De metropool van het tussenland

juli 29, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Theo Baart maakt prachtige foto’s. Hij is bekend van zijn foto’s van steden en van landschappen. Ik zou bijna zeggen: wie kent hem niet in de wereld van de ruimtelijke ordening? Onlangs heeft hij aan zijn rijke en omvangrijke oeuvre weer een prachtig boek toegevoegd: Groot Amsterdam, metropool in ontwikkeling. Een boek dat je alleen al vanwege de foto’s wilt hebben. Oer-Hollands. Ruysdael-wolken, polders, ijspret, veel water en groen, en vanwege het onderwerp begrijpelijk, veel tussenland. Het moment is altijd goed gekozen. 

Toch is er reden om meer over dit boek te zeggen, want Theo Baart wil er zelf meer mee zeggen. Zoals hij in zijn inleiding schrijft: “Ik ben een bewoner van een metropoolregio. Mijn hele leven al, alleen was ik me daarvan tot voor kort nauwelijks bewust.” En in zijn uitleiding schrijft hij: “Ik ben geïnteresseerd in beeld als argument, onderzoek, verkenning of bewering. Een laag die iets toevoegt aan wat tekst en kaarten kan vertellen. […] Het bestaan van de metropoolregio valt niet te bewijzen met één beeld. Alle foto’s bij elkaar doen dat hopelijk wel.” Zowel in de eerste als in de laatste zin lees je enige twijfel. Hij woont in een metropoolregio, maar was zich dit blijkbaar niet bewust. Dat is bijzonder voor een man die al decennia in de wereld van de ruimtelijke ordening en de planologie rondloopt. In de laatste zin schrijft dat alle foto’s bij elkaar hopelijk bewijzen dat die metropoolregio bestaat. Erg zeker is hij niet van zijn zaak. 

Dat is niet zo verwonderlijk. Als je opzoekt wat een ‘metropool’ is, dan staat er vaak meteen: ‘wereldstad’. En Amsterdam is een wereldstad voor ons, zeker als we die term meer figuurlijk dan letterlijk nemen. Maar elders denkt men daar wellicht anders over. Het is dan ook grappig dat we in bestuurlijk Nederland liever over een metropoolregio spreken, terwijl het bij een metropool toch ook niet alleen gaat om een “zeer grote stad met voorsteden”, maar ook om de periferie die op die kernstad is betrokken (aldus Wikipedia). Alsof we toch stiekem het gevoel hebben dat Groot-Amsterdam meer een regio is dan een metropool. 

Baart vult zijn foto’s ook aan met tekst. Als een ervaren journalist trekt hij in het gebied rond en doet daarvan verslag. Wellicht komt het door de selectie van onderwerpen, of de selectie van de locaties waarvan verslag wordt gedaan, maar in dit deel van het boek komt de metropoolregio Groot-Amsterdam toch vooral erg kneuterig naar voren. Maar misschien geldt dat ook wel voor veel van die foto’s. Nederland is op veel plaatsen een kneuterig land en Groot-Amsterdam is daar duidelijk de hoofdstad van. 

Het spijt me voor Theo, maar eigenlijk vind ik niet zo interessant welke conclusies hij zelf uit zijn foto’s trekt en of Groot-Amsterdam nu een metropool is of een metropoolregio of een groot dorp (sociologisch zijn er goede argumenten om Amsterdam zelf als een groot dorp te bestempelen). Het is veel interessanter om al die prachtige foto’s op je zelf te laten inwerken en om daar je eigen observaties bij te maken. Ik raad dat iedereen aan, vraag jezelf af: wat zie ik hier?

Ten eerste zie ik heel veel natuur, veel water, veel bomen (en weinig dieren, maar daar heb je misschien een andere fotograaf voor nodig). Theo Baart heeft zijn foto’s gepresenteerd langs zeven routes, vanaf de rand van de metropoolregio naar de kernstad. En heel vaak begint hij ergens midden in de natuur (of midden in een polder). En anders komt hij onderweg veel natuur tegen. We weten allemaal dat Amsterdam juist daardoor zo’n aantrekkelijke stad is. De ‘vingerstructuur’ zorgt ervoor dat je naar alle richtingen vrij snel in de natuur bent. De duinen, de plassen, de Marker Wadden. In ieder geval ligt de natuur voor een wereldstad wel heel dichtbij. 

Ten tweede zie ik in al die foto’s nauwelijks een kernstad, daarvoor is Amsterdam eigenlijk ook gewoon te klein, als we haar even vergelijken met Parijs en London, om twee voorbeelden in de nabijheid te noemen. De metropoolregio Amsterdam is vooral ontstaan door verklontering (ik besef dat dit woord niet snel de folders van de VVV en van de MRA zal halen). Een verklontering van steden, dorpen en new towns. Natuurlijk ligt het oude Amsterdam daar middenin. Maar we zien ook Zaanstad en Weesp, we zien Abcoude, Buitenkaag, Aalsmeer en Uithoorn. En wie zien Lelystad, Almere, Hoofddorp en Purmerend. En in dat geheel is Amsterdam wel het centrum, maar niet de kernstad waarop al die inwoners van al die steden en dorpen betrokken zijn. Al die daily urban systems zijn vooral veel kris-kras-relaties. 

Ten derde zie ik heel veel ‘tussenland’. Ik denk daarbij meteen aan de mooie studie van het Ruimtelijk Planbureau, die al lang geleden onder leiding van Han Lörzing verscheen. En ik zeg er meteen bij dat dat tussenland op meer manieren kan worden beschreven en gewaardeerd. Het gaat in ieder geval om al die gebieden die tussen het open land (natuur, polders) en de steden geleidelijk zijn ontstaan. De één ziet vooral het verrommelde karakter van dit soort gebieden,  de ander ziet hier vooral broedplaatsen ontstaan voor allerlei activiteit (overigens ook crimineel). Je zou de foto’s van Theo Baart moeten turven in vier categorieën: natuur, dorpen/stadjes, tussenland en hoog-stedelijk. Het zou me niet verbazen als de categorie tussenland de meeste foto’s telt en hoog-stedelijk de minste. Zegt dat iets over de fascinatie van Baart of zegt dat iets over onze metropoolregio Amsterdam? 

Mijn laatste observatie hangt sterk met de voorgaande samen. Ik zie weinig, heel weinig ruimtelijke ordening op al die foto’s. Ik weet dat door planologen de betekenis van de ruimtelijke ordening (in Nederland) wel eens wordt overschat, maar zo organisch als dit boek suggereert, is Nederland toch echt niet gegroeid. Of is die organische schijn juist het succes van de Nederlandse ruimtelijke ordening?

[op verzoek geschreven van gebiedsontwikkeling.nl (en daar ook gepubliceerd)]

Deel dit bericht:

Corona en de tweede angst-golf

juli 24, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

De angst voor corona is nog niet weg. Nee, de angst voor een tweede golf lijkt zelfs weer op te laaien. Zitten die terrassen niet veel te vol? Kunnen we nog wel op vakantie? En vooral de geruchten nemen weer toe. Dat is niet verwonderlijk, want we weten nog steeds heel weinig van corona. We weten niet hoeveel mensen als besmet zijn geweest, we weten niet hoeveel mensen nog bevattelijk zijn en we weten zelfs niet meer wanneer groepsimmuniteit wordt bereikt. En we hebben nog geen vaccin, onder andere omdat we zo weinig van het virus weten. 

Maar een paar dingen weten we wel en die lijken weinig aandacht te krijgen. In de afgelopen week werden 987 Nederlanders positief getest. Dat is bijna tweemaal zo veel als de week ervoor. Maar we weten ook dat het aantal mensen dat zich wil laten testen veel sneller toeneemt. Er is dus vooral een toenemende angst voor corona.

We weten ook dat de mensen die positief testen in de laatste maanden (cijfers vanaf 4 mei) veel jonger zijn dan ervoor. Voor 4 mei lag de mediaan (het grootste cohort) tussen 55 en 59 jaar, na 4 mei tussen 25 en 29 jaar. Terwijl overduidelijk is dat je meer risico bij COVID-19 loopt naarmate je ouder bent. Onder degenen die aan corona zijn overleden ligt de mediaan tussen 85 en 90 jaar! 

Dat stemt overeen met enkele andere cijfers. Zo zijn vorige week 19 mensen met  een COVID-19-besmetting opgenomen in een ziekenhuis, en zijn er 7 aan COVID-19 overleden. Laten we ons even realiseren dat er wekelijks in Nederland een kleine 3000 mensen komen te overlijden. Waarvan vorige week dus 7 aan COVID-19. 

