Podiumangst [148]

juni 18, 2018 by  
Filed under artikel, fagot, Voorpagina

Het blijft een boeiend onderwerp waarover ik al vaker heb geschreven. Podiumangst. Die onverklaarbare zenuwen die je in de greep kunnen krijgen als je moet optreden op  een voorspeelavond op het conservatorium. Eigenlijk is het niet te verklaren. Je zit met nog 20 mensen in een te grote zaal met een te groot podium. Die 20 kan je gemakshalve in drie groepen verdelen. Ten eerste heb je het publiek. Op de vingers van één hand te tellen. Ten tweede je collega-fagottisten. Die zitten op hun eigen beurt te wachten of zitten uit te blazen omdat hun beurt er al op zit. In beide gevallen luisteren ze amper naar jou. Ten derde heb je de drie docenten, die tamelijk onverstoorbaar voor zich uit zitten te staren. Ze kijken niet bemoedigend als je het podium opgaat en ze laten geen goed- of afkeuring blijken als je het podium weer verlaat. Ja, je vraagt je af, hoe kan je van dit zooitje ongeregeld zo’n podiumangst krijgen. Doet er niet toe, je hebt het.

Ik geef het toe. Ik slikte. Bètablokkers. Twee tabletten per keer. Het is een soort doping. Maar dan in omgekeerde richting. Je praat er niet over. Hoogstens onder elkaar. Hoeveel heb jij geslikt?

Mijn leraar wees mij er vaak op dat ik toch voldoende podiumervaring had. Ik had mijn hele leven college gegeven, soms voor hele grote zalen. Ik had mijn hele leven congressen voorgezeten. Ik had mijn hele leven kleine en grote toespraken gehouden. En daar had ik inderdaad nooit last van podiumangst. Misschien is het ijdelheid, maar ik vond het altijd wel erg leuk om het podium met kwieke tred te bestijgen, een stilte te laten vallen en mijn verhaal met een snedige reactie op de dagvoorzitter te beginnen. Of met een zalige anekdote. Om meteen de sfeer te bepalen. Ik vond het leuk om te zien hoe elk woord, hoe elke zin, hoe elke grap viel in die zaal. En om meteen weer op die reactie uit de zaal te reageren. Ja, zei mijn leraar, je kan het dus wel. Zou ik dan gewoon mijn recital moeten beginnen door de zaal toe te spreken? 

Twee weken geleden rondde ik mijn contractstudie aan het conservatorium af. En ik leerde dat ik de zaal niet moest toespreken. Ik moest zelfs het tegenovergestelde doen: ik moest de zaal negeren. Dat is mijn belangrijkste les van de afgelopen twee jaar.

Bij een toespraak ben je in voortdurende dialoog met de zaal. Je bent permanent alert op de reactie van de zaal. Je past je woorden aan. Je past je timing aan. Je past je grappen en anekdotes aan. En zo krijg je een hele zaal stil. In aandachtige stilte. En soms laat je een hele zaal weer even ontspannen. Maar niet in die mate dat ze de anekdote nog eens gaan navertellen aan hun buurman. Natuurlijk, dat lukt lang niet altijd. Maar het is wel het doel. De zaal aan je lippen. En daarom moet je interacteren met de zaal. 

Bij muziek is dat echt werkelijk anders. Bij muziek kan je niet je verhaal aanpassen aan de reactie van de zaal. Bij muziek moet je vooral spelen wat er staat. En bij voorkeur foutloos. Als het foutloos is, kan je nog eens proberen om je eigen muzikaliteit erin te leggen. Maar ook die muzikaliteit wordt begrensd door wat er staat. Om het als muzikant op een podium goed te doen, moet je de partij dus eindeloos hebben gestudeerd en moet je de concertsituatie vaak hebben nagebootst. Jaap van Zweden zei eens: ik had nooit podiumangst, want ik kende de partij. Ik vrees dat hij helemaal gelijk had. 

Ik heb vaak gespeecht aan de hand van enkele punten op een papiertje. Die punten kregen woorden in interactie met de zaal. Bij muziek staan al die woorden van te voren vast. Alle noten moeten worden gespeeld in het goede tempo. In feite zat mijn podiumervaring mij bij mijn fagot dus in de weg. Ik dacht: ik lul me er ter plekke wel uit. Maar op een fagot kan je niet lullen, maar alleen de goede of de verkeerde noten spelen. 

Op mijn examen begreep ik het eindelijk. Ik had al drie generales achter de rug toen ik het podium betrad. Ik had de composities al meer dan een jaar op mijn lessenaar staan. Beter zou ik de muziek nooit kunnen spelen. En ik werd rustig door me op de muziek te concentreren. Ik maakte een buiging naar het publiek, maar zag het niet. Op mijn vriendin na. En ik speelde. Zo goed mogelijk, zoals ik het allemaal had ingestudeerd. Ja, ik hoorde de stilte in de zaal. Die ervoer ik. Misschien voelde ik me wel gedragen door het publiek. Maar ik ging er geen andere noten van spelen of een ander tempo. Nee, ik concentreerde me op mijn eigen partij. 

