Geen enkele reden voor strengere maatregelen #corona

december 1, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Het lukt maar niet om het aantal besmettingen fors terug te dringen. De winkels zijn veel te vol. Black Friday geeft veel mensen vleugels. Burgemeester Jorritsma van Eindhoven spreekt al openlijk over een totale lockdown. Misschien is het beter om even nuchter te blijven. Want, wat is de echte stand van zaken? 

Het aantal besmettingen is redelijk stabiel. Maar die cijfers zeggen weinig. En de cijfers die er wel toe doen, geven geen aanleiding voor aanscherping van de regels.

Elke dag komen er drie nieuwe cijfers naar buiten: het aantal nieuwe besmettingen, het aantal nieuwe ziekenhuisopnames en het aantal nieuwe IC-opnames. Wat zeggen die cijfers werkelijk? 

Het ‘aantal nieuwe besmettingen’ suggereert dat het gaat om het aantal mensen dat in de afgelopen 24 uur besmet is geraakt. Maar dat is niet het geval. Het gaat hier om het aantal positieve tests. Van mensen die niet zijn getest, weten we niets. In de eerste golf werden alleen mensen die in het ziekenhuis werden opgenomen getest. Vanaf juni worden alle mensen die zich met klachten melden, getest. En vanaf vandaag worden mensen ook getest als ze geen klachten hebben. Als je daarbij bedenkt dat heel veel besmette mensen slechts milde of zelfs helemaal geen klachten hebben, wordt het aantal ‘nieuwe besmettingen’ dus voor een belangrijk deel bepaald door de neiging van mensen om zich te laten testen. En die neiging is niet constant: als we bang zijn laten we ons sneller testen en als we minder bang zijn kijken we het nog even aan. 

Het ‘aantal nieuwe ziekenhuisopnames’ zegt veel meer. Helaas weten we nog steeds niet welk percentage van alle mensen die besmet zijn, moet worden opgenomen in het ziekenhuis. Maar als we veronderstellen dat dit percentage in het afgelopen jaar niet veel is veranderd, geeft het ‘dagelijkse aantal nieuwe ziekenhuisopnames’ dus een goed beeld van de ontwikkeling van het virus. Dit cijfer aantal daalt al weken geleidelijk. Wat dat betreft is er dus geen enkele reden om nadere maatregelen te nemen, laat staan te praten over een totale lockdown. 

Het ‘aantal nieuwe ziekenhuisopnames’ mag iets zeggen over de ontwikkeling van het aantal besmette mensen, maar voorzover ik weet is het beleid er primair op gericht om de zorg niet te laten overlopen. Zolang de zorg het aan kan moeten samenleving en  economie zo weinig mogelijk worden belemmerd. In dat opzicht zegt het ‘aantal nieuwe ziekenhuisopnames’ onvoldoende. We weten immers niet hoeveel mensen dezelfde dag het ziekenhuis weer hebben verlaten. Om te weten of de zorg niet wordt overlopen moeten we de ‘bezetting’ weten: hoeveel mensen liggen er in het ziekenhuis en met name op de IC. Het befaamde onderscheid tussen incidentie (het aantal nieuwe gevallen) en prevalentie (het aantal mensen op een bepaald moment met een bepaalde aandoening). 

Het beleid heeft dus behoefte aan twee cijfers: het dagelijkse aantal nieuwe ziekenhuisopnames (als indicator voor toe- of afname van aantal nieuwe besmettingen) en de bezetting van de IC-bedden (als indicator voor de mate waarin de zorg wordt overlopen). 

Conclusie: bestuurders zouden zich niet moeten laten leiden door die dagelijkse meldingen van ‘nieuwe aantallen besmettingen’. Laten ze vooral oog hebben voor de bezetting op de IC’s en laten ze elke dag met een schuin oog kijken naar het aantal nieuwe ziekenhuisopnames, omdat die een indicatie geven voor de IC-bezetting over een week. 

Op dit moment daalt het aantal nieuwe ziekenhuisopnames heel geleidelijk. Op dit moment daalt de IC-bezetting heel geleidelijk. Er is dus geen enkele reden voor strengere maatregelen. Laat staan voor paniek. 

En dan mogen we ook nog bedenken dat spoedig de eerste mensen worden gevaccineerd. Ik heb net weer met 6 miljoen andere Nederlanders een griepprik gekregen (effectiviteit ongeveer 50%). De nieuwe COVID-19-vaccins hebben een veel hogere effectiviteit. Als Hugo de Jonge in staat is om diezelfde 6 miljoen Nederlanders in januari een COVID-19-vaccin toe te dienen, stromen de IC’s in korte tijd leeg. 

Deel dit bericht:

Wie horen ambtenaren te dienen #toeslagenaffaire

november 24, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

De Toeslagen-enquête zou een feest voor elke bestuurskundige zijn, als de aanleiding niet zo ongelofelijk schrijnend was. Niettemin, er komt veel boven water. En ik hoop dat werkelijk alles boven tafel komt. Ik ben daar nog niet helemaal zeker van als ik de Enquête-commissie haar vragen hoor stellen. Zo stelde het kamerlid Belhaj aan Lodewijk Asscher de vraag of hij het niet vreemd vond dat “uw ambtenaren het probleem niet belangrijk genoeg vonden om het u te vertellen”. Die vraag suggereert twee dingen: ten eerste dat ambtenaren problemen kennen en ten tweede dat ambtenaren problemen aan hun minister vertellen. Over beide aspecten valt nog wel iets op te merken. 

We weten allemaal dat de top-ambtenaren in de laatste decennia in een carroussel zijn terechtgekomen. Iedereen moet na 7 jaar plaatsmaken voor een ander en bij voorkeur moeten ambtenaren na 7 jaar een overstap maken naar een ander departement. Beide gedachten zijn niet zo vreemd. Na 7 jaar is van iedereen wel het beste af, en het is interessant om na 7 jaar een probleem ook eens van een andere kant te bekijken. Problematisch is wel de gedachte die aan deze carroussel ten grondslag ligt: in de ambtelijke top gaat het primair om het proces. Voor de inhoud heb je vooral de lagere ambtenaren. 

Het heeft me vaak verbaasd als ik top-ambtenaren sprak (de goede niet ten nagesproken). Dat ze eigenlijk niet zoveel wisten van het onderwerp waarvoor ze verantwoordelijk waren. Niet omdat ze het verstand daarvoor niet hadden, maar omdat ze meenden dat dat niet zo belangrijk was. Ooit sprak ik een directeur luchthavens die na 3 jaar in functie nog geen idee had hoe de geluidsoverlast rondom Schiphol werd berekend. Ooit kwam ik een directeur-generaal Milieu tegen die geen notie had van het milieu. Etc. 

Zij stonden voor een breder probleem: mensen werden benoemd omdat ze goede procesmanagers waren en niet omdat ze veel van de inhoud wisten. En: eenmaal benoemd deden ze weinig moeite om zich werkelijk in de inhoud te verdiepen. Overigens is het mij altijd een grote vraag geweest hoe je een goede procesmanager kan zijn zonder je in de inhoud te verdiepen. Het verbaast me dus niet dat de directeur Kinderopvang van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid pas na 2 jaar begreep dat er iets mis was met het toeslagen-beleid. 

Laat duidelijk zijn: top-ambtenaren horen te weten hoe processen in Den Haag verlopen en horen te verlopen. Maar daar stuiten we wel meteen op een tweede probleem. Het is, alweer de laatste twee decennia, voor top-ambtenaren steeds belangrijker geworden om hun eigen minister uit de politieke wind te houden. Niet het voeren van een goed beleid lijkt hun eerste prioriteit, maar het voorkomen van politieke schade van de minister. Beter een minister die niks doet dan een minister die schrammen oploopt. 

Bij dat denken past het om je minister juist niet te vertellen welke problemen er dreigen. Hoe meer de minister weet, hoe dieper hij in de problemen kan komen. Als de minister van een probleem weet kan hem worden verweten dat hij niets heeft gedaan, als een minister van een probleem onwetend is gehouden kan hem alleen worden aangewreven dat hij formeel verantwoordelijk was. Het is niet denkbeeldig dat ook sommige ministers om die reden tegen hun ambtenaren zeggen dat ze bepaalde zaken niet willen weten. 

Als het je taak is om vooral je eigen minister uit de wind te houden, kijk je anders naar je minister, naar de Kamer en naar andere departementen. Uit de Kamer dreigt vooral gevaar en de eigen problemen moeten vooral over de schutting van het andere departement worden gegooid. Zo geeft de Belastingdienst de schuld aan het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en omgekeerd. De neiging om je eigen minister vooral uit de wind te houden heeft daarmee de verkokering tussen de departementen alleen maar versterkt. Het is dan ook tamelijk cynisch dat diezelfde top-ambtenaren na 7 jaar moeten circuleren om de verkokering tussen departementen tegen te gaan. 

Ik hoop dan ook dat de Toeslagen-enquête het volgende duidelijk maakt: 

  • dat top-ambtenaren zich, ook als ze regelmatig moeten verkassen, altijd inhoudelijk moeten verdiepen in het onderwerp waarvoor ze de volgende 7 jaar verantwoordelijk zijn;
  • dat top-ambtenaren bij uitstek inhoudelijk moeten worden gedreven en niet procesmatig (wat het laatste ook mag betekenen) en
  • dat de primaire aandacht van top-ambtenaren moet liggen bij het realiseren van het beleid van de minister en niet bij diens lijfsbehoud. 

[verscheen in De Volkskrant, 27 november 2020]

Deel dit bericht:

Het ongemotiveerde advies van de #Gezondheidsraad

november 23, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Op korte termijn komt een vaccin beschikbaar tegen COVID-19. Omdat we niet allemaal tegelijkertijd kunnen worden gevaccineerd, moet een prioriteit worden vastgesteld: wie krijgt als eerste een vaccin en wie daarna? Het kabinet heeft de Gezondheidsraad om advies gevraagd. De Gezondheidsraad heeft de afgelopen geadviseerd om bij het vaccineren voorrang te geven aan “het verminderen van (ernstige) ziekte en sterfte ten gevolge van COVID-19”. Dat is geen onlogisch advies, maar het advies wordt nergens gemotiveerd. 

De Gezondheidsraad onderkent drie mogelijke strategieën (of een combinatie van deze drie): 

  1. Verminderen van (ernstige) ziekte en sterfte ten gevolge van COVID-19: bij het vaccineren moet voorrang worden verleend aan kwetsbare mensen, aan ouderen en met name aan ouderen met onderliggend lijden. Ook zouden zorgmedewerkers voorrang kunnen krijgen. 
  2. Terugdringing van de verspreiding van het virus: groepen die het meeste bijdragen aan de verspreiding van het virus komen als eerste in aanmerking voor vaccinatie. 
  3. Voorkomen van maatschappelijke ontwrichting (waarborgen van continuïteit in de zorg, maar ook van veiligheid, onderwijs en openbaar bestuur): bij vaccinatie wordt voorrang gegeven aan mensen die werken in zorg en in andere vitale beroepen. 

De Gezondheidsraad meldt dat een keuze afhankelijk is van nog ontbrekende wetenschappelijke gegevens (misschien beschermt het vaccin bepaalde bevolkingsgroepen beter dan andere) en van “normatieve overwegingen”. Vervolgens kiest de Gezondheidsraad zonder enige nadere duiding van die “normatieve overwegingen” voor strategie 1.

Laat ik eerst vaststellen dat er (minimaal) twee strategieën ontbreken. Zo is de derde strategie wel erg summier verwoord. COVID-19 zorgt niet alleen voor ontwrichting van vitale maatschappelijke sectoren, COVID-19 zorgt ook voor heel veel maatschappelijke kosten: economische krimp, werkloosheid, schoolachterstanden, verschraling van cultureel en sociaal leven, etc., etc. Deze maatschappelijke kosten kan je afwegen tegen maatschappelijke kosten ten gevolge van sterfte en ernstige ziekte. Bij maatschappelijke kosten- en batenanalyses wordt de waarde van een levensjaar vaak ingeschat op € 80.000. De volgorde van het vaccineren zouden we dus ook kunnen richten op het optimaal terugdringen van de maatschappelijke kosten die met COVID-19 zijn verbonden. Het zou me niet verbazen dat je met het vaccineren van al het onderwijzend personeel de maatschappelijke kosten van COVID-19 verder terugdringt dan met het vaccineren van alle bewoners van alle verpleegtehuizen. 

De vierde strategie is erg economisch gedacht, bijna cynisch. Er is natuurlijk ook een strategie denkbaar die daar bijna haaks op staat: een strategie gericht op barmhartigheid. We zouden ook eerst kunnen denken aan de mensen die het toch al moeilijk hebben (en daarom ook vaak kwetsbaar zijn). Dus eerst vaccineren in Amsterdam-West, Rotterdam-Zuid en in de verpleeghuizen, om enkele voorbeelden te noemen. 

Ik onderken dus nog twee andere strategieën: 

  1. Optimaal terugdringen van maatschappelijke kosten van COVID-19.
  2. Barmhartigheid. 

Ik noem die laatste strategie niet zonder reden. Het maakt extra duidelijk dat de keuze voor een strategie een politieke, normatieve keuze is. Die keuze heeft niets met wetenschap te maken. Je moet de Gezondheidsraad (een club van vooraanstaande wetenschappers) dan ook niet vragen wat je moet doen, maar alleen: wat je zou kunnen doen. 

Maar de Gezondheidsraad had ook zelf kunnen zeggen dat het niet aan de wetenschap maar aan de politiek is om tussen de verschillende strategieën te kiezen. De Raad had ook zelf kunnen zeggen dat de wetenschap nooit zegt welke normatieve keuze beter is. 

Je kan het ook positief zijn: eigenlijk is het verheugend dat de Gezondheidsraad zijn keuze voor de eerste strategie nergens heeft gemotiveerd. Blijkbaar wist men zelf ook wel dat het hier niet om een wetenschappelijke maar om een politieke keuze ging. Maar vreemd is het wel om een ongemotiveerd advies uit te brengen aan de regering. 

Zie ook: De mystiek van het R-getal.

Deel dit bericht:

De #PvdA wil vooral de vorige oorlog winnen

november 16, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

De PvdA heeft haar verkiezingsprogramma gepubliceerd. Er is hard aan gewerkt door veel mensen. Dankbaarheid is op zijn plaats. Maar het programma stelt me wel erg teleur. Gelukkig staat de PvdA erom bekend dat intern kritiek niet wordt geschuwd. Dus ik bewijs met dit kritische blog vooral dat ik echt bij die club hoor. 

