Waarom ik een wasdroger mag

april 22, 2018 by  
Filed under Geen categorie

Achter mijn huis bouwen ze 13 ha zonnepanelen. Dat is even wennen. Maar ik heb het ervoor over. We moeten van die fossiele energie af. Toch roept dat veld wel vragen bij me op. Zeker nu ik druk nadenk over het verduurzamen van mijn eigen huis. 

Zo vraag ik me af: waarom moet ik eigenlijk zonnepanelen op mijn dak leggen, met veel getimmer en veel gedoe, als er achter mijn huis duizenden zonnepanelen liggen te gloeien in de zon? Is dat niet erg inefficiënt? Ik weet het: er zijn mensen die menen dat de overgang naar duurzame energie meteen een overgang van grootschalige naar kleinschalige energie-opwekking zal betekenen. Maar is dat niet een beetje nostalgisch gedacht? Ik zou best een moestuin kunnen gaan bijhouden, grond genoeg op het eigen erf, maar ik ga veel liever naar de markt. Goedkoper en kost me veel minder tijd. Waarom geldt dat niet voor zonnepanelen? 

In feite geldt dat dilemma nu al voor een deel van mijn energie. Sinds een jaar betrek ik mijn elektriciteit bij Greenchoice. Greenchoice werkt CO2-neutraal: hun energie is duurzaam en als dat niet zo is compenseren ze de CO2-uitstoot door een paar extra bomen te planten. Als ik al van het gas af zou zijn, zou mijn huis dus niet energieneutraal zijn, maar wel CO2-neutraal. En daar gaat het toch om? Ergo: als ik van het gas afga, waarom zou ik dan zonnepanelen op mijn dak moeten plaatsen? 

Ja, ik ken het argument: “alle beetjes helpen”. De omslag naar duurzame energie heeft zoveel urgentie dat we nu alles moeten doen wat maar mogelijk is. Maar als ik zie welke ontwikkelingen zich de afgelopen tien jaar, nee: 5 jaar, hebben voorgedaan op het gebied van duurzame energie ben ik helemaal niet zo pessimistisch. Het eerste windmolenpark op zee zonder subsidie is al gegund. Een beetje CO2-belasting erbij, en de omslag is een feit. Bovendien krijg ik nauwelijks een cent terug als ik te veel duurzame energie produceer. Die ‘kleine beetjes’ zijn blijkbaar toch niet zo belangrijk. 

Aan de voorkant van mijn huis staan al vele jaren 12 prachtige windmolens. Het aantal windmolens breidt zich de laatste jaren snel  uit. Van sommige molens kan ik zeggen: daaraan heb ik meebetaald. Inmiddels heb ik meer dan een ton geïnvesteerd in windmolens. Dat roept een volgende vraag op: waarom moet ik mijn woning CO2-neutraal maken, als ik eraan bijdraag dat elders kolencentrales kunnen worden gesloten door de energie die door ‘mijn’ windmolens worden opgewekt. Door mijn windmolens bespaar ik meer CO2 dan mijn centrale verwarming aan CO2 kost. 

Ik heb inmiddels een inductiekookplaat besteld. Dus nog minder gas. Ik zou een boiler kunnen aanschaffen. Nog minder gas. En die houtkachel moet er ook eens komen. Nog minder gas. En wie bezwaar heeft tegen mijn houtkachel houd ik voor dat ‘fijn stof’ het broeikaseffect tegengaat. Op dat moment is mijn CO2-balans sterk negatief. Of positief, hoe je het maar wilt zien. Dus het gaat niet om mijn huis, maar om mijn eigen CO2-balans. 

Eigenlijk is dit alles een heel ingewikkelde redenering om een antwoord te geven op die ene prangende vraag: moet ik mijn wasdroger de deur uitdoen? Ik weet het: een wasdroger kost erg veel stroom. Maar wat is er tegen als dat duurzame stroom is en ik er niet van hou die natte was elke keer aan dat wiebelige rekje te hangen? En als mijn eigen CO2-balans al negatief is? Vergeet niet dat de zon elke dag de aarde 15.000 keer zoveel energie schenkt als we op die dag nodig hebben. Dus als alle energie duurzaam is, mag ik best een wasdroger.

@Trendrede 2018: “Wie is wij?”

maart 3, 2018 by  
Filed under artikel, Geen categorie

De economie laat zich moeilijk voorspellen. De samenleving nog minder. Dat dacht ik altijd totdat ik de Trendrede 2018 van de Nederlandse toekomstdenkers las. Het bleek toch tamelijk eenvoudig. Je nodigt een aantal denkers uit, je vraagt hen allen om enkele mooie woorden te formuleren, je vraagt een redacteur om alle mooie woorden in tamelijke willekeurige volgorde achter elkaar te zetten. En ziedaar: we weten hoe de samenleving zich de komende jaren gaat ontwikkelen. En om je bij te praten: de trefwoorden voor de komende jaren zijn domein-integratie, samenhang, overzien en ontschotting.

Ik geef toe: ik ben altijd een beetje sceptisch bij trendwatchers. Sociologen kunnen jaren over een onderzoek naar een klein detail doen, maar trendwatchers zien in een oogopslag van achter hun bureau hoe de samenleving zich gaat ontwikkelen. Daarbij baseren ze zich vaak op de bekende trendy voorbeelden van voortrekkers en dwarsdenkers. En met groot gemak wordt een enkel voorbeeld gegeneraliseerd naar ons allen. Ja, misschien ligt hier al het eerste probleem: trendwatchers hebben wel eens de neiging om trends met trendy te verwarren. Trends gelden voor de samenleving, trendy is goed voor een intermezzo op de congressen waar de trendwatchers elkaar tegen het lijf lopen.

In de meeste gevallen worden in deze Trendrede helemaal geen voorbeelden genoemd. Het is een prachtig boeket van open deuren en onbewezen stellingen. Met name als het om de toekomst gaat. In de analyse van het heden kan ik de toekomstdenkers nog wel een beetje volgen. Ze zien veel verbrokkeling in de samenleving. Niet zo heel verrassend. Maar bij de toekomst gaat het echt mis. Zo gaat de toekomst ons veel Hollands holisme (mooie alliteratie) en veel samensturing brengen. Waarom? Geen idee. En: “het betekenisverlangen binnen de samenleving groeit”. Mijn betekenisverlangen groeide overigens vooral bij het lezen van deze Trendrede. Ik ploegde mij met moeite door deze grindberg van warme woorden heen.

