen boven de landbouw.  Vanwege het belang van volledige werkgelegenheid kregen industrieterreinen soms voorrang boven de natuur. Etc. Dit systeem werkt alleen als duidelijk is wie (democratisch gelegitimeerd) de keuzes mag maken en als iedereen aan de genomen besluiten gehouden is. 

Let wel, ook zonder overheid wordt de strijd tussen ruimteclaims beslecht, zij het op een andere wijze. Omdat de eigenaar in die situatie geheel vrij is in het gebruik van zijn grond, wordt de grondmarkt bepalend voor het afwegen van ruimteclaims. Vraag, aanbod en het prijsmechanisme bepalen de uiteindelijke ruimtelijk functie. Grondprijzen worden bepaald door het rendement dat de grond de eigenaar oplevert.  Als het bouwen van huizen meer rendement oplevert dan het telen van aardappelen, zal de bouwer meer betalen dan de boer en zal grond een woonfunctie krijgen. Maar waar weinig behoefte bestaat om te wonen, zal de boer meer willen betalen dan de bouwer en zal de grond een agrarische functie hebben of behouden. Dus de ruimtelijke functie met het hoogste rendement wint. 

Deze beschrijving is niet alleen schetsmatig, maar ook ideaaltypisch: in de praktijk zien we vooral mengvormen. De overheid plant bijvoorbeeld vooral woningen daar waar ze goed verkoopbaar zijn. Ook als publieke belangen een andere plek zouden suggereren. En projectontwikkelaars nemen grondposities in waar de overheid nieuwbouwwijken plant. 

Niettemin zijn er geen andere verdeelmechanismen (als we ervan uitgaan dat in de moderne tijd het geweldsmiddel niet meer geëigend is om grond toe te eigenen). Deze opmerking is niet geheel overbodig aangezien je ook wel hoort dat de overheid in samenwerking met burgers en andere maatschappelijke partijen de ruimte moet ordenen. Maar de uiteindelijke bestemming kan alleen door de overheid of door de eigenaar wordt bepaald, en niet door klimaattafels, buurtcomité’s of welke maatschappelijke partij dan ook.

2 De verschuivende rol van de overheid in de ruimtelijke ordening

Bij de wederopbouw na WO II koos Nederland nadrukkelijk voor een centrale rol van de overheid bij de inrichting van de ruimte. In de bestemmingsplannen (conform de Wet op de Ruimtelijke Ordening uit 1965) werden de keuzen van de lokale overheid voor de burgers bindend vastgelegd. En gemeenten waren gebonden aan hogere plannen. Daardoor hadden de nationale Nota’s over de Ruimtelijke Ordening (nationale visies op de gewenste ruimtelijke ordening) grote betekenis voor de inrichting van het land. In de jaren 70 werd  de suburbanisatie gebundeld door groeikernen te ontwikkelen, in de jaren 90 werden stedelijke uitbreidingen (Vinex) in de directe nabijheid van stedelijke centra gerealiseerd. Er werden dus belangen afgewogen (op grond van een integrale visie op de ruimtelijke inrichting van Nederland) en er was doorzettingsmacht. 

Ik zie in de recente geschiedenis drie momenten waarop het model van de nationale ruimtelijke ordening geleidelijk is verwaterd en uiteindelijk bijna geheel is verdwenen. Oorspronkelijk noemden we ruimtelijk beleid met reden ‘facet-beleid’. Facetbeleid oversteeg sectoraal beleid. De sectoren vertegenwoordigden de verschillende maatschappelijk belangen: landbouw, wonen, industrie, natuur, erfgoed, vervoer, etc.). Onderling vochten zij om ‘geld’ en ‘ruimte’. De minister van Financiën beslechtte het conflict over geld en de minister van Ruimtelijke ordening het conflict over de ruimte. De eerst vanuit een bepaalde visie op de overheidsfinanciën en op de economische ontwikkeling van het land, de tweede vanuit een bredere ruimtelijke visie, waarin het belang van economische groei en het belang van sociale rechtvaardigheid altijd een dominante rol speelden. Gaandeweg is dat idee van een overkoepelende ruimtelijke visie verlaten. De sectoren begonnen onderling de ruimte te verdelen, waarbij het recht van de sterkste opgeld deed. En de Ruimtelijke Ordening werd steeds meer een eigen sector die zich bekommerde om ‘ruimtelijke kwaliteit’. De uitkomst van de machtsstrijd tussen de sectoren moest er wel een beetje leuk uit zien. Het was de tijd waarin minister Cramer zich zorgen maakte over ‘Mooi Nederland’ en over ‘snelweg-panorama’s. 