Waarom stelt het nieuwe verkiezingsprogramma me zo teleur?

Bovenal bereidt het programma ons voor op de vorige oorlog. Eigenlijk staat het hele programma in het teken van Rutte II. Deelname aan dat kabinet kwam de PvdA op een groot verlies te staan, zeker nadat Samsom en Asscher ook nog eens een beschamende tweestrijd waren aangegaan. Het is begrijpelijk dat het nu anders moet. Maar ik lees dat hele verkiezingsprogramma toch vooral als een aanval op Rutte II. En als een schuldbekentenis. Terwijl ik liever wil horen wat de PvdA voor de toekomst in petto heeft. 

Het nieuwe programma staat ook in het teken van “zekerheid”. Dat verbaast niet omdat Asscher al twee jaar om de drie zinnen over “zekerheid” praat. (Ja, inderdaad, omdat Rutte II te weinig zekerheid bood.) Maar je merkt ook dat het begrip door een communicatiebureau is bedacht. Het wordt namelijk nergens geproblematiseerd, ook niet in dit verkiezingsprogramma. Soms gaat het over “bestaanszekerheid”, meestal gewoon over “zekerheid”. In een eerder blog heb ik me al afgevraagd door wie die “zekerheid” wordt gedefinieerd. Door de partij-elite of door de mensen die zekerheid wordt geboden. De grote vraag daarbij is: staat de PvdA open voor de onzekerheid van de mensen die ze zekerheid wil bieden?

Het is bekend dat de traditionele achterban van de PvdA zich onzeker voelt door de komst van migranten. Wat je daar ook van vindt, ik heb niet het gevoel dat de PvdA die onzekerheid met dit programma wil wegnemen (omdat migratie niet wordt geproblematiseerd). Het is bekend dat de traditionele achterban van de PvdA zich onzeker voelt over de kosten van het klimaatbeleid. Ik heb niet het gevoel dat de PvdA die onzekerheid wil wegnemen omdat een krachtig klimaatbeleid bestaanszekerheid biedt aan toekomstige generaties. Daarmee is ook meteen duidelijk dat een beleid dat zekerheid biedt voor de één, wel eens tot een grotere onzekerheid voor de ander kan leiden. Zo wordt zekerheid bieden een loos begrip. Je zal altijd helder moeten aangeven wie je zekerheid wil bieden (en wie eventueel niet). 

Eerlijk gezegd mis ik niet alleen een problematisering van het begrip “zekerheid” in het nieuwe verkiezingsprogramma. Ik mis vooral een bredere visie waarin al die afzonderlijke voorstellen elkaar kunnen versterken. En bovendien zeggingskracht krijgen. Nu lijkt het er vooral op dat elk lid van de programmacommissie zijn voorstellen mocht indien en dat de voorzitter al die voorstellen in 9 hoofdstukken (over werk, zorg, onderwijs etc) heeft gerubriceerd. Maar rubriceren is iets anders dan samenhang aanbrengen. 

In bestuurskunde spreken we wel over de garbage can: een wilde verzameling aan doelen en middelen, waarbij niet duidelijk is welke doelen bij welke middelen horen en omgekeerd. Ja, dit verkiezingsprogramma doet me daar erg aan denken. En eerlijk: bij alle doelen en bij alle middelen krijg ik een warm gevoel. Maar dat is niet voldoende voor een visie op de samenleving, laat staan voor een consistent beleid. 

Maar uiteindelijk stelt het programma mij vooral teleur omdat “zekerheid” zo weinig vernieuwend wordt ingevuld. De sociaal-democratie staat niet alleen voor bestaanszekerheid, maar ook voor vooruitgang. De PvdA is altijd een progressieve partij geweest. Dat onderscheidt de PvdA ook van een partij als de SP, die vooral de eigen denkbeeldige achterban wil beschermen. Juist daarom mis ik in dit verkiezingsprogramma antwoorden op de grote vragen van dit moment. 

Wat wil de PvdA nu echt met de migratie, met de globalisering, met Europa? Wat is het echte antwoord van de PvdA op het populisme? Wat wil de PvdA in een wereld waarin de algoritmes een machtsbron zijn voor een handvol techbedrijven? Wat gaat de PvdA werkelijk doen tegen de steeds grotere wordende vermogensverschillen, in eigen land en internationaal? Streeft de PvdA bij de bestrijding van de kansenongelijkheid in de samenleving naar het meritocratisch ideaal of naar een waardig bestaan voor iedereen? En wat wil de PvdA nu echt met klimaat, stikstof en natuur, afgezien van enkele brave holle woorden. Geen idee. 

Ik begrijp dat de PvdA nog steeds worstelt met Rutte II en de dramatische verkiezingen van 2017. Maar dit programma kijkt echt te veel terug. Ik vrees dat we tot 2025 moeten wachten voordat de PvdA weer vernieuwend zal zijn.

Deel dit bericht:

Twaalfde Triomf van de stad start niet in oktober 2020

oktober 16, 2020 by  
Filed under De Stad, Geen categorie, Voorpagina

Sinds 2012 organiseren Karen Ephraim en ik de leergang Triomf van de Stad. Een prachtige leergang met veel topwetenschappers én met veel praktijkmensen. Geheel ontworpen voor stedelijke strategen. Over de ontwikkeling van de steden en over het antwoord dat de overheid daarop zou kunnen geven. Sinds 2012 hebben 11 groepen van 10-16 deelnemers de leergang gevolgd. De belangstelling lijkt alleen maar toe te nemen. Het was dan ook heel vanzelfsprekend om dit jaar door te gaan met de 12e editie.

Maar COVID-19 heeft roet in het eten gegooid. Er was te veel twijfel. Waarom zou je wel de hele week thuiswerken, en toch op cursus gaan? Daarom is de 12e jaargang een jaar uitgesteld. In september 2021 starten we weer, als COVID-19 het tegen die tijd wel toelaat. Met de cursisten die zich al hebben aangemeld, en met anderen die nog willen aansluiten.

De data worden nog vastgesteld. En we zullen het gedwongen tussenjaar benutten om de leergang nog eens grondig tegen het licht te houden. We willen nog meer praktijkvoorbeelden en we willen nog meer interactie.

Zolang het programma nog niet gereed is, staat hieronder het programma van de leergang die nooit zou plaatsvinden.

Deel dit bericht:

De triomf van de stad verbleekt

juni 11, 2020 by  
Filed under artikel, De Stad, Geen categorie, Voorpagina

De Triomf van de stad leek oneindig. Steden als brandpunt van de economie, van de innovatie en dus ook van de economische groei. Steden als knooppunt van internationale netwerken en als de place to be. Steden als gastheer van al de kenniswerkers die de nieuwe kenniseconomie vorm geven. Het leek alsof het voor altijd was. 

Ik geef al jaren les in stedelijke ontwikkeling. Vaak ook aan stedelijke strategen. En elke keer zijn zijn zij verrast als ik vertel dat Amsterdam in de jaren 80 er nog heel slecht voor stond en dat in de jaren 60 iedereen nog naar Rotterdam keek, voor innovatie, voor welvaart en groei. Hoe snel het kon veranderen. Het was toch zo logisch dat in Amsterdam de bomen tot in de hemel groeiden? Dat klopt, maar vijftig jaar geleden was alles anders, en over vijftig jaar zal weer alles anders zijn. 