Natuurlijk, alles kan het begin zijn van een tweede golf. Maar wat we nu meemaken is nog zeker geen golf. En als die golf er al aan komt ligt dat in ieder geval niet aan de “overvolle terrassen”. Want voorzover bekend zijn de besmettingen in 57% van de gevallen thuis opgelopen en in 20% gevallen door contact met een ander familielid. Het werk levert 11% van de besmettingen op en de horeca 4%. 

Ja, cijfers kunnen saai zijn, maar wat zou het goed zijn als journalisten dit soort cijfers eerst lezen voordat ze schrijven dat er sprake is van “een oplaaiend aantal besmettingen” (Volkskrant, hedenochtend).

Als we die cijfers wel lezen, kunnen we twee dingen vaststellen. 

Ten eerste: we hebben de wetenschap aanvankelijk misschien te veel gevolgd en nu dreigt het omgekeerde te gebeuren. Hoewel Rutte terecht heeft opgemerkt dat hij 100%-besluiten moest nemen op basis van 50%-kennis is de politiek lange tijd redelijk  erg slaafs achter het OMT aangelopen (hoeveel waardering ik ook heb voor de zuivere manier waarop RIVM, OMT en Van Dissel hun rol vervulden). Ik vrees dat de politiek zich veel meer door angst heeft laten leiden dan door een grondige afweging van voor- en nadelen van een lockdown, hoe intelligent die ook geweest mag zijn. 

Ten tweede: we hebben ons bij de lockdown misschien onterecht veilig gevoeld, terwijl we ons misschien nu onterecht onveilig voelen. Er was angst in de samenleving en dan voelt het prettig als je op straat, in de winkel en in het park goed afstand houdt. En die angst is niet zo maar weg. Ook als die tweede golf er niet komt, zullen we weer moeten wennen aan nabijheid, aan de aerosolen van de ander. Dus misschien is de corona wel weg, maar de angst nog niet. 

Het vervelende is dat die angst niet alleen de samenleving, maar ook de politiek in zijn greep houdt. En dat maakt het er allemaal niet beter op. Als burgemeesters mondkapjes verplicht willen stellen in de openbare ruimte en ministers dat onzin vinden. Misschien moeten zowel de politiek als de samenleving alert blijven, maar moeten ze hun angstgevoelens meer op cijfers dan op hun onderbuik baseren.  

Deel dit bericht:

Ruimtelijke ordening: disbalans tussen overheid en markt

juli 20, 2020 by  
Filed under artikel, De Stad, Geen categorie

1 Inleiding

Ruimte is (net als geld) eindig, zeker in een klein en dichtbevolkt land als Nederland. Zo zijn er altijd meer ruimtelijke wensen dan er vervuld kunnen worden. Deze wensen (belangen) moeten tegen elkaar worden afgewogen. In de moderne staat bestaan daarvoor twee verdeelmechanismen: hiërarchie (overheid) en markt.

In de tijd van de verzorgingsstaat werd voor de verdeling van de ruimte primair gedacht aan de overheid, die redenerend vanuit publieke belangen de verschillende ruimteclaims moest afwegen. Vanwege het grondrecht op wonen wordt werd de voorkeur gegeven aan nieuwe woningen boven de landbouw.  Vanwege het belang van volledige werkgelegenheid kregen industrieterreinen soms voorrang boven de natuur. Etc. Dit systeem werkt alleen als duidelijk is wie (democratisch gelegitimeerd) de keuzes mag maken en als iedereen aan de genomen besluiten gehouden is. 

Let wel, ook zonder overheid wordt de strijd tussen ruimteclaims beslecht, zij het op een andere wijze. Omdat de eigenaar in die situatie geheel vrij is in het gebruik van zijn grond, wordt de grondmarkt bepalend voor het afwegen van ruimteclaims. Vraag, aanbod en het prijsmechanisme bepalen de uiteindelijke ruimtelijk functie. Grondprijzen worden bepaald door het rendement dat de grond de eigenaar oplevert.  Als het bouwen van huizen meer rendement oplevert dan het telen van aardappelen, zal de bouwer meer betalen dan de boer en zal grond een woonfunctie krijgen. Maar waar weinig behoefte bestaat om te wonen, zal de boer meer willen betalen dan de bouwer en zal de grond een agrarische functie hebben of behouden. Dus de ruimtelijke functie met het hoogste rendement wint. 

Deze beschrijving is niet alleen schetsmatig, maar ook ideaaltypisch: in de praktijk zien we vooral mengvormen. De overheid plant bijvoorbeeld vooral woningen daar waar ze goed verkoopbaar zijn. Ook als publieke belangen een andere plek zouden suggereren. En projectontwikkelaars nemen grondposities in waar de overheid nieuwbouwwijken plant. 

Niettemin zijn er geen andere verdeelmechanismen (als we ervan uitgaan dat in de moderne tijd het geweldsmiddel niet meer geëigend is om grond toe te eigenen). Deze opmerking is niet geheel overbodig aangezien je ook wel hoort dat de overheid in samenwerking met burgers en andere maatschappelijke partijen de ruimte moet ordenen. Maar de uiteindelijke bestemming kan alleen door de overheid of door de eigenaar wordt bepaald, en niet door klimaattafels, buurtcomité’s of welke maatschappelijke partij dan ook.

2 De verschuivende rol van de overheid in de ruimtelijke ordening

Bij de wederopbouw na WO II koos Nederland nadrukkelijk voor een centrale rol van de overheid bij de inrichting van de ruimte. In de bestemmingsplannen (conform de Wet op de Ruimtelijke Ordening uit 1965) werden de keuzen van de lokale overheid voor de burgers bindend vastgelegd. En gemeenten waren gebonden aan hogere plannen. Daardoor hadden de nationale Nota’s over de Ruimtelijke Ordening (nationale visies op de gewenste ruimtelijke ordening) grote betekenis voor de inrichting van het land. In de jaren 70 werd  de suburbanisatie gebundeld door groeikernen te ontwikkelen, in de jaren 90 werden stedelijke uitbreidingen (Vinex) in de directe nabijheid van stedelijke centra gerealiseerd. Er werden dus belangen afgewogen (op grond van een integrale visie op de ruimtelijke inrichting van Nederland) en er was doorzettingsmacht. 

Ik zie in de recente geschiedenis drie momenten waarop het model van de nationale ruimtelijke ordening geleidelijk is verwaterd en uiteindelijk bijna geheel is verdwenen. Oorspronkelijk noemden we ruimtelijk beleid met reden ‘facet-beleid’. Facetbeleid oversteeg sectoraal beleid. De sectoren vertegenwoordigden de verschillende maatschappelijk belangen: landbouw, wonen, industrie, natuur, erfgoed, vervoer, etc.). Onderling vochten zij om ‘geld’ en ‘ruimte’. De minister van Financiën beslechtte het conflict over geld en de minister van Ruimtelijke ordening het conflict over de ruimte. De eerst vanuit een bepaalde visie op de overheidsfinanciën en op de economische ontwikkeling van het land, de tweede vanuit een bredere ruimtelijke visie, waarin het belang van economische groei en het belang van sociale rechtvaardigheid altijd een dominante rol speelden. Gaandeweg is dat idee van een overkoepelende ruimtelijke visie verlaten. De sectoren begonnen onderling de ruimte te verdelen, waarbij het recht van de sterkste opgeld deed. En de Ruimtelijke Ordening werd steeds meer een eigen sector die zich bekommerde om ‘ruimtelijke kwaliteit’. De uitkomst van de machtsstrijd tussen de sectoren moest er wel een beetje leuk uit zien. Het was de tijd waarin minister Cramer zich zorgen maakte over ‘Mooi Nederland’ en over ‘snelweg-panorama’s. 

Met name minister Dekker is verantwoordelijk geweest voor de volgende ondermijning van de nationale ruimtelijke ordening. De Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening werd vervangen door de Nota Ruimte. Een heel dik boekwerk, maar eigenlijk was het in twee zinnen samen te vatten. “Centraal wat centraal moet, lokaal wat lokaal kan”. En: “Centraal hoeft er eigenlijk niks.” Want ondanks die mooi eerste zin, werd de nationale ruimtelijke ordening nooit verder ingevuld. Volgende regeerakkoorden vermeldden dan ook doodleuk dat er geen ‘nationale ruimtelijke ordening’ meer was. Het argument was simpel: de ruimte kan veel beter door de gemeenten worden ingericht. Het is immers hun ‘leefomgeving’. Maar in feite ging het om een veel politieker statement: bij de ruimtelijke ontwikkeling moest vooral de markt zijn werk doen. Dat paste veel beter bij de neoliberale tijdgeest, paste veel beter bij een VVD-minister en paste veel beter bij de afkeer bij velen van het maakbaarheidsdenken van ‘links’ waarvan de ruimtelijke ordening lange tijd het icoon is geweest. 