Juist in die warme woorden zit overigens het antwoord op al mijn vragen. Deze trendwatchers geven niet overtuigend aan waarom ‘domein-integratie’ en ‘overzien’ de trefwoorden van de komende jaren zijn, ze laten de lezer vooral geloven dat dat de trefwoorden zijn. En dat doen ze uitermate kundig. Ik zie mooie retorische trucs.

Zo bestaat de wereld voor deze trendwatchers uit enerzijds hele warme en mooie dingen en anderzijds uit hele koude en kille dingen. Laat ik beginnen met de koude dingen. Denk aan: ‘ik’, ‘systeem’ (en zelfs ‘woekerende systeemvereisten’), ‘overheid’, ‘samenloze leving’, ‘regels’ en ‘verbrokkelen’. Daar staan tegenover: ‘wij’, ‘samensturing’, ‘ontregelen’ en ‘integraal’. Ik doe maar een greep uit de grindberg. Maar het werkt. Want al lezend wil je na drie pagina’s maar één ding. Je wilt naar de zon. Je wilt naar een blije wereld. En je gaat er vanzelf in geloven dat die zal komen. Het is nu eenmaal makkelijker om in de komst van Messias te geloven dan te beseffen dat de duivel op je staat te wachten.

Daarom geloof ik graag (ja ik geloof ook), dat vele lezers de Trendrede heel overtuigend vinden. Bovendien brengt de woordkeuze je meteen in een staat van geluk en welbevinden. Heel veel mooie woorden, heel veel neologismen, waarmee mijn autocorrectie veel moeite heeft. Veel mooie zinnen. Geen spelfouten. En vooral de vele open deuren geven je het gevoel dat je het echt kan volgen. Zo bewegen we “van gelijkheid naar gelijkwaardigheid” en daarom is “maatwerk onvermijdelijk”. We hebben “geen behoefte aan individuele vrijheid maar aan gezamenlijke kaders”. Dat een paar alinea’s het tegenovergestelde staat mag de pret niet deren: “pas wanneer mensen er individueel mogen zijn, kan het gezamenlijke floreren”. En vooral: de toekomst is aan de cirkel. De trendonderzoekers hebben vooral veel geloof in de cirkel van vertrouwen waar geen hiërarchie meer is. Iedereen blij, iedereen gelijk, niemand meer de baas. (Oh nee, sorry, we moesten gelijkwaardig zijn.) Krachtige metaforen, grootse suggesties. Wat te denken van “een krachtige nieuwgroei onder het maaiveld” die al deze positieve trends zal ondersteunen?

Bij al die mooie woorden kijk je mekaar begrijpend aan, empatisch, of je krijgt de slappe lach. Wat te denken van “Zelfgecreëerde cirkels van vertrouwen leveren een basaal gevoel van veiligheid en eenheid”? Dat geldt immers ook voor zelfgebakken brood. Ja, en voor gebakken lucht.

Wat te denken ook van hun terugblik op een eerdere Trendrede waarin dezelfde watchers de behoefte aan systeemelastiek hebben voorspeld: “Die lijkt er intussen te komen. Nieuwe technologie, een veranderde omgeving en een rijker menselijke bewustzijn dragen talloze mogelijkheden aan, die niet meer passen binnen de huidige knellende kaders. Er zijn zoveel nuanceringen bijgekomen. Virtueel en analoog, tijd en plaats, alles stroomt door elkaar.” Het is flauw, maar waar: alles stroomt in deze Trendrede door elkaar, maar enige logica valt niet te ontdekken.

Er zijn wel eens mensen die beweren dat trendwatchers de waarzeggers van deze tijd zijn. Die conclusie is te algemeen. Deze Trendrede is vooral een hele goede preek. De trendwatcher als de nieuwe dominee. Zo’n preek geeft je een warm gevoel. Je hoort zinnen waar je het mee eens bent. En je gaat vooral met richting weer naar huis. Maak je niet druk over de verbrokkeling van de samenloze leving, samensturing heeft de toekomst! Het ‘ik’ heeft zijn langste tijd gehad, het ‘wij’ komt weer centraal te staan. De dominee heft zijn handen ten hemel en de geldzakken kunnen rondgaan.

En dan komt er plotseling dat twijfelende einde aan de rede. Juist een goede dominee kent ook twijfel. Die laatste zin, die laatste vraag: “Wie is wij?” Eerlijk gezegd weet ik niet of ik wil weten, wie deze Trendrede heeft geschreven.

Wie voorspelt de aardbevingen in Groningen

februari 26, 2018 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Er wordt veel over gepraat. Ze halen vaak de krant. De aardbevingen in Groningen. Het gaat over schade aan boerderijen en aan kerken. Het gaat over angst van mensen. Wat doet de overheid? Wat doet de NAM? Maar het gaat ook over wetenschap. Over voorspellingen: hoeveel staat ons nog te wachten? Onderzoekers doen goed werk, maar het valt me op dat ze beter zijn in modellen dan in communicatie. Zo is voor veel mensen onduidelijk wat al die voorspellingen inhouden. Vooral als ze worden weergegeven op mooie kaartjes met mooie kleurtjes. Velen denken dat die kaarten vertellen hoe groot de kans op een aardbeving is in de komende jaren. En waar die kans het grootste is. Maar dat is niet zo. Bovendien zijn er meerdere kaarten. En ja, die worden erg vaak geactualiseerd. En zo zien velen al snel door de bomen het bos niet meer.

In samenspraak met betrokkenen heb ik geprobeerd de aardbevingen en de kaarten in simpele mensen-taal samen te vatten. De tekst is voor mijn verantwoordelijkheid, omdat de onderzoekers het onderling uiteindelijk niet eens konden worden. En misschien zegt dat laatste al genoeg.

Deskundigen en burgers

In het ‘Groningenveld’ zit het gas niet in één grote bel, maar in poreus zandsteen. Door het gas uit de diepe ondergrond te halen, zakt het zandsteen langzaam in. Dat noemen we compactie. Door die compactie kan op 3000 meter diepte, langs breuklijnen in de aarde, aardbevingsactiviteit ontstaan.

Veel van die aardbevingen voelen we boven de grond helemaal niet. Pas bij zwaardere schokken treden grondbewegingen op die een gewoon mens kan waarnemen.

De intensiteit van die grondbewegingen, door deskundigen gemeten als ‘grondversnellingen’, hangt niet alleen af van de zwaarte van de beving in de ondergrond, maar ook van de samenstelling van de bodem. En die verschilt van plaats tot plaats. Dit maakt dat de intensiteit van de grondbewegingen ook verschilt van plaats tot plaats.

