De vertrouwenscommissie als ultieme achterkamer

juli 5, 2017 by  

Er is weer gedoe rondom burgemeestersbenoemingen. In Den Haag is uitgelekt welke twee kandidaten niet zijn benoemd: Plasterk en Marcouch. Preciezer: een duo-raadslid heeft twee namen getwitterd. Maar of deze man de waarheid heeft gesproken weten we niet. Want dat zouden we aan de vertrouwenscommissie moeten vragen en die mag niks zeggen. We weten dus ook niet of er is gelekt uit de vertrouwenscommissie. En of een lid van de commissie daarmee een strafbaar feit heeft gepleegd.

Ja, als we het over vertrouwenscommissies hebben gaat het vooral over lekken en over strafbare feiten. Lekken uit de vertrouwenscommissie hoort niet en is verboden. Maar eigenlijk is dat de wereld op zijn kop. Waarom hoor ik nooit de legitieme vraag naar verantwoording? Is het niet meer dan logisch dat wij, burgers, mogen weten welke kandidaten zijn afgewezen. En wat daarvan de reden is. Draait nu in Arnhem inderdaad de PvdA-banen-carrousel? Of was Marcouch inderdaad de beste, nadat hij mogelijkerwijs in Den Haag is afgewezen? Ja, dat willen wij weten.

Eigenlijk is het bizar wat hier gebeurt. Burgemeester worden tegenwoordig de facto door de gemeenteraad gekozen. Beter gezegd: door de vertrouwenscommissie uit de gemeenteraad. Dat werd enige decennia geleden nog gevierd als democratisering van de burgemeestersbenoeming. Niet het Rijk moest bepalen wie de nieuwe burgemeester werd, maar de gemeente zelf. Ik ontken niet dat daarmee winst is geboekt. Beter een lokale vertrouwenscommissie dan een landelijke carrousel van politieke partijen die onderling gemeenten verdelen.

Maar laten we niet vergeten dat we, toen burgemeesters nog door het Rijk werden benoemd,  veel beter op de hoogte waren van de namen van de kandidaten dan momenten het geval is. Degenen die benoemden legden dan wel  geen verantwoording af, maar ze wisten wel dat we meekeken. We hadden ons met zijn allen kunnen afvragen of Plasterk het burgemeesterschap na een onzichtbaar ministerschap van Binnenlandse Zaken had verdiend. We hadden ons met zijn allen kunnen afvragen of het zwakke burgemeesterschap van Pauline Krikke in Arnhem een goede basis was voor het burgemeesterschap in Den Haag. Het was een gebrekkige transparantie, maar een beetje transparant was het wel.

Sinds de democratisering van de burgemeestersbenoeming tot stilstand is gekomen met de verworvenheid van een vertrouwenscommissie weten we niets meer. Ja, we weten wie is benoemd. Maar waarom hij of zij wordt benoemd en wie de andere kandidaten waren blijft geheel duister. Als we nu over achterkamertjes willen spreken, laten we dat dan in dit geval doen. Zo vind je ze nergens. Lekken uit de achterkamer ishier zelfs wettelijk verboden en strafbaar. Met als bijzonder effect dat er tegenwoordig veel minder gedoe is over burgemeestersbenoemingen dan een paar decennia geleden. Ja, omdat het strafbaar is om iets te weten.

Al met al: het wordt hoog tijd dat we die democratisering van de burgemeestersbenoeming weer ter hand gaan nemen. Er is nog een lange weg te gaan naar een werkelijk openbaar debat over de keuze van de burgemeester. En dat openbare debat moet niet in de gemeenteraad worden gevoerd, laat staan in een vertrouwenscommissie. Maar dat moet een publiek debat zijn onder burgers, die zelf mogen bepalen wie hun nieuwe burgemeester wordt. Lang leve de gekozen burgemeester.

 

 

Het succes van Eindhoven fascineert

juni 19, 2017 by  

 

Gesprek met Robert Elbrink, hoofd Strategie van de gemeente Eindhoven

Eindhoven ontwikkelt zich razendsnel. Groot Eindhoven (Zuid-Oost-Brabant) kreeg er tussen 2010 en 2015 (december) 11.000 banen bij. Vergelijk dat met Groot Rotterdam of Groot Den Haag, die in dezelfde periode 19.000 banen verloren [bron Statline CBS]. Oké, Groot Amsterdam is hors categorie met een winst van 64.000 banen. Maar het is duidelijk dat Eindhoven zeer floreert. Men is het ‘vertrek’ van Philips en het einde van DAF al lang te boven. Wie aan Eindhoven denkt, denkt tegenwoordig aan ASML, de grote wereldspeler op het terrein van chipsmachines. En aan de Design Academy. En aan de TU/e.

Maar wie de literatuur over stedelijke economie een beetje kent, houdt daaraan toch een heel ander beeld over. Ik zeg met nadruk ‘een beetje’. Die theorie komt er plat gezegd op neer dat vooral steden met ‘amenities’, met een aantrekkelijk woon- en leefklimaat, met veel voorzieningen, het tegenwoordig goed doen. In feite zijn de bedrijven footloose geworden (ze hoeven niet meer aan een kanaal te liggen om grondstoffen aan te voeren en producten af te voeren). Daarom trekken mensen niet meer naar bedrijven, maar trekken bedrijven naar mensen toe. In het wetenschappelijke jargon: werken volgt wonen in plaats van wonen volgt werken. Dus vooral steden waar het aangenaam wonen is, die veel voorzieningen hebben en veel mooie woningen, zouden het economisch goed moeten doen. Dat geldt zeker voor Amsterdam, hoewel het succes van Amsterdam zo langzamerhand in zijn tegendeel begint te verkeren. Amsterdam wordt te druk en te duur. Maar het is vooral zo duur omdat iedereen daar wil wonen. En omdat iedereen daar wil wonen zijn er veel bedrijven en omdat er veel bedrijven zijn wil iedereen er wonen.

Eindhoven heeft een ander woon- en leefklimaat. De woningprijzen liggen veel lager. Er is geen historische binnenstad. Er is geen binnenstad waar velen willen wonen. Er zijn veel minder culturele voorzieningen. In de terminologie van Gerard Marlet is Eindhoven geen ‘aantrekkelijke stad’. En toch doet Eindhoven het zo goed. Het is maar weer eens een bewijs dat de werkelijkheid complexer is dan een simpele theorie. Misschien is Eindhoven wel bij uitstek een stad waar niet ‘werken’ ‘wonen’ volgt, maar ‘werken’ ‘werken’. De dynamiek van de bedrijven trekt nieuwe bedrijven aan.

Er is nog een andere reden waarom Eindhoven zo interessant is. Eindhoven heeft een zeer succesvolle campus, de High Tech Campus Eindhoven. Het is bekend dat elke gemeente tegenwoordig een campus wil. Daarom is het goed om te bekijken waarom succesvolle campussen zijn ontstaan.

Om deze twee redenen spreek ik met Robert Elbrink. Elbrink is al enige tijd de hoofdstrateeg van de gemeente Eindhoven. Zijn strategische afdeling ‘hangt’ onder de Directieraad van de gemeente. Hij werkt als niet-Brabander al lang bij de gemeente Eindhoven, de laatste zeven jaar als hoofd van de afdeling Strategie. Hij kent de gemeente van binnenuit en is nog steeds in staat om het reilen en zeilen van de gemeente op enige afstand te observeren. Een ideale gesprekspartner al met al.

