Twaalfde Triomf van de stad start niet in oktober 2020

oktober 16, 2020 by  
Filed under De Stad, Geen categorie, Voorpagina

Sinds 2012 organiseren Karen Ephraim en ik de leergang Triomf van de Stad. Een prachtige leergang met veel topwetenschappers én met veel praktijkmensen. Geheel ontworpen voor stedelijke strategen. Over de ontwikkeling van de steden en over het antwoord dat de overheid daarop zou kunnen geven. Sinds 2012 hebben 11 groepen van 10-16 deelnemers de leergang gevolgd. De belangstelling lijkt alleen maar toe te nemen. Het was dan ook heel vanzelfsprekend om dit jaar door te gaan met de 12e editie.

Maar COVID-19 heeft roet in het eten gegooid. Er was te veel twijfel. Waarom zou je wel de hele week thuiswerken, en toch op cursus gaan? Daarom is de 12e jaargang een jaar uitgesteld. In september 2021 starten we weer, als COVID-19 het tegen die tijd wel toelaat. Met de cursisten die zich al hebben aangemeld, en met anderen die nog willen aansluiten.

De data worden nog vastgesteld. En we zullen het gedwongen tussenjaar benutten om de leergang nog eens grondig tegen het licht te houden. We willen nog meer praktijkvoorbeelden en we willen nog meer interactie.

Zolang het programma nog niet gereed is, staat hieronder het programma van de leergang die nooit zou plaatsvinden.

Deel dit bericht:

Knutselen aan het binnenlands bestuur

oktober 15, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Het gaat niet goed met de samenwerking tussen Rijk en gemeenten. Die samenwerking komt bij grote opgaven als woningbouw en energietransitie onvoldoende van de grond. Het was reden voor het Bestuurlijk Overleg Financiële verhoudingen om een studiegroep Interbestuurlijke en Financiële verhoudingen opdracht te geven om een advies uit te brengen. Het advies verscheen onder de titel Als één overheid. Leuk rapport, maar ik hoop niet dat het te veel navolging krijgt.

De kracht van het rapport is meteen zijn zwakte. De auteurs melden dat ze dicht willen aansluiten bij de praktijk en niet een puur conceptueel advies willen uitbrengen over interbestuurlijke samenwerking (tussen Rijk, gemeenten, waterschappen etc.). Drie casus staan centraal: de woningbouwopgave, de energietransitie en de ambulantisering van de GGZ. Het gaat niet goed met de samenwerking op deze drie gebieden: te weinig richting, te veel slordigheid. En het is goed om van die praktijk te leren. Maar het wordt minder als ook per casus naar oplossingen worden gezocht. Dan wordt het knutselen, terwijl juist conceptueel denken over het binnenlands bestuur ons verder had kunnen brengen. 

Bovendien wordt het advies te sterk bepaald door de drie toevallige casus die zijn onderzocht. Want stel dat de studiegroep studie had gemaakt van ‘Ruimte voor de Rivier’, van de Veiligheidsregio’s, van de Vinex wellicht, of van de Regionale Energie Strategieën (die laatste worden wel genoemd), dan was de conclusie wellicht heel anders geweest. In ieder geval zijn deze laatste vier casus wel een voorbeeld van geslaagde samenwerking tussen Rijk en gemeenten. 

Door vooral aandacht te hebben voor de praktijk loop je ook het gevaar dat je de structuur van het binnenlands bestuur en zeker de achterliggende principes van die structuur over het hoofd ziet. Zo richt het advies zich te veel op het proces en het vereiste procesmanagement en vergeet het de structuur waarbinnen die processen moeten plaatsvinden. Zo is het tamelijk zorgelijk dat nergens over democratische structuren wordt gesproken, laat staan over democratische beïnvloeding. Het is ook opvallend dat het woord provincie, zeker in de oplossingen nergens wordt genoemd. Zeg dan eerlijk dat je de provincie wilt opheffen en geef daarvoor dan eerst enkele zwaarwegende argumenten. 

Een goed binnenlands bestuur vraagt om een heldere structuur en om heldere afspraken over het proces. De studiegroep kiest in eerste instantie overigens wel voor heldere afspraken over het proces. Zo adviseert de studiegroep om bij elke opgave de volgende 4 W-vragen te stellen: wat willen we bereiken (de doelen), wie doet mee, wie doet wat en welke instrumenten zetten we in? 

Maar daarna gaan de studiegroep toch vooral figuurzagen. Er moet een interbestuurlijk opdrachtgevend orgaan komen voor de woningbouw, er moeten interbestuurlijke programmateams komen voor de energietransitie en bij de ambulantisering van de GGZ moeten centrumgemeenten de bevoegdheden maar overnemen van de kleine gemeenten. Dat roept meteen heel veel vragen op. Hoeveel macht krijgen die organen en teams en hoe is die macht democratisch gelegitimeerd en hoe zit het met de democratische rechten van burgers van kleine gemeenten als centrumgemeenten de baas gaan spelen? 

De studiegroep meent dat de huidige gebrekkige samenwerking ook voortkomt uit de ongelijkwaardigheid tussen Rijk en gemeenten. Dat zou verholpen moeten worden door gemeenten zelf meer belasting te laten heffen. Dat is een bekend geluid, maar daarom nog niet meteen juist. De betekenis van de gemeente is de afgelopen eeuw verschoven van lokale democratische gemeenschap naar uitvoeringsloket van de rijksoverheid. Dat is niet zo vreemd als burgers veel nationaler en internationaler zijn gaan denken. Het is ook wel erg technocratisch om gemeenten belangrijker te maken alleen omdat de interbestuurlijke samenwerking uit balans is. 

Zo verliest de studiegroep de grote lijn van het binnenlands bestuur uit het oog. Waarom zouden opdrachtgevende organen en programmateams moeten bepalen welke opgave aan de orde is. Laten gemeenten, provincies, waterschappen en Rijk hun eigen doelen inbrengen en daarover gezamenlijk onderhandelen. Dan zal je meteen zien dat die woningbouwopgave niet wordt gerealiseerd zolang het Rijksbeleid zwalkend is en het Rijk niet bereid is een substantieel budget voor de woningbouw ter beschikking te stellen. 