Twee simpele redenen. Ten eerste: elk voordeel wordt zijn eigen nadeel. Agglomeratievoordelen kunnen in agglomeratienadelen verkeren. We zagen het de afgelopen jaren al in Amsterdam. Te veel toeristen, te veel drukte, te veel Airbnb, zelfs te veel kenniswerkers. Moesten we nog wel blij zijn met het EMA? Weer 900 hoogopgeleide mensen erbij die de huizenprijzen zouden opjagen. 

Maar er is een tweede reden die nog veel belangrijker is: de structuur van de economie  evolueert altijd. Dat gebeurt geleidelijk en soms met kleine schokjes. En corona zou wereldwijd best eens zo’n schokje teweeg kunnen brengen. In dat opzicht zijn de laatste demografische cijfers van Amsterdam bijna schokkend. 

In het begin van 2020 was alles nog normaal: de steden groeiden, de Randstad groeide en Oost-Groningen, de Achterhoek, Limburg en Zeeuws-Vlaanderen krompen. Nadat de coronacrisis eenmaal goed opgang was zag je een heel ander beeld. In de weken 13-16 (van 2020) groeide Drenthe, groeide de Achterhoek en groeide Zeeland. En krimp was er nog steeds in Oost-Groningen, in Limburg, maar ook in Zuid-Oost Brabant en zelfs in de regio Amsterdam. 

Volgens het CBS deed de grootste verandering zich voor in Groot-Amsterdam. In de weken voor de coronacrisis groeide de bevolking daar met 34 per 100.000 inwoners per week. Nadat de crisis was ingetreden was er een krimp van 23 per100.000 inwoners. Die krimp werd geheel veroorzaakt door een vertrekoverschot. Want terwijl er bijna in heel Nederland sprake was van een sterfteoverschot, had de regio Amsterdam in de genoemde weken nog steeds een geboorteoverschot. Amsterdam had ook een binnenlands vertrekoverschot. Maar dat was niet nieuw.

Wat echt nieuw was voor Amsterdam was het buitenlandse vertrekoverschot. De buitenlandse migratie ging van + 41 per 100.000 inwoners voor de crisis naar -8 per 100.000 inwoners per week tijdens de crisis. Dat kwam niet zozeer door het vertrek van Amsterdamse inwoners naar het buitenland, maar vooral door het feit dat de instroom van arbeidsmigranten (kenniswerkers) uit India, USA en Europese landen nagenoeg stil viel. En juist die toestroom uit het buitenland was zo bepalend voor de groei van Amsterdam in de laatste jaren. Zo ging een stad die recentelijk nog 1000 inwoners per maand groeide, in korte tijd over op krimp. Dat hadden vooral mijn Amsterdamse cursisten nooit kunnen denken. 

Ik weet het: het is een momentopname. Maar het zou heel goed kunnen dat het beeld van de triomferende stad in de komende jaren verbleekt. Als we er even van uit gaan dat een vaccin tegen COVID-19 niet morgen wordt gevonden. Overigens ook als dat vaccin morgen wel wordt gevonden, zullen de gevolgen voor de steden groot zijn. Met name omdat een aantal ontwikkelingen elkaar gaat versterken.

  • De economische krimp zal groter zijn dan wij allen in ons leven hebben meegemaakt. De inkomens zullen dalen, de werkloosheid zal fors toenemen. Vooral dat laatste zal de tweedeling in alle steden accentueren. We zien in de laatste weken al dat het aantal WW-ers en het aantal bijstandstrekkers in Amsterdam de snelste stijging te zien geeft van heel Nederland. Het is te vrezen dat alle steden door die scherpere tweedeling rauwer zullen worden.
  • De horeca, de cultuur en de winkels hebben al enorme klappen opgelopen. Daarvan  zullen velen het loodje leggen. Dat zal ongetwijfeld leiden tot een enorme verschraling van de consumer city. Dat wordt nog eens versterkt door het feit dat minder mensen minder kunnen consumeren door een forse terugval in hun inkomens. 
  • Het toerisme is voorlopig ingestort. Dat is volgende maand niet anders. Zo lang de wereld niet corona-vrij is zullen de verre reizen worden gemeden. En als de wereld wel corona-vrij is, zal het nog jaren duren voordat het toerisme het oude niveau weer heeft bereikt. Mensen zullen wereldwijd minder te besteden hebben en dus ook minder kunnen uitgeven aan verre reizen. Bovendien zou het me niet verbazen als de overheden een andere houding gaan aannemen tegenover het toerisme en tegenover de luchtvaart. En de prijzen van de vliegtickets hoeven maar weinig hoger te worden om grote gevolgen te hebben voor het toerisme. Ook van de terugval van het toerisme zullen de horeca en het winkelbestand de gevolgen ondervinden. En wie zijn zolderkamer niet meer via Airbnb kan verhuren, ziet de waarde van zijn huis dalen. 
  • De kenniseconomie draait vooral op kenniswerkers die wereldwijd naar de steden trekken. Dat zijn vaak de aantrekkelijke steden. Met veel voorzieningen, met een hoogstaand winkelbestand, met veel culturele voorzieningen. Zeg maar, steden met een aantrekkelijk leefklimaat. Als corona leidt tot een verschraling van deze consumer cities, worden steden dus ook minder aantrekkelijk voor kenniswerkers. En als er minder kenniswerkers naar de steden komen, zal de stedelijke economie minder snel groeien. 
  • Kenniswerkers kwamen niet alleen uit het eigen land, maar ook in belangrijke mate uit het buitenland. Het is zeer de vraag is of ze na de crisis gewoon gewoon weer zullen komen. In ieder geval zal het even duren, misschien wel een paar jaar na de vondst van een vaccin. Maar het is ook denkbaar dat de coronacrisis de globalisering (aanzienlijk) afzwakt. In Nederland gaan veel stemmen op om voortaan minder afhankelijk te zijn van het buitenland (eigen mondkapjes, eigen medicijnen). Dat betekent dat de maakindustrie niet aan het buitenland (China) moet worden gelaten. Dat we weer meer zelf moeten maken, moeten produceren. Waarom zouden de kenniswerkers dan voortaan ook niet thuis blijven?
  • Relevant is dat ook al voor de crisis de globalisering op grote weerstand begon te stuiten. De verkiezing van Trump en de Brexit zijn daarvan de bekende voorbeelden. Maar wat in de USA en in het UK gebeurde stond niet op zichzelf. De globalisering wordt overal genuanceerder bezien. Globalisering mag bijdragen aan een grotere welvaart, maar het is ook duidelijk dat die welvaart niet aan iedereen ten goede komt. De schaduwzijden van de globalisering werden overal in de wereld meer herkend. Leidt Corona ertoe dat we globalisering definitief anders gaan bezien?
  • De rijke Westerse wereld trok niet alleen kenniswerkers aan, maar ook asielzoekers en arbeidsmigranten. Ook die migratie lijkt in de coronacrisis sterk af te nemen en zal tijd nodig hebben om weer op gang te komen. De snelheid daarvan zal ook afhangen van de vraag hoe zeer onze economie flonkert. 
  • Demografisch verandert er wellicht nogal wat. En als er minder kenniswerkers uit het buitenland naar de Nederlandse steden komen en als de huizenprijzen in de steden (fors?) gaan dalen, kan het voor Nederlandse gezinnen weer aantrekkelijker worden om in de stad te blijven wonen. En geen woning met een tuin te zoeken in de omgeving. Of staat de stad ook in het binnenland voortaan op achterstand?