Een vriend zei: “Je was erg geconcentreerd”. Maar dat ben ik ook als ik een congres voorzit of een zaal toespreek. Maar dan concentreer ik me op de interactie met de zaal. Nu concentreerde ik me op mijn partij. En ik had het gevoel dat ik mijn podiumangst voor het eerst een beetje onder controle had. Misschien had ik wel met één bètablokker kunnen volstaan. 

Studie afgerond aan Conservatorium van Amsterdam

juni 7, 2018 by  
Filed under fagot, Geen categorie, Voorpagina

Twee jaar lang ben ik contractstudent geweest op het Conservatorium van Amsterdam. Op maandag 4 juni 2018 heb ik deze periode met een recital afgesloten. Over het begrip contractstudent bestond nogal eens verwarring. Maar in de praktijk was volstrekt helder wat me te doen stond. Les krijgen en heel veel studeren. 

Het aardige van een conservatorium is dat je een ‘meester-gezel-relatie’ hebt met je hoofdvakdocent. De sfeer is zeer vriendschappelijk, maar als de meester zegt dat je harder moet studeren dan heeft het geen zin om te zeggen dat je ‘dat anders ziet’. Of als de meester zegt dat de G weer te hoog is, of dat de eerste frase pas in de zesde maat eindigt. Dat is het grappige verschil met een promovendus aan de universiteit. Die komen er wel mee weg als ze zeggen ‘dat ze het anders zien’. Althans in mijn vakgebied. 

Ronald Karten was mijn hoofdvakdocent. Tussendoor had ik les bij Jos de Lange en Simon Van Holen. En volgde ik een paar keer een masterclass bij Gustavo Núñes en Mette Laugs. Ronald put altijd uit zijn grote muzikaliteit, Jos is analytisch heel sterk, Simon leert hoe je moet studeren en hoe je techniek (in mijn geval: een beetje) beter wordt. Gustavo is de man van de ongelofelijke perfectie. En Mette weet waar elke noot vandaan moet komen. Myrthe Westerop deed intussen dappere pogingen om mijn houding te verbeteren met Alexander-techniek.

Wat al deze mensen gemeen hebben is hun grote gedrevenheid, hun liefde voor de muziek, hun aardigheid en vooral hun bescheidenheid. Zo heb ik kunnen zien hoe ongelofelijk veel het kost om als beroepsmusicus te slagen. Wat een doorzettingsvermogen, vanzelfsprekend naast een groot talent. Om dat twee jaar van dichtbij te mogen zien, heeft me het meeste verrijkt. 

Ja, ik speel ook beter fagot dan twee jaar geleden, maar dat zal, vrees ik, tijdelijk blijken te zijn. Dus luister goed vanavond. 

Het programma is geleidelijk ontstaan in de afgelopen twee jaar. Ik heb gekozen voor drie werken die me erg na aan het hart liggen. 

Telemann componeerde zijn sonate in es klein voor viola da gamba. Deze prachtige sonate laat zich goed op de moderne fagot spelen. De hoge noten herinneren aan de gamba. Ik word begeleid door twee vrienden met wie ik al heel veel jaren geleden barokmuziek maakte.

Olthuis was jarenlang fagottist van het Concertgebouworkest. Daarnaast componeerde hij onder andere dit Divertimento, dat hij opdroeg aan zijn collega Ronald Karten. Het voldoet geheel aan mijn definitie van goede muziek: muziek die nooit verveelt. Ik weet niet of de toehoorder dat na één uitvoering al kan vaststellen. 

Beethoven schreef zijn Trio voor fluit, fagot en piano nog in de tijd dat hij in Bonn woonde, waarschijnlijk in 1786. Hij moet toen ongeveer 16 jaar oud zijn geweest. Ik heb het gekozen omdat ik dol ben op Beethoven, die heel veel werken heeft gecomponeerd die je steeds weer wilt horen. Maar misschien is een andere reden nog belangrijker: de fagot is in wezen geen solo-instrument. Het is vooral een instrument voor het samenspel, het is een instrument dat moet verbinden door te kleuren. Ik speel hier samen met Ellen Alberts en Jaap Kooi, beiden professionele musici. Met Ellen speelde ik ooit samen in het Regionaal Jeugdorkest en in het orkest van het Conservatorium van Groningen. Jaap is één van de correpetitoren van het CvA, van wie ik veel heb geleerd. 

Dit recital is één groot dankwoord aan de geweldige musici van wie ik de afgelopen twee jaar les heb gehad.