Procesmanagement betekent niet dat er weer nieuwe structuurtjes worden opgericht, maar het betekent slim omgaan met de belangen van anderen. ‘Ruimte voor de rivier’ was daarom zo’n prachtig voorbeeld. Het Rijk stelde vast hoeveel water er per seconde op welke plek door de rivieren moest kunnen stromen. Het Rijk maakte een plan en het Rijk stelde geld ter beschikking. En het Rijk nodigde de lokale partijen uit om zelf een beter plan te maken (dat ook best iets meer mocht kosten). Op voorwaarde dat er in alle gevallen voldoende water door de rivier kon stromen. 

Zo gebeurde het ook met de Vinex in de jaren 90. Het Rijk gaf aan hoeveel woningen per regio gebouwd zouden moeten worden. En het Rijk beloofde daarin fors te investeren als de gemeenten het onderling over de verdeling van de woningen eens zouden zijn. Aldus geschiedde. Het Rijk doet nu ongeveer hetzelfde bij de Regionale Energie Strategieën. Het kader aangeven en geld toezeggen als de partijen ter plaatse het eens zijn geworden over de uitvoering. 

Tot slot een laatste opmerking. Er wordt nogal eens geklaagd over de traagheid van de overheid in het algemeen en van de interbestuurlijke samenwerking in het bijzonder. Velen realiseren zich daarbij vaak niet dat een politieke meerderheid voor het betreffende plan simpel ontbreekt. Dat is teleurstellend voor de minderheid, maar democratisch is het van grote waarde dat de samenwerking op die momenten niet tot stand komt. 

Deel dit bericht:

Wat doen we straks met Rutte @pdekoning

oktober 14, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Mark Rutte is tien jaar minister-president. Petra de Koning schreef een indringend boek over hem. Ze heeft hem lange tijd gevolgd, eerst in Europa en later als politiek redacteur van de NRC in Den Haag. Het project had de instemming van Rutte. Hij vroeg zich wel af hoe informatief het zou zijn om steeds “datzelfde vrolijke mannetje” te zien. Die opmerking typeert hem. Rutte is niet alleen vaak vrolijk, maar hij wil vooral voor de buitenwacht altijd “datzelfde vrolijke mannetje” zijn. 

Laat ik eerlijk zeggen: ik heb Rutte altijd tamelijk onbereikbaar gevonden. We maakten ooit kennis en tijdens het gesprek dat erop volgde was ik vooral gebiologeerd door zijn glimmende zwarte schoenen. Ja, inderdaad een soort teflon-schoenen. Van deze man gleed alles af en op deze man kreeg niemand greep. 

Tot dit voorjaar is mijn beeld nauwelijks veranderd. Maar toen kwam Corona, en groeide Rutte uit tot de staatsman die hij niet eerder was. Daarvoor was hij altijd iets te joviaal geweest, iets te studentikoos, iets te weinig serieus om veel respect af te dwingen. Bij Corona kantelde het beeld. Ik begreep plotseling waarom deze man de volgende verkiezingen zou winnen. 

Het boek van Petra de Koning heeft me dat perspectief weer grotendeels ontnomen. Ze schetst Rutte zo indringend in zijn ongrijpbaarheid dat al mijn oorspronkelijke gedachten alleen maar zijn versterkt. Want Mark Rutte mag zelf ongrijpbaar zijn, het beeld dat De Koning van hem schetst is dat geenszins. Het blijft erg hangen. 

Laat duidelijk zijn dat Rutte voor veel mensen een heel vriendelijk mens is. Die aandacht heeft voor wat mensen bezighoudt, ook in de privé-sfeer, en die dat ook nog eens goed onthoudt. Maar die vriendelijkheid kan ik niet los zien van die ene overheersende karaktertrek: zijn maniakale neiging tot controle. Rutte is een ongeëvenaarde control-freak. En hoewel Petra de Koning dat nergens zo ongenuanceerd opschrijft als ik het nu wel doe: Rutte controleert vooral permanent zijn eigen machtspositie. Controleren gaat bij hem om overleven, van het overleven van zijn kabinet en vooral om het overleven van Mark Rutte. Controleren gaat bij hem ook heel goed samen met delegeren. Vanuit de gedachte: het is altijd beter om een goede assist te geven dan zelf keihard naast te schieten. Tegen zijn adviseurs zegt hij altijd: ik wil alleen op de hoogte worden gebracht als er een conflict dreigt. En in zijn kabinet omringt hij zich vanuit zijn eigen partij graag met bekenden, van wie één ding duidelijk is: ze zullen niet aan mijn poten gaan zagen. 

Controle heeft bij Rutte dus vooral te maken met overleven en des te minder met de inhoud. Inhoudelijk valt hij ook heel moeilijk te plaatsen. Niet alleen riep hij ooit met veel plezier dat een visie alleen maar in de weg zit. Intussen heeft hij ook met bijna alle partijen in de Kamer een kabinet gevormd. Elke coalitie gaat hem even gemakkelijk af. Bij kabinetsformaties geeft hij zelfs met zonder problemen kroonjuwelen van de VVD weg, als dat kabinet Rutte er maar komt. Zijn grote gemak van spreken moet ook in dat licht worden gezien. Wie weinig standpunten heeft kan veel standpunten verdedigen. En hoeft ook nooit een draai te maken. 

En ja, de man heeft heftige driftbuien en is blijkbaar niet in staat die te beheersen. De verhalen over zijn driften zijn inmiddels zo talrijk, dat je je afvraagt waarom dat in Den Haag nog steeds wordt getolereerd. Maar de echte machthebbers wordt nu eenmaal veel vergund. Op het eerste gezicht lijkt het tegenstrijdig dat iemand die zijn omgeving permanent wil controleren, ook zonder enige terughoudendheid te keer kan gaan tegen coalitiegenoten, tegen ambtenaren, tegen werkgeversvoorzitters en ga maar door. Maar elke psycholoog kan je vertellen dat juist control-freaks in woede ontsteken als het allemaal niet gaat zoals van te voren was bedacht. 

