Tiende leergang ‘Triomf van de stad’ start in september 2018

november 7, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad, Voorpagina

De belangstelling voor de leergang ‘Triomf van de stad’ voor stedelijke strategen (met prachtige praktijkvoorbeelden en vooraanstaande wetenschappers) is nog immer groot. Om die reden kan ik nu al de tiende leergang aankondigen. De data zijn: 27/28 september 2018, 1/2 november 2018, 13/14 december 2018, 10/11 januari 2019, 14/15 febr 2019 en 21/22 maart 2019. Onder voorbehoud van een Elfstedentocht. Noteer al vast.

Rutte III heeft vooral vertrouwen in de notulen

oktober 10, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

Het beoordelen van een regeerakkoord is altijd een voorlopige beoordeling. Je weet niet hoe het straks uit gaat pakken. Maar toch het is goed om die tekst eens zorgvuldig door te nemen. En je in je beoordeling niet te laten leiden door wat de spindoctors deze uren aan de media vertellen.

Mij vallen drie dingen op in het nieuwe regeerakkoord. Ten eerste: zo’n overgang naar een nieuwe regering biedt altijd de mogelijkheid van kleine ‘doorbraken’. Van die onderwerpen waarover al lang is gesproken en die we nu eindelijk eens gaan doen. Experimenteren met wietteelt door de overheid. Afschaffing van Wet Hillen (voortaan ook woningforfait als de hypotheek is afbetaald). Gekozen burgemeester. Versimpeling belastingstelsel. Aftrekposten niet meer aftrekken van het hoogste tarief. De schade van de aardbevingen in Groningen wordt niet meer door de NAM bepaald. Etc. Dat soort voornemens geven me een gevoel van opluchting. Eindelijk.

Ten tweede doet het kabinet meer aan klimaatbeleid dan ik had durven hopen. Het regeerakkoord straalt uit dat men Parijs wil halen en zelfs meer. Er wordt helder aangegeven waar de CO2-winst moet worden geboekt. Er komt een CO2-belasting. Er gaat op korte termijn één kolencentrale dicht en de rest volgt voor 2030. Maar hoe hoog de ambitie ook is, de plannen hadden wel wat concreter gekund. Zie bijvoorbeeld de ambitie om de bestaande woningvoorraad energieneutraal te maken. Dat blijkt in de praktijk uitermate ingewikkeld te zijn. Dan verwacht je grote instrumenten en heel veel geld. Maar het regeerakkoord komt niet verder dan samen een plan maken. Ja, er is nog 100 miljoen euro voor corporaties die hun woningbestand verduurzamen. Als dat alles is, heb je blijkbaar toch minder ambitie dan je suggereert.

Ten derde is het regeerakkoord vooral teleurstellend. Dit is geen visie voor de komende jaren, dit zijn de notulen van een Ministerraad van een willekeurig centrumkabinet. Ze hebben gewoon 210 dagen ‘ministertje’ zitten spelen en voor elk onderwerp een nette compromistekst bedacht. Ik kan me heel goed voorstellen dat Pechtold, Buma en Segers na die 210 dagen hebben bedacht dat het werk in de Kamer toch leuker is.

En zoals dat vaak gaat in een kabinet: dan onderwerpen zijn nauwelijks in samenhang bezien. Ja, dan is het niet vreemd dat het ruimtelijke perspectief nagenoeg geheel ontbreekt. Wie notulen schrijft en wie geen samenhang zoekt, komt nooit bij de ruimte uit. Schiphol mag verder groeien, Rotterdam moet vooral CO2 onder de grond stoppen, Eindhoven krijgt mainport-status (wat dat in concreto ook mag inhouden), de Wadden krijgen een beheersautoriteit, de Veluwe en het Groene Hart moeten worden beschermd, het Deltaprogramma, de Nationale parken en het Kustpact (duinbescherming) moeten doorgaan, er moet meer infrastructuur bij en er moeten meer woningen worden gebouwd. Maar dat is geen ruimtelijke afweging, laat staan een visie voor Nederland.

En verder geen woord over de grote steden (ja, de PvdA zat duidelijk niet aan tafel), als motoren van onze economie. Geen woord over Amsterdam als brandpunt van de economie. Geen woord over de achterblijvende economie van de Zuidvleugel. Wel geld naar nieuwe infrastructuur, maar geen geld naar de woningbouw in de steden (waardoor je die nieuwe infrastructuur niet meer nodig hebt). Geen woord over de voormalige groeikernen die langzaam wegzakken. Geen woord over de ruimtelijke uitsortering rondom de grote steden, waar de kansarmen plaats moeten maken voor de nieuwe rijken. Geen woord over al die honderdduizenden woningen die in het Westen van het land in de komende jaren moeten worden gebouwd. Ja, waar gaan we dat eigenlijk doen? En hoe gaan we het doen met de mobiliteit als onze auto straks zelfrijdend wordt. Ja, zegt het regeerakkoord: de nieuwe infrastructuur moet daarvoor geschikt worden gemaakt. Maar hebben we nog nieuwe infra nodig als die auto’s netjes achter elkaar aan hobbelen? Nee, dat is geen visie, dat zijn notulen.

 

 

Nieuwe kansen voor de haven van Scheveningen

oktober 4, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

 

Gesprek met Arno Segeren, accountmanager van de gemeente

De ontwikkeling van de haven van Scheveningen is heel interessant in het licht van de ontwikkeling van steden. De haven is vanouds bekend vanwege de vissers. Maar het was ook jarenlang de thuishaven van de Norfolkline, een rederij actief op het gebied van het vervoer van containers tussen Groot-Brittannië en Nederland. Maar een haven aan zee is tegenwoordig ook een aantrekkelijke en hippe woonplek. Veel steden bouwen appartementen aan de havens, vaak voor de hoogopgeleiden die de tegenwoordige stad zo nodig heeft voor haar ontwikkeling.

De werkelijkheid is weerbarstiger. Want met de komst van woningen neemt de behoefte aan bedrijfsruimte niet af. De gemeente Den Haag is zich daarvan steeds meer bewust geraakt. Zo lag het accent in de Scheveningse Haven een aantal jaren geleden vooral op de haven als decor van woningbouw. In 2015 is dat beleid aanzienlijk omgebogen met de nota Scheveningen Haven, is en blijft haven. Het vertrek van de Norfolkline had geleid tot een verlies van zeshonderd banen, vooral banen voor lager opgeleiden. Terwijl de haven nog steeds veel economische potentie had. Bovendien drong het besef door dat een doodse haven ook een doods decor voor wonen oplevert. Wonen aan een levendige haven biedt voordelen. Al kan er ook spanning ontstaan tussen het woongenot en de havenactiviteiten.

Voldoende reden voor een gesprek met de accountmanager van de gemeente voor de Scheveningse haven, Arno Segeren. Wij fietsen in een wat druilerige regen rond in de haven en ik leer veel over het belang van een actief gemeentelijk beleid. En het succes aan beide zijden is te zien. Er wordt aan de ene kant enorm gebouwd en aan de andere kant groeien de economische activiteiten in de haven. Het aantal banen stijgt weer.

Segeren wijst erop dat je altijd moet kijken naar de unieke kenmerken van een gebied. Den Haag heeft die unieke ligging aan de Noordzee en de haven is de toegangspoort. Die kwaliteiten moet je in stand houden. Maak van die haven geen ‘bak water’. Dat kan ook. Je kan de havenactiviteiten afbouwen. Dan heb je water en een stukje industrieel erfgoed. Een oude havenkraan, een paar pakhuizen. Die kan je allemaal heel mooi maken. Zie Duisburg. Mooi museum voor moderne kunst erbij. Maar het blijft een bak water waar je op uit kijkt. Zo maak je niet optimaal gebruik van de kwaliteiten die je hebt. En ook bij ons raakte de haven in vergetelheid. Het beeld was: met de visserij gaat het niet goed en alleen maar slechter. De Norfolkline is vertrokken.

Wij menen tegenwoordig dat die haven veel meer kan opleveren. Het is een unieke kwaliteit van de stad, net zoals de regering, de internationale organisaties, het vrede, recht en veiligheid. Dat is allemaal economie. Voor economische groei kan je beter iets versterken wat je al hebt dan iets heel nieuws te bedenken. Op unieke kwaliteiten moet je zuinig zijn. Ook die haven heeft ons veel te bieden. Visserij van oudsher. Maar de haven is ook de toegangspoort naar de windmolenlocaties op de Noordzee. Daar wordt veel geïnvesteerd. En daar heeft Den Haag potentieel veel te bieden. Dat is werkgelegenheid. Bijvoorbeeld voor elektriciens. Die windmolens mogen niet stilstaan. Daar heb je veel geschoold personeel voor nodig. Ook de watersport biedt ons in economische zin veel, in termen van bezoekers, bestedingen, werkgelegenheid.

We zoeken naar niches. Je bent bij ons direct op de Noordzee. Dus als er testen moeten worden gedaan op zee, kan je dat goed doen vanuit Scheveningen. Of dat veel gaat opleveren, weten we nog niet. Maar we zijn ervan overtuigd dat die haven van Scheveningen voor sommige producten best eens de beste haven kunnen zijn. Een diepzeehaven met onbelemmerde toegang. Hij ligt centraal in het land, hij ligt in de stad, hij ligt dicht bij Delft, bij Leiden, bij TNO, bij Deltares. Allerlei partijen die actief zijn op de Noordzee.

En zo zie je zelfs een verschuiving van woningbouw naar economische activiteit in de plannen. Waar mogelijk voegen we bedrijfsruimte toe en op enkele plekken onderzoeken we of de geplande woningbouw deels geschrapt kan worden uit de plannen. In de tussentijd zijn er ook andere functies toegevoegd. We hebben het Zuiderstrandtheater tijdelijk gebouwd in de haven. Daar vinden nu ook veel aan havens of de Noordzee gerelateerde bijeenkomsten en conferenties plaats. Maar we gaan nu weer kijken of we daar bedrijvigheid kunnen krijgen als het theater weer wordt afgebroken.

En er zijn nog nieuwe kansen. De effecten van klimaatverandering worden zichtbaar aan de kust. Op een gegeven moment zullen ook rondom de haven maatregelen nodig zijn vanwege de stijging van de zeespiegel. Het garanderen van de veiligheid voor het achterland vormt dan de aanleiding voor een verkenning naar de zeewaartse uitbreiding van de haven. Maar dit zit allemaal nog in de verkennende fase.

De gemeente Den Haag heeft vier prioriteiten in de Scheveningse haven. Ik vraag Segeren om ze voor me samen te vatten. Visserij, watersport, offshore dienstverlening en innovatie. Visserij van oudsher. Belangrijk, zowel in directe als in indirecte zin. Scheveningen zonder haven, dan ben je niet anders dan Zandvoort. Authentiek, het hoort erbij. Veel werkgelegenheid, op zee en in de handel. De visafslag in Scheveningen is in grootte de derde van Nederland. Je kan ook vis kopen die niet fysiek op dat moment aanwezig is. Daarnaast hebben we twee grote internationaal opererende reders met zogenaamde trawlers. Nederlands visbureau zit hier. Veel handel, groothandel en detailhandel. Het is een compleet cluster. Trawlers die drie weken op zee zijn, kotters die elke week terugkeren en de kleinschalige visserij die elke dag weer binnenvaart. Het is een volledig cluster. Je hebt de drie onderdelen wel nodig.

Segeren maakt een interessante tussenopmerking over de rol van de overheid. Hij zegt: het is voor de overheid makkelijker om iets te verpesten dan om een positieve ontwikkeling aan te zwengelen. Daarom moet je als overheid de belangen in het gebied goed kennen. Dat is accountmanagement.

We gaan door met de tweede prioriteit: de watersport. Ook een economische sector. Recreatie, botenbouw, innovatie, topsport. We hebben Jachtclub Scheveningen, een grote jachtclub met 600 leden. Daarnaast het Topzeilcentrum met Olympische sporters en talentploeg die hier trainen. Er zit ook een catamaranbouwer. Dat zijn van die parels in het havengebied. Dit alles wordt nog versterkt door de finish van de Volvo Ocean Race in 2018. Moeten we trots op zijn. Er komen extra ligplaatsen, vooral voor passanten. Daar zijn er al te weinig van. En we hebben het Sailing Innovation Centre. Hoe kunnen we meer Olympische medailles winnen. Kennis over voedsel, over stroming, wind, communicatie etc.

Offshore-dienstverlening is de derde prioriteit. De tenderprocedure voor het windmolenpark Holland Kust Zuid loopt nu. Ze hebben allemaal goed gekeken naar de haven van Scheveningen. Welke haven is het meest geschikt als uitvalsbasis. We hebben ze één voor één op bezoek gehad. Maar als ze elders al een uitvalsbasis hebben wordt het moeilijker. Het gaat niet om de bouw, alleen om het onderhoud. Daarvoor heb je een opslagloods nodig en snelle kleine bootjes. Dat kan heel goed bij ons in de haven. Het is echt geschoold werk. Werken op zee vraagt ook nog weer extra vaardigheden. Ze willen echt mensen van hier het onderhoud laten doen. Die molens staan er immers voor 20 jaar. En die mensen worden ook ingezet voor de bouw. Dus dat levert echte werkgelegenheid op voor mensen uit deze regio. Scheveningen heeft ook een voordeel voor dit soort bedrijven, omdat het een grote arbeidsmarkt te beiden heeft. Meer dan IJmuiden bijvoorbeeld.

Innovatie, de laatste prioriteit. De genoemde drie zijn ook al innovatief. Wat zijn de echte voordelen van de haven. Je bent in een paar minuten op zee. Onbelemmerde toegang tot de haven. Je zit meteen midden in de stad en in een kennisintensieve regio. Veel kennisinstituten richten zich op het water. Die haven is dus geschikt voor allerlei innovaties op de Noordzee. Dat kan gaan over golfenergie. Zeewierteelt. The Ocean Clean-up, zij het vooral de lancering van hun eerste prototype. De doop van de solarboat van TU Delft heeft hier plaatsgevonden, ook om ons meer bekendheid te geven. We zijn toegetreden tot valorisatie-programma ‘Kust en Waterbeheer’ rondom TU Delft. Veel startende bedrijfjes met innovatieve producten. Soms zijn we de eerste klant, de launching customer. Op andere momenten stellen we ruimte ter beschikking. De ‘Slam Dam’ is hier uitgeprobeerd op de Doctor Lelykade. Als vervanger van de zandzakken. Al die bedrijven kunnen van elkaar leren. Hebben we in de toekomst ook een specifieke plek voor: de oude kantoor van de Norfolkline. Komen woningen in en ruimte voor innovatieve bedrijven onder de naam Innoport. Of dat ook lukt weten we niet, maar als er geen ruimte is voor innovatieve bedrijven, dan lukt het zeker niet. Twee jaar geleden was er geen ruimte meer voor dit soort bedrijven. Alleen maar kantoorruimte. Je hebt daarnaast ook loodsen nodig, opslagruimte. Ook hiervoor zitten verschillende projecten in de pijplijn.

Ik maak een overstap naar de Norfolkline. Ze gingen weg omdat de schepen te groot werden. Zijn naar Vlaardingen gegaan. Zeshonderd banen weg. Veel laaggeschoold. Ik vraag Segeren of je dat soort banen weer terugkrijgt. Segeren zegt dat het om een probleem van de hele stad gaat. Den Haag heeft weinig banen in de logistiek of in productie. Dus zoeken we naar andere sectoren. En het is moeilijk om als je heel lang een ambtenarenstad bent geweest om zo maar een andere sector aan te trekken. Toerisme zou een kans kunnen bieden. Veel instapbanen. Je kan vaak gisteren daar al beginnen. Maar voor iedere baan heb je bepaalde vaardigheden nodig. De uitdaging is tweeledig. We hebben een bestand van mensen in een uitkering die moeten worden geactiveerd. En we hebben werkgelegenheid nodig voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Je moet dat goed uit elkaar houden. Als je een hotel bouwt heb je mensen nodig die de was doen, die de kamers schoonmaken. Maar of dat mensen zullen zijn die nu een uitkering hebben in Den Haag, is maar zeer de vraag.