Met name minister Dekker is verantwoordelijk geweest voor de volgende ondermijning van de nationale ruimtelijke ordening. De Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening werd vervangen door de Nota Ruimte. Een heel dik boekwerk, maar eigenlijk was het in twee zinnen samen te vatten. “Centraal wat centraal moet, lokaal wat lokaal kan”. En: “Centraal hoeft er eigenlijk niks.” Want ondanks die mooi eerste zin, werd de nationale ruimtelijke ordening nooit verder ingevuld. Volgende regeerakkoorden vermeldden dan ook doodleuk dat er geen ‘nationale ruimtelijke ordening’ meer was. Het argument was simpel: de ruimte kan veel beter door de gemeenten worden ingericht. Het is immers hun ‘leefomgeving’. Maar in feite ging het om een veel politieker statement: bij de ruimtelijke ontwikkeling moest vooral de markt zijn werk doen. Dat paste veel beter bij de neoliberale tijdgeest, paste veel beter bij een VVD-minister en paste veel beter bij de afkeer bij velen van het maakbaarheidsdenken van ‘links’ waarvan de ruimtelijke ordening lange tijd het icoon is geweest. 

Daarmee lag de bal bij de lagere overheden. Maar daar is hij niet blijven liggen. In het laatste decennium is het denken in termen van decentralisatie namelijk nog verder doorgeschoten. Zoals de samenvatting van de Nationale Omgevingsvisie vermeldt: “Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers.” Ook binnen gemeenten kan je dit soort geluiden vaak opvangen. Het lijkt alsof het bij het verdelen van de ruimte niet meer om gaat het beslechten van belangenconflicten te aanzien van de ruimte maar om ‘samenwerking’. Maar, zoals gezegd, ‘samenwerking’ is geen verdeelmechanisme. Of het bestemmingsplan bepaalt de ruimtelijke functie, of de eigenaar. 

3 De praktijk van de ruimtelijke ordening

Natuurlijk is ruimtelijke ordening, zelfs in de topjaren 60, in de realiteit nooit de top-down-planning geweest die het model suggereerde. Gemeenten onttrokken zich soms aan nationale plannen en gemeenten gaven bouwvergunningen af in strijd met hun eigen bestemmingsplan. Maar dat laat onverlet dat de overheid erin slaagde om het landschap op veel plaatsen open te houden en om de ongebreidelde suburbanisatie zoals we die andere landen hebben gezien, te voorkomen. Dat was overigens minder het succes van ‘toelatingsplanologie’ via de bestemmingsplannen dan van actieve ‘ontwikkelingsplanologie’. Het nadeel van bestemmingsplannen is immers dat wordt beschreven welke ruimtelijke functies waar zijn toegestaan, maar dat niemand wordt verplicht om die functies daadwerkelijk te realiseren. 

In de ontwikkelingsplanologie gaat de overheid zelf aan de slag, vooral door verandering of behoud te financieren. Zo is het scherpe onderscheid tussen stad en land, zo kenmerkend voor het Nederlandse landschap, vooral te danken aan twee zogenaamde ‘meekoppelende’ belangen: volkshuisvesting en landbouw. De vele subsidies voor woningbouw en landbouw hebben lange tijd het gezicht van het Nederlandse landschap bepaald. De rijksoverheid heeft jaren lang vele miljarden besteed aan de nieuwbouw van woningen. In de jaren 10 verdwenen de twee laatste grote subsidiestromen: de BLS en de ISV (het Besluit Locatiegebonden Subsidies en het Investeringsfonds Stedelijke Vernieuwing). Vele miljarden zijn gepompt in de nieuwe groeikernen, met vele miljarden overheidsgeld zijn de Vinex-locaties van de grond gekomen. De landbouw werd al die jaren financieel gesteund vanuit Brussel. En door de landbouw overeind te houden, bleef het landschap open. Met al dat geld werd de ruimtelijke inrichting in belangrijke mate gestuurd. 

Bij het behoud van de natuur gaat het meestal niet om regels of financiering, maar om eigendom (van partijen die het behoud van de natuur als hoofddoel hebben). Denk aan Natuurmonumenten, provinciale landschappen en Staatsbosbeheer. Hier is dus vooral het marktmechanisme bepalend voor de ruimtelijke functie. Waarbij de overheid één van de marktpartijen is (via Staatsbosbeheer). 