De Koning scherpt dat beeld van Rutte onweerstaanbaar aan door te verhalen over zijn privé-leven, dat eigenlijk niet mag bestaan. Over zijn geordende bovenhuis waar niemand wordt toegelaten, maar waar Ton Elias toch een keer met een smoes wist door te dringen. Door zijn eindeloze gewoontes: altijd koffie halen op de Korte Poten, altijd een appel eten op de fiets, altijd dezelfde pakken van Napolitaanse snit, altijd die spijkerbroek als het even kan, het liefst met All-stars eronder. En altijd dezelfde korte vakanties op hetzelfde moment in het jaar naar hetzelfde hotel met dezelfde vrienden. Eigenlijk is er alleen dat premierschap.

Petra de Koning waagt zich niet aan de toekomst. Natuurlijk is de kans zeer groot dat Mark Rutte volgend voorjaar zijn vierde kabinet formeert. (Hoewel corona ook nog best eens roet in het eten kan gooien; die strijd is publicitair nog niet gewonnen.) Toch ooit zal er een einde komen aan het premierschap van Rutte. Bijvoorbeeld als er meer meer visie wordt gevraagd en alleen het managen van Nederland niet meer voldoende is. Of wanneer hij eindelijk is versleten. Dan verdient hij veel dank voor al die jaren. Maar we zullen ons ook afvragen wat er daarna van deze man moet worden. Wie kan zich voorstellen dat deze man ooit nog een andere baan zal hebben. En het zou hij het zichzelf kunnen voorstellen? Of zullen we dit “vrolijke mannetje” nog jaren zien rondfietsen in Den Haag met een appel in zijn hand?

Deel dit bericht:

Burgerberaad niet goed voor het klimaat

oktober 10, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

In de Volkskrant pleit een aantal mensen voor een Burgerberaad over het klimaat. Het beraad moet middels loting worden geformeerd. De regering moet beloven dat de voorstellen van het beraad aan de Kamer worden voorgelegd en de Kamer moet beloven dat die voorstellen alleen gemotiveerd terzijde worden geschoven. 

Ik heb niks tegen burgerberaden, maar ik maak me wel veel zorgen om het klimaat. En vanwege het laatste zie ik dit keer niks in het eerste. Ik geef vier argumenten. 

De gedachte dat 100 of 1000 aselect gekozen Nederlanders in een aantal bijeenkomsten tot nieuwe ideeën komen is naïef. En het is cynisch over het belang van kennis. En het getuigt van een gebrek aan inzicht. Want er zijn al duizenden goede ideeën om klimaatverandering tegen te gaan. Vraag het aan Urgenda, vraag aan het PBL of vraag het gewoon op het departement. En als al dat allemaal nog niet genoeg is kan je veel beter iedere burger en ieder bedrijf aan het denken zetten door bijvoorbeeld een CO2-belasting te heffen. 

De gedachte dat je draagvlak creëert met een Burgerberaad is al even naïef. Denk je dat Shell zijn verzet tegen de energietransitie plotseling zal staken als een willekeurige middels loting samengestelde groep zegt dat we geen olie en gas meer mogen boren? Klimaatbeleid is een harde strijd om belangen, waarbij iedereen moet worden gedwongen mee te doen. Daar heb je een overtuigende overheid voor nodig en geen willekeurige gespreksgroep. 

Veel erger, een Burgerberaad is geen oplossing voor het probleem waar het hier werkelijk om gaat: het ontbreken van een krachtige politieke meerderheid. Hoe vervelend ook, maar in Den Haag wordt de urgentie van een krachtig klimaatbeleid nog steeds onvoldoende gevoeld. En laten we eerlijk zijn: daaraan zijn we allemaal schuldig. Omdat die urgentie in de samenleving nog steeds onvoldoende wordt gevoeld. Ideeën en plannen zijn er genoeg, maar ze worden onvoldoende opgepakt. 

Ach zul je misschien denken: baat het niet, dan schaadt het niet. Gun iedereen zijn eigen plezier en zijn eigen vergadering. Maar ik vrees dat het instellen van een Burgerraad het klimaat juist wel zal schaden. Omdat het weer een prachtig alibi is om grote beslissingen voor ons uit te schuiven. “Het nieuwe klimaatbeleid wacht op de uitkomsten van het Burgerberaad”. Nee, met Energieakkoorden en Klimaattafels hebben we al tijd genoeg verspeeld. Er is geen tijd meer voor nieuwe gespreksrondes. 

Deel dit bericht:

Corona en waar is het lokaal bestuur

september 21, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Als ik een orkest hoor, hoor ik de fagot. Als ik Rutte en De Jonge hoor over een regionale aanpak van corona, denk ik aan het lokaal bestuur. Dat heb je als je je hele leven fagot hebt gespeeld. En als je lange tijd de ‘gemeenteprofessor’ van Nederland bent geweest.

Voor mij ging die persconferentie van Rutte en De Jonge op vrijdagavond dan meer over gemeenten dan over corona. Meer over centralisatie en decentralisatie dan over besmettingen. Het was ook een heel bijzonder moment. Wat gebeurde er? 

De regering besluit dat corona regionaal moet worden aangepakt, en vervolgens besluit de regering in welke regio’s welke aanpak vereist is. 

Ik leerde studenten vroeger altijd dat juist een decentrale aanpak het mogelijk maakt om goed aan te sluiten bij lokale problemen en bij lokale omstandigheden. Dat lokale beleidsvrijheid dus goed is voor de effectiviteit van het openbaar bestuur. Dat de kracht van de Nederlandse staat is gelegen in die ‘gedecentraliseerde eenheidsstaat’ die Nederland altijd is geweest. Dat was de theorie. 

Maar ik vertelde ook dat er voor burgers in feite maar één overheid bestaat. En dat voor de burger dat onderscheid tussen gemeente en Rijk maar een amorf onderscheid is. Een burger moet belasting betalen en wil vooral dat zijn problemen worden opgelost. Maakt niet uit door wie. Dat was de praktijk. 

En nu kunnen we de praktijk aan de theorie toetsen. Het blijkt dat de corona-besmettingen vooral in Noord- en Zuid-Holland snel in aantal toenemen. Ha, lokale omstandigheden! Volgens de theorie moeten de burgemeesters van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag dus aanvullende maatregelen nemen. In werkelijkheid onderhandelen zij met Rutte en De Jonge en moeten de laatsten hen ervan overtuigen dat nadere maatregelen onvermijdelijk zijn. Ik begreep dat de burgemeesters vooral hadden gepleit voor hun eigen horeca en dat Rutte en De Jonge pal stonden voor het tegengaan van COVID-19.

