De triomf van de stad verbleekt

juni 11, 2020 by  

De Triomf van de stad leek oneindig. Steden als brandpunt van de economie, van de innovatie en dus ook van de economische groei. Steden als knooppunt van internationale netwerken en als de place to be. Steden als gastheer van al de kenniswerkers die de nieuwe kenniseconomie vorm geven. Het leek alsof het voor altijd was. 

Ik geef al jaren les in stedelijke ontwikkeling. Vaak ook aan stedelijke strategen. En elke keer zijn zijn zij verrast als ik vertel dat Amsterdam in de jaren 80 er nog heel slecht voor stond en dat in de jaren 60 iedereen nog naar Rotterdam keek, voor innovatie, voor welvaart en groei. Hoe snel het kon veranderen. Het was toch zo logisch dat in Amsterdam de bomen tot in de hemel groeiden? Dat klopt, maar vijftig jaar geleden was alles anders, en over vijftig jaar zal weer alles anders zijn. 

Twee simpele redenen. Ten eerste: elk voordeel wordt zijn eigen nadeel. Agglomeratievoordelen kunnen in agglomeratienadelen verkeren. We zagen het de afgelopen jaren al in Amsterdam. Te veel toeristen, te veel drukte, te veel Airbnb, zelfs te veel kenniswerkers. Moesten we nog wel blij zijn met het EMA? Weer 900 hoogopgeleide mensen erbij die de huizenprijzen zouden opjagen. 

Maar er is een tweede reden die nog veel belangrijker is: de structuur van de economie  evolueert altijd. Dat gebeurt geleidelijk en soms met kleine schokjes. En corona zou wereldwijd best eens zo’n schokje teweeg kunnen brengen. