Geen enkele reden voor strengere maatregelen #corona

december 1, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Het lukt maar niet om het aantal besmettingen fors terug te dringen. De winkels zijn veel te vol. Black Friday geeft veel mensen vleugels. Burgemeester Jorritsma van Eindhoven spreekt al openlijk over een totale lockdown. Misschien is het beter om even nuchter te blijven. Want, wat is de echte stand van zaken? 

Het aantal besmettingen is redelijk stabiel. Maar die cijfers zeggen weinig. En de cijfers die er wel toe doen, geven geen aanleiding voor aanscherping van de regels.

Elke dag komen er drie nieuwe cijfers naar buiten: het aantal nieuwe besmettingen, het aantal nieuwe ziekenhuisopnames en het aantal nieuwe IC-opnames. Wat zeggen die cijfers werkelijk? 

Het ‘aantal nieuwe besmettingen’ suggereert dat het gaat om het aantal mensen dat in de afgelopen 24 uur besmet is geraakt. Maar dat is niet het geval. Het gaat hier om het aantal positieve tests. Van mensen die niet zijn getest, weten we niets. In de eerste golf werden alleen mensen die in het ziekenhuis werden opgenomen getest. Vanaf juni worden alle mensen die zich met klachten melden, getest. En vanaf vandaag worden mensen ook getest als ze geen klachten hebben. Als je daarbij bedenkt dat heel veel besmette mensen slechts milde of zelfs helemaal geen klachten hebben, wordt het aantal ‘nieuwe besmettingen’ dus voor een belangrijk deel bepaald door de neiging van mensen om zich te laten testen. En die neiging is niet constant: als we bang zijn laten we ons sneller testen en als we minder bang zijn kijken we het nog even aan. 

Het ‘aantal nieuwe ziekenhuisopnames’ zegt veel meer. Helaas weten we nog steeds niet welk percentage van alle mensen die besmet zijn, moet worden opgenomen in het ziekenhuis. Maar als we veronderstellen dat dit percentage in het afgelopen jaar niet veel is veranderd, geeft het ‘dagelijkse aantal nieuwe ziekenhuisopnames’ dus een goed beeld van de ontwikkeling van het virus. Dit cijfer aantal daalt al weken geleidelijk. Wat dat betreft is er dus geen enkele reden om nadere maatregelen te nemen, laat staan te praten over een totale lockdown. 

Het ‘aantal nieuwe ziekenhuisopnames’ mag iets zeggen over de ontwikkeling van het aantal besmette mensen, maar voorzover ik weet is het beleid er primair op gericht om de zorg niet te laten overlopen. Zolang de zorg het aan kan moeten samenleving en  economie zo weinig mogelijk worden belemmerd. In dat opzicht zegt het ‘aantal nieuwe ziekenhuisopnames’ onvoldoende. We weten immers niet hoeveel mensen dezelfde dag het ziekenhuis weer hebben verlaten. Om te weten of de zorg niet wordt overlopen moeten we de ‘bezetting’ weten: hoeveel mensen liggen er in het ziekenhuis en met name op de IC. Het befaamde onderscheid tussen incidentie (het aantal nieuwe gevallen) en prevalentie (het aantal mensen op een bepaald moment met een bepaalde aandoening). 

Het beleid heeft dus behoefte aan twee cijfers: het dagelijkse aantal nieuwe ziekenhuisopnames (als indicator voor toe- of afname van aantal nieuwe besmettingen) en de bezetting van de IC-bedden (als indicator voor de mate waarin de zorg wordt overlopen). 

Conclusie: bestuurders zouden zich niet moeten laten leiden door die dagelijkse meldingen van ‘nieuwe aantallen besmettingen’. Laten ze vooral oog hebben voor de bezetting op de IC’s en laten ze elke dag met een schuin oog kijken naar het aantal nieuwe ziekenhuisopnames, omdat die een indicatie geven voor de IC-bezetting over een week. 

Op dit moment daalt het aantal nieuwe ziekenhuisopnames heel geleidelijk. Op dit moment daalt de IC-bezetting heel geleidelijk. Er is dus geen enkele reden voor strengere maatregelen. Laat staan voor paniek. 

En dan mogen we ook nog bedenken dat spoedig de eerste mensen worden gevaccineerd. Ik heb net weer met 6 miljoen andere Nederlanders een griepprik gekregen (effectiviteit ongeveer 50%). De nieuwe COVID-19-vaccins hebben een veel hogere effectiviteit. Als Hugo de Jonge in staat is om diezelfde 6 miljoen Nederlanders in januari een COVID-19-vaccin toe te dienen, stromen de IC’s in korte tijd leeg. 

Deel dit bericht:

Wie horen ambtenaren te dienen #toeslagenaffaire

november 24, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

De Toeslagen-enquête zou een feest voor elke bestuurskundige zijn, als de aanleiding niet zo ongelofelijk schrijnend was. Niettemin, er komt veel boven water. En ik hoop dat werkelijk alles boven tafel komt. Ik ben daar nog niet helemaal zeker van als ik de Enquête-commissie haar vragen hoor stellen. Zo stelde het kamerlid Belhaj aan Lodewijk Asscher de vraag of hij het niet vreemd vond dat “uw ambtenaren het probleem niet belangrijk genoeg vonden om het u te vertellen”. Die vraag suggereert twee dingen: ten eerste dat ambtenaren problemen kennen en ten tweede dat ambtenaren problemen aan hun minister vertellen. Over beide aspecten valt nog wel iets op te merken. 

We weten allemaal dat de top-ambtenaren in de laatste decennia in een carroussel zijn terechtgekomen. Iedereen moet na 7 jaar plaatsmaken voor een ander en bij voorkeur moeten ambtenaren na 7 jaar een overstap maken naar een ander departement. Beide gedachten zijn niet zo vreemd. Na 7 jaar is van iedereen wel het beste af, en het is interessant om na 7 jaar een probleem ook eens van een andere kant te bekijken. Problematisch is wel de gedachte die aan deze carroussel ten grondslag ligt: in de ambtelijke top gaat het primair om het proces. Voor de inhoud heb je vooral de lagere ambtenaren. 

Het heeft me vaak verbaasd als ik top-ambtenaren sprak (de goede niet ten nagesproken). Dat ze eigenlijk niet zoveel wisten van het onderwerp waarvoor ze verantwoordelijk waren. Niet omdat ze het verstand daarvoor niet hadden, maar omdat ze meenden dat dat niet zo belangrijk was. Ooit sprak ik een directeur luchthavens die na 3 jaar in functie nog geen idee had hoe de geluidsoverlast rondom Schiphol werd berekend. Ooit kwam ik een directeur-generaal Milieu tegen die geen notie had van het milieu. Etc. 

Zij stonden voor een breder probleem: mensen werden benoemd omdat ze goede procesmanagers waren en niet omdat ze veel van de inhoud wisten. En: eenmaal benoemd deden ze weinig moeite om zich werkelijk in de inhoud te verdiepen. Overigens is het mij altijd een grote vraag geweest hoe je een goede procesmanager kan zijn zonder je in de inhoud te verdiepen. Het verbaast me dus niet dat de directeur Kinderopvang van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid pas na 2 jaar begreep dat er iets mis was met het toeslagen-beleid. 

Laat duidelijk zijn: top-ambtenaren horen te weten hoe processen in Den Haag verlopen en horen te verlopen. Maar daar stuiten we wel meteen op een tweede probleem. Het is, alweer de laatste twee decennia, voor top-ambtenaren steeds belangrijker geworden om hun eigen minister uit de politieke wind te houden. Niet het voeren van een goed beleid lijkt hun eerste prioriteit, maar het voorkomen van politieke schade van de minister. Beter een minister die niks doet dan een minister die schrammen oploopt. 

Bij dat denken past het om je minister juist niet te vertellen welke problemen er dreigen. Hoe meer de minister weet, hoe dieper hij in de problemen kan komen. Als de minister van een probleem weet kan hem worden verweten dat hij niets heeft gedaan, als een minister van een probleem onwetend is gehouden kan hem alleen worden aangewreven dat hij formeel verantwoordelijk was. Het is niet denkbeeldig dat ook sommige ministers om die reden tegen hun ambtenaren zeggen dat ze bepaalde zaken niet willen weten. 

Als het je taak is om vooral je eigen minister uit de wind te houden, kijk je anders naar je minister, naar de Kamer en naar andere departementen. Uit de Kamer dreigt vooral gevaar en de eigen problemen moeten vooral over de schutting van het andere departement worden gegooid. Zo geeft de Belastingdienst de schuld aan het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en omgekeerd. De neiging om je eigen minister vooral uit de wind te houden heeft daarmee de verkokering tussen de departementen alleen maar versterkt. Het is dan ook tamelijk cynisch dat diezelfde top-ambtenaren na 7 jaar moeten circuleren om de verkokering tussen departementen tegen te gaan. 

Ik hoop dan ook dat de Toeslagen-enquête het volgende duidelijk maakt: 

  • dat top-ambtenaren zich, ook als ze regelmatig moeten verkassen, altijd inhoudelijk moeten verdiepen in het onderwerp waarvoor ze de volgende 7 jaar verantwoordelijk zijn;
  • dat top-ambtenaren bij uitstek inhoudelijk moeten worden gedreven en niet procesmatig (wat het laatste ook mag betekenen) en
  • dat de primaire aandacht van top-ambtenaren moet liggen bij het realiseren van het beleid van de minister en niet bij diens lijfsbehoud. 

[verscheen in De Volkskrant, 27 november 2020]

Deel dit bericht:

Het ongemotiveerde advies van de #Gezondheidsraad

november 23, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Op korte termijn komt een vaccin beschikbaar tegen COVID-19. Omdat we niet allemaal tegelijkertijd kunnen worden gevaccineerd, moet een prioriteit worden vastgesteld: wie krijgt als eerste een vaccin en wie daarna? Het kabinet heeft de Gezondheidsraad om advies gevraagd. De Gezondheidsraad heeft de afgelopen geadviseerd om bij het vaccineren voorrang te geven aan “het verminderen van (ernstige) ziekte en sterfte ten gevolge van COVID-19”. Dat is geen onlogisch advies, maar het advies wordt nergens gemotiveerd. 

De Gezondheidsraad onderkent drie mogelijke strategieën (of een combinatie van deze drie): 

  1. Verminderen van (ernstige) ziekte en sterfte ten gevolge van COVID-19: bij het vaccineren moet voorrang worden verleend aan kwetsbare mensen, aan ouderen en met name aan ouderen met onderliggend lijden. Ook zouden zorgmedewerkers voorrang kunnen krijgen. 
  2. Terugdringing van de verspreiding van het virus: groepen die het meeste bijdragen aan de verspreiding van het virus komen als eerste in aanmerking voor vaccinatie. 
  3. Voorkomen van maatschappelijke ontwrichting (waarborgen van continuïteit in de zorg, maar ook van veiligheid, onderwijs en openbaar bestuur): bij vaccinatie wordt voorrang gegeven aan mensen die werken in zorg en in andere vitale beroepen. 

De Gezondheidsraad meldt dat een keuze afhankelijk is van nog ontbrekende wetenschappelijke gegevens (misschien beschermt het vaccin bepaalde bevolkingsgroepen beter dan andere) en van “normatieve overwegingen”. Vervolgens kiest de Gezondheidsraad zonder enige nadere duiding van die “normatieve overwegingen” voor strategie 1.

Laat ik eerst vaststellen dat er (minimaal) twee strategieën ontbreken. Zo is de derde strategie wel erg summier verwoord. COVID-19 zorgt niet alleen voor ontwrichting van vitale maatschappelijke sectoren, COVID-19 zorgt ook voor heel veel maatschappelijke kosten: economische krimp, werkloosheid, schoolachterstanden, verschraling van cultureel en sociaal leven, etc., etc. Deze maatschappelijke kosten kan je afwegen tegen maatschappelijke kosten ten gevolge van sterfte en ernstige ziekte. Bij maatschappelijke kosten- en batenanalyses wordt de waarde van een levensjaar vaak ingeschat op € 80.000. De volgorde van het vaccineren zouden we dus ook kunnen richten op het optimaal terugdringen van de maatschappelijke kosten die met COVID-19 zijn verbonden. Het zou me niet verbazen dat je met het vaccineren van al het onderwijzend personeel de maatschappelijke kosten van COVID-19 verder terugdringt dan met het vaccineren van alle bewoners van alle verpleegtehuizen. 

De vierde strategie is erg economisch gedacht, bijna cynisch. Er is natuurlijk ook een strategie denkbaar die daar bijna haaks op staat: een strategie gericht op barmhartigheid. We zouden ook eerst kunnen denken aan de mensen die het toch al moeilijk hebben (en daarom ook vaak kwetsbaar zijn). Dus eerst vaccineren in Amsterdam-West, Rotterdam-Zuid en in de verpleeghuizen, om enkele voorbeelden te noemen. 

Ik onderken dus nog twee andere strategieën: 

  1. Optimaal terugdringen van maatschappelijke kosten van COVID-19.
  2. Barmhartigheid. 

Ik noem die laatste strategie niet zonder reden. Het maakt extra duidelijk dat de keuze voor een strategie een politieke, normatieve keuze is. Die keuze heeft niets met wetenschap te maken. Je moet de Gezondheidsraad (een club van vooraanstaande wetenschappers) dan ook niet vragen wat je moet doen, maar alleen: wat je zou kunnen doen. 

