Haven-stad, een typisch Amsterdamse wijk

april 17, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad, Voorpagina

De delta, het water en de slappe bodem

Hoe behoud je de identiteit van Amsterdam in Haven-stad? Hoe voorkom je de zoveelste nieuwbouwwijk die toevallig aan het water ligt? Hoe voorkom je het kopieëren van andere grote steden? Dan zal je moeten formuleren wat de identiteit van Amsterdam is. En zal je moeten kijken hoe je die indentiteit vormgeeft in Haven-stad. Op een manier die past bij de huidige tijd. 

Als je 100 mensen zou vragen wat  ‘Amsterdam’ voor hen betekent, zal je veel verschillende antwoorden krijgen. Maar als je 100 mensen vraagt wat Amsterdam onderscheidt van München of Wenen of Parijs dan zal je veel meer consensus zien. Al bij eerste aanblik is Amsterdam een typische Nederlandse stad, die in veel opzichten meer op Dokkum lijkt dan op Berlijn. Dokkum heeft grachten, Berlijn niet.

De grachten zijn bepalend voor het aangezicht van Amsterdam. Maar het gaat om meer: het gaat om het bouwen in een venige delta. Amsterdam had grachten nodig om het overtollige water te kunnen afvoeren. En Amsterdam bouwde zijn Centraal Station op ‘aangeplempte’ grond. Maar Amsterdam is ook een lage stad omdat de venige grond (lange tijd) geen hogere gebouwen toeliet. En Amsterdam is een stad gebouwd van baksteen, omdat we in Nederland onze stenen noodgedwongen moeten bakken van rivierklei. Ga over de grens en je ziet geen grachten, je ziet hogere gebouwen (ook van oudere datum) en je ziet vooral geen roodbruine bakstenen. 

Egalitair en anti-autoritair

Daarmee is iets gezegd over de bouwkundige identiteit van de stad. Die identiteit verwijst sterk terug naar de delta, het water en de slappe bodem. Maar wonderwel paste die identiteit ook bij maatschappelijke identiteit van de stad. Amsterdam is een tamelijk egalitaire stad. Het is van oorsprong een hoofdstad zonder monarch, zonder vorsten. 

Overigens heeft heel Nederland het altijd moeilijk gehad met vorsten. We hebben nooit een eigen keizer gehad, we deden iets met stadhouders, die zich later koning mochten noemen. Ja keizers van buiten, die hadden we soms. Maar in de Tachtigjarige oorlog hebben we Philips II eruit gewerkt en daarna zijn de grafen en later de koningen vooral versiering geweest. De steden maakten in de Republiek van de Zeven Provinciën de dienst uit. In een ingewikkeld spel van geven en nemen. Het polderen zat al heel vroeg in ons DNA. 

Toen we na de Franse tijd toch een ‘koning’ kregen, was die wel zo slim om niet in de anti-autoritaire en anti-monarchale hoofdstad Amsterdam te gaan wonen. Bij elke kroning vraagt men zich ook af of dat ‘feest’ wel in Amsterdam moet plaatsvinden. Zo hartelijk was het huwelijk van Beatrix niet en velen herinneren zich haar inhuldiging in 1980. Als we ons ergens verzetten tegen een kolderiek koningshuis, is het wel in Amsterdam.

Dit gebrek aan een autoritair vorstenhuis zie je terug in de stad. Nederland is geen Frankrijk, Amsterdam is geen Parijs. Zo werd Amsterdam in haar historie slechts opgezadeld met één paleis, dat potsierlijke paleis op de Dam. Dat is potsierlijk omdat het helemaal niet past in deze stad. De stad kende altijd wel een elite, maar nooit een vorst. De elite praalde aan de grachten. Maar niemand stak er echt boven uit. 

En met het monarchale ontbreekt ook het gezagsgetrouwe. Je ziet het gewoon op straat. Nergens is de kans om door een fiets te worden overreden zo groot als in Amsterdam. We zijn allemaal koning op onze eigen fiets. In Den Haag zie je de dienstauto’s rondrijden, in Amsterdam zie ik nooit een dienstauto. In Den Haag blijven mensen staan kijken naar een dienstauto, kijken wie erin zit. Misschien is het wel Maxima! In Amsterdam wordt zelfs de parkeernorm voor gewone auto’s op 0,2 gezet. En nog liever op 0,1. Een auto vervuilt niet alleen, maar een auto is ook te autoritair om te worden geaccepteerd. Nee, het is de fietser die zich de koning waant, die de identiteit van Amsterdam het best belichaamt. Wij fietsen hier naar het werk. In Amsterdam zijn we egalitair, anti-autoritair en doen we bij voorkeur gewoon. 

Dorp

Arrogantie is alle hoofdsteden eigen. Zoals in alle landen de tweede steden zich beklagen over alle aandacht die naar de hoofdstad gaat. Arrogantie is ook Amsterdam zeker niet vreemd. In Nederland kan een boek verschijnen onder de titel ‘Van wie is de stad’ dat alleen over Amsterdam gaat. Zonder dat de auteur het merkt, en zonder dat de uitgever het merkt en zonder dat de Groene Amsterdammer die vele voorpublicaties heeft verzorgd, het heeft gemerkt. 

Die arrogantie gaat zover dat Amsterdam zich graag meet met andere ‘metropolen’. Daar is ook wel een zekere grond voor, maar qua inwonertal is Amsterdam natuurlijk maar een heel klein metropooltje. Eigenlijk is het een klein stadje, en misschien wel een groot dorp. Amsterdammers merken het zelf niet, maar ze spreken heel vaak in voornamen. En gaan ervan uit dat de anderen weten wie met elke voornaam wordt bedoeld. En iedereen kent elkaar ook! Dat kan, omdat die stad zo klein is en zo overzichtelijk is. Als de Bijlmer weer leefbaarder wordt, kent iedereen wel een vriend die er onlangs weer is gaan wonen. Als je een gastspreker nodig hebt, bel een Amsterdamse vriend en hij regelt er zo vijf. Natuurlijk ook deze stad kent vele lagen en vele scheidslijnen, maar dit dorpse, dit kleinsteedse valt niet te ontkennen. Bij dat kleinsteedse hoort heel veel interactie. Vroeger waren het de kroegen, tegenwoordig is het de latte macchiato. En we lopen er naartoe. Of we gaan  op de fiets. 

Nieuwe economie

De stedenbouwkundige identiteit van Amsterdam lijkt vooral een fysieke oorsprong te hebben: delta, water en slappe bodem. Maar die kleine en lage stad past ook heel goed bij het egalitaire, anti-autoritaire karakter van de stad. Nergens groots en alles onder handbereik. En wat nog aardiger is: juist dat karakter maakt Amsterdam zo geschikt voor de nieuwe creatieve economie, die vooral gebouwd wordt op face-to-face-contacten en op een ideaal woonklimaat. Waar zou je dat anders willen dan in Amsterdam? Prachtig wonen, kleine afstanden, veel cultuur en op elke hoek van de straat een latte macchiato. Veel publiek domein. Juist daarom past Amsterdam zo goed bij wat de huidige economie vraagt. Juist daarom groeit de Amsterdamse economie enorm en is er een groot gebrek aan huizen. En juist daarom moet Haven-stad worden ontwikkeld. 

Toch ontwikkelt elke stad zich op zijn eigen manier in een veranderende economie. Amsterdam heeft het economisch tij mee, maar dat betekent niet dat de economie de ontwikkeling van Amsterdam dicteert. Opvallend voor Amsterdam is dat de middenklasse zich niet geheel laat wegvagen. En dat gezinnen met kinderen ook gewoon in de stad blijven wonen (hoeveel er ook naar buiten de stad verhuizen). Dat is ook de identiteit van Amsterdam. Geen sterke segregatie zoals je die in andere grote steden ziet. Zie London. Amsterdam is geen stad met alleen maar appartementen voor alleen maar hoogopgeleiden in het centrum. Amsterdam kent geen wijken die alleen maar werkloos en arm zijn. En zwart. In het echte Amsterdam wordt niet of gewoond of gewerkt, maar wordt vooral geleefd. 

Nieuwbouw

Wat vraagt dit voor Haven-stad? Egalitair is belangrijk. Interactie is belangrijk, kleinschaligheid is belangrijk. Er is behoefte aan een interessant publiek domein waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Bereikbaarheid is belangrijk, om interactie mogelijk te maken. Menging van bevolkingsgroepen is belangrijk. 

Laten we eerst eens kijken in hoeverre eerdere plannen aan deze criteria voldeden. Het Oostelijk Havengebied zou men zeer ‘Amsterdams’ kunnen noemen, als ik de Piet Heinkade even buiten beschouwing laat. Er is een duidelijke relatie met het water, het is kleinschalig op enkele projecten na, er is een zekere menging van bevolkingsgroepen, maar het aantal interacties is niet op Amsterdams niveau. Dat laatste komt vooral omdat het toch te veel een woonwijk is geworden en te weinig een stadswijk met voldoende werkplekken, bijvoorbeeld voor nieuwe zzp-ers.