Het verbaast niet dat de sturing door middel van geld dezelfde ontwikkeling te zien geeft als de ontwikkeling van het juridisch kader. Ook de financiële ondersteuning van de ruimtelijke ordening is steeds verder afgebouwd. In 2020 wordt slechts bij toeval met enkele miljoenen gestrooid om segregatie van oude stadswijken tegen te gaan. Het Rijk belijdt tegenwoordig de ruimtelijke ordening nog slechts met de mond. De gemeenten kunnen zonder steun van het Rijk vooral volgen. De markt heeft voorlopig duidelijk gewonnen. 

4 Steden als brandpunt van ruimtelijke ontwikkeling

Steden zijn al eeuwen het brandpunt van de economie. Agglomeratievoordelen leiden tot specialisatie en innovatie. Toch zijn er in de geschiedenis ook fasen geweest waarin de agglomeratienadelen van de steden de voordelen overstegen. Krimp van de steden was het logische gevolg. Vanaf de jaren 60 van de vorige eeuw hebben we zo’n ontwikkeling gezien. De steden vervuilden door de industrie. De steden waren verpauperd door de oorlog. En de auto bood veel mensen de mogelijkheid om buiten de stad te gaan wonen. Opvallend ondersteunde het overheidsbeleid die ontwikkeling door de bouw van new towns (of groeikernen). Daarmee werd de ongebreidelde suburbanisatie effectief tegengegaan. Maar daarmee werd ook de uitholling van de steden ondersteund. Steden zonder groeikernen in de (directe) omgeving zijn namelijk nauwelijks in inwonertal achteruitgegaan. 

Inmiddels zijn de steden hun belangrijkste agglomeratienadeel weer kwijtgeraakt: de vervuilende industrie. De industriële economie heeft in veel steden plaatsgemaakt voor een diensteneconomie, die in het teken staat van kennis. En de maakindustrie die resteert wordt al niet door stank maar door kennis gekenmerkt . Volgens veel wetenschappers is in die nieuwe kenniseconomie het face to face contact tussen kenniswerkers cruciaal voor innovatie. Bedrijven zijn bovendien veel minder gebonden aan plekken waar ze hun grondstoffen konden aanvoeren en hun producten konden afvoeren. Zo zijn vooral steden met veel kenniswerkers populair geworden voor bedrijven. Vaak wordt de stelling verkondigd dat ‘wonen volgt werken’ is vervangen door ‘werken volgt wonen’.  Mensen verhuizen niet meer naar de bedrijven waar ze werk kunnen vinden, maar bedrijven vestigen zich in de buurt van de mensen waaraan ze behoefte hebben. De werkelijkheid is complexer. Want ook bedrijven trekken naar andere bedrijven. Succes kenmerkt zich door een vliegwiel: kennisintensieve bedrijven en kenniswerkers clusteren vooral in de populaire steden. En populaire steden zijn vaak historische steden met veel voorzieningen. Ook is de interactie met universiteiten van groot belang. TUe werkt bijvoorbeeld nauw samen met de High Tech Campus. En de grote universiteiten van Amsterdam en Utrecht leveren elk jaar weer veel nieuwe jonge kenniswerkers af, die in die brandpunten van de economie gemakkelijk een baan kunnen vinden. 

De rijksoverheid heeft deze ontwikkeling eerst nog proberen te begeleiden door het Vinex-beleid. In de directe nabijheid van steden werden nieuwe wijken aangelegd. Daaraan bleek grote behoefte te bestaan, hoewel de wijken vaak een wat saaie naam hebben voor degenen die liever in de dure panden aan de grachten wonen. Maar de Vinex was de laatste klaroenstoot van de overheid. Daarna is, zeker op landelijk niveau de ruimtelijk ordening geruisloos verdwenen. 

Wat overbleef was de trek naar de stad, die sterk door de markt werd gedreven. Daarbij was kapitaalkracht een belangrijke factor. Het zijn de hogeropgeleiden en de hogere inkomens die zich graag in de steden of in de directe omgeving daarvan vestigen. Ze zijn daarbij selectief. Sommige steden blijven achter (omdat ze minder aantrekkelijk zijn), sommige landsdelen blijven achter of krimpen zelfs (omdat er weinig kenniswerkers wonen). 

Het mag niet onvermeld blijven dat de trek naar de Nederlandse steden wel werd versneld door de belastingwetgeving. Nederlandse steden zijn in trek bij bedrijven omdat Nederland een zeer mild belastingregime heeft voor (internationale) bedrijven. Dat is geen ruimtelijk beleid, maar dat is wel ruimtelijke ordening als neven-effect van ander beleid. 