Maar de Gezondheidsraad had ook zelf kunnen zeggen dat het niet aan de wetenschap maar aan de politiek is om tussen de verschillende strategieën te kiezen. De Raad had ook zelf kunnen zeggen dat de wetenschap nooit zegt welke normatieve keuze beter is. 

Je kan het ook positief zijn: eigenlijk is het verheugend dat de Gezondheidsraad zijn keuze voor de eerste strategie nergens heeft gemotiveerd. Blijkbaar wist men zelf ook wel dat het hier niet om een wetenschappelijke maar om een politieke keuze ging. Maar vreemd is het wel om een ongemotiveerd advies uit te brengen aan de regering. 

Zie ook: De mystiek van het R-getal.

Deel dit bericht:

Arthur Docters van Leeuwen: een buitenbeentjes-ambtenaar

november 18, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Vlak voor zijn dood rondde Arthur Docters van Leeuwen zijn memoires af. Het is een fascinerend boek geworden. Om twee redenen. Ten eerste had Docters een indrukwekkende loopbaan in de Haagse burelen achter de rug. Hij begon op het Ministerie van Financiën. Hij vervolgde op het Ministerie van Binnenlandse Zaken, waar hij de aanzet gaf voor de regionalisering van de politie. Hij was directeur van de BVD die door hem meer zichtbaar werd. Hij was de hoogste baas van het OM, waar het College van PG’s onder zijn leiding vorm kreeg. En hij eindigde als eerste baas van de Autoriteit Financiële Markten. 

Ten tweede speelde Docters het spel niet alleen vaardig, maar hij was ook bereid om daarvan in zijn memoires helder en eerlijk verslag te doen. Zo geeft een boek een prachtige inkijk in het dagelijkse reilen en zeilen van Den Haag. In dat subtiele spel tussen ambtenaren en politiek. Zelf liet Docters niet na om zijn politieke meerderen de waarheid te zeggen. En hij laat goed zien dat dat laatste niet gangbaar is. De meeste topambtenaren zijn wat meegaander dan Docters, om het voorzichtig uit te drukken. 

Docters gaf zijn boek een boeiende ondertitel mee:  “Een spoor van vernieuwing.” Hij had de titel zelf kunnen bedenken, maar leende hem van een aan hem gewijd artikel in Trouw. Docters heeft inderdaad veel vernieuwingen doorgevoerd, maar wilde ook wel graag weten dat die verregaande reorganisaties toch echt zijn verdienste waren. Nee, echt bescheiden was Docters niet. In zijn ogen liepen er ook veel nitwits en hielenlikkers rond in Den Haag. Ik geef toe: het is soms best vermakelijk om te lezen hoe vernietigend de ene na de andere wordt afgeserveerd. Zeker als je zijn mening deelt. 

Toch kon Docters ook best positief zijn. Hij noemt soms iemand “slim”, misschien wel de slimste van het gezelschap, “op mij na dan”. Die laatste woorden worden zonder gêne neergeschreven. Alsof iedereen op zijn intelligentie werd beoordeeld en Docters elke keer weer moest vaststellen dat hij uiteindelijk zelf toch slimmer was.

Maar in Den Haag kan je soms beter handig zijn dan hoogbegaafd. Zo komt Docters’ moment van glorie bij het OM ook abrupt tot zijn einde. Niet door de slimme mannetjes, maar door de handige mannetjes van Den Haag. Dat ontslag van Docters zie je van verre aankomen. Docters kan niet nalaten om zijn toenmalige minister, Winnie Sorgdrager, meermalen als een derderangs figuur neer te zetten. Natuurlijk vermeldt Docters steeds dat de minister vanzelfsprekend de baas is. Maar in een volgend overleg is Sorgdrager alweer “emotioneel” en denkt ze weer “niet logisch”. Hier klinkt niet alleen dedain voor dommere mensen maar ook nog enig seksisme in door. Overigens maakt Docters in deze affaire zelf enkele zeer onhandige fouten. Die worden afgestraft en hij krijgt zijn ontslag. 

Eigenlijk heeft hij dat ontslag nooit kunnen begrijpen, laat staan accepteren. Zijn memoires bewijzen dat keer op keer. Hij kan maar niet begrijpen dat een hoog-intelligent iemand als hijzelf door veel minder intelligente mensen is gevloerd. Ja, één keer zag hij het aankomen. Toen hij eerder een briljant betoog afstak bij de verhoren bij de Parlementaire Enquête over de IRT-affaire. En toen Winnie Sorgdrager daar rampzalig onderuit ging. Op dat moment zag hij dat hij het niet zou kunnen winnen. Hij schrijft: “Een tweede man die beter is dan de eerste man, moet altijd plaatsmaken”. 

Rationeel wist hij dus heel goed waarom hem uiteindelijk ontslag was aangezegd bij het OM. Hij struikelde gewoon over zijn bovenmatige intelligentie. Maar persoonlijk kon hij het maar moeilijk verkroppen. En daarin ligt de tweede oorzaak voor zijn val besloten: deze man was niet alleen hoog-intelligent, maar deze man zocht ook steeds naar bevestiging. Als hij zijn boek afsluit met de vraag of hij geslaagd is in zijn leven en vervolgens de vijf ridderordes opnoemt die hij her en der heeft opgeduikeld en vervolgens concludeert dat zijn leven “geslaagd” is, zie je dat deze man zijn hele leven naar bevestiging heeft gehunkerd. 

Natuurlijk heeft deze man een briljante ambtelijke carrière doorlopen. Natuurlijk had deze man een zeer scherpe kijk op Den Haag, waardoor deze memoires zo lezenswaardig zijn geworden. Maar zijn grote intelligentie en zijn (grote) behoefte aan bevestiging hebben hem wel zodanig in de weg gezeten, dat hij niet de carrière heeft gehad die anders zeker mogelijk was geweest. Mooi boek!

Deel dit bericht:

De #PvdA wil vooral de vorige oorlog winnen

november 16, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

De PvdA heeft haar verkiezingsprogramma gepubliceerd. Er is hard aan gewerkt door veel mensen. Dankbaarheid is op zijn plaats. Maar het programma stelt me wel erg teleur. Gelukkig staat de PvdA erom bekend dat intern kritiek niet wordt geschuwd. Dus ik bewijs met dit kritische blog vooral dat ik echt bij die club hoor. 

Waarom stelt het nieuwe verkiezingsprogramma me zo teleur?

