De stad, de markt en de wereld

mei 23, 2019 by  

Wie in de stad rondloopt komt ze nog vaak tegen: de armoedige huizen van de blije stadsvernieuwing uit de jaren zeventig en tachtig. Punaise-bouw. Ze zijn al lang weer aan renovatie toe. Maar toch stonden die woningen ergens voor. Voor de wederopstanding van de steden én voor een sterke lokale overheid. Na de oorlog waren de Nederlandse steden verpauperd en verkrot. Aanvankelijk waren sloop en kaalslag het enige antwoord. En groeikernen en suburbanisatie.Tot een nieuwe generatie het in de steden voor het zeggen kreeg. Er kwam een nieuw zelfbewustzijn. De stad werd opnieuw op de tekentafel gelegd. In al die jaren was de stad het ruimtelijk project van de overheid, vanzelfsprekend met een zekere inspraak. De stad als antwoord op de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog. De stad eerst als een modernistisch antwoord op verkrotting, later als een nostalgisch antwoord op het modernisme. Maar we hadden nog niet door dat na 1989 alles anders zou zijn. 

We betraden een era waarin het neo-liberalisme en het verlangen naar de markt de overheid met zijn oude tekentafels snel terugwierpen. Een tijdperk waarin grenzen in snel tempo vervaagden en waarin we eerst nog over mondialisering maar al snel over globalisering spraken. De positie van de steden was daarin voorlopig nog onduidelijk. Want door de snelle opkomst van internet, laptops en smartphones leek de ‘world flat’ te worden. Het zou niet meer uitmaken waar je ging wonen, overal kon je met je laptop aan het werk. Maar er werd ook gesproken over glokalisering, de globalisering zou in steden voet aan land gaan zetten. Er werd gesproken over de Triomf van stad, mede vanwege de creatieve klasse die zich daar zou vestigen. En toen hoorden we al snel niet veel meer over die ‘world’ die ‘flat’ zou worden. Nee, in de globaliserende wereld werd het alleen maar drukker in de steden. 

Ook in Nederland. Door de globalisering was de industrie in snel tempo uit Nederland vertrokken. We moesten voortaan ons geld vooral verdienen met onze hoge opleidingen. En met onze connecties over de hele wereld. Steden werden hubs in een netwerk, kristallisatiepunten van een globale economie. En dé plek voor face-to-face contacten. Juist in dat directe contact ontstond de innovatie en in de economie werd je niet meer groot met eeuwigdurende herhaling (Ford), maar juist met de unieke innovatie. 

Veel burgemeesters en wethouders waren enthousiast. Eindelijk stond hun stad op de wereldkaart. Gingen de bestuurders vroeger naar China om nieuwe bedrijven te halen, tegenwoordig komen die bedrijven vanzelf als jij de goede hoogopgeleide werknemers in de aanbieding hebt. Dus gemeentebesturen moeten vooral zorgen voor een plek waar hoogopgeleiden graag willen wonen. En ze moeten ervoor zorgen dat de afgestudeerden in de stad blijven wonen. Het zijn de aantrekkelijke steden die op dit punt succesvol zijn. Gerard Marlet schreef er een mooi proefschrift over. Waar de oude grachten in de jaren 50 nog op de nominatie stonden om te worden gedempt, vinden de hoogopgeleiden er nu een ideale woonplek. 

De stedelijke besturen scheppen tegenwoordig op zijn best de randvoorwaarden voor een bloeiende lokale economie. Zie het Oostelijk Havengebied al in de jaren 90, zie het oude  spoorcomplex in Tilburg dat tegenwoordig ruimte biedt voor nieuwe bedrijvigheid en nieuwe kenniswerkers. Helaas denken veel gemeentebesturen ook dat ze zelf een hun eigen Silicon Valley kunnen plannen. Maar dan blijkt dat de nieuwe economie toch heel wat weerbarstiger is dan de tekentafel-bestuurders gewend waren. Valley’s en campussen ontstaan vooral bij toeval en als de buurman er al één heeft, is het zinloos om dat idee te kopiëren. De globale economie zet wel voet aan land in de steden, maar besluit zelf in welke stad dat het beste kan. 