Eindhoven is ontdekt als stad met spannende dingen

Ik vraag Elbrink hoe het op dit moment met Eindhoven gaat. Je wilt zo’n gesprek nu eenmaal vriendelijk beginnen. Het antwoord is dat ook. Elbrink: Economisch gaat het goed. Bedrijven, zeker de high tech bedrijven, draaien als een tierelier. Maar als het gaat om de vraag: profiteert iedereen ervan, dan liggen er nog wel wat uitdagingen. De arbeidsmarkt heeft altijd vertraging ten opzichte van de economie. We moeten opletten of de werkgelegenheid gelijke pas houdt met de economie. Elbrink ziet ook dat het heel goed gaat met belangstelling voor Eindhoven. ”Eindhoven is de afgelopen jaren ontdekt als stad waar spannende dingen gebeuren”. Hij ziet het in de media, maar je ziet het ook in de Tweede Kamer waar gedebatteerd wordt over het einde van het mainportbeleid (de haven van Rotterdam en Schiphol als drijvende krachten van de Nederlandse economie) en waar nadrukkelijk wordt beseft hoe belangrijk de high tech en de industrie van Eindhoven tegenwoordig voor Nederland zijn. Door Eindhoven en de regio daaromheen kan Nederland echt meespelen op wereldniveau met high tech en industrie. “Die bedrijven hier hebben een grote toegevoegde waarde. Als je naar die machines van ASML kijkt en al die toeleveranciers, bijvoorbeeld. Het aantal banen groeit hier nog steeds. Grote vraag naar ICT-ers natuurlijk. Technische vakmensen. Daarom investeren we ook samen met andere gemeenten in programma’s om expats aan te trekken. Hoe zorg je ervoor dat je het aantrekkelijke vestigingsklimaat hebt dat de mensen komen die je hier echt nodig hebt. En hoe kunnen we hun partners, die ook vaak hoogopgeleid zijn, hier ook aan het werk krijgen?”

Ik vraag aan Elbrink waarom Eindhoven toch zo’n groot succes is. Hij zegt: Combinatie van factoren. De tijdgeest. Technologie is ‘in’, technologie is niet meer eng. Nerds zijn zelfs hip. Industrie is niet meer vies. Uniek aan Eindhoven is ook de combinatie van high tech en creatief. Die combinatie komt niet zoveel voor in de wereld. Design Academy is motor en magneet voor creatief talent. En die mensen blijven steeds meer in Eindhoven werken als ze zijn afgestudeerd. In Strijp S, en dat soort gebieden met industrieel erfgoed. Dat geeft een zelfversterkend effect. En er zijn mogelijkheden om high tech en creativiteit fantastisch te verbinden. Denk aan wearables: Enthousiast vertelt hij dat ook de gemeente al een designer in dienst heeft. Vooral om te bedenken hoe ze maatschappelijke vraagstukken en complexe multi-stakeholders vraagstukken beter kunnen oplossen. “We moeten leren om te denken vanuit de mensen voor wie je het doet. Anders dan de standaard beleidscyclus. Waarbij we na een paar jaar constateren dat het niet werkt en dan weer opnieuw beginnen”.

Het toeval van Eindhoven

Ik wil verder terug naar de oorsprong van het succes. Elbrink vat het helder samen. Eindhoven is een succes geworden door twee toevalsmomenten. Philips koos aan het einde van de negentiende eeuw voor Eindhoven en niet voor Breda. En in de jaren 90 werd besloten om het gebied van het NatLab open te stellen. Dat heeft het succes van Eindhoven bepaald. Historische toevalstreffers die je niet kan herhalen. Als Philips niet was gekomen was Eindhoven nog steeds een gezellig Kempisch dorp met een mooie markt en met carnaval. Net zoals Eersel of Oirschot. Daar kan je prachtig wonen, dichtbij heidegrond. De echte groei kwam met Philips.

Door de beslissing om het NatLab-gebied open te stellen zijn we enorm verbreed. Natuurlijk, Philips er zelf ook nog. En het bijzondere is dat de grote bedrijven bijna allemaal wortels hebben in Philips. “ASML is in 1984 begonnen als joint venture van ASMI en Philips en leek niet kansrijk”. Philips dacht: dat kan nooit wat worden. Boonstra heeft heel veel afgestoten. En veel van die bedrijven zijn zelfstandig een succes geworden. Waarschijnlijk omdat ze zelfstandig veel meer focus konden aanbrengen. Ook de bedrijven die later weer zijn overgenomen door VDL. En dan krijg je weer nieuwe toeleveringsbedrijven. Ook heel veel ingenieurs in Eindhoven hebben nog hun wortels in Philips. Mensen die goed met elkaar kunnen samenwerken omdat ze bij Philips op school hebben gezeten en dezelfde taal spreken.

Ja, dat openstellen van het NatLab gebied is een cruciaal moment geweest. Op basis van open innovatie model. Van een gesloten vesting naar een levendig high tech researchpark. Met nu meer dan 100 bedrijven en kennisinstellingen. Vroeger was het echt afgesloten. Je kwam daar niet. De gedachte van een Strip als ontmoetingsplek met allerlei facilities heeft erg bijgedragen aan de interactie op dat gebied.

Natuurlijk heeft uiteindelijk Philips zelf besloten om het NatLab open te stellen. Het was in de tijd dat Philips besloot om het hoofdkantoor naar Amsterdam te verplaatsen. De gemeente heeft er wel sterk op aangedrongen om de research in Eindhoven te verankeren. Toen heeft Philips veel geld geïnvesteerd om de Campus te ontwikkelen. En toen kwam het besef dat dit soort gebieden veel rendabeler worden als anderen er ook gebruik van kunnen maken. Je kan ook niet meer alle kennis en innovatie in één bedrijf houden. Je moet dus ketens ontwikkelen. Philips floreert daar zelf ook nog. Weinig mensen weten ook dat het hoofdkantoor van Philips Lighting hier in Eindhoven zit, niet in Amsterdam. Ach, wij zeggen altijd: Philips is weggegaan met 200 man. De directie en de marketing. Het hart is hier gebleven. De research, de kennis en kunde, de ingenieurs, die zijn hier nooit weggegaan. Bijzonder is dat je bij Eindhoven tegenwoordig eerder denkt aan ASML. Maar ja ASML bepaalt het tempo van Silicon Valley. Dat is de tijdgeest.

Ontkent Eindhoven de theorie of voorspelt de theorie het einde van Eindhoven

Het wordt tijd om Elbrink de vraag voor te leggen waarom Eindhoven niet aan de theorie voldoet. Eindhoven is toch veel te klein voor wat er allemaal gebeurt. En het is toch helemaal niet genoeg? Hoe kan het hier zo goed gaan, terwijl het hier toch veel minder aantrekkelijk is om te wonen dan in Amsterdam of Utrecht? Elbrink kan voor twee antwoorden kiezen. Of: die theorie deugt niet, of: het is maar de vraag hoe goed het gaat.