Bovenal bereidt het programma ons voor op de vorige oorlog. Eigenlijk staat het hele programma in het teken van Rutte II. Deelname aan dat kabinet kwam de PvdA op een groot verlies te staan, zeker nadat Samsom en Asscher ook nog eens een beschamende tweestrijd waren aangegaan. Het is begrijpelijk dat het nu anders moet. Maar ik lees dat hele verkiezingsprogramma toch vooral als een aanval op Rutte II. En als een schuldbekentenis. Terwijl ik liever wil horen wat de PvdA voor de toekomst in petto heeft. 

Het nieuwe programma staat ook in het teken van “zekerheid”. Dat verbaast niet omdat Asscher al twee jaar om de drie zinnen over “zekerheid” praat. (Ja, inderdaad, omdat Rutte II te weinig zekerheid bood.) Maar je merkt ook dat het begrip door een communicatiebureau is bedacht. Het wordt namelijk nergens geproblematiseerd, ook niet in dit verkiezingsprogramma. Soms gaat het over “bestaanszekerheid”, meestal gewoon over “zekerheid”. In een eerder blog heb ik me al afgevraagd door wie die “zekerheid” wordt gedefinieerd. Door de partij-elite of door de mensen die zekerheid wordt geboden. De grote vraag daarbij is: staat de PvdA open voor de onzekerheid van de mensen die ze zekerheid wil bieden?

Het is bekend dat de traditionele achterban van de PvdA zich onzeker voelt door de komst van migranten. Wat je daar ook van vindt, ik heb niet het gevoel dat de PvdA die onzekerheid met dit programma wil wegnemen (omdat migratie niet wordt geproblematiseerd). Het is bekend dat de traditionele achterban van de PvdA zich onzeker voelt over de kosten van het klimaatbeleid. Ik heb niet het gevoel dat de PvdA die onzekerheid wil wegnemen omdat een krachtig klimaatbeleid bestaanszekerheid biedt aan toekomstige generaties. Daarmee is ook meteen duidelijk dat een beleid dat zekerheid biedt voor de één, wel eens tot een grotere onzekerheid voor de ander kan leiden. Zo wordt zekerheid bieden een loos begrip. Je zal altijd helder moeten aangeven wie je zekerheid wil bieden (en wie eventueel niet). 

Eerlijk gezegd mis ik niet alleen een problematisering van het begrip “zekerheid” in het nieuwe verkiezingsprogramma. Ik mis vooral een bredere visie waarin al die afzonderlijke voorstellen elkaar kunnen versterken. En bovendien zeggingskracht krijgen. Nu lijkt het er vooral op dat elk lid van de programmacommissie zijn voorstellen mocht indien en dat de voorzitter al die voorstellen in 9 hoofdstukken (over werk, zorg, onderwijs etc) heeft gerubriceerd. Maar rubriceren is iets anders dan samenhang aanbrengen. 

In bestuurskunde spreken we wel over de garbage can: een wilde verzameling aan doelen en middelen, waarbij niet duidelijk is welke doelen bij welke middelen horen en omgekeerd. Ja, dit verkiezingsprogramma doet me daar erg aan denken. En eerlijk: bij alle doelen en bij alle middelen krijg ik een warm gevoel. Maar dat is niet voldoende voor een visie op de samenleving, laat staan voor een consistent beleid. 

Maar uiteindelijk stelt het programma mij vooral teleur omdat “zekerheid” zo weinig vernieuwend wordt ingevuld. De sociaal-democratie staat niet alleen voor bestaanszekerheid, maar ook voor vooruitgang. De PvdA is altijd een progressieve partij geweest. Dat onderscheidt de PvdA ook van een partij als de SP, die vooral de eigen denkbeeldige achterban wil beschermen. Juist daarom mis ik in dit verkiezingsprogramma antwoorden op de grote vragen van dit moment. 

Wat wil de PvdA nu echt met de migratie, met de globalisering, met Europa? Wat is het echte antwoord van de PvdA op het populisme? Wat wil de PvdA in een wereld waarin de algoritmes een machtsbron zijn voor een handvol techbedrijven? Wat gaat de PvdA werkelijk doen tegen de steeds grotere wordende vermogensverschillen, in eigen land en internationaal? Streeft de PvdA bij de bestrijding van de kansenongelijkheid in de samenleving naar het meritocratisch ideaal of naar een waardig bestaan voor iedereen? En wat wil de PvdA nu echt met klimaat, stikstof en natuur, afgezien van enkele brave holle woorden. Geen idee. 

Ik begrijp dat de PvdA nog steeds worstelt met Rutte II en de dramatische verkiezingen van 2017. Maar dit programma kijkt echt te veel terug. Ik vrees dat we tot 2025 moeten wachten voordat de PvdA weer vernieuwend zal zijn.

Deel dit bericht:

De mystiek van het R-getal #corona

november 13, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Corona biedt een onuitputtelijke stroom aan tentamen-vragen voor het vak Statistiek. Zo ook weer afgelopen dinsdag. Teletekst meldt dat het R-getal voor het eerst sinds tijden weer onder de 1 is gezakt. Gelukkig krijgen we enige uitleg: “Als de R onder de 1 zakt, neemt de verspreiding van het virus af”. Inderdaad, dat klopt. Maar dan komt dit: “Dat is ook goed te zien aan de ontwikkeling van het aantal positieve tests.” Hoezo “ook”? Het reproductiegetal wordt door het RIVM gewoon berekend op basis van diezelfde aantallen positieve tests.

Eerst even de theorie. Stel: 100 mensen zijn besmet met COVID-19. Als deze 100 mensen op hun beurt 100 andere mensen besmetten, is R gelijk aan 1. Als ze minder dan 100 andere mensen besmetten ligt de R onder de 1 (en zal het virus langzaam uitdoven). Theoretisch is dat een heldere gedachte. Maar hoe moet je nu die R berekenen? Het bron- en contractonderzoek is beperkt. Dus we kunnen nooit exact vaststellen hoeveel mensen meneer X, of mevrouw Y, heeft besmet. 

Het RIVM moest dus iets anders bedenken. Ze baseerden zich daarbij op de wetenschap dat het gemiddeld 4 dagen duurt voordat iemand die klachten krijgt, een ander heeft besmet. Dus als na 4 dagen meer mensen ziek worden, duidt dat erop dat het reproductiegetal boven de 1 ligt. En als na 4 dagen minder mensen ziek zijn geworden, moet het reproductiegetal onder de 1 liggen. (Ik weet het: Tante Truus uit Appelscha is pas na 6 dagen ziek geworden, maar het gaat bij statistiek vaak om gemiddelden.)