Dus als ze over aardbevingen spreken, bedoelen deskundigen en normale burgers wellicht iets anders. Deskundigen denken bij een aardbeving specifiek aan de breukactiviteit in de diepe ondergrond (met alle gevolgen vandien). Burgers voelen (heftige trillingen) en denken aan scheuren in hun woning. Anders gezegd: wat burgers een aardbeving noemen, beschrijven deskundigen als grondbeweging. En wanneer burgers willen weten hoe groot de dreiging van een nieuwe aardbeving is, willen deskundigen weten welke maximale grondversnellingen binnen een bepaalde periode zijn te verwachten. Ze gebruiken daarvoor de term piekgrondversnelling, of in het Engels ‘Peak Ground Acceleration”, afgekort: PGA.

Dreigingskaarten

Zowel de NAM als het KNMI maken schattingen van de dreiging van een aardbeving voor alle plaatsen boven het Groningenveld. Hun methodes en hun aannames verschillen.

De NAM maakt een dreigingskaart op grond van kennis over de compactie en op grond van de lokale bodemgesteldheid. De dreigingskaart geeft de grondversnelling weer die (statistisch gezien) één keer in de 475 jaar kan worden overschreden. Het gaat dus om kansen, niet om zekerheden.

[Dat we hier spreken over 475 jaar is een afspraak tussen deskundingen. De periode van 475 jaar is gelijk aan 10% kans in 50 jaar dat de grondversnelling kan worden overschreden.]

De dreigingskaart geeft dus niet aan hoe groot de kans op een ‘voelbare’ aardbeving is in het komende jaar. Of de kans op een aardbeving sterker dan 3 op de schaal van Richter. Of de kans op schade.

Het KNMI maakt ook zo’n dreigingskaart, maar dan  op basis van de seismische activiteit in de afgelopen jaren en op grond van kennis van de lokale bodemgesteldheid. Ook op die kaart wordt de grondversnelling die één keer in de 475 jaar kan worden overschreden, weergegeven. De laatste jaren baseert het KNMI zich op de seismische activiteit in de afgelopen drie jaar.

Er is dus niet één dreigingskaart. Er zijn er zelfs meer dan twee, als we alle updates meetellen. Updates zijn ten eerste onvermijdelijk omdat de kennis toeneemt waardoor steeds weer betere inschattingen van een dreiging kunnen worden gemaakt. Ten tweede brengt het KNMI elk jaar een nieuwe dreigingskaart uit. Ze baseren zich immers op de afgelopen drie jaar.

Overigens laten de dreigingskaarten van NAM en KNMI in uitkomsten geen grote verschillen zien.

Risicokaart

Het risico dat mensen lopen door een aardbeving hangt niet alleen af van de dreiging op een ‘grondversnelling’, maar ook van de robuustheid van de gebouwen. In een slecht gefundeerd huis loop je meer risico dan in een huis dat ‘aardbevingsbestendig’ is gemaakt. Ook als de beving veel minder krachtig is.

De NAM heeft een schatting gemaakt van het risico dat mensen lopen door het gedeeltelijk of geheel instorten van huizen en het vallen van schoorstenen en andere losstaande objecten, op basis van de dreiging van een grondversnelling ter plekke en op basis van de robuustheid van de gebouwen. De NAM gaat daarbij uit van 50 typen gebouwen. Met deze risicokaarten kunnen de risico’s van een aardbeving worden vergeleken met de risico’s die mensen elders lopen ten gevolgd van overstromingen of ten gevolge van de luchtvaart.

Shakemap

Ten slotte is er nog een andere kaart van het KNMI: de trillingskaart, of in het Engels: shakemap. Deze kaart is geen dreigingskaart, maar een kaart van de werkelijke grondbeweging ten gevolge van een reële aardbeving. De kaart geeft zowel de gemeten grondbeweging weer en een zo goed mogelijke schatting van de grondbeweging op plaatsen waar geen metingen zijn. Deze kaart geeft dus een indruk waar naar verwachting schade is opgetreden als gevolg van deze specifieke aardbeving. Het gaat hier dus om analyse van iets wat gebeurd is, en niet om een voorspelling van wat zou kunnen gaan gebeuren.

 

Tiende #Triomf van de stad start in september 2018

februari 14, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad, Geen categorie, Voorpagina

In september 2017 start de leergang Triomf van de stad met een nieuwe groep. Groep X. Deelnemers kunnen zich vanaf nu aanmelden. De modules worden gegeven op: 27/28 september 2018, 1/2 november 2018, 6/7 december 2018, 10/11 januari 2019, 14/15 febr 2019 en 21/22 maart 2019. De folder met het programma is hier te vinden: Triomf-van-de-stad-2018-folder Voor een beschrijving van de rode draad van de leergang zie Triomf van de stad: rode draad. En om te zien wat de cursisten van de jaargang 2017-2018 voor mooie opdrachten hebben gemaakt zie hier: http://wqd.nl/nu9U.

Aanmelding via wimderksendh@gmail.com.

Wat valt het #WODC te verwijten

december 12, 2017 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Veel gedoe en veel verontwaardiging over het WODC, de afdeling onderzoek van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De directeur past op verzoek van de minister – ja, alweer Opstelten – de conclusies van onderzoek aan. Er kan veel mis zijn bij het WODC, maar voordat we die conclusie trekken, heb ik eerst negen relativeringen.

Ten eerste: het onderwerp laat zich moeilijk verbeelden, maar Nieuwsuur had wel heel veel beelden van verlichte vensters en toetsenborden nodig om het gebrek aan voorbeelden te camoufleren.

Ten tweede: de twee geïnterviewde hoogleraren betoonden zich goede ‘trekpopprofessoren’: als je eraan trekt vertellen ze op verzoek van de journalist dat het een schande is. Ik heb van Van den Heuvel nog nimmer iets anders gehoord. De man lijkt om 3 uur ‘s nachts nog bereid om zijn stopdas om te doen en schande te spreken. Zonder verder onderzoek te doen en zonder enige nadere duiding te geven.

Ten derde: er is maar één klokkeluider. Ik weet het: klokkeluiders zijn vaak eenzaam en daarom is hun mening niet minder waard, maar ik ken de directeur van het WODC een beetje en ik kan me voorstellen dat zijn driftige gedrag mensen gemakkelijk stimuleert om na jaren in opstand te komen. Hetgeen niet het geval is.