Steden blijven steden. Steden blijven de plekken waar de innovatie plaatsvindt. Steden blijven de knopen in een internationaal netwerk. Het is niet gedurfd om dit allemaal te voorspellen. Maar er gaat wel iets veranderen. En zoals de Triomf van de stad onder invloed van de kenniswerkers vooral in Amsterdam zichtbaar was, zo zal ook de teruggang Na Corona vooral in Amsterdam zichtbaar zijn. Minder buitenlandse immigratie, minder toerisme, minder voorzieningen. 

Wordt Amsterdam daarmee weer meer vergelijkbaar met de andere steden? Of zakken de andere steden even hard weg. Dat laatste is niet te verwachten, maar dat alle steden klappen krijgen na het bizarre voorjaar van 2020 is duidelijk. En er is wel een groot verschil met Amsterdam. In die laatste stad kookte het in de laatste jaren soms werkelijk over. De drukte was soms niet meer te harden. De huizenprijzen rezen de pan uit. Voor starters was er nog maar nauwelijks plek. Het is niet erg om die stad voor een paar jaar weer terug te geven aan de eigen inwoners. 

Voor de andere Nederlandse steden ligt dat anders. Oké, Utrecht en Eindhoven draaiden ook heel goed. Maar van oververhitting was nog geen sprake, met name omdat de toeristen daar grotendeels ontbraken. Rotterdam begon net een beetje aan te haken, Den Haag dreigde echt achterop te raken. Als de steden minder internationaal worden en als de werkloosheid fors oploopt zullen vooral Den Haag en Rotterdam het zwaar krijgen. Dus wat voor Amsterdam ook nog een klein beetje positief is, is dat zeker niet voor Rotterdam en Den Haag. 

Waar de voorzieningen in de steden verschralen, wordt het platteland aantrekkelijker. De rust en de ruimte zijn daar door Corona niet verdwenen, zelfs intenser beleefd. Ja, groot-ziener Rem Koolhaas heeft het een aantal maanden geleden al voorspeld: de toekomst is aan het platteland. Ik zie minder groot en trek die conclusie nog niet. Maar dat Corona gevolgen heeft voor de economische en daarmee ook voor de geografische structuur van het land, zou me zeker niet verbazen. 

En dan volgt de onvermijdelijke disclaimer: naarmate corona langer onder ons zal zijn (omdat het moeilijk lukt om een vaccin te ontwikkelen), zal de economische depressie dieper zijn, zullen de grenzen langer als barrières worden gezien, zullen de internationale kenniswerkers én de toeristen anger weg blijven en zullen de gevolgen van voor de steden groter zijn. Maar dat de triomf van de stad verbleekt is eigenlijk nu al onvermijdelijk. 

Deel dit bericht:

Triomf van de stad: de leergang

september 8, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad, Voorpagina

triomf

De leergang

Sinds 2012 organiseer ik de leergang Triomf van de stad voor stedelijke strategen. Een keur van docenten wisselen prachtige praktijkcasus af. Om die reden slaan we onze tenten steeds weer in een andere stad op. Samen met Karen Ephraim zorg ik zelf voor de verbinding. De leergang beslaat zes modules van twee dagen. In oktober 2020 start de 13e groep. Voor nadere informatie zie: Triomf van de stad 2021. Voor aanmelding kan men mailen naar: wimderksendh@gmail.com. In onderstaande essay geef ik de rode draad van de leergang weer, inclusief leervragen.

De rode draad

De woningprijzen in Amsterdam stijgen nog steeds snel. Huizen worden boven de vraagprijs verkocht. Er wordt grof geld betaald om in die stad te mogen wonen. Ook andere steden gaat het momenteel voor de wind. Nog niet zo lang geleden was dat wel anders. In de jaren 60 verlieten veel inwoners hun steden. Dat was toen heel begrijpelijk. Veel steden waren vies en verpauperd. Hoeveel beter was het leven in de nieuwe groeikernen! Het is bijna onvoorstelbaar hoe hard de steden in die tijd zijn gekrompen. Nog steeds heeft Amsterdam minder inwoners dan in de jaren 50 en 60.

Toch was die trek naar het platteland, die suburbanisatie, een tijdelijk fenomeen. In het algemeen is niet ontstedelijking maar verstedelijking de norm. Mensen hebben de neiging naar steden te trekken. Op dit moment woont al meer dan de helft van de wereldbevolking in steden. En dat is niet zo vreemd, omdat in steden voor veel mensen werk is te vinden. Omdat de meeste bedrijven in steden zitten. Die bedrijven zitten daar om een hele simpele reden: in de stad zijn ze productiever. Ruimtelijk economen weten dat hetzelfde bedrijf buiten de stad 7% minder productief zou zijn. Daarom zitten bedrijven in de stad en trekken mensen van het platteland naar de stad.

Waarom is het bedrijf in de stad productiever? Er zijn drie goede redenen voor. Ze hebben allemaal te maken met ‘bevolkingsdichtheid’ en met ‘massa’. In jargon spreken we over: matching, sharing en learning.

  • Matching: bedrijven in de stad profiteren van de afzetmarkt in hun directe omgeving. Dat scheelt transportkosten. Minstens zo interessant is het feit dat de arbeidsmarkt in de steden veel beter is. Hoe meer mensen op reisafstand, hoe meer keuze je hebt en hoe beter je personeel. Er vindt een betere match plaats.
  • Sharing: omdat een stad veel andere bedrijven huisvest, is er een tweede voordeel: bedrijven kunnen zich specialiseren. Wat ze niet meer in huis hebben, kopen ze om de hoek bij een ander bedrijf in. En hoe meer specialisten hoe hoger de kwaliteit van het werk.
  • Learning: hoe meer bedrijven in de directe omgeving, hoe meer kansen om iets van elkaar te leren. En hoe groter de kans dat gezamenlijk nieuwe producten worden ontwikkeld. Denk ook aan de betekenis van universiteiten en andere kennisinstellingen voor het lokale bedrijfsleven.

Matching, sharing en learning zijn allemaal agglomeratievoordelen. Omdat er massa is, ontstaan voordelen, die bedrijven op het platteland ontberen.

Er is iets bijzonders aan de hand met agglomeratievoordelen. Ze zijn zelfversterkend. Omdat de productiviteit in de stad hoger is, zijn de lonen daar hoger. En vanwege die hogere lonen, worden betere mensen aangetrokken. En omdat die betere mensen komen, worden de lonen nog hoger en komen er nog meer betere mensen. Als dat vliegwiel eenmaal in beweging is, kan zo’n stad steeds productiever en steeds rijker worden. Het stijgen van huizenprijzen hoort daarbij. De hoogte van de huizenprijzen is zelfs één van de beste indicatoren voor de welvaart en het succes van een stad. Je moet gemeentebesturen dan ook wantrouwen als ze zeggen dat hun stad zo aantrekkelijk is omdat de huizenprijzen zo laag zijn. Als de huizenprijzen laag zijn, betekent dat maar één ding: de stad is niet aantrekkelijk genoeg.