En naast die prioriteiten heb je natuurlijk het toerisme. Ik vraag naar de synergie tussen haven en toerisme. Segeren vertelt over de kleinere cruiseschepen die de gemeente naar de stad wil halen. Lost het probleem van de werkloosheid niet op, maar het levert wel wat op. Daarnaast is Scheveningen een Tallship-friendly port. Daarnaast heeft die haven veel evenementen. De Volvo Ocean Race die hier gaat finishen. Dat leidt tot veel drukte en veel bestedingen in de stad.

We gaan in ons gesprek terug naar de mogelijke spanning tussen wonen en bedrijvigheid in de haven. Segeren beaamt dat. Milieuzones geven grenzen aan. Ook toerisme kan overlast geven. De visserij is niet het probleem. Dat hoort bij Scheveningen. Maar ja, het gaat ook om de werkelijke stank en het werkelijke geluid en de perceptie van de stank en de perceptie van het geluid. Ja, het ruikt hier naar vis en naar zee! Als ik er kom ruik ik het wel. Maar ik denk ook: ik ben weer op de mooiste plek van Den Haag!

Maar die spanning, ja, daar heb je een bestemmingsplan voor. En iedere overheid krijgt klachten. Dus ook over laden en lossen op verkeerde tijdstippen. Maar er zijn meer klachten over de hoogbouw van de woningen dan over de haven! Het gaat om het eigen uitzicht. Maar we hebben geen recht op uitzicht in Nederland. Scheveningers die klagen over al die nieuwbouw en over de bereikbaarheid. Maar er wordt ook veel nieuwbouw erg fraai gevonden. Een rondje lopen in de haven wordt belangrijk gevonden. Tegelijkertijd moeten sommige delen van de haven soms worden afgesloten. Het is een zeehaven. Voor de veiligheid moet je soms kades afsluiten bij laden en lossen. De douane wil zicht hebben op de drugs etc. Zo is dat nu eenmaal. Dus je kan niet altijd het ‘rondje haven’ lopen.

Ik wil afronden met de vraag wat een gemeente kan en wat een gemeente niet kan in dit soort ontwikkelingen. Segeren zei al: je kan het vooral verpesten. Segeren verwoordt het ook nog anders: Gemeentelijk beleid is een noodzakelijke voorwaarde voor economische ontwikkeling van de stad, maar geen voldoende voorwaarde. En soms komt het nieuwe bedrijf geheel uit zichzelf, maar dan moet je het toch nog weer vaak ruimtelijk faciliteren. Een bestemmingsplan geldt voor heel Nederland. Maar het is duidelijk: de gemeente zorgt niet voor werkgelegenheid, maar de bedrijven zorgen voor werkgelegenheid. Maar we kunnen die bedrijven wel helpen om het ondernemen net iets makkelijker te maken. Bijvoorbeeld door te luisteren wat hun behoeften zijn. Dat heet accountmanagement. Je kan soms in geval van innovatie een subsidie geven. Je kan ze dus ruimtelijk faciliteren door een bedrijfsterrein te bestemmen terwijl je weet dat de verkoop van grond voor nieuwe woningen veel meer oplevert. En je kan bedrijven die er nog niet zitten enthousiast proberen te maken. Vertellen over de kwaliteiten van die plek. En als dat verhaal kloppend is, kan je daarin succesvol zijn. Veel koffiedrinken, wat je ook moet doen in zo’n gebied, is op zich niet voldoende.

Persoonlijk trek ik de conclusie dat alleen om die reden de haven van Scheveningen toekomst heeft. Want Segeren heeft een kloppend verhaal.

 

De vertrouwenscommissie als ultieme achterkamer

september 1, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

Er is weer gedoe rondom burgemeestersbenoemingen. In Den Haag lekte vorige maand uit welke twee kandidaten niet waren benoemd: Plasterk en Marcouch. De twee namen werden door een  duo-raadslid via twitter publiek gemaakt. Of de man de waarheid heeft gesproken weten we niet. Want dat zouden we aan de vertrouwenscommissie moeten vragen en die mag niks zeggen. Ergo: we weten niet eens of er is  is gelekt uit de vertrouwenscommissie. En of een lid van de commissie daarmee een strafbaar (!) feit heeft gepleegd.

Deze week werd een raadslid uit Den Bosch van zijn bed gelicht, omdat hij ervan wordt verdacht uit de vertrouwenscommissie te hebben gelekt. We weten inmiddels dat de  voorkeurskandidaat van de commissie, Jan Hamming, op het laatste moment toch voor het burgemeestersambt in Zaanstad zou hebben gekozen. En aldus werd nummer twee de burgemeester van Den Bosch: Jack Mikkers. Er werd schande van gesproken. Maar wat is erop tegen om naar twee gemeenten tegelijk te solliciteren? Bij de sociale dienst moet je wel twee keer per week solliciteren, om voor een uitkering in aanmerking te komen.

Ja, als we het over vertrouwenscommissies hebben gaat het vooral over lekken en over strafbare feiten. Lekken uit de vertrouwenscommissie hoort niet en is verboden. Maar eigenlijk is dat de wereld op zijn kop. Waarom hoor ik nooit de legitieme vraag naar verantwoording? Is het niet meer dan logisch dat wij, burgers, mogen weten welke kandidaten zijn afgewezen. En wat daarvan de reden is. Draait nu in Arnhem inderdaad de PvdA-banen-carrousel? Of was Marcouch inderdaad de beste, nadat hij mogelijkerwijs in Den Haag is afgewezen? En was Jack Mikkers inderdaad de beste kandidaat, nadat Jan Hamming was afgevallen? Ja, dat willen wij weten. En daarom moeten we iedereen die ons meer verteld over wat er in de vertrouwenscommissie is besproken, alleen maar dankbaar zijn.

Eigenlijk is het bizar wat hier gebeurt. Burgemeesters worden tegenwoordig de facto door de gemeenteraad gekozen. Beter gezegd: door de vertrouwenscommissie uit de gemeenteraad. Dat werd enige decennia geleden nog gevierd als democratisering van de burgemeestersbenoeming. Niet het Rijk moest bepalen wie de nieuwe burgemeester werd, maar de gemeente zelf. Het zij gezegd: daarmee is winst geboekt. Beter een lokale vertrouwenscommissie dan een landelijke carrousel van politieke partijen die onderling gemeenten verdelen.

Maar toen burgemeesters nog door het Rijk werden benoemd, waren we wel veel beter op de hoogte van de namen van de kandidaten. Oké, er werd geen verantwoording afgelegd over de benoeming, maar de benoemers wisten wel dat we meekeken. We hadden ons met zijn allen kunnen afvragen of Plasterk het burgemeesterschap van Den Haag na een onzichtbaar ministerschap van Binnenlandse Zaken had verdiend. We hadden ons met zijn allen kunnen afvragen of het zwakke burgemeesterschap van Pauline Krikke in Arnhem een goede basis was voor het burgemeesterschap in Den Haag. Het was een gebrekkige transparantie, maar een beetje transparant was het wel.

Sinds de democratisering van de burgemeestersbenoeming tot stilstand is gekomen met de ‘verworvenheid’ van een vertrouwenscommissie weten we niets meer. Ja, we weten wie is benoemd. Maar waarom hij of zij wordt benoemd en wie de andere kandidaten waren blijft geheel duister. Als we nu over achterkamertjes willen spreken, laten we dat dan hier doen. Zo vind je ze nergens. Lekken uit deze achterkamer is zelfs wettelijk verboden en strafbaar. Met als bijzonder effect dat er tegenwoordig veel minder gedoe is over burgemeestersbenoemingen dan twintig jaar geleden. Ja, omdat het strafbaar is om iets te weten.

En waarom mogen we niks weten? Omdat de politieke partijen ongezien willen uitmaken wie onze burgemeester moet worden? Of is het ‘grote’ probleem dat kandidaten kunnen worden beschadigd als ze de eer aan een ander moeten laten. Dat zou vooral voor solliciterende burgemeesters uit andere gemeenten moeten gelden. Maar zou het niet bij een publieke functie horen dat je publiek wordt beoordeeld?

Al met al: het wordt hoog tijd dat we die democratisering van de burgemeestersbenoeming weer ter hand gaan nemen. Er is nog een lange weg te gaan naar een werkelijk openbaar debat over de keuze van de burgemeester. En dat openbare debat moet niet in de gemeenteraad worden gevoerd, laat staan in een vertrouwenscommissie. Dat moet een publiek debat zijn onder burgers, die zelf mogen bepalen wie hun nieuwe burgemeester wordt. Lang leve de gekozen burgemeester.

 

[verscheen in de Volkskrant van 1 sept 2017]

 

Het succes van Eindhoven fascineert

juni 19, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

 

Gesprek met Robert Elbrink, hoofd Strategie van de gemeente Eindhoven

Eindhoven ontwikkelt zich razendsnel. Groot Eindhoven (Zuid-Oost-Brabant) kreeg er tussen 2010 en 2015 (december) 11.000 banen bij. Vergelijk dat met Groot Rotterdam of Groot Den Haag, die in dezelfde periode 19.000 banen verloren [bron Statline CBS]. Oké, Groot Amsterdam is hors categorie met een winst van 64.000 banen. Maar het is duidelijk dat Eindhoven zeer floreert. Men is het ‘vertrek’ van Philips en het einde van DAF al lang te boven. Wie aan Eindhoven denkt, denkt tegenwoordig aan ASML, de grote wereldspeler op het terrein van chipsmachines. En aan de Design Academy. En aan de TU/e.

Maar wie de literatuur over stedelijke economie een beetje kent, houdt daaraan toch een heel ander beeld over. Ik zeg met nadruk ‘een beetje’. Die theorie komt er plat gezegd op neer dat vooral steden met ‘amenities’, met een aantrekkelijk woon- en leefklimaat, met veel voorzieningen, het tegenwoordig goed doen. In feite zijn de bedrijven footloose geworden (ze hoeven niet meer aan een kanaal te liggen om grondstoffen aan te voeren en producten af te voeren). Daarom trekken mensen niet meer naar bedrijven, maar trekken bedrijven naar mensen toe. In het wetenschappelijke jargon: werken volgt wonen in plaats van wonen volgt werken. Dus vooral steden waar het aangenaam wonen is, die veel voorzieningen hebben en veel mooie woningen, zouden het economisch goed moeten doen. Dat geldt zeker voor Amsterdam, hoewel het succes van Amsterdam zo langzamerhand in zijn tegendeel begint te verkeren. Amsterdam wordt te druk en te duur. Maar het is vooral zo duur omdat iedereen daar wil wonen. En omdat iedereen daar wil wonen zijn er veel bedrijven en omdat er veel bedrijven zijn wil iedereen er wonen.

Eindhoven heeft een ander woon- en leefklimaat. De woningprijzen liggen veel lager. Er is geen historische binnenstad. Er is geen binnenstad waar velen willen wonen. Er zijn veel minder culturele voorzieningen. In de terminologie van Gerard Marlet is Eindhoven geen ‘aantrekkelijke stad’. En toch doet Eindhoven het zo goed. Het is maar weer eens een bewijs dat de werkelijkheid complexer is dan een simpele theorie. Misschien is Eindhoven wel bij uitstek een stad waar niet ‘werken’ ‘wonen’ volgt, maar ‘werken’ ‘werken’. De dynamiek van de bedrijven trekt nieuwe bedrijven aan.

Er is nog een andere reden waarom Eindhoven zo interessant is. Eindhoven heeft een zeer succesvolle campus, de High Tech Campus Eindhoven. Het is bekend dat elke gemeente tegenwoordig een campus wil. Daarom is het goed om te bekijken waarom succesvolle campussen zijn ontstaan.

Om deze twee redenen spreek ik met Robert Elbrink. Elbrink is al enige tijd de hoofdstrateeg van de gemeente Eindhoven. Zijn strategische afdeling ‘hangt’ onder de Directieraad van de gemeente. Hij werkt als niet-Brabander al lang bij de gemeente Eindhoven, de laatste zeven jaar als hoofd van de afdeling Strategie. Hij kent de gemeente van binnenuit en is nog steeds in staat om het reilen en zeilen van de gemeente op enige afstand te observeren. Een ideale gesprekspartner al met al.

Eindhoven is ontdekt als stad met spannende dingen

Ik vraag Elbrink hoe het op dit moment met Eindhoven gaat. Je wilt zo’n gesprek nu eenmaal vriendelijk beginnen. Het antwoord is dat ook. Elbrink: Economisch gaat het goed. Bedrijven, zeker de high tech bedrijven, draaien als een tierelier. Maar als het gaat om de vraag: profiteert iedereen ervan, dan liggen er nog wel wat uitdagingen. De arbeidsmarkt heeft altijd vertraging ten opzichte van de economie. We moeten opletten of de werkgelegenheid gelijke pas houdt met de economie. Elbrink ziet ook dat het heel goed gaat met belangstelling voor Eindhoven. ”Eindhoven is de afgelopen jaren ontdekt als stad waar spannende dingen gebeuren”. Hij ziet het in de media, maar je ziet het ook in de Tweede Kamer waar gedebatteerd wordt over het einde van het mainportbeleid (de haven van Rotterdam en Schiphol als drijvende krachten van de Nederlandse economie) en waar nadrukkelijk wordt beseft hoe belangrijk de high tech en de industrie van Eindhoven tegenwoordig voor Nederland zijn. Door Eindhoven en de regio daaromheen kan Nederland echt meespelen op wereldniveau met high tech en industrie. “Die bedrijven hier hebben een grote toegevoegde waarde. Als je naar die machines van ASML kijkt en al die toeleveranciers, bijvoorbeeld. Het aantal banen groeit hier nog steeds. Grote vraag naar ICT-ers natuurlijk. Technische vakmensen. Daarom investeren we ook samen met andere gemeenten in programma’s om expats aan te trekken. Hoe zorg je ervoor dat je het aantrekkelijke vestigingsklimaat hebt dat de mensen komen die je hier echt nodig hebt. En hoe kunnen we hun partners, die ook vaak hoogopgeleid zijn, hier ook aan het werk krijgen?”

Ik vraag aan Elbrink waarom Eindhoven toch zo’n groot succes is. Hij zegt: Combinatie van factoren. De tijdgeest. Technologie is ‘in’, technologie is niet meer eng. Nerds zijn zelfs hip. Industrie is niet meer vies. Uniek aan Eindhoven is ook de combinatie van high tech en creatief. Die combinatie komt niet zoveel voor in de wereld. Design Academy is motor en magneet voor creatief talent. En die mensen blijven steeds meer in Eindhoven werken als ze zijn afgestudeerd. In Strijp S, en dat soort gebieden met industrieel erfgoed. Dat geeft een zelfversterkend effect. En er zijn mogelijkheden om high tech en creativiteit fantastisch te verbinden. Denk aan wearables: Enthousiast vertelt hij dat ook de gemeente al een designer in dienst heeft. Vooral om te bedenken hoe ze maatschappelijke vraagstukken en complexe multi-stakeholders vraagstukken beter kunnen oplossen. “We moeten leren om te denken vanuit de mensen voor wie je het doet. Anders dan de standaard beleidscyclus. Waarbij we na een paar jaar constateren dat het niet werkt en dan weer opnieuw beginnen”.

Het toeval van Eindhoven

Ik wil verder terug naar de oorsprong van het succes. Elbrink vat het helder samen. Eindhoven is een succes geworden door twee toevalsmomenten. Philips koos aan het einde van de negentiende eeuw voor Eindhoven en niet voor Breda. En in de jaren 90 werd besloten om het gebied van het NatLab open te stellen. Dat heeft het succes van Eindhoven bepaald. Historische toevalstreffers die je niet kan herhalen. Als Philips niet was gekomen was Eindhoven nog steeds een gezellig Kempisch dorp met een mooie markt en met carnaval. Net zoals Eersel of Oirschot. Daar kan je prachtig wonen, dichtbij heidegrond. De echte groei kwam met Philips.