Om de R te berekenen moeten we dus weten hoeveel mensen op dag 1 hun eerste klachten hadden (eerste ziektedag) en hoeveel mensen op dag 5. En R om te berekenen delen we dan het laatste aantal door het eerste. Voor die berekening neemt het RIVM de dagelijkse cijfers over het aantal positieve tests tot uitgangspunt. En past drie bewerkingen toe: 

  • Ten eerste gaat het RIVM niet uit van het aantal positieve tests dat op een dag wordt gemeld, maar van het aantal mensen dat op een bepaalde dag positief is getest (zeker in het weekend blijven die briefjes nog wel eens rondslingeren voordat ze op maandag naar het RIVM worden gestuurd).
  • Ten tweede stelt het RIVM vast wat de eerste ziektedag moet zijn geweest van de mensen die positief zijn getest. Dat vergt een kleine correctie van enkele dagen. Daarmee blijft de grafiek gelijk, alleen schuiven de data op de X-as iets op. 
  • Ten derde berekent het RIVM het reproductie-getal, zoals gezegd, door het aantal gevallen op dag 5 te delen door het aantal gevallen op dag 1.  

De gevolgen zijn simpel: als er een dalende trend is in het aantal dagelijks gemelde positieve tests zal het RIVM onvermijdelijk, zij het met enige vertraging, melden dat de R onder de 1 zakt. Het is dus onjuist om te melden dat “ook” aan de ontwikkeling van de positieve tests is te zien dat de R onder de 1 is gezakt. Nee, omdat het aantal positieve tests afneemt, daalt de R onder de 1.

Zo ingewikkeld is die R dus niet. Bovendien is het aantal positieve tests een slechte graadmeter voor de ontwikkeling van het virus. Zie mijn vorige blog: #Corona en de selffulfilling prophecy. Het aantal positieve tests zegt waarschijnlijk meer over de neiging van mensen om zich te laten testen, dan over het aantal werkelijk besmette mensen. En die neiging wil nogal eens verschillen. Als we bang zijn laten we ons vaker testen, als we denken dat het wel zal meevallen, laten we ons minder testen. 

Deze relativering van het reproductiegetal staat nogal haaks op de manier waarop erover wordt gesproken. Soms lijkt het Haagse beleid geheel afhankelijk te worden gemaakt van “de R”. Vooral uit de mond van Hugo de Jonge krijgt het woord bijna een mythische klank. Alsof tientallen wetenschappers weken nodig hebben om de R te bepalen. In werkelijkheid is de R, zoals het getal nu wordt berekend, een tamelijke simpele maat, op basis van tamelijk onbetrouwbare cijfers. 

Inderdaad, het is een groot voorrecht om in een land te leven waar het beleid op feiten wordt gebaseerd, maar soms is het beter om het beleid op inzicht te baseren in plaats van op feiten.  

[Oh ja, nu die tentamen-vraag nog: “Waarom ziet Teletekst in een dalend aantal positieve tests ten onrechte een extra bewijs voor een R onder de waarde 1?”]

Deel dit bericht:

De Indonesische revolutie en het Nederlandse racisme

november 10, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Nederland pleegde tussen 1945 en 1949 oorlogsmisdaden in Indonesië. Het “systematische structurele extreme geweld” was bovenal gestoeld op racisme. Dat is de kern. 

Toch nog steeds schokkend om te lezen. Rémy Limpach heeft zijn proefschrift over het Nederlandse oorlogsgeweld in de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog compact samengevat in het boek Brandende kampongs, dat onlangs is verschenen.  Ik zal het systematische en structurele extreme geweld hier niet verder toelichten. De fundamentele vraag is nog steeds: hoe heeft dit kunnen gebeuren? 

Twee dagen nadat Nederlands Indië was bevrijd van de Japanse bezetting riepen Soekarno en Hatta de onafhankelijkheid uit. Het leek door de Nederlandse regering nauwelijks te worden opgemerkt. Soekarno en Hatta werden in het Nederlandse denkraam weggezet als collaborateurs, als de NSB-ers van Indië. Ze hadden immers aangepapt met de Japanse bezetter en alles wat met Duitsland en Japan samenzwoer was fout en alles wat Japan en Duitsland bestreed was goed. Blijkbaar kwam niemand op de gedachte dat Nederland al eeuwen Indië bezet hield en leegroofde. En dat Soekarno en Hatta de Japanse bezetting aangrepen om na de oorlog van Nederland te worden verlost. 

Er was bovendien een belangrijke reden om dat onafhankelijkheidsgedoe in Indië snel te onderdrukken: de kas van de Nederlandse staat was na de bezetting vrijwel leeg en moest snel worden bijgevuld. En daarvoor had je in die tijd koloniën. Terwijl de internationale gemeenschap nog probeerde om Nederland op andere gedachten te brengen, repte de Nederlandse regering slechts over ‘politionele acties’, om de natuurlijke orde te herstellen. Die politie bestond wel uit een leger van 200.000 man. Nederland stuurde naar verhouding meer militairen naar Indië dan Frankrijk naar Algerije en Amerika naar Vietnam. 

Het werd een drama. 100.000 Indonesiërs kwamen om het leven in hun Onafhankelijkheidsoorlog. 3500 slachtoffers aan Nederlandse zijde. Aan Indonesische zijde stierven velen door  systematisch en structureel extreem geweld dat het oorlogsrecht ver te buiten ging. Duizenden gevangenen werden zonder pardon geëxecuteerd. Duizenden werden gemarteld. Vele kampongs werden in brand gestoken. 

Het extreme geweld was bekend bij de legerleiding. Die liet het gebeuren. Het extreme geweld was bekend bij de Nederlandse regering die lang heeft geprobeerd om het extreme geweld als ‘incidenten’ af te doen. Soms bereikten geruchten Nederland, maar die verdwenen alras in de doofpot. Pas in 2005 (sic) gaf minister Bot van Buitenlandse Zaken toe dat Nederland in die tijd “aan de verkeerde kant van de geschiedenis had gestaan”. En pas in 2020 sprak koning Willem-Alexander excuses uit bij een staatsbezoek aan Indonesië. Aan de verkeerde kant van de geschiedenis staan: dat hadden we toch wel eerder kunnen inzien. Nederland was in Indonesië de bezetter die zich ernstig misdroeg toen hij werd verjaagd. Terwijl we zo graag opgaven over ons verzet tegen de Duitse bezetter, dat overigens in de praktijk ook veel marginaler was dan we graag wilden horen. 

Waarom is het met Nederland zo misgegaan in de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog? Limpach noemt allerlei factoren. Eigenlijk is er maar één: racisme, onverbloemd racisme. Wij waanden ons (al eeuwen) veel beter dan die ‘inlanders’ van de Indische archipel. Daarom leiden we ook al jaren een ‘beschavingsmissie’ in het gebied, een missie die na WOII vanzelfsprekend moest worden voortgezet. ‘Zij’, die inlanders hadden onze beschaving nodig, om beter te kunnen leven. (In 1962 riepen we het nog steeds toen het laatste deel van Nederlands Indië, Nieuw Guinea, ons werd ontnomen.) En omdat we zo op die ‘inlanders’ neerkeken, werd ook de kracht van het Indonesische leger volkomen onderschat. Voor dat immense gebied waren die 200.000 Nederlandse militairen volstrekt ontoereikend, zeker nadat de Indonesiërs aan een guerrillastrijd waren begonnen. En juist het besef dat hier een verloren strijd werd gestreden én een gebrek aan beschaving zorgden ervoor dat het Nederlandse leger zich ongelofelijk is gaan misdragen. 