Ten vierde: het WODC is geen universiteit. Het heeft in Den Haag ook een andere status dan een planbureau dat formeel onafhankelijker is. Het lijkt me dan ook heel normaal dat het Ministerie als opdrachtgever de onderzoeksvragen van het WODC formuleert. Waarom hebben ze anders een eigen onderzoeksafdeling? We hebben bovendien al genoeg onderzoekers bij de overheid die hun eigen onderzoeksvragen formuleren. Pas als het departement niet in staat zijn eigen kennisbehoefte te verwoorden, is er een probleem. Maar geen probleem van integriteit.

Ten vijfde: het aanpassen van de onderzoeksopdracht (nadat een ander bureau werd ingehuurd dan het Ministerie wenste) kan een probleem zijn, maar hoeft dat geenszins te zijn. Het is goed dat het departement waakt over de relevantie van het onderzoek. Ook kan de kennisbehoefte geleidelijk zijn verschoven, en dan heeft niemand wat aan een onderzoek dat antwoord geeft op een niet meer relevante vraag. Een probleem ontstaat pas als het departement de opdracht verandert om het risico van onwelgevallige conclusies te verkleinen. Het is de vraag of dat verstandig is. Maar wie denkt dat onderzoek geen onderdeel is van de politiek, is wel heel naïef.

Ten zesde: het beïnvloeden van de keuze van het onderzoeksbureau door het WODC roept de vraag op waarom het departement het uitbesteden van onderzoek geheel heeft ondergebracht bij het WODC. Andere departementen doen dit zelf en vragen zich allemaal van te voren af of het denken van de te kiezen onderzoekers een beetje aansluit bij het denken van het departement.

Ten zevende: het Ministerie zette op verzoek van de Minister ‘sturing’ op het onderzoek. Het lijkt me niet zo heel vreemd als de minister invloed probeert te hebben op het moment van publiceren van onderzoek (gebeurt overal), of zich goed wil voorbereiden op onwelgevallige uitkomsten van onderzoek. Beter dan onderzoek dat door niemand is gevraagd en in een diepe la van een onderzoeksinstelling blijft steken.

Ten achtste: onderzoekers hebben soms de neiging om zich met het beleid te gaan bemoeien. Op basis van hun onderzoek, maar onvermijdelijk ook op basis van persoonlijke politieke standpunten. Want onderzoek toont niet aan wat je moet doen. Onderzoek geeft op zijn best een aardig beeld van de werkelijkheid. Als directeur van het Ruimtelijk Planbureau heb ik verschillende keren persoonlijke aanbevelingen van de onderzoekers uit het onderzoeksrapport geschrapt. En als ik minister was, zou ik daarop ook alert zijn.

Ten negende: de verwoording van conclusies van wetenschappelijk onderzoek ligt niet vast, is geen onomstotelijk gegeven. Dus het is geen bezwaar om de relevantie van het onderzoek te vergroten door de conclusies te schrijven in de context van het beleid.

Dit gezegd hebbende kan ik op basis van de uitzending van Nieuwsuur niet bepalen of hier iets fundamenteel fout is gegaan, ondanks de twee ‘schande-roepende’ professoren. Ik zou vooral één ding willen weten: zijn de conclusies van onderzoek in de uiteindelijke rapportage in hun kern aangepast en aangetast? Eigenlijk kan maar één man of vrouw dat vaststellen: degene die het onderzoek heeft uitgevoerd. En tot op heden hebben we maar één onderzoeker gehoord.

Biografie #Wolkers is te goed voor een proefschrift

november 21, 2017 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Ik lees een prachtig boek. De biografie van Jan Wolkers van Onno Blom. En in de krant woedt een onzinnige discussie over de vraag of dit boek wel een proefschrift mag heten. De discussie raakt me omdat de wetenschap me zo ter harte gaat en omdat de discussie zo herkenbaar is, ook voor de gamma-wetenschapper die ik ben.

Stel je voor. Iemand schrijft een goed boek over een groot auteur uit de vorige eeuw. Dat boek is zo overtuigend dat het ons beeld van Jan Wolkers voor decennia zal bepalen. Alleen al omdat niemand de komende decennia de moeite zal nemen om dit monnikenwerk over te doen. Het boek is bovendien uitstekend gedocumenteerd, met meer dan 100 pp aan noten, die gelukkig niet hoeven te worden gelezen. Bij voorbaat een klassieker. Je zou zeggen: als die man daarop wil promoveren, staat niets dat in de weg.

Nee hoor, in de krant wordt uitgebreid melding gemaakt van het feit dat de eerste promotiecommissie het manuscript heeft afgekeurd. Gelukkig was er een wijze decaan die een tweede commissie het manuscript liet goedkeuren. En vervolgens meldt emeritus hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde Marita Mathijsen in de NRC waaraan een biografie in haar vak moet voldoen om proefschrift-waardig te zijn. En als ik die acht regels tot me laat doordringen, is maar één conclusie denkbaar: Blom moet worden afgewezen. Hoewel Mathijsen zelf niet de moed heeft om die conclusie te trekken.

Zo eist ze bijvoorbeeld secundaire literatuur over het beschreven tijdvak, die ik bij Blom niet tegenkom. Ze eist dat de gebiografeerde wordt gepositioneerd tussen tijdgenoten. Ik neem aan dat ze hier ook weer literatuur van anderen wil zien, die ik bij Blom niet tegenkom. Ze eist bronnenkritiek, die ik bij Blom niet tegenkom. Ze eist een beschouwing van de auteur over zijn opzet, zijn keuzes én een beschouwing over de keuzes die hij niet heeft gemaakt. En natuurlijk moet er een onderzoeksvraag zijn, en bij voorkeur een hypothese. Godzijdank ontbreekt dat allemaal bij Blom.

Mijn conclusie is duidelijk: van al die regels was dit boek niet beter maar slechter geworden. Blom geeft door de ogen van Wolkers een prachtig beeld van de jaren 60. Dat beeld wordt niet scherper als je de lezer dwingt om uitstreksels uit al die bekende boeken over de jaren 60 nog eens te lezen. Blom typeert Wolkers als schrijver uitstekend. Dat wordt niet beter als hij wel of niet tot een school wordt gerekend, die alleen door wetenschappers worden onderkend. “Wolkers heeft wel in Tirade geschreven, maar staat toch op grote afstand van de Tiradegroep.” Zoiets?

Je vraagt je af: waarom doen mensen dit elkaar aan? Waarom bedenken wetenschappers acht regels om aan te tonen dat een goed boek geen proefschrift mag heten? Natuurlijk, niet elk boek is een wetenschappelijk boek. Ook ik wil graag weten waarop Blom zich baseert. Maar uiteindelijk gaat het hier om twee dieperliggende problemen van de geesteswetenschappen (en van de gamma-wetenschappen).