 

Programma van het recital

 

Georg Philipp Telemann, Sonate in e klein voor fagot en continuo

Cantabile – Allegro – Recitativo – Arioso

Petra de Man, cello; Theo Goedhart, klavecimbel

Kees Olthuis, Divertimento

Andante – Giocoso – Andante – Giocoso

Ludwig van Beethoven, Trio in G groot voor fluit, fagot en piano, WoO 37

Allegro – Thema, Andante con variazioni

Ellen Alberts, fluit; Jaap Kooi, piano

 

Stein van Eden maakte met zijn iPhone een paar leuke opnamen:

 

 

 

 

 

 

 

De musicus

juni 7, 2018 by  
Filed under artikel, fagot, Voorpagina

De afgelopen twee jaar heb ik gestudeerd aan het Conservatorium van Amsterdam. Wat een bijzondere wereld en wat een bijzondere mensen, die musici. Ik heb mijn hele leven in de wetenschap gezeten en in het openbaar bestuur. Ik heb daar veel gedreven mensen meegemaakt, ook veel creatieve mensen. Maar het lijkt alsof bij musici alles intenser is. Heftiger, emotioneler. Naast musici zijn heel veel andere mensen plotseling heel erg saai. Hoe komt dat? Er zal ongetwijfeld veel over geschreven zijn. Niets daarvan heb ik gelezen. Ik observeer slechts en ik zie dat de echte musici drie eigenschappen hebben en drie kenmerken. Ja, ik blijf wetenschapper. Eerst de eigenschappen. 

Musici hebben creatieve talenten die andere mensen ontberen. Ze kunnen andere mensen met hun uitvoeringen in vervoering brengen. Ze roepen bij toehoorders het gevoel op: “dit zou ik nooit kunnen”. Een muurtje metselen kan iedereen leren, een proefschrift schrijven is voor velen met uithoudingsvermogen weggelegd, maar Beethoven als ‘nieuw’ laten klinken, vraagt een enorm talent, dat slechts enkelen is gegeven. 

Musici roeren mensen omdat ze hun eigen emoties toevoegen aan de muziek zoals die geschreven staat. Het is meer dan muzikaliteit, het is persoonlijk. Elke grote musicus drukt zijn of haar eigen stempel op de muziek. Natuurlijk, ook wetenschappers zijn heel herkenbaar in hun werk. De ene is meer consciëntieus, de andere verrast vaker. Ook dat zijn persoonlijke verschillen, maar persoonlijke emoties gaan veel dieper. En een musicus moet diep gaan om echt te roeren. 

Musici hebben enorme technische gaven. Al die emoties komen pas tot hun recht door een ongelofelijke beheersing van het instrument. En om het eigen instrument werkelijk te beheersen moet er ontzettend veel worden gestudeerd. De verhalen van violisten die tijdens het wachten op luchthavens nog maar een uur toonladders gaan studeren. De verhalen van pianisten die minimaal acht uur per dag studeren. En ze moeten blijven studeren om hun niveau vast te houden. 

Die combinatie van creatief talent, emoties en techniek leidt tot een heel herkenbaar gedrag. Ik observeer (weer) drie verschijningsvormen. 

Een musicus is op elk moment van de dag musicus. Het kan zijn dat mijn beeld te romantisch is. Ook een musicus eet spruitjes. Maar toch is hij in zijn hoofd altijd bezig met het volgende concert. 

Een musicus is gedreven. Een gedrevenheid die misschien wel het beste wordt gesymboliseerd door de hechte band met het instrument. Cellisten sjouwen met hun cello, violisten en fagottisten dragen hun instrument vaak op hun rug met zich mee. Zo ziet gedrevenheid eruit. 

Gedrevenheid en emoties dragen ertoe bij dat onderlinge relaties vaak intenser zijn of op zijn minst intenser lijken. Het maakt toch uit of je als wetenschapper met enkele collega’s een artikeltje hebt geschreven of als musicus met enkele collega’s een strijkkwartet van Beethoven in vele sessies hebt doorgrondt. 

En dat alles leidt voor mij tot de conclusie dat musici vooral een rijk leven hebben. Of het een gelukkig leven is, is een andere vraag.

Tiende #Triomf van de stad start in september 2018

februari 14, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad, Geen categorie, Voorpagina

In september 2018 start de leergang Triomf van de stad met een nieuwe groep. Groep X. Deelnemers kunnen zich vanaf nu aanmelden. De modules worden gegeven op: 27/28 september 2018, 1/2 november 2018, 6/7 december 2018, 10/11 januari 2019, 14/15 febr 2019 en 21/22 maart 2019. De folder met het programma is hier te vinden: Triomf-van-de-stad-2018-folder Voor een beschrijving van de rode draad van de leergang zie Triomf van de stad: rode draad. En om te zien wat de cursisten van de jaargang 2017-2018 voor mooie opdrachten hebben gemaakt zie hier: http://wqd.nl/nu9U.

Aanmelding via wimderksendh@gmail.com.

Triomf van de stad: de leergang

september 8, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad, Voorpagina

 

triomf

 

 

 

 

 

 

 

 

De leergang

Sinds 2012 organiseer ik de leergang Triomf van de stad voor stedelijke strategen. Een keur van docenten wisselen prachtige praktijkcasus af. Om die reden slaan we onze tenten steeds weer in een andere stad op. Samen met Karen Ephraim zorg ik zelf voor de verbinding. De leergang beslaat zes modules van twee dagen. In september 2018 start de 10e groep. Voor nadere informatie zie:  Triomf van de stad 2018-2019 . Voor aanmelding kan men mailen naar: wimderksendh@gmail.com. In onderstaande essay geef ik de rode draad van de leergang weer, inclusief leervragen.