Het doet me soms sterk denken aan de zorg. Misschien een rare vergelijking. Maar ook de zorg was vroeger van de overheid. Het mocht zo zijn dat artsen te veel verdienden en zich moeilijk lieten sturen, er mochten wachtlijsten zijn, maar de overheid was de baas. Tegenwoordig is de zorg overgelaten aan de onzichtbare hand van de markt. Wie aan het stuur zit, is onduidelijk. En de winsten verdwijnen vooral naar elders. Bij steden bekruipt me eenzelfde gevoel. Te meer omdat steden een pion zijn geworden in een mondiale markt. 

Die mondiale markt heeft de steden de laatste decennia veel goeds gebracht. En daardoor hebben de steden veel bijgedragen aan de gestegen welvaart. Waar vroeger de haven van Rotterdam en de luchthaven van Schiphol de fundamenten waren van de economische groei, zijn dat nu de High Tech Campus van Eindhoven, de Food Valley in Wageningen en de vele terrasjes in Amsterdam. 

Maar die ontwikkeling heeft ook iets ongrijpbaars, omdat ze wordt bepaald door de wetten van de globale markt. En die wetten hebben ook schaduwzijden. De Triomf van de stad vindt zijn tegenhanger in de Schaduw van de stad. Triomf en Schaduw gaan gelijk op. En terwijl de stedelijke besturen tien jaar geleden nog druk bezig waren om de Triomf op te stoken, worden ze nu steeds meer met de Schaduw geconfronteerd. Terwijl hun gereedschap uit de jaren 80 in onbruik is geraakt. 

Mag ik wat schaduwen noemen, vanuit een vijftal perspectieven. Ik begin met het demografisch perspectief. De Nederlandse steden groeien door hun geboorteoverschot en door een buitenlands vestigingsoverschot. Binnenlands gezien hebben alle grote steden een vertrekoverschot. Simpel gezegd: er komen veel expats binnen die de huizenprijzen zodanig opdrijven, dat veel stedelijke bewoners wel gedwongen zijn om ergens anders hun heil te zoeken. Niet omdat ze de stad willen verlaten, maar gewoon omdat de woningen in de stad voor hen onbetaalbaar zijn geworden. Zo worden de lagere én de middeninkomens de stad uitgedreven, of verdrongen naar de randen van de stad. Bovendien ontstaat daarmee het gevaar dat veel randgemeenten (denk aan de voormalige groeikernen) hun bevolkingsopbouw zien verschralen. De sterke groei van de stedelijke regio’s vertaalt zich verderop in het land in krimp. Een geringe bevolkingskrimp hoeft niet altijd een probleem te zijn, maar bevolkingskrimp kan zichzelf wel gaan versterken als jongeren in versterkte mate wegtrekken omdat met de krimp van de bevolking ook de nieuwe kansen zijn verdwenen.

Vanuit economisch perspectief zien we dat de Triomf van de stad bepaald niet aan iedereen ten goede komt. Met de groei van de werkgelegenheid aan de bovenkant blijkt de werkloosheid aan de onderkant helemaal niet af te nemen. Vanwege een mismatch op de arbeidsmarkt. Voor de velen voor wie in de industrie en in de haven nog wel werk was te vinden, is in de kenniseconomie nog maar weinig plaats. Zeker als alle terrasjes door studenten worden bediend. De Triomf versterkt een maatschappelijke tweedeling die zich verscherpt langs lijnen van werk, inkomen, gezondheid en niet te vergeten onderwijs. Ook tussen de steden zijn er grote verschillen. De regio Den Haag en de regio Rotterdam hebben op dit moment ongeveer even veel arbeidsplaatsen als in 2008, op het hoogtepunt voor de crisis. Amsterdam heeft er ruim 70.000 meer. Ook Utrecht en Eindhoven doen het erg goed. Dat heeft alles te maken met het opleidingsniveau van de beroepsbevolking.  Vanuit economisch perspectief valt ook op dat de infrastructuur de toegenomen mobiliteit nauwelijks aan kan. Dat kan op termijn schadelijk zijn voor de bereikbaarheid van de stedelijke economieën.