Daarmee lag de bal bij de lagere overheden. Maar daar is hij niet blijven liggen. In het laatste decennium is het denken in termen van decentralisatie namelijk nog verder doorgeschoten. Zoals de samenvatting van de Nationale Omgevingsvisie vermeldt: “Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers.” Ook binnen gemeenten kan je dit soort geluiden vaak opvangen. Het lijkt alsof het bij het verdelen van de ruimte niet meer om gaat het beslechten van belangenconflicten te aanzien van de ruimte maar om ‘samenwerking’. Maar, zoals gezegd, ‘samenwerking’ is geen verdeelmechanisme. Of het bestemmingsplan bepaalt de ruimtelijke functie, of de eigenaar. 

3 De praktijk van de ruimtelijke ordening

Natuurlijk is ruimtelijke ordening, zelfs in de topjaren 60, in de realiteit nooit de top-down-planning geweest die het model suggereerde. Gemeenten onttrokken zich soms aan nationale plannen en gemeenten gaven bouwvergunningen af in strijd met hun eigen bestemmingsplan. Maar dat laat onverlet dat de overheid erin slaagde om het landschap op veel plaatsen open te houden en om de ongebreidelde suburbanisatie zoals we die andere landen hebben gezien, te voorkomen. Dat was overigens minder het succes van ‘toelatingsplanologie’ via de bestemmingsplannen dan van actieve ‘ontwikkelingsplanologie’. Het nadeel van bestemmingsplannen is immers dat wordt beschreven welke ruimtelijke functies waar zijn toegestaan, maar dat niemand wordt verplicht om die functies daadwerkelijk te realiseren. 

In de ontwikkelingsplanologie gaat de overheid zelf aan de slag, vooral door verandering of behoud te financieren. Zo is het scherpe onderscheid tussen stad en land, zo kenmerkend voor het Nederlandse landschap, vooral te danken aan twee zogenaamde ‘meekoppelende’ belangen: volkshuisvesting en landbouw. De vele subsidies voor woningbouw en landbouw hebben lange tijd het gezicht van het Nederlandse landschap bepaald. De rijksoverheid heeft jaren lang vele miljarden besteed aan de nieuwbouw van woningen. In de jaren 10 verdwenen de twee laatste grote subsidiestromen: de BLS en de ISV (het Besluit Locatiegebonden Subsidies en het Investeringsfonds Stedelijke Vernieuwing). Vele miljarden zijn gepompt in de nieuwe groeikernen, met vele miljarden overheidsgeld zijn de Vinex-locaties van de grond gekomen. De landbouw werd al die jaren financieel gesteund vanuit Brussel. En door de landbouw overeind te houden, bleef het landschap open. Met al dat geld werd de ruimtelijke inrichting in belangrijke mate gestuurd. 

Bij het behoud van de natuur gaat het meestal niet om regels of financiering, maar om eigendom (van partijen die het behoud van de natuur als hoofddoel hebben). Denk aan Natuurmonumenten, provinciale landschappen en Staatsbosbeheer. Hier is dus vooral het marktmechanisme bepalend voor de ruimtelijke functie. Waarbij de overheid één van de marktpartijen is (via Staatsbosbeheer). 

Het verbaast niet dat de sturing door middel van geld dezelfde ontwikkeling te zien geeft als de ontwikkeling van het juridisch kader. Ook de financiële ondersteuning van de ruimtelijke ordening is steeds verder afgebouwd. In 2020 wordt slechts bij toeval met enkele miljoenen gestrooid om segregatie van oude stadswijken tegen te gaan. Het Rijk belijdt tegenwoordig de ruimtelijke ordening nog slechts met de mond. De gemeenten kunnen zonder steun van het Rijk vooral volgen. De markt heeft voorlopig duidelijk gewonnen. 

4 Steden als brandpunt van ruimtelijke ontwikkeling

Steden zijn al eeuwen het brandpunt van de economie. Agglomeratievoordelen leiden tot specialisatie en innovatie. Toch zijn er in de geschiedenis ook fasen geweest waarin de agglomeratienadelen van de steden de voordelen overstegen. Krimp van de steden was het logische gevolg. Vanaf de jaren 60 van de vorige eeuw hebben we zo’n ontwikkeling gezien. De steden vervuilden door de industrie. De steden waren verpauperd door de oorlog. En de auto bood veel mensen de mogelijkheid om buiten de stad te gaan wonen. Opvallend ondersteunde het overheidsbeleid die ontwikkeling door de bouw van new towns (of groeikernen). Daarmee werd de ongebreidelde suburbanisatie effectief tegengegaan. Maar daarmee werd ook de uitholling van de steden ondersteund. Steden zonder groeikernen in de (directe) omgeving zijn namelijk nauwelijks in inwonertal achteruitgegaan. 

Inmiddels zijn de steden hun belangrijkste agglomeratienadeel weer kwijtgeraakt: de vervuilende industrie. De industriële economie heeft in veel steden plaatsgemaakt voor een diensteneconomie, die in het teken staat van kennis. En de maakindustrie die resteert wordt al niet door stank maar door kennis gekenmerkt . Volgens veel wetenschappers is in die nieuwe kenniseconomie het face to face contact tussen kenniswerkers cruciaal voor innovatie. Bedrijven zijn bovendien veel minder gebonden aan plekken waar ze hun grondstoffen konden aanvoeren en hun producten konden afvoeren. Zo zijn vooral steden met veel kenniswerkers populair geworden voor bedrijven. Vaak wordt de stelling verkondigd dat ‘wonen volgt werken’ is vervangen door ‘werken volgt wonen’.  Mensen verhuizen niet meer naar de bedrijven waar ze werk kunnen vinden, maar bedrijven vestigen zich in de buurt van de mensen waaraan ze behoefte hebben. De werkelijkheid is complexer. Want ook bedrijven trekken naar andere bedrijven. Succes kenmerkt zich door een vliegwiel: kennisintensieve bedrijven en kenniswerkers clusteren vooral in de populaire steden. En populaire steden zijn vaak historische steden met veel voorzieningen. Ook is de interactie met universiteiten van groot belang. TUe werkt bijvoorbeeld nauw samen met de High Tech Campus. En de grote universiteiten van Amsterdam en Universiteit leveren elk jaar weer veel nieuwe jonge kenniswerkers af, die in die brandpunten van de economie gemakkelijk een baan kunnen vinden. 

De rijksoverheid heeft deze ontwikkeling eerst nog proberen te begeleiden door het Vinex-beleid. In de directe nabijheid van steden werden nieuwe wijken aangelegd. Daaraan bleek grote behoefte te bestaan, hoewel de wijken vaak een wat saaie naam hebben voor degenen die liever in de dure panden aan de grachten wonen. Maar de Vinex was de laatste klaroenstoot van de overheid. Daarna is, zeker op landelijk niveau de ruimtelijk ordening geruisloos verdwenen. 

Wat overbleef was de trek naar de stad, die sterk door de markt werd gedreven. Daarbij was kapitaalkracht een belangrijke factor. Het zijn de hogeropgeleiden en de hogere inkomens die zich graag in de steden of in de directe omgeving daarvan vestigen. Ze zijn daarbij selectief. Sommige steden blijven achter (omdat ze minder aantrekkelijk zijn), sommige landsdelen blijven achter of krimpen zelfs (omdat er weinig kenniswerkers wonen). 

Het mag niet onvermeld blijven dat de trek naar de Nederlandse steden wel werd versneld door de belastingwetgeving. Nederlandse steden zijn in trek bij bedrijven omdat Nederland een zeer mild belastingregime heeft voor (internationale) bedrijven. Dat is geen ruimtelijk beleid, maar dat is wel ruimtelijke ordening als neven-effect van ander beleid. 

Er is een laatste factor waardoor veel steden veel drukker zijn geworden in de laatste decennia: het toerisme. Heel veel zaken waar kenniswerkers op afkomen, zijn ook aantrekkelijk voor toeristen. Zo is er bijzondere relatie tussen de trek naar de stad van de kenniseconomie en het toerisme. Kenniswerkers én toeristen zijn op zoek naar de consumer-city. En er is niet alleen een relatie, de drukte van de één wordt ook nog eens door de drukte van de ander versterkt. Overigens heeft toerisme alles met de welvaart te maken. Hoe groter de economische voorspoed hoe meer toeristen er wereldwijd zijn. De overheid zou hier via het reguleren van het vliegverkeer kunnen optreden, maar is daartoe nog steeds niet genegen. 