Door de beslissing om het NatLab-gebied open te stellen zijn we enorm verbreed. Natuurlijk, Philips er zelf ook nog. En het bijzondere is dat de grote bedrijven bijna allemaal wortels hebben in Philips. “ASML is in 1984 begonnen als joint venture van ASMI en Philips en leek niet kansrijk”. Philips dacht: dat kan nooit wat worden. Boonstra heeft heel veel afgestoten. En veel van die bedrijven zijn zelfstandig een succes geworden. Waarschijnlijk omdat ze zelfstandig veel meer focus konden aanbrengen. Ook de bedrijven die later weer zijn overgenomen door VDL. En dan krijg je weer nieuwe toeleveringsbedrijven. Ook heel veel ingenieurs in Eindhoven hebben nog hun wortels in Philips. Mensen die goed met elkaar kunnen samenwerken omdat ze bij Philips op school hebben gezeten en dezelfde taal spreken.

Ja, dat openstellen van het NatLab gebied is een cruciaal moment geweest. Op basis van open innovatie model. Van een gesloten vesting naar een levendig high tech researchpark. Met nu meer dan 100 bedrijven en kennisinstellingen. Vroeger was het echt afgesloten. Je kwam daar niet. De gedachte van een Strip als ontmoetingsplek met allerlei facilities heeft erg bijgedragen aan de interactie op dat gebied.

Natuurlijk heeft uiteindelijk Philips zelf besloten om het NatLab open te stellen. Het was in de tijd dat Philips besloot om het hoofdkantoor naar Amsterdam te verplaatsen. De gemeente heeft er wel sterk op aangedrongen om de research in Eindhoven te verankeren. Toen heeft Philips veel geld geïnvesteerd om de Campus te ontwikkelen. En toen kwam het besef dat dit soort gebieden veel rendabeler worden als anderen er ook gebruik van kunnen maken. Je kan ook niet meer alle kennis en innovatie in één bedrijf houden. Je moet dus ketens ontwikkelen. Philips floreert daar zelf ook nog. Weinig mensen weten ook dat het hoofdkantoor van Philips Lighting hier in Eindhoven zit, niet in Amsterdam. Ach, wij zeggen altijd: Philips is weggegaan met 200 man. De directie en de marketing. Het hart is hier gebleven. De research, de kennis en kunde, de ingenieurs, die zijn hier nooit weggegaan. Bijzonder is dat je bij Eindhoven tegenwoordig eerder denkt aan ASML. Maar ja ASML bepaalt het tempo van Silicon Valley. Dat is de tijdgeest.

Ontkent Eindhoven de theorie of voorspelt de theorie het einde van Eindhoven

Het wordt tijd om Elbrink de vraag voor te leggen waarom Eindhoven niet aan de theorie voldoet. Eindhoven is toch veel te klein voor wat er allemaal gebeurt. En het is toch helemaal niet genoeg? Hoe kan het hier zo goed gaan, terwijl het hier toch veel minder aantrekkelijk is om te wonen dan in Amsterdam of Utrecht? Elbrink kan voor twee antwoorden kiezen. Of: die theorie deugt niet, of: het is maar de vraag hoe goed het gaat.

Elbrink kiest eerst een defensieve variant. Hij zegt: Dat hangt ook van je woonwensen af. Amsterdam is te vol en te duur. Je kan hier tegen een redelijk prijs een grondgebonden woning redelijk dicht tegen het centrum aan kopen. Maar dan zegt hij dat je ‘amenities’ op verschillende manieren kan definiëren. “Onze cultuurvoorzieningen zijn abominabel. Wij krijgen daarvoor ook bijna niets van Den Haag, in vergelijking met andere steden”. Ik probeer het even: die nerds hebben blijkbaar geen cultuur nodig. Daarin gaat Elbrink niet mee: Dat weet je pas als die voorzieningen er zijn. Ik dring aan: Maar de praktijk bewijst dat jullie je gewoon zo fantastisch kunnen ontwikkelingen met die € 1,53 per inwoner voor cultuur van het Rijk. Elbrink houdt stand. Niet voor niets heeft Eindhoven de laatste jaren in Den Haag gelobbyd voor meer culturele voorzieningen in de stad. Hij zegt: “Nee, het piept en kraakt”. We hebben sinds 2008 echt moeten bezuinigen. We hadden voor die tijd relatief goede voorzieningen op gebied van sport, cultuur, theater, denk aan de Effenaar. Dat was best veel voor een stad van deze omvang. Maar toen we moesten bezuinigen, werden al die voorzieningen heel kwetsbaar.

We hebben het alle voorzieningen zelf kunnen opbouwen door onze snelle groei. Heidegrond, schapen eraf, huizen erop zetten. En dat leverde heel veel geld op. Maar we zijn door onze grond heen. Toen hebben we het kabelbedrijf verkocht en een energiebedrijf voor 800 miljoen. Onze aandelen in het Bouwfonds verkocht. In 2008 viel onze bouw stil, we hadden de mooiste dingen verkocht en het Rijk ging bezuinigen op het Gemeentefonds. Toen kwam de decentralisatie met enorme taakstelling erover heen. Het piept en kraakt. We hebben 70 miljoen op jaarbasis op de gemeentebegroting bezuinigd. Enorme druk op alle voorzieningen. Cultuur, sport. Aantal daarvan zijn omgevallen. We kunnen nu wel goed draaien. Maar mijn grote zorg is of we dat over 10 jaar nog doen na al die bezuinigingen. Is het bestendig genoeg? Elbrink zegt: Ik ben er nog niet van overtuigd dat de theorie niet klopt. Het kan een hippe hype zijn, wat er nu gebeurt. Maar ik vraag me serieus af of het publieke fundament van Eindhoven wel sterk genoeg is voor de toekomst.

Oké, hij geeft wel iets toe: Wij zijn een heel andere stad, dat is waar. We hebben geen debatcentrum. Als je in Amsterdam twee mensen bij elkaar zet, dan heb je een debat. Als je hier twee mensen bij elkaar zet heb je een prototype. Maar we missen dat debatcentrum toch echt. Dat hoor je ook van mensen. We zijn wel een stad van meer dan 200.000 inwoners. Daar hoort debat bij.

Succes zonder bereikbaarheid

De theorie over regionale economie stelt bereikbaarheid centraal. En ook daar is Eindhoven al weer zo atypisch. Ze hebben een klote-klein vliegveld. Vergelijk dat met Schiphol. Ze klagen over de verbindingen met Duitsland. Die theorie klopt wel. Bereikbaarheid is heel belangrijk voor een regionale economie. Maar hoe kan het dan dat jullie bereikbaarheid naatje is, en dat je het toch geweldig doet? Elbrink: ik ben er gewoon niet gerust op dat we de toekomst op orde hebben. Ik ben wel blij met die theorie om aan te tonen dat er wat moet gebeuren. Ook bedrijfsleven vraagt erom. Het is wel kwetsbaar. In het verleden hadden we altijd zelf genoeg geld om als er een probleem was, om het probleem ook zelf te fiksen. We hadden altijd heel veel geld. En dat is de afgelopen vijf jaar duidelijk minder. Daar zie je de kwetsbaarheid ontstaan. Voorbeeld: Automotive moest naar Helmond, hebben we een miljoen bij gelegd. Europa vraagt ook vaak om cofinanciering vanuit Europa, dan heb je geld nodig. Dat ging allemaal hartstikke makkelijk. Maar dat gaat niet meer. Daar word ik nerveus van. We hebben niet meer de kracht om het zelf alleen te fiksen.

Een katholieke stad met een Philips-cultuur

Tot slot spreek ik met Elbrink over de rol van de overheid. Is die economie echt wel te beïnvloeden. Elbrink meent ten eerste dat Rijk, provincie en gemeente hun eigen verantwoordelijkheid hebben. Maar altijd samen moeten optrekken. Hij heeft niets met de gedachte “je gaat erover of je gaat er niet over”. Dat staat haaks op de praktijk.

Hoe belangrijk is het Rijksbeleid voor de stad? Elbrink: Het stimuleren van innovatie is belangrijk. Bedrijven hebben daar veel plezier van. Dat soort beleid is cruciaal. Arbeidsmarktbeleid ook. Dat is allemaal generiek beleid, voor alle bedrijven in het hele land. Maar als het alleen om Eindhoven gaat, ziet Elbrink toch vooral dat de G4 royaal bediend worden en dat Eindhoven als grootste van de kleintjes de kruimels krijgt. “Dat is een hardnekkig restant uit de jaren 90. Ik gun die G4 dat wel. Maar die cesuur is vreemd.”

Daarom is Elbrink blij met de introductie van het brainport-begrip in 2004 in de Nota Ruimte. Ik daag hem uit: wat heb je nu aan zo’n begrip. Ik begrijp dat ik niet te snel en te veel moet willen. Praten over ‘brainport’ betekent de eerste herwaardering van economische sectoren die niet over bloemen en vrachtwagens gingen. De verandering markeren. “We werden herkend en erkend door Den Haag.” Daarna is het een kwestie van lange adem. Elbrink hoopt dat het nieuwe denken op termijn leidt tot andere verdeelmodellen. Want: “Als er cadeautjes worden uitgedeeld zie je altijd dat de eerste cadeautjes naar de G4 gaan”. Dat soort logica doorbreken is een zaak van lange adem. Roept ook veel weerstand op, gaat om belangen. Gelukkig zien we in trajecten als REOS en het rapport “Maak Verschil” van de studiegroep Openbaar bestuur ontwikkelingen die beter aansluiten bij de logica van deze tijd. Het gaat om economische kerngebieden waar het geld verdiend wordt.

Wat is de rol van de gemeente? Ik hoor Elbrink meermalen zeggen: “even helpen”. Even wat geld bijleggen. Hier aan het Stadhuisplein wordt de dienst niet uitgemaakt. Maar we kunnen wel helpen. Dat is de bestuurscultuur die dateert uit de tijd van Philips, die hier wel alles bepaalde. Er is hier geen cultuur van ‘we run this city’. Lange traditie met veel maatschappelijk initiatief, veel stakeholders. Daarmee cijfer ik de gemeente niet weg. Als organisatie kent de gemeente iedereen. Zo kunnen wij mensen met elkaar in contact brengen. We kunnen de smeerolie zijn. Soms brengen we bedrijven met elkaar in contact. Vaker brengen we bedrijven en maatschappelijke instellingen met elkaar in contact. En we zijn voor de funding natuurlijk vaak belangrijk. Denk ook aan de Stichting Brainport, onze Economic Board, sinds 2011. Die vindt zijn oorsprong in de jaren 90. We hadden malaise bij Philips, en DAF. Burgemeester Rein Welschen haalde de mensen bij elkaar. Bedrijven, universiteit, gemeente. Zo is uiteindelijk de Brainport ontstaan.

We zijn een pragmatische stad, een pragmatisch gemeentebestuur. We lopen ze niet in de weg. Je moet je steeds afvragen: voegen we echt iets toe? Wanneer moet je even niks doen? Geen beleid maken. Ja, de gemeente hielp Philips groter worden. Dat is nog steeds onze cultuur. Natuurlijk denken we wel dat het uitmaakt wat we doen. Maar het is toch vooral actief faciliteren.

 

 

Wanneer het Rijk meerwaarde heeft

februari 23, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

De steden zijn de motoren van de nationale economie. Goed functioneren van steden is dus in het nationale belang. Alle reden voor het Rijk om zich met de ontwikkeling van onze steden bezig te houden. Zie bijvoorbeeld de Agenda stad. Maar juist als je de ander wilt helpen, is het goed om helder te krijgen wat je bijdrage zou kunnen zijn. Waar ligt de kracht van het Rijk, waar ligt de kracht van de steden.

Ik begin met de steden. Ze hebben het grote voordeel van nabijheid. Ze hebben een grote kennis over lokale omstandigheden, ze beschikken over een lokaal netwerk en ze zijn (daarmee) in staat een groter draagvlak voor beleid te verwerven. Op al die punten scoort het Rijk lager. Op twee andere punten heeft het Rijk een evidente meerwaarde. Het Namelijk: wetgeving en geld. Daarnaast kan het Rijk soms lokale impasses doorbreken. Bestuurskundigen spreken hier over netwerkmanagement. Maar dat vergt wel speciale vaardigheden, waarover niet alle rijksambtenaren beschikken.

Ik concentreer me daarom op geld en regels. Maar ook hier is de meerwaarde niet op voorhand een gegeven. Het zijn zware instrumenten die niet zomaar worden ingezet. Dat roept de vraag op: onder welke omstandigheden zal het Rijk deze twee instrumenten inzetten? Dus wanneer heeft het Rijk echt meerwaarde?

Ik kom tot twee randvoorwaarden: urgentie en generieke behoefte. Als de urgentie wordt gevoeld, kan het Rijk tot grote daden komen. Dan kunnen er plotseling wetten worden veranderd en kunnen er nieuwe geldstromen gaan vloeien. Zie de fundamentele veranderingen van de woningmarkt in de afgelopen jaren of de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Ook op het gebied van energietransitie zijn nieuwe wetten in het vooruitzicht gesteld. Als de urgentie wordt gevoeld, heeft het Rijk dus echt meerwaarde. Daarom ben ik altijd beducht als het Rijk vooral wil faciliteren. Dat betekent dat het mee wil praten, terwijl nieuwe wetten en nieuw geld niet zijn te verwachten.

Daarnaast komen nieuwe wetten en nieuw geld er alleen als sprake is van een generieke behoefte. Alle werklozen krijgen een uitkering, alle slechte scholen krijgen meer geld en iedereen krijgt later AOW. Per definitie kan de overheid in een democratische rechtsstaat moeilijk omgaan met verschil. Natuurlijk is Amsterdam belangrijker voor onze welvaart dan Rotterdam, maar dat legitimeert de overheid nog niet om Amsterdam (opzichtig) te bevoordelen.

Het Rijk kan dus een duidelijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van steden. Met regels en geld. Maar het is van belang dat het Rijk zich op tijd afvraagt of aan de juiste randvoorwaarden is voldaan. Zonder urgentie en zonder generieke behoefte zal het Rijk in de regel alleen maar blijven meepraten. Zoals bekend kunnen veel mensen meepraten. Maar van de Rijksoverheid wordt meer verwacht. Meepraten zonder regels en geld in te zetten, zal dus gemakkelijk leiden tot frustratie bij de steden. Conclusie: Rijksoverheid doe waar je kracht ligt of laat de steden het zelf oplossen.

 

[Uitgesproken bij het afscheid van Aldert de Vries als projectleider Agenda Stad, 23 februari 2017]

Zef Hemel als kind van Amsterdam @ZefHemel

februari 22, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

 

Gesprek met Zef Hemel

Zef Hemel schreef een mooi boek over ‘de toekomst van de stad’. Het is een informatief boek, het staat vol met mooie verhalen. Het is een heel rijk boek. Het geeft een mooi beeld van het ontstaan van steden. Het is ook een bevlogen boek. Hemel meent dat Amsterdam veel harder zou moeten groeien. In de pers sprak Zef Hemel zelfs over 2 miljoen inwoners. Ik noem dat een romantisch ideaal, omdat het wetenschappelijk bewijs voor die 2 miljoen inwoners ontbreekt. Ik schreef dan ook al tweemaal een kritische blog over Zef en zijn boek.

Maar tegelijkertijd is ook waar dat je met straffe significantieniveaus geen stad maakt. Voor de ontwikkeling van een stad heb je een ziener nodig. Van een ziener valt alleen achteraf vast te stellen dat hij er geheel naast zat. En Zef is vooral een ziener. Dat waardeer ik en om die reden ben ik met hem gaan praten.

Drenthe

Zef en ik zijn allebei Drent. Hij komt uit Emmen en ik uit Meppel. We hebben allebei in Groningen gestudeerd. Hij vijf jaar na mij. Het is goed dat we daarmee starten. Met Drenthe en Amsterdam. Het lijkt alsof het boek een soort bevrijding is van Hemel. Hij zegt eerlijk: het boek gaat over mij. Over mijn leven. Wat ik als planoloog geleerd heb. Ik blik terug.