Vanuit geografisch perspectief zien we dat de maatschappelijke tweedeling zich ook ruimtelijk vertaald. Segregatie is in Nederland nog steeds bescheiden, als we het met steden elders in de wereld vergelijken. Maar concentratie van armoede en werkloosheid kan leiden tot een cumulatie van problemen, waardoor de kansen om in de samenleving verder te komen, steeds kleiner worden. Vanuit geografisch perspectief valt er ook veel te zeggen over de voorzieningen, de culturele instellingen etc die de stad een voorsprong geeft op het ommeland. Wat steden aantrekkelijk maakt voor de gezochte kenniswerkers, kan steden ook aantrekkelijk maken voor toerisme. De gemeente Amsterdam dreigt al uit balans te raken. Te meer daar de winkels door de stijgende vierkante-meter-prijzen homogeniseren. Airbnb doet de rest. Er komen zoveel mensen op aantrekkelijke steden af, dat deze moeite hebben om aantrekkelijk te blijven.

Vanuit sociologisch perspectief valt op dat het aantal nationaliteiten en culturen in de steden in de afgelopen decennia enorm is toegenomen. De kansarme migranten starten vaak in arrival neighbourhoods in de grote steden om van daaruit vaak langzaam op te klimmen en naar betere wijken te verhuizen en soms te suburbaniseren. Ik spreek hier niet over expats. Lange tijd waren migranten vooral ‘gastarbeiders’ (Spanjaarden, Italianen, later Turken en Marokkanen) of mensen uit het rijke koloniale verleden (Molukkers, Surinamers, Antillianen). Tegenwoordig leidt de globalisering ertoe dat in Amsterdam en Rotterdam bijna 200 nationaliteiten wonen. Bovendien blijven veel migranten steeds korter. Of blijven ze in een globaliserende wereld gemakkelijker met het thuisland verbonden. Zo vindt Turkse politiek zijn weerslag in Rotterdamse wijken. Dat kan een extra druk leggen op integratie van nieuwkomers. En kan autochtonen een gevoel van ontheemding geven, zeker als ze toch al Globalisierungsverlierer zijn. Dat kan tot spanningen leiden en dat raakt de lokale politiek. Terwijl nu juist een tolerante cultuur de aantrekkelijkheid van steden voor de hoogopgeleiden, die de brandstof vormen van de motor van de kenniseconomie, vergroot. Populisme kan steden dus op termijn op achterstand zetten. 

Stedebouwkundig is er sprake van een boeiende paradox. Aantrekkelijke steden zijn vaak historische steden. Grachten. Dát zijn de plekken waar veel hoogopgeleiden willen wonen om te werken in een kenniseconomie die in veel opzichten footloos en grenzeloos is. Maar tegelijkertijd sluiten steden lang niet altijd in hun nieuwbouw aan bij de stad die ze altijd zijn geweest. Het lijkt er zelfs op dat gekozen wordt voor een internationaal imago, of op zijn minst voor een imago waarvan men denkt dat het internationaal is. Soms staat dat niet alleen haaks op de stad die men was, maar is het ook in strijd met de diversiteit die echte steden kenmerkt. Het gaat hier verder dan de oude tegenstelling tussen Le Corbusier en Jane Jacobs. Juist in de huidige kenniseconomie hebben steden de diversiteit nodig waarvoor Jane Jacobs een halve eeuw geleden pleitte. Dat roept ook de vraag op wie de vormgevers zijn van de nieuwe stad. De markt heeft daarin altijd een rol gehad, zij het eerder wel binnen duidelijke kaders van het stedelijk bestuur. Die kaders zijn enerzijds schijnbaar verwaterd, de overheid lijkt vaak de wensen van de markt te volgen. Daarnaast is de succesvolle stad een prachtig investeringsobject geworden voor mensen die dat kunnen betalen. In London wordt in hele straten, buurten nog maar nauwelijks gewoond omdat de huizen door investeerders zijn opgekocht. Ook in Nederlandse steden zie je ontwikkelingen in die richting. De vraag: van wie is de stad? lijkt tegenwoordig eenvoudig te beantwoorden. En dat hoeft niemand na 30 jaar neo-liberale politiek te verbazen. 