Voor IJburg geldt dit alles in veel sterkere mate. Er is wel knap geprobeerd een Amsterdamse wijk te bouwen, maar het is toch vooral een woonwijk waar men veel slaapt (alhoewel het woord Vinex ‘verboden’ is) en de verbindingen met de rest van de stad zijn onvoldoende om een volwaardig interactiemilieu te bereiken. 

Westerdoks is minder Amsterdams qua uitstraling, maar kent wel een enorme dichtheid. Tegelijkertijd lijkt het publieke domein daaronder te lijden. Er is weinig zichtbare interactie binnen Westerdoks. Westerdoks heeft wel het voordeel dat het vlak tegen de grachtengordel aan ligt. Wat het ontbrekende publieke domein nagenoeg volledig compenseert. 

Ten slotte: Sloterdijk. Hier ontbreekt nagenoeg alles wat Amsterdam tot Amsterdam maakt. Het is een treurig gebied met veel hoogbouw, met veel beton en een publieke ruimte die maar geen publiek domein wil worden. Geen interacties. Geen onverwachtse contacten. Alleen woon-werk-verkeer. De kantorenmarkt in dit gebied lijkt nu pas weer aan te trekken, maar er zal veel moeten gebeuren om het gebied een eigen Amsterdamse identiteit te geven. 

Haven-stad

Als deze analyse klopt kan Amsterdam er veel van leren voor Haven-stad. Want Haven-stad ligt ver weg. Haven-stad kan een gebrek aan publiek domein (face-to-face contacten) niet opvangen door de nabijheid van de ‘stad’. Als die face-to-face-contacten niet binnen Haven-stad zelf ontstaan, wordt het een dooie woonwijk. Eigenlijk zou Haven-stad zelf een nieuwe stad moeten worden. Tegelijkertijd is duidelijk dat het gebied te veel doorsneden wordt door het water om één nieuwe stad te worden. De ontwerpopgave luidt dan ook: maak Haven-stad tot een conglomeraat van nieuwe stadjes, van nieuwe stedelijke milieus. Maar wel echte Amsterdamse stedelijke milieus. 

Geen scheiding van werken en wonen, maar een nadrukkelijke menging. Veel werkplekken voor zzp-ers, veel studio’s en veel latte macchiato’s om de hoek. Veel hippe winkels. Veel woningen voor gezinnen. Veel menging van bevolkingsgroepen. Veel drukte op straat, geen hoogbouw. Zeg maar: veel Jordaan, geen Bijlmer. 

Tot slot

Haven-stad wordt alleen puur Amsterdams als het Amsterdamse gemeentebestuur de leiding houdt. En als het gemeentebestuur dit echt wil. Anders zullen grondeigenaren en projectontwikkelaars vooral Nieuw-London bouwen. En zullen vooral prijs-records worden gebroken. Wat zou het mooi zijn als de toekomstige eigenaren onder strakke regie van de overheid hier zelf hun stad gaan maken. 

 

 

Uniek en geborgen wonen

maart 10, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

Laten we elkaar niet voor de gek houden. Als sociaal-democraten je vragen om je ‘droom over wonen’ te omschrijven is er één groot gevaar: de oude groef van de oude plaat. Wonen, daar waren we goed in. Beter gezegd: volkshuisvesting, daar waren we goed in. En, inderdaad de samenleving is de sociaal-democratie veel dank verschuldigd voor de volkshuisvesting.

Maar die tijd is geweest. Godzijdank. Want wonen in de vorige eeuw heeft zich vooral gekenmerkt door een verstikkend paternalisme. Nee, geen gewoon paternalisme. Een verstikkend paternalisme.

Dat paternalisme kwam van drie kanten. Van de ruimtelijke ordening, van de ontwerpers en van de sociaal-democratie. Voorzover deze drie zich goed laten onderscheiden. Vooral bij ruimtelijke ordening gold vaak het adagium: ruimtelijke ordening = maatschappelijke ordening = sociaal-democratie.

De nood was hoog. Al aan het begin van de 20e eeuw. De steden waren in snel tempo ontploft, de kwaliteit van de bouw was vaak ondermaats. Met de Woningwet van 1901 kreeg de overheid eindelijk grip op deze woekering. Maar het was vooral de woningnood na de Tweede Wereldoorlog die de ruimtelijke ordenaars hun opdracht gaf. Er was een probleem en dat zouden ze eens netjes voor ons oplossen. De burger had licht, lucht en ruimte nodig en de overheid zorgde daarvoor. Ze stuurden de burger naar Spijkenisse. Purmerend. Zoetermeer. Lelystad. Daar was veel licht, lucht en ruimte.

Maar toen de burgers ook meteen een auto kochten, kwamen de files, en moesten hun kinderen dichterbij de stad worden gehuisvest. Ze werden gelukkig in de Vinex. Ze kregen niet alleen een huis, waarvan alle maten in een Bouwbesluit werden bijgehouden, ze kregen ook scholen, winkels en vooral: ‘ontmoeting’. Want een samenleving bestaat bij de gratie van ‘ontmoeting’. En ze moesten juist helemaal niet in die auto. Ruimtelijke ordenaars houden niet van auto’s. Helaas is een goed openbaar vervoer vaak te duur of komt vaak te laat.

Het was jammer dat de plek waar al die nieuwe huizen moesten komen, vaak een negatieve keuze leek te zijn. Mensen moesten vooral in het uitrollend stedelijk tapijt wonen, om te voorkomen dat ze in de natuur gingen wonen. Dat is eigenlijk heel vreemd. Nederland kent helemaal niet zo veel natuur. En als je natuur vrij wil houden van bebouwing, kan je toch beter het bouwen in natuurgebieden verbieden. In plaats van burger te dwingen om zich in Spijkenisse te vestigen. Of Purmerend, of Lelystad, of Zoetermeer.

Ontwerpers voegen aan al dit paternalisme graag hun eigen paternalisme toe. Zo moeten we vanaf Van Eesteren in flatjes wonen, terwijl dat geen ruimtewinst oplevert. Ik geloof niet dat iemand om die flatjes had gevraagd. Het modernisme, waarvan genoemde Van Eesteren een belangrijk aanvoerder was, bereikte zijn hoogtepunt in de Bijlmer. Daar moest ook nog eens al het verkeer worden gescheiden. Zodat er helemaal geen geborgenheid meer overbleef en alleen maar onveiligheid. De Bijlmer is inmiddels grotendeels verdwenen, maar al die namaak-Bijlmers bestaan nog steeds. Daarna kregen we overal bloemkoolwijken, en daarna overal namaakwijken.

Wat ging er mis? Twee dingen. Ten eerste hebben mensen veel te weinig mogelijkheden gehad om hun eigen woning te wonen. Kansen op eigenheid zijn alleen maar weggelegd voor de echte rijken. Ten tweede waren die ontwerpers helemaal niet bezig met geborgenheid, wat het ultieme doel van elke stedebouwer zou moeten zijn. Mensen moeten zich veilig, geborgen voelen in hun stad, in hun dorp. Waarom zijn onze historische binnensteden zo’n succes? Wat maakt dat je je veilig waant in al die dorpen, van Friesland tot Brabant en Zeeland? Die identiteit is nauwelijks terug te vinden in al die plannen van ontwerpers die niet met de burger bezig waren, maar met hun eigen culturele expressie.

Maar de tijden zijn veranderd! Vooral de laatste 20 jaar laten prachtige voorbeelden van woningbouw zien. Ik word altijd blij als ik denk aan het Oostelijk Havengebied in Amsterdam. En al die andere plekken in Nederlandse steden en dorpen waar met ongelofelijke kunde ruimte is gemaakt voor individuele wensen van burgers én waar tegelijkertijd is gezorgd voor identiteit en geborgenheid. Dat vraagt geen paternalisme, maar vakmanschap. En het vraagt een ontzettende kennis van de Nederlandse stedebouw. Wat maakt Nederlandse steden en dorpen tot plekken waar zoveel mensen zich geborgen voelen?

Ik weet het: het spreken over paternalisme is een retorische truc. Het hoeft immers weinig betoog dat paternalisme onzalig is. Bovendien is een actieve rol van de overheid hier wel gewenst. Juist om die eigenheid en die geborgenheid te garanderen. Als mensen geheel vrij worden gelaten, ontstaat geen stad, geen dorp. Dan wordt, naar ik vrees, vooral veel kapot gemaakt. De overheid zal met regels burgers vrij moeten maken om hun eigen unieke plek te scheppen. En de overheid zal met regels voor een zodanige samenhang moeten zorgen dat ook de plek zijn eigenheid heeft en de burger zich geborgen voelt.