5 Disbalans tussen overheid en markt in de stad

Vijf jaar geleden heerste er nog een juichstemming in veel steden. Zelfs bij de achterblijvers zag men zoveel positieve ontwikkelingen dat men zich graag spiegelde aan de echte succes-steden: Amsterdam, Utrecht, Eindhoven. Die positieve stemming vlakt af, omdat zich met het succes van de steden vervelende neven-effecten beginnen af te tekenen. Agglomeratienadelen beginnen op te spelen. Het meest zichtbaar is de enorme toename van het toerisme in Amsterdam. In de binnenstad van Amsterdam wordt inmiddels 1 op de 7 huizen regelmatig via Airbnb verhuurd. 

Maar veel fundamenteler zijn de processen van gentrificatie en segregatie. Gemengde wijken, of zelfs arme wijken, worden in redelijk korte tijd overgenomen voor kapitaalkrachtigen. De huizenprijzen doen hier hun werk. Omdat veel mensen in de stad willen wonen, stijgen de huizenprijzen. Op een gegeven moment zijn huizen niet meer betaalbaar voor de oorspronkelijke bewoners van de wijk. De nieuwen kenniswerkers met hun hogere inkomens nemen de wijk over. Dat proces is zelfversterkend, omdat een wijk aantrekkelijker wordt naarmate er meer hogere inkomens wonen. De voorzieningen passen zich aan, het onderwijs wordt beter etc. 

Het is niet verwonderlijk dat veel gemeentebesturen aanvankelijk zeer positief waren over gentrificatie. Maar daarbij werd soms te gemakkelijk vergeten dat door gentrificatie voor de oorspronkelijke inwoners geen plaats meer was. Veel belangrijker: gentrificatie van bepaalde wijken stimuleert segregatie van de stad. Het onderscheid tussen arme en rijke buurten, tussen kansarm en kansrijk wordt scherper. Deze segregatie houdt geen stand bij de gemeentegrenzen. Sommige randgemeenten, vooral de voormalige groeikernen, zien minder hogere inkomens en meer lagere inkomens naar zich toe komen. 

Wie op nog grotere schaal kijkt ziet dat bevolkingskrimp in Nederland tegenwoordig in perifere gebieden een normaal verschijnsel is geworden. Terwijl de groei van Nederland als geheel geenszins tot stilstand is gekomen, krimpt de periferie tegenwoordig. Dat heeft iets te maken met de aard van de groei die vooral door de immigratie wordt bepaald. En immigranten zetten meestal in de grote steden hun eerste stappen in hun nieuwe land. Maar de krimp heeft ook iets te maken met het wegvallen van beleid. In de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog werd de regionale economie fors ondersteund. En onderdelen van de rijksdienst werden naar de periferie van het land overgeplaatst. Daarvan is momenteel geen sprake meer. 

Het voorbeeld laat goed zien dat de overheid én de markt de ruimte ordenen. Soms is de één meer aan zet, soms de ander. In de verzorgingsstaat lag het accent meer bij de overheid, in het neoliberale tijdperk meer bij de markt. In de ruimtelijke ordening is momenteel nog niet te merken dat het neoliberale geloof zijn beste tijd heeft gehad. Wél in het debat over de ruimtelijke ordening. Daar hoor je steeds vaker dat het weer tijd is voor een nieuw elan voor een (nationale) ruimtelijke ordening. Zie onder andere het overtuigende rapport van Denkwerk (Klein land, grote keuzes) over ruimtelijke ordening. 

Persoonlijk meen ik ook dat overheid en markt in de ruimtelijke ordening momenteel in disbalans zijn. Het Rijk denkt alleen nog maar na en laat na om te doen. De gemeenten proberen wel om de markt bij te sturen, maar kunnen dat niet zonder de steun van de Rijksoverheid. Zo nemen steden zich wel voor om meer sociale huurwoningen te bouwen, om de segregatie in de stad tegen te gaan. Amsterdam zet bijvoorbeeld in op minimaal 40% sociale woningbouw in de komende jaren. Maar het is de vraag hoe succesvol dit beleid kan zijn als de corporaties onvoldoende kunnen bouwen omdat hun winsten door het rijk worden afgeroomd (verhuurdersheffing) en als de rijksoverheid geen geld ter beschikking stelt om de nieuwbouw van woningen in de steden te ondersteunen.  Als er aan de onderkant te weinig wordt gebouwd, zal de druk aan de bovenkant alleen maar toenemen. 

Eenzelfde beeld zien we bij de aanpak van zwakke wijken. Gemeenten zouden graag goedkope woningen slopen om ze te vervangen door woningen voor middeninkomens. Maar geld daarvoor is slechts incidenteel en in zeer geringe mate beschikbaar. En met weinig geld zal de menging van zwakke wijken niet van de grond komen. Het enige dat met kleine ingrepen meestal wordt versterkt is het waterbedeffect: de kansarmen stromen door naar slechte wijken die niet worden aangepakt. Ook hier is de markt de overheid vaak te slim af, omdat overheid en markt in disbalans zijn in de ruimtelijke ordening. 

6 Naar een conclusie

De ruimte wordt permanent geordend, of beter: herordend. Door de overheid en door de markt. De overheid ordent met regels en met geld, de markt alleen met geld. De regels van de overheid zijn alleen bindend voor burgers in geval de gemeentelijke bestemmingsplannen. Maar bestemmingsplannen dwingen geen verandering af, ze conserveren datgene wat er is en nodigen uit om tot verandering te komen. En ook het conserveren middels bestemmingsplannen is in de praktijk veel minder dwingend dan de wet suggereert. Eigendom en subsidiëren zijn voor de overheid veel effectievere manieren om de ruimte te ordenen. Eigendom kan een ruimtelijk doel dienen (Staatsbosbeheer), maar is vaak ook niet meer dan een vermogenspositie (vele gronden van Rijksvastgoedbedrijf). Subsidiëren kan zowel betrekking hebben op behoud (landbouw) als bijvoorbeeld op nieuwbouw (van groeikernen, Vinex-wijken). Bij landbouw hebben de subsidies zeker de laatste jaren slechts betekenis voor het openhouden en niet voor behoud van het oorspronkelijke landschap. 

Tegen die achtergrond is het eigenlijk nog verrassend dat de overheid op het gebied van de ruimtelijke ordening nog zoveel heeft bereikt. Want tegenover de grondposities en de geldstromen van de overheid staan de enorme grondposities en de immense geldstromen van de marktpartijen. In het laatste decennium zagen we de geldstromen van de overheid snel opdrogen. En ontstond er een disbalans tussen overheid en markt bij de ordening van de ruimte. 

In dat opzicht is het een verheugend bericht dat het CDA op 19 februari 2020 pleitte voor de de heroprichting van het ministerie van VROM, inclusief de Rijks Planologische Dienst. Ik neem aan om het denken over de gewenste ruimtelijke ordening weer te versterken. Maar die ruimtelijke ordening door de overheid komt pas werkelijk weer op gang als veel meer financiële stromen van de overheid aan ruimtelijke doelen worden gekoppeld. 

[Deze tekst is geschreven op verzoek van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) en is gepubliceerd in: Bart Leurs (red.), Samenwerken, samen betalen?; over de bekostiging van opgaven in de maatschappelijke netwerken, 2020, pp. 63-70. De tekst werd afgesloten op 25 februari 2020]

Deel dit bericht:

De privé-kliniek als voorbeeld @bergmanclinics

juli 8, 2020 by  
Filed under Geen categorie

Vroeger had je privé-klinieken en ziekenhuizen. In privé-klinieken kwamen alleen rijke mensen, in ziekenhuizen kwam iedereen. In privé-klinieken werd veel geld verdiend en ziekenhuizen kwamen altijd tekort. Met de marktwerking in de zorg is dat onderscheid grotendeels verdwenen. Ook in privé-klinieken kan je terecht als je verzekerd bent en ook aan normale ziekenhuizen wordt door de verzekeraars goud geld verdiend.  