Inderdaad, de Triomf van de steden is onweerlegbaar. En die Triomf heeft veel te maken met de globalisering van de economie. Steden zijn schakels in de globaliserende economie. Soms straalt de Triomf af op de stedelijke bestuurders. Barber meende zelfs dat de burgemeesters de tegenwoordiger wereldleiders zijn. Dat lijkt me een vreemde conclusie als steden nu juist tot grote bloei zijn gekomen in een neo-liberale tijd waarin de markt het voortouw moest nemen, én als kristallisatiepunten van de globalisering, waarover nationale overheden, en laat staan lokale overheden, per definitie weinig te zeggen hebben. En tegelijkertijd kent die Triomf schaduwen, die veel inspanningen vragen van de overheid. Dat vraagt een heel subtiel spel van het stedelijk bestuur.

[verschenen in Binnenlands Bestuur, 24 mei 2019]

De demograaf en de stad

mei 13, 2019 by  

Clara Mulder is hoogleraar Demografie en Ruimte aan de Universiteit van Groningen. Ik spreek haar op 7 mei 2019 over de stad. Maar ik vraag haar eerst naar haar vak. Ik beschrijf in het onderstaande het gesprek, alleen specifieke uitspraken van Clara Mulder staan tussen aanhalingstekens.

Wat is demografie

Demografie gaat over de samenstelling van bevolkingen en over gebeurtenissen die die samenstelling beïnvloeden. Zoals: geboorte, sterfte en verhuizing. Maar het vak verbreedt. We krijgen steeds meer belangstelling voor (samenstelling van) huishoudens. We krijgen meer belangstelling voor kwalitatief onderzoek, naast de vele cijfers over geboorteoverschotten en vestigingsoverschotten. Maar het blijft altijd gaan om die bevolking.

Volgens de boeken heeft demografie geen formeel object, geen eigen manier van redeneren. Demografie kenmerkt zich door het materiële object: het onderwerp, namelijk de bevolking. Voor een verklaring voor de trends die demografen vinden, spelen ze vaak leentjebuur bij andere wetenschappen. Als economie, sociologie, geografie. In dat opzicht is demografie echt een interdisciplinaire wetenschap.

Toch blijkt in het gesprek dat ik met Clara heb vooral één ding: demografen hebben een heel eigen manier van redeneren. Als het om de stad gaat, start de analyse altijd met geboortes, sterftes, inkomende verhuizingen en uitgaande verhuizingen. En op basis daarvan is er een geboorteoverschot of een sterfteoverschot en een vestigingsoverschot of een vertrekoverschot. En altijd is er de factor tijd die die grootheden bepaalt. Een stad groeit niet alleen door de instroom van studenten, maar ook omdat de levensverwachting van mensen stijgt en mensen daarom later sterven. En als ik in een vraag een fout maak met cijfers: luidt het antwoord meteen: “Dat kan niet.” Demografen hebben in ieder geval iets met cijfers. 

Eenheid van analyse

Demografie gaat dus over bevolking. Maar waarnaar kijkt de demograaf nu specifiek? Naar de bevolking van een land, van een stad. Of naar het ‘demografisch’ gedrag van mensen? Kijken we naar geboorteoverschotten en vertrekoverschotten van steden of naar de levensloop van mensen (hoe vaak verhuizen ze van waar naar waar?). In het eerste geval is de bevolking binnen een bepaald territoir (in dit geval: van de stad) de eenheid van analyse, in het tweede geval het individu. Binnen de demografie spreken ze over de macro- en de micro-benadering. Clara is van de tweede benadering. In die micro-benadering ligt vaak de verklaring besloten van wat men op macro-niveau vindt. 

Macro kan niet zonder micro

Het leek mij dat het moeilijker is om gegevens van de levensloop van mensen te verzamelen, dan de geboortes en sterftes in een stad in een bepaald jaar. Maar tegenwoordig staan veel micro-data van het CBS ter beschikking van de onderzoekers, vanzelfsprekend zonder schending van de privacy. Allerlei registers zijn sinds 1995 aan elkaar gekoppeld. Bevolkingsregisters van gemeenten, gebouwenregisters, belastingregisters. Zo kan je mensen heel goed individueel volgen. 