Daar heb je een overheid bij nodig en daar heb je ontwerpers bij nodig. De Amsterdamse grachtengordel is juist zo mooi geworden omdat er goede generieke regels golden, over dakgoothoogten en kavelbreedtes en rooilijnen. Etcetera. Dat soort regels moet de overheid formuleren, op basis van kennis van ontwerpers. Want het zijn de goede ontwerpers die het unieke van een plek in regels kunnen vertalen.

Het is om deze reden dat ik bang voor het nieuwe Amsterdam Haven-stad. Ik zie nog te veel maquette, ik zie te veel aantallen (een stad als Leiden!), ik zie te veel pogingen om gedrag van burgers te bedwingen (0,1 auto per huishouden), te veel vragen over het vervoer en veel (terechte) klimaateisen. Maar ik hoor niet die twee essentiële vragen: hoe zorgen we dat mensen daar hun eigen unieke woning zullen vinden, en dat ze zich allen geborgen weten in die winderige omgeving van de Amsterdamse haven.

Voor degenen die ik nog niet heb kunnen overtuigen heb ik slechts een simpel advies. Ga naar Rotterdam, rij met auto of fiets over de Mathenesserlaan (wat een prachtige maatvoering), via het museumpark naar de Erasmusbrug. Inderdaad, een geweldig icoon. Ga door naar de Wilhelminapier. Waai niet weg. Mis alles wat een Nederlandse stad tot stad maakt. En voel je niet geborgen.

 

[geschreven op verzoek van de redactie van Socialisme & Democratie]

Tiende #Triomf van de stad start in september 2018

februari 14, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad, Geen categorie, Voorpagina

In september 2017 start de leergang Triomf van de stad met een nieuwe groep. Groep X. Deelnemers kunnen zich vanaf nu aanmelden. De modules worden gegeven op: 27/28 september 2018, 1/2 november 2018, 6/7 december 2018, 10/11 januari 2019, 14/15 febr 2019 en 21/22 maart 2019. De folder met het programma is hier te vinden: Triomf-van-de-stad-2018-folder Voor een beschrijving van de rode draad van de leergang zie Triomf van de stad: rode draad. En om te zien wat de cursisten van de jaargang 2017-2018 voor mooie opdrachten hebben gemaakt zie hier: http://wqd.nl/nu9U.

Aanmelding via wimderksendh@gmail.com.

Kajsa: inhoudelijk rationeel is niet meteen politiek rationeel

februari 2, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

Kajsa Ollongren wil dat de steden meer in groen gaan bouwen. Met die uitspraak heeft ze veel kritiek opgeroepen. Ik kan die kritiek wel volgen. Vroeger, ja, vroeger toen bouwden we bij voorkeur in het groen. De groeikernen, de Vinex, allemaal in het groen. Sinds die tijd weten steden dat binnenstedelijk bouwen veel voordelen heeft. Minder mobiliteit, minder aantasting van de natuur, minder aantasting van de noodzakelijke ruimte rondom de steden, en meer stedelijke economische groei, omdat dichtheid nu eenmaal veel agglomeratievoordelen heeft. Om die reden bouwen veel steden tegenwoordig waanzinnig veel woningen in de stad. En niet erbuiten. Amsterdam bouwt er tegenwoordig zelfs 8.000 per jaar. Maar toch zeggen mensen als Peter Boelhouwer (zie mijn interview met hem op deze site) dat de woningbehoefte de komende jaren zo groot is, dat niet aan bouwen in het groen om de stad, valt te ontkomen. Ik vrees dat hij wel gelijk heeft. Dus ergens heeft Kajsa Ollongren, onze minister van Binnenlandse Zaken, wel een punt.

Toch zou ik in haar positie deze opmerking nooit hebben gemaakt. Inhoudelijk mag de opmerking rationeel zijn, maar politiek is ze nogal twijfelachtig. Want laten we wel wezen, niemand wil de natuur om de stad in beton veranderen, niemand wil de schaarse ruimte in Nederland beperken door het ‘stedelijk tapijt’ weer verder uit te rollen. Mensen willen de vogels horen fluiten, willen de rust kunnen vinden buiten de stad. Dus waarom zal je dan als minister op voorhand roepen dat we straks in het groen moeten gaan bouwen. Wat inhoudelijk een beetje rationeel is, is politiek helemaal niet rationeel. Nee, het leek wel alsof Kajsa nog steeds de topambtenaar was, die ze ooit was. Topambtenaren moeten de politiek waarschuwen voor onvermijdelijke ingrepen. Politici kunnen beter aan hun imago en hun maatschappelijke steun denken, zolang die ingrepen nog helemaal niet aan de orde zijn. Dan hebben ze straks misschien voldoende gezag om onwelgevallige beslissingen toch te nemen.

Modernisme, ideologie en architectuur #BernardHulsman

januari 17, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

Het zal al een aantal jaren geleden zijn dat Bernard Hulsman op de achterpagina van het eerste katern van de NRC een serie begon over gebouwen, bruggen en wat dies meer zij die erg op elkaar leken. De boodschap leek te zijn: architecten zijn minder origineel dan ze vaak zelf suggereren. En de foto’s bewezen dat keer op keer. Het is me ontgaan wanneer deze serie is gestopt en waarom. Er zijn wel meer van die series in de krant die wel leest, maar die je niet mist als ze zijn opgehouden. In dit geval vermoed ik dat de auteur zelf ook onvoldoende bevrediging vond in het uitzoeken van nagenoeg identieke foto’s van toch echt verschillende gebouwen.

Tot mijn grote verrassing kwam ik de stukjes weer tegen in een fantastisch boek van dezelfde Bernard Hulsman. Apenrotsen en andere nauwe verwanten. Hier waren ze een onderdeel geworden van een prachtige collage over ‘de moderne architectuur’, samen met mooie interviews met de gladiatoren van de Nederlandse architectuur en met andere interessante essays van Hulsman’s hand. Je zou kunnen denken dat het een postmodern rommeltje is geworden en in bepaalde opzichten is dat ook zo. Maar juist dat rommeltje vormt een prachtig geheel en geeft een prachtig beeld van de stand van de architectuur van de laatste eeuw. Ik ken ze niet allemaal, maar ik geen beter boek over dat onderwerp. Hier nergens ingewikkelde theorieën, hier nergens onbegrijpelijke zinnen. Want boeken over architectuur willen nogal eens hoogdravend en onbegrijpelijk zijn. Vaak geschreven door een architect, waarbij mijn conclusie altijd is: “Beperk u voortaan tot het bouwen van huizen, in de hoop dat u dat beter kan.”

Maar het is meer dan een boeiende collage. Hulsman zet namelijk een heldere streep onder het modernisme. Het kan ook geen toeval zijn dat dit boek zo weinig volgens de modernistische orde is opgebouwd. Dat het gewoon een postmodern boek is. Ik vermoed dat Hulsman dit commentaar helemaal niet erg vindt. Het is wel geestig dat de uitgever op de omslag rept over een ‘reis door de wereld van de moderne architectuur’. Alsof alles wat ‘hedendaags’ is ook nog steeds ‘modern’ is. Maar het is juist Bernard Hulsman die afrekent met het modernisme. Die dat afwijzen van puntdaken belachelijk maakt, die zich verbaast over die bouwkunde-opleidingen die jarenlang maar één God hadden, namelijk Le Corbusier. Die met onverholen pret vertelt over de lekkende daken van de modernisten en boos is op het dedain van de meeste modernisten tegenover de uiteindelijke bewoner, die eerder geborgenheid zoekt in plaatsvan glazen wanden en witte muren. Om nog maar niet te spreken over de simpele behoefte aan opbergruimte waarin de hardcore modernist weigert te voorzien. Hulsman maakt er gehakt van. Hij laat niet na om te benadrukken dat Le Corbusier niet alleen een hardcore modernist was, maar ook een hardcore fascist. Hij vertelt met graagte en terecht dat Mies van der Rohe pas naar Amerika is gevlucht, nadat het hem was mislukt om de toparchitect van de nazi’s te worden. Als hij niet was afgewezen, was niet Speer maar Mies de architect van Germania geworden. Ja, Hulsman weet treffend het autoritaire en het totalitaire van de modernisten te benoemen. En af te keuren. En juist daarom kan Hulsman zo neutraal en bijna objectief schrijven over de postmodernisten en bijvoorbeeld over de neo-traditionalisten. Overigens was er ook op Philip Johnson politiek veel aan te merken.