Toch is het nog steeds een wereld van verschil, zoals ik deze week zelf in Bergman Clinics mocht ondervinden. De verschillen zijn voor een deel te verklaren. De privé-klinieken specialiseren zich immers op zaken die makkelijker te organiseren zijn. Zo bieden ze een beperkt aantal ingrepen aan: denk aan heupen, voeten, ogen, knieën, borsten etc. Die ingrepen zijn relatief eenvoudig. En er is geen uitgebreid onderzoek nodig om te bepalen wat er moet gebeuren. Een regulier ziekenhuis is dus bijna per definitie complexer. Maar dat rechtvaardigt geenszins die wereld van verschil. Wat te denken van de volgende verschillen?

Eén: men houdt zich in privé-klinieken stipt aan de tijd en de afspraken die met de patiënt zijn gemaakt. Natuurlijk laat de zorg van privé-klinieken zich veel beter plannen dan de spoedeisende hulp van een regulier ziekenhuis. Maar meestal lig ik in een regulier ziekenhuis niet op de spoedeisende hulp en moet ik toch eindeloos wachten. Ik los dat altijd op door een boek mee te nemen, maar daarmee is de verspilling van kostbare tijd nog niet voorkomen. Waarom kunnen ze me bij Bergman Clinics wel op tijd opereren, terwijl ik in het Bronovo-ziekenhuis voor het bloedprikken altijd lang moet wachten? Is dat niet anders te organiseren? En dan heb ik het nog niet eens over de termijnen waarop je in een regulier ziekenhuis een afspraak kan maken. 

Twee: reguliere ziekenhuizen denken altijd dat ze nog groter moeten worden (fuseren!) om te kunnen specialiseren. Bij privé-klinieken leidt specialisatie juist tot schaalverkleining. Dat alleen al geeft een enorme rust. De kliniek is zo klein en overzichtelijk dat al die routes (“Volgt u 78!”) gewoon niet nodig zijn. Bij Bergman Clinics in Rijswijk hebben ze een verdieping voor de intake en een verdieping voor de dagopname. En op beide verdiepingen een vriendelijke receptie. En niemand raakt de weg kwijt. Bovendien: als je ziekenhuis klein is, is de organisatie klein en kan je de taken helder verdelen. Bij Bergman Clinics is elke functie van iedereen duidelijk. Ook al omdat iedereen zich netjes voorstelt. Daarmee krijgt zo’n ziekenhuis meteen een gezicht. En hoef je je ook niet steeds weer voor te stellen aan iemand die jou toch niet kan onthouden. 

Drie: patiënten zijn gewoon mensen, in wie je geïnteresseerd moet zijn, met wie je een normaal gesprek kan voeren en die je normaal aankijkt. Patiënten willen weten wat er gaat gebeuren, en willen soms heel precies weten wat de volgorde der handelingen is. Het is ook fijn om te horen waarom je deze prik krijgt. Maar het is vooral belangrijk om op een normale toon te worden toegesproken. Ik ben geen kind meer en ik begin nog niet te dementeren. 

Het is pijnlijk dat me deze week vooral dat verschil in benadering opviel bij Bergman Clinics. Niemand zei: “En wat doet meneer voor de kost?” Niemand zei “we” als “u” werd bedoeld. Niemand zei dat ik mijn schoenen moest aantrekken. Of mijn jas moest meenemen “omdat we hier niet meer terugkomen”. Niemand zei dat het “het prikje even pijn zou doen”. Niemand zei dat ik dat “beter een roesje kon nemen”. En de verpleegkundige die de infuusnaald dwars door mijn bloedvat prikte vertelde dat zo eerlijk ontwapenend dat ik de slappe lach kreeg. 

Ik weet dat alle ziekenhuizen in hun missie vermelden dat de patiënt bij hun centraal staat. Ik heb deze week ervaren hoe het is als de patiënt werkelijk centraal staat. Ook ik begrijp dat de opgave soms zo complex is dat de organisatie wel complex moet zijn. Academische ziekenhuizen moeten alle specialismen in huis hebben. Maar ook als de opgave complex is kan je ernaar streven om de zorg zo kleinschalig mogelijk te organiseren (stoppen met fuseren), kan je je buiten de spoedeisende hulp gewoon aan afspraken houden en kan je proberen om net zo volwassen te zijn als je patiënt. 

Deel dit bericht:

Je neemt altijd je eigen geluid mee #fagot

juli 5, 2020 by  
Filed under fagot, Geen categorie

In die mooie serie over het KCO “Bloed, zweet en snaren” kwam ook fagottist Jos de Lange uitgebreid in beeld. Als ik me goed herinner zien we hem in een kamertje waarin hij al jaren zijn rieten maakt. Veel mesjes, veel hout, veel rommel. Ieder fagottist kan zich zo’n kamertje wel voorstellen. Jos spreekt daar hele wijze woorden. Hij vertelt de kijker dat het riet verreweg het belangrijkste is voor de klank van de fagot. Daarna komt het S en pas tenslotte het instrument zelf. Eigenlijk is dat een heel opvallende uitspraak in een wereld waarin iedereen heel erg bezig is met zijn instrument. 

Ik sprak mijn lerares Mette Laugs over haar fagot en zij voegde een belangrijk element toe aan de stelling van Jos. Ze zegt: op welk instrument je ook speelt, je neemt altijd je eigen geluid mee. Dus is de bespeler naast het riet ook heel belangrijk. En toen moest ik aan Ronald Karten denken die een keer tegen me zei dat hij op afstand al kon horen dat ik het was. Of ik nu op mijn oude Heckel speelde of op mijn nieuwe Bell, of ik nu op een houten riet speelde of een kunststof riet. En dan laten we maar even in het midden wat hij precies hoorde. En ik moest denken aan de laatste Sacre van Gustavo Núñez in het KCO. Hij speelde niet alleen prachtig, maar ook onmiskenbaar Gustavo. Ik vroeg hem later op welke fagot hij had gespeeld, omdat Gustavo soms op een Bell speelt en graag wisselt tussen zijn Heckels. Het was een oudere Heckel. Maar ik denk dat geen van zijn collega’s het had gemerkt als hij op zijn Bell had gespeeld. Want daar speelde bovenal Gustavo.

Maar Mette staat centraal in dit verhaal. Omdat zij het zo mooi wist te verwoorden: je neemt altijd je eigen geluid mee. Ik sprak haar uitgebreid over haar Yamaha. Ik was nieuwsgierig waarom ze op een Yamaha speelt. Ze vertelde dat ze als klein kind van 12 al op een fagot was begonnen. Eerst een plastic, en later een houten fagot. Haar toenmalige leraar Herman Olij dichtte haar zoveel talent toe dat haar ouders op haar 14e een Püchner voor haar kochten. Je weet wel, zo’n instrument waarop ook Sophie Derveaux (eerder: Dartigalonge) speelt. 

Tot het vierde studiejaar op het conservatorium van Den Haag speelde Mette op die Püchner. Toen liep ze bij toeval tegen een Yamaha op. Een medeleerling had een Yamaha op proef. Mette mocht ook er even op spelen en was meteen verliefd op het instrument. Terwijl iedereen (zeker in die tijd) zei dat je op een Heckel moest spelen, als je als fagottist wilde slagen. Mette: “Als je toen geen Heckel had, hoorde je er niet bij.” Maar Heckels waren in die tijd erg schaars en zeer prijzig. 

En toen viel plotseling alles samen. Haar medeleerling zag uiteindelijk toch van de koop af en zo werd Mette de eerste Nederlandse fagottist die op een Yamaha speelde. Mette: “Het was alsof het een jurk was die me paste. Het voelde helemaal lekker. Ik had het gevoel: ik kan erop zingen, ik kan mezelf hierop ontwikkelen.” En het grappige is: ze is er nog steeds zielsgelukkig mee. Ze heeft nog vaak naar andere instrumenten gekeken. Op andere instrumenten gespeeld. Vooral Heckels. Omdat dat nu eenmaal zo hoorde. Maar nooit was er een instrument dat fijner speelde of haar beter paste.

Maar wat maakt een Yamaha zo goed? Volgens Mette is een Yamaha heel egaal qua klankkleur, zuiver en flexibel. Er zit minder weerstand in dan in een Heckel, dus speelt hij iets minder zwaar. Maar toch vooral: het instrument past heel erg bij haar. En toen sprak ze die mooie woorden: “En uiteindelijk neem je altijd je eigen geluid mee. Op welk instrument je ook speelt, je laat toch jezelf horen, je zoekt toch naar een bepaald soort klank.” 