Toch zijn die macro-cijfers op één of andere manier gemakkelijker te presenteren. Steden presenteren bijna altijd gegevens over wijken en niet over de levensloop van de mensen die in die wijken zijn geboren. Terwijl aan de universiteiten toch veel van dat laatste onderzoek wordt gedaan. Ook het SCP doet dit soort onderzoek. Je leest bijvoorbeeld dat het inkomen in een wijk is veranderd. Maar komt dat door selectieve instroom en selectieve uitstroom van mensen of omdat mensen meer of minder zijn gaan verdienen? 

Clara Mulder leert demografen om altijd op zoek te gaan naar de achterliggende dynamiek. Tegen studenten spreekt ze over de middelbare-schoolparadox. Gemeenten klagen soms over hun instroom die te laag is opgeleid en over het feit dat juist de beter opgeleide mensen vertrekken. Maar op een middelbare school zijn ze blij als ze hun leerlingen in die zes jaar veel hebben bijgebracht. Clara Mulder: “Het is niet erg voor een stad als middeninkomens vertrekken. Als je als stad je functie hebt vervuld.”

Is het echt een trend?

Het is opvallend dat demografen wel een heel eigen manier van redeneren hebben, maar dat ze nauwelijks definiëren wat een stad is. “Daar zijn we als demografen niet zo dogmatisch in.” Wel kijken ze naar verschillen tussen stedelijk en minder-stedelijk. En Clara Mulder doet nog wel eens een gevoeligheidsanalyse. Verandert het beeld als je niet alleen naar Amsterdam kijkt, maar ook naar de aangrenzende gemeenten? Voor een demograaf zijn zozeer niet steden van belang, als wel grenzen van steden. Je moet weten voor welk gebied je cijfers nodig hebt. 

En die cijfers zijn nog maar het begin. Het gaat vooral om de achterliggende dynamiek die ervoor zorgt dat de demografische kerncijfers veranderen. Als mensen later kinderen krijgen, dan groeit de bevolking minder hard. Als mensen daardoor langer in de stad blijven wonen, groeit de bevolking juist. Ook als mensen later dood gaan groeit de bevolking. Clara vat samen: “Uitstellen heeft een enorm effect op de stand van de bevolking op een bepaald moment.”

En altijd speelt de vraag: is hier sprake van een tijdelijke verandering of is er echt sprake van een trend? Heeft die achterliggende dynamiek een tijdelijk of een permanent karakter? Het brengt ons bij het onderscheid tussen cohort en leeftijd. Als mensen ouder worden en kinderen krijgen hebben ze de neiging om de stad te verlaten. Dat heeft niks met de generatie, het cohort te maken waaruit men stamt, maar alles met leeftijd(sfase). Maar het blijkt ook dat jongere cohorten langer in de stad blijven wonen. Misschien willen ze wel nooit meer vertrekken.

Wie vertrekt wanneer uit de stad

Op dit punt spreken we lang door. Clara Mulder ziet veel mythen. En volgens haar is het doorprikken van mythen een belangrijke taak van wetenschappers. Het is ook helemaal niet waar dat mensen teruggingen naar de stad. Mensen bleven er alleen langer omdat ze later kinderen kregen. Die behoefte aan een tuin is volgens Clara nog even groot als je kinderen krijgt. En er was een tijdelijk probleem in de crisis. In die tijd konden de mensen gewoon niet weg omdat hun huis onder water stond of omdat ze het gewoon niet konden verkopen. De trek uit de stad zou zijn gekeerd. Maar was helemaal niet waar. Toen de crisis voorbij was gingen ze gewoon weer wel. Dat verhaal van de stad als spons was maar een tijdelijk verhaal. 

Er is wel iets bijgekomen: de aantrekkelijkheid van de stad voor investeerders. Clara Mulder is soms bang voor een London-effect, waar de duurste wijken worden opgekocht. En waar nog maar nauwelijks wordt gewoond. Zover zijn we in Nederland nog niet, maar het zou haar niet verbazen als het op kleine schaal al aan het gebeuren is. 