En Hemel wil weg uit Emmen. Dat is duidelijk. Zijn hele boek is één pleidooi voor grootstedelijkheid. Hij definieert dat als complexiteit. “En complexiteit is beschaving.” Ik vraag naar het waarom van deze schijnbaar onweerlegbare stelling. Zef zegt: Ja beschaving is stedelijkheid. Het platteland zelf genereert geen beschaving, dat doet de stad. Daarom wil ik weten hoe steden zijn ontstaat. Voedsel en drinkwater zijn het begin van elke stad. En het platteland is een uitvinding van steden. Mijn boek is daarmee echt een scheppingsverhaal van de stad. Maar het gaat ook echt over de geboorte en bloei van beschavingen en die schuilt in grootstedelijkheid. Het boek is een lofzang op complexiteit.

Ook ik heb Drenthe mentaal verlaten, maar het afscheid van Zef is wel erg bruusk. Daarom vraag ik wat er mis is met Emmen. Hemel: Er is niks mis met Emmen. Ik kende daar vrijwel iedereen. Mijn ouders wonen er. Ik kom er nog steeds. Ik heb me afgevraagd: in wat voor beschaving ben ik opgegroeid. Ik ben niks tekort gekomen, maar ik voelde een gemis. In 1962 kregen wij thuis televisie. Wij waren de eerste generatie met zo’n toestel. Toen zag ik Amsterdam, ik zag de wereld. Daar wilde ik naar toe. In Emmen was één bioscoop, met Dik Trom in het hoofdprogramma. Ik heb Emmen altijd als een kolonie gezien. Je kan het ook wingewest noemen, een gebied dat toelevert aan steden.

Vergeet niet: mijn grootvader begon als veengraver, was politiek actief in de drankbestrijding, werd vakbondsleider, later provinciaal bestuurder. Zijn zoon – mijn vader – moest een koloniale oorlog vechten in Nederlands Indië. Toen hij terugkwam was het veen weg. Er werd door de regering een fabriek neergezet, met veel subsidies. Mijn vader moest daar aan het werk. Weer koloniale uitbuiting. Toen ik ging studeren in Groningen, in 1975, sloot die fabriek. Veel fabrieken sloten in die tijd. Sindsdien groeit weer de werkloosheid. Groningen was een interessante microkosmos. Maar het is een studentenstad. En toen kwam Amsterdam. En ook dat blijkt een tussenfase. Na vijfendertig jaar wil ik hier ook liefst weg.

Ik vraag Hemel of hij dit boek had kunnen schrijven als hij niet in Emmen had gewoond? Hemel: dat is een interessante vraag. Dat weet je nooit. Maar ik heb dit boek zo geschreven omdat ik dit leven heb geleid. Natuurlijk, het is een heel persoonlijk document. Nee, het is geen wetenschappelijk werk.

De stad is rijker leven

Hemel schrijft lyrisch over de stad in zijn boek. De stad: dat is rijker leven. Grote steden zijn beter voor mensen. Grootstedelijkheid maakt mensen vrij. Ik vraag hem hoe hij dat allemaal zo zeker weet. Hemel: Dat zijn ontboezemingen. Maar veel mensen ervaren het ook zo. De stad maakt vrij, omdat er niet te veel sociale cohesie is. Te veel sociale cohesie is niet goed. In een stad kan je als individu alle gradaties van sociale cohesie aantreffen, waaruit je kunt kiezen. In de grootstad ben je teruggeworpen op jezelf. Het is helemaal jouw eigen verantwoordelijkheid om in de wereld te stappen en verbindingen te leggen. Alle mogelijkheden liggen aan je voeten.

Is dat niet een beetje kil? Is daar nog wel solidariteit? Hemel: Dat is een persoonlijke keuze. Je bent in de stad bevrijd uit het dwingende dorpse verband. Die kleine gemeenschap waar iedereen elkaar kent.

Ik prijs me gelukkig met een auteur die in ‘het echt’ al even romantisch denkt over de stad als in zijn boek. De stad komt voor hem vooral overeen met voordelen, met agglomeratievoordelen. Ik werp hem tegen dat het begrip agglomeratienadeel nergens wordt genoemd, terwijl de theorie daar toch heel duidelijk over is. Een grotere schaal betekent ook nadelen, als congestie, stank, overlast, criminaliteit. Hemel: Ja, die kritiek heb ik al gekregen. Kijk, het boek is een pleidooi. Ik wilde me uitspreken. Iedereen graaft in zijn geheugen. Dat kan niet anders. Het is mijn boekenkast, het gaat over mijn leven. Maar die agglomeratienadelen zitten er wel degelijk in! Maar de agglomeratievoordelen zijn groter, zij lossen de problemen in steden altijd razendsnel op.

Volgens Hemel zijn steden niet alleen rijker, maar ook duurzamer. Ik suggereer voorzichtig dat windmolens vooral op zee succesvol zijn. Nee, zegt Hemel, die windmolens op zee zijn niet echt duurzaam. Dat is een ingenieurs-oplossing. Echt duurzaamheid bereik je door de stad te vergroten. Dan gebruiken mensen alles intensiever. De infrastructuur. De voorzieningen die mensen met elkaar delen. Je eet op straat, je hebt geen keuken meer nodig. Je gebruikt minder vierkante meters. Kijk in Aziatische steden. In Tokyo slapen ze in een cabine, op een paar vierkante meter. Dat is super duurzaam. Het probleem is: we hebben te veel mensen. In steden hebben die talloze mensen geen auto meer nodig! Ja, ik ga het liefste in Tokyo wonen, dat is mijn droom. Dat wil ik nog meemaken.Ik vind al die discussies over duurzaamheid eigenlijk maar windowdressing. Het is grootstedelijkheid, als de allerhoogste vorm van beschaving met de kleinste ecologische voetafdruk en de allergrootste rijkdom die de natuur ons aanbiedt. Een metropool is bovendien het allermooiste.

Hoe kan Nederland bestaan

Economen zijn het met Hemel eens: in steden zijn mensen productiever dan buiten steden. Toch doemt er een levensgrote vraag op als we de redenering van Hemel tot het einde volgen. Dan zou Nederland niet zo welvarend kunnen zijn. Wij hebben geen grote steden, we hebben Amsterdam en dat telt nog niet eens een miljoen inwoners. Hoe kan dat? Wat is er dan waar van Zef’s verhaal? Hemel: Ja, die vraag is interessant. Misschien dat ik daarom ook niet begrepen word. Die vraag roep ik wel op. Daar ben ik nu mee bezig. In Nederland leven we van handel. We zijn een belastingparadijs. We zijn oliesjeik met ons aardgas. We hebben onze koloniën geplunderd. We hebben een economie gebaseerd op logistiek, agrifood en chemie. Schiphol is een slimme truc, net zoals de Europoort en de Maasvlakte. Al die datacenters, alweer zo’n truc. We zijn dus slim, maar zonder steden te bouwen zijn we toch heel rijk geworden.

Ik reageer: Je hebt dus geen grote steden nodig. Hemel: zoals wij nu leven is apert niet duurzaam, dit is gewoon niet houdbaar. Amsterdam was indertijd één van de grootste steden ter wereld. In de negentiende eeuw klopte alles nog, zoals Amsterdam en Rotterdam destijds snel groeiden. De cesuur zit rond 1929. Toen ging het mis. Toen zijn we gestopt met steden bouwen. Toen zijn we gaan herverdelen, ruimtelijk spreiden, verdelende rechtvaardigheid voorop stellen met de komst van het Gemeentefonds.

Geen herverdeling tussen stad en land

Ik houd Hemel voor dat herverdeling, fundamenteel de herverdeling van de verzorgingsstaat grote economische voordelen heeft gehad. Als iedereen mag meedoen, heeft dat toch veel voordelen? Hemel: Dat is het construct van de verzorgingsstaat. Daar ben ik trouwens ook een kind van. Maar daar zet ik vraagtekens bij. Ik spiegel hem in mijn boek aan de Sovjet Unie. We waren in een wedloop met het Oosten. Gelijkheid stond in Oost en West hoog in het vaandel. Met de verzorgingsstaat wilden we de Sovjets zelfs aftroeven. Achter het IJzeren Gordijn is de boel in 1989 uit elkaar gevallen. Nu verbrokkelt het ook hier. De verzorgingsstaat was een utopie. Het is gewoon niet gelukt. Al die herverdeling tussen stad en ommeland werkt niet. Laat de stad groeien en rijkdom vergaren.

Waarom zou het ommeland daar beter van worden? Hemel: De groei van de steden ontlast al eeuwen het ommeland. Vergeet niet: 80% van het ommeland in Nederland is al stad geworden. Alles is hier gesuburbaniseerd.. Er is dus geen enkele reden om het niet naar de stad toe te vegen. Dat is veel duurzamer, spannender ook, en het brengt meer welvaart. Dus doe niet zo nostalgisch over dat platteland. Dat het krimpt. Het zijn allemaal stedelijke types die daar wonen. Laat de steden hun werk doen! De kinderen in Assen willen allemaal naar Amsterdam. Eigenlijk willen veel mensen daar weg. Bestuurders proberen dat tegen te houden. Maar de mensenwillen iets anders.

Hemel heeft zelf namens de gemeente Amsterdam geadviseerd in Delfzijl. Hij is er een aantal keren geweest. Ik vraag hem hoe zo’n wingewest van de stad beter wordt. Hemel: Je moet daar als het ware teruggaan in de tijd. Krimpen is als monumentenzorg plegen. Je moet veel afbreken, maar het mooie laten staan en een nieuwe functie geven. Dat is een natuurlijk proces. Ja, die Eemshaven doet het wel goed. Maar die heeft weinig met Delfzijl te maken. De werkers in de noordelijke havens zijn hoogopgeleide types die bijna allemaal in Groningen wonen.

De groeikernen als abberatie

Vanaf de jaren 60 zijn we in Nederland groeikernen gaan bouwen, om de steden te ontlasten. Persoonlijk heb ik niet veel met die groeikernen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat we door het bouwen van groeikernen de grote steden groeikansen hebben ontnomen. Stel je voor dat al die mensen in de steden waren blijven wonen. Het huidige snelgroeiende Amsterdam heeft de aderlating van de groeikernen nog steeds niet ingehaald. Er zijn ook mensen die menen dat die groeikernen door de steden zelf gewenst waren. Om de verkrotte wijken te kunnen slopen. Amsterdam zou ook voor dit beleid van ‘gebundelde deconcentratie’ zijn geweest. In zijn boek doet Hemel alsof in1984 op dringend verzoek van Amsterdam eindelijk een einde kwam aan de ‘onttakeling’ van de stad. Was het groeikernenbeleid nu alleen een idee van het Rijk of steunden de steden dat beleid ook. Hemel: Wethouder Roel de Wit wilde dat rijksbeleid volgen. Joop den Uyl wilde er als wethouder van Amsterdam nog niet aan. Joop had nog een grootstedelijke agenda. En toen kwam Roel. En toen sloeg het om. Nee, Roel was een natuurbeschermer.

Maar had de stad deze ontlasting dan niet nodig? Hemel: al sinds 1929 wordt er stelselmatig geld onttrokken aan de grote steden. Vanaf 1929 moeten zij de broekriem aanhalen. Daardoor ontstond het Jordaanoproer in de jaren 30. Er was geen bouwproductie meer in de steden. Dus zakte de economie weg. Gebeurde overal, dat afknijpen van steden, ze waren weinig geliefd. En toen gingen we de oorlog in. Moeizame wederopbouw in ‘de verzorgingsstaat’. Met allemaal nieuwe steden in de weilanden. Maar dat ging niet werken. De stad had het helemaal niet nodig. Ze raakte enorm verkrot. Vanaf 1961 zijn het richtinggevende nationale ruimtelijke nota’s die de toon zetten. Amsterdam gaat meedoen met de bouw van liefst zes new towns. Dan ga je jezelf te grave dragen. En dat gebeurt dan ook. Onder Roel de Wit wordt het alleen maar erger. We gaan woningen afbreken. En dan ontstaan er opstanden. Bakstenen door de ruiten, en de bestuurders begrijpen het maar niet. Toen ik in 1981 Amsterdam ging wonen was de binnenstad totaal verkrot. Tegenover het verkrotte Amsterdam stond het tegelwitte Emmen in de bossen. Zie je het verband? Na Roel de Wit komt de ontreddering. Han Lammers die het begon te begrijpen. Later wordt hij landdrost in Lelystad en Almere. Bizar. Het was bijna Oost-Duitsland spelen wat we deden. Beter dan Oost-Duitsland. Als ik door Nederland rijd, zie ik overal nog Oostblok-architectuur.

Twee miljoen inwoners zonder centrale planning

Ik houd Zef voor dat hij zelf nog druk heeft meegeschreven aan het Vijfde Nota over de Ruimtelijke ordening van het Rijk. Hemel: Ja, en nee. Ik ben eruit gestapt tijdens het schrijven aan de Vijfde Nota.. Ik heb wel die boxen geregeld en de kaarten. Maar die mooie kaarten hebben ze weer veranderd.
Laat duidelijk zijn: ik had het Zef niet verweten als hij wel hartstochtelijk aan die Vijfde Nota had meegeschreven. Juist omdat je toch wel centrale planning zal moeten hebben om Amsterdam te laten groeien tot 2 miljoen. Hemel: We moeten gewoon de tijd verstaan. Maar de overheid doet nog steeds domme dingen. We groeien nu weer in Amsterdam. Maar het is nog veel te langzaam. 10.000 woningen per jaar zijn nodig. En desondanks halen we die 2 miljoen. Dat soort dingen gaat nooit lineair. Groei gaat exponentieel. Dat heet een gouden eeuw. Eerst ontreddering en chaos. En dan pas gaat het bestuur begrijpen wat er aan de hand is. En eerst dan gaat het goede plannen maken. Dat gebeurde ook in de Tweede Gouden Eeuw met Berlage. Daarvoor is het nu nog te vroeg. Over tien jaar misschien gaan wij werken aan een plan voor een verdubbeling van de stad.

Is daarmee de planologie verdwenen? Planologie is volgens Zef een historisch fenomeen dat hoort bij de sociale welvaartsstaat. Het hoort bij het communistische tijdperk van de twintigste eeuw. Het hoort bij de dominantie van de staat. En dat is nu allemaal voorbij. Er komt iets nieuws. Dat lijkt dicht bij het anarchisme te zitten. Boeiend om te zien hoe steden gaan functioneren, als ze niet meer de uitvoeringsloketten zijn van de natiestaat. Steden moeten weer gaan acteren, volwassen worden. We gaan weer naar vóór 1929 en pakken daar de draad weer op.

Le Corbusier is de bad guy

Er is nog één ding dat me triggert in het boek van Hemel. Hij schrijft de modernisten weg. En toch blijft hij vriendelijk en beleefd over Van Eesteren. Waarom is hij zo blij met Van Eesteren. Dat was toch de man van de modernistische flatjes bij de Zuidas? Hemel: de bad guy is Le Corbusier. Die had geen enkele ethiek. Maar heb ik Van Eesteren in bescherming genomen? Ja, ik steun hem, maar ik neem ook afstand van hem. Ook Benevelo hoort in de vitrinekast van de vergissingen. Van Eesteren was razendknap. Maar hij werkte onder een ongunstig gesternte. In de crisis moest hij knokken en, onderbroken door een oorlog, in de wederopbouw alles heel goedkoop terugbouwen. Veel kunnen we nu afbreken. Geniaal was het, maar in de verkeerde tijd.

Ook Emmen heeft erg geleden onder de stedenbouw van de 20e eeuw. Het is een goed moment voor een slotvraag. Ben je een kind van Amsterdam of van Emmen? Hemel: Ik hou van Amsterdam, ik voel me een kind van Amsterdam. Je kan je wortels nooit verloochenen. Maar mijn liefde voor Amsterdam spreekt toch wel uit mijn boek. Amsterdam is daarin een soort van hoofdpersoon.