Een blog is te klein en te kort om een nieuwe theorie voor het binnenlands bestuur te formuleren. Het zou ook wat te pretentieus zijn. Toch zou 18 september 2020 achteraf wel eens een heel belangrijk moment geweest kunnen zijn voor de verhoudingen in het binnenlands bestuur, voor de verhoudingen tussen Rijk en gemeenten. Omdat het Rijk hier voor het eerst zo nadrukkelijk besloot welke maatregelen het beste pasten bij de lokale omstandigheden. 

En waarom gebeurde dat? Laat ik drie argumenten geven. 

  • Nederland is te klein. Het kan zo zijn, dat op dit moment het aantal COVID-19-besmettingen vooral in de Amsterdam, Rotterdam en Den Haag snel oploopt. Maar dat kan in dit kleine land zo weer overslaan naar Brabant, naar Gelderland en zelfs naar Groningen. De afstanden zijn zo klein, dat het hele land permanent onderling is verbonden. En besmettingen volgen graag verbindingen. Daarmee gaat het Rutte en De Jonge aan wat er nu in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag gebeurt. En als het hun aangaat kunnen ze het maar beter zelf beslissen. 
  • Het lokaal bestuur heeft te weinig gezag. Amsterdam en Rotterdam hebben op eigen gezag even geëxperimenteerd met mondkapjes. Het werd een mislukking. Burgers begrepen niet waarom het daar wel moet en elders niet (NL is te klein), maar het lokaal bestuur had ook volstrekt onvoldoende gezag om een eigen beleid door te zetten. Veel erger: ik lees dat burgemeesters nu in Den Haag eerder het belang van hun eigen horeca bepleiten dan voortrekker zijn in het indammen van de corona-besmettingen ter plaatse. Het lokaal bestuur kiest dus niet meer voor een beleid dat past op de lokale omstandigheden, het lokaal bestuur zet zich in voor lokale belangen tegen een Rijk dat een adequaat antwoord wil formuleren op lokale noden. 
  • Nederland is een eenheidsstaat. Al die wetenschappers die dromen over multi-level-governance. Al die lokale bestuurders die dromen dat ze ‘mede-overheden’ zijn. Het zijn dromen. De Nederlandse burger denkt mondiaal of kijkt naar SBS6. In beide gevallen wil hij dat Rutte en De Jonge optreden als corona weer de kop op steekt. In beide gevallen wil hij dat Rutte het klimaat wel of niet redt, de pensioenen wel of niet regelt, de belastingen voor bedrijven wel of niet verhoogt, Griekenland wel of niet steunt, de migranten van Moria wel of niet binnenlaat.

Nederland is alleen in naam nog een gedecentraliseerde eenheidsstaat. In de praktijk zijn we een eenheidsstaat waarin de gemeenten niet meer het publiek belang binnen hun eigen territoir definiëren, maar waarin gemeenten particuliere belangen (van de horeca) tegenover het publiek belang van ons allen verdedigen. En daarmee is het ‘huis van Thorbecke’ definitief verbouwd. 

Deel dit bericht:

#Prorail terug onder de vleugels van moeder overheid

september 9, 2020 by  
Filed under Geen categorie

Ooit hadden we de Nederlandse Spoorwegen. In de privatiseringswoede van de jaren 90 werd NS naar de markt gebracht en opgeknipt. Na een volgende herschikking bleven NS en Prorail als enige herkenbaar over. Beide zijn zogenaamde overheids-nv’s. Private bedrijven waarvan de  aandelen in handen zijn van de overheid. Daarmee heeft de overheid via eigen commissarissen zeggenschap over het reilen en zeilen van de bedrijven, maar de commissarissen hebben alleen het belang van het bedrijf te dienen. 

Zolang de NS een concessie hebben voor het hoofdnet van de spoorwegen is er geen reden om de juridische positie van NS te veranderen. Over de positie van Prorail bestaat daarentegen veel meer discussie. Moet de rail-infrastructuur van Nederland door een privaat bedrijf worden beheerd? Terwijl de overheid jaarlijks een miljard euro moet bijleggen? Vooral in het vorige kabinet met verantwoordelijke PvdA-staatssecretarissen werden steeds meer vragen gesteld, tot Sharon Dijksma besloot om Prorail weer terug te halen. Het zou van een overheids-nv een zelfstandig bestuursorgaan (zbo) moeten worden. 

De operatie is in volle gang, maar de politieke strijd is nog niet gestreden. Deze week houdt de Kamercommissie nog weer eens een hoorzitting over het onderwerp. Is het echt verstandig om Prorail weer onder de vleugels van de overheid te brengen? Principieel ben ik daarvan wel een voorstander en ondanks alle rompslomp die we over ons halen door de positie van Prorail weer te veranderen, lijkt me dat er ook praktische argumenten zijn voor de omvorming van Prorail naar zbo. 

Ik doe donderdag mee aan die hoorzitting. Dat is verrassend omdat het niet om wetenschappelijke keuze gaat, maar om een politieke. Daarom zal ik me beperken tot het meegeven van enkele overwegingen. En met name een manier van redeneren. Conform het WRR-rapport Het borgen van publiek belang uit 2000, waarvan ik de hoofdauteur was. De WRR zou toen als volgt hebben geredeneerd. 