In ieder geval is er binnenlands geen sprake van een vestigingsoverschot in de steden. Er is een vertrekoverschot. Wel is er een buitenlands vestigingsoverschot. En er is een geboorteoverschot. “Ik weet het niet precies waar dat vandaan komt. Men stelt het vertrek waarschijnlijk uit tot na de geboorte van het kind. Vertrekken uit de stad doen mensen rondom de geboorte van kinderen. Soms ervoor. Soms wachten ze tot erna. Hangt ook af van de woningmarkt. Bovendien worden geboortes nog steeds uitgesteld, maar dat houdt op een gegeven moment wel op. Maar er speelt toch ook nog wel iets anders. Ik denk dat mensen door uitstel van geboorten meer aan de stad zijn gehecht en daardoor meer het idee krijgen dat hun kind daar ook kan opgroeien. Steden hebben echt aan populariteit gewonnen. Het wordt niet meer gezien als onbehoorlijk om een kind in een stad te laten opgroeien. Ik ben zelf in Amsterdam opgegroeid, dat was toen heel normaal. Later ontstond met de suburbanisatie het beeld dat je een kind niet in de stad kon laten opgroeien. Dat is wel weer wat teruggedraaid. Ik denk dat ze tegenwoordig vooral later vertrekken. Maar ze vertrekken wel.”

Veel patronen

Die paar cijfers. Een geboorteoverschot, een buitenlands vestigingsoverschot en een binnenlands vertrekoverschot. Dat zijn de ‘grote’ steden in Nederland. En daarachter gaan allerlei patronen schuil. Zo kende lange tijd de meerderheid van de geboorten een migratieachtergrond, de laatste jaren is dat juist niet meer zo. Volgens Clara zijn er twee oorzaken. Ten eerste de herwaardering van de stad. Met de ‘bakfietsmoeder’. “Maar blijven die bakfietsmoeders ook nog in de stad als de kinderen pubers zijn? Als mensen maar even wachten en het kind nog krijgen in de stad heb je al een geboorteoverschot, maar na een paar jaar heb je weer vertrekoverschot van driejarigen. Ten tweede is de suburbanisatie bij de allochtonen pas de laatste jaren echt op gang gekomen. Ze gaan nu naar Almere. En krijgen daar hun kinderen. 

Natuurlijk zijn er ook dwarsverbanden tussen buitenlandse en binnenlandse migratie. Expats gaan vaak weer terug, hoewel er meer in komen dan er uitgaan. Maar ze kunnen na verloop van tijd ook doorverhuizen naar een huis in de regio. Zoals jongeren uit de regio naar de stad gaan en kunnen doorverhuizen naar het buitenland. Alle patronen komen voor. Het gaat altijd om de relatieve omvang.

En nu de sterfte nog. Sterfte is in grote steden vaak laag omdat mensen al eerder vertrekken en er komen er niet veel meer terug op latere leeftijd. Maar leeftijdsspecifiek zijn er signalen dat de sterfte hoger is in steden. Vanwege fijn stof onder andere. Sharon Dijksma wil de benzineauto’s uit Amsterdam weren omdat mensen daar 1 jaar korter zouden leven. “Ik denk wel dat het klopt.” 

De laatste zin typeert deze boeiende én bescheiden wetenschapper!

[tekst voor het boek De schaduw van de stad]

De schaduw van de stad

april 9, 2019 by  

Parijs wordt te duur, Bordeaux heeft de toekomst. Zo meldt de Volkskrant van vanmorgen. Kranten zijn dol op nieuwe trends. Je moet dus altijd voorzichtig zijn met dat soort berichten. Zo valt het me op dat Parijs in de bijbehorende grafiek 2 miljoen inwoners heeft tegen Berlijn bijna 4. Daar worden blijkbaar appels met peren vergeleken. Toevallige gemeentegrenzen versus agglomeraties. En de simpele vraag waarom Parijs zo duur wordt, komt niet aan de orde. Zou het iets te maken kunnen hebben met het feit dat heel veel mensen daar willen wonen. En dat met name de hoogopgeleide hogere inkomens daar willen wonen? Zo slecht zal het er dus toch niet zijn. 

Toch gedijt het bericht op een nieuwe onderstroom. Na alle succesverhalen over de steden (de Triomf van de stad) begint aandacht te komen voor de achterkant van die Triomf. Voor het feit dat de middeninkomens de steden worden uitgedreven, nadat de lagere inkomens al veel eerder in hun banlieus zijn opgesloten. Dat gentrificatie niet alleen betekent dat er meer plek voor hogere inkomens, maar dat ook lagere inkomens zijn verdreven. Dat niet alle steden even populair zijn. En dat een gebrek aan opleiding een steeds grotere handicap wordt. 