Er is een laatste factor waardoor veel steden veel drukker zijn geworden in de laatste decennia: het toerisme. Heel veel zaken waar kenniswerkers op afkomen, zijn ook aantrekkelijk voor toeristen. Zo is er bijzondere relatie tussen de trek naar de stad van de kenniseconomie en het toerisme. Kenniswerkers én toeristen zijn op zoek naar de consumer-city. En er is niet alleen een relatie, de drukte van de één wordt ook nog eens door de drukte van de ander versterkt. Overigens heeft toerisme alles met de welvaart te maken. Hoe groter de economische voorspoed hoe meer toeristen er wereldwijd zijn. De overheid zou hier via het reguleren van het vliegverkeer kunnen optreden, maar is daartoe nog steeds niet genegen. 

5 Disbalans tussen overheid en markt in de stad

Vijf jaar geleden heerste er nog een juichstemming in veel steden. Zelfs bij de achterblijvers zag men zoveel positieve ontwikkelingen dat men zich graag spiegelde aan de echte succes-steden: Amsterdam, Utrecht, Eindhoven. Die positieve stemming vlakt af, omdat zich met het succes van de steden vervelende neven-effecten beginnen af te tekenen. Agglomeratienadelen beginnen op te spelen. Het meest zichtbaar is de enorme toename van het toerisme in Amsterdam. In de binnenstad van Amsterdam wordt inmiddels 1 op de 7 huizen regelmatig via Airbnb verhuurd. 

Maar veel fundamenteler zijn de processen van gentrificatie en segregatie. Gemengde wijken, of zelfs arme wijken, worden in redelijk korte tijd overgenomen voor kapitaalkrachtigen. De huizenprijzen doen hier hun werk. Omdat veel mensen in de stad willen wonen, stijgen de huizenprijzen. Op een gegeven moment zijn huizen niet meer betaalbaar voor de oorspronkelijke bewoners van de wijk. De nieuwen kenniswerkers met hun hogere inkomens nemen de wijk over. Dat proces is zelfversterkend, omdat een wijk aantrekkelijker wordt naarmate er meer hogere inkomens wonen. De voorzieningen passen zich aan, het onderwijs wordt beter etc. 

Het is niet verwonderlijk dat veel gemeentebesturen aanvankelijk zeer positief waren over gentrificatie. Maar daarbij werd soms te gemakkelijk vergeten dat door gentrificatie voor de oorspronkelijke inwoners geen plaats meer was. Veel belangrijker: gentrificatie van bepaalde wijken stimuleert segregatie van de stad. Het onderscheid tussen arme en rijke buurten, tussen kansarm en kansrijk wordt scherper. Deze segregatie houdt geen stand bij de gemeentegrenzen. Sommige randgemeenten, vooral de voormalige groeikernen, zien minder hogere inkomens en meer lagere inkomens naar zich toe komen. 

Wie op nog grotere schaal kijkt ziet dat bevolkingskrimp in Nederland tegenwoordig in perifere gebieden een normaal verschijnsel is geworden. Terwijl de groei van Nederland als geheel geenszins tot stilstand is gekomen, krimpt de periferie tegenwoordig. Dat heeft iets te maken met de aard van de groei die vooral door de immigratie wordt bepaald. En immigranten zetten meestal in de grote steden hun eerste stappen in hun nieuwe land. Maar de krimp heeft ook iets te maken met het wegvallen van beleid. In de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog werd de regionale economie fors ondersteund. En onderdelen van de rijksdienst werden naar de periferie van het land overgeplaatst. Daarvan is momenteel geen sprake meer. 

Het voorbeeld laat goed zien dat de overheid én de markt de ruimte ordenen. Soms is de één meer aan zet, soms de ander. In de verzorgingsstaat lag het accent meer bij de overheid, in het neoliberale tijdperk meer bij de markt. In de ruimtelijke ordening is momenteel nog niet te merken dat het neoliberale geloof zijn beste tijd heeft gehad. Wél in het debat over de ruimtelijke ordening. Daar hoor je steeds vaker dat het weer tijd is voor een nieuw elan voor een (nationale) ruimtelijke ordening. Zie onder andere het overtuigende rapport van Denkwerk (Klein land, grote keuzes) over ruimtelijke ordening. 