En daarmee gaat het dus niet meer om welk instrument het beste instrument is, maar simpel om de vraag welk instrument jou het beste past en dus voor jou het beste is. En soms: welk instrument jou het beste past in de Sacre. Ja, Sophie Derveaux speelt op een Püchner. Het is niet mijn instrument, maar zij kan blijkbaar haar fantastische spel het beste op een Püchner realiseren. En niet op een Heckel, anders had ze wel daarop gespeeld. En Alban Wesley komt het beste tot zijn recht op een Leitzinger. En Ronald Karten op een Heckel. 

Nee, als je de theorie van Jos de Lange aanvult met de theorie van Mette Laugs gaat het bovenal om de speler, daarna om zijn rieten, daarna om zijn S en ten slotte (pas?) om zijn instrument. Het gaat bovenal om je eigen geluid en om de vraag hoe je dat het beste kan realiseren: met welke riet, met welk S en met welk merk. 

De Fagot, tijdschrift voor fagottisten, nummer 24, juni 2020, p. 19

Deel dit bericht:

Is de versterkingsoperatie failliet #Groningen #aardbevingen

juni 24, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

In de afgelopen maanden verkende ik met Marielle Gebben de rol van kennis in de versterkingsoperatie in Groningen. Alle woningen die een te hoog risico lopen bij volgende aardbevingen moeten worden versterkt. Dit proces verloopt uiterst moeizaam. Met onze gesprekspartners kwamen we tot de conclusie dat juist al die modellen het proces in de houdgreep houden. Ook omdat de uitkomsten van die modellen vaak ongrijpbaar zijn. Zie hier het verslag van de verkenning: https://www.kennisplatformleefbaar.nl/benutten-van-kennis-over-versterken

Deel dit bericht:

Beeldenstorm

juni 15, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Overal worden beelden neergehaald. Omdat de man op zijn sokkel dingen op zijn kerfstok heeft, die we inmiddels ernstig afkeuren. Vrouwen zie je zelden op een sokkel. Hetzelfde debat rondom straatnamen. En altijd komt dan weer het tegenargument: hij is onderdeel van onze geschiedenis. En daarom zou het beter zijn om een onderschrift toe te voegen: “De man was naar huidige maatstaven een schoft”. Of iets beleefders. 

Maar waarom halen we die beelden niet gewoon weg? En waarom veranderen we die straatnamen niet gewoon? Want volgens mij gaat het om twee zaken. 

Ten eerste: geschiedenis is altijd een subjectieve beleving van het verleden. Een subjectieve selectie van een oneindige hoeveelheid feiten. Wat heeft de historie ons nu nog te zeggen en wat zegt de historie over ons? Dus onze waarden en normen bepalen wat wij als ‘onze’ geschiedenis zien. En omdat onze waarden en normen steeds veranderen, verandert onze geschiedenis ook steeds weer. In de jaren 50 en 60 was de VOC een symbool van ‘onze’ grootheid in de wereld in de Gouden Eeuw, tegenwoordig zien we veel scherper dat het vooral een stel rovers waren die er niet voor terug deinsden om overal slachtoffers te maken als het maar geld opleverde. In de jaren 50 en 60 waren de ‘politionele acties’ voor velen een laatste poging om Oost-Indië te beschermen tegen barbaarse revolutionairen, nu zien we het als een koloniale oorlog waarin Nederland oorlogsmisdaden pleegde. Omdat onze waarden en normen zijn veranderd, omdat onze kijk op de wereld is veranderd, is ook onze geschiedenis veranderd. En daarom moeten we onze geschiedenis steeds weer herschrijven. Niet omdat we de feiten willen verdraaien, maar omdat andere feiten en een andere duiding belangrijker zijn geworden. 

Ten tweede: je zet iemand op een sokkel omdat je hem wil eren, je geeft iemand een een straat om hem te gedenken. Maar waarom zou iemand altijd op zijn sokkel moeten blijven staan, ook als we hem op dit moment heel anders beoordelen dan toen die sokkel werd gemetseld? We hebben die Jan Pieterszoon Coen niet overal neergezet om ons te herinneren aan de slechtheid van ons verleden. Die man is daar neergezet omdat hij indertijd een ‘groot man’ werd gevonden. Tegenwoordig vinden we het vooral een misdadiger, wellicht zelfs een oorlogsmisdadiger. En hebben we geen behoefte meer om hem te vereren. En ruimen we hem gewoon netjes op. 

Daarmee wil ik de geschiedenis niet ontkennen. Maar je hoeft mannen waarvoor je je nu zou schamen, niet blijven vereren. Dus laten we schanddaden van de Republiek in de Oost en van het kabinet Drees in Indonesië nooit vergeten. En laten we alleen mannen op sokkels tolereren die wij willen eren. 

Deel dit bericht:

De triomf van de stad verbleekt

juni 11, 2020 by  
Filed under artikel, De Stad, Geen categorie, Voorpagina

De Triomf van de stad leek oneindig. Steden als brandpunt van de economie, van de innovatie en dus ook van de economische groei. Steden als knooppunt van internationale netwerken en als de place to be. Steden als gastheer van al de kenniswerkers die de nieuwe kenniseconomie vorm geven. Het leek alsof het voor altijd was. 

Ik geef al jaren les in stedelijke ontwikkeling. Vaak ook aan stedelijke strategen. En elke keer zijn zijn zij verrast als ik vertel dat Amsterdam in de jaren 80 er nog heel slecht voor stond en dat in de jaren 60 iedereen nog naar Rotterdam keek, voor innovatie, voor welvaart en groei. Hoe snel het kon veranderen. Het was toch zo logisch dat in Amsterdam de bomen tot in de hemel groeiden? Dat klopt, maar vijftig jaar geleden was alles anders, en over vijftig jaar zal weer alles anders zijn. 

Twee simpele redenen. Ten eerste: elk voordeel wordt zijn eigen nadeel. Agglomeratievoordelen kunnen in agglomeratienadelen verkeren. We zagen het de afgelopen jaren al in Amsterdam. Te veel toeristen, te veel drukte, te veel Airbnb, zelfs te veel kenniswerkers. Moesten we nog wel blij zijn met het EMA? Weer 900 hoogopgeleide mensen erbij die de huizenprijzen zouden opjagen. 

Maar er is een tweede reden die nog veel belangrijker is: de structuur van de economie  evolueert altijd. Dat gebeurt geleidelijk en soms met kleine schokjes. En corona zou wereldwijd best eens zo’n schokje teweeg kunnen brengen. In dat opzicht zijn de laatste demografische cijfers van Amsterdam bijna schokkend. 

In het begin van 2020 was alles nog normaal: de steden groeiden, de Randstad groeide en Oost-Groningen, de Achterhoek, Limburg en Zeeuws-Vlaanderen krompen. Nadat de coronacrisis eenmaal goed opgang was zag je een heel ander beeld. In de weken 13-16 (van 2020) groeide Drenthe, groeide de Achterhoek en groeide Zeeland. En krimp was er nog steeds in Oost-Groningen, in Limburg, maar ook in Zuid-Oost Brabant en zelfs in de regio Amsterdam. 

Volgens het CBS deed de grootste verandering zich voor in Groot-Amsterdam. In de weken voor de coronacrisis groeide de bevolking daar met 34 per 100.000 inwoners per week. Nadat de crisis was ingetreden was er een krimp van 23 per100.000 inwoners. Die krimp werd geheel veroorzaakt door een vertrekoverschot. Want terwijl er bijna in heel Nederland sprake was van een sterfteoverschot, had de regio Amsterdam in de genoemde weken nog steeds een geboorteoverschot. Amsterdam had ook een binnenlands vertrekoverschot. Maar dat was niet nieuw.

Wat echt nieuw was voor Amsterdam was het buitenlandse vertrekoverschot. De buitenlandse migratie ging van + 41 per 100.000 inwoners voor de crisis naar -8 per 100.000 inwoners per week tijdens de crisis. Dat kwam niet zozeer door het vertrek van Amsterdamse inwoners naar het buitenland, maar vooral door het feit dat de instroom van arbeidsmigranten (kenniswerkers) uit India, USA en Europese landen nagenoeg stil viel. En juist die toestroom uit het buitenland was zo bepalend voor de groei van Amsterdam in de laatste jaren. Zo ging een stad die recentelijk nog 1000 inwoners per maand groeide, in korte tijd over op krimp. Dat hadden vooral mijn Amsterdamse cursisten nooit kunnen denken. 

Ik weet het: het is een momentopname. Maar het zou heel goed kunnen dat het beeld van de triomferende stad in de komende jaren verbleekt. Als we er even van uit gaan dat een vaccin tegen COVID-19 niet morgen wordt gevonden. Overigens ook als dat vaccin morgen wel wordt gevonden, zullen de gevolgen voor de steden groot zijn. Met name omdat een aantal ontwikkelingen elkaar gaat versterken.