 

De rode draad

De woningprijzen in Amsterdam stijgen snel. Huizen worden boven de vraagprijs verkocht. Er wordt grof geld betaald om in die stad te mogen wonen. Ook andere steden gaat het momenteel voor de wind. Nog niet zo lang geleden was dat wel anders. In de jaren 60 verlieten veel inwoners hun steden. Dat was toen heel begrijpelijk. Veel steden waren vies en verpauperd. Hoeveel beter was het leven in de nieuwe groeikernen! Het is bijna onvoorstelbaar hoe hard de steden in die tijd zijn gekrompen. Nog steeds heeft Amsterdam minder inwoners dan in de jaren 50 en 60.

Toch was die trek naar het platteland, die suburbanisatie, een tijdelijk fenomeen. In het algemeen is niet ontstedelijking maar verstedelijking de norm. Mensen hebben de neiging naar steden te trekken. Op dit moment woont al meer dan de helft van de wereldbevolking in steden. En dat is niet zo vreemd, omdat in steden voor veel mensen werk is te vinden. Omdat de meeste bedrijven in steden zitten. Die bedrijven zitten daar om een hele simpele reden: in de stad zijn ze productiever. Ruimtelijk economen weten dat hetzelfde bedrijf buiten de stad 7% minder productief zou zijn. Daarom zitten bedrijven in de stad en trekken mensen van het platteland naar de stad.

Waarom is het bedrijf in de stad productiever? Er zijn drie goede redenen voor. Ze hebben allemaal te maken met ‘bevolkingsdichtheid’ en met ‘massa’. In jargon spreken we over: matching, sharing en learning.

  • Matching: bedrijven in de stad profiteren van de afzetmarkt in hun directe omgeving. Dat scheelt transportkosten. Minstens zo interessant is het feit dat de arbeidsmarkt in de steden veel beter is. Hoe meer mensen op reisafstand, hoe meer keuze je hebt en hoe beter je personeel. Er vindt een betere match plaats.
  • Sharing: omdat een stad veel andere bedrijven huisvest, is er een tweede voordeel: bedrijven kunnen zich specialiseren. Wat ze niet meer in huis hebben, kopen ze om de hoek bij een ander bedrijf in. En hoe meer specialisten hoe hoger de kwaliteit van het werk.
  • Learning: hoe meer bedrijven in de directe omgeving, hoe meer kansen om iets van elkaar te leren. En hoe groter de kans dat gezamenlijk nieuwe producten worden ontwikkeld. Denk ook aan de betekenis van universiteiten en andere kennisinstellingen voor het lokale bedrijfsleven.

Matching, sharing en learning zijn allemaal agglomeratievoordelen. Omdat er massa is, ontstaan voordelen, die bedrijven op het platteland ontberen.

Er is iets bijzonders aan de hand met agglomeratievoordelen. Ze zijn zelfversterkend. Omdat de productiviteit in de stad hoger is, zijn de lonen daar hoger. En vanwege die hogere lonen, worden betere mensen aangetrokken. En omdat die betere mensen komen, worden de lonen nog hoger en komen er nog meer betere mensen. Als dat vliegwiel eenmaal in beweging is, kan zo’n stad steeds productiever en steeds rijker worden. Het stijgen van huizenprijzen hoort daarbij. De hoogte van de huizenprijzen is zelfs één van de beste indicatoren voor de welvaart en het succes van een stad. Je moet gemeentebesturen dan ook wantrouwen als ze zeggen dat hun stad zo aantrekkelijk is omdat de huizenprijzen zo laag zijn. Als de huizenprijzen laag zijn, betekent dat maar één ding: de stad is niet aantrekkelijk genoeg.

De triomf van de stad is niet van alle tijden

Uit het voorgaande zou je kunnen opmaken, dat het alleen maar beter kan gaan met steden als dat vliegwiel eenmaal in beweging is. Maar dat vliegwiel is geen automatisme. Zie de teruggang van de steden in de jaren 60 en 70. Waren er toen geen agglomeratievoordelen die de productiviteit van de bedrijven in de steden opjoegen? Die waren er wel, maar twee andere factoren waren van meer gewicht. Zo kent een stad niet alleen agglomeratievoordelen, maar ook agglomeratienadelen. De ‘massa van de stad’ zet de kwaliteit van leven soms ernstig onder druk. Dat gold zeker in de jaren 60 toen de vele fabrieken in de steden het leefklimaat ernstig aantasten. Het leefklimaat in de stad kan zo slecht zijn dat mensen liever elders een minder interessante baan accepteren. Die afweging gaat inderdaad ten koste van de match van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. En leidt dus ook maatschappelijk gezien tot welvaartsverlies. Maar die mensen woonden nu eenmaal liever in een rustiek dorp dan in die vuile stad.