Zeggenschap enige antwoord op populisme @Pieterhilhorst

februari 13, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

Gesprek met Pieter Hilhorst

Pieter Hilhorst is al jaren bezig met het vergroten van de zeggenschap van burgers. Hij schreef er boeken over, hij was ombudsman bij de VARA. Hij was zelfs even wethouder van Amsterdam in de hoop dat hij op die plek de zeggenschap van burgers zou kunnen vergroten. Maar zeggenschap kan ook snel elitair worden. Dat de hoogopgeleide burgers met de hogere inkomens in staat zijn om het voor zichzelf goed te organiseren. Ook is het de vraag wat de grenzen van zeggenschap zijn. Waar moet de overheid het uiteindelijk toch gewoon zelf doen. Alle reden voor een mooi gesprek met Hilhorst.

De overheid omarmt en verstikt 

Ik ben benieuwd of Hilhorst iets heeft met begrippen als doe-democratie en overheidsparticipatie, die in sommige overheidskringen populair zijn. Dat blijkt genuanceerd te liggen. Hilhorst: ik heb iets met begrippen als burgerinitiatieven en zeggenschap van burgers. Overheidsparticipatie leidt gauw tot overname. Als burgerinitiatieven lukken, dan willen politici je altijd komen helpen. Dan dreigt een verstikkende omarming. Dat associeer ik met overheidsparticipatie. Een verstikkende overheid. Toen ik samen met Jos van der Lans een Broodfonds oprichtte, dat is een club zzp-ers die elkaar helpen bij ziekte en dergelijke, toen was Mei Li Vos van de PvdA de eerste die zei: hoe kunnen wij helpen? Dat is heel aardig. Maar wij zeiden: Je kan vooral helpen door je er niet mee te bemoeien. Dat heb je vaker: als de overheid er zich mee gaat bemoeien, dreigt altijd dat ze het gaan overnemen. Wat wel belangrijk is: dat de overheid het zo gaat organiseren dat het voor burgers makkelijker wordt om samen met elkaar het heft in handen te nemen.

Ik heb met Jos van der Lans het boek geschreven over sociaal doe-het-zelven. Ik dacht dat gedachtengoed ook als wethouder van Amsterdam goed te kunnen uitdragen. Maar dan zie de spanning. Nadat ik mijn verhaal had verteld, stond er een keer zo’n echte Amsterdammer op en die zei: “Zo, wij moeten het dus allemaal zelf gaan doen. En wat ga jij nu eigenlijk doen, man?” Hij wilde zekerheden. Hij was bang dat mijn mooie verhalen een alibi waren om mensen in de steek te laten. Dat is voor mij de crux: hoe biedt je zekerheden, maar kom je wel van een passieve naar een actieve solidariteit? En de overheid heeft daarbij zeker een rol.

Ik vraag Hilhorst of dat niet tegenstrijdig is. Ik zet het op scherp: Jij zegt dat de burger het allemaal zelf moet gaat doen. Maar waarom laten we de overheid dan nog weer toe? Hilhorst: je kan niet alle solidariteit in eigen beheer nemen. Daarvoor heb je de overheid altijd nodig. Maar het probleem is dat de overheid door haar optreden het zelforganiserend vermogen van burgers belemmert. De overheid is dus niet neutraal. De overheid individualiseert bijvoorbeeld enorm. Individualiseren is voor de overheid de normale gang van zaken. Ik zou het willen omdraaien: iets socialiseren moet de normale gang van zaken worden. Zo kan de overheid ertoe bijdragen dat burgers het samen gaan doen. Dus zelf gaan doen.

Hilhorst noemt als voorbeeld zwangerschapscursus uit Amsterdam-Noord. Het gebeurde eerst individueel. Toen zijn ze overgestapt op groepslessen. En zag je dat er platforms van vrouwen ontstonden, die elkaar gingen helpen. Die manier van denken moet je veel vaker toepassen. Organiseer platforms omdat platforms het zelforganiserend vermogen van mensen versterken. Dus maak groepen van patiënten die een knie-operatie hebben ondergaan. Laat ze samen revalideren. Dan vergemakkelijk je het zelforganiserend vermogen.

Burger wil ook zekerheid

Ik wil het nog scherper hebben. Wat wil die Hilhorst nu eigelijk? Kiest hij voor een overheid die op een andere manier organiseert wat de overheid toch al wil of is het een overheid die afscheid neemt van een verantwoordelijkheid en tegen burgers zegt: ga je gang maar? Hilhorst: veel dingen blijven toch een taak voor de overheid. Dat was mijn fout toen ik de politiek inging. Ik dacht: veel mensen zitten te wachten op het moment dat ze het zelf mogen gaan doen. Maar dat willen veel burgers helemaal niet. Die willen zekerheid. Die zekerheid moet gegarandeerd zijn. Inkomen, een dak boven je hoofd, dat je verzekerd bent. Daar moet de overheid voor zorgen. Maar binnen die zekerheden kan je best zorgen dat mensen zoveel mogelijk actief solidair zijn. In plaats van passief. Want passieve solidariteit wordt altijd uitbesteed aan bureaucratische instellingen. Met allemaal bureaucratische regels, waardoor mensen niet het gevoel krijgen dat ze geholpen worden door de verzorgingsstaat. De hulp die mensen van de staat krijgen gaat vaak gepaard met vernedering. Daarom is de verzorgingsstaat eigenlijk verweesd. Iedereen die er aanspraak op wil maken, ziet vooral de repressieve kant van de verzorgingsstaat. Terwijl mensen die geen aanspraak doen, denken dat de anderen juist worden verwend. Daarom zal de verzorgingsstaat op termijn geen draagvlak hebben. Dat wil ik tegengaan.

Het gaat om eigenaarschap

Kijk de overheid verzorgt heel veel. Neem het vervoer naar het ziekenhuis. Allemaal geregeld. Maar als jij een keer naar het ziekenhuis moet en dat busje is er niet, dan heb je het gevoel dat je niet meetelt. Maar als mensen het zelf organiseren, weten ze dat Wim altijd wat laat is. Dat is een totaal ander gevoel. Zonder eigenaarschap in die instellingen voor solidariteit, is de toekomst van solidariteit afgeschreven. Daarvan ben ik overtuigd. Je moet dus steeds nadenken hoe je mensen eigenaarschap en zeggenschap kan geven. Dus door het makkelijker te maken dat mensen het zelf organiseren. Of door het makkelijker te maken dat mensen samenwerken. En het eerste is: door het niet tegen te werken. Want veel burgerinitiatieven worden door de overheid tegengewerkt. De participatie-crèche wordt tegengewerkt door het Ministerie van Sociale Zaken. Ouders passen op elkaars kinderen. Maar de ouders zijn daarvoor niet opgeleid, nota bene, en dus komt er geen toeslag voor kinderopvang.

Is het een sausje of is het een fundamentele verandering? Om die reden zeg ik tegen Hilhorst: je streeft een verzorgingsstaat na met een menselijk gezicht. Hilhorst: Ja, dat is waar, maar ook met eigenaarschap. En dat is iets heel anders dan nabijheid. Want aan de keukentafel bepaalt nog steeds een ander wat er met jou gebeurt. Bij ons Broodfonds bepalen we zelf de regels. Dat geeft veel betere solidariteit. Hoe meer eigenaarschap, hoe meer steun voor de solidariteit.

De overheid blijft dus uiteindelijk nog steeds verantwoordelijk voor de solidariteit? Hilhorst: Ja, dat is de essentie, het is een ander soort overheidsoptreden. Zonder overheid zou het een neo-conservatief verhaal worden. Dat moeten we juist niet doen. We hebben die overheid echt nodig.

Hoogopgeleide en witte burgers nemen initiatieven

We zitten samen in Dauphine bij station Amsterdam Amstel. Allemaal witte mensen, allemaal hoogopgeleide mensen. Dan prikkelt zo’n verhaal nog meer. Want hoeveel mensen kunnen dit? Is dit een plan voor de beschaafde elite van Amsterdam? Voor de mensen binnen de ring. Is dit de burger van de Triomf van de stad die dit leuk vindt? Hilhorst: Er zijn heel veel burgers die zich ergeren aan hoe de overheid met hun omgaat. Er spreekt vaak wantrouwen uit het optreden van de overheid. Vernederende, strenge toon. Daar hebben veel mensen last van.

Ik zeg dat ik dat weet. De vraag is: hebben al die mensen het zelforganiserend vermogen van types zoals jij en ik? Hilhorst: nee, niet vanzelf. Dat moet je organiseren. En het kan misschien niet voor iedereen. Hilhorst stelt een wedervraag: Maar is de verzorgingsstaat goed voor iedereen? Nee. Maar hoe meer je het doet, hoe meer gedragen solidariteit er zal zijn.

Basisbaan in plaats van basisinkomen

Ik kaart het basisinkomen aan, zoals dat door een heel actieve club onder andere via sociale media wordt gepromoot. Zit dat in deze buurt? Hilhorst: Nee. Ik ben daar niet zo’n voorstander van. Omdat er heel veel mensen die helemaal niet uit zichzelf initiatief nemen. Mensen met faalangst. Mensen die bang zijn dat ze niet voor vol worden aangezien. Dat soort mensen moet je uitnodigen. Die uitnodiging verdwijnt met een basisinkomen. Het basisinkomen is helemaal gebaseerd op het negatieve idee van vrijheid. Voor mij staat de uitnodiging centraal. In de praktijk betekent het basisinkomen dat heel veel mensen een basisinkomen krijgen en nooit meer ergens bij betrokken worden. Er zijn al te veel mislukte jongeren die de hele dag zitten te gamen. Voor dat soort jongeren is het basisinkomen echt een ramp. Je zegt: we zijn wel klaar met hem. Je nodigt hem niet uit iets te doen. Daarom ben ik voor een basisbaan. Iedereen die een uitkering krijgt de garantie van een baan van 20 uur. Tegen minimumloon. En daarnaast mag je verdienen wat je wil. Dat is echt een uitnodiging. Het gaat er ook om hoe mensen met elkaar in contact komen. Dat doe je niet met een basisinkomen.

Wanneer kan het wel en wanneer niet

Het zijn allemaal sympathieke voorbeelden. Maar er zijn toch ook burgerinitiatieven die we minder leuk vinden. Acties tegen asielzoekerscentra bijvoorbeeld? Hilhorst: ik ben er voorstander van dat bij het vinden van huisvesting voor asielzoekers er optimale betrokkenheid van burgers wordt georganiseerd. Veel gemeenten hadden maar één gedachte vorig jaar bij het plaatsen van asielzoekers: hoe houden we de burgers erbuiten? Maar ook daar moet je burgers bij betrekken. Niet alleen een informatiemarkt waar je mag horen wat er aan de hand is.

Is dat niet naïef gedacht? Er stonden er tienduizenden aan de grenzen. Nee, zegt Hilhorst. Kijk naar Heusden. Burgemeester Jan Hamming. Die heeft gezegd: ik doe het alleen met burgers. Ik heeft zich hard gemaakt tegen het COA. Hij wilde kleinschalige opvang. Hij wilde opvang volgens de ideeën van de burgers. Kom maar met voorstellen. Voor verschillende locaties. Het voorstel van de burgers is overgenomen door de gemeenteraad. Het kan dus wel!

Pieter pleit voor vloeibare democratie. Dat betekent dat je je stem voor een bepaald onderwerp kan geven aan iemand anders. Iemand die je vertrouwt. Zo ontstaan er vertrouwenspersonen die praten namens een aantal mensen. Dat is iets anders dan de gemeenteraad. Daar praten mensen voor vier jaar voor alle onderwerpen namens jou. Hier gaat het om één onderwerp. Het idee van Zygmunt Bauman. Zo krijgt het gemeentebestuur een gesprekspartner voor een probleem.

Participatiesamenleving als schaamlap

Hoe mooi de ideeën van Hilhorst ook zijn, ze kunnen ook dienen als schaamlap voor een overheid die te weinig doet. Ik vraag hem of zijn ideeën geen last hebben van een overheid die uit een soort ‘schuldgevoel’ praat over een participatiesamenleving? Dat had toch vooral te maken met het overhevelen van taken naar gemeenten om daarmee miljarden te kunnen bezuinigen. Hilhorst: Ik dacht indertijd dat die drie decentralisaties een mooi moment waren voor mijn idee van burgerinitiatieven. Maar veel burgers dachten: ik word in de steek gelaten! Al jouw mooie verhalen van we gaan het zelf doen, is gewoon mooipraterij van in de steek laten. Maar ja, de burgers zullen toch gewoon mee moeten doen. Kijk naar de energietransitie. Dat kan heel gemakkelijk weer een onderwerp worden waarvan de burgers denken: dat wordt ons door de strot gedrukt. Maar er moet wel wat gebeuren. En dan geldt: hoe meer betrokkenheid van de burgers, hoe groter de legitimiteit van die hele operatie. We zullen mensen moeten verleiden zonnepanelen op hun dak te leggen. Want daarna zullen ze erin gaan geloven. Je hart volgt je hand: eerst doe je iets en daarna ga je erin geloven. Ik weet dat de burgers er nu nog onvoldoende in geloven, maar op de lange termijn zal je die betrokkenheid van burgers echt nodig hebben.

Zijn er onderwerpen waar jouw verhaal niet geldt? Hilhorst: Ja. Soms zijn er zoveel schaalvoordelen, dat maatwerk gewoon te veel kost. Sommige dingen zijn al zo lean en mean georganiseerd. Dan kan het gewoon niet. Bijvoorbeeld de incasso van zorgverzekeraars en energiebedrijven is zo lean en mean georganiseerd dat lokale pilots alleen maar geld kosten. Ook als we zeggen: we moeten van het gas af. Dat kan gewoon niet alleen van onderaf. Dan moet je het onvermijdelijk ook van bovenaf doen. Maar niet alleen van bovenaf, want dan mislukt het. Dat is het misbruik van het boek van Maarten Hajer over de energieke samenleving: van bovenaf niks doen, en zeggen dat de samenleving het moet doen, terwijl je weet dat de samenleving het niet alleen kan.

De enige strategie tegen het populisme

Als je ziet dat de systemen zo ingewikkeld zijn geworden dat je het soms niet meer van onderop kan organiseren, ben je dan niet een beetje een nostalgische wereldverbeteraar? Hilhorst: de grootste maatschappelijke veranderingen komen voort een verlangen naar iets wat er nooit is geweest. Maar vertrouwen heeft heel veel te maken met mensen die elkaar zien en die elkaar kennen. Je moet altijd een appèl doen op face-to-face relaties. Anonieme relaties met een overheid zonder gezicht daarmee organiseer je permanent de onvrede.

Geldt dit prachtige verhaal ook in een tijd van Trump en Wilders? Hilhorst: dit is het enige antwoord op die mannen. De populist suggereert: er is iets mis met politici maar als wij eenmaal de macht hebben, kunnen wij het wel goed doen. Een heel naïef idee over maatschappelijke verandering. Ze hebben geen idee hoe het moet. Hun veranderingstheorie is volstrekt simplistisch en totalitair. Dat zal nooit onvrede wegnemen. De enige manier om de onvrede weg te nemen is de mensen zelf laten meebepalen. Zeggenschap is enige antwoord op onvrede. De enige strategie tegen het populisme.

Paul Scheffer: ik zal nooit zeggen dat onze cultuur de beste is

januari 15, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

Gesprek met Paul Scheffer

Paul Scheffer is publicist en hoogleraar. Hij was Wibaut-hoogleraar aan de UvA (onderwerp: grootstedelijke problematiek) en is nu hoogleraar Europese studies in Tilburg. Vooral is hij een intellectueel en heeft een dominante plek in het publieke debat over integratie en migranten. In 2000 schreef hij onder de titel ‘Het multiculturele drama’ een artikel in de NRC dat als een bom insloeg. In de jaren 90 werd nog vaak met graagte gesproken over de multiculturele samenleving, met het idee dat onze samenleving zich vooral zou verrijken door de verschillende culturen. Scheffer hielp de weldenkende elite uit hun droom.