  • De economische krimp zal groter zijn dan wij allen in ons leven hebben meegemaakt. De inkomens zullen dalen, de werkloosheid zal fors toenemen. Vooral dat laatste zal de tweedeling in alle steden accentueren. We zien in de laatste weken al dat het aantal WW-ers en het aantal bijstandstrekkers in Amsterdam de snelste stijging te zien geeft van heel Nederland. Het is te vrezen dat alle steden door die scherpere tweedeling rauwer zullen worden.
  • De horeca, de cultuur en de winkels hebben al enorme klappen opgelopen. Daarvan  zullen velen het loodje leggen. Dat zal ongetwijfeld leiden tot een enorme verschraling van de consumer city. Dat wordt nog eens versterkt door het feit dat minder mensen minder kunnen consumeren door een forse terugval in hun inkomens. 
  • Het toerisme is voorlopig ingestort. Dat is volgende maand niet anders. Zo lang de wereld niet corona-vrij is zullen de verre reizen worden gemeden. En als de wereld wel corona-vrij is, zal het nog jaren duren voordat het toerisme het oude niveau weer heeft bereikt. Mensen zullen wereldwijd minder te besteden hebben en dus ook minder kunnen uitgeven aan verre reizen. Bovendien zou het me niet verbazen als de overheden een andere houding gaan aannemen tegenover het toerisme en tegenover de luchtvaart. En de prijzen van de vliegtickets hoeven maar weinig hoger te worden om grote gevolgen te hebben voor het toerisme. Ook van de terugval van het toerisme zullen de horeca en het winkelbestand de gevolgen ondervinden. En wie zijn zolderkamer niet meer via Airbnb kan verhuren, ziet de waarde van zijn huis dalen. 
  • De kenniseconomie draait vooral op kenniswerkers die wereldwijd naar de steden trekken. Dat zijn vaak de aantrekkelijke steden. Met veel voorzieningen, met een hoogstaand winkelbestand, met veel culturele voorzieningen. Zeg maar, steden met een aantrekkelijk leefklimaat. Als corona leidt tot een verschraling van deze consumer cities, worden steden dus ook minder aantrekkelijk voor kenniswerkers. En als er minder kenniswerkers naar de steden komen, zal de stedelijke economie minder snel groeien. 
  • Kenniswerkers kwamen niet alleen uit het eigen land, maar ook in belangrijke mate uit het buitenland. Het is zeer de vraag is of ze na de crisis gewoon gewoon weer zullen komen. In ieder geval zal het even duren, misschien wel een paar jaar na de vondst van een vaccin. Maar het is ook denkbaar dat de coronacrisis de globalisering (aanzienlijk) afzwakt. In Nederland gaan veel stemmen op om voortaan minder afhankelijk te zijn van het buitenland (eigen mondkapjes, eigen medicijnen). Dat betekent dat de maakindustrie niet aan het buitenland (China) moet worden gelaten. Dat we weer meer zelf moeten maken, moeten produceren. Waarom zouden de kenniswerkers dan voortaan ook niet thuis blijven?
  • Relevant is dat ook al voor de crisis de globalisering op grote weerstand begon te stuiten. De verkiezing van Trump en de Brexit zijn daarvan de bekende voorbeelden. Maar wat in de USA en in het UK gebeurde stond niet op zichzelf. De globalisering wordt overal genuanceerder bezien. Globalisering mag bijdragen aan een grotere welvaart, maar het is ook duidelijk dat die welvaart niet aan iedereen ten goede komt. De schaduwzijden van de globalisering werden overal in de wereld meer herkend. Leidt Corona ertoe dat we globalisering definitief anders gaan bezien?
  • De rijke Westerse wereld trok niet alleen kenniswerkers aan, maar ook asielzoekers en arbeidsmigranten. Ook die migratie lijkt in de coronacrisis sterk af te nemen en zal tijd nodig hebben om weer op gang te komen. De snelheid daarvan zal ook afhangen van de vraag hoe zeer onze economie flonkert. 
  • Demografisch verandert er wellicht nogal wat. En als er minder kenniswerkers uit het buitenland naar de Nederlandse steden komen en als de huizenprijzen in de steden (fors?) gaan dalen, kan het voor Nederlandse gezinnen weer aantrekkelijker worden om in de stad te blijven wonen. En geen woning met een tuin te zoeken in de omgeving. Of staat de stad ook in het binnenland voortaan op achterstand?

Steden blijven steden. Steden blijven de plekken waar de innovatie plaatsvindt. Steden blijven de knopen in een internationaal netwerk. Het is niet gedurfd om dit allemaal te voorspellen. Maar er gaat wel iets veranderen. En zoals de Triomf van de stad onder invloed van de kenniswerkers vooral in Amsterdam zichtbaar was, zo zal ook de teruggang Na Corona vooral in Amsterdam zichtbaar zijn. Minder buitenlandse immigratie, minder toerisme, minder voorzieningen. 

Wordt Amsterdam daarmee weer meer vergelijkbaar met de andere steden? Of zakken de andere steden even hard weg. Dat laatste is niet te verwachten, maar dat alle steden klappen krijgen na het bizarre voorjaar van 2020 is duidelijk. En er is wel een groot verschil met Amsterdam. In die laatste stad kookte het in de laatste jaren soms werkelijk over. De drukte was soms niet meer te harden. De huizenprijzen rezen de pan uit. Voor starters was er nog maar nauwelijks plek. Het is niet erg om die stad voor een paar jaar weer terug te geven aan de eigen inwoners. 

Voor de andere Nederlandse steden ligt dat anders. Oké, Utrecht en Eindhoven draaiden ook heel goed. Maar van oververhitting was nog geen sprake, met name omdat de toeristen daar grotendeels ontbraken. Rotterdam begon net een beetje aan te haken, Den Haag dreigde echt achterop te raken. Als de steden minder internationaal worden en als de werkloosheid fors oploopt zullen vooral Den Haag en Rotterdam het zwaar krijgen. Dus wat voor Amsterdam ook nog een klein beetje positief is, is dat zeker niet voor Rotterdam en Den Haag. 

Waar de voorzieningen in de steden verschralen, wordt het platteland aantrekkelijker. De rust en de ruimte zijn daar door Corona niet verdwenen, zelfs intenser beleefd. Ja, groot-ziener Rem Koolhaas heeft het een aantal maanden geleden al voorspeld: de toekomst is aan het platteland. Ik zie minder groot en trek die conclusie nog niet. Maar dat Corona gevolgen heeft voor de economische en daarmee ook voor de geografische structuur van het land, zou me zeker niet verbazen. 

En dan volgt de onvermijdelijke disclaimer: naarmate corona langer onder ons zal zijn (omdat het moeilijk lukt om een vaccin te ontwikkelen), zal de economische depressie dieper zijn, zullen de grenzen langer als barrières worden gezien, zullen de internationale kenniswerkers én de toeristen anger weg blijven en zullen de gevolgen van voor de steden groter zijn. Maar dat de triomf van de stad verbleekt is eigenlijk nu al onvermijdelijk. 

Deel dit bericht:

Helaas, Femke, het is tijd om te gaan #Halsema

juni 8, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Natuurlijk moet ze opstappen. Het is goed om dat nog eenmaal vast te stellen. Vooral omdat ze uiteindelijk zal blijven zitten. Omdat een motie van wantrouwen geen meerderheid krijgt. Om de simpele reden dat die motie door Annabel Nanninga van Forum voor Democratie wordt ingediend. En zo schiet beschaafd-links-Amsterdam in zijn eigen voet. 

Waarom moet Halsema weg? Niet omdat ze een vrouw is, niet omdat ze links is. Maar om de simpele reden dat ze als burgemeester te grote fouten heeft gemaakt. En ik heb geen zin om haar anders te beoordelen omdat ze vrouw is of links is of aardig is of slim is, of wat dan ook.

Wat deed Halsema fout?