Maar er kwam nog iets interessants bij: juist in die tijd brak de auto door als vervoermiddel voor Jan en Alleman. En met de auto werd de stad ook goed bereikbaar vanuit de nieuwe groeikernen en vanuit het kleine rustieke dorp in het Groene Hart. Je zou kunnen zeggen: door de komst van de auto werden de agglomeraties gewoon veel groter. En hoefde je die interessante baan niet op te geven als je de stad verliet om ergens anders te gaan wonen. Dat gold al helemaal toen ook veel bedrijven de steden verlieten, om ergens aan de rand van de snelweg optimaal per auto bereikbaar te zijn.

Vanaf de jaren 80 is deze ontwikkeling geleidelijk weer omgeslagen. Ten eerste zijn de fabrieken in de steden gesloten. Er zijn overal nette industrieterreinen gekomen, die later werden omgedoopt tot bedrijventerreinen, toen de Nederlandse industrie in snel tempo inzakte en het stokje overdeed aan de zakelijke dienstverlening. De steden werden daardoor weer veel aantrekkelijker. Ook sloeg het politieke klimaat om. De gemeentebesturen begonnen hun steden weer te koesteren, in plaats van ze massaal gereed te maken voor het snelle autoverkeer. Stadsvernieuwing en later stedelijke vernieuwing kwamen in de plaats van sloop en verkeersdoorbraken. ‘Bouwen voor de buurt’ en historische karakteristieken voerden daarbij de boventoon. Omdat burgers zich prettiger voelden bij de geborgenheid van de oude stad dan bij de tochtgaten van de jaren 50 en 60. Bovendien maakte een krachtig beleid de steden weer veel veiliger. Zo verdwenen gaandeweg de agglomeratienadelen die velen op de vlucht hadden gejaagd.

Vanaf de eeuwwisseling heeft zich daar een krachtige factor bijgevoegd: het ontstaan van de ‘kenniseconomie’, ook wel aangeduid met ‘creatieve economie’. Kennis (en opleiding) werden steeds dominanter in de nieuwe economie. Het gaat tegenwoordig steeds minder om de eindeloze herhaling van de productie en steeds meer om het bewerkstelligen van unieke innovaties. En volgens velen, waaronder de econoom Ed Glaeser, zijn daarvoor face-to-face contacten van groot belang. Juist in dat rechtstreekse contact tussen mensen ontstaan nieuwe en onverwachtse producten. En producten moeten we hier heel breed opvatten. Van een format voor een nieuw TV programma tot een nieuwe beleggingshypotheek waarvan de burgers en vooral de banken beter worden.

Ook de rol van kennisinstellingen is in deze ontwikkeling sterk veranderd. Waren universiteiten bijvoorbeeld vroeger vooral opleidingsinstituten, tegenwoordig werken ze ook nauw samen met bedrijven die zich in de directe omgeving hebben gevestigd. Zo ontstaat het idee van de ‘campus’ en de ‘valley’. Op de High Tech Campus in Eindhoven ontstaan tal van innovaties op het snijvlak van bedrijven en TU/e. Hetzelfde geldt voor de FoodValley rondom de WUR in Wageningen. Amsterdam is met zijn twee universiteiten en al zijn kenniswerkers een campus op zich.

Zo keren oude patronen terug. De steden groeien weer. De jeugd trekt voor een opleiding naar de stad en reist na het afstuderen niet meteen verder naar een woning met een tuin in een voorstad. Of naar een opgeknapte arbeiderswoning tien kilometer verder. Dat waren de jaren 70. Toch is alles relatief, want nog altijd kent de stad voor mensen boven de 30 een vertrekoverschot: er verlaten nog steeds meer 30-ers en 40-ers de stad dan erin komen. Maar dit vertrekoverschot wordt op dit moment snel kleiner en weegt niet meer op tegen de massale vestingoverschot van alle jongeren.

Deze omslag versterkt niet alleen de positie van de steden, het verzwakt ook de positie van de voorsteden en met name van de voormalige groeikernen. De jeugd vertrekt vanuit de groeikernen naar de stad en de gehuwden en de jonge gezinnen komen veel minder vaak terug dan vroeger. Zo vergrijzen de voormalige groeikernen. Bovendien zijn het juist de rijkeren en hoger opgeleiden die in de stad blijven. Zo daalt ook langzaam het gemiddelde inkomen in de voormalige groeikernen, als ik deze gemeenten even over één kam mag scheren.

In ieder geval moeten de groeikernen alert zijn op de verdere ontwikkelingen. En ze moeten daarbij niet vergeten dat ze bestuurlijk zwakker staan dan enkele decennia geleden. Toen had iedereen ze nodig, het Rijk voor al die woningen en de steden voor het oplossen van regionale problemen die vooral in de steden neersloegen. Nu subsidieert het Rijk geen woning meer en verschuiven de problemen langzaam van de steden naar de randen. Ik kom daar nog op terug. Het wordt echt precair als de steden hun randgemeenten helemaal niet meer nodig hebben. Wie lost dan daar de nieuwe maatschappelijke problemen op?