Persoonlijk meen ik ook dat overheid en markt in de ruimtelijke ordening momenteel in disbalans zijn. Het Rijk denkt alleen nog maar na en laat na om te doen. De gemeenten proberen wel om de markt bij te sturen, maar kunnen dat niet zonder de steun van de Rijksoverheid. Zo nemen steden zich wel voor om meer sociale huurwoningen te bouwen, om de segregatie in de stad tegen te gaan. Amsterdam zet bijvoorbeeld in op minimaal 40% sociale woningbouw in de komende jaren. Maar het is de vraag hoe succesvol dit beleid kan zijn als de corporaties onvoldoende kunnen bouwen omdat hun winsten door het rijk worden afgeroomd (verhuurdersheffing) en als de rijksoverheid geen geld ter beschikking stelt om de nieuwbouw van woningen in de steden te ondersteunen.  Als er aan de onderkant te weinig wordt gebouwd, zal de druk aan de bovenkant alleen maar toenemen. 

Eenzelfde beeld zien we bij de aanpak van zwakke wijken. Gemeenten zouden graag goedkope woningen slopen om ze te vervangen door woningen voor middeninkomens. Maar geld daarvoor is slechts incidenteel en in zeer geringe mate beschikbaar. En met weinig geld zal de menging van zwakke wijken niet van de grond komen. Het enige dat met kleine ingrepen meestal wordt versterkt is het waterbedeffect: de kansarmen stromen door naar slechte wijken die niet worden aangepakt. Ook hier is de markt de overheid vaak te slim af, omdat overheid en markt in disbalans zijn in de ruimtelijke ordening. 

6 Naar een conclusie

De ruimte wordt permanent geordend, of beter: herordend. Door de overheid en door de markt. De overheid ordent met regels en met geld, de markt alleen met geld. De regels van de overheid zijn alleen bindend voor burgers in geval de gemeentelijke bestemmingsplannen. Maar bestemmingsplannen dwingen geen verandering af, ze conserveren datgene wat er is en nodigen uit om tot verandering te komen. En ook het conserveren middels bestemmingsplannen is in de praktijk veel minder dwingend dan de wet suggereert. Eigendom en subsidiëren zijn voor de overheid veel effectievere manieren om de ruimte te ordenen. Eigendom kan een ruimtelijk doel dienen (Staatsbosbeheer), maar is vaak ook niet meer dan een vermogenspositie (vele gronden van Rijksvastgoedbedrijf). Subsidiëren kan zowel betrekking hebben op behoud (landbouw) als bijvoorbeeld op nieuwbouw (van groeikernen, Vinex-wijken). Bij landbouw hebben de subsidies zeker de laatste jaren slechts betekenis voor het openhouden en niet voor behoud van het oorspronkelijke landschap. 

Tegen die achtergrond is het eigenlijk nog verrassend dat de overheid op het gebied van de ruimtelijke ordening nog zoveel heeft bereikt. Want tegenover de grondposities en de geldstromen van de overheid staan de enorme grondposities en de immense geldstromen van de marktpartijen. In het laatste decennium zagen we de geldstromen van de overheid snel opdrogen. En ontstond er een disbalans tussen overheid en markt bij de ordening van de ruimte. 

In dat opzicht is het een verheugend bericht dat het CDA op 19 februari 2020 pleitte voor de de heroprichting van het ministerie van VROM, inclusief de Rijks Planologische Dienst. Ik neem aan om het denken over de gewenste ruimtelijke ordening weer te versterken. Maar die ruimtelijke ordening door de overheid komt pas werkelijk weer op gang als veel meer financiële stromen van de overheid aan ruimtelijke doelen worden gekoppeld. 

[Deze tekst is geschreven op verzoek van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) en is gepubliceerd in: Bart Leurs (red.), Samenwerken, samen betalen?; over de bekostiging van opgaven in de maatschappelijke netwerken, 2020, pp. 63-70. De tekst werd afgesloten op 25 februari 2020]

Deel dit bericht:

De privé-kliniek als voorbeeld @bergmanclinics

juli 8, 2020 by  
Filed under Geen categorie

Vroeger had je privé-klinieken en ziekenhuizen. In privé-klinieken kwamen alleen rijke mensen, in ziekenhuizen kwam iedereen. In privé-klinieken werd veel geld verdiend en ziekenhuizen kwamen altijd tekort. Met de marktwerking in de zorg is dat onderscheid grotendeels verdwenen. Ook in privé-klinieken kan je terecht als je verzekerd bent en ook aan normale ziekenhuizen wordt door de verzekeraars goud geld verdiend.  