De Duitse bondskanselier Helmuth Kohl zei ooit dat hij onschuldig was aan de Tweede Wereldoorlog omdat hij de oorlog niet als volwassene had meegemaakt. De Duitse bondspresident Richard von Weizsäcker bracht daar tegenin dat de Duitse staat altijd verantwoordelijk bleef voor de misdaden die in naam van de Duitse staat waren gepleegd.

Ik vrees dat nog steeds vele Nederlanders geen flauw idee hebben van de wandaden die Nederland in Indonesië heeft gepleegd. 

Deel dit bericht:

#KLM is een Frans bedrijf

november 3, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Er is gedoe over KLM. Wopke Hoekstra heeft € 3,4 miljard toegezegd, onder een aantal voorwaarden. Zo moet het personeel akkoord gaan met een loonmatiging tot 2025. Op dit moment (maandagavond 2 november) hebben alleen de piloten nog geweigerd om bij het kruisje te tekenen. Als ze niet tekenen is de kans groot dat  ‘onze’ KLM failliet gaat.

Ik heb altijd geleerd dat je bij onderhandelingen vooral in de gaten moet houden wat de belangen van de tegenpartij zijn. En dan is duidelijk dat eigenlijk niemand veel reden heeft om de ander gelijk te geven. 

Laat ik beginnen met Wopke Hoekstra. Samen met Cora van Nieuwenhuizen leek hij aanvankelijk van mening dat KLM en Schiphol altijd hun zin moeten krijgen. Dat aloude sentiment in Den Haag is gebaseerd op enkele simpele gedachten: Schiphol en met name de hub-functie van Schiphol is van groot belang voor de Nederlandse economie. Omdat je vanaf Schiphol rechtstreeks naar vele plaatsen op de wereld kan vliegen, is de Randstad zeer aantrekkelijk voor veel internationale bedrijven. En KLM is hier de spin in het web. Het was dan ook niet verrassend dat Wopke Hoekstra meteen miljarden beloofde aan de KLM toen de eerste toeristen hun reis annuleerden. 

Natuurlijk was dat kortzichtig. Het is al vaker gezegd: het belang van Schiphol voor de Nederlandse economie wordt vaak erg overschat. En als de hub-functie van Schiphol al van groot belang is voor Nederland, dan is het nog maar de vraag of we daarom hier ook zoveel Chinese toeristen moeten laten landen. Met alle negatieve externe effecten van dien (geluid, klimaat, etc.). 

Toch vermoed ik dat Wopke’s twijfel gaandeweg is toegenomen. Zijn ambtenaren zullen hem hebben verteld dat ‘onze’ KLM al lang niet meer van ons is. Sinds 2004 is de KLM overgenomen door Air France. KLM is sindsdien economisch eigendom van Air France-KLM, een bedrijf dat overwegend in Franse handen is. Wopke heeft dat nog proberen recht te trekken door vorig jaar voor meer dan € 700 miljoen aan aandelen Air France-KLM te kopen. Helaas heeft hij op die aandelen inmiddels een half miljard euro verlies geleden.

En dan zeg je op een onbewaakt moment van nostalgie en van nationaal corona-gevoel € 3,4 miljard aan steun toe aan de KLM. 

Sindsdien is het beeld nog veel scherper geworden: Air France-KLM heeft in het laatste kwartaal € 1,7 miljard verlies geleden. In de komende kwartalen zal nog zoveel verlies volgen, dat die € 3,4 miljard spoedig al weer te weinig zal zijn. Dan zal KLM weer met de pet in de hand op de stoep staan. Bovendien zal de Franse regering er alles aan zal doen om Air France overeind te houden. Moet Wopke dan opbieden tegen de Fransen, terwijl de KLM gewoon economisch eigendom is van Air France? Waarom zou Hoekstra tot in lengte van dagen een Frans bedrijf gaan steunen? Al met al kan ik me voorstellen dat Wopke Hoekstra het niet erg zal vinden als de piloten een akkoord met KLM blokkeren. Hij heeft wel één voorwaarde: hij wil niet zelf met de zwarte piet blijven zitten. 

En wat is de positie van de piloten in dit spel? Deze mannen en vrouwen verdienen minimaal driemaal modaal. Piloten met veel vlieguren verdienen zelfs meer dan € 250.000 per jaar. KLM-piloten behoren tot de best verdienende piloten ter wereld. Dan kan je wel 20% missen, zou je zo zeggen. Op één voorwaarde: dat je zeker kan zijn van je baan. Maar die piloten weten even goed als Wopke Hoekstra dat de toekomst van de luchtvaart en met name van de KLM zeer ongewis is. KLM kan omvallen,  Air France-KLM kan omvallen. Maar de kans is ook heel groot dat de Fransen hun eigen winstgevendheid graag willen vergroten door (het tot voor kort goedlopende) KLM in hun eigen bedrijf te integreren. Dat zou alleen kunnen worden voorkomen als de ‘Franse’ KLM voor langere tijd bij Hoekstra aan het infuus kan liggen. Dat zie ik niet gebeuren. Veel piloten zullen zich dus afvragen: moeten we nu al voor jaren loon inleveren, als straks de onderhandelingen met de Fransen nog moeten beginnen? 

Vanuit dit perspectief begrijp ik wel dat geen van partijen meteen genegen is om toe te geven. En als ze wel tot een akkoord komen, zal het een voorlopig akkoord zijn. In ieder geval is de kans groot dat KLM geheel zal opgaan in Air France, omdat de Fransen hun nationale luchtvaartmaatschappij nooit zullen laten vallen en Nederland uiteindelijk niet bereid zal zijn om een Frans bedrijf overeind te houden. Persoonlijk geloof ik niet dat Nederland daarvan uiteindelijk slechter zal worden.

Zie ook: Minister, #Schiphol vraagt om een redenering. En: Gedeelde kennis over #Schiphol

Deel dit bericht:

Het @C19RedTeam en de pseudo-wetenschap

oktober 26, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

In tijden van corona komen alle lessen die ik de laatste tien jaar heb gegeven over de relatie tussen kennis en beleid over het voetlicht. Zo ook het onderscheid tussen academic science en public science. Grof gezegd het onderscheid tussen Jaap van Dissel en het Red Team dat de laatste weken veel aandacht krijgt in de media. 