  1. De positionering van Prorail is geen doel op zich. Privatisering is geen doel op zich, verzelfstandiging is geen doel op zich. Net zo min als het terugbrengen onder de vleugels van de overheid een doel op zich mag zijn. 
  2. De publieke belangen zijn hier het doel. En de positionering van Prorail is wellicht een middel om die publieke belangen beter te dienen. 
  3. Wat zijn publieke belangen? Er zijn veel belangen die we samen belangrijk vinden. Soms kunnen die niet bereikt worden zonder eindverantwoordelijkheid van de overheid. Dan zou ik willen spreken over ‘publieke belangen’. Dat publieke belangen worden bereikt is een eindverantwoordelijkheid van de overheid. 
  4. Wat we samen belangrijk vinden is een politieke keuze. Als de samenleving daarvoor niet zelf kan zorgdragen, moet de overheid iets doen. Op zijn minst een eindverantwoordelijkheid dragen. 
  5. De markt kan veel, mensen kunnen zelf auto rijden, de NS kan zelf treinen rijden, maar het aanleggen van wegen en spoorwegen doen we niet zelf (omdat een ander anders gratis van mijn weg gebruik kan maken): daar heb je een overheid voor nodig. 
  6. De markt kan veel, maar voor het organiseren van een markt heb je ook de overheid nodig.
  7. En je hebt nog heel veel andere publieke belangen: CO2, stikstof etc: ook daar moet de overheid de mobiliteit bijsturen.
  8. De vraag waar het nu om draait: hoe kan je dat soort publieke belangen het beste borgen? Soms met wetgeving en handhaving (uitstoot tegengaan). Soms met positionering van de organisatie. 
  9. Zo hebben we het organiseren van de OV-markt in handen gegeven van de Minister, de provinciale en lokale besturen. Logisch, als we een markt willen hebben, heb je een marktmeester nodig. 
  10. Zo laat je het aanleggen en beheren van spoorwegen aan private partijen. Een overheid moet niet zelf met kiepkarren gaan rijden. 
  11. Maar waar positioneer je organisatie die daartoe de opdrachten verstrekt en daarover het toezicht houdt? Antwoord: daar waar de overheid haar eindverantwoordelijkheid het beste kan waarmaken. 
  12. Ik heb voor de sg van IenM enige jaren geleden het toezicht op Prorail geëvalueerd. En dat toezicht was mager geregeld. En dat lag niet alleen aan het departement. 
  13. Er was bijvoorbeeld vaak spanning tussen de staatssecretaris van IenM en de directie en de Raad van Commissarissen van Prorail over grote investeringen. Prorail vond dat in wezen niet de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris.
  14. Er was bij Prorail geen cultuur van grote openheid ten aanzien van de toezichthoudende functie van het departement. Men had ook niet zoveel zin om over het toezicht door het departement te praten. Alsof men een zelfstandig bedrijf was. 
  15. Maar aan de andere kant had ik als decaan van de Rijksprojectacademie (indertijd: academie voor projectmanagers van RWS, Prorail en Rijksgebouwendienst) bij de deelnemers van Prorail ook niet het gevoel met mensen van een privaat bedrijf te maken te hebben. Er was in dat opzicht ook geen verschil tussen mensen van RWS en van Prorail. 
  16. Conclusie: het borgen van publieke belangen is ook een kwestie van cultuur. Denkt men vanuit publieke belangen of denkt men als een privaat bedrijf? Het is niet onlogisch om RWS en Prorail vanuit het publieke belang te laten denken. 
  17. Als je de overheid verantwoordelijk acht voor de infrastructuur (en voor de concurrentie op de infrastructuur) is het logisch om RWS en Prorail binnen de publieke sfeer te houden/hebben. 
  18. Het werk van Prorail en RWS vraagt om een zekere autonomie. Maar blijkbaar lukt RWS dat goed, zelfs zonder dat hij een zbo is. Waarom zou dat voor Prorail anders zijn?
Deel dit bericht:

Ruud Lubbers controleert zelfs zijn eigen geschiedenis

september 7, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Ruud Lubbers was vaak ongrijpbaar. En na zijn dood lijkt het niet anders. 

In 2018 was Ruud Lubbers nog maar net dood toen enkele maanden later onder eigen naam het boekje Persoonlijke herinneringen verscheen. Hij was ooit aan een boek begonnen, maar bij zijn dood lagen er slechts enkele korte schetsen en een aantal interviews. De interviewer had de ondankbare taak op zich genomen om van dit alles een geheel te maken. Maar een geheel werd het niet. Ik vond het vooral een pijnlijk boekje omdat Lubbers alle grootsheid die we van hem gewend waren leek te hebben verloren. Het meest bleven zijn verontschuldigen aan Elco Brinkman hangen, de man die hem in 1994 moest opvolgen als CDA-leider én al premier, maar daarvoor een paar maatjes te klein was. Lubbers had dat indertijd te laat door. Toen hij besefte dat Brinkman niet zijn gedroomde opvolger was, maakte hij hem het leven alsnog heel erg zuur. 

Onlangs verschenen de ‘politieke memoires’ van Ruud Lubbers, van de hand van Theo Brinkel. Brinkel spitte in de jaren 1993-1995 samen met Lubbers in 21 gesprekken diens politieke leven door. Memoires in de vorm van 21 interviews. Het zegt veel over Lubbers dat dit boek nu pas verschijnt. Tot zijn dood heeft hij nooit willen instemmen met een publicatie. Nu doet de familie dat gelukkig wel. 

En dat feit alleen al, dat Lubbers geen toestemming gaf, typeert de man ten voeten uit. Want bovenal was Lubbers een control freak. Er stonden een paar teksten in het boek, die wel eens tot problemen zouden kunnen leiden. Over Elco Brinkman geen goed woord, maar dat was tot daaraan toe. Brinkman was al lang gevallen. Maar zijn woede over Helmut Kohl die hem de pas afsneed naar het voorzitterschap van de Europese Commissie, kon maar beter niet naar buiten komen. Je wist maar nooit wanneer hij Kohl nog eens nodig zou hebben.

Overigens kom je buiten Kohl en Brinkman om in de memoires van Lubbers alleen maar aardige mensen tegen. Mensen die hij “mag”. Natuurlijk, er is wel eens een akkefietje, maar eigenlijk “mag” Lubbers iedereen. Dat is bijzonder, omdat de politiek geen wereld is om vrienden te maken. Als Lubbers hier over bijna iedereen zegt dat hij ze “mocht”, is dus iemand bezig zijn eigen geschiedenis te herschrijven. Hier controleert iemand zijn nagedachtenis. 

Juist daarom is het een echt Lubbers-boek. Ruud Lubbers was twaalf jaar minister-president. Omdat hij was wie hij was. Een uitermate intelligente politicus, die alles zag en daardoor de ander vaak een slag voor was. Die zich inhoudelijk in elk onderwerp verdiepte. Die meteen vier oplossingen in gedachten had. Die in de ministerraad kon verrassen omdat hij de dossiers soms beter had gelezen dan de verantwoordelijke minister. Natuurlijk, hij moet soms heel irritant zijn geweest. Het is voor veel mensen irritant om te moeten toegeven dat de ander veel beter is. Daarom was Lubbers bepaald niet geliefd bij iedereen. Maar hij stak er wel met kop en schouders bovenuit. En daarom had dat kleine boekje met Herinneringen twee jaar geleden niet mogen verschijnen. Daar sprak een oude man, en niet meer de man die vaak irritant goed was. 