Hulsman is wars van het modernisme. Toch spreekt hij vergoelijkend over het fascisme van Le Corbusier, vanwege dat kapelletje in Ronchamps. Dat verbaast me. Want het lijkt me niet dat tegen één mooie kerk zeer verwerpelijke politieke standpunten mogen worden weggestreept. Eerlijk gezegd lijkt me dat beide dingen weinig met elkaar te maken hebben en daarom verdienen zowel het kapelletje in Ronchamps als de politieke opvattingen van Le Corbusier een zelfstandige beoordeling. Overigens kan ik zelf die verering van Ronchamps nooit helemaal begrijpen. Het kan komen omdat ik Ronchamps in dezelfde vakantie bezocht als de basiliek van Vézelay.

Zeker waar het gaat over modernistische stedebouw, denk voor het gemak even aan de Bijlmer, raakt de beoordeling van het modernisme de relatie tussen politiek en architectuur. Die relatie is evident, maar ook complex. Hulsman zegt er wijze dingen over, maar weigert duidelijke conclusies te trekken. En als hij dat wel doet, zijn ze een tikkeltje teleurstellend. Zo schrijft hij op pagina 297: “Er bestaat geen verband tussen architectuurstijlen en politieke ideologieën.” Nou dat mag op het eerste gezicht waar zijn, maar daarmee is de relatie tussen architectuur en politiek niet afdoende beschreven.

Laten we eerst vaststellen dat regimes bepaalde architecten hebben uitgesloten en ongetwijfeld nog steeds uitsluiten. Laten we ook vaststellen dat architecten hebben geprobeerd bij dubieuze regimes in het gevlei te komen om ruimte te scheppen voor hun eigen originele creaturen. Denk aan Mies van der Rohe en de nazi’s. Maar denk ook aan Rem Koolhaas die scherp door Hulsman wordt ondervraagd over zijn nieuwe onderkomen voor het symbool van de Chinese onderdrukking en lees het onwaarachtige antwoord van Koolhaas.

Laten we daarna vaststellen dat veel architecten ideologisch gedreven zijn. Ik sprak al over de fascist Le Corbusier (die ook een leuk kapelletje bouwde). En wat te denken van de communist Mart Stam, die niet voor een opdracht maar uit overtuiging in Rusland ging werken. Lees het prachtige interview van Hulsman met zijn vrouw Lotte Stam-Beese, die tot haar dood in 1988 in het Russische communisme bleef geloven. En denk eens aan de constructivisten die, toen ze daartoe in Rusland de kans kregen, andere architecten op ideologische gronden het werken onmogelijk maakten.

Maar de essentie is, dat architectuur en vooral stedebouw voortkomen uit een bepaald wereldbeeld. Daarom kunnen architecten elkaar ook zo goed verketteren. Overigens is dat hun eigen zorg. Het is mij een zorg dat architecten hun wereldbeeld opleggen aan al die mensen die in al die huizen en steden moeten wonen. En dat gold met name voor de modernisten, van wie het dan ook niet verrassend is dat ze vaak bij totalitaire ideologieën uitkwamen. Totalitair in ontwerpen, totalitair in denken en uiteindelijk totalitair in politieke keuzes. Het is allemaal niet zo vreemd.

Maar het gaat hier wel om de leefwereld van anderen. Het gaat om burgers die zich veelal niet konden verweren. Het waren gewone burgers die al lang blij waren met een woning in Bijlmer. Architecten zouden zich om die reden van alle kunstenaars het meest terughoudend moeten opstellen. Maar het tegendeel is het geval.

Hoe konden we de stad zo haten

januari 3, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

We zijn het bijna vergeten, maar niet zo lang geleden werd de stad gehaat. De stad werd gezien als een plek die zo snel mogelijk onder reconstructie moest. Een plek die moest worden aangepast aan moderne tijden en waar de verpauperde zooi uit het verleden bij voorkeur zo snel mogelijk moest worden gesloopt. Alle gemeentebestuurders leken in de jaren 50 en 60 van de afgelopen eeuw van doorbraken te dromen. Van ruimte voor nieuwe kantoren in de nieuwe city. Van nieuwe wegen die het nieuwe verkeer tot in het hart van de steden zou brengen. Van het dempen van singels en van het afbreken van krotten.

Tim Verlaan schreef er een mooi boek over: De ruimtemakers. Hij analyseert een paar van die grote ingrepen die de stadsbestuurders uit die tijd voor hun burgers in petto hadden. Hoog Catharijne in Utrecht, het Spuikwartier in Den Haag en bijvoorbeeld de bouw van het Maupoleum in Amsterdam. Nieuwe tijden! Samen met projectontwikkelaars werden de steden op de schop genomen. Verlaan laat mooi zien hoe snel de tegenstand tegen deze plannen opkwam. Veel plannen zijn daardoor nooit uitgevoerd. Het tij van de ‘moderne stad’ was in de jaren 70 al weer snel voorbij.

Natuurlijk, ook alle genoemde grote ingrepen zullen zijn voortgekomen uit liefde voor de stad. Maar wie ziet hoeveel er kapot is gemaakt en hoeveel er kapot gemaakt had kunnen worden, beseft dat die liefde eerder abstract dan erg concreet was. Wat een verschil met de huidige stedebouw waar met liefde wordt omgegaan met oude structuren. In dat licht kunnen we de stedebouw van de jaren 60 beter met haat te associëren.

Wie het boek van Verlaan leest vraagt zich af waar die haat tegen de stad vandaan kwam. Verlaan beschrijft veel en analyseert minder. Hij wijst op de suburbanisatie, hij wijst op de enorme toename van de mobiliteit, hij wijst op de veranderingen in de economie, waar fabrieken plaats gingen maken voor kantoren. Het had ook kunnen wijzen op het voorzichtige optimisme na de ellende van de Tweede Wereldoorlog. De wens om alles beter te doen. Maar moesten we daarom de oude stad haten? Ik denk dat die haat vooral voortkwam uit het modernisme, dat zijn oorsprong al heeft in het begin van de vorige eeuw. Met zijn nadruk op het scheiden van functies in de stedebouw en met het adagium form follows function in de architectuur. Gevelwanden waren uit. Het ging om het accommoderen van de nieuwe vervoersstromen. Het ging om een nieuwe tijd. Natuurlijk, ook ik kan genieten van de schoonheid van het nieuwe Maupoleum op die eerste foto’s. Zoals je kan genieten van al die foto’s van het nieuwe Rotterdam uit dezelfde tijd. Veel zon, veel licht, veel lucht en ruimte. Veel nieuw geluk en veel nieuwe welvaart. Waarom zouden we nog in die oude krotten willen blijven wonen? Dat was echt een andere tijd.

In dat licht is de reactie eigenlijk minder verrassend en minder nieuw. In ieder geval minder modern. Verlaan geeft overigens ook voor die omslag nauwelijks argumenten. Hij wijst terecht op de enorme toename van het aantal studenten dat aan de universiteiten ging studeren en in de binnensteden ging wonen. Zij vormden een prachtige voedingsbodem voor het verzet tegen de politiek van kaalslag en modernisme. Het was een nieuwe generatie die de Tweede Wereldoorlog niet (bewust) had meegemaakt. En dat moest wel tot een generatiekloof leiden met hun ouders. In de reactie ging het om kleinschaligheid versus de grootschaligheid van de ingrepen, ging het om sociaal-culturele beleving, in plaats van om geldverdienende projectontwikkelaars. Het Maupoleum van Zanstra werd ingeruild voor het Vredenburg van Hertzberger. En Jane Jacobs werd onze leidsvrouw. Maar waar die omslag precies vandaan kwam, het blijft één van de fascinerende dingen van sociale verandering.

In ieder geval was de liefde voor de stad weer terug. De stad als plek waar mensen elkaar ontmoeten. De stad waar mensen geborgenheid vinden. De stad waar mensen weer graag wilden wonen. Jan Schaefer begon met zijn stadsvernieuwing. Oude wijken werden niet meer gesloopt, maar opgeknapt. En beetje voor beetje zijn de stadsbestuurders de haat tegen de stad met veel liefde gaan beantwoorden. Gaten werden weer opgevuld, sommige grachten werden weer open gegraven. Het Maupoleum werd weer afgebroken en vervangen door een tamelijk non-descript gebouw, zoals vele stedelijke gebouwen non-descript zijn, terwijl ze samen wel een prachtige stad kunnen vormen.

Maar zo eenvoudig gaat het elders niet. Hoog Catharijne is net weer helemaal op de schop genomen. In de Catharijnesingel stroomt weer water, maar de moloch van Hoog Catharijne is niet weg te krijgen. Bovendien lijkt de haat tegen de stad in Utrecht nu aan de andere kant van het station weer volop te gedijen. Het Spuikwartier in Den Haag heeft structuur gekregen door de bouw van het nieuwe stadhuis, maar maakt nog steeds geen onderdeel uit van de echte stad. En de Wibautstraat (verrassend genoeg niet beschreven in het boek van Verlaan) blijft ondanks alle lieve pogingen, nog steeds een autosnelweg. Het probleem is helder: de structuur van de stad is op deze plaatsen zo compleet verwoest dat herstel heel moeilijk wordt. Zeker als de eigendomsverhoudingen niet aan herstel van de stad bijdragen.