Ik vraag hem hoe hij zelf die ‘bom’ heeft ervaren. Hij zegt: ik vond het eigenlijk wel beangstigend. Het nam een hoge vlucht. Het is het meest geciteerde stuk uit de naoorlogse Nederlandse journalistiek. In ieder geval in mijn kleine leventje was het een enorme gebeurtenis. Het had een enorme impact. Er was een kamerdebat van twee dagen over het stuk. Het ging maar door. Tot de dag vandaag. Ook in veel andere landen is het vertaald. Je kan je nu ook niet meer voorstellen dat het zoveel commotie opriep. Nu zijn er veel mensen die veel radicalere dingen zeggen. Toen reageerden veel mensen heel fel. Het zou racistisch zijn, extreem-rechts. De Groene Amsterdammer schreef dat ik Philip de Winter rechts had ingehaald. Ik had ook te maken met bedreigingen.

Een sociale kwestie en een sociaal-culturele kwestie

Wat was voor hem de kern van het verhaal? Scheffer ik begon met de nieuwe sociale kwestie. Daarin verschilde ik echt van Bolkestein. Migranten en hun kinderen blijven achter. Waarom gingen we daar zo gelaten mee om? Daarnaast noemde ik een nieuw sociaal-cultureel vraagstuk, de positie van de islam. Ik zei dat de verzuiling hier geen oplossing voor zou bieden. In die tijd werd echt nog door mensen in de elite gedacht, dat de islam een eigen zuil zou moeten krijgen om de moslims te laten integreren. Terwijl de samenleving inmiddels geheel was ontzuild. Waarom zou verzuiling een oplossing brengen voor de moslims, terwijl wij die verzuiling inmiddels achter ons hadden gelaten? Bovendien kon die moslimgemeenschap helemaal niet verzuilen, omdat er grote verschillen zijn tussen moslims. Etnische verschillen wegen in die groep minstens even zwaar.

Ik heb die twee onderwerpen bewust niet gekoppeld. De sociaal-economische kwestie en de sociaal-culturele. In het debat werd het vaak wel gekoppeld. Dat moet je niet doen. Er zijn heel veel maatschappelijk geslaagde migranten die in toenemende mate zeggen dat ze zich hier niet thuis voelen. Het is niet zo dat als je die economische achterstanden wegwerkt, dat men zich dan ook meteen hier thuisvoelt. Ik zei alleen: als ik die twee vraagstukken tezamen zie, moeten we een terughoudend immigratiebeleid voeren. Vanwege het integratief vermogen van onze steden en van onze instituties. Mijn conclusie luidde: Het multiculturele drama wat zich nu afspeelt is een ernstige bedreiging van de sociale vrede. Daarmee heb ik bewust hard aangezet.

Voor vernieuwing heb je ongeduldige mensen nodig

Scheffer zegt dat hij nadrukkelijk afweek van Bolkestein, omdat die de islam zo centraal stelde: Ik stelde de sociale kwestie voorop. En het was een kritiek op de christendemocratie omdat die de verzuiling zo als oplossing zagen. Vergeet niet dat de verzuiling niet is uitgemond in segregatie omdat er sterke elites waren. Maar de moslimgemeenschap heeft geen sterke elite. Was het maar waar wat Geert Wilders zegt, dat er een georganiseerde moslimgemeenschap was, die iets wilde. Dan kon je er een deal mee maken. Maar dat is er niet, het is een versplinterd geheel. En vergeet niet waarom de verzuiling in Nederland eerder wel een succes is geworden. Er was een bijzondere Grondwet, met dat artikel over de vrijheid van onderwijs. Dat werd gedragen door die zuilen, dat was een product van hun strijd. Een nieuwe zuil hoort helemaal niet in de geschiedenis thuis. We vergeten wel eens dat die zuilen een gezamenlijk dak hebben gedragen en dat het daarom werkte. En een redelijk volgzame achterban. Maar wie spreekt er nu namens de moslimgemeenschap?

Ik werp tegen dat verzuiling ook wel laat zien hoe lang zo’n emancipatie kan duren. Ik vraag of Scheffer niet wat vroeg is geweest met zijn conclusie dat het misgaat. Scheffer: de vraag is: hoeveel tijd heb je? Maar we hebben bij de sociale kwestie aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw ook gesproken over een ondraaglijke situatie. Toen hebben mensen zich daar gelukkig over uitgelaten. Toen duurde het nog tot na de oorlog voordat de verzorgingsstaat kwam en in de jaren 60 dat kinderen uit arme gezinnen naar de universiteit konden. Dat had allemaal nog veel langer geduurd als we aan het einde van de negentiende eeuw hadden gezegd: dat duur nog wel anderhalve eeuw. Vernieuwing komt altijd omdat mensen ongeduldig zijn.

Van vermijding naar conflict naar accommodatie

Paul Scheffer spreekt vaak over de ontwikkeling van vermijding naar conflict naar accommodatie als het gaat om integratie. Ik vraag hem: waarom had niemand dat voor jou bedacht? Waarom dachten we dat we in de fase van de vermijding konden blijven zitten? Scheffer: we hebben ons weinig verdiept in de immigratie in andere landen. De these komt uit Amerika, jaren 20 van de vorige eeuw. Studies over integratie van Italianen en Polen in Chicago. Ik kwam studies van een eeuw geleden tegen over het statusverlies van de vader in gezinnen door de immigratie. Leidt tot ontwrichting van gezinnen en tot jeugdcriminaliteit in de tweede generatie. Honderd jaar geleden! Toen ik het las dacht ik: dit gaat over Marokkaanse gezinnen in Slotervaart, Somalische gezinnen in Kopenhagen. We hebben ons zo niet gerealiseerd dat we een immigratiesamenleving waren geworden. We dachten dat ze weer terug zouden gaan. Pas in de jaren 90 begonnen we ons te realiseren dat ze bleven.

En toen ging het nog vooral over sociaal-economische achterstanden. Cultureel werd het een verrijking genoemd. Door mensen als Ed van Thijn. Maar hij niet alleen. Maar over wat soort cultuur hebben we het dan? Daar kwam dan geen antwoord op. Kebab. Men wist eigenlijk niets van Turkse cultuur bijvoorbeeld. Van Turkse muziek, literatuur en noem maar op. En hebben wij het gevoel dat deze heel laagopgeleide Turken vertegenwoordigers zijn van die hoge Turkse cultuur? Dacht het niet. Moet je eens in Istanboel gaan vragen hoe ze daar denken over de mensen die hier naartoe zijn gekomen. Niemand kon dus benoemen wat de verrijking van de Turkse cultuur in Nederland zou zijn. Het gaat om problematische gezinsverhoudingen van Turkse gezinnen hier. De Turkse meisjes die niet mogen doorstuderen. Dat is een andere vorm van cultuur.

Alleen onze rechtscultuur is beter

We praten over de jaren 90 toen het idee van rechtspluralisme in juridische kring nog veel werd gehoord. Vanuit de gedachte dat wij onze normen toch niet kunnen opleggen aan andere geloofsgemeenschappen. Ik houd Scheffer voor dat hij dat heeft doorbroken. Hij zegt duidelijk: onze rechtscultuur is beter. Scheffer spreekt met nadruk over rechtscultuur. Want als het om schilderkunst en architectuur gaat kan je niet zeggen dat onze cultuur van nu beter is dan die van 400 jaar geleden. Taj Mahal is fantastisch bouwwerk. Je kan niet zeggen dat de kathedraal van Reims mooier of beter is. Er zijn dus veel domeinen van cultuur. Je kan niet zeggen, dat Bach achterhaald is. Klassieke filosofie is ook niet achterhaald. Dus ook in onze eigen cultuur is er vaak geen sprake van vooruitgang. En dus ook is de vergelijking met andere culturen ook niet zo simpel.

Maar in een rechtscultuur is wel sprake van vooruitgang als bijvoorbeeld de rechten van minderheden beter worden gewaarborgd. Dus daar kan je wel spreken van beter en minder goed. Het gaat dus om een domein van de cultuur. De zin dat de Westerse cultuur in algemene zin superieur is, is een onverdraaglijke zin.

Ik wijs Scheffer erop dat hij zich verzet tegen het bouwen van traditionele moskeeën in Nederland. Hij pareert: ik ben voor echte integratie. Ik ben dus voor een compromis. Geen traditionele moskeeën op een industrieterrein, maar wel moskeeën echt in de stad, maar dan ook passend in de omgeving. Geen Efteling in de eigen wijk. Maar wel in de eigen wijk. We moeten het idee doorleven dat de islam hier vroeg of laat een autochtone godsdienst wordt.

Het conflict is een stap in de goede richting

Ik houdt Scheffer voor dat hij eigenlijk heel optimistisch is. Na het conflict komt de accommodatie. Scheffer: het conflict hoeft niet gemakkelijk te zijn. Maar als het geweldloos is, is het al een teken van integratie. Mensen bemoeien zich met elkaar. Vragen zich af: hoe moeten we hier samenleven. Maar er is ook dreiging met geweld als een belangrijke schaduw over het debat. Bovendien dreigen buitenlandse conflicten binnenlandse conflicten te worden. Zeg: Gülen. Als het Midden-Oosten ontploft, houd ik mijn hart vast voor het Nederlandse integratiedebat.

De PVV zie ik, zolang het debat geweldloos blijft, als een onderdeel van de normale cyclus. Wilders heeft met zijn politiek voor iedereen duidelijk gemaakt dat de islam onderdeel is van de Nederlandse samenleving. Paradoxaal effect. Achter elk probleem ziet hij een een moslim. Hij spreekt er zoveel over dat het niemand meer kan ontgaan dat de islam een gevestigd onderdeel van Nederland is geworden. In dat conflict dat Wilders creëert, zie je dat anderen zich gaan organiseren. Over DENK ben ik dan ook best positief, afgezien van hun eigen tegenstrijdigheden. Maar het is goed dat migranten hun plaats opeisen. Waarom vergadert de Kamer niet met Kerstmis, maar wel met Suikerfeest? Het debat over Zwarte Piet gaat ook over toe-eigening. De migranten eigenen zich de samenleving toe. Maar daardoor worden ze ook zelf toe-geëigend door die samenleving. De essentie van de discussie over Zwarte Piet is dat een deel van de Surinamers zegt: dat is ook ons feest. Wij willen dat feest ook voeren, zonder ons ongemakkelijk te voeren. Die roetveeg-Piet: aan beide kanten een verlies, maar er ontstaat wel iets nieuws uit. Tradities worden altijd opnieuw uitgevonden. Over tien jaar verdedigen we met hartstocht onze roet-Piet. Kerstmis hoort bij ons land, maar dan komt ook de vraag van 800.000 moslims: hoe zit het dan met het Suikerfeest? Daar kunnen we toch rustig over nadenken. Maar dat is anders als het gaat over genitale verminking onder het argument dat het hun cultuur is. Dat laatste zal wel waar zijn, maar niet alle cultuur is waardevol.

Op zoek naar nieuwe tradities op basis van gelijkwaardigheid

Zo laat Scheffer prachtig zien dat je op het punt van de rechtscultuur vast moet houden aan je normen, maar dat je op veel andere punten kan werken aan nieuwe tradities, door een compromis te vinden. Hij vindt het ook zo teleurstellend dat Rutte op dit punt niet meer leiding geeft. Dat hij niet verder komt dat: Zwarte Piet is zwart anders zouden we hem niet zwart noemen. Scheffer wil dus niet wegkijken, hij wil niet twee dingen naast elkaar laten bestaan. Maar wil ook echt iets van beide kanten vragen. Scheffer: dat is het principe van de gelijke behandeling. Dat is ons ideaal. Maar dat ideaal staat overeind. En dat moeten we niet onderuit laten halen. Gelijke behandeling betekent dat iedereen mag zeggen wat hij wil. Je mag ook zeggen dat homoseksualiteit pervers is. Ik zou niet graag leven in een samenleving waarin het verboden zou zijn om allerlei dingen te zeggen. Maar gelijke behandeling gaat verder. Het gaat om gelijkwaardigheid. Homoseksualiteit behandelen we als gelijkwaardig.

We leven in een open samenleving. Voor mij is dat de kern. Met de hoge norm van wederkerigheid. En het houden aan de rechtsregels in een samenleving is heel belangrijk, maar het gaat hier om veel meer. Er zijn ook heel veel zaken wezenlijk voor een samenleving, waartoe je mensen niet juridisch kan verplichten. Daarom is een open samenleving ook zo kwetsbaar. Je kan het niet allemaal via het recht afdwingen. Het gaat om vrijwillige instemming.

Gelijkwaardigheid vraagt wederkerigheid

Om welke hoge normen gaat het, op basis waarvan je het debat moet voeren? De norm van gelijkwaardigheid stelt hoge eisen. Daarmee is het liberalisme niet neutraal. De norm van gelijkwaardigheid is niet neutraal. En vraagt ook veel. Ook in onze geschiedenis zijn vrouwen en mannen nog maar kort gelijkwaardig. Het is dus een hele hoge norm. Het gaat om meer dan de wet. Maar dat je elkaar in de geleefde werkelijkheid tegemoet treedt met wederzijds respect.

Maar ik ga niet iemand respecteren die mij niet respecteert. Ik wil de rechten van de moslims hier in dit land verdedigen, maar er moet wel wat terugkomen. Moslims moeten ook gevoel voor verantwoordelijkheid tonen voor het grotere geheel. En voor de rechten van mensen met wie je het fundamenteel niet eens bent. Ook orthodox-gelovigen hebben recht op duurzaam respect, als zij ook hetzelfde respect kunnen opbrengen voor ongelovigen.

Het laatste hoofdstuk van mijn boek ‘Het land van aankomst’ heet ook de grondwet van gelijkwaardigheid. Maar daar zijn we nog lang niet. Een meerderheid van de Nederlandse bevolking meent nog dat de islam niet past bij onze democratie. En een substantiële minderheid van de moslims zegt nog dat de democratie niet past bij hun geloof. Veel moslims vinden onze leefwijze maar decadent en willen hun kinderen daarvan afschermen. Maar ja, de zwartekousenkerk is ook geen vooruitgang. Ik heb nooit begrepen dat mensen uit links-liberale kring de Nederlandse zwartekousenkerk afwijzen, en die nieuwe zwartekousenkerk van de islam, omdat die van ver komt, omarmen. Een zwarte kous is een zwarte kous. Ik zie hoe Jeruzalem verandert, nu een kwart van de stad wordt bewoond door orthodoxe joden. De hele sfeer van de stad verandert omdat de orthodoxen het principe van wederkerigheid afwijzen, ze eisen een recht op waarheid op dat ze aan niemand anders gunnen. In een open samenleving weten mensen hun eigen waarheidsmonopolie te relativeren. Pluralisme is dus geen vlak begrip, je moet het steeds onderhouden.

Normatief appèl

Ik zal dus ook nooit zeggen dat onze cultuur het beste is. Cultuur ontwikkelt zich in zelfonderzoek. Ik vind wel onze rechtscultuur het beste. Ik vind onze politieke cultuur, de westerse democratie het beste. De democratie biedt de beste mogelijkheden aan mensen om verschillend te kunnen leven. Onze geschiedenis is toch ook niet alleen maar om trots op te zijn. Hoe kan het Westen de geboortegrond van de mensenrechten zijn geweest en er tegelijkertijd zo’n inbreuk op hebben gemaakt?

We praten verder over het toepassen van hoge normen op concrete situaties. Dat Job Cohen het ooit eerst goedkeurde dat agenten niet de hand van een vrouw wilden schudden. En later terecht terugkwam op dit toegeeflijke standpunt. De politie belichaamt een hogere norm van de rechtsstaat. Als je iedereen de hand schudt is dat een symbool van gelijkwaardigheid. Het kan niet zo zijn dat je bepaalde mensen, namelijk vrouwen, geen hand schudt. Die norm moet je aan mensen voorhouden. Het gaat om een normatief appèl, wat je juist niet in de wet kan vastleggen. Ook is een hoofddoek bij de politie niet juist. Het gaat niet alleen om een uniform, maar het gaat om uniformiteit. Je wilt neutraliteit bij de politie. En dus geen symbool van geloofsovertuiging.