Dat wil niet zeggen dat er op de loopbaan van Ruud Lubbers geen ander perspectief denkbaar is. Vooral die twee affaires met Brinkman en met Kohl laten zich ook anders beschrijven. Bijvoorbeeld als de affaires waarin Lubbers eigenlijk de controle langzaam kwijt raakte. En het mooie van zijn memoires is dat hij ons wil doen geloven dat hij die controle nog wel degelijk had. 

Lubbers was in 1989 al zeven jaar minister-president toen hij aan zijn derde kabinet begon. Hij meldde intern dat het zijn laatste kabinet zou worden. Heel wijs, na 12 jaar is je houdbaarheid wel verstreken. Al snel wees Lubbers Elco Brinkman aan als zijn opvolger. Brinkman was minister geweest in de eerste twee kabinetten-Lubbers. Vanaf 1989 was hij fractievoorzitter van het CDA in de Kamer. Een logische keuze. Maar ook een onmogelijke keuze. Want Brinkman kon zich alleen maar profileren door zich tegen de “Baas” af te zetten en dat was de “Baas” niet gewend. En daarvan ook niet gediend. Laat ik het anders formuleren: Lubbers begreep wel dat het zo werkte, maar hij zou het zelf inhoudelijk heel anders hebben gedaan. Hij legde de arme Brinkman langs zijn eigen meetlat. En die Brinkman was inderdaad een paar maatjes te klein. 

Lubbers probeert in zijn beschrijving van het conflict met Brinkman vooral zijn eigen grootheid te laten zien. Hij mist echter de grootheid om te zien dat grote leiders vaak hele kleine mensen worden als ze de macht en de aandacht weer moeten afstaan. 

Met Kohl gebeurde iets vergelijkbaars. Kohl en Lubbers waren al jaren zeer goede bekenden van elkaar. Onder andere via de Europese christen-democratie. Maar Lubbers begon in zijn derde kabinet een beetje het zicht op zijn eigen positie in Europa kwijt te raken. Hij begon randvoorwaarden te stellen aan de Duitse eenwording, hij meende dat de Europese Bank niet naar Frankfurt moest maar naar het provinciaalse Bonn. En daarvan was Helmut Kohl op zijn beurt niet gediend. Overigens was Kohl ook langzaam het zicht aan het kwijtraken op zijn eigen menselijkheid. Kohl en Lubbers waanden zich allebei te groot, maar Kohl was als vertegenwoordiger van Duitsland toch echt een kopje groter. Geïrriteerd door Lubbers gedrag, zette Kohl hem de voet dwars bij zijn poging om voorzitter van de Europese Commissie te worden. Lubbers boos en vol onbegrip. 

Dit soort episodes contrasteren met de dagelijkse politiek en zijn daarom zo boeiend. Politiek is meestal een doortimmerd spel van macht en inhoud. Waarin politici hun doelen weten te bereiken door op het juiste moment de juiste dosis macht in te zetten. Maar politici zijn ook mensen. Je kan zelfs zeggen dat ze alleen maar heel groot kunnen worden als ze het mengsel van macht en inhoud aanlengen met een goed gedoseerde hoeveelheid ‘mens’, ‘persoon’. En het boeiende is dat politici aan het einde van hun loopbaan vaak de mist ingaan omdat die ‘mens’ een te groot gewicht krijgt. Ze vinden het moeilijk om afscheid te nemen. Ze raken snel gekwetst, omdat ze niet zelden een meer dan normale hoeveelheid narcisme onder de leden hebben. Ze denken dat de buitenwereld het allemaal doet. Maar ze doen het zelf. 

Het gaat vaak heel subtiel. Want zonder de persoon die ze zijn, hadden de grote politici nooit tot die grote hoogte kunnen stijgen. Lubbers was niet alleen een Macher, maar was ook een gelovig mens, die juist daarom 12 jaar het CDA aan zijn voeten had. Dat was niet gespeeld, dat was de mens Ruud Lubbers. Joop den Uyl was jarenlang bij zijn achterban zo geliefd omdat hij naast een handig politicus ook ‘Ome Joop’ was. 

En dan gaat aan het einde toch het ego te veel opspelen. Dan kan Joop den Uyl geen afscheid nemen omdat hij denkt dat alleen hij het kan. Dan gaat Ruud Lubbers kinderachtig de strijd aan met Elco Brinkman, omdat hij zich niet kan voorstellen dat hij door zo’n man zal worden opgevolgd. 

Juist in dat licht zijn die memoires van Lubbers zo interessant. Want ook na zijn neergang probeert Lubbers controle te houden. En probeert hij zijn geschiedenis weer in zijn eigen voordeel te corrigeren. Het is juist die karaktertrek die hem zo groot heeft gemaakt. 

Deel dit bericht:

@ferdgrapperhaus mist vooral politieke antenne

september 3, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Grapperhaus maakte een fout op de gelukkigste dag van zijn leven. Sneu voor die dag en de herinnering die het echtpaar er nog jaren aan zal hebben. Is het reden om de goede man naar huis te sturen? Kan het kabinet ons nog wel streng toespreken over het ‘nieuwe normaal’ als de verantwoordelijke minister zich niet aan het ‘nieuwe normaal’ houdt? Maken we niet allemaal wel eens een fout? Moeten we het de minister niet vergeven omdat hij wellicht in de roze wolken was?

Ik geloof niet dat dat de kwestie is. Want het grootste probleem bij deze minister is niet dat hij een domme fout heeft gemaakt, zijn grootste probleem is dat hij die fout niet heeft zien aankomen. 

Deze man heeft niet van te voren bedacht dat hij dat feestje beter kon uitstellen, omdat hij politiek zeer kwetsbaar was en dat elke fout op dit feestje hem zou worden nagedragen. Hij is immers de man die de boetes uitdeelt op de feestjes die door Rutte en De Jonge worden verboden. 