  • Ze onderschatte de opkomst van de ant-racisme-demonstratie op de Dam schromelijk. Er kwamen geen 500, maar 10.000 mensen. Daarin stond ze niet alleen. Ook de politie had deze opkomst niet voorzien. Maar Halsema is wel verantwoordelijk. 
  • Ze zei tegen AT5 dat Covid-19 geen reden was om de demonstratie te beëindigen omdat “dit belangrijker was”. Daarmee gaf ze een waardering aan de demonstratie en blijkbaar vindt ze de ene demonstratie belangrijker dan de ander. Ze bevestigde die opvatting door een button van de demonstratie te dragen. Een grondfout voor een burgemeester. Voor haar moet het grondrecht van de ene burger op demonstreren niet belangrijker zijn dan dat van de ander. 
  • Het recht tot demonstreren mag een grondrecht zijn, een burgemeester hoort dat recht altijd af te wegen tegen de rechten van anderen. Bijvoorbeeld tegen het recht op gezondheid. Zeker als de hele samenleving net wakker wordt van een lockdown die veel mensen hun baan of bedrijf heeft gekost, die een nachtmerrie is geweest voor de zorg, dan past het de burgemeester niet om voor een paar uur alle regels over afstand houden geheel te negeren. 
  • Het mag zo zijn dat Halsema is overvallen. Maar zij stond erbij en keer ernaar. Ze had het podium kunnen bestijgen, ze had enkele treffende en welgemeende woorden over racisme kunnen spreken en ze had iedereen kunnen verzoeken om naar huis te gaan. Iedereen zou zijn gegaan. 
  • Pijnlijker is dat ze op dit moment niet de grootheid had die van een burgemeester van Amsterdam wordt gevraagd. Dat ze met minister Grapperhaus in contact staat, is begrijpelijk. Maar dat ze angstig probeert om al bij hem rugdekking te zoeken, als de Dam nog vol moet stromen, is werkelijk onder de maat. 
  • Het past een burgemeester al evenmin om de wereld in kampen in te delen, met “de rechtse” Telegraaf blijkbaar in een ander kamp. Een burgemeester staat boven de partijen en moet dat wij-zij-denken altijd vermijden. Overigens wat is er democratisch mis met een rechtse krant die een burgemeester die zich op haar linkse gedachten laat voorstaan, kritisch volgt?
  • Ook na de demonstratie reeg ze de fouten aan elkaar. Waarom niet met een zorgvuldige persconferentie gewacht tot de volgende ochtend in plaats van meteen ‘s avonds in Op1 in discussie te gaan. Bovendien lijkt het Halsema te ontgaan dat verantwoording afleggen (in dit geval voor ontbrekend leiderschap) iets anders is dan de ander van de juistheid van een standpunt te overtuigen. 
  • Ook de dag erna toonde ze nog geen moment van zelfreflectie. Nee, het waren anderen die verwijten werden gemaakt. De politie had haar verkeerd ingelicht. De demonstranten hadden haar verkeerd ingelicht. Enzovoorts. Het simpele feit is dat de burgemeester verantwoordelijk is voor de openbare orde. 
  • Het vervelende is dat het gedoe rondom dat pistool van haar man een jaar eerder eenzelfde patroon te zien gaf. Ook toen was er geen Halsema te bekennen die enige schuld bekende, laat staan door het stof ging, hoewel daarvoor voldoende reden was. Ook toen was er een Halsema die woest om zich heen sloeg en de fouten vooral bij anderen zocht. En ook toen zag ze al een stad die verdeeld was in kampen zonder het vermogen te hebben daarboven uit te steken. 

Er is maar één conclusie mogelijk: Halsema is te licht voor deze functie. Het breekt haar ook op dat ze de ervaring mist die deze functie vereist. Ze heeft nooit als minister in de Kamer gestaan om diep door het stof te gaan. Ze heeft nooit leiding moeten geven aan een groot apparaat. Halsema is een intellectueel die altijd gelijk heeft gehad en die bovendien misschien te ethisch is voor de rauwheid van het burgemeesterschap van Amsterdam. 

Ze moet gaan. Maar als Annabel Nanninga dat te hard roept, zal ze blijven zitten. Zo zal er nog een crisis nodig zijn om van Halsema af te komen. 

Deel dit bericht:

Leven in tijden van #corona (4)

mei 25, 2020 by  
Filed under artikel, fagot, Geen categorie

Het conservatorium is gesloten. Al weken. Door corona. Ik mis mijn wekelijkse retourtje Groningen. Ik mis het om even opgenomen te worden in de wereld van gedreven studenten die alleen maar met muziek bezig zijn. Wat een feest is dat. Ik mis ook de semester-toets en de voorspeel-middagen. Dat zijn overigens niet alleen maar momenten om naar uit te kijken. Je kunstje vertonen voor een commissie. Met of zonder podiumangst. Maar die momenten zijn wel enorm stimulerend. Je wilt niet afgaan. 

Het enige wat overblijft is ‘les op afstand’. Het conservatorium is zeer betrokken bij zijn studenten. En er wordt dan ook van alles aan gedaan om contact te houden. Ik stuur mijn leraar regelmatig een opname. Deze week elke dag. En daardoor heb ik in de laatste weken misschien al meer geleerd dan in het afgelopen half jaar. En dat zegt veel, omdat ik een ongelofelijk goede leraar heb. Ik zal uitleggen waarom. 

Het is eigenlijk heel simpel: het is heel erg om jezelf te horen. Daarom stimuleren veel leraren aan conservatoria hun studenten om zichzelf op te nemen. Want als je jezelf terughoort, hoor je veel meer dan je ooit gehoord hebt. Veel meer dan wanneer je zelf speelt. Dat is ook wel logisch. Want als je speelt worstel je met de techniek, met de zuiverheid, met de dynamiek, met het muzikale verhaal en noem maar op. Daar heb je het al zo druk mee, dat je te weinig tijd overhoudt om echt te horen wat je doet. 

Ik kan je zeggen, dat is heel anders als je jezelf hebt opgenomen. Als je de opname nog eens terugluistert hoor je geen muzikaal verhaal, hoor je geen verschil in dynamiek, hoor je een onritmische fagottist en hoor je vele kleine onregelmatigheden. Ik wist niet dat mijn middel-gis zo kraakt! Ik wist niet dat ik zoveel lucht nodig heb om die fagot aan de praat te krijgen. Ik wist niet dat ik soms zo vals speel. 

Het opsturen van een opname is daarom een briljante gedachte: je ontkomt er niet aan om al die onvolkomenheden te horen. En daar wordt je echt beter van. De legendarische klarinettist Georg Pieterson, jarenlang soloklarinettist in het Concertgebouw, vertelde ooit dat hij zo goed was geworden door eindeloos naar zichzelf te luisteren. Overigens was hij te bescheiden om te zeggen dat hij “zo goed” was. 

Maar waarom word je zoveel beter als je hoort welke fouten je maakt. Het eerste antwoord is simpel: door je fouten te horen weet waaraan je voortaan moet werken. Maar het betekent ook dat je veel harder gaat studeren, om de simpele reden dat je hoge eisen gaat stellen aan de opname voordat je hem durft op te sturen. Op zijn minst wil je je etude foutloos spelen, zeg maar: alle goede noten achter elkaar. Ga er maar aan staan. Je zet je opname-apparaat aan, gaat achter je lessenaar staan en maakt al in de derde noot een storende fout. Er is maar één oplossing: opnieuw beginnen. Als dat drie keer is misgegaan, is er maar één oplossing: eerst dat ene loopje beter studeren voordat het gedoe met die opnames opnieuw kan beginnen. 

Mijn lerares had de laatste week een ogenschijnlijk simpele opdracht: stuur mij elke dag een toonladder in mineur, je mag zelf weten welke en je mag zelf kiezen voor oorspronkelijk, melodisch of harmonisch etc. Twee octaven, 17 noten heen en 16 noten weer terug. Eerst maar even goed inblazen, dan nog even een toonladder-etude van Milde. En dan die oh zo simpele opdracht: een mineur-toonladder over 2 octaven. Legato. Alle noten mooi gebonden, alle noten zuiver, alle noten dezelfde egale klank. En dan ook nog mooi spelen. En ritmisch. Hoeveel opnames zou ik hebben weggegooid voordat ik er eindelijk één durfde op te sturen?

Ik studeer nu dus veel harder dan ik doe als ik gewoon les heb op het conservatorium. Ook dan studeer ik elke dag. Maar ik dwing mezelf blijkbaar niet om de hele etude foutloos te spelen. Of om de toonladder echt egaal te spelen. Vanuit de gedachte, dat ik me er op de les wel uit redt. Of dat ik op de les wel even mag stoppen om opnieuw te beginnen. Of dat ik op de les wel even mag vloeken als het niet goed gaat. Of vooral veel over de foute passages heen mag praten. Nu besef ik dat ik in al die gevallen nooit voldoende heb gestudeerd. [Jammer dat die conclusie zo slijmerig is.]

Deel dit bericht:

Volgende pagina »