Steeds meer wordt het wetenschapsideaal van de bèta-wetenschappen nagevolgd: het zetten van kleine zeer goed navolgbare stappen aan de grenzen van onze kennis. Waardoor uiteindelijk wetenschappelijke vooruitgang wordt geboekt en deze blog op een iPad kan worden gelezen. Maar bij geesteswetenschappen en veel gammawetenschappen past dat ideaal  helemaal niet. Daar worden vaak dezelfde vragen steeds opnieuw gesteld, omdat de maatschappij zich ontwikkelt en niet de wetenschap.

Veel erger is de neiging van de wetenschap om aan zelfsterilisering ten onder te gaan. In de angst dat ongelijke gevallen niet ongelijk worden behandeld, wordt het wetenschappelijk werk opgehangen aan protocollen en duizenden criteria. Voor het wetenschappelijk onderwijs is dat niet anders. [Ja, het is komisch dat nu juist een boek over onze potente Wolkers aan de zelfsterilisering van de wetenschap ten onder gaat.]

Beide ontwikkelingen dragen ertoe bij dat niet alleen deze biografie bijna werd afgekeurd als proefschrift, maar dat het schrijven van boeken in de wetenschappelijke wereld nog maar nauwelijks wordt gewaardeerd. Terwijl je in de geestes- en gammawetenschappen toch vooral goede boeken moet lezen om iets te leren. Niet wetenschappelijke artikelen blijven je bij, maar goede boeken. Daarom worden in ons vak wetenschappelijke artikelen ook nauwelijks gelezen. Terwijl ze door de bureaucraten hooglijk worden gewaardeerd. Gek he?

Want dat lijkt me het belangrijkste criterium voor een goed wetenschappelijk boek: word ik verrast, lees ik iets nieuws, leer ik ervan? Alleen dat maakt een wetenschappelijk boek tot een goed boek. En niet de vraag of het aan allerlei rituele regels voldoet.

Ja, Onno Blom, waarom wilde je eigenlijk op dit prachtige boek promoveren?

Rampenbestrijding: het vermijden van vermijdbare schade

oktober 24, 2016 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Bij toeval raakte ik betrokken bij de evaluatie van de veiligheidsregio Drenthe. Dat was bijzonder omdat  mijn expertise niet bij veiligheid ligt. Dat heeft ook voordelen, omdat je als buitenstaander onnozele vragen kan stellen.

Zo viel het me op dat het blijkbaar een grote vraag was of de veiligheidsregio in Drenthe wel aan allerlei vormvereisten voldeed. Nee, dat deed Drenthe niet. Maar dat roept bij mij de vraag op waarom je aan bepaalde vormvereisten moet voldoen om bestaansrecht te hebben. Voor mij is de cruciale vraag of de regio veiligheid kan garanderen voor haar burgers. Het gaat om het resultaat. Ik kan me goed voorstellen dat de veiligheidssituatie in Drenthe wat minder ingewikkeld is dan in Zuid-Holland, om maar een buitenplaats te noemen. Dat betekent dat de veiligheidsregio Drenthe misschien heel goed in staat is om de veiligheid voor haar burgers te garanderen, ook als ze niet voldoet aan de vormvereisten die in Zuid-Holland nodig zijn.

Hoe kunnen we nu vaststellen waaraan Drenthe dan wel moet voldoen? Door naar de praktijk te kijken. En ja hoor, dat gingen we doen. We gingen een oefening doen en we gingen kijken hoe het met de veiligheid van de burgers in die oefening was gesteld. Nu is een oefening altijd maar een oefening. Maar dat was niet mijn probleem met deze oefening. Want in de oefening begon het probleem met die vormvereisten van voren af aan. Als de actoren in de oefening niet conform het protocol hadden gehandeld was er iets fout gegaan. Omdat eerder was gebleken dat het goed zou zijn om te handelen volgens de regels die in het protocol waren opgenomen. Maar dat was weer eerder en weer elders. Dus wat zegt dat over nu en hier?

Ik begon me af te vragen: wanneer hebben ze het nu echt goed gedaan bij een ramp? Laten we voorop stellen: de calamiteit is op het moment zelf niet meer te voorkomen. Als een chemische fabriek ontploft, is dat een gegeven. Dus een ramp kent altijd schade. De kern van het probleem is: hoeveel extra schade is er die had kunnen worden voorkomen? Hadden de gevolgen van brand kleiner kunnen zijn als de brandweer anders had gehandeld? Had het vrijkomen van giftige stoffen kunnen worden voorkomen, nadat de fabriek was ontploft? Had de grote onrust die uiteindelijk onder de bevolking ontstond, kunnen worden voorkomen?

Laat ik al die vervolgschade maar samenvatten onder het begrip ‘maatschappelijke schade’. Een veiligheidsregio doet zijn werk dus goed als zij erin slaagt om die maatschappelijke schade zo gering mogelijk te houden. Als alle maatschappelijke schade is voorkomen die vermeden had kunnen worden. Risico’s zijn niet uit te sluiten, schade is bij een calamiteit onvermijdelijk. Het gaat erom of de extra schade die vermeden had kunnen worden, ook daadwerkelijk is vermeden.

Dat brengt ons een stap verder. Het gaat dus uiteindelijk niet om het volgen van het protocol. Maar om het vermijden van vermijdbare schade. Maar welke schade was achteraf gezien vermijdbaar geweest? Moeten we daarvoor ook weer normen gaan aanleggen …..? Dat brengt ons bij een belangrijk debat in het toezicht. Sommigen menen dat er absolute normen zijn. Bepaalde zaken mogen gewoon per definitie niet voorkomen. En als ze wel voorkomen heb je een fout gemaakt. Zo wordt achteraf nogal eens naar een ramp gekeken.

In het tuchtrecht zien we een heel andere benadering. Daar vraagt men zich vaak af of de betrokkene redelijkerwijs verstandig heeft gehandeld. Gelet wat hij op dat moment wist of had kunnen weten. En gelet op de kennis die hij op dat moment redelijkerwijs had moeten hebben. In feite leg je dan niet de norm bij de schade, maar bij de collega’s. Hadden zij redelijkerwijs ook zo gehandeld in dezelfde situatie? Ik vind dat een sympathieke manier van redeneren. Je maakt dus geen fout omdat je plotseling in een onmogelijke situatie bent terecht gekomen. Je maakt een fout omdat je het in die situatie redelijkerwijs beter had kunnen doen.