Ik vind dat debat wel een enorme verrijking. Je wordt gedwongen op zoek te gaan naar de onderliggende gedachten van een rechtscultuur. Waarom mogen meisjes van 14 jaar niet trouwen. Door het culturele debat wordt je zo uitgedaagd om de onderliggende gedachten van de rechtscultuur te expliciteren. Het heet niet voor niets rechtscultuur, het gaat om de onderliggende normen van het recht.

De Nederlander bestaat wel

Ik hou Paul Scheffer voor dat hij in zijn befaamde tekst schreef dat we op zoek moeten naar nieuwe woorden voor ‘wij’. Scheffer noemt zijn kritiek op de uitspraak van Maxima dat ‘de’ Nederlander niet zou bestaan. Nou die bestaat wel! Dat is de kern van onze rechtsstatelijkheid. Van ons burgerschap. Dan zou je ook niet meer kunnen zeggen: “Wij hebben gefaald in Srebrenica.” We moeten ons plaatsvervangend kunnen schamen, plaatsvervangend verantwoordelijk voelen. We moeten trots kunnen zijn, op de Deltawerken, mooie literatuur, mooie gebouwen. Het multiculturalisme wilde ons ‘wij’ afschaffen. We zijn allemaal verschillend. Hoezo: ‘we’? Dat deed Maxima. Die creëerde een vacuüm.

Het is heel goed als een Turk, of als Aboutaleb zegt: Wij, Nederlanders. Hij eigent zich iets toe en hij wordt meteen toe-geëigend. Op die manier moeten we een nieuwe betekenis gaan geven aan het ‘wij’. Het ‘wij’ is niet meer een blanke, witte Nederlander. Het is rampzalig voor een democratie als mensen niet meer ‘wij’ kunnen zeggen. We zijn onderdeel van iets groters, van een geschiedenis, van een taalgemeenschap. We brengen hier samen een samenleving tot stand. In dat woord ‘wij’ zit de essentie van de democratische verantwoordelijkheid voor iets wat groter is dan jezelf. Collectieve verantwoordelijkheid. Dat is iets anders dan collectieve schuld. Zie het debat in het naoorlogse Duitsland.

Daarom was ik zo boos op Maxima. Het was zo in de kern falen. Als je tegenover de PPV, die zegt: “dit zijn wij’, niet zegt: “Er is een ander wij”, maar zegt: “Dat ‘wij’ bestaat niet meer”.

Migranten moeten zich de samenleving toe-eigenen

We sluiten af. Terug naar het multiculturele drama. Ik heb het nog weer eens gelezen onlangs. Het lijkt alsof er niets is veranderd. Het is nog steeds ontzettend actueel. Ik vraag Scheffer of hij het nu anders zou schrijven: Natuurlijk, omdat ik zelf 17 jaar heb geleerd. Vergeet niet: toen hadden we het er niet over. Dat kan je nu niet meer zeggen! Er is heel veel gebeurd. Vergeet ook niet dat we in 2000 bijna geen journalisten hadden met een andere migratie-achtergrond. Er is enorm veel veranderd in het publieke leven in Nederland. Wilders heeft één angst: dat de migranten zich te veel met de samenleving bemoeien. Ik heb één angst: dat de migranten zich te weinig met de samenleving bemoeien. Een groter verschil kan je niet hebben.

10 januari 2017

Engbersen: er is eerder minder dan meer discriminatie

december 1, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

Interview met Godfried Engbersen

Godfried Engbersen is hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Bovendien is hij lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Het zij gezegd: we kennen elkaar al jaren. Collega’s in Leiden, collega’s in Rotterdam en als lid van de WRR ben ik hem voorgegaan. Het kleurt het gesprek. Het geeft me ook de ruimte om het tegengeluid te laten horen. Engbersen is zeer deskundig op een gebied dat voor veel maatschappelijke onrust zorgt: migranten. Om zijn weloverwogen mening scherper te krijgen is het zinvol en aangenaam om het populistische tegengeluid te laten horen.

Allochtonen bestaan niet meer, maar de ellende blijft

Ik start met de opmerking, dat ik graag iets zou willen vragen over allochtonen. Maar mag dat nog wel? De WRR en het CBS willen beide het woord voortaan vermijden. Het gesprek staat meteen op scherp. Engbersen vertelt over zijn Verkenning over migratie en identificatie, een heel groot project van de WRR. Verre voorgangers bij de WRR hebben in 1989 het begrip allochtoon bepleit, want etnische minderheid was discriminerend. Maar het begrip allochtoon is technisch niet correct: van andere bodem. Maar tweede generatie allochtonen noemen we ook allochtonen. Als één ouder in een ander land is geboren ben je al allochtoon. Maar het is ook een scheldwoord geworden. Mensen hebben er last van. En vooral de tweede generatie die het goed doet, vindt het vervelend. “We doen het goed en dan worden we toch weggezet als allochtoon”. Je hebt dus behoefte aan een begrip dat niet discrimineert. We zeggen nu: personen met een migratie-achtergrond. Maar de definitie is gelijk gebleven: minimaal één ouder die geboren is in het buitenland.

Daarnaast voldoet het onderscheid tussen westers en niet-westers niet meer. Te willekeurig. Japan en Indonesië zijn westers, Suriname en de Antillen niet-westers. Ik vraag hoe het verbod op het begrip ‘allochtoon’ is gevallen. Engbersen was verbaasd over de enorme belangstelling voor het rapport. Maar het was wel oppervlakkige aandacht. Veel journalisten hadden het rapport niet goed gelezen. De WRR zegt: gebruik een clustering, naar gelang je probleem. Maar veel mensen hebben gezegd: de WRR verandert de vlag, maar de ellende blijft hetzelfde. Dat is het verdoezelen van problemen. Maar dat is incorrect. Bovendien nemen al veel mensen het begrip over. Voor Engbersen blijft de cruciale vraag of we in de statistieken van de overheid de tweede-generatie-migranten niet gewoon moeten rekenen tot personen met een Nederlandse achtergrond. Ze zijn hier immers geboren.

Enorme diversiteit aan migranten

Of je nu allochtoon zegt of migrant, achter beide begrippen gaat een enorme diversiteit schuil. Van de Nederlandse bevolking is nu 22% persoon met een migratieachtergrond. In de grote steden is dat 50%. Den Haag al 51%, Amsterdam 50 en Rotterdam er net onder. De samenstelling was vroeger overzichtelijk. Eerst kwamen de mensen uit de koloniën. Daarna de gastarbeiders. Toen de vluchtelingen. Maar nu komen ze uit alle hoeken en gaten van de wereld. Meer dan 200 nationaliteiten in Nederland. Amsterdam en Rotterdam hebben meer dan 175 nationaliteiten. Ze komen als vluchteling, als expat, als student, als familiemigrant, als arbeidsmigrant. Tegenwoordig kennen we ook al klimaatmigranten. Familiemigrant was lange tijd de grootste groep. Nu zijn dat de arbeidsmigranten. Met name door de uitbreiding van de EU. De Polen zijn de grootste groep arbeidsmigranten momenteel. Overigens vormden de 50.000 vluchtelingen vorig jaar de grootste groep.

Ik probeer de zorgvuldig formulerende Engbersen nog eens uit de tent te lokken en zeg dat al die vluchtelingen toch ook arbeidsmigranten zijn. Engbersen geeft voorzichtig toe: “Deels wel. Het beleid kent hokjes. Je bent student, familiemigrant, arbeidsmigrant of vluchteling. Maar soms zijn de scheidslijnen heel onduidelijk”. Dan weer scherp: “Maar al die Syrische vluchtelingen hebben echt te maken met de oorlog in Syrië. Ook veel anderen vluchten voor oorlogen. Niettemin, mensen die vluchten hebben vaak het geld om dat te doen. En ze zoeken een betere toekomst. Ook achter vluchtelingen gaat een grote diversiteit schuil. Onderzoek in Duitsland toont aan dat eenderde laagopgeleid is, eenderde is middelbaar opgeleid en eenderde hoogopgeleid. Je hebt dus differentiatie naar herkomst (regio), differentiatie naar motieven, en differentiatie naar opleiding.”

Ook de maatschappelijke positie van de migranten is heel verschillend. Volgens Engbersen kijken we te veel naar enkele specifieke groepen: naar Turken, Marokkanen, Antillianen, Surinamers en vluchtelingen. En nu naar Polen. En inderdaad komen Marokkanen en Antillianen en een deel van de Turken moeilijk aan het werk. De werkloosheid onder deze groepen is soms 2, 3, 4 keer hoger dan onder autochtonen. Bij arbeidsmigranten zie je juist een hele lage werkloosheid. Bij vluchtelingen is het treurig gesteld. Van de Syriërs die het afgelopen jaar zijn binnengekomen zit driekwart in de bijstand. Maar vergeet niet dat veel migranten gewoon kenniswerkers zijn uit Amerika, Engeland, Duitsland, China en India. Dat zijn vaak hoger geschoolden.

Ik vraag Engbersen waarom de Nederlandse allochtonen het slechter doen dan de Spaanse? Engbersen wijst er op dat in Nederland het probleem zit bij specifieke groepen, waaronder Marokkanen, Antillianen en vluchtelingen. Hoewel de tweede generatie een veel rooskleuriger beeld laat zien. Spanje heeft weinig vluchtelingen. In Spanje heb je veel migranten die tijdelijk werken in de landbouw. En er is een politiek van circulaire migratie. Dat mensen terug gaan. In Nederland zijn we wel selectiever geworden en daardoor is het verbeterd. Er zijn nog twee probleemgroepen: de tweede generatie gastarbeiders en de vluchtelingen.

In het Westland dreigt een tekort aan migranten

Verdringen migranten banen van boze witte mannen, van autochtone Nederlanders? Engbersen: lees het interessante rapport van de SER, van een paar jaar geleden. Allochtonen hebben geen neerwaartse invloed op de lonen en ze verdringen geen banen. Ik antwoord meteen cynisch: en het transport dan? Die heeft de SER zeker allemaal politiek correct weggeveegd in de statistieken. Engbersen ontkent niet: Dat is juist. De grote statistieken laten zien dat migratie een toegevoegde waarde heeft voor de economie. Twee negatieve effecten: in bepaalde sectoren is er verdringing. Bouw en transport. En als nieuwe migranten concurreren, dan concurreren ze met oudere migrantengroepen. Vergeet niet dat het Westland voor bijna 100% draait op werknemers uit Polen. Een van de belangrijkste exportsectoren. Nu hebben ze daar problemen omdat de Polen niet meer zo graag komen, omdat het beter gaat in Polen zelf. En Duitsland heeft zijn arbeidsmarkt nu volledig opengesteld voor Polen. Waar moet het Westland ze hun arbeiders vandaan halen? We halen ze niet uit het granieten bestand van de bijstand.

Statistisch gecontroleerde vluchteling steelt alleen maar shampoo

Is de criminaliteit hoger onder migranten? Engbersen: ik durf het bijna niet te zeggen, maar de subtitel van onze studie luidt: ‘Naar een meervoudig migratie-idioom’. Want sommige groepen migranten zitten ver onder het Nederlands gemiddeld qua criminaliteit. Dan hebben we het overigens over cijfers van de geregistreerde criminaliteit door de Nederlandse politie. Die cijfers gaan over personen tegen wie als verdachte van het plegen van een misdrijf een proces verbaal is opgemaakt. Ik werp tegen: “Is dat niet weer zo’n politiek correcte reactie op Wilders?”. Engbersen: Ja, bepaalde subgroepen zijn inderdaad sterk vertegenwoordigd in de criminaliteitsstatistieken, in het bijzonder Marokkanen en Antillianen. In 2015 is rond de 5% van beide groepen verdacht van een misdrijf tegenover 1% van de Nederlanders. Onder de vluchtelingen komt ongeveer drie keer zoveel criminaliteit voor dan onder autochtone Nederlanders. Maar als je statistisch controleert, het zijn heel veel jonge, alleenstaande mannen, dan zijn ze juist minder crimineel. Ik werp weer tegen: maar als je Keulen woont maakt dat geen flikker uit, al die regressie-analyses van jullie. Nog steeds zijn ze 2 tot 3 maal crimineel. Engbersen: ja, maar je moet wel kijken naar het soort criminaliteit. Geen moord- en doodslag of drugs- en wapendelicten. Ik mompel: verkrachtingen. Engbersen: nee, het zijn vooral eenvoudige winkeldiefstallen. En geweld jegens elkaar. Je moet het wel in juiste perspectief zien. Je moet groepen eerlijk met elkaar vergelijken. Maar voor een burgemeester bestaat de statistisch gecorrigeerde vluchteling niet. Jouw vraag is in dat opzicht helemaal terecht. Een burgemeester kan te maken krijgen met onge Syriërs. Je moet er voor zorgen dat je ze niet allemaal bij elkaar huisvest. Hij moet ze spreiden. Geen 200 voetbalhooligans bij elkaar zetten. Ook geen 200 jonge Syriërs.

Engbersen: Wat interessant is: als je controleert naar leeftijd, geslacht en werk bij Marokannen en Antillianen, dan blijven ze bovengemiddeld vaak verdacht van een misdrijf. Daar speelt een culturele factor een rol. In het beleid moeten we dan rekenschap geven van culturele verschillen. Bij Antillianen vaak afwezige vaders, weinig sociale controle. Ze komen uit de volksbuurten. Bij Marokkanen hebben ouders uit de eerste generatie slecht toezicht op hun kinderen. Bij Turken gaat dat veel beter. Bij vluchtelingen is er geen culturele verklaring, volgens onze analyse. Het interessante van Marokkanen: na hun 20ste neemt het heel snel af. Dan settelen ze zich. Bij Antillianen blijft het, die hoge criminaliteit. Zij vormen een uitzondering.

Verliesgevoelens

Van der Laan wilde ooit geen maatschappelijke-kosten-baten-analyse doen naar migratie op verzoek van Wilders. Sadik Harchaoui van Forum gaf toen een opdracht aan Peter Nijkamp van de VU om het wel te doen. Van dat onderzoek hebben we nooit meer iets gehoord, naar verluid omdat de uitkomsten Harchaoui tegenvielen. Engbersen: Peter Nijkamp is de hoogleraar die het sterkst naar voren brengt dat diversiteit goed is voor de economie. Steden die divers zijn, met diverse migratie-achtergronden hebben meer ondernemerschap, meer economische groei volgens hem. Maar Nijkamp heeft zich vooral gebaseerd op een analyse van bestaand internationaal onderzoek. Maar de WRR gaat die vraag nu specifiek voor Nederland proberen te beantwoorden. We hebben twee grote vragen. Eén: valt de samenleving niet uit elkaar met steeds grotere diversiteit? We hebben – vooral in de Randstad – geen homogene wijken meer. Twee: wat levert het economisch op? Moeilijk onderzoek. Bijvoorbeeld bij die eerste vraag: hoe meet je sociale samenhang? We kiezen voor drie indicatoren. Ten eerste: gaat het sociale kapitaal niet kapot door de diversiteit: hoe verhouden mensen zich tot elkaar? Helpen ze elkaar? We zien dat als er meer diversiteit is, dat dan het samenleven problematischer wordt. Gevoelens van onbehagen ontstaan in directe leefomgeving. Ten tweede: leidt diversiteit tot verliesgevoelens bij gevestigde bevolking? Verliesgevoelens zijn een heel reëel vraagstuk. Ook bij middelopgeleiden en hoogopgeleiden. Ze hebben het gevoel de grip op hun bestaan kwijt te raken. Ten derde: de criminaliteit. Voelen mensen zich minder veilig? Wordt er meer gestolen in de wijk?