De taakverdeling tussen kennis en beleid was tot op heden tamelijk simpel en voldeed aan twee regels. 

Regel 1: beleid moet je op kennis baseren om kansrijk te zijn. Zo moet je weten hoe een virus zich kan verspreiden, welke consequenties de verspreiding van een virus kan hebben en welke maatregelen de verspreiding van het virus kunnen tegengaan. 

Regel 2:  wat je moet doen is geen wetenschappelijke, maar een politieke vraag. Daarbij spelen allerlei politieke overwegingen. Hoe wegen we de voor- en nadelen van een lockdown? In welke mate moeten de rechten van mensen worden ingeperkt? In welke mate laten we ons leiden door draagvlak onder de burgers?

Met name Jaap van Dissel, het RIVM en het OMT hebben tot op heden de kennis aangedragen, op grond waarvan de regering tot een afgewogen oordeel kwam. Een enkele keer leek Van Dissel de grens van kennis en beleid te overschrijden. Als hij niet alleen vertelde wat hij van COVID-19 wist, maar ook vertelde wat er zou moeten gebeuren. Maar normaliter hielden Van Dissel én Rutte het onderscheid tussen kennis en beleid scherp in beeld. Van Dissel vertelde wat hij wist en Rutte vertelde wat er ging gebeuren. En zo hoort het ook. 

En toen was daar plotseling het Red Team. Een tamelijk willekeurige groep wetenschappers die menen dat het OMT zich te zeer beperkt tot virologische kennis. Die waarschuwing is om twee redenen terecht. 

Ja, het is goed om te voorkomen dat de virologen die het kabinet adviseren te veel met zichzelf in gesprek gaan en dat andere virologische kennis ten onrechte buiten beeld raakt. 

Ja, het is goed dat het beleid niet alleen gebaseerd is op virologische kennis, maar ook op kennis uit andere disciplines. Denk aan sociologen en psychologen die veel kunnen melden over de sociale gevolgen van een lockdown en over de reacties van mensen op beleid. Denk aan economen en de economische gevolgen van een lockdown. Denk aan onderwijskundigen en de mogelijke toename van de ongelijkheid van kansen in het onderwijs . 

In het eerste geval heb je hele goede virologen nodig die nog niet zijn gehoord. In het tweede geval heb je hele goede sociologen, economen, psychologen, onderwijskundigen etc nodig. Het kan aan mij liggen, maar al die mensen tref ik niet aan in het Red Team. Ik zie in het Red Team vooral andere wetenschappers die denken veel verstand te hebben van virussen. 

In mijn wetenschap maken we dan een onderscheid tussen academic science en public science. Jaap van Dissel en zijn leden van het OMT staan voor de academic science: integere wetenschappers die gedegen onderzoek doen op hun eigen vakgebied en die eindeloos journals napluizen op zoek naar de nieuwste wetenschappelijke inzichten. De meesten houden zich met onderzoek bezig en niet met beleid. Gelukkig zijn een aantal van hen wel bereid om beleidsmakers (en samenleving) van die nieuwste inzichten in hun vak op de hoogte te houden. 

Public science staat voor wetenschappers die zich schijnbaar liever in het publieke debat roeren dan zelf onderzoek te doen. Dit soort wetenschappers vertelt bij voorkeur wat er moet gebeuren. Ze presenteren meer meningen dan feiten. Niet zelden gaat het daarbij om wetenschappers die ver buiten hun eigen vakgebied een privé-mening slijten voor wetenschappelijke inzichten. Daarom wordt wel eens over pseudo-wetenschappers gesproken. 

Laten we het laatste advies van het Red Team eens tegen die achtergrond bekijken. Het Red Team adviseert de regering om op korte termijn te kiezen voor een keiharde lockdown van enkele weken. Vanuit de gedachte, ja zelfs de belofte dat Nederland daarna weer terug kan naar het ‘oude normaal’, omdat we dan COVID-19 definitief onder controle zouden hebben. 

Ongetwijfeld zijn het slimme mensen. Maar waarom zou Rutte dit advies moeten overnemen? 

Ten eerste blijkt uit hun advies van het Red Team nergens dat het OMT belangrijke virologische kennis heeft gemist. Daarvoor mist het Red Team zelf ook te veel deskundigheid op virologisch gebied.

Ten tweede rijkt het Red Team nauwelijks andere relevante kennis aan. Nee, het Red Team heeft het vooral over COVID-19, juist waarover het zo weinig weet.

Ten derde gaat het Red Team op de stoel van de politiek zitten door zelf de afweging te maken tussen volksgezondheid, economie, onderwijs, draagvlak, rechtsstaat etc. Maar waarom zouden we hen die afweging laten maken? Dan heb ik zelf ook nog wel een mening. 

Ach ja, in tijden van COVID-19 telt Nederland 17 miljoen virologen. Daar is niks op tegen. Als je maar weet welke mensen er echt verstand van hebben en als je maar weet dat al die kennis nooit bewijst wat je moet doen. Daarvoor hebben we gelukkig de politiek. 

Deel dit bericht:

Biografie Hans Wiegel vraagt om bijstelling beeld

oktober 24, 2020 by  
Filed under Geen categorie

Pieter Sijpersma schreef een indrukwekkende biografie over Hans Wiegel. Indrukwekkend in omvang. Inclusief 100 pagina’s noten 766 pagina’s dik. Maar het is niet de omvang die de biografie zo indrukwekkend maakt. Het is vooral de evenwichtigheid van biografie die imponeert, een biografie waarin alle aspecten van Hans Wiegel het gewicht krijgen die ze verdienen. 

Tegelijkertijd is het heel bijzonder dat de biografie mij zo’n afgewogen indruk geeft, terwijl ik mijn mening over Hans Wiegel, na lezing heb moeten bijstellen. Blijkbaar was mijn mening over Wiegel nog onvoldoende afgewogen. Maar hoe heb ik dan kunnen vaststellen dat zijn biografie wel zeer afgewogen was? 

Hoe het ook zij, in de jaren 70 waren positieve woorden over Hans Wiegel in de kringen waarin ik verkeerde not done. Wat waren dat voor kringen? Sociologie studeren in Groningen, lid zijn van Nieuw Links, Joop den Uyl steunen ondanks zijn revisionistische standpunten, het meest linkse kabinet van Nederland bejubelen. En het was Hans Wiegel die keiharde, platte oppositie voerde tegen dat kabinet. Het was Hans Wiegel die op slinkse wijze de komst van het tweede kabinet-Den Uyl wist te voorkomen. En het was Hans Wiegel die met zijn voorkeur voor de Telegraaf model stond voor alles wat inging tegen de tijdgeest. Ja, ik weet het, later hebben we ontdekt dat vooral dat moeizame kabinet-Den Uyl tegen de tijdgeest inging. 