Elbrink kiest eerst een defensieve variant. Hij zegt: Dat hangt ook van je woonwensen af. Amsterdam is te vol en te duur. Je kan hier tegen een redelijk prijs een grondgebonden woning redelijk dicht tegen het centrum aan kopen. Maar dan zegt hij dat je ‘amenities’ op verschillende manieren kan definiëren. “Onze cultuurvoorzieningen zijn abominabel. Wij krijgen daarvoor ook bijna niets van Den Haag, in vergelijking met andere steden”. Ik probeer het even: die nerds hebben blijkbaar geen cultuur nodig. Daarin gaat Elbrink niet mee: Dat weet je pas als die voorzieningen er zijn. Ik dring aan: Maar de praktijk bewijst dat jullie je gewoon zo fantastisch kunnen ontwikkelingen met die € 1,53 per inwoner voor cultuur van het Rijk. Elbrink houdt stand. Niet voor niets heeft Eindhoven de laatste jaren in Den Haag gelobbyd voor meer culturele voorzieningen in de stad. Hij zegt: “Nee, het piept en kraakt”. We hebben sinds 2008 echt moeten bezuinigen. We hadden voor die tijd relatief goede voorzieningen op gebied van sport, cultuur, theater, denk aan de Effenaar. Dat was best veel voor een stad van deze omvang. Maar toen we moesten bezuinigen, werden al die voorzieningen heel kwetsbaar.

We hebben het alle voorzieningen zelf kunnen opbouwen door onze snelle groei. Heidegrond, schapen eraf, huizen erop zetten. En dat leverde heel veel geld op. Maar we zijn door onze grond heen. Toen hebben we het kabelbedrijf verkocht en een energiebedrijf voor 800 miljoen. Onze aandelen in het Bouwfonds verkocht. In 2008 viel onze bouw stil, we hadden de mooiste dingen verkocht en het Rijk ging bezuinigen op het Gemeentefonds. Toen kwam de decentralisatie met enorme taakstelling erover heen. Het piept en kraakt. We hebben 70 miljoen op jaarbasis op de gemeentebegroting bezuinigd. Enorme druk op alle voorzieningen. Cultuur, sport. Aantal daarvan zijn omgevallen. We kunnen nu wel goed draaien. Maar mijn grote zorg is of we dat over 10 jaar nog doen na al die bezuinigingen. Is het bestendig genoeg? Elbrink zegt: Ik ben er nog niet van overtuigd dat de theorie niet klopt. Het kan een hippe hype zijn, wat er nu gebeurt. Maar ik vraag me serieus af of het publieke fundament van Eindhoven wel sterk genoeg is voor de toekomst.

Oké, hij geeft wel iets toe: Wij zijn een heel andere stad, dat is waar. We hebben geen debatcentrum. Als je in Amsterdam twee mensen bij elkaar zet, dan heb je een debat. Als je hier twee mensen bij elkaar zet heb je een prototype. Maar we missen dat debatcentrum toch echt. Dat hoor je ook van mensen. We zijn wel een stad van meer dan 200.000 inwoners. Daar hoort debat bij.

Succes zonder bereikbaarheid

De theorie over regionale economie stelt bereikbaarheid centraal. En ook daar is Eindhoven al weer zo atypisch. Ze hebben een klote-klein vliegveld. Vergelijk dat met Schiphol. Ze klagen over de verbindingen met Duitsland. Die theorie klopt wel. Bereikbaarheid is heel belangrijk voor een regionale economie. Maar hoe kan het dan dat jullie bereikbaarheid naatje is, en dat je het toch geweldig doet? Elbrink: ik ben er gewoon niet gerust op dat we de toekomst op orde hebben. Ik ben wel blij met die theorie om aan te tonen dat er wat moet gebeuren. Ook bedrijfsleven vraagt erom. Het is wel kwetsbaar. In het verleden hadden we altijd zelf genoeg geld om als er een probleem was, om het probleem ook zelf te fiksen. We hadden altijd heel veel geld. En dat is de afgelopen vijf jaar duidelijk minder. Daar zie je de kwetsbaarheid ontstaan. Voorbeeld: Automotive moest naar Helmond, hebben we een miljoen bij gelegd. Europa vraagt ook vaak om cofinanciering vanuit Europa, dan heb je geld nodig. Dat ging allemaal hartstikke makkelijk. Maar dat gaat niet meer. Daar word ik nerveus van. We hebben niet meer de kracht om het zelf alleen te fiksen.

Een katholieke stad met een Philips-cultuur

Tot slot spreek ik met Elbrink over de rol van de overheid. Is die economie echt wel te beïnvloeden. Elbrink meent ten eerste dat Rijk, provincie en gemeente hun eigen verantwoordelijkheid hebben. Maar altijd samen moeten optrekken. Hij heeft niets met de gedachte “je gaat erover of je gaat er niet over”. Dat staat haaks op de praktijk.

Hoe belangrijk is het Rijksbeleid voor de stad? Elbrink: Het stimuleren van innovatie is belangrijk. Bedrijven hebben daar veel plezier van. Dat soort beleid is cruciaal. Arbeidsmarktbeleid ook. Dat is allemaal generiek beleid, voor alle bedrijven in het hele land. Maar als het alleen om Eindhoven gaat, ziet Elbrink toch vooral dat de G4 royaal bediend worden en dat Eindhoven als grootste van de kleintjes de kruimels krijgt. “Dat is een hardnekkig restant uit de jaren 90. Ik gun die G4 dat wel. Maar die cesuur is vreemd.”

Daarom is Elbrink blij met de introductie van het brainport-begrip in 2004 in de Nota Ruimte. Ik daag hem uit: wat heb je nu aan zo’n begrip. Ik begrijp dat ik niet te snel en te veel moet willen. Praten over ‘brainport’ betekent de eerste herwaardering van economische sectoren die niet over bloemen en vrachtwagens gingen. De verandering markeren. “We werden herkend en erkend door Den Haag.” Daarna is het een kwestie van lange adem. Elbrink hoopt dat het nieuwe denken op termijn leidt tot andere verdeelmodellen. Want: “Als er cadeautjes worden uitgedeeld zie je altijd dat de eerste cadeautjes naar de G4 gaan”. Dat soort logica doorbreken is een zaak van lange adem. Roept ook veel weerstand op, gaat om belangen. Gelukkig zien we in trajecten als REOS en het rapport “Maak Verschil” van de studiegroep Openbaar bestuur ontwikkelingen die beter aansluiten bij de logica van deze tijd. Het gaat om economische kerngebieden waar het geld verdiend wordt.

Wat is de rol van de gemeente? Ik hoor Elbrink meermalen zeggen: “even helpen”. Even wat geld bijleggen. Hier aan het Stadhuisplein wordt de dienst niet uitgemaakt. Maar we kunnen wel helpen. Dat is de bestuurscultuur die dateert uit de tijd van Philips, die hier wel alles bepaalde. Er is hier geen cultuur van ‘we run this city’. Lange traditie met veel maatschappelijk initiatief, veel stakeholders. Daarmee cijfer ik de gemeente niet weg. Als organisatie kent de gemeente iedereen. Zo kunnen wij mensen met elkaar in contact brengen. We kunnen de smeerolie zijn. Soms brengen we bedrijven met elkaar in contact. Vaker brengen we bedrijven en maatschappelijke instellingen met elkaar in contact. En we zijn voor de funding natuurlijk vaak belangrijk. Denk ook aan de Stichting Brainport, onze Economic Board, sinds 2011. Die vindt zijn oorsprong in de jaren 90. We hadden malaise bij Philips, en DAF. Burgemeester Rein Welschen haalde de mensen bij elkaar. Bedrijven, universiteit, gemeente. Zo is uiteindelijk de Brainport ontstaan.