Bij het beoordelen van veiligheidsregio’s moet het dus uiteindelijk altijd gaan om de maatschappelijke schade die redelijkerwijs had kunnen worden vermeden. Niet om die vormvereisten voor een regio die in Den Haag worden bedacht. Niet om het protocol dat bij rampen moet worden gevolgd. En niet om het bepalen van externe schade die nooit had mogen voorkomen. Maar zo’n benadering vraagt wel veel. Van veel betrokkenen. Omdat het tegenwoordig zo gangbaar is om inspanningen te richten op het protocol en niet op het resultaat. Maar dat heeft vaak wel averechtse effecten.

Ik zou zeggen: leg niet alles vast in regels die hun eigen schijnwereld creëren. Dan is het beter om nog eens goed na te denken over veiligheid en over risico’s. Of om een buitenstaander onnozele vragen te laten stellen.

Met verleiden worden we niet #energieneutraal

maart 9, 2016 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Bij toeval raakte ik de afgelopen maanden verzeild in de boeiende wereld van de gebouwde omgeving. Ik kreeg een belangrijke vraag mee: hoe krijgen we de gebouwde omgeving energieneutraal? Energieneutraal betekent: netto vraagt de woning geen energie. In de praktijk zal het gaan om een combinatie van het opwekken van duurzame energie en energiebesparing.

Als we de energieneutraliteit van de bouw bezien, valt een groot contrast op tussen de nieuwbouw en de bestaande bouw. Bij de nieuwbouw wordt grote vooruitgang geboekt. En er wordt hard gewerkt om de eisen van BENG (Europese richtlijn voor ‘bijna-energie-neutrale-gebouwen] voor het einde van 2020 te halen. De verwachtingen zijn dat dat gaat lukken.

In de bestaande gebouwde omgeving zijn de doelen veel minder scherp (2050) en is er van grote vooruitgang geen sprake. Deze relatieve stilstand is niet van de laatste jaren. Zoals één van mijn gesprekspartners zei: “Het is een sikkeneurig onderwerp.”

Mede om die reden heb ik in het beleidsatelier na de hoopvolle kennismaking eerst de vraag centraal gesteld: wat beweegt de eigenaar? Wil het beleid succesvol zijn dan zullen we om te beginnen zicht moeten hebben op de beweegredenen van de eigenaar van de gebouwde omgeving. De eigenaar-bewoner, de corporatiebestuurder en de investeerder in particuliere huur.

Het resultaat was niet verrassend, maar misschien toch ook wel weer onthullend. Voor de drie categorieën eigenaren geldt in feite hetzelfde: er zijn wel koplopers maar het ‘opschalen’ wil maar niet lukken. Er worden vorderingen geboekt bij mensen die het onderwerp belangrijk vinden, maar veel te weinig mensen vinden het onderwerp echt belangrijk. Voor de meeste mensen heeft energie onvoldoende prioriteit. Het is ook geen onderwerp waar veel mensen over spreken. Vergelijk dat bijvoorbeeld met Duitsland waar energie wel het onderwerp van gesprek is onder mensen.

De prioriteiten van de mensen

We weten dat ‘energie’ een onderdeel is van het klimaatdebat. Er zijn ongetwijfeld veel koplopers die daarom werk maken van energieneutraliteit. Maar ‘klimaat’ heeft voor de grote meerderheid van de huiseigenaren geen hoge prioriteit. Daarbij is het klimaatdebat een moeilijk debat. Ten eerste zijn er altijd nog de ontkenners, zij het dat hun geluid in kracht lijkt af te nemen. Ten tweede doen de echt schadelijke gevolgen van de klimaatverandering zich niet op dit moment voor, maar op de langere termijn. Ten derde zullen maatregelen die we nu nemen, pas op langere termijn een zichtbaar effect hebben. Ten vierde is het onderwerp voor veel mensen te groot. Je weet niet waar je moet beginnen. Heb je al voldoende gedaan als je zoveel hebt geïnvesteerd in een windmolenpark dat je zelf netto meer energie opwekt dan verbruikt?

Ook de omstandigheden prikkelen te weinig om grote stappen te maken. Hoewel evident is dat je op termijn kan verdienen aan het energiezuiniger maken van je woning of aan het opwekken van duurzame energie, toch zijn die voordelen voor de meesten te gering om ‘aan die rompslomp te beginnen’. Ik vat het niet in Haagse, maar in gewone-mensen taal samen. Dus: als men toch moet verbouwen, is er nog wel bereidheid om het verlagen van energierekening mee te nemen in de overwegingen, maar in alle andere gevallen wordt dat onderwerp graag uitgesteld.

En laten we eerlijk zijn. De voordelen van energieneutraliteit zijn ook niet erg opvallend voor de eigenaar. De financiële voordelen zijn aantoonbaar, maar pas over een aantal jaren. En dan nog zijn ze maar beperkt. De nadelen zijn misschien wel evidenter. Een hoop gedoe, problemen met de ventilatie en het lawaai van de warmtepompen laat zich maar moeilijk wegdrukken. Wie zich veel zorgen maakt over de klimaatverandering, neemt dit soort nadelen graag voor lief. Maar de meeste mensen maken zich niet veel zorgen over de klimaatverandering. Vergelijk het met de komst van het gas. In een paar jaar tijd ging heel Nederland over op aardgas. Op dat moment waren de voordelen in termen van comfort wel opvallend aanwezig. Ook de slaapkamers waren plotseling aangenaam warm en het vullen van de kolenkit was verleden tijd.

Bij de woningcorporaties speelt bovendien het probleem van de split incentive. De kosten van de investeringen liggen bij de corporaties, terwijl de baten terecht komen bij de bewoners. Dat vraagt om huurverhogingen die soms moeilijk te verkopen zijn. Bovendien staan de corporaties niet meteen te springen om de overheid hier ten dienste te zijn, na de huurdersheffing van € 1,7 miljard.

Misschien moet nog wel het meest te denken geven dat de eigenaren van de private huurwoningen zo weinig geneigd zijn om te investeren in energieneutraliteit. In deze wereld gaat het immers bij uitstek om geld en om rendement.

De prioriteiten van de politiek moeten anders

Het is overigens niet gepast om de huiseigenaren een verwijt te maken. Klimaat en energie mogen bij hen onvoldoende prioriteit hebben, er is alle reden om hetzelfde over ‘Den Haag’ te zeggen. Al heel lang worden over de energieneutraliteit van de gebouwde omgeving gesproken, maar nog nimmer zijn harde doelen gesteld en/of stevige beleidsinstrumenten ingezet. We vinden het onderwerp belangrijk, maar we doen te weinig om de noodzakelijke opschaling te bewerkstelligen. Vergelijk het eens met de stadsvernieuwing in de jaren 70 en 80 van de afgelopen eeuw. Hoeveel budgetten en hoeveel energie daaraan werden besteed.