Ik maak een grote stap. Als de WRR verliesgevoelens een indicator noemt voor afnemende sociale cohesie zou een overwinning van Wilders bij de verkiezingen een indicatie zijn voor het uiteenvallen van de samenleving? Zover wil Engbersen niet gaan. Hij verwijst naar Van de politicoloog Gunsteren. Die zei ooit dat strijd – waaronder politieke strijd – niet altijd een indicatie voor afnemende sociale cohesie hoeft te zijn. Hangt ervan af hoe we met het conflict omgaan. Maar natuurlijk Wilders mobiliseert de verliesgevoelens en waarom zou dat niet mogen? Tegelijkertijd nemen veel partijen een deel van de agenda van Wilders over. Niet alleen nieuwe partijen, maar ook CDA, PvdA en VVD. Á la van Gunsteren: we zien wel strijd, maar we zijn nog steeds in staat om elkaar te debatteren.. Dat duidt op sociale cohesie.

Binding van Turkse jongeren met Erdogan is curieus

Hoe staat het met de binding van de allochtonen met moederland? Zijn Turken meer verbonden met Turkije dan met Nederland? Zie de beelden in Rotterdam na de staatsgreep tegen Erdogan. Engbersen: veel Turken zijn geïntegreerd in Nederland en voelen daarnaast loyaliteit voor het land van herkomst. Al moeten we toegeven dat dat ‘geïntegreerd zijn’, ook kan betekenen dat ze vooral onder elkaar wonen en leven. Toch bestaat er in het algemeen geen relatie tussen mate van integratie en mate van binding met het land van herkomst. En onder integratie verstaat Engbersen: met een normale baan meedoen in de samenleving. Sommige migranten zijn helemaal geïntegreerd en blijven geld sturen naar het land van herkomst en Somaliërs die in de bijstand zitten sturen ook nog steeds geld. Dat is het algemene beeld. Maar wat er met sommige Turkse jongeren gebeurt, daar wordt Engbersen niet blij van. Ze zijn hier opgegroeid. En dan die sterke identificatie met Erdogan. Engbersen begrijpt wel een zekere loyaliteit. Dat de staatsgreep daar hier emoties opwekt. Maar wat je zag, was ook een illustratie van problematische integratie van jongeren hier. “Het is curieus dat ze meer binding lijken te hebben met Erdogan dan met de Nederlandse samenleving”.

Hoeveel migranten zijn moslim? Engbersen: ik zou het niet kunnen zeggen. We hebben geen volkstelling meer. We weten wel dat een deel van de migranten uit moslimlanden komen. Maar het kunnen ook Christenen zijn uit Syrië. Dat weten we allemaal niet.

Wat weten we van radicalisering? Engbersen: wat is radicalisering? Ja. Jihadstrijder worden. Dat zeker. Maar als je meer fundamentalistisch wordt ten aanzien van religie, dat je op andere politieke partijen stemt? Maar er zijn in NL geen signalen van grote vormen van radicalisering. Indicaties van plukjes. Iets meer dan 200 naar Syrië afgereisd. Het kan een topje van de ijsberg zijn, maar dat weten we niet.

Wat zijn de oorzaken van die radicalisering? Speelt het Mattheus effect hier een rol? Engbersen: een cocktail. Er is een sociaal-economische voedingsbodem: groepen voelen zich gemarginaliseerd. Ze kunnen niet meekomen. Ze voelen zich gediscrimineerd. Maar ook middengroepen en hogere inkomens kunnen radicaliseren. Er is ook een sociaal-culturele voedingsbodem. Het gevoel: ik word niet erkend. Onvrede met de samenleving. Het idee dat geloof hun bescherming biedt. Er is geen sprake van een Mattheus effect. Het zijn namelijk ook hoogopgeleiden die radicaliseren. Het is een emotioneel en een sociaal-economisch vraagstuk dat niet alleen verbonden is met de eigen positie en die van de eigen migrantengroep, maar ook met geo-politieke machtsverhoudingen in de wijdere wereld.

Hoeveel migranten kan de samenleving aan

Ik durf die grote vraag toch maar te stellen: hoeveel migranten kan de Nederlandse samenleving eigenlijk aan? Waar ligt voor jou de grens? Of is er geen grens? Engbersen: ten eerste hangt erg van de toerusting van de mensen die hiernaar toe komen. Dat 50% van de inwoners van de grote steden een migratieachtergrond heeft, is niet het probleem. Het wordt pas een probleem als migrantengroepen zich niet kunnen redden en geen bijdrage kunnen leveren aan de Nederlandse samenleving. Denk aan de de grote bijstandsafhankelijkheid van Marokkanen en Antillianen en aan Somaliërs en Syriërs in de bijstand. Maar het merendeel van de migrantengroepen levert geen integratieproblemen op. In 2015 bestond de top tien van de migrantengroepen naast Syriërs, uit personen uit Polen, Duitsland, de voormalige Sovjet Unie, India, China, Engeland, de VS, Italië en Bulgarije. Ten tweede hangt het af van de economische absorptiecapaciteit: hoeveel banen hebben we te bieden?. Engbersen wijst er nog eens op dat we een intelligent selectief migratiebeleid nodig hebben. En dat is er in Nederland. Arbeidsmigranten van buiten de EU kunnen hier alleen komen als ze bepaalde skills hebben en als er een baan voor ze is. Internationale studenten mogen hier naar toe als ze worden toegelaten op de universiteit. Familiemigranten moeten een inburgeringstoets doen in het buitenland. Je mag en kan alleen niet selecteren op vluchtelingen. Daarom is het belangrijk om hen zo snel mogelijk te integreren. . Er ontstaat een grens als er in Nederland onvoldoende werk is voor migranten en als te veel migranten de juiste toerusting ontberen om in de Nederlandse samenleving te participeren.

Migranten worden steeds vaker passanten

Vaak wordt bij dit onderwerp de dynamiek vergeten. Ten eerste: hoe groot is de retourmigratie. Engbersen: binnen EU bestaat grote mobiliteit. Ik vermoed dat minimaal de helft van de Polen zal teruggaan. Zoals we in het verleden hebben gezien met Spanjaarden, Italianen en Grieken. Van de vluchtelingen gaat een derde weer door naar een ander Europees land of ze gaan weer terug. Expats gaan na 3 tot 5 jaar weer weg. Veel studenten gaan weer weg. Dat is heel ingewikkeld voor steden en voor integratiebeleid. Inburgering is niet voor iedereen de oplossing. Steden hebben in toenemende mate te maken met passanten. Tijdelijke huisvesting, tijdelijk onderwijs. Short stay voorzieningen. Zij-instroom in onderwijs.

Elke wereldstad heeft zijn arrival neigbourhoods

Ook binnen de steden bestaat veel dynamiek. Steden zijn vaak arrival cities. Men komt aan, krijgt een baan, een opleiding en zo fungeert de stad als roltrap. Bij hoeveel migranten lukt dat inderdaad? Engbersen: Al die hoeveel-vragen! Tjonge, tjonge, dat weten we niet precies. We weten wel dat het werkt. Maar ik kan geen cijfers noemen. In Rotterdam-Zuid werkt de roltrap overigens niet voor voor iedereen. Denk aan de problematische positie van de eerste generatie Surinamers en Turken. Maar wel voor de MOE-landers! Polen komen daar aan, en gaan of in Polen investeren in nieuw huis of ze gaan elders in Rotterdam een huis kopen. Liefst in een betere buurt. In hun ogen is verbetering: de buurt uitgaan! Maar het gaat moeizaam met de traditionele groepen. Hoewel, de grote hbo-instellingen in de buurt van Zuid zijn volstrekt multicultureel.Sociale stijging zie je bij Polen al in de eerste generatie, bij andere groepen in de tweede en de derde generatie. Onderwijsniveau van migranten op Zuid ligt hoger dan bij de autochtone bevolking.

Ja de stad is emancipatiemachine én de stad is toevluchtsoord van marginale groepen. Die arrival neighbourhoods hebben de functie van springplank én zijn de verzamelplek van kwetsbare groepen. Dat maakt zo’n wijk zo ingewikkeld. Elke serieuze wereldstad heeft dit soort arrival neigbourhoods nodig. Terwijl de overheid altijd bezig is om die instroom te verbeteren. De Nationale overheid heeft een selectief migratiebeleid, Rotterdam heeft zijn Rotterdamwet. In Amerika ligt het extremer. Met veel illegalen. Die hebben we hier ook, maar die krijgen hier veel minder ruimte dan in Amerika. In Amerika heb je illegalen als heel geslaagde ondernemers. Dat is hier onmogelijk.

Maar wat Marco Pastors wil, Zuid op het gemiddelde niveau van de stad als geheel brengen, dat lijkt mij een brug te ver. Wat hij heel goed doet, is dat hij heel zwaar inzet op onderwijs en op de verbinding onderwijs-arbeidsmarkt. Dat is de kern van het beleid. Niet van die kleine welzijnsprojectjes in de buurt. Maar de woningvoorraad mag ook niet te eenzijdig zijn. Voor de kwaliteit van leven. Is ook voor scholen goed. Dat er ook kinderen in de klas zitten van wie de ouders wel werken. Dat is het grote voordeel van de Polen die op Zuid erbij zijn gekomen. Onderwijs, arbeid en huisvesting is de heilige drie-eenheid. En ik weet dat het veranderen van de woningvoorraad heel ingewikkeld is.

Ik ben verbaasd dat Engbersen in het ‘buurteffect’ gelooft. Dat de samenstelling van de buurt je eigen kans op werk en op vooruitgang bepaalt. Engbersen is voorzichtig. Hij gelooft er “een beetje” in. “Ja, die geografen zeggen altijd dat buurteffecten niet bestaan”. Het gaat om een compositie-effect: de samenstelling van de bevolking is belangrijk. Zie het laatste boek van Putnam. Klassen met kinderen uit gezinnen met een verschillende sociaal-economische status zijn goed voor kinderen van lage inkomensgroepen.

Er is eerder minder dan meer discriminatie

We praten over het veranderen van het discours. In de jaren 90 stond het debat nog in het teken van multiculturaliteit. Tegenwoordig moet iedereen een bijdrage leveren aan de samenleving en heeft iedereen zich te houden aan de principes van onze democratische rechtstaat. En we eisen tolerantie. Dat duidt niet meer op gelijkwaardigheid van culturen. Deze principes belichamen nu eenmaal vooral onze cultuur. Misschien is de vraag te groot: is huidige racisme een gevolg van te vriendelijke houding in de jaren 90? Engbersen: ik weet het niet, eerlijk gezegd. Oude sociologische wet: migranten moeten altijd een plek veroveren. Gevestigden hebben altijd moeite met nieuwkomers. Discriminatie hoort daarbij. Harde varianten en impliciete varianten. Ik denk niet dat discriminatie is toegenomen, misschien wel afgenomen. Alleen degenen die onderwerp zijn van discriminatie zijn er gevoeliger voor geworden. Eerste generatie durfde er vaak nog niet tegen in te gaan. De tweede generatie, hoogopgeleid, die protesteert. Er is een veel grotere gevoeligheid voor discriminatie.

Opnamecapaciteit van Nederland kent grenzen

Tot slot, De WRR bracht vorig jaar een policy brief uit. Met als boodschap: laat asielzoekers eerder participeren, anders komen ze er nooit meer tussen. Ik vraag Engbersen of dat niet een beetje te politiek correct was? Het advies kwam uit toen vele vluchtelingen het land binnenstroomden. De WRR had ook kunnen zeggen: waarom worden statushouders voorgetrokken bij sociale huurwoningen en waarom mogen asielzoekers met een uitkering een baan weigeren? Het maatschappelijke gevoel was: toch die mensen pikken onze dingen in, kan het niet wat minder? Je had zelfs kunnen zeggen dat er minder vluchtelingen moeten worden toegelaten. Maar de WRR bepleitte slechts een snellere integratie. Er ontstaat een mooi debat. Engbersen fel: we waren helemaal niet braaf. De kracht van het rapport was dat we terugkeken naar de jaren 90. Toen kwamen er ook zoveel vluchtelingen. De integratie is toen bedroevend geweest. Veel werkloosheid onder vluchtelingen. Ik interrumpeer: dat is toch een extra argument om te zeggen: ga de grens sluiten? Engbersen: ja, nee, ja. Alle aandacht ging toen uit, net als nu, naar de eerste opvang van asielmigranten. Er was te weinig nagedacht over integratie. Dat dreigde ook nu te gebeuren. Wat wij dus zeiden was dus niet politiek correct! We hielden de spiegel voor van het verleden. En dat die centrale opvang opnieuw veel te lang dreigde te duren. Meer dan een jaar wachten, dan uitgeplaatst naar een gemeente. Dan gingen ze daar nadenken over inburgering en daarna over een opleiding. En daarna over baan. Dat kon 4, 5 jaar duren.

Ik probeer het nog een keer: hebben jullie overwogen om te zeggen: uit het verleden blijkt dat we deze aantallen niet aan kunnen? Engbersen: dat hebben we nooit overwogen omdat dat niet het onderwerp was van de policy brief. Maar ik wil er wel iets over zeggen. Het ging in 2015 om ruim 50.000 asielmigranten op 17 miljoen mensen in Nederland. In Zweden nemen ze er veel meer op. Met veel minder inwoners. Maar ons centrale punt was: je kan het veel intelligenter doen, die opvang en de integratie. Probeer meteen werk te maken van integreren. Meteen verspreiden over plekken waar ze kunnen werken. Voordat je migratiebeslissing neemt, meteen kijken naar geschiktheid voor de arbeidsmarkt. Nee, al die andere vragen hebben we niet opgeworpen en beantwoord. Het ging er toen om dat mensen er al waren. En we wisten dat het merendeel een asielstatus zou krijgen. De vraag was: hoe ga je deze groepen integreren?

Ik blijf het proberen: waarom heb je niet aan de verliesgevoelens van de gevestigden gedacht? Engbersen: we zeggen ook dat anderen groepen dezelfde rechten moeten hebben. We zeggen dat er van alles moet worden gedaan aan nieuwe vormen van huisvesting om ervoor te zorgen dat asielmigranten geen exclusief beroep doen op de publieke huisvesting. En we zeggen ook dat veel maatregelen die worden bedacht voor asielmigranten (bijvoorbeeld rond arbeidsmarktoeleiding) ook beschikbaar zouden moeten zijn voor de gevestigde bevolking. Het belangrijkste: de vluchteling moet zo snel mogelijk zijn eigen broek kunnen ophouden.

Kijk er waren twee stromingen. Sommigen waren heel bang dat al die vluchtelingen vooral naar de bijstand zouden gaan. Anderen vonden het vooral zielig voor die mensen. Wij hebben in feite die impasse proberen te doorbreken. Niet zielig doen, gewoon aanpakken. Professionals voor het onderwijs. Meer geld voor gemeenten.. Er alles er aan doen dat vluchtelingen meteen aan het werk gaan. Het is gewoon heel hard werken.

En dan komt plotseling een antwoord op een eerdere vraag: “Als jij vraagt: zou de Nederlandse samenleving in staat zijn om tien jaar achter elkaar dit soort aantallen op te nemen, dan denk ik van niet.”
En we worden het een beetje eens: “Je hebt gelijk, dat in zo’n policy brief een aantal fundamentele vragen niet aan bod kunnen komen. Maar daar is zo’n brief ook niet voor bedoeld. In de Kamer liepen velen met een grote boog om de integratie heen. Het merendeel van de Kamervragen en Kamerdebatten gingen over de eerste opvang. Dat is begrijpelijk, gelet op de aantallen en de onrust in de samenleving. Wij hebben gezegd: denk ook aan de volgende stap. En dat is de integratie. Sluit daarvoor je ogen nou niet. Want het draagvlak van het vluchtelingenbeleid staat of valt met de mate waarin asielmigranten straks een bijdrage kunnen leveren aan de Nederlandse samenleving. Een vluchteling heeft vooral in dat eerste jaar een zetje nodig. Het is goed dat wij deze onafhankelijke positie hebben ingenomen en dit punt zijn blijven maken.

 

26 november 2016

Volgende pagina »