De triomf van de stad geldt niet voor alle steden

Het jargon van de Triomf is niet aan gemeentebestuurders voorbij gegaan. Florida en Glaeser liggen op het nachtkastje en de afdeling Citymarketing noemt elk bedrijventerrein al een Campus en twee bedrijventerreinen een Valley. Daarbij verliezen ze uit het oog dat elke stad uniek is en elke stad dan zijn eigen kansen en niet de kansen van een ander moet grijpen. Maar ze vergeten ook dat die triomf aan sommige steden voorbij kan gaan. Dan krijgen al die woorden al snel iets leegs.

Het is niet moeilijk om een stad aan te wijzen die ten volle profiteert van bovenstaande ontwikkelingen, van de Triomf. Amsterdam. Maar wat in Amsterdam gebeurt, gebeurt niet in Heerlen, niet in Emmen, en ook niet zo maar in Enschede. En ook aan Rotterdam gaat de (echte) triomf nog steeds voorbij, ondanks het goede beleid en de blije berichten vanuit de Coolsingel. Wanneer doen steden het (ook op dit moment) minder goed? Ik noem drie factoren.

  • Ten eerste moet de lokale arbeidsmarkt aansluiten bij de sectoren die in opkomst zijn. Dat heeft alles met padafhankelijkheid te maken. Als je in een vorige fase succesvol was, hoeft dat niet te betekenen dat je nu meteen weer succesvol zal zijn. Simpel gezegd: met havenarbeiders en laaggeschoolden win je het niet in de nieuwe kenniseconomie.
  • Ten tweede: je stad moet met name voor de hoogopgeleiden een aantrekkelijk leefklimaat te bieden hebben. Met het aantrekken van bedrijven kom je er niet meer. Die relatie tussen wonen en werken is veel minder eenduidig dan vroeger. In de industriële tijd trokken de mensen naar de steden omdat daar werk was te vinden. Het wonen volgde het werken. Tegenwoordig vestigen bedrijven zich vooral daar waar de beste werknemers te vinden zijn. Dus als je als stad erin slaagt om de beste mensen aan je te binden, dan komen die bedrijven wel vanzelf. Werken volgt wonen. Anderen menen: werken volgt werken. In ieder geval gaat het om the place to be. En dat kan gaan om de High Tech Campus in Eindhoven, waar alle bedrijven en alle slimme werknemers bij elkaar willen zitten. Of om de aantrekkelijke binnensteden, waar veel geld wordt betaald voor een woning aan de gracht.
  • Ten derde: dat vliegwiel van de stedelijke economie is nog steeds van groot belang. En als het niet in beweging is, is het erg moeilijk in beweging te krijgen. Dan kan je wel proberen bedrijven te verleiden om zich in jouw stad te vestigen, maar dat zullen ze niet doen als jouw stad geen geschikte werknemers te bieden heeft. En dan kan je wel proberen om duurdere huizen te bouwen voor de duurdere, hoogopgeleide werknemers, maar die zullen die huizen niet kopen, als er te weinig banen voor hen zijn. De grote vraag voor het bestuur van Rotterdam is dan ook al jaren: wat moeten we doen om de afgestudeerden van de Erasmus Universiteit in de stad te houden? En dat de huizenprijzen in Rotterdam veel lager zijn dan in Amsterdam is geen pre. Het betekent alleen maar dat er veel meer mensen in Amsterdam willen wonen dan in Rotterdam.

De triomf van de stad geldt niet voor iedereen

En toch wonen er in Amsterdam nog steeds heel veel mensen onder de armoedegrens. Laat je dus niet door die triomf van de stad verblinden! Of misschien is dat woord ‘verblinden’ ook niet helemaal goed gekozen. Je kan beter zeggen: de triomf van de stad drukt alles wat minder opgeleid is en alles wat minder geld heeft, gewoon weg. Weg uit het centrum, weg uit de Ring. Want Amsterdam-West en Amsterdam-Zuidoost en delen van Amsterdam-Noord laten een heel ander Amsterdam zien. Daar zitten de mensen aan wie de triomf voorbij gaat. Vroeger woonden ze nog in de Pijp of in de Staatsliedenbuurt. Of nog vroeger in de Jordaan. Maar een proces van gentrification heeft ervoor gezorgd dat de huizenprijzen in deze wijken akelig snel zijn gestegen. De huizen zijn opgeknapt en de nieuwe hipsters hebben hun intrek genomen.

Het is evident: de triomf van de stad draagt bij aan een verdere segregatie in de stad. Het is niet de scheiding tussen autochtoon en allochtoon. Het is de scheiding tussen westers en niet-westers. De expats maken onderdeel uit van de triomf, het zijn overwegend de niet-westerse allochtonen die naar de randen van de steden worden gedreven en verdreven.