Toch is het nog steeds een wereld van verschil, zoals ik deze week zelf in Bergman Clinics mocht ondervinden. De verschillen zijn voor een deel te verklaren. De privé-klinieken specialiseren zich immers op zaken die makkelijker te organiseren zijn. Zo bieden ze een beperkt aantal ingrepen aan: denk aan heupen, voeten, ogen, knieën, borsten etc. Die ingrepen zijn relatief eenvoudig. En er is geen uitgebreid onderzoek nodig om te bepalen wat er moet gebeuren. Een regulier ziekenhuis is dus bijna per definitie complexer. Maar dat rechtvaardigt geenszins die wereld van verschil. Wat te denken van de volgende verschillen?

Eén: men houdt zich in privé-klinieken stipt aan de tijd en de afspraken die met de patiënt zijn gemaakt. Natuurlijk laat de zorg van privé-klinieken zich veel beter plannen dan de spoedeisende hulp van een regulier ziekenhuis. Maar meestal lig ik in een regulier ziekenhuis niet op de spoedeisende hulp en moet ik toch eindeloos wachten. Ik los dat altijd op door een boek mee te nemen, maar daarmee is de verspilling van kostbare tijd nog niet voorkomen. Waarom kunnen ze me bij Bergman Clinics wel op tijd opereren, terwijl ik in het Bronovo-ziekenhuis voor het bloedprikken altijd lang moet wachten? Is dat niet anders te organiseren? En dan heb ik het nog niet eens over de termijnen waarop je in een regulier ziekenhuis een afspraak kan maken. 

Twee: reguliere ziekenhuizen denken altijd dat ze nog groter moeten worden (fuseren!) om te kunnen specialiseren. Bij privé-klinieken leidt specialisatie juist tot schaalverkleining. Dat alleen al geeft een enorme rust. De kliniek is zo klein en overzichtelijk dat al die routes (“Volgt u 78!”) gewoon niet nodig zijn. Bij Bergman Clinics in Rijswijk hebben ze een verdieping voor de intake en een verdieping voor de dagopname. En op beide verdiepingen een vriendelijke receptie. En niemand raakt de weg kwijt. Bovendien: als je ziekenhuis klein is, is de organisatie klein en kan je de taken helder verdelen. Bij Bergman Clinics is elke functie van iedereen duidelijk. Ook al omdat iedereen zich netjes voorstelt. Daarmee krijgt zo’n ziekenhuis meteen een gezicht. En hoef je je ook niet steeds weer voor te stellen aan iemand die jou toch niet kan onthouden. 

Drie: patiënten zijn gewoon mensen, in wie je geïnteresseerd moet zijn, met wie je een normaal gesprek kan voeren en die je normaal aankijkt. Patiënten willen weten wat er gaat gebeuren, en willen soms heel precies weten wat de volgorde der handelingen is. Het is ook fijn om te horen waarom je deze prik krijgt. Maar het is vooral belangrijk om op een normale toon te worden toegesproken. Ik ben geen kind meer en ik begin nog niet te dementeren. 

Het is pijnlijk dat me deze week vooral dat verschil in benadering opviel bij Bergman Clinics. Niemand zei: “En wat doet meneer voor de kost?” Niemand zei “we” als “u” werd bedoeld. Niemand zei dat ik mijn schoenen moest aantrekken. Of mijn jas moest meenemen “omdat we hier niet meer terugkomen”. Niemand zei dat het “het prikje even pijn zou doen”. Niemand zei dat ik dat “beter een roesje kon nemen”. En de verpleegkundige die de infuusnaald dwars door mijn bloedvat prikte vertelde dat zo eerlijk ontwapenend dat ik de slappe lach kreeg. 

Ik weet dat alle ziekenhuizen in hun missie vermelden dat de patiënt bij hun centraal staat. Ik heb deze week ervaren hoe het is als de patiënt werkelijk centraal staat. Ook ik begrijp dat de opgave soms zo complex is dat de organisatie wel complex moet zijn. Academische ziekenhuizen moeten alle specialismen in huis hebben. Maar ook als de opgave complex is kan je ernaar streven om de zorg zo kleinschalig mogelijk te organiseren (stoppen met fuseren), kan je je buiten de spoedeisende hulp gewoon aan afspraken houden en kan je proberen om net zo volwassen te zijn als je patiënt. 