Deze man heeft niet van te voren bedacht dat hij de positie van Rutte erg zou schaden als er ook maar één foto van zijn feestje naar buiten zou komen. Want hij is niet alleen zijn eigen gezag kwijt, maar Rutte heeft vijf persconferenties nodig om zijn oude gezag weer terug te winnen. 

Deze man heeft niet van te voren bedacht dat het niet genoeg is om de eerste foto met een juridisch fraaie formulering af te doen.Dat het een enkele keer fout was gegaan in het geluk van het moment. Terwijl hij wist dat dat niet zo was en terwijl hij had moeten beseffen dat er altijd nieuwe foto’s zouden opduiken. 

Deze man heeft nog steeds niet bedacht dat er nog meer foto’s naar buiten kunnen komen. En dat hij dan met kop en kont door Rutte eruit wordt gegooid. 

Het maken van een fout kan iedereen overkomen, maar deze man mist blijkbaar een belangrijk politiek gevoel. Deze man is geen politicus en daarom ongeschikt voor de politiek. Een politicus kijkt altijd vooruit. Een politicus bedenkt altijd vooraf hoe bepaalde dingen later zullen vallen. Een scherpzinnige jurist is niet meteen ook een goed politicus. Grapperhaus moet niet kwalijk worden genomen dat hij een fout heeft gemaakt, maar dat hij blijkbaar niet voorziet wanneer hij zichzelf in de nesten werkt. 

Deel dit bericht:

De metropool van het tussenland

juli 29, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Theo Baart maakt prachtige foto’s. Hij is bekend van zijn foto’s van steden en van landschappen. Ik zou bijna zeggen: wie kent hem niet in de wereld van de ruimtelijke ordening? Onlangs heeft hij aan zijn rijke en omvangrijke oeuvre weer een prachtig boek toegevoegd: Groot Amsterdam, metropool in ontwikkeling. Een boek dat je alleen al vanwege de foto’s wilt hebben. Oer-Hollands. Ruysdael-wolken, polders, ijspret, veel water en groen, en vanwege het onderwerp begrijpelijk, veel tussenland. Het moment is altijd goed gekozen. 

Toch is er reden om meer over dit boek te zeggen, want Theo Baart wil er zelf meer mee zeggen. Zoals hij in zijn inleiding schrijft: “Ik ben een bewoner van een metropoolregio. Mijn hele leven al, alleen was ik me daarvan tot voor kort nauwelijks bewust.” En in zijn uitleiding schrijft hij: “Ik ben geïnteresseerd in beeld als argument, onderzoek, verkenning of bewering. Een laag die iets toevoegt aan wat tekst en kaarten kan vertellen. […] Het bestaan van de metropoolregio valt niet te bewijzen met één beeld. Alle foto’s bij elkaar doen dat hopelijk wel.” Zowel in de eerste als in de laatste zin lees je enige twijfel. Hij woont in een metropoolregio, maar was zich dit blijkbaar niet bewust. Dat is bijzonder voor een man die al decennia in de wereld van de ruimtelijke ordening en de planologie rondloopt. In de laatste zin schrijft dat alle foto’s bij elkaar hopelijk bewijzen dat die metropoolregio bestaat. Erg zeker is hij niet van zijn zaak. 

Dat is niet zo verwonderlijk. Als je opzoekt wat een ‘metropool’ is, dan staat er vaak meteen: ‘wereldstad’. En Amsterdam is een wereldstad voor ons, zeker als we die term meer figuurlijk dan letterlijk nemen. Maar elders denkt men daar wellicht anders over. Het is dan ook grappig dat we in bestuurlijk Nederland liever over een metropoolregio spreken, terwijl het bij een metropool toch ook niet alleen gaat om een “zeer grote stad met voorsteden”, maar ook om de periferie die op die kernstad is betrokken (aldus Wikipedia). Alsof we toch stiekem het gevoel hebben dat Groot-Amsterdam meer een regio is dan een metropool. 

Baart vult zijn foto’s ook aan met tekst. Als een ervaren journalist trekt hij in het gebied rond en doet daarvan verslag. Wellicht komt het door de selectie van onderwerpen, of de selectie van de locaties waarvan verslag wordt gedaan, maar in dit deel van het boek komt de metropoolregio Groot-Amsterdam toch vooral erg kneuterig naar voren. Maar misschien geldt dat ook wel voor veel van die foto’s. Nederland is op veel plaatsen een kneuterig land en Groot-Amsterdam is daar duidelijk de hoofdstad van. 

Het spijt me voor Theo, maar eigenlijk vind ik niet zo interessant welke conclusies hij zelf uit zijn foto’s trekt en of Groot-Amsterdam nu een metropool is of een metropoolregio of een groot dorp (sociologisch zijn er goede argumenten om Amsterdam zelf als een groot dorp te bestempelen). Het is veel interessanter om al die prachtige foto’s op je zelf te laten inwerken en om daar je eigen observaties bij te maken. Ik raad dat iedereen aan, vraag jezelf af: wat zie ik hier?

Ten eerste zie ik heel veel natuur, veel water, veel bomen (en weinig dieren, maar daar heb je misschien een andere fotograaf voor nodig). Theo Baart heeft zijn foto’s gepresenteerd langs zeven routes, vanaf de rand van de metropoolregio naar de kernstad. En heel vaak begint hij ergens midden in de natuur (of midden in een polder). En anders komt hij onderweg veel natuur tegen. We weten allemaal dat Amsterdam juist daardoor zo’n aantrekkelijke stad is. De ‘vingerstructuur’ zorgt ervoor dat je naar alle richtingen vrij snel in de natuur bent. De duinen, de plassen, de Marker Wadden. In ieder geval ligt de natuur voor een wereldstad wel heel dichtbij. 

Ten tweede zie ik in al die foto’s nauwelijks een kernstad, daarvoor is Amsterdam eigenlijk ook gewoon te klein, als we haar even vergelijken met Parijs en London, om twee voorbeelden in de nabijheid te noemen. De metropoolregio Amsterdam is vooral ontstaan door verklontering (ik besef dat dit woord niet snel de folders van de VVV en van de MRA zal halen). Een verklontering van steden, dorpen en new towns. Natuurlijk ligt het oude Amsterdam daar middenin. Maar we zien ook Zaanstad en Weesp, we zien Abcoude, Buitenkaag, Aalsmeer en Uithoorn. En wie zien Lelystad, Almere, Hoofddorp en Purmerend. En in dat geheel is Amsterdam wel het centrum, maar niet de kernstad waarop al die inwoners van al die steden en dorpen betrokken zijn. Al die daily urban systems zijn vooral veel kris-kras-relaties. 