We zijn een pragmatische stad, een pragmatisch gemeentebestuur. We lopen ze niet in de weg. Je moet je steeds afvragen: voegen we echt iets toe? Wanneer moet je even niks doen? Geen beleid maken. Ja, de gemeente hielp Philips groter worden. Dat is nog steeds onze cultuur. Natuurlijk denken we wel dat het uitmaakt wat we doen. Maar het is toch vooral actief faciliteren.

 

 

Wanneer het Rijk meerwaarde heeft

februari 23, 2017 by  

De steden zijn de motoren van de nationale economie. Goed functioneren van steden is dus in het nationale belang. Alle reden voor het Rijk om zich met de ontwikkeling van onze steden bezig te houden. Zie bijvoorbeeld de Agenda stad. Maar juist als je de ander wilt helpen, is het goed om helder te krijgen wat je bijdrage zou kunnen zijn. Waar ligt de kracht van het Rijk, waar ligt de kracht van de steden.

Ik begin met de steden. Ze hebben het grote voordeel van nabijheid. Ze hebben een grote kennis over lokale omstandigheden, ze beschikken over een lokaal netwerk en ze zijn (daarmee) in staat een groter draagvlak voor beleid te verwerven. Op al die punten scoort het Rijk lager. Op twee andere punten heeft het Rijk een evidente meerwaarde. Het Namelijk: wetgeving en geld. Daarnaast kan het Rijk soms lokale impasses doorbreken. Bestuurskundigen spreken hier over netwerkmanagement. Maar dat vergt wel speciale vaardigheden, waarover niet alle rijksambtenaren beschikken.

Ik concentreer me daarom op geld en regels. Maar ook hier is de meerwaarde niet op voorhand een gegeven. Het zijn zware instrumenten die niet zomaar worden ingezet. Dat roept de vraag op: onder welke omstandigheden zal het Rijk deze twee instrumenten inzetten? Dus wanneer heeft het Rijk echt meerwaarde?

Ik kom tot twee randvoorwaarden: urgentie en generieke behoefte. Als de urgentie wordt gevoeld, kan het Rijk tot grote daden komen. Dan kunnen er plotseling wetten worden veranderd en kunnen er nieuwe geldstromen gaan vloeien. Zie de fundamentele veranderingen van de woningmarkt in de afgelopen jaren of de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Ook op het gebied van energietransitie zijn nieuwe wetten in het vooruitzicht gesteld. Als de urgentie wordt gevoeld, heeft het Rijk dus echt meerwaarde. Daarom ben ik altijd beducht als het Rijk vooral wil faciliteren. Dat betekent dat het mee wil praten, terwijl nieuwe wetten en nieuw geld niet zijn te verwachten.

Daarnaast komen nieuwe wetten en nieuw geld er alleen als sprake is van een generieke behoefte. Alle werklozen krijgen een uitkering, alle slechte scholen krijgen meer geld en iedereen krijgt later AOW. Per definitie kan de overheid in een democratische rechtsstaat moeilijk omgaan met verschil. Natuurlijk is Amsterdam belangrijker voor onze welvaart dan Rotterdam, maar dat legitimeert de overheid nog niet om Amsterdam (opzichtig) te bevoordelen.

Het Rijk kan dus een duidelijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van steden. Met regels en geld. Maar het is van belang dat het Rijk zich op tijd afvraagt of aan de juiste randvoorwaarden is voldaan. Zonder urgentie en zonder generieke behoefte zal het Rijk in de regel alleen maar blijven meepraten. Zoals bekend kunnen veel mensen meepraten. Maar van de Rijksoverheid wordt meer verwacht. Meepraten zonder regels en geld in te zetten, zal dus gemakkelijk leiden tot frustratie bij de steden. Conclusie: Rijksoverheid doe waar je kracht ligt of laat de steden het zelf oplossen.

 

[Uitgesproken bij het afscheid van Aldert de Vries als projectleider Agenda Stad, 23 februari 2017]

Zef Hemel als kind van Amsterdam @ZefHemel

februari 22, 2017 by  

 

Gesprek met Zef Hemel

Zef Hemel schreef een mooi boek over ‘de toekomst van de stad’. Het is een informatief boek, het staat vol met mooie verhalen. Het is een heel rijk boek. Het geeft een mooi beeld van het ontstaan van steden. Het is ook een bevlogen boek. Hemel meent dat Amsterdam veel harder zou moeten groeien. In de pers sprak Zef Hemel zelfs over 2 miljoen inwoners. Ik noem dat een romantisch ideaal, omdat het wetenschappelijk bewijs voor die 2 miljoen inwoners ontbreekt. Ik schreef dan ook al tweemaal een kritische blog over Zef en zijn boek.

Maar tegelijkertijd is ook waar dat je met straffe significantieniveaus geen stad maakt. Voor de ontwikkeling van een stad heb je een ziener nodig. Van een ziener valt alleen achteraf vast te stellen dat hij er geheel naast zat. En Zef is vooral een ziener. Dat waardeer ik en om die reden ben ik met hem gaan praten.

Drenthe

Zef en ik zijn allebei Drent. Hij komt uit Emmen en ik uit Meppel. We hebben allebei in Groningen gestudeerd. Hij vijf jaar na mij. Het is goed dat we daarmee starten. Met Drenthe en Amsterdam. Het lijkt alsof het boek een soort bevrijding is van Hemel. Hij zegt eerlijk: het boek gaat over mij. Over mijn leven. Wat ik als planoloog geleerd heb. Ik blik terug.

En Hemel wil weg uit Emmen. Dat is duidelijk. Zijn hele boek is één pleidooi voor grootstedelijkheid. Hij definieert dat als complexiteit. “En complexiteit is beschaving.” Ik vraag naar het waarom van deze schijnbaar onweerlegbare stelling. Zef zegt: Ja beschaving is stedelijkheid. Het platteland zelf genereert geen beschaving, dat doet de stad. Daarom wil ik weten hoe steden zijn ontstaat. Voedsel en drinkwater zijn het begin van elke stad. En het platteland is een uitvinding van steden. Mijn boek is daarmee echt een scheppingsverhaal van de stad. Maar het gaat ook echt over de geboorte en bloei van beschavingen en die schuilt in grootstedelijkheid. Het boek is een lofzang op complexiteit.

Ook ik heb Drenthe mentaal verlaten, maar het afscheid van Zef is wel erg bruusk. Daarom vraag ik wat er mis is met Emmen. Hemel: Er is niks mis met Emmen. Ik kende daar vrijwel iedereen. Mijn ouders wonen er. Ik kom er nog steeds. Ik heb me afgevraagd: in wat voor beschaving ben ik opgegroeid. Ik ben niks tekort gekomen, maar ik voelde een gemis. In 1962 kregen wij thuis televisie. Wij waren de eerste generatie met zo’n toestel. Toen zag ik Amsterdam, ik zag de wereld. Daar wilde ik naar toe. In Emmen was één bioscoop, met Dik Trom in het hoofdprogramma. Ik heb Emmen altijd als een kolonie gezien. Je kan het ook wingewest noemen, een gebied dat toelevert aan steden.

Vergeet niet: mijn grootvader begon als veengraver, was politiek actief in de drankbestrijding, werd vakbondsleider, later provinciaal bestuurder. Zijn zoon – mijn vader – moest een koloniale oorlog vechten in Nederlands Indië. Toen hij terugkwam was het veen weg. Er werd door de regering een fabriek neergezet, met veel subsidies. Mijn vader moest daar aan het werk. Weer koloniale uitbuiting. Toen ik ging studeren in Groningen, in 1975, sloot die fabriek. Veel fabrieken sloten in die tijd. Sindsdien groeit weer de werkloosheid. Groningen was een interessante microkosmos. Maar het is een studentenstad. En toen kwam Amsterdam. En ook dat blijkt een tussenfase. Na vijfendertig jaar wil ik hier ook liefst weg.