Maar het is niet alleen aandacht voor de andere kant van de medaille, het lijkt er ook echt op dat het omslagpunt soms is bereikt. Huizen in de steden worden niet alleen onbetaalbaar duur (althans voor velen), ze worden ook een beleggingsobject. Toeristen brengen niet alleen steeds meer geld in het laatje, maar verstoppen ook delen van de stad. De groei van de infrastructuur kan de groei van de mobiliteit niet meer bijbenen. Het grote aantal nationaliteiten geeft bij groepen autochtonen een ontheemd gevoel. 

Ik weet het: al die nadelen zijn minder sexy dan de Triomf van de stad, met al zijn expats, kenniswerkers, valley’s en campussen. Over dat laatste worden veel gemeentelijke nota’s geschreven. Maar het is de vraag of dat juist is. Want hoeveel invloed heeft de lokale overheid op de Triomf van de stad? Het zou best eens kunnen zijn dat de lokale overheid veel meer kan doen aan het tegengaan van de schaduw van de stad. 

En daarmee is de titel van mijn nieuwe boek genoemd. De schaduw van de stad. Ik zal hier de komende tijd regelmatig teksten publiceren die onderdeel zijn van dat project. Correcties en commentaar zijn van harte welkom. 

Zijn provinciale verkiezingen voor provincialen

maart 18, 2019 by  

“Overheid, geef de provincie goed vervoer.” Het is de kop van een artikel van Franca Treur in de NRC  van afgelopen zaterdag. Ze is gevraagd om iets over de provincie te schrijven, zo vlak voor de verkiezingen voor de Provinciale Staten. Voor Franca is de provincie blijkbaar het achterland. Ze beklaagt zich vooral over de reistijden naar Zeeland. De koppensneller begrijpt meteen welke titel bij het artikel past: “Overheid, geef de provincie goed vervoer.” De provincie, dat gaat over dorpen die krimpen, over het landelijk gebied, dus over het achterland van Nederland. Vraag een Amsterdammer naar de ‘provincie’, en hij zal het daar helemaal mee eens zijn.

Alle media, ook de NRC, hadden weken lang moeite gedaan om aandacht te schenken aan de verkiezingen voor de Provinciale Staten. Er werd gesproken over de identiteit van de provincie. Die meestal niet bestond. Er werd gesproken over het belang van het provinciaal bestuur. Er werd ons uitgelegd dat de provincie gaat over ruimtelijke ordening, over wonen en over regionale economie. Maar iedereen die iets van het openbaar bestuur weet, weet dat de provincie gaat over de ruimtelijke ordening van de dorpen, over het wonen in de dorpen en dat de steden trekkers zijn van de regionale economie. En dat de steden zich weinig aantrekken van de provincie. 

Je ziet zo’n redactievergadering van de krant voor je. Hoe verslaan we dit jaar de Provinciale Statenverkiezingen? Een 60-jarige redacteur zegt dat de democratie belangrijk is en verzandt in een verhaal over Wilders, Baudet, Trump en Bolsaro. De anderen begrijpen zijn verhaal niet helemaal, maar begrijpen wel dat ook die verkiezingen voor de Provinciale staten iets met onze democratie te maken hebben. Dus komt er een serie over alle provincies. De twaalf provincies worden over twaalf stagiaires verdeeld. 

Dan is het werkelijk komisch dat in het laatste weekend voor de verkiezingen de provincie weer is, wat het altijd was: het achterland. In diezelfde krant stond ook al een samenvatting van al die schitterende verhalen over al die schitterende provincies. De belangrijkste conclusie: de burger voelt zich verbonden met zijn plek, met zijn stad, met zijn dorp, met zijn polder, met zijn kanaal, maar niet met een provincie. De provincie is van niemand. 