Die tweedeling manifesteerde zich ook bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen. In Amsterdam en Utrecht wonnen gegoede hoogopgeleide burgers het van de achterkant van de stad. D66 was de grote winnaar als partij van de kosmopolitische, hoogopgeleide burger met een goed inkomen. In het gespleten Den Haag won D66 met enkele honderden stemmen van de PVV, de partij van de nationalistische, lager-opgeleide burgers met een relatief laag inkomen. In Rotterdam won de achterkant van de triomf: Leefbaar is hier veruit de grootste partij.

Overigens kennen ook de wijken waar de achterkant van de triomf zo goed zichtbaar is, een grote dynamiek. Het zijn namelijk ook de wijken waar de immigranten binnenkomen. Het zijn de zogenaamd arrival neighbourhoods. Waar migranten neerstrijken omdat ze daar hun contacten hebben, omdat de huren laag zijn en omdat de kansen in de informele economie groter zijn. En veel migranten klimmen na een aantal jaren op. De stad als roltrap. En verhuizen naar een betere wijk of naar een randgemeente. Niet dat het gemiddelde van de slechte wijken daarvan beter wordt. Want de plek van de geslaagde migrant wordt vrijwel meteen ingenomen door nieuwe migranten, die weer onder aan de ladder moeten beginnen.

De triomf van de toerist en de triomf van de burger

De triomf is ons grotendeels overkomen. Geen gemeentebestuur kan claimen de triomf zelf te hebben veroorzaakt. Gemeentebesturen kunnen in het beste geval slechts bijsturen. En ze kunnen de randvoorwaarden voor verdere ontwikkeling gunstig maken. Zo is bereikbaarheid in de theorie van de agglomeratievoordelen een groot goed. Bereikbaarheid wordt ook wel uitgedrukt in het aantal banen dat binnen 45’ te bereiken is. De tijd die de gemiddelde werknemer bereid is te reizen naar zijn werk. Als de overheid erin slaagt om het aantal bereikbare banen te vergroten, zullen nog meer mensen een optimale baan vinden en zullen bedrijven nog productiever worden.

Daarnaast moet een gemeentebestuur er vooral voor zorgen dat het leefklimaat in de stad zo goed mogelijk is. Dat er een woning is te vinden voor de hoogopgeleiden die de stad aan zich moet binden. Dat die hoogopgeleiden in deze stad willen leven. Dat er veel cultuur is en veel vermaak. Hoogopgeleiden wonen graag in steden waar goede orkesten, goede poppodia en goede musea zijn. Ook als ze daarvan in de praktijk nauwelijks gebruik maken. En dat er veel groen is en weinig luchtvervuiling en weinig geluidsoverlast.

Maar tegelijkertijd doen zich agglomeratienadelen gelden als de leefkwaliteit in de stad te hoog wordt. En als er te veel cultuur en te veel festivals worden aangeboden. Want het zijn niet alleen de hoogopgeleiden die vanwege deze ‘amenities’ in de steden willen wonen, het zijn ook de toeristen die om die reden de stad willen bezoeken. Amsterdam kan er de laatste jaren over meepraten. De rolkoffers van de airbnb-ers zijn het symbool geworden van de overlast van de toeristen en van de irritatie van de bewoners.

En die toerist staat een beetje symbool voor de burger in het algemeen. Het mag waar zijn dat toeristen sommige delen van Amsterdam overspoelen, het zijn vooral de goedbetaalde hoogopgeleiden die de stad in hun bezit hebben genomen. Dat heeft ook grote gevolgen voor de relatie tussen de burger en het bestuur. Niet zelden hebben de nieuwe stadsbewoners de lokale overheid het nakijken gegeven. Zij weten uitstekend hun woordje te doen, zij kennen hun rechten en weten die ook af te dwingen, zij organiseren in hun eigen buurt de zaken die de gemeente laat liggen of uit haar handen laat vallen. Van de weeromstuit gaat de overheid praten over de ‘doe-democratie’ en de ‘energieke samenleving’. De overheid zou deze vormen van ‘zelforganisatie’ zelfs moeten stimuleren. Daarvoor lijkt weinig reden. De hoogopgeleide burger zit niet op dit soort paternalistische gevoelens te wachten. De triomf van de stad is in veel opzichten ook de triomf van de burger geweest.

Toch heeft niemand baat bij een ‘onzekere overheid’ die nota’s over zelforganisatie en doe-democratie schrijft. De samenleving is meer gediend bij een (lokale) overheid die weet ‘waar ze van is’, die weet welke taken onmiskenbaar overheidstaken zijn. Wat te denken van een goed scholings- en arbeidsmarktbeleid voor de buurten waaraan de triomf voorbij is gegaan. Wat te denken van een effectief beleid tegen de wietkwekerijen die welig tieren aan de randen van de steden? Wat te denken van de bestrijding van de ondermijning die gaandeweg met deze vormen van criminaliteit verbonden is geraakt?

De triomf vasthouden

Ik schreef al: de triomf is niet van alle tijden. Ook de toekomst van de stad is ongewis. Een terugslag als in de jaren 60 en 70 valt niet te voorspellen. Voorlopig moeten gemeentebesturen keihard werken aan de bereikbaarheid en de leefbaarheid van hun steden.