In ieder geval herinner ik me die ene cynische grap nog goed, toen dat tweede kabinet-Den Uyl er helemaal niet kwam en Hans Wiegel, de man die in onze ogen niet meer was dan een “ordinaire kletsmajoor”, gewoon minister werd. “Waarom zit Hans Wiegel in het kabinet?” “Een ei hoort erbij”. Het was de tijd waarin met deze slogan reclame werd gemaakt om elke dag een eitje te eten. 

Uit deze prachtige biografie van Sijpersma begrijp ik beter waarom we in de jaren 70 die man allemaal haatten en begrijp ik ook beter dat we die man volstrekt verkeerd hebben gewaardeerd. De man was inderdaad gewoon ‘rechts’ en was daar ook nog eens trots op. Dat was in die tijd een uitstekende reden om de man af te wijzen. Nog erger: de man was geen intellectueel, hij las nooit een boek. Hij las alleen maar kranten en bij uitstek de Telegraaf. Wij vonden in die tijd dat je eindeloos moest argumenteren voordat je een voorspelbaar standpunt innam. En wij vonden dat je de Telegraaf niet behoorde te lezen, omdat die krant rechts en populistisch was en veel erger: fout in de oorlog. 

En dat beeld van Wiegel verdient bijstelling. 

Hans Wiegel mag altijd hebben geposeerd als een authentieke corpsbal, in werkelijkheid was hij slechts enkele maanden lid geweest van het Amsterdamse corps en voelde hij zich daar helemaal niet thuis. Ondanks zijn pakken, zijn horlogekettingen, zijn sigaren en zijn poses was Hans Wiegel een zoon van een heel gewone meubelmaker uit Amsterdam. Hij was veel eerder een Amsterdams ‘schoffie’ dan een Amsterdamse corpsbal. Het gymnasium, de universiteit, en zelfs Den Haag: het was niet zijn milieu. Het maakte hem onzeker en verlegen. Om zijn verlegenheid te camoufleren nam hij die bekende pose aan. En omdat hij uit een heel ander milieu kwam zocht hij steeds erkenning. Wiegel was geen blaaskaak, maar het was gewoon een verlegen jongen. Door zijn achtergrond begreep hij overigens veel meer van de ‘gewone man’ dan al mijn linkse studiegenoten bij elkaar. 

Wiegel was geen intellectueel, maar hij had wel een heldere ideologie. Bovenal moesten mensen de kans krijgen zich te ontwikkelen, uit welk milieu ze ook kwamen. Ja, daarin liet zijn eigen geschiedenis zich goed herkennen. En de overheid had daarin een duidelijke taak. Maar als mensen eenmaal de weg naar welvaart hadden ingeslagen, moest de overheid zich het liefst nergens meer mee bemoeien. Het was ook helemaal niet nodig om te veel te veranderen. Zeker niet als het goed met je ging. 

In feite greep Wiegel met zijn definitie van liberalisme terug op veel oudere liberalen. Daarmee was hij minder conservatief dan hij zichzelf graag profileerde. Het verklaart in ieder geval waarom hij als eerste erin is geslaagd om van de VVD een bredere volkspartij te maken. Niet meer de partij van het oude geld uit Wassenaar en Bloemendaal. Onder Wiegel werd de VVD de partij voor velen die zich hadden opgewerkt en hun succes graag wilden behouden. Zonder deze wending van elite-partij naar volkspartij had de VVD van Rutte nooit bestaan.

Wiegel was ook een briljant debater. Hij was zeer gevat (“Sinterklaas bestaat echt en hij zit daar” – in een debat met Joop den Uyl in Groningen). Hij bespeelde de Kamer, hij fileerde ministers. Hij had ook een briljant gevoel voor zijn achterban. Hij was permanent op reis door het land om al die afdelingen van de VVD te blijven bezoeken. En hij had een perfect gevoel voor nieuws en voor de media. Met veel journalisten had hij een nauwe, vaak bijna vriendschappelijke band. De Telegraaf kwam hem thuis waarschuwen toen zijn eigen partijbestuur tegen hem begon te muiten. 

 Wiegel was niet alleen een voortreffelijke oppositieleider (hoe irritant wij dat in die tijd ook vonden). Hij was ook een uitstekende bestuurder. Natuurlijk, VVD-ers willen liever op de winkel passen dan de maatschappij hervormen. Dat maakt het besturen van een departement per definitie eenvoudiger. Maar dan nog had Wiegel een perfect gevoel om zich te omringen met de juiste mensen en om zo’n departement met een minimum aan energie te besturen. Zoals hij ook de provincie Friesland twaalf jaar lang als commissaris van de Koningin met zijn pink bestuurde. En altijd met die perfecte politieke antenne. Elk commentaar had hij al lang zien aankomen, tegen elk commentaar had hij zich al tevoren ingedekt. Wiegel verstond de kunst om vijf zetten vooruit te denken en in er altijd beter uit te komen. Dat kunnen alleen de hele groten in de politiek. 

Ondanks al die politieke successen heeft Hans Wiegel een verdrietig leven gehad. Het verhaal van zijn twee vrouwen, Pien en Marianne, die allebei in het verkeer om het leven kwamen, is algemeen bekend. De eerste na 7 jaar huwelijk, de tweede na 23 jaar. Maar ook zijn politieke carrière loopt uiteindelijk triest af. Als 25-jarige werd hij lid van de Tweede Kamer. Voor zijn 30e was hij fractievoorzitter en hij was amper 30 toen hij lijsttrekker werd van de VVD. Zes jaar later was hij Minister van Binnenlandse Zaken en vice-premier. Maar daarna was het ook over. Al op zijn 40e werd hij commissaris van de Koningin in Friesland, het land van zijn tweede huis. Hij bleef dat 12 jaar. 

Zijn vertrek naar Friesland was zijn eigen keuze, maar hij miste daar de spotlights en met name de erkenning. Hij kon het niet laten om steeds weer hardop te filosoferen over zijn terugkeer naar Den Haag. Aanvankelijk tot groot enthousiasme van zijn achterban. Maar er kwam altijd weer wat tussen en op het laatst wilden ze hem in Den Haag gewoon niet meer. Terwijl hij bleef terugverlangen naar het leiderschap van zijn partij, had zijn partij inmiddels geheel andere wegen ingeslagen. In arre moede ging hij in de verzekeringen. 

Er kwam nog even een nieuwe vriendin in zijn leven. Hij moest met haar mee naar het Concertgebouw. Hij leerde dat hij in de pauze tegen iedereen moest zeggen dat het “fantástisch” was, maar hij voelde zich er niet thuis. Hij was nog steeds de zoon van de meubelmaker. 

Zo’n biografie heeft de man zeker verdiend.

Deel dit bericht:

Volgende pagina »