Toch verdient het pleidooi van Franca Treur weerwoord. Haar verhaal is typisch het verhaal van een stedeling die elk half jaar heel veel tijd kwijt is om haar ouders in Zeeland te bezoeken. ‘Wij’ gaan op de fiets naar Hoppe en het Concertgebouw. ‘Wij’ brengen onze kinderen in de bakfiets naar het Barleus. Maar al die mensen ‘in de provincie’ vinden het helemaal niet erg ze zo ver van de stad wonen. Daarmee zijn ze ook zalig onbereikbaar voor al die praatjes-makende stedelingen, die met hun praatjes vooral onze rust verstoren. Nee, het zou inderdaad goed zijn als bij de Provinciale Statenverkiezingen alleen de provincialen komen stemmen.

Wethouder Adriaan Visser als symptoom van zieke cultuur

februari 12, 2019 by  

Adriaan Visser heeft zijn conclusies getrokken. Hij stapt op als wethouder van Rotterdam, omdat publiek is geworden dat hij (vertrouwelijke) stukken naar de pers heeft gelekt. Het was een (doorzichtige) poging om een onderzoek van de lokale rekenkamer te neutraliseren. Inmiddels is bekend geworden dat ook anderen bij dit lekken betrokken waren. Een raadslid, en mogelijk een andere wethouder. Hier lijkt sprake van een strategie. Het lek van Visser als symptoom van een zieke cultuur.  

De gemeente Rotterdam heeft een uitstekende lokale rekenkamer, met Paul Hofstra als een uitstekende directeur. Het fenomeen van de lokale rekenkamer bestaat nog niet zo lang. Met als doel: het toezicht op het gemeentelijk bestuur te versterken. Alles wat niet door de gemeenteraad wordt gezien (of door tijdgebrek blijft liggen) kan door de lokale rekenkamer worden opgepakt en worden onderzocht. Hoera, voor de lokale democratie. 

Vanzelfsprekend kan er enige spanning ontstaan in de relatie tussen een lokale rekenkamer en het College van Burgemeester en Wethouders. Iedereen weet dat toezicht belangrijk is, maar niet altijd leuk. Juist daarom moet een College van B&W de eigen rekenkamer altijd met respect behandelen. En blijven uitdragen dat de lokale rekenkamer nuttig werk doet, ook als de conclusies politiek even niet uitkomen. In Rotterdam schort het daar al jaren aan. Vorig jaar dreigde het college zelfs naar de rechter te stappen om de publicatie van een concept-rapport van de Rekenkamer (dat vernietigend was over de beveiliging van burgemeester Aboutaleb) tegen te gaan. Ja, men heeft op het stadhuis in Rotterdam blijkbaar soms een opmerkelijke democratie-opvatting. 

Zo was het ook geenszins verrassend dat het Rotterdamse College onlangs weer frontaal de aanval zocht met de lokale rekenkamer. Dit keer ging het om een onderzoek naar het Schieblok (nabij Rotterdam CS), waar vele miljoenen overheidsgeld zijn verdampt door discutabel gemeentelijk beleid. Toeval wil dat dezelfde Visser indertijd als topambtenaar van de gemeente Rotterdam directe bemoeienis met het Schieblok had. Een bemoeienis die dus weinig succesvol is geweest. 

Natuurlijk, het was pijnlijk, het was ingewikkeld. Het was moeilijk om te verdedigen in de gemeenteraad. Maar in plaats van zich voor te bereiden op het debat met de gemeenteraad besloot Visser (en besloten anderen?) om het onderzoek van de Rekenkamer in een kwaad daglicht te stellen door vertrouwelijke stukken naar de pers te lekken. Met name om het negatieve beeld over topambtenaar Visser te doen kantelen. Dit was dus niet voor het eerst, het was een patroon. Alles leek ook dit keer geoorloofd om de lokale rekenkamer het werken onmogelijk te maken. Zelfs georganiseerd lekken van vertrouwelijke stukken. Let wel: de lokale rekenkamer is een onafhankelijk orgaan dat een belangrijke functie vervult in de lokale democratie. Zoals nu andermaal is gebleken. 

Dit stinkt. Hier valt niet één wethouder op onhandigheid. Hier wordt stelselmatig een lokale rekenkamer kapot gemaakt en wordt blijkbaar geen middel geschuwd. Waar dat gebeurt moet niet één wethouder vallen, maar is iedereen verantwoordelijk voor een verziekte politieke cultuur. 

Volgende pagina »