Ik vraag Hemel of hij dit boek had kunnen schrijven als hij niet in Emmen had gewoond? Hemel: dat is een interessante vraag. Dat weet je nooit. Maar ik heb dit boek zo geschreven omdat ik dit leven heb geleid. Natuurlijk, het is een heel persoonlijk document. Nee, het is geen wetenschappelijk werk.

De stad is rijker leven

Hemel schrijft lyrisch over de stad in zijn boek. De stad: dat is rijker leven. Grote steden zijn beter voor mensen. Grootstedelijkheid maakt mensen vrij. Ik vraag hem hoe hij dat allemaal zo zeker weet. Hemel: Dat zijn ontboezemingen. Maar veel mensen ervaren het ook zo. De stad maakt vrij, omdat er niet te veel sociale cohesie is. Te veel sociale cohesie is niet goed. In een stad kan je als individu alle gradaties van sociale cohesie aantreffen, waaruit je kunt kiezen. In de grootstad ben je teruggeworpen op jezelf. Het is helemaal jouw eigen verantwoordelijkheid om in de wereld te stappen en verbindingen te leggen. Alle mogelijkheden liggen aan je voeten.

Is dat niet een beetje kil? Is daar nog wel solidariteit? Hemel: Dat is een persoonlijke keuze. Je bent in de stad bevrijd uit het dwingende dorpse verband. Die kleine gemeenschap waar iedereen elkaar kent.

Ik prijs me gelukkig met een auteur die in ‘het echt’ al even romantisch denkt over de stad als in zijn boek. De stad komt voor hem vooral overeen met voordelen, met agglomeratievoordelen. Ik werp hem tegen dat het begrip agglomeratienadeel nergens wordt genoemd, terwijl de theorie daar toch heel duidelijk over is. Een grotere schaal betekent ook nadelen, als congestie, stank, overlast, criminaliteit. Hemel: Ja, die kritiek heb ik al gekregen. Kijk, het boek is een pleidooi. Ik wilde me uitspreken. Iedereen graaft in zijn geheugen. Dat kan niet anders. Het is mijn boekenkast, het gaat over mijn leven. Maar die agglomeratienadelen zitten er wel degelijk in! Maar de agglomeratievoordelen zijn groter, zij lossen de problemen in steden altijd razendsnel op.

Volgens Hemel zijn steden niet alleen rijker, maar ook duurzamer. Ik suggereer voorzichtig dat windmolens vooral op zee succesvol zijn. Nee, zegt Hemel, die windmolens op zee zijn niet echt duurzaam. Dat is een ingenieurs-oplossing. Echt duurzaamheid bereik je door de stad te vergroten. Dan gebruiken mensen alles intensiever. De infrastructuur. De voorzieningen die mensen met elkaar delen. Je eet op straat, je hebt geen keuken meer nodig. Je gebruikt minder vierkante meters. Kijk in Aziatische steden. In Tokyo slapen ze in een cabine, op een paar vierkante meter. Dat is super duurzaam. Het probleem is: we hebben te veel mensen. In steden hebben die talloze mensen geen auto meer nodig! Ja, ik ga het liefste in Tokyo wonen, dat is mijn droom. Dat wil ik nog meemaken.Ik vind al die discussies over duurzaamheid eigenlijk maar windowdressing. Het is grootstedelijkheid, als de allerhoogste vorm van beschaving met de kleinste ecologische voetafdruk en de allergrootste rijkdom die de natuur ons aanbiedt. Een metropool is bovendien het allermooiste.

Hoe kan Nederland bestaan

Economen zijn het met Hemel eens: in steden zijn mensen productiever dan buiten steden. Toch doemt er een levensgrote vraag op als we de redenering van Hemel tot het einde volgen. Dan zou Nederland niet zo welvarend kunnen zijn. Wij hebben geen grote steden, we hebben Amsterdam en dat telt nog niet eens een miljoen inwoners. Hoe kan dat? Wat is er dan waar van Zef’s verhaal? Hemel: Ja, die vraag is interessant. Misschien dat ik daarom ook niet begrepen word. Die vraag roep ik wel op. Daar ben ik nu mee bezig. In Nederland leven we van handel. We zijn een belastingparadijs. We zijn oliesjeik met ons aardgas. We hebben onze koloniën geplunderd. We hebben een economie gebaseerd op logistiek, agrifood en chemie. Schiphol is een slimme truc, net zoals de Europoort en de Maasvlakte. Al die datacenters, alweer zo’n truc. We zijn dus slim, maar zonder steden te bouwen zijn we toch heel rijk geworden.

Ik reageer: Je hebt dus geen grote steden nodig. Hemel: zoals wij nu leven is apert niet duurzaam, dit is gewoon niet houdbaar. Amsterdam was indertijd één van de grootste steden ter wereld. In de negentiende eeuw klopte alles nog, zoals Amsterdam en Rotterdam destijds snel groeiden. De cesuur zit rond 1929. Toen ging het mis. Toen zijn we gestopt met steden bouwen. Toen zijn we gaan herverdelen, ruimtelijk spreiden, verdelende rechtvaardigheid voorop stellen met de komst van het Gemeentefonds.

Geen herverdeling tussen stad en land

Ik houd Hemel voor dat herverdeling, fundamenteel de herverdeling van de verzorgingsstaat grote economische voordelen heeft gehad. Als iedereen mag meedoen, heeft dat toch veel voordelen? Hemel: Dat is het construct van de verzorgingsstaat. Daar ben ik trouwens ook een kind van. Maar daar zet ik vraagtekens bij. Ik spiegel hem in mijn boek aan de Sovjet Unie. We waren in een wedloop met het Oosten. Gelijkheid stond in Oost en West hoog in het vaandel. Met de verzorgingsstaat wilden we de Sovjets zelfs aftroeven. Achter het IJzeren Gordijn is de boel in 1989 uit elkaar gevallen. Nu verbrokkelt het ook hier. De verzorgingsstaat was een utopie. Het is gewoon niet gelukt. Al die herverdeling tussen stad en ommeland werkt niet. Laat de stad groeien en rijkdom vergaren.

Waarom zou het ommeland daar beter van worden? Hemel: De groei van de steden ontlast al eeuwen het ommeland. Vergeet niet: 80% van het ommeland in Nederland is al stad geworden. Alles is hier gesuburbaniseerd.. Er is dus geen enkele reden om het niet naar de stad toe te vegen. Dat is veel duurzamer, spannender ook, en het brengt meer welvaart. Dus doe niet zo nostalgisch over dat platteland. Dat het krimpt. Het zijn allemaal stedelijke types die daar wonen. Laat de steden hun werk doen! De kinderen in Assen willen allemaal naar Amsterdam. Eigenlijk willen veel mensen daar weg. Bestuurders proberen dat tegen te houden. Maar de mensenwillen iets anders.