Deel dit bericht:

Je neemt altijd je eigen geluid mee #fagot

juli 5, 2020 by  
Filed under fagot, Geen categorie

In die mooie serie over het KCO “Bloed, zweet en snaren” kwam ook fagottist Jos de Lange uitgebreid in beeld. Als ik me goed herinner zien we hem in een kamertje waarin hij al jaren zijn rieten maakt. Veel mesjes, veel hout, veel rommel. Ieder fagottist kan zich zo’n kamertje wel voorstellen. Jos spreekt daar hele wijze woorden. Hij vertelt de kijker dat het riet verreweg het belangrijkste is voor de klank van de fagot. Daarna komt het S en pas tenslotte het instrument zelf. Eigenlijk is dat een heel opvallende uitspraak in een wereld waarin iedereen heel erg bezig is met zijn instrument. 

Ik sprak mijn lerares Mette Laugs over haar fagot en zij voegde een belangrijk element toe aan de stelling van Jos. Ze zegt: op welk instrument je ook speelt, je neemt altijd je eigen geluid mee. Dus is de bespeler naast het riet ook heel belangrijk. En toen moest ik aan Ronald Karten denken die een keer tegen me zei dat hij op afstand al kon horen dat ik het was. Of ik nu op mijn oude Heckel speelde of op mijn nieuwe Bell, of ik nu op een houten riet speelde of een kunststof riet. En dan laten we maar even in het midden wat hij precies hoorde. En ik moest denken aan de laatste Sacre van Gustavo Núñez in het KCO. Hij speelde niet alleen prachtig, maar ook onmiskenbaar Gustavo. Ik vroeg hem later op welke fagot hij had gespeeld, omdat Gustavo soms op een Bell speelt en graag wisselt tussen zijn Heckels. Het was een oudere Heckel. Maar ik denk dat geen van zijn collega’s het had gemerkt als hij op zijn Bell had gespeeld. Want daar speelde bovenal Gustavo.

Maar Mette staat centraal in dit verhaal. Omdat zij het zo mooi wist te verwoorden: je neemt altijd je eigen geluid mee. Ik sprak haar uitgebreid over haar Yamaha. Ik was nieuwsgierig waarom ze op een Yamaha speelt. Ze vertelde dat ze als klein kind van 12 al op een fagot was begonnen. Eerst een plastic, en later een houten fagot. Haar toenmalige leraar Herman Olij dichtte haar zoveel talent toe dat haar ouders op haar 14e een Püchner voor haar kochten. Je weet wel, zo’n instrument waarop ook Sophie Derveaux (eerder: Dartigalonge) speelt. 

Tot het vierde studiejaar op het conservatorium van Den Haag speelde Mette op die Püchner. Toen liep ze bij toeval tegen een Yamaha op. Een medeleerling had een Yamaha op proef. Mette mocht ook er even op spelen en was meteen verliefd op het instrument. Terwijl iedereen (zeker in die tijd) zei dat je op een Heckel moest spelen, als je als fagottist wilde slagen. Mette: “Als je toen geen Heckel had, hoorde je er niet bij.” Maar Heckels waren in die tijd erg schaars en zeer prijzig. 

En toen viel plotseling alles samen. Haar medeleerling zag uiteindelijk toch van de koop af en zo werd Mette de eerste Nederlandse fagottist die op een Yamaha speelde. Mette: “Het was alsof het een jurk was die me paste. Het voelde helemaal lekker. Ik had het gevoel: ik kan erop zingen, ik kan mezelf hierop ontwikkelen.” En het grappige is: ze is er nog steeds zielsgelukkig mee. Ze heeft nog vaak naar andere instrumenten gekeken. Op andere instrumenten gespeeld. Vooral Heckels. Omdat dat nu eenmaal zo hoorde. Maar nooit was er een instrument dat fijner speelde of haar beter paste.

Maar wat maakt een Yamaha zo goed? Volgens Mette is een Yamaha heel egaal qua klankkleur, zuiver en flexibel. Er zit minder weerstand in dan in een Heckel, dus speelt hij iets minder zwaar. Maar toch vooral: het instrument past heel erg bij haar. En toen sprak ze die mooie woorden: “En uiteindelijk neem je altijd je eigen geluid mee. Op welk instrument je ook speelt, je laat toch jezelf horen, je zoekt toch naar een bepaald soort klank.” 

En daarmee gaat het dus niet meer om welk instrument het beste instrument is, maar simpel om de vraag welk instrument jou het beste past en dus voor jou het beste is. En soms: welk instrument jou het beste past in de Sacre. Ja, Sophie Derveaux speelt op een Püchner. Het is niet mijn instrument, maar zij kan blijkbaar haar fantastische spel het beste op een Püchner realiseren. En niet op een Heckel, anders had ze wel daarop gespeeld. En Alban Wesley komt het beste tot zijn recht op een Leitzinger. En Ronald Karten op een Heckel. 