Is het ook niet tekenend dat we geen minister van Energie hebben?

In feite staat het beleid vooral in het teken van ‘verleiden’ en van een niet altijd consistent subsidiebeleid. Het gevolg is dat er ook geen echte markt voor energieneutrale verbouw ontstaat. Dat laatste is toch al ingewikkeld omdat in Nederland de bouw vooral in het teken van de nieuwbouw staat. Daar komt nog bij dat we al lange tijd een cultuur hebben van gebrekkige oplevering van huizen. Daarbij zijn in de vorige eeuw (jaren 60) veel slechte woningen gebouwd. Het is niet zo vreemd dat in die cultuur energielabels en EPC’s op basis van de papieren werkelijkheid worden vastgesteld.

Al met al: het streven naar een energieneutrale gebouwde omgeving is vooral omgeven met een wereld van geloof en goede bedoelingen. In feite zegt de overheid: als we de burger maar duidelijk maken hoe belangrijk is, dan zal hij zijn huis heus wel energieneutraal maken. Het is toch zo belangrijk? De systeemwereld van het departement wordt hier te zeer bepaald door de leefwereld van de eigen ambtenaar. Maar de meerderheid van de bevolking is geen beleidsmedewerker op een departement.

Enerzijds is het daarmee een voorzichtig en bijna vriendelijk beleid. Anderzijds toont de overheid zich hier van een hautaine kant. Hij meent te weten welke prioriteiten burgers zouden moeten stellen. Het is de vraag of de tegenwoordige burger van dat soort gedachten gediend is. Ik kom daarmee toe aan een volgende conclusie. Er zijn voldoende middelen om te komen tot een energieneutrale gebouwde omgeving. Zelfs op afzienbare termijn. Maar de governance deugt niet.

Naar een andere governance

Het is een kwestie van politiek: of men wil inzetten op een energieneutra gebouwde omgeving op afzienbare termijn of men wil het niet. Over die keuze laat ik me hier niet uit. Maar als men voor het eerste kiest kan de overheid niet volstaan met achterover leunen. Er moet een doel worden gesteld (een stip op de horizon) en dat doel moet langs twee lijnen worden bereikt. Ten eerste niet door te verleiden, maar door te duwen. De eisen zullen langzaam moeten worden aangescherpt. En als die eisen niet worden gehaald, moeten er sancties komen. Ten tweede moeten experimenten ruimhartig worden aangemoedigd en moet tevens van die experimenten worden geleerd.

In dat licht is het goed om een vergelijking te maken met de nieuwbouw. Daar zijn doelen gesteld (en het doet niet terzake dat het ‘eindjaar’ een paar jaar naar achteren is verschoven). BENG geldt voor 31-12-2000. Zo weet iedereen waar hij op termijn aan toe is. Bovendien zijn de normen gaandeweg aangescherpt. Daarnaast wordt ruimschoots geëxperimenteerd (en bestaan er helaas wel klachten in het veld over de bereidheid van de overheid om van die experimenten te leren). Dus: stip op de horizon, experimenteren en leren en geleidelijk aanscherpen van de normen (duwen). In feite wordt iedereen daar op termijn tot energieneutraliteit verplicht.

In dat opzicht ligt de lat in de gebouwde omgeving hoger dan bij de nieuwbouw. Voor een nieuwbouwwoning kan een vergunning worden geweigerd. En zo kan de bouwer en de nieuwe eigenaar tot energieneutraliteit worden verplicht. Zo eenvoudig ligt het niet voor de bestaande bouw. Je kan de normen daar wel wettelijk verhogen, maar het is veel ingewikkelder om het aanscherpen van normen vervolgens ook te handhaven. Beter gezegd: voor de gebouwde omgeving zal je een andere methodiek moeten hanteren om te werken aan een sense of urgency. Je zal eigenare op een andere manier moeten duwen in de richting van energieneutraliteit.

Het zou goed zijn als in de lange termijnverkenning energie een uitvoeringsagenda zou worden opgenomen die deze nieuwe governance voor de gebouwde omgeving zou uitwerken. Voorlopig geef ik slechts enkele voorbeelden.

Voorbeeld: de gasnetten moeten in grote delen van Nederland in het komende decennium worden vervangen. Wie een sense of urgency wil creëren zou nu reeds kunnen aangeven dat de gasnetten niet meer worden vervangen. Het geeft twee voordelen: iedereen weet waar hij aan toe is en iedereen heeft volop tijd om zich op de nieuwe situatie voor te bereiden.

Voorbeeld: op voorwaarde dat de energielabels een juist beeld geven van het energiegebruik, kunnen ze worden gekoppeld aan onroerendzaakbelasting en overdrachtsbelasting. Het is bekend dat burgers erg gevoelig zijn voor verhogingen van de ozb.

Voorbeeld: het streefjaar van 2050 voor een energieneutrale gebouwde omgeving geeft geen gevoel van urgentie. Het is te ver weg: “het zal onze tijd wel duren”. Die stip op de horizon moet naar voren worden gehaald. Of op zijn minst moeten heldere tussendoelen worden geformuleerd.

Voorbeeld: als een streefjaar voor een energieneutrale gebouwde omgeving serieus wordt genomen, kan nu reeds worden aangegeven met welke stappen de energiebelasting de komende jaren zal worden verhoogd. Als iedereen weet dat de energie elk jaar 5% meer zal kosten, ontstaat een helder gevoel van urgentie. En natuurlijk is eenzelfde beleid mogelijk met een belasting op CO2.

Voorbeeld: er moeten veel meer fondsen komen om de overstap naar energieneutraliteit gunstiger en eenvoudiger te maken. Dat hoeft geen nieuwe ISV te worden, waarbij de overheid weer braaf bijdraagt. Het gaat mij wel om investeringsfondsen waarop eigenaren een tijdelijk beroep kunnen doen. De overheid zou wel garant moeten staan.

Voorbeeld: leg de energiebedrijven quota voor duurzame energie op, die op een transparante manier zullen stijgen in de komende decennia.