Hemel heeft zelf namens de gemeente Amsterdam geadviseerd in Delfzijl. Hij is er een aantal keren geweest. Ik vraag hem hoe zo’n wingewest van de stad beter wordt. Hemel: Je moet daar als het ware teruggaan in de tijd. Krimpen is als monumentenzorg plegen. Je moet veel afbreken, maar het mooie laten staan en een nieuwe functie geven. Dat is een natuurlijk proces. Ja, die Eemshaven doet het wel goed. Maar die heeft weinig met Delfzijl te maken. De werkers in de noordelijke havens zijn hoogopgeleide types die bijna allemaal in Groningen wonen.

De groeikernen als abberatie

Vanaf de jaren 60 zijn we in Nederland groeikernen gaan bouwen, om de steden te ontlasten. Persoonlijk heb ik niet veel met die groeikernen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat we door het bouwen van groeikernen de grote steden groeikansen hebben ontnomen. Stel je voor dat al die mensen in de steden waren blijven wonen. Het huidige snelgroeiende Amsterdam heeft de aderlating van de groeikernen nog steeds niet ingehaald. Er zijn ook mensen die menen dat die groeikernen door de steden zelf gewenst waren. Om de verkrotte wijken te kunnen slopen. Amsterdam zou ook voor dit beleid van ‘gebundelde deconcentratie’ zijn geweest. In zijn boek doet Hemel alsof in1984 op dringend verzoek van Amsterdam eindelijk een einde kwam aan de ‘onttakeling’ van de stad. Was het groeikernenbeleid nu alleen een idee van het Rijk of steunden de steden dat beleid ook. Hemel: Wethouder Roel de Wit wilde dat rijksbeleid volgen. Joop den Uyl wilde er als wethouder van Amsterdam nog niet aan. Joop had nog een grootstedelijke agenda. En toen kwam Roel. En toen sloeg het om. Nee, Roel was een natuurbeschermer.

Maar had de stad deze ontlasting dan niet nodig? Hemel: al sinds 1929 wordt er stelselmatig geld onttrokken aan de grote steden. Vanaf 1929 moeten zij de broekriem aanhalen. Daardoor ontstond het Jordaanoproer in de jaren 30. Er was geen bouwproductie meer in de steden. Dus zakte de economie weg. Gebeurde overal, dat afknijpen van steden, ze waren weinig geliefd. En toen gingen we de oorlog in. Moeizame wederopbouw in ‘de verzorgingsstaat’. Met allemaal nieuwe steden in de weilanden. Maar dat ging niet werken. De stad had het helemaal niet nodig. Ze raakte enorm verkrot. Vanaf 1961 zijn het richtinggevende nationale ruimtelijke nota’s die de toon zetten. Amsterdam gaat meedoen met de bouw van liefst zes new towns. Dan ga je jezelf te grave dragen. En dat gebeurt dan ook. Onder Roel de Wit wordt het alleen maar erger. We gaan woningen afbreken. En dan ontstaan er opstanden. Bakstenen door de ruiten, en de bestuurders begrijpen het maar niet. Toen ik in 1981 Amsterdam ging wonen was de binnenstad totaal verkrot. Tegenover het verkrotte Amsterdam stond het tegelwitte Emmen in de bossen. Zie je het verband? Na Roel de Wit komt de ontreddering. Han Lammers die het begon te begrijpen. Later wordt hij landdrost in Lelystad en Almere. Bizar. Het was bijna Oost-Duitsland spelen wat we deden. Beter dan Oost-Duitsland. Als ik door Nederland rijd, zie ik overal nog Oostblok-architectuur.

Twee miljoen inwoners zonder centrale planning

Ik houd Zef voor dat hij zelf nog druk heeft meegeschreven aan het Vijfde Nota over de Ruimtelijke ordening van het Rijk. Hemel: Ja, en nee. Ik ben eruit gestapt tijdens het schrijven aan de Vijfde Nota.. Ik heb wel die boxen geregeld en de kaarten. Maar die mooie kaarten hebben ze weer veranderd.
Laat duidelijk zijn: ik had het Zef niet verweten als hij wel hartstochtelijk aan die Vijfde Nota had meegeschreven. Juist omdat je toch wel centrale planning zal moeten hebben om Amsterdam te laten groeien tot 2 miljoen. Hemel: We moeten gewoon de tijd verstaan. Maar de overheid doet nog steeds domme dingen. We groeien nu weer in Amsterdam. Maar het is nog veel te langzaam. 10.000 woningen per jaar zijn nodig. En desondanks halen we die 2 miljoen. Dat soort dingen gaat nooit lineair. Groei gaat exponentieel. Dat heet een gouden eeuw. Eerst ontreddering en chaos. En dan pas gaat het bestuur begrijpen wat er aan de hand is. En eerst dan gaat het goede plannen maken. Dat gebeurde ook in de Tweede Gouden Eeuw met Berlage. Daarvoor is het nu nog te vroeg. Over tien jaar misschien gaan wij werken aan een plan voor een verdubbeling van de stad.

Is daarmee de planologie verdwenen? Planologie is volgens Zef een historisch fenomeen dat hoort bij de sociale welvaartsstaat. Het hoort bij het communistische tijdperk van de twintigste eeuw. Het hoort bij de dominantie van de staat. En dat is nu allemaal voorbij. Er komt iets nieuws. Dat lijkt dicht bij het anarchisme te zitten. Boeiend om te zien hoe steden gaan functioneren, als ze niet meer de uitvoeringsloketten zijn van de natiestaat. Steden moeten weer gaan acteren, volwassen worden. We gaan weer naar vóór 1929 en pakken daar de draad weer op.

Le Corbusier is de bad guy

Er is nog één ding dat me triggert in het boek van Hemel. Hij schrijft de modernisten weg. En toch blijft hij vriendelijk en beleefd over Van Eesteren. Waarom is hij zo blij met Van Eesteren. Dat was toch de man van de modernistische flatjes bij de Zuidas? Hemel: de bad guy is Le Corbusier. Die had geen enkele ethiek. Maar heb ik Van Eesteren in bescherming genomen? Ja, ik steun hem, maar ik neem ook afstand van hem. Ook Benevelo hoort in de vitrinekast van de vergissingen. Van Eesteren was razendknap. Maar hij werkte onder een ongunstig gesternte. In de crisis moest hij knokken en, onderbroken door een oorlog, in de wederopbouw alles heel goedkoop terugbouwen. Veel kunnen we nu afbreken. Geniaal was het, maar in de verkeerde tijd.

Ook Emmen heeft erg geleden onder de stedenbouw van de 20e eeuw. Het is een goed moment voor een slotvraag. Ben je een kind van Amsterdam of van Emmen? Hemel: Ik hou van Amsterdam, ik voel me een kind van Amsterdam. Je kan je wortels nooit verloochenen. Maar mijn liefde voor Amsterdam spreekt toch wel uit mijn boek. Amsterdam is daarin een soort van hoofdpersoon.

Zeggenschap enige antwoord op populisme @Pieterhilhorst

februari 13, 2017 by  

Gesprek met Pieter Hilhorst

 

Pieter Hilhorst is al jaren bezig met het vergroten van de zeggenschap van burgers. Hij schreef er boeken over, hij was ombudsman bij de VARA. Hij was zelfs even wethouder van Amsterdam in de hoop dat hij op die plek de zeggenschap van burgers zou kunnen vergroten. Maar zeggenschap kan ook snel elitair worden. Dat de hoogopgeleide burgers met de hogere inkomens in staat zijn om het voor zichzelf goed te organiseren. Ook is het de vraag wat de grenzen van zeggenschap zijn. Waar moet de overheid het uiteindelijk toch gewoon zelf doen. Alle reden voor een mooi gesprek met Hilhorst.