Maar hoe houden we het leefklimaat in de steden goed? Hoe zorgen we ervoor dat de hoger opgeleiden en de hogere inkomens in de steden willen blijven wonen? Één ding is duidelijk: de toekomst van de stad staat of valt met de vraag of we de stad klimaatbestendig weten te maken. Of klimaatneutraal. Of CO2-neutraal. Hoe we het ook willen noemen. De stad zal een belangrijke bijdrage moeten leveren aan de klimaatmitigatie, aan het afremmen en uiteindelijk aan het stoppen van de klimaatverandering. En de stad zal zich moeten aanpassen aan de veranderende klimaatomstandigheden (klimaatadaptatie).

De klimaatmitigatie vraagt het terugbrengen van de CO2-uitstoot tot 0, tot nul. Dat betekent dat de steden van fossiele energie moeten overgaan op zonne-energie, op windenergie, op geothermie. Dat zal ongetwijfeld samengaan met decentrale energieopwekking. Bovendien moet de bestaande bebouwing energiezuinig worden gemaakt. En zal de mobiliteit een geheel ander aanzien krijgen. Hoe ziet het stadsvervoer eruit als de zelfrijdende auto’s (duurzaam) elektrisch zijn aangedreven?

De klimaatadaptatie vraagt in alle steden om nieuwe oplossingen voor de wateropgave. Extreem weer met extreme hoeveelheden regenwater moet worden gepareerd. Bovendien zijn de temperaturen in de steden veel hoger dan buiten de stad. Als de temperaturen wereldwijd gaan stijgen, zullen de gemeenten meer moeten doen om leefbaar te blijven. Veel groen in de stad kan een bijdrage leveren aan het verlagen van de stedelijke temperaturen.

Het is eenvoudiger om deze viervoudige agenda even uit de mouw te schudden dan om haar te realiseren. Hier is echt sprake van een transitie. En transities laten zich niet zo maar op commando afroepen. Tot op heden spreken we vooral over transities als blijkt dat ze zich hebben voorgedaan.

 

De leergang en de leervragen 

Dit is het verhaal van de triomf van de stad. Dit is ook het verhaal van de leergang Triomf van de stad.  Het verhaal vertaalt zich in 6 modules van 2 dagen. In die 6 modules werken we aan een drietal leerdoelen: kennisnemen van de belangrijkste economische, sociale en culturele ontwikkelingen van steden; vertalen van deze kennis naar de eigen stad; ontwikkelen van een effectieve handelingspraktijk voor de eigen stad.

Module 1 – Stedelijke economie: Agglomeratie-effecten, veranderingen door de komst van de kenniseconomie, consumer-city, werken volgt wonen, met welk beleid kunnen we de triomf van de stad ondersteunen?

Module 2 – Demografie en wonen: demografische ontwikkelingen van steden en randgemeenten, van nieuwbouw in de groeikernen naar nieuwbouw in de grote stad, corporaties en wonen in achterstandswijken, regionale samenwerking tussen stad en randgemeenten.

Module 3 – De achterkant van de triomf: toenemende segregatie, immigranten en hun toekomst in Nederland, het effect van opgroeien in een achterstandswijk, effecten en neveneffecten van beleid voor achterstandswijken, onderwijs en gelijke kansen.

Module 4 – Leefklimaat en cultuur: welke ‘amenities’ maken een stad aantrekkelijk? Cultuur, voorzieningen, stedebouw. Maar het leefklimaat in de stad is niet voor iedereen zo positief. Denk aan verschillen in gezondheid. En wie aan het leefklimaat van steden denkt, denkt ook aan culturele verschillen. Hoe gaan we met die verschillen om?

Module 5 – De triomf van de burger: hoe om te gaan met burgers die zichzelf organiseren voor de publieke zaak. Waar is de overheid van? Hoe zorgen we dat ook mensen met een achterstand aanhaken. De ‘zelforganisatie’ van burgers is lang niet altijd in het publieke belang, denk aan criminaliteit en ondermijning.

Module 6 – De toekomst van de triomf: steden zullen alleen kunnen voortbestaan als ze klimaatbestendig zijn. Hoe realiseren we die transitie? Wat betekent dat bijvoorbeeld voor de mobiliteit? En de toekomstige steden zullen slim moeten zijn.

Debatteren met open vizier

november 19, 2013 by  
Filed under Voorpagina

Ik stel het zeer op prijs als mensen reageren op mijn blogs. Debat dwingt je soms om je argument scherper te formuleren, debat leert je soms dat je een ander perspectief over het hoofd hebt gezien, debat leert je soms dat je een off day had. Dus: reacties zijn welkom. Hoe afwijkend ook: ze worden door mij geplaatst. Ik maak slechts twee voorbehouden voor het plaatsen van de reactie: schelden is niet toegestaan en er wordt met open vizier gestreden: anonieme reacties worden niet geplaatst. Bovendien houd ik me het recht voor om spelfouten te corrigeren. Ik maak er zelf al te veel.