Nee, als je de theorie van Jos de Lange aanvult met de theorie van Mette Laugs gaat het bovenal om de speler, daarna om zijn rieten, daarna om zijn S en ten slotte (pas?) om zijn instrument. Het gaat bovenal om je eigen geluid en om de vraag hoe je dat het beste kan realiseren: met welke riet, met welk S en met welk merk. 

De Fagot, tijdschrift voor fagottisten, nummer 24, juni 2020, p. 19

Deel dit bericht:

Is de versterkingsoperatie failliet #Groningen #aardbevingen

juni 24, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

In de afgelopen maanden verkende ik met Marielle Gebben de rol van kennis in de versterkingsoperatie in Groningen. Alle woningen die een te hoog risico lopen bij volgende aardbevingen moeten worden versterkt. Dit proces verloopt uiterst moeizaam. Met onze gesprekspartners kwamen we tot de conclusie dat juist al die modellen het proces in de houdgreep houden. Ook omdat de uitkomsten van die modellen vaak ongrijpbaar zijn. Zie hier het verslag van de verkenning: https://www.kennisplatformleefbaar.nl/benutten-van-kennis-over-versterken

Deel dit bericht:

Beeldenstorm

juni 15, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Overal worden beelden neergehaald. Omdat de man op zijn sokkel dingen op zijn kerfstok heeft, die we inmiddels ernstig afkeuren. Vrouwen zie je zelden op een sokkel. Hetzelfde debat rondom straatnamen. En altijd komt dan weer het tegenargument: hij is onderdeel van onze geschiedenis. En daarom zou het beter zijn om een onderschrift toe te voegen: “De man was naar huidige maatstaven een schoft”. Of iets beleefders. 

Maar waarom halen we die beelden niet gewoon weg? En waarom veranderen we die straatnamen niet gewoon? Want volgens mij gaat het om twee zaken. 

Ten eerste: geschiedenis is altijd een subjectieve beleving van het verleden. Een subjectieve selectie van een oneindige hoeveelheid feiten. Wat heeft de historie ons nu nog te zeggen en wat zegt de historie over ons? Dus onze waarden en normen bepalen wat wij als ‘onze’ geschiedenis zien. En omdat onze waarden en normen steeds veranderen, verandert onze geschiedenis ook steeds weer. In de jaren 50 en 60 was de VOC een symbool van ‘onze’ grootheid in de wereld in de Gouden Eeuw, tegenwoordig zien we veel scherper dat het vooral een stel rovers waren die er niet voor terug deinsden om overal slachtoffers te maken als het maar geld opleverde. In de jaren 50 en 60 waren de ‘politionele acties’ voor velen een laatste poging om Oost-Indië te beschermen tegen barbaarse revolutionairen, nu zien we het als een koloniale oorlog waarin Nederland oorlogsmisdaden pleegde. Omdat onze waarden en normen zijn veranderd, omdat onze kijk op de wereld is veranderd, is ook onze geschiedenis veranderd. En daarom moeten we onze geschiedenis steeds weer herschrijven. Niet omdat we de feiten willen verdraaien, maar omdat andere feiten en een andere duiding belangrijker zijn geworden. 

Ten tweede: je zet iemand op een sokkel omdat je hem wil eren, je geeft iemand een een straat om hem te gedenken. Maar waarom zou iemand altijd op zijn sokkel moeten blijven staan, ook als we hem op dit moment heel anders beoordelen dan toen die sokkel werd gemetseld? We hebben die Jan Pieterszoon Coen niet overal neergezet om ons te herinneren aan de slechtheid van ons verleden. Die man is daar neergezet omdat hij indertijd een ‘groot man’ werd gevonden. Tegenwoordig vinden we het vooral een misdadiger, wellicht zelfs een oorlogsmisdadiger. En hebben we geen behoefte meer om hem te vereren. En ruimen we hem gewoon netjes op. 

Daarmee wil ik de geschiedenis niet ontkennen. Maar je hoeft mannen waarvoor je je nu zou schamen, niet blijven vereren. Dus laten we schanddaden van de Republiek in de Oost en van het kabinet Drees in Indonesië nooit vergeten. En laten we alleen mannen op sokkels tolereren die wij willen eren. 

Deel dit bericht:

Volgende pagina »