De overheid omarmt en verstikt 

Ik ben benieuwd of Hilhorst iets heeft met begrippen als doe-democratie en overheidsparticipatie, die in sommige overheidskringen populair zijn. Dat blijkt genuanceerd te liggen. Hilhorst: ik heb iets met begrippen als burgerinitiatieven en zeggenschap van burgers. Overheidsparticipatie leidt gauw tot overname. Als burgerinitiatieven lukken, dan willen politici je altijd komen helpen. Dan dreigt een verstikkende omarming. Dat associeer ik met overheidsparticipatie. Een verstikkende overheid. Toen ik samen met Jos van der Lans een Broodfonds oprichtte, dat is een club zzp-ers die elkaar helpen bij ziekte en dergelijke, toen was Mei Li Vos van de PvdA de eerste die zei: hoe kunnen wij helpen? Dat is heel aardig. Maar wij zeiden: Je kan vooral helpen door je er niet mee te bemoeien. Dat heb je vaker: als de overheid er zich mee gaat bemoeien, dreigt altijd dat ze het gaan overnemen. Wat wel belangrijk is: dat de overheid het zo gaat organiseren dat het voor burgers makkelijker wordt om samen met elkaar het heft in handen te nemen.

Ik heb met Jos van der Lans het boek geschreven over sociaal doe-het-zelven. Ik dacht dat gedachtengoed ook als wethouder van Amsterdam goed te kunnen uitdragen. Maar dan zie de spanning. Nadat ik mijn verhaal had verteld, stond er een keer zo’n echte Amsterdammer op en die zei: “Zo, wij moeten het dus allemaal zelf gaan doen. En wat ga jij nu eigenlijk doen, man?” Hij wilde zekerheden. Hij was bang dat mijn mooie verhalen een alibi waren om mensen in de steek te laten. Dat is voor mij de crux: hoe biedt je zekerheden, maar kom je wel van een passieve naar een actieve solidariteit? En de overheid heeft daarbij zeker een rol.

Ik vraag Hilhorst of dat niet tegenstrijdig is. Ik zet het op scherp: Jij zegt dat de burger het allemaal zelf moet gaat doen. Maar waarom laten we de overheid dan nog weer toe? Hilhorst: je kan niet alle solidariteit in eigen beheer nemen. Daarvoor heb je de overheid altijd nodig. Maar het probleem is dat de overheid door haar optreden het zelforganiserend vermogen van burgers belemmert. De overheid is dus niet neutraal. De overheid individualiseert bijvoorbeeld enorm. Individualiseren is voor de overheid de normale gang van zaken. Ik zou het willen omdraaien: iets socialiseren moet de normale gang van zaken worden. Zo kan de overheid ertoe bijdragen dat burgers het samen gaan doen. Dus zelf gaan doen.

Hilhorst noemt als voorbeeld zwangerschapscursus uit Amsterdam-Noord. Het gebeurde eerst individueel. Toen zijn ze overgestapt op groepslessen. En zag je dat er platforms van vrouwen ontstonden, die elkaar gingen helpen. Die manier van denken moet je veel vaker toepassen. Organiseer platforms omdat platforms het zelforganiserend vermogen van mensen versterken. Dus maak groepen van patiënten die een knie-operatie hebben ondergaan. Laat ze samen revalideren. Dan vergemakkelijk je het zelforganiserend vermogen.

Burger wil ook zekerheid

Ik wil het nog scherper hebben. Wat wil die Hilhorst nu eigelijk? Kiest hij voor een overheid die op een andere manier organiseert wat de overheid toch al wil of is het een overheid die afscheid neemt van een verantwoordelijkheid en tegen burgers zegt: ga je gang maar? Hilhorst: veel dingen blijven toch een taak voor de overheid. Dat was mijn fout toen ik de politiek inging. Ik dacht: veel mensen zitten te wachten op het moment dat ze het zelf mogen gaan doen. Maar dat willen veel burgers helemaal niet. Die willen zekerheid. Die zekerheid moet gegarandeerd zijn. Inkomen, een dak boven je hoofd, dat je verzekerd bent. Daar moet de overheid voor zorgen. Maar binnen die zekerheden kan je best zorgen dat mensen zoveel mogelijk actief solidair zijn. In plaats van passief. Want passieve solidariteit wordt altijd uitbesteed aan bureaucratische instellingen. Met allemaal bureaucratische regels, waardoor mensen niet het gevoel krijgen dat ze geholpen worden door de verzorgingsstaat. De hulp die mensen van de staat krijgen gaat vaak gepaard met vernedering. Daarom is de verzorgingsstaat eigenlijk verweesd. Iedereen die er aanspraak op wil maken, ziet vooral de repressieve kant van de verzorgingsstaat. Terwijl mensen die geen aanspraak doen, denken dat de anderen juist worden verwend. Daarom zal de verzorgingsstaat op termijn geen draagvlak hebben. Dat wil ik tegengaan.

Het gaat om eigenaarschap

Kijk de overheid verzorgt heel veel. Neem het vervoer naar het ziekenhuis. Allemaal geregeld. Maar als jij een keer naar het ziekenhuis moet en dat busje is er niet, dan heb je het gevoel dat je niet meetelt. Maar als mensen het zelf organiseren, weten ze dat Wim altijd wat laat is. Dat is een totaal ander gevoel. Zonder eigenaarschap in die instellingen voor solidariteit, is de toekomst van solidariteit afgeschreven. Daarvan ben ik overtuigd. Je moet dus steeds nadenken hoe je mensen eigenaarschap en zeggenschap kan geven. Dus door het makkelijker te maken dat mensen het zelf organiseren. Of door het makkelijker te maken dat mensen samenwerken. En het eerste is: door het niet tegen te werken. Want veel burgerinitiatieven worden door de overheid tegengewerkt. De participatie-crèche wordt tegengewerkt door het Ministerie van Sociale Zaken. Ouders passen op elkaars kinderen. Maar de ouders zijn daarvoor niet opgeleid, nota bene, en dus komt er geen toeslag voor kinderopvang.

Is het een sausje of is het een fundamentele verandering? Om die reden zeg ik tegen Hilhorst: je streeft een verzorgingsstaat na met een menselijk gezicht. Hilhorst: Ja, dat is waar, maar ook met eigenaarschap. En dat is iets heel anders dan nabijheid. Want aan de keukentafel bepaalt nog steeds een ander wat er met jou gebeurt. Bij ons Broodfonds bepalen we zelf de regels. Dat geeft veel betere solidariteit. Hoe meer eigenaarschap, hoe meer steun voor de solidariteit.

De overheid blijft dus uiteindelijk nog steeds verantwoordelijk voor de solidariteit? Hilhorst: Ja, dat is de essentie, het is een ander soort overheidsoptreden. Zonder overheid zou het een neo-conservatief verhaal worden. Dat moeten we juist niet doen. We hebben die overheid echt nodig.

Hoogopgeleide en witte burgers nemen initiatieven

We zitten samen in Dauphine bij station Amsterdam Amstel. Allemaal witte mensen, allemaal hoogopgeleide mensen. Dan prikkelt zo’n verhaal nog meer. Want hoeveel mensen kunnen dit? Is dit een plan voor de beschaafde elite van Amsterdam? Voor de mensen binnen de ring. Is dit de burger van de Triomf van de stad die dit leuk vindt? Hilhorst: Er zijn heel veel burgers die zich ergeren aan hoe de overheid met hun omgaat. Er spreekt vaak wantrouwen uit het optreden van de overheid. Vernederende, strenge toon. Daar hebben veel mensen last van.