De triomf van de stad is niet van alle tijden

Uit het voorgaande zou je kunnen opmaken, dat het alleen maar beter kan gaan met steden als dat vliegwiel eenmaal in beweging is. Maar dat vliegwiel is geen automatisme. Zie de teruggang van de steden in de jaren 60 en 70. Waren er toen geen agglomeratievoordelen die de productiviteit van de bedrijven in de steden opjoegen? Die waren er wel, maar twee andere factoren waren van meer gewicht. Zo kent een stad niet alleen agglomeratievoordelen, maar ook agglomeratienadelen. De ‘massa van de stad’ zet de kwaliteit van leven soms ernstig onder druk. Dat gold zeker in de jaren 60 toen de vele fabrieken in de steden het leefklimaat ernstig aantasten. Het leefklimaat in de stad kan zo slecht zijn dat mensen liever elders een minder interessante baan accepteren. Die afweging gaat inderdaad ten koste van de match van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. En leidt dus ook maatschappelijk gezien tot welvaartsverlies. Maar die mensen woonden nu eenmaal liever in een rustiek dorp dan in die vuile stad.

Maar er kwam nog iets interessants bij: juist in die tijd brak de auto door als vervoermiddel voor Jan en Alleman. En met de auto werd de stad ook goed bereikbaar vanuit de nieuwe groeikernen en vanuit het kleine rustieke dorp in het Groene Hart. Je zou kunnen zeggen: door de komst van de auto werden de agglomeraties gewoon veel groter. En hoefde je die interessante baan niet op te geven als je de stad verliet om ergens anders te gaan wonen. Dat gold al helemaal toen ook veel bedrijven de steden verlieten, om ergens aan de rand van de snelweg optimaal per auto bereikbaar te zijn.

Vanaf de jaren 80 is deze ontwikkeling geleidelijk weer omgeslagen. Ten eerste zijn de fabrieken in de steden gesloten. Er zijn overal nette industrieterreinen gekomen, die later werden omgedoopt tot bedrijventerreinen, toen de Nederlandse industrie in snel tempo inzakte en het stokje overdeed aan de zakelijke dienstverlening. De steden werden daardoor weer veel aantrekkelijker. Ook sloeg het politieke klimaat om. De gemeentebesturen begonnen hun steden weer te koesteren, in plaats van ze massaal gereed te maken voor het snelle autoverkeer. Stadsvernieuwing en later stedelijke vernieuwing kwamen in de plaats van sloop en verkeersdoorbraken. ‘Bouwen voor de buurt’ en historische karakteristieken voerden daarbij de boventoon. Omdat burgers zich prettiger voelden bij de geborgenheid van de oude stad dan bij de tochtgaten van de jaren 50 en 60. Bovendien maakte een krachtig beleid de steden weer veel veiliger. Zo verdwenen gaandeweg de agglomeratienadelen die velen op de vlucht hadden gejaagd.

Vanaf de eeuwwisseling heeft zich daar een krachtige factor bijgevoegd: het ontstaan van de ‘kenniseconomie’, ook wel aangeduid met ‘creatieve economie’. Kennis (en opleiding) werden steeds dominanter in de nieuwe economie. Het gaat tegenwoordig steeds minder om de eindeloze herhaling van de productie en steeds meer om het bewerkstelligen van unieke innovaties. En volgens velen, waaronder de econoom Ed Glaeser, zijn daarvoor face-to-face contacten van groot belang. Juist in dat rechtstreekse contact tussen mensen ontstaan nieuwe en onverwachtse producten. En producten moeten we hier heel breed opvatten. Van een format voor een nieuw TV programma tot een nieuwe beleggingshypotheek waarvan de burgers en vooral de banken beter worden.

Ook de rol van kennisinstellingen is in deze ontwikkeling sterk veranderd. Waren universiteiten bijvoorbeeld vroeger vooral opleidingsinstituten, tegenwoordig werken ze ook nauw samen met bedrijven die zich in de directe omgeving hebben gevestigd. Zo ontstaat het idee van de ‘campus’ en de ‘valley’. Op de High Tech Campus in Eindhoven ontstaan tal van innovaties op het snijvlak van bedrijven en TU/e. Hetzelfde geldt voor de FoodValley rondom de WUR in Wageningen. Amsterdam is met zijn twee universiteiten en al zijn kenniswerkers een campus op zich.

Zo keren oude patronen terug. De steden groeien weer. De jeugd trekt voor een opleiding naar de stad en reist na het afstuderen niet meteen verder naar een woning met een tuin in een voorstad. Of naar een opgeknapte arbeiderswoning tien kilometer verder. Dat waren de jaren 70. Toch is alles relatief, want nog altijd kent de stad voor mensen boven de 30 een vertrekoverschot: er verlaten nog steeds meer 30-ers en 40-ers de stad dan erin komen. Maar dit vertrekoverschot wordt op dit moment snel kleiner en weegt niet meer op tegen de massale vestingoverschot van alle jongeren.

Deze omslag versterkt niet alleen de positie van de steden, het verzwakt ook de positie van de voorsteden en met name van de voormalige groeikernen. De jeugd vertrekt vanuit de groeikernen naar de stad en de gehuwden en de jonge gezinnen komen veel minder vaak terug dan vroeger. Zo vergrijzen de voormalige groeikernen. Bovendien zijn het juist de rijkeren en hoger opgeleiden die in de stad blijven. Zo daalt ook langzaam het gemiddelde inkomen in de voormalige groeikernen, als ik deze gemeenten even over één kam mag scheren.

In ieder geval moeten de groeikernen alert zijn op de verdere ontwikkelingen. En ze moeten daarbij niet vergeten dat ze bestuurlijk zwakker staan dan enkele decennia geleden. Toen had iedereen ze nodig, het Rijk voor al die woningen en de steden voor het oplossen van regionale problemen die vooral in de steden neersloegen. Nu subsidieert het Rijk geen woning meer en verschuiven de problemen langzaam van de steden naar de randen. Ik kom daar nog op terug. Het wordt echt precair als de steden hun randgemeenten helemaal niet meer nodig hebben. Wie lost dan daar de nieuwe maatschappelijke problemen op?

De triomf van de stad geldt niet voor alle steden

Het jargon van de Triomf is niet aan gemeentebestuurders voorbij gegaan. Florida en Glaeser liggen op het nachtkastje en de afdeling Citymarketing noemt elk bedrijventerrein al een Campus en twee bedrijventerreinen een Valley. Daarbij verliezen ze uit het oog dat elke stad uniek is en elke stad dan zijn eigen kansen en niet de kansen van een ander moet grijpen. Maar ze vergeten ook dat die triomf aan sommige steden voorbij kan gaan. Dan krijgen al die woorden al snel iets leegs.

Het is niet moeilijk om een stad aan te wijzen die ten volle profiteert van bovenstaande ontwikkelingen, van de Triomf. Amsterdam. Maar wat in Amsterdam gebeurt, gebeurt niet in Heerlen, niet in Emmen, en ook niet zo maar in Enschede. En ook aan Rotterdam gaat de (echte) triomf nog steeds voorbij, ondanks het goede beleid en de blije berichten vanuit de Coolsingel. Wanneer doen steden het (ook op dit moment) minder goed? Ik noem drie factoren.