En daarom is die haat tegen de stad ook onuitwisbaar. Misschien is dat ook wel goed. Een echte stad heeft een geschiedenis. En laat zijn geschiedenis ook zien in al zijn lagen. Juist die gelaagdheid maakt een stad tot een echte stad. En met die blije gedachte zal ik me de volgende keer weer door de bouwputten achter Utrecht CS blijven spoeden.

Waarom neuzelen sociaal-democraten over burgerkracht

december 21, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

Annemarie Kok schreef een prachtig stuk in S&D. Ze stelde de terechte vraag waarom zoveel vooraanstaande PvdA-ers (Wallage en Plasterk) zijn gaan geloven in ‘burgerkracht’ en ‘doe-democratie’. We zouden de burgers veel vaker zelf moeten laten beslissen. Ook wel: meer democratie en minder politiek. En het is opvallend dat je dit geluid vooral van politici hoort. Kok vraagt zich af: waarom zijn ze ‘klaar’ met de politiek. ‘Hoe zijn we toch in dit ‘weg-met-ons’-verhaal verzeild geraakt? Jacques Wallage voelde zich aangevallen en reageerde met een verkeerde intonatie en met een verkeerde argumentatie. Alle reden om nog even erop terug te komen.

Ik vermoed dat Wallage heeft verzuimd het essay Binding genoeg te lezen dat aan de basis stond van Koks beschouwing in S&D. Misschien had hij dan anders gereageerd. Binding genoeg is een helder opgebouwd filosofisch betoog, verpakt in een brief aan Jane Jacobs. De stad Groningen, waar Annemarie Kok woont, fungeert als basis. Zoals in vele steden, en in nota’s van Plasterk en Wallage, bestaat er in Groningen zorg over de wegvallende sociale cohesie, het wegvallende gemeenschapsgevoel. En zoals elders wil de gemeente Groningen daaraan iets doen door de beslissingsmacht in handen van de burgers te leggen. Kok analyseert dat er met die sociale cohesie in de Nederlandse samenleving weinig mis is. Ja, de buurt is steeds minder een integrerend kader, maar is dat al zolang Jacques van Doorn daarop een halve eeuw geleden wees. De sociale cohesie is langs functionele weg opnieuw ingevuld. Het probleem bestaat dus niet. En volgens Kok mankeert er ook alles aan de oplossing, als er wel een probleem zou zijn.

In Binding genoeg geeft Kok hilarische voorbeelden. Ze beschrijft hoe ze verzeild raakt op een G1000-bijeenkomst waar ‘Stadjers’ (Groningers) samen plannen voor de toekomst van hun stad gaan smeden. Drie dringen vallen haar van deze conferentie op. Ten eerste is na een korte gedachtenwisseling al meteen duidelijk in welke richting de stad zich moet ontwikkelen en wordt voor het gemak aangenomen dat alle niet-aanwezigen het met deze richting wel eens zullen zijn. Ten tweede hebben professionals op de conferentie een bepalende rol, onder andere omdat ze aan elke tafel als gespreksleider optreden. Ten derde komt er uiteindelijk niets terecht van al die plannen die binnen in één dag zijn ontwikkeld en vastgesteld. Na een jaar is iedereen het gedoe weer vergeten.

Het tweede voorbeeld gaat over de Stripheldenbuurt in Almere, waar de gemeente burgers  verantwoordelijk heeft gemaakt voor de openbare ruimte (verlichting, bestrating, binnentuin en de riolering). Alweer vanuit de gedachte dat deze ‘gezamenlijkheid’ de sociale cohesie in de buurt zou versterken. En ook alweer vanuit de gedachte dat de burgers het over het gebruik van die openbare ruimte vanzelfsprekend eens zijn. Waarom zou de gemeente zich daar dan nog mee bemoeien? Nou, misschien wel omdat het gedrag van de ene burger negatieve effecten heeft voor de ander? Het hele onzinnige idee heeft uiteindelijk vooral tot burenconflicten, hoge kosten en hoofdpijn geleid.

Het derde voorbeeld moet Wallage zeker aanspreken. Al wandelend door de stad Groningen constateert Kok hoe blij de burgers nog steeds zijn met het Verkeerscirculatieplan dat door Max van den Berg en Jacques Wallage in de jaren 70 tegen veel weerstand (vooral van bedrijven en middelstand) is doorgevoerd, nee, is doorgedrukt. De politiek nam indertijd zijn verantwoordelijkheid. Het heeft de stad fundamenteel veranderd. Ten goede.

Het is des te opvallender dat Wallage nu zo’n andere positie inneemt. Ik kan me niet herinneren – ik woonde toen ook in Groningen – dat Max en Jacques indertijd veel pogingen hebben gedaan om de onwillige automobilisten en de klagende middenstand te laten meepraten. Laat staan: hen in het kader van burgerkracht de macht over te dragen. Wallage beargumenteert zijn ommezwaai overigens nogal onduidelijk. Hij beroept zich meermalen op het feit dat ‘de politiek het niet meer alleen kan’. Waarbij hij blijkbaar achteloos het begrip politiek voor zichzelf en de zijnen reserveert. Burgers moeten meedenken met het beleid. Je hebt draagvlak nodig. Hoogopgeleide burgers zijn immers in staat veel beleid te frustreren. Maar daarover gaat het stuk van Annemarie Kok helemaal niet. Kok is helemaal niet tegen transparantie of tegen een gesprek met burgers. Kok stelt zich te weer tegen de neiging van veel politici om zelf geheel plaats te maken voor de burger, wie dat dan ook is. Niet de burgers netjes laten meepraten en uiteindelijk zelf beslissen. Nee, gewoon alles over de schutting gooien bij de burger.

Wallage geeft nog een ander, veel grootser argument. Ik citeer: “De opkomst van populistische partijen in heel Europa moet allereerst worden gelezen als een protest tegen het feit dat de prijs van de globalisering wel erg eenzijdig wordt betaald door mensen met een kwetsbare maatschappelijke positie.” Maar Jacques, is dat probleem met burgerkracht op te lossen? Het lijkt me dat hier internationale en nationale overheden aan zet zijn om ervoor te zorgen dat de maatschappelijke ongelijkheid niet veel te groot wordt en dat de kansen om mee te doen eerlijker worden verdeeld. Zeg maar: gewone sociaal-democratie en geen geneuzel over burgerkracht.

Persoonlijk blijf ik met veel vragen zitten na het debat over burgerkracht, doe-democratie, zelf-organisatie of hoe we die neiging van veel politici om hun werk aan burgers over te laten ook maar willen noemen.

  • Wat is er mis aan de representatieve democratie? Waarom zou het ‘vijf voor twaalf’ zijn als meer dan tachtig procent van de mensen gewoon gaat stemmen bij de laatste Kamerverkiezingen? En waarom kan bij gebleken slijtage de representatieve democratie niet worden opgelapt, in plaats van haar met het troebele badwater van de doe-democratie weg te gooien. Als er bijvoorbeeld twijfels zijn over de kwaliteit van raadsleden in sommige gemeenten, waarom maken we het raadslidmaatschap dan niet aantrekkelijker (in plaats van ook nog eens het wachtgeld af te schaffen, meneer Plasterk)?
  • Zijn burgers bereid om burgerkracht te leveren? Ik citeer nog even Annemarie Kok op basis van veel studies: “Maar niets wijst op een spontane bereidheid onder de meeste burgers om gratis en voor niets op structurele basis over van alles mee te denken, maatschappelijke werk in de buurt te verrichten en/of bestuurlijke verantwoordelijkheid te dragen”.
  • Is iedereen in staat om de gevraagde burgerkracht te leveren? Voorstanders van burgerkracht wijzen graag op het hoge opleidingsniveau van de burger. Maar daarbij denken ze vooral aan hun eigen vrienden. Terwijl het vmbo nog steeds de populairste onderwijsvorm is. En het is bekend dat lager-opgeleiden meer moeite hebben om mee te doen in die leuke processen waarbij burgers het werk van gemeenteraden overnemen. Kok wijst terecht ook op de kloof tussen de onkundige burger en de professionals die al gauw de leiding overnemen in het debat.
  • Wat doen we met tegenstellingen? Politiek gaat toch over tegenstellingen? Voorstanders van burgerkracht lijken vaak te suggereren dat we het allemaal op voorhand eens zijn met elkaar. Dat er sprake is van een win-win-situatie. Alleen het woord al. Maar zoals een verstandige wethouder mij laatste zei: “Wim, voor mij bestaat de burger helemaal niet; ik ken alleen de astmapatiënt die nog ongezonder wordt omdat andere burgers met oude diesels in de binnenstad willen rijden” Ja, wie krijgt dan zijn zin? Politiek is toch de gezaghebbende toedeling van waarden?
  • Waarom horen we altijd dezelfde voorbeelden over burgerkracht? Het gaat altijd over groene straten en opgelapte leeszalen. Het gaat nooit over sociale zekerheid, over klimaatverandering, over ongelijke kansen in het onderwijs, over ondermijning door criminele milieus. Allemaal onderwerpen waarop de samenleving zonder overheid en zonder politiek geen antwoord kan geven. Voor ons allen is het goed om nu iets aan het klimaat te doen, maar mij persoonlijk is het veel aantrekkelijker om te wachten tot een ander wat doet. Zou het kunnen zijn dat je juist van de PvdA meer steun voor de representatieve democratie zou verwachten?
  • Hoe overheidscentrisch is dat denken over het vergroten van burgerkracht? Heel erg. De teksten van Plasterk over doe-democratie zijn bij uitstek paternalistisch. Ja, ik krijg jeuk als de overheid over mij schrijft dat “de burger [dus: ik] in positie moet worden gebracht”. Of dat de overheid voortaan moet ‘zorgen dat’ in plaats van ‘zorgen voor’. De overheid moet ervoor zorgen dat ik iets doe? Mogen wij burgers even zelf bepalen wat de overheid voor ons moet doen?
  • Hoe naïef is dat denken over burgerkracht? Plasterk schreef met droge ogen dat we burgers moesten stimuleren om zelf maatschappelijke vraagstukken op te pakken. Gold dat ook voor mannen met zwarte mutsen die in Woerden een asielzoekerscentrum aanvielen? Of voor burgers die de wietteelt in Brabant feitelijk legaliseren? Dat zijn toch ook burgers die zelf maatschappelijke vraagstukken oppakken?
  • Dat brengt ons terug bij die centrale vraag: waar is de overheid van? Mijn antwoord is simpel: de overheid dient die maatschappelijke belangen te behartigen die zonder optreden van de overheid niet worden behartigd. De samenleving is vaak heel goed in staat om zijn eigen zaakjes te regelen. Voor veel sociale cohesie (wat vanzelfsprekend een maatschappelijk belang is) heb je de overheid niet nodig. Maar juist als de samenleving het niet kan, moet de overheid het niet aan de burgers overlaten. En dat zouden sociaal-democraten moeten weten.

 

[verschenen in Socialisme & Democratie, 2017, nr 6, pp. 48-50]

[zie ook: ‘De overheid is belangrijk voor sociaal-democraten’ op deze site]

Hoe goed is de EMA voor #Amsterdam

december 11, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

Amsterdam was heel verheugd over het binnenhalen van de EMA, de Geneesmiddelen Autoriteit van de EU. Er was ook nationale trots over de geslaagde lobby van het kabinet en van Wouter Bos. Het was in veel opzichten ook een groot succes voor Amsterdam. NRC Handelsblad plaatste wel een kanttekening. Had Amsterdam wel genoeg woningen voor de 900 hoogopgeleide werknemers van de EMA? En zou de komst van de EMA niet leiden tot nog hogere woningprijzen? De NRC raakte daarmee aan een veel fundamentelere vraag, zonder die vraag ook werkelijk te stellen. Die vraag luidt: wat voor stad wil Amsterdam zijn. Of vooral: wat voor stad wil Amsterdam worden?

De EMA komt uit London. De EMA zal er ook toe leiden dat Amsterdam een heel klein beetje meer op London gaat lijken. London is een sterk gesegregeerde stad. Het centrum van de stad is het eigendom van een internationale, veelal hoogopgeleide elite. Om het brede centrum heen woont de laagopgeleide onderklasse en in de ring daarbuiten woont de middenklasse die dagelijks uren in de metro zit op weg naar het werk. Sorry voor de schematische weergave. In Amsterdam zie je dezelfde ontwikkelingen. Economisch gaat het heel goed met de stad. De huizenprijzen stijgen snel, vooral binnen de Ring, waar veel hoogopgeleiden een plekje zoeken. Daardoor worden veel laagopgeleiden, met een slecht betaalde baan of werkloos, buiten de Ring verdreven. Sorry voor de schematische weergave.

Ja, die EMA zal die trends versterken. Een blits kantoor aan de Zuidas, 900 hoogopgeleide banen, veel hoogopgeleide expats, veel vraag naar dure woningen in de oude stad. Als de gemeente niets doet worden de kansarmen verder naar de buitenkant van de stad verdrongen. En let op: de komst van EMA leidt tot 50.000 extra overnachtingen voor buitenlands bezoek per jaar. Ook dat herkennen we. Amsterdam wordt nu al in sommige wijken overspoeld door bezoek uit de hele wereld. Voor vanwege de grote stedelijke schoonheid van Amsterdam. De grachten zijn voor velen een bezienswaardigheid. Symbolen: Airbnb, rolkoffers. Door EMA dus meer rolkoffers. In dit verband zou ik in verband met de kwetsbaarheid van de binnenstad eerder aan Venetie dan aan London denken.

Daarmee hebben we meteen twee scenario’s voor de stad genoemd. London en Venetie. Twee scenario’s die niet automatisch samengaan. ‘London’ leidt bijna onvermijdelijk tot meer hoogbouw. Dat zet druk op het historische karakter van de stad. ‘Venetie’ leidt onvermijdelijk tot een grote druk op het woon- en leefklimaat in de binnenstad dat nu nog zo aantrekkelijk is voor de hoogopgeleiden. Uiteindelijk zullen London en Venetie niet samengaan.

Maar er is ook een derde scenario denkbaar. Laat ik het ‘Amsterdam’ noemen. Een gedifferentieerde stad zonder tweedeling, een stad met veel ruimte voor middeninkomens, een stad met een stevige (lokale) verzorgingsstaat. Goed onderwijs, goede zorg, goed arbeidsmarktbeleid, goed vangnet. Een betrouwbare overheid. Met veel ruimte voor handel. Ja, zeg maar, daar waar de kracht van Amsterdam van oorsprong ligt.

Oh, dat kan dus ook. Zeker. Persoonlijk denk ik dat het belang van het laatste scenario nog wel eens wordt onderschat. En dat we tegelijkertijd geneigd zijn om het belang van kapitalistische krachten te overschatten. We moeten ontwikkelingen niet als een gegeven beschouwen. En we moeten beseffen waarom Amsterdam zo floreert. Amsterdam mag trots zijn op zijn eigen kracht. Het zou goed zijn om de komst van EMA in dat licht te bezien. En dan niet meteen te gaan juichen.

 

[verschenen in het Parool, 13 december 2017]

Rutte III heeft vooral vertrouwen in de notulen

oktober 10, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

Het beoordelen van een regeerakkoord is altijd een voorlopige beoordeling. Je weet niet hoe het straks uit gaat pakken. Maar toch het is goed om die tekst eens zorgvuldig door te nemen. En je in je beoordeling niet te laten leiden door wat de spindoctors deze uren aan de media vertellen.

Mij vallen drie dingen op in het nieuwe regeerakkoord. Ten eerste: zo’n overgang naar een nieuwe regering biedt altijd de mogelijkheid van kleine ‘doorbraken’. Van die onderwerpen waarover al lang is gesproken en die we nu eindelijk eens gaan doen. Experimenteren met wietteelt door de overheid. Afschaffing van Wet Hillen (voortaan ook woningforfait als de hypotheek is afbetaald). Gekozen burgemeester. Versimpeling belastingstelsel. Aftrekposten niet meer aftrekken van het hoogste tarief. De schade van de aardbevingen in Groningen wordt niet meer door de NAM bepaald. Etc. Dat soort voornemens geven me een gevoel van opluchting. Eindelijk.

Ten tweede doet het kabinet meer aan klimaatbeleid dan ik had durven hopen. Het regeerakkoord straalt uit dat men Parijs wil halen en zelfs meer. Er wordt helder aangegeven waar de CO2-winst moet worden geboekt. Er komt een CO2-belasting. Er gaat op korte termijn één kolencentrale dicht en de rest volgt voor 2030. Maar hoe hoog de ambitie ook is, de plannen hadden wel wat concreter gekund. Zie bijvoorbeeld de ambitie om de bestaande woningvoorraad energieneutraal te maken. Dat blijkt in de praktijk uitermate ingewikkeld te zijn. Dan verwacht je grote instrumenten en heel veel geld. Maar het regeerakkoord komt niet verder dan samen een plan maken. Ja, er is nog 100 miljoen euro voor corporaties die hun woningbestand verduurzamen. Als dat alles is, heb je blijkbaar toch minder ambitie dan je suggereert.

Ten derde is het regeerakkoord vooral teleurstellend. Dit is geen visie voor de komende jaren, dit zijn de notulen van een Ministerraad van een willekeurig centrumkabinet. Ze hebben gewoon 210 dagen ‘ministertje’ zitten spelen en voor elk onderwerp een nette compromistekst bedacht. Ik kan me heel goed voorstellen dat Pechtold, Buma en Segers na die 210 dagen hebben bedacht dat het werk in de Kamer toch leuker is.

En zoals dat vaak gaat in een kabinet: dan onderwerpen zijn nauwelijks in samenhang bezien. Ja, dan is het niet vreemd dat het ruimtelijke perspectief nagenoeg geheel ontbreekt. Wie notulen schrijft en wie geen samenhang zoekt, komt nooit bij de ruimte uit. Schiphol mag verder groeien, Rotterdam moet vooral CO2 onder de grond stoppen, Eindhoven krijgt mainport-status (wat dat in concreto ook mag inhouden), de Wadden krijgen een beheersautoriteit, de Veluwe en het Groene Hart moeten worden beschermd, het Deltaprogramma, de Nationale parken en het Kustpact (duinbescherming) moeten doorgaan, er moet meer infrastructuur bij en er moeten meer woningen worden gebouwd. Maar dat is geen ruimtelijke afweging, laat staan een visie voor Nederland.

En verder geen woord over de grote steden (ja, de PvdA zat duidelijk niet aan tafel), als motoren van onze economie. Geen woord over Amsterdam als brandpunt van de economie. Geen woord over de achterblijvende economie van de Zuidvleugel. Wel geld naar nieuwe infrastructuur, maar geen geld naar de woningbouw in de steden (waardoor je die nieuwe infrastructuur niet meer nodig hebt). Geen woord over de voormalige groeikernen die langzaam wegzakken. Geen woord over de ruimtelijke uitsortering rondom de grote steden, waar de kansarmen plaats moeten maken voor de nieuwe rijken. Geen woord over al die honderdduizenden woningen die in het Westen van het land in de komende jaren moeten worden gebouwd. Ja, waar gaan we dat eigenlijk doen? En hoe gaan we het doen met de mobiliteit als onze auto straks zelfrijdend wordt. Ja, zegt het regeerakkoord: de nieuwe infrastructuur moet daarvoor geschikt worden gemaakt. Maar hebben we nog nieuwe infra nodig als die auto’s netjes achter elkaar aan hobbelen? Nee, dat is geen visie, dat zijn notulen.

 

 

Nieuwe kansen voor de haven van Scheveningen

oktober 4, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

 

Gesprek met Arno Segeren, accountmanager van de gemeente

De ontwikkeling van de haven van Scheveningen is heel interessant in het licht van de ontwikkeling van steden. De haven is vanouds bekend vanwege de vissers. Maar het was ook jarenlang de thuishaven van de Norfolkline, een rederij actief op het gebied van het vervoer van containers tussen Groot-Brittannië en Nederland. Maar een haven aan zee is tegenwoordig ook een aantrekkelijke en hippe woonplek. Veel steden bouwen appartementen aan de havens, vaak voor de hoogopgeleiden die de tegenwoordige stad zo nodig heeft voor haar ontwikkeling.

De werkelijkheid is weerbarstiger. Want met de komst van woningen neemt de behoefte aan bedrijfsruimte niet af. De gemeente Den Haag is zich daarvan steeds meer bewust geraakt. Zo lag het accent in de Scheveningse Haven een aantal jaren geleden vooral op de haven als decor van woningbouw. In 2015 is dat beleid aanzienlijk omgebogen met de nota Scheveningen Haven, is en blijft haven. Het vertrek van de Norfolkline had geleid tot een verlies van zeshonderd banen, vooral banen voor lager opgeleiden. Terwijl de haven nog steeds veel economische potentie had. Bovendien drong het besef door dat een doodse haven ook een doods decor voor wonen oplevert. Wonen aan een levendige haven biedt voordelen. Al kan er ook spanning ontstaan tussen het woongenot en de havenactiviteiten.

Voldoende reden voor een gesprek met de accountmanager van de gemeente voor de Scheveningse haven, Arno Segeren. Wij fietsen in een wat druilerige regen rond in de haven en ik leer veel over het belang van een actief gemeentelijk beleid. En het succes aan beide zijden is te zien. Er wordt aan de ene kant enorm gebouwd en aan de andere kant groeien de economische activiteiten in de haven. Het aantal banen stijgt weer.

Segeren wijst erop dat je altijd moet kijken naar de unieke kenmerken van een gebied. Den Haag heeft die unieke ligging aan de Noordzee en de haven is de toegangspoort. Die kwaliteiten moet je in stand houden. Maak van die haven geen ‘bak water’. Dat kan ook. Je kan de havenactiviteiten afbouwen. Dan heb je water en een stukje industrieel erfgoed. Een oude havenkraan, een paar pakhuizen. Die kan je allemaal heel mooi maken. Zie Duisburg. Mooi museum voor moderne kunst erbij. Maar het blijft een bak water waar je op uit kijkt. Zo maak je niet optimaal gebruik van de kwaliteiten die je hebt. En ook bij ons raakte de haven in vergetelheid. Het beeld was: met de visserij gaat het niet goed en alleen maar slechter. De Norfolkline is vertrokken.

Wij menen tegenwoordig dat die haven veel meer kan opleveren. Het is een unieke kwaliteit van de stad, net zoals de regering, de internationale organisaties, het vrede, recht en veiligheid. Dat is allemaal economie. Voor economische groei kan je beter iets versterken wat je al hebt dan iets heel nieuws te bedenken. Op unieke kwaliteiten moet je zuinig zijn. Ook die haven heeft ons veel te bieden. Visserij van oudsher. Maar de haven is ook de toegangspoort naar de windmolenlocaties op de Noordzee. Daar wordt veel geïnvesteerd. En daar heeft Den Haag potentieel veel te bieden. Dat is werkgelegenheid. Bijvoorbeeld voor elektriciens. Die windmolens mogen niet stilstaan. Daar heb je veel geschoold personeel voor nodig. Ook de watersport biedt ons in economische zin veel, in termen van bezoekers, bestedingen, werkgelegenheid.

We zoeken naar niches. Je bent bij ons direct op de Noordzee. Dus als er testen moeten worden gedaan op zee, kan je dat goed doen vanuit Scheveningen. Of dat veel gaat opleveren, weten we nog niet. Maar we zijn ervan overtuigd dat die haven van Scheveningen voor sommige producten best eens de beste haven kunnen zijn. Een diepzeehaven met onbelemmerde toegang. Hij ligt centraal in het land, hij ligt in de stad, hij ligt dicht bij Delft, bij Leiden, bij TNO, bij Deltares. Allerlei partijen die actief zijn op de Noordzee.

En zo zie je zelfs een verschuiving van woningbouw naar economische activiteit in de plannen. Waar mogelijk voegen we bedrijfsruimte toe en op enkele plekken onderzoeken we of de geplande woningbouw deels geschrapt kan worden uit de plannen. In de tussentijd zijn er ook andere functies toegevoegd. We hebben het Zuiderstrandtheater tijdelijk gebouwd in de haven. Daar vinden nu ook veel aan havens of de Noordzee gerelateerde bijeenkomsten en conferenties plaats. Maar we gaan nu weer kijken of we daar bedrijvigheid kunnen krijgen als het theater weer wordt afgebroken.

En er zijn nog nieuwe kansen. De effecten van klimaatverandering worden zichtbaar aan de kust. Op een gegeven moment zullen ook rondom de haven maatregelen nodig zijn vanwege de stijging van de zeespiegel. Het garanderen van de veiligheid voor het achterland vormt dan de aanleiding voor een verkenning naar de zeewaartse uitbreiding van de haven. Maar dit zit allemaal nog in de verkennende fase.

De gemeente Den Haag heeft vier prioriteiten in de Scheveningse haven. Ik vraag Segeren om ze voor me samen te vatten. Visserij, watersport, offshore dienstverlening en innovatie. Visserij van oudsher. Belangrijk, zowel in directe als in indirecte zin. Scheveningen zonder haven, dan ben je niet anders dan Zandvoort. Authentiek, het hoort erbij. Veel werkgelegenheid, op zee en in de handel. De visafslag in Scheveningen is in grootte de derde van Nederland. Je kan ook vis kopen die niet fysiek op dat moment aanwezig is. Daarnaast hebben we twee grote internationaal opererende reders met zogenaamde trawlers. Nederlands visbureau zit hier. Veel handel, groothandel en detailhandel. Het is een compleet cluster. Trawlers die drie weken op zee zijn, kotters die elke week terugkeren en de kleinschalige visserij die elke dag weer binnenvaart. Het is een volledig cluster. Je hebt de drie onderdelen wel nodig.

Segeren maakt een interessante tussenopmerking over de rol van de overheid. Hij zegt: het is voor de overheid makkelijker om iets te verpesten dan om een positieve ontwikkeling aan te zwengelen. Daarom moet je als overheid de belangen in het gebied goed kennen. Dat is accountmanagement.

We gaan door met de tweede prioriteit: de watersport. Ook een economische sector. Recreatie, botenbouw, innovatie, topsport. We hebben Jachtclub Scheveningen, een grote jachtclub met 600 leden. Daarnaast het Topzeilcentrum met Olympische sporters en talentploeg die hier trainen. Er zit ook een catamaranbouwer. Dat zijn van die parels in het havengebied. Dit alles wordt nog versterkt door de finish van de Volvo Ocean Race in 2018. Moeten we trots op zijn. Er komen extra ligplaatsen, vooral voor passanten. Daar zijn er al te weinig van. En we hebben het Sailing Innovation Centre. Hoe kunnen we meer Olympische medailles winnen. Kennis over voedsel, over stroming, wind, communicatie etc.

Offshore-dienstverlening is de derde prioriteit. De tenderprocedure voor het windmolenpark Holland Kust Zuid loopt nu. Ze hebben allemaal goed gekeken naar de haven van Scheveningen. Welke haven is het meest geschikt als uitvalsbasis. We hebben ze één voor één op bezoek gehad. Maar als ze elders al een uitvalsbasis hebben wordt het moeilijker. Het gaat niet om de bouw, alleen om het onderhoud. Daarvoor heb je een opslagloods nodig en snelle kleine bootjes. Dat kan heel goed bij ons in de haven. Het is echt geschoold werk. Werken op zee vraagt ook nog weer extra vaardigheden. Ze willen echt mensen van hier het onderhoud laten doen. Die molens staan er immers voor 20 jaar. En die mensen worden ook ingezet voor de bouw. Dus dat levert echte werkgelegenheid op voor mensen uit deze regio. Scheveningen heeft ook een voordeel voor dit soort bedrijven, omdat het een grote arbeidsmarkt te beiden heeft. Meer dan IJmuiden bijvoorbeeld.

Innovatie, de laatste prioriteit. De genoemde drie zijn ook al innovatief. Wat zijn de echte voordelen van de haven. Je bent in een paar minuten op zee. Onbelemmerde toegang tot de haven. Je zit meteen midden in de stad en in een kennisintensieve regio. Veel kennisinstituten richten zich op het water. Die haven is dus geschikt voor allerlei innovaties op de Noordzee. Dat kan gaan over golfenergie. Zeewierteelt. The Ocean Clean-up, zij het vooral de lancering van hun eerste prototype. De doop van de solarboat van TU Delft heeft hier plaatsgevonden, ook om ons meer bekendheid te geven. We zijn toegetreden tot valorisatie-programma ‘Kust en Waterbeheer’ rondom TU Delft. Veel startende bedrijfjes met innovatieve producten. Soms zijn we de eerste klant, de launching customer. Op andere momenten stellen we ruimte ter beschikking. De ‘Slam Dam’ is hier uitgeprobeerd op de Doctor Lelykade. Als vervanger van de zandzakken. Al die bedrijven kunnen van elkaar leren. Hebben we in de toekomst ook een specifieke plek voor: de oude kantoor van de Norfolkline. Komen woningen in en ruimte voor innovatieve bedrijven onder de naam Innoport. Of dat ook lukt weten we niet, maar als er geen ruimte is voor innovatieve bedrijven, dan lukt het zeker niet. Twee jaar geleden was er geen ruimte meer voor dit soort bedrijven. Alleen maar kantoorruimte. Je hebt daarnaast ook loodsen nodig, opslagruimte. Ook hiervoor zitten verschillende projecten in de pijplijn.

Ik maak een overstap naar de Norfolkline. Ze gingen weg omdat de schepen te groot werden. Zijn naar Vlaardingen gegaan. Zeshonderd banen weg. Veel laaggeschoold. Ik vraag Segeren of je dat soort banen weer terugkrijgt. Segeren zegt dat het om een probleem van de hele stad gaat. Den Haag heeft weinig banen in de logistiek of in productie. Dus zoeken we naar andere sectoren. En het is moeilijk om als je heel lang een ambtenarenstad bent geweest om zo maar een andere sector aan te trekken. Toerisme zou een kans kunnen bieden. Veel instapbanen. Je kan vaak gisteren daar al beginnen. Maar voor iedere baan heb je bepaalde vaardigheden nodig. De uitdaging is tweeledig. We hebben een bestand van mensen in een uitkering die moeten worden geactiveerd. En we hebben werkgelegenheid nodig voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Je moet dat goed uit elkaar houden. Als je een hotel bouwt heb je mensen nodig die de was doen, die de kamers schoonmaken. Maar of dat mensen zullen zijn die nu een uitkering hebben in Den Haag, is maar zeer de vraag.

En naast die prioriteiten heb je natuurlijk het toerisme. Ik vraag naar de synergie tussen haven en toerisme. Segeren vertelt over de kleinere cruiseschepen die de gemeente naar de stad wil halen. Lost het probleem van de werkloosheid niet op, maar het levert wel wat op. Daarnaast is Scheveningen een Tallship-friendly port. Daarnaast heeft die haven veel evenementen. De Volvo Ocean Race die hier gaat finishen. Dat leidt tot veel drukte en veel bestedingen in de stad.

We gaan in ons gesprek terug naar de mogelijke spanning tussen wonen en bedrijvigheid in de haven. Segeren beaamt dat. Milieuzones geven grenzen aan. Ook toerisme kan overlast geven. De visserij is niet het probleem. Dat hoort bij Scheveningen. Maar ja, het gaat ook om de werkelijke stank en het werkelijke geluid en de perceptie van de stank en de perceptie van het geluid. Ja, het ruikt hier naar vis en naar zee! Als ik er kom ruik ik het wel. Maar ik denk ook: ik ben weer op de mooiste plek van Den Haag!

Maar die spanning, ja, daar heb je een bestemmingsplan voor. En iedere overheid krijgt klachten. Dus ook over laden en lossen op verkeerde tijdstippen. Maar er zijn meer klachten over de hoogbouw van de woningen dan over de haven! Het gaat om het eigen uitzicht. Maar we hebben geen recht op uitzicht in Nederland. Scheveningers die klagen over al die nieuwbouw en over de bereikbaarheid. Maar er wordt ook veel nieuwbouw erg fraai gevonden. Een rondje lopen in de haven wordt belangrijk gevonden. Tegelijkertijd moeten sommige delen van de haven soms worden afgesloten. Het is een zeehaven. Voor de veiligheid moet je soms kades afsluiten bij laden en lossen. De douane wil zicht hebben op de drugs etc. Zo is dat nu eenmaal. Dus je kan niet altijd het ‘rondje haven’ lopen.

Ik wil afronden met de vraag wat een gemeente kan en wat een gemeente niet kan in dit soort ontwikkelingen. Segeren zei al: je kan het vooral verpesten. Segeren verwoordt het ook nog anders: Gemeentelijk beleid is een noodzakelijke voorwaarde voor economische ontwikkeling van de stad, maar geen voldoende voorwaarde. En soms komt het nieuwe bedrijf geheel uit zichzelf, maar dan moet je het toch nog weer vaak ruimtelijk faciliteren. Een bestemmingsplan geldt voor heel Nederland. Maar het is duidelijk: de gemeente zorgt niet voor werkgelegenheid, maar de bedrijven zorgen voor werkgelegenheid. Maar we kunnen die bedrijven wel helpen om het ondernemen net iets makkelijker te maken. Bijvoorbeeld door te luisteren wat hun behoeften zijn. Dat heet accountmanagement. Je kan soms in geval van innovatie een subsidie geven. Je kan ze dus ruimtelijk faciliteren door een bedrijfsterrein te bestemmen terwijl je weet dat de verkoop van grond voor nieuwe woningen veel meer oplevert. En je kan bedrijven die er nog niet zitten enthousiast proberen te maken. Vertellen over de kwaliteiten van die plek. En als dat verhaal kloppend is, kan je daarin succesvol zijn. Veel koffiedrinken, wat je ook moet doen in zo’n gebied, is op zich niet voldoende.

Persoonlijk trek ik de conclusie dat alleen om die reden de haven van Scheveningen toekomst heeft. Want Segeren heeft een kloppend verhaal.

 

Volgende pagina »