Ik zeg dat ik dat weet. De vraag is: hebben al die mensen het zelforganiserend vermogen van types zoals jij en ik? Hilhorst: nee, niet vanzelf. Dat moet je organiseren. En het kan misschien niet voor iedereen. Hilhorst stelt een wedervraag: Maar is de verzorgingsstaat goed voor iedereen? Nee. Maar hoe meer je het doet, hoe meer gedragen solidariteit er zal zijn.

Basisbaan in plaats van basisinkomen

Ik kaart het basisinkomen aan, zoals dat door een heel actieve club onder andere via sociale media wordt gepromoot. Zit dat in deze buurt? Hilhorst: Nee. Ik ben daar niet zo’n voorstander van. Omdat er heel veel mensen die helemaal niet uit zichzelf initiatief nemen. Mensen met faalangst. Mensen die bang zijn dat ze niet voor vol worden aangezien. Dat soort mensen moet je uitnodigen. Die uitnodiging verdwijnt met een basisinkomen. Het basisinkomen is helemaal gebaseerd op het negatieve idee van vrijheid. Voor mij staat de uitnodiging centraal. In de praktijk betekent het basisinkomen dat heel veel mensen een basisinkomen krijgen en nooit meer ergens bij betrokken worden. Er zijn al te veel mislukte jongeren die de hele dag zitten te gamen. Voor dat soort jongeren is het basisinkomen echt een ramp. Je zegt: we zijn wel klaar met hem. Je nodigt hem niet uit iets te doen. Daarom ben ik voor een basisbaan. Iedereen die een uitkering krijgt de garantie van een baan van 20 uur. Tegen minimumloon. En daarnaast mag je verdienen wat je wil. Dat is echt een uitnodiging. Het gaat er ook om hoe mensen met elkaar in contact komen. Dat doe je niet met een basisinkomen.

Wanneer kan het wel en wanneer niet

Het zijn allemaal sympathieke voorbeelden. Maar er zijn toch ook burgerinitiatieven die we minder leuk vinden. Acties tegen asielzoekerscentra bijvoorbeeld? Hilhorst: ik ben er voorstander van dat bij het vinden van huisvesting voor asielzoekers er optimale betrokkenheid van burgers wordt georganiseerd. Veel gemeenten hadden maar één gedachte vorig jaar bij het plaatsen van asielzoekers: hoe houden we de burgers erbuiten? Maar ook daar moet je burgers bij betrekken. Niet alleen een informatiemarkt waar je mag horen wat er aan de hand is.

Is dat niet naïef gedacht? Er stonden er tienduizenden aan de grenzen. Nee, zegt Hilhorst. Kijk naar Heusden. Burgemeester Jan Hamming. Die heeft gezegd: ik doe het alleen met burgers. Ik heeft zich hard gemaakt tegen het COA. Hij wilde kleinschalige opvang. Hij wilde opvang volgens de ideeën van de burgers. Kom maar met voorstellen. Voor verschillende locaties. Het voorstel van de burgers is overgenomen door de gemeenteraad. Het kan dus wel!

Pieter pleit voor vloeibare democratie. Dat betekent dat je je stem voor een bepaald onderwerp kan geven aan iemand anders. Iemand die je vertrouwt. Zo ontstaan er vertrouwenspersonen die praten namens een aantal mensen. Dat is iets anders dan de gemeenteraad. Daar praten mensen voor vier jaar voor alle onderwerpen namens jou. Hier gaat het om één onderwerp. Het idee van Zygmunt Bauman. Zo krijgt het gemeentebestuur een gesprekspartner voor een probleem.

Participatiesamenleving als schaamlap

Hoe mooi de ideeën van Hilhorst ook zijn, ze kunnen ook dienen als schaamlap voor een overheid die te weinig doet. Ik vraag hem of zijn ideeën geen last hebben van een overheid die uit een soort ‘schuldgevoel’ praat over een participatiesamenleving? Dat had toch vooral te maken met het overhevelen van taken naar gemeenten om daarmee miljarden te kunnen bezuinigen. Hilhorst: Ik dacht indertijd dat die drie decentralisaties een mooi moment waren voor mijn idee van burgerinitiatieven. Maar veel burgers dachten: ik word in de steek gelaten! Al jouw mooie verhalen van we gaan het zelf doen, is gewoon mooipraterij van in de steek laten. Maar ja, de burgers zullen toch gewoon mee moeten doen. Kijk naar de energietransitie. Dat kan heel gemakkelijk weer een onderwerp worden waarvan de burgers denken: dat wordt ons door de strot gedrukt. Maar er moet wel wat gebeuren. En dan geldt: hoe meer betrokkenheid van de burgers, hoe groter de legitimiteit van die hele operatie. We zullen mensen moeten verleiden zonnepanelen op hun dak te leggen. Want daarna zullen ze erin gaan geloven. Je hart volgt je hand: eerst doe je iets en daarna ga je erin geloven. Ik weet dat de burgers er nu nog onvoldoende in geloven, maar op de lange termijn zal je die betrokkenheid van burgers echt nodig hebben.

Zijn er onderwerpen waar jouw verhaal niet geldt? Hilhorst: Ja. Soms zijn er zoveel schaalvoordelen, dat maatwerk gewoon te veel kost. Sommige dingen zijn al zo lean en mean georganiseerd. Dan kan het gewoon niet. Bijvoorbeeld de incasso van zorgverzekeraars en energiebedrijven is zo lean en mean georganiseerd dat lokale pilots alleen maar geld kosten. Ook als we zeggen: we moeten van het gas af. Dat kan gewoon niet alleen van onderaf. Dan moet je het onvermijdelijk ook van bovenaf doen. Maar niet alleen van bovenaf, want dan mislukt het. Dat is het misbruik van het boek van Maarten Hajer over de energieke samenleving: van bovenaf niks doen, en zeggen dat de samenleving het moet doen, terwijl je weet dat de samenleving het niet alleen kan.

De enige strategie tegen het populisme

Als je ziet dat de systemen zo ingewikkeld zijn geworden dat je het soms niet meer van onderop kan organiseren, ben je dan niet een beetje een nostalgische wereldverbeteraar? Hilhorst: de grootste maatschappelijke veranderingen komen voort een verlangen naar iets wat er nooit is geweest. Maar vertrouwen heeft heel veel te maken met mensen die elkaar zien en die elkaar kennen. Je moet altijd een appèl doen op face-to-face relaties. Anonieme relaties met een overheid zonder gezicht daarmee organiseer je permanent de onvrede.

Geldt dit prachtige verhaal ook in een tijd van Trump en Wilders? Hilhorst: dit is het enige antwoord op die mannen. De populist suggereert: er is iets mis met politici maar als wij eenmaal de macht hebben, kunnen wij het wel goed doen. Een heel naïef idee over maatschappelijke verandering. Ze hebben geen idee hoe het moet. Hun veranderingstheorie is volstrekt simplistisch en totalitair. Dat zal nooit onvrede wegnemen. De enige manier om de onvrede weg te nemen is de mensen zelf laten meebepalen. Zeggenschap is enige antwoord op onvrede. De enige strategie tegen het populisme.

Volgende pagina »