  • Ten eerste moet de lokale arbeidsmarkt aansluiten bij de sectoren die in opkomst zijn. Dat heeft alles met padafhankelijkheid te maken. Als je in een vorige fase succesvol was, hoeft dat niet te betekenen dat je nu meteen weer succesvol zal zijn. Simpel gezegd: met havenarbeiders en laaggeschoolden win je het niet in de nieuwe kenniseconomie.
  • Ten tweede: je stad moet met name voor de hoogopgeleiden een aantrekkelijk leefklimaat te bieden hebben. Met het aantrekken van bedrijven kom je er niet meer. Die relatie tussen wonen en werken is veel minder eenduidig dan vroeger. In de industriële tijd trokken de mensen naar de steden omdat daar werk was te vinden. Het wonen volgde het werken. Tegenwoordig vestigen bedrijven zich vooral daar waar de beste werknemers te vinden zijn. Dus als je als stad erin slaagt om de beste mensen aan je te binden, dan komen die bedrijven wel vanzelf. Werken volgt wonen. Anderen menen: werken volgt werken. In ieder geval gaat het om the place to be. En dat kan gaan om de High Tech Campus in Eindhoven, waar alle bedrijven en alle slimme werknemers bij elkaar willen zitten. Of om de aantrekkelijke binnensteden, waar veel geld wordt betaald voor een woning aan de gracht.
  • Ten derde: dat vliegwiel van de stedelijke economie is nog steeds van groot belang. En als het niet in beweging is, is het erg moeilijk in beweging te krijgen. Dan kan je wel proberen bedrijven te verleiden om zich in jouw stad te vestigen, maar dat zullen ze niet doen als jouw stad geen geschikte werknemers te bieden heeft. En dan kan je wel proberen om duurdere huizen te bouwen voor de duurdere, hoogopgeleide werknemers, maar die zullen die huizen niet kopen, als er te weinig banen voor hen zijn. De grote vraag voor het bestuur van Rotterdam is dan ook al jaren: wat moeten we doen om de afgestudeerden van de Erasmus Universiteit in de stad te houden? En dat de huizenprijzen in Rotterdam veel lager zijn dan in Amsterdam is geen pre. Het betekent alleen maar dat er veel meer mensen in Amsterdam willen wonen dan in Rotterdam.

De triomf van de stad geldt niet voor iedereen

En toch wonen er in Amsterdam nog steeds heel veel mensen onder de armoedegrens. Laat je dus niet door die triomf van de stad verblinden! Of misschien is dat woord ‘verblinden’ ook niet helemaal goed gekozen. Je kan beter zeggen: de triomf van de stad drukt alles wat minder opgeleid is en alles wat minder geld heeft, gewoon weg. Weg uit het centrum, weg uit de Ring. Want Amsterdam-West en Amsterdam-Zuidoost en delen van Amsterdam-Noord laten een heel ander Amsterdam zien. Daar zitten de mensen aan wie de triomf voorbij gaat. Vroeger woonden ze nog in de Pijp of in de Staatsliedenbuurt. Of nog vroeger in de Jordaan. Maar een proces van gentrification heeft ervoor gezorgd dat de huizenprijzen in deze wijken akelig snel zijn gestegen. De huizen zijn opgeknapt en de nieuwe hipsters hebben hun intrek genomen.

Het is evident: de triomf van de stad draagt bij aan een verdere segregatie in de stad. Het is niet de scheiding tussen autochtoon en allochtoon. Het is de scheiding tussen westers en niet-westers. De expats maken onderdeel uit van de triomf, het zijn overwegend de niet-westerse allochtonen die naar de randen van de steden worden gedreven en verdreven.

Die tweedeling manifesteerde zich ook bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen. In Amsterdam en Utrecht wonnen gegoede hoogopgeleide burgers het van de achterkant van de stad. GroenLinks was de grote winnaar als partij van de kosmopolitische, hoogopgeleide burger met een goed inkomen. Ook D66 dat uit dezelfde vijver vist, scoorde hoog. In het gespleten Den Haag won D66 bij de vorige verkiezingen nog met enkele honderden stemmen van de PVV, de partij van de nationalistische, lager-opgeleide burgers met een relatief laag inkomen. In 2018 won de lokale partij van Richard de Mos, die eerder voor de PVV in de Tweede Kamer zat. In Rotterdam won de achterkant van de triomf: Leefbaar is hier veruit de grootste partij. Je ziet de Triomf terug in de verkiezingsuitslagen.

Overigens kennen ook de wijken waar de achterkant van de triomf zo goed zichtbaar is, een grote dynamiek. Het zijn namelijk ook de wijken waar de immigranten binnenkomen. Het zijn de zogenaamd arrival neighbourhoods. Waar migranten neerstrijken omdat ze daar hun contacten hebben, omdat de huren laag zijn en omdat de kansen in de informele economie groter zijn. En veel migranten klimmen na een aantal jaren op. De stad als roltrap. En verhuizen naar een betere wijk of naar een randgemeente. Niet dat het gemiddelde van de slechte wijken daarvan beter wordt. Want de plek van de geslaagde migrant wordt vrijwel meteen ingenomen door nieuwe migranten, die weer onder aan de ladder moeten beginnen.

De triomf van de toerist en de triomf van de burger

De triomf is ons grotendeels overkomen. Geen gemeentebestuur kan claimen de triomf zelf te hebben veroorzaakt. Gemeentebesturen kunnen in het beste geval slechts bijsturen. En ze kunnen de randvoorwaarden voor verdere ontwikkeling gunstig maken. Zo is bereikbaarheid in de theorie van de agglomeratievoordelen een groot goed. Bereikbaarheid wordt ook wel uitgedrukt in het aantal banen dat binnen 45’ te bereiken is. De tijd die de gemiddelde werknemer bereid is te reizen naar zijn werk. Als de overheid erin slaagt om het aantal bereikbare banen te vergroten, zullen nog meer mensen een optimale baan vinden en zullen bedrijven nog productiever worden.

Daarnaast moet een gemeentebestuur er vooral voor zorgen dat het leefklimaat in de stad zo goed mogelijk is. Dat er een woning is te vinden voor de hoogopgeleiden die de stad aan zich moet binden. Dat die hoogopgeleiden in deze stad willen leven. Dat er veel cultuur is en veel vermaak. Hoogopgeleiden wonen graag in steden waar goede orkesten, goede poppodia en goede musea zijn. Ook als ze daarvan in de praktijk nauwelijks gebruik maken. En dat er veel groen is en weinig luchtvervuiling en weinig geluidsoverlast.

Maar tegelijkertijd doen zich agglomeratienadelen gelden als de leefkwaliteit in de stad te hoog wordt. En als er te veel cultuur en te veel festivals worden aangeboden. Want het zijn niet alleen de hoogopgeleiden die vanwege deze ‘amenities’ in de steden willen wonen, het zijn ook de toeristen die om die reden de stad willen bezoeken. Amsterdam kan er de laatste jaren over meepraten. De rolkoffers van de airbnb-ers zijn het symbool geworden van de overlast van de toeristen en van de irritatie van de bewoners.