Ten derde zie ik heel veel ‘tussenland’. Ik denk daarbij meteen aan de mooie studie van het Ruimtelijk Planbureau, die al lang geleden onder leiding van Han Lörzing verscheen. En ik zeg er meteen bij dat dat tussenland op meer manieren kan worden beschreven en gewaardeerd. Het gaat in ieder geval om al die gebieden die tussen het open land (natuur, polders) en de steden geleidelijk zijn ontstaan. De één ziet vooral het verrommelde karakter van dit soort gebieden,  de ander ziet hier vooral broedplaatsen ontstaan voor allerlei activiteit (overigens ook crimineel). Je zou de foto’s van Theo Baart moeten turven in vier categorieën: natuur, dorpen/stadjes, tussenland en hoog-stedelijk. Het zou me niet verbazen als de categorie tussenland de meeste foto’s telt en hoog-stedelijk de minste. Zegt dat iets over de fascinatie van Baart of zegt dat iets over onze metropoolregio Amsterdam? 

Mijn laatste observatie hangt sterk met de voorgaande samen. Ik zie weinig, heel weinig ruimtelijke ordening op al die foto’s. Ik weet dat door planologen de betekenis van de ruimtelijke ordening (in Nederland) wel eens wordt overschat, maar zo organisch als dit boek suggereert, is Nederland toch echt niet gegroeid. Of is die organische schijn juist het succes van de Nederlandse ruimtelijke ordening?

[op verzoek geschreven van gebiedsontwikkeling.nl (en daar ook gepubliceerd)]

Deel dit bericht:

Corona en de tweede angst-golf

juli 24, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

De angst voor corona is nog niet weg. Nee, de angst voor een tweede golf lijkt zelfs weer op te laaien. Zitten die terrassen niet veel te vol? Kunnen we nog wel op vakantie? En vooral de geruchten nemen weer toe. Dat is niet verwonderlijk, want we weten nog steeds heel weinig van corona. We weten niet hoeveel mensen als besmet zijn geweest, we weten niet hoeveel mensen nog bevattelijk zijn en we weten zelfs niet meer wanneer groepsimmuniteit wordt bereikt. En we hebben nog geen vaccin, onder andere omdat we zo weinig van het virus weten. 

Maar een paar dingen weten we wel en die lijken weinig aandacht te krijgen. In de afgelopen week werden 987 Nederlanders positief getest. Dat is bijna tweemaal zo veel als de week ervoor. Maar we weten ook dat het aantal mensen dat zich wil laten testen veel sneller toeneemt. Er is dus vooral een toenemende angst voor corona.

We weten ook dat de mensen die positief testen in de laatste maanden (cijfers vanaf 4 mei) veel jonger zijn dan ervoor. Voor 4 mei lag de mediaan (het grootste cohort) tussen 55 en 59 jaar, na 4 mei tussen 25 en 29 jaar. Terwijl overduidelijk is dat je meer risico bij COVID-19 loopt naarmate je ouder bent. Onder degenen die aan corona zijn overleden ligt de mediaan tussen 85 en 90 jaar! 

Dat stemt overeen met enkele andere cijfers. Zo zijn vorige week 19 mensen met  een COVID-19-besmetting opgenomen in een ziekenhuis, en zijn er 7 aan COVID-19 overleden. Laten we ons even realiseren dat er wekelijks in Nederland een kleine 3000 mensen komen te overlijden. Waarvan vorige week dus 7 aan COVID-19. 

Natuurlijk, alles kan het begin zijn van een tweede golf. Maar wat we nu meemaken is nog zeker geen golf. En als die golf er al aan komt ligt dat in ieder geval niet aan de “overvolle terrassen”. Want voorzover bekend zijn de besmettingen in 57% van de gevallen thuis opgelopen en in 20% gevallen door contact met een ander familielid. Het werk levert 11% van de besmettingen op en de horeca 4%. 

Ja, cijfers kunnen saai zijn, maar wat zou het goed zijn als journalisten dit soort cijfers eerst lezen voordat ze schrijven dat er sprake is van “een oplaaiend aantal besmettingen” (Volkskrant, hedenochtend).

Als we die cijfers wel lezen, kunnen we twee dingen vaststellen. 

Ten eerste: we hebben de wetenschap aanvankelijk misschien te veel gevolgd en nu dreigt het omgekeerde te gebeuren. Hoewel Rutte terecht heeft opgemerkt dat hij 100%-besluiten moest nemen op basis van 50%-kennis is de politiek lange tijd redelijk  erg slaafs achter het OMT aangelopen (hoeveel waardering ik ook heb voor de zuivere manier waarop RIVM, OMT en Van Dissel hun rol vervulden). Ik vrees dat de politiek zich veel meer door angst heeft laten leiden dan door een grondige afweging van voor- en nadelen van een lockdown, hoe intelligent die ook geweest mag zijn. 

Ten tweede: we hebben ons bij de lockdown misschien onterecht veilig gevoeld, terwijl we ons misschien nu onterecht onveilig voelen. Er was angst in de samenleving en dan voelt het prettig als je op straat, in de winkel en in het park goed afstand houdt. En die angst is niet zo maar weg. Ook als die tweede golf er niet komt, zullen we weer moeten wennen aan nabijheid, aan de aerosolen van de ander. Dus misschien is de corona wel weg, maar de angst nog niet. 

Het vervelende is dat die angst niet alleen de samenleving, maar ook de politiek in zijn greep houdt. En dat maakt het er allemaal niet beter op. Als burgemeesters mondkapjes verplicht willen stellen in de openbare ruimte en ministers dat onzin vinden. Misschien moeten zowel de politiek als de samenleving alert blijven, maar moeten ze hun angstgevoelens meer op cijfers dan op hun onderbuik baseren.  

Deel dit bericht:

« Vorige paginaVolgende pagina »