Over elk voorbeeld kan worden gediscussieerd. Dat beoog ik hier niet. Ik probeer alleen maar aan te geven hoe de governance eruit moet zien om een energieneutrale gebouwde omgeving in 2035 te bereiken. Duidelijk maken dat aan energieneutraliteit in de gebouwde omgeving niet valt te ontkomen, mede door tussentijds de normen steeds verder aan te scherpen en daar waar nodig is ondersteunen bij experimenteren en leren.

Tot slot

Ik realiseer mij terdege dat de vraag waarmee dit project begon een andere was. Die vraag had betrekking op de taakverdeling tussen Rijk, provincies en gemeenten. Maar die vraag ging voorbij aan de basisvraag waarom die energietransitie voor de gebouwde omgeving zo moeizaam op gang komt. Dat er wel veel koplopers zijn, maar dat de opschaling naar de massa nog steeds niet wil lukken.

Voor de koplopers heb je een ander beleid nodig dan voor de opschaling naar de massa. Hoe belangrijk gemeenten en provincies ook kunnen zijn voor experimenten, voor het vaststellen van de stip op de horizon en voor het duwen is voor de rijksoverheid aan zet. Daar moet de energietransitie van de gebouwde omgeving werkelijk beginnen. Het gaat hier immers om een groot nationaal thema. Het gaat hier over geopolitiek (Russisch gas), het gaat hier om klimaatbeleid en het gaat hier over de toekomst van Slochteren. De rijksoverheid kan het niet maken om al die problemen door te schuiven naar de gemeenten. De rijksoverheid is zelf aan zet.

Het aardige verhaal is dat die energietransitie technisch gezien moet kunnen slagen. Als het niet lukt, is de reden simpel: we willen het niet.

 

#Amsterdam is de Randstad, de Randstad is Amsterdam

februari 18, 2016 by  
Filed under De Stad, Geen categorie

Het begint er steeds meer op te lijken. We hebben geen Randstad, we hebben Amsterdam. En de rest is daarvan afgeleid. Tien jaar geleden kwam het Ruimtelijk Planbureau al tot de conclusie dat de Randstad niet bestond. Conclusie: er zijn vier stadsgewesten, vier daily-urban-systems. En als er al een beweging is naar een groter geheel dan is er een trend in de richting van Amsterdam. Amsterdam was niet alleen het centrum van Nederland, maar ook bij uitstek het centrum van wat wel de Randstad werd genoemd.

Inmiddels zijn er weer allerlei nieuwe cijfers die laten zien hoe dominant die positie van Amsterdam begint te worden. Zo kan je patronen afleiden van de plaatsen waar mensen hun elektrische auto opladen. Toevallig kreeg ik daarvan een overzicht:

  • Van de mensen die zijn opgeladen in Amsterdam, laadt 78% de volgende keer weer op in Amsterdam;   7% in Rotterdam, 8% in Den Haag en 7% in Utrecht.
  • Van de mensen die zijn opgeladen in Rotterdam, laadt 51% de volgende keer weer op in Rotterdam; 28% in Amsterdam, 14% in Den Haag en 7% in Utrecht.
  • Van de mensen die zijn opgeladen in Den Haag, laadt 42% de volgende keer weer op in Den Haag; 36% in Amsterdam, 14% in Rotterdam en 7% in Utrecht.
  • Van de mensen die zijn opgeladen in Utrecht, laadt 40% de volgende keer weer op in Utrecht; 40% in Amsterdam, 9% in Rotterdam en 10% in Den Haag.

De cijfers moeten met grote voorzichtigheid worden geinterpreteerd. Mensen met elektrische of hybride auto’s zijn geen doorsnee-Nederlanders. Bovendien kan er sprake zijn van onderzoek-artifacten omdat de steden niet allemaal even ver van elkaar afliggen. Maar toch.

Het overheersende patroon is duidelijk. Als men niet in de eigen stad blijft, is de kans het grootst dat men naar Amsterdam gaat. De Randstad is geen verzameling min of meer gelijkwaardige stadsgewesten. Amsterdam steekt daar ver boven uit.

En er is nog iets: het lijkt zelfs alsof mensen in Den Haag en Rotterdam meer met Amsterdam hebben dan met elkaar. Dat idee van die Zuidvleugel lijkt geen maatschappelijke realiteitswaarde te hebben. Het moet de Metropoolregio Rotterdam-Den Haag te denken geven.

 

 

Steden: don’t go with the flow

oktober 6, 2015 by  
Filed under De Stad, Geen categorie

Vijftig jaar geleden was Rotterdam een bloeiende stad. De stad werd herbouwd, de haven profiteerde van de nieuwe kranen en de ruime nieuwe kades. De Floriade van 1960 markeerde de vooruitgang. In dezelfde tijd werden in Amsterdam delen van de oude binnenstad gesloopt en werd serieus over het dempen van grachten gesproken. De stad had duidelijk behoefte aan impulsen.

Nog geen 50 jaar later zijn de rollen geheel omgedraaid. De economie is fors veranderd. De industrie heeft zijn dominante positie verloren. Het draait tegenwoordig vooral om kennis, innovatie, face-to-face contacten etc. De haven is vrijwel geheel geautomatiseerd. Nieuwe werknemers gaan niet meer in de nabijheid van fabrieken wonen, maar bedrijven vestigen zich vooral in de nabijheid van interessante werknemers. En omdat hoogopgeleiden graag in de buurt van oude binnensteden wonen, floreert Amsterdam tegenwoordig en heeft Rotterdam veel terrein verloren.

Het lijken autonome ontwikkelingen, en dat zijn het voor deel ook. In ieder geval kan je het de gemeente Rotterdam niet kwalijk nemen dat de economische structuur is veranderd. Net zo min als Amsterdam voor de triomf van de eigen stad zichzelf op de schouders hoeft te slaan.

Dit mag allemaal zo zijn, het betekent niet dat lokaal besturen voortaan zinloos is. Economen hebben wel eens de neiging om te zeggen: “Go with the flow”. En dat bekt ook wel lekker. En het is waar als ze bedoelen dat de overheid niet moet proberen tegen de economische trends in te gaan. En niet moet proberen om een campus te ontwikkelen waar geen bedrijf wil zitten. Maar het is ook een onzinnig advies. Als ze alleen op aarde is om de economische trends te volgen, kan de overheid beter naar huis gaan. Het is de taak, en zelfs de bestaansreden van een overheid om ervoor te zorgen dat de uitkomst uiteindelijk anders is dan de markt lijkt te willen. In een politiek gewenste richting.
Als je meer wilt weten over de ontwikkeling van de stad is de PBLQ-leergang De Triomf van de stad een aanrader.

Volgende pagina »