En die toerist staat een beetje symbool voor de burger in het algemeen. Het mag waar zijn dat toeristen sommige delen van Amsterdam overspoelen, het zijn vooral de goedbetaalde hoogopgeleiden die de stad in hun bezit hebben genomen. Dat heeft ook grote gevolgen voor de relatie tussen de burger en het bestuur. Niet zelden hebben de nieuwe stadsbewoners de lokale overheid het nakijken gegeven. Zij weten uitstekend hun woordje te doen, zij kennen hun rechten en weten die ook af te dwingen, zij organiseren in hun eigen buurt de zaken die de gemeente laat liggen of uit haar handen laat vallen. Van de weeromstuit gaat de overheid praten over de ‘doe-democratie’ en de ‘energieke samenleving’. De overheid zou deze vormen van ‘zelforganisatie’ zelfs moeten stimuleren. Daarvoor lijkt weinig reden. De hoogopgeleide burger zit niet op dit soort paternalistische gevoelens te wachten. De triomf van de stad is in veel opzichten ook de triomf van de burger geweest.

Toch heeft niemand baat bij een ‘onzekere overheid’ die nota’s over zelforganisatie en doe-democratie schrijft. De samenleving is meer gediend bij een (lokale) overheid die weet ‘waar ze van is’, die weet welke taken onmiskenbaar overheidstaken zijn. Wat te denken van een goed scholings- en arbeidsmarktbeleid voor de buurten waaraan de triomf voorbij is gegaan. Wat te denken van een effectief beleid tegen de wietkwekerijen die welig tieren aan de randen van de steden? Wat te denken van de bestrijding van de ondermijning die gaandeweg met deze vormen van criminaliteit verbonden is geraakt?

De triomf vasthouden

Ik schreef al: de triomf is niet van alle tijden. Ook de toekomst van de stad is ongewis. Een terugslag als in de jaren 60 en 70 valt niet te voorspellen. Voorlopig moeten gemeentebesturen keihard werken aan de bereikbaarheid en de leefbaarheid van hun steden.

Maar hoe houden we het leefklimaat in de steden goed? Hoe zorgen we ervoor dat de hoger opgeleiden en de hogere inkomens in de steden willen blijven wonen? Één ding is duidelijk: de toekomst van de stad staat of valt met de vraag of we de stad klimaatbestendig weten te maken. Of klimaatneutraal. Of CO2-neutraal. Hoe we het ook willen noemen. De stad zal een belangrijke bijdrage moeten leveren aan de klimaatmitigatie, aan het afremmen en uiteindelijk aan het stoppen van de klimaatverandering. En de stad zal zich moeten aanpassen aan de veranderende klimaatomstandigheden (klimaatadaptatie).

De klimaatmitigatie vraagt het terugbrengen van de CO2-uitstoot tot 0, tot nul. Dat betekent dat de steden van fossiele energie moeten overgaan op zonne-energie, op windenergie, op geothermie. Dat zal ongetwijfeld samengaan met decentrale energieopwekking. Bovendien moet de bestaande bebouwing energiezuinig worden gemaakt. En zal de mobiliteit een geheel ander aanzien krijgen. Hoe ziet het stadsvervoer eruit als de zelfrijdende auto’s (duurzaam) elektrisch zijn aangedreven?

De klimaatadaptatie vraagt in alle steden om nieuwe oplossingen voor de wateropgave. Extreem weer met extreme hoeveelheden regenwater moet worden gepareerd. Bovendien zijn de temperaturen in de steden veel hoger dan buiten de stad. Als de temperaturen wereldwijd gaan stijgen, zullen de gemeenten meer moeten doen om leefbaar te blijven. Veel groen in de stad kan een bijdrage leveren aan het verlagen van de stedelijke temperaturen.

Het is eenvoudiger om deze viervoudige agenda even uit de mouw te schudden dan om haar te realiseren. Hier is echt sprake van een transitie. En transities laten zich niet zo maar op commando afroepen. Tot op heden spreken we vooral over transities als blijkt dat ze zich hebben voorgedaan.

De leergang en de leervragen 

Dit is het verhaal van de triomf van de stad. Dit is ook het verhaal van de leergang Triomf van de stad.  Het verhaal vertaalt zich in 6 modules van 2 dagen. In die 6 modules werken we aan een drietal leerdoelen: kennisnemen van de belangrijkste economische, sociale en culturele ontwikkelingen van steden; vertalen van deze kennis naar de eigen stad; ontwikkelen van een effectieve handelingspraktijk voor de eigen stad.

Module 1 – Stedelijke economie: Agglomeratie-effecten, veranderingen door de komst van de kenniseconomie, consumer-city, werken volgt wonen, met welk beleid kunnen we de triomf van de stad ondersteunen?

Module 2 – Demografie en wonen: demografische ontwikkelingen van steden en randgemeenten, van nieuwbouw in de groeikernen naar nieuwbouw in de grote stad, corporaties en wonen in achterstandswijken, regionale samenwerking tussen stad en randgemeenten.

Module 3 – De achterkant van de triomf: toenemende segregatie, immigranten en hun toekomst in Nederland, het effect van opgroeien in een achterstandswijk, effecten en neveneffecten van beleid voor achterstandswijken, gezondheid, onderwijs en gelijke kansen.

Module 4 – De stads in balans: het succes van de steden kan doorslaan. De stad kan zo aantrekkelijk worden dat het bijna onbeheersbaar wordt. Met name in Amsterdam zien we die ontwikkeling. De toeristen zorgen voor overlast, het winkelbestand past zich aan aan de stromen toeristen. De huizen worden te duur omdat ze toch wel via Airbnb kunnen worden verhuurd. Maar ook elders zien we het aantal festivals enorm toenemen. En ook elders wordt de bereikbaarheid een steeds groter probleem.

Module 5 – De triomf van de burger: de hedendaagse burger kent vele verschijningsvormen. Gemeentebesturen zijn vaak blij met bakfietsburgers. Maar je hebt ook ondermijnende burgers, onkundige burgers en boze burgers. Dat roept vragen op voor de overheid. Hoe om te gaan met burgers die zichzelf organiseren voor de publieke zaak? Terwijl de ‘zelforganisatie’ van burgers lang niet altijd in het publieke belang is.

Module 6 – De toekomst van de triomf: steden zullen alleen kunnen voortbestaan als ze klimaatbestendig zijn. Hoe realiseren we die transitie? Wat betekent dat bijvoorbeeld voor de mobiliteit? En de toekomstige steden zullen slim moeten zijn.

Deel dit bericht:

Debatteren met open vizier

november 19, 2013 by  
Filed under Voorpagina

Ik stel het zeer op prijs als mensen reageren op mijn blogs. Debat dwingt je soms om je argument scherper te formuleren, debat leert je soms dat je een ander perspectief over het hoofd hebt gezien, debat leert je soms dat je een off day had. Dus: reacties zijn welkom. Hoe afwijkend ook: ze worden door mij geplaatst. Ik maak slechts twee voorbehouden voor het plaatsen van de reactie: schelden is niet toegestaan en er wordt met open vizier gestreden: anonieme reacties worden niet geplaatst. Bovendien houd ik me het recht voor om spelfouten te corrigeren. Ik maak er zelf al te veel.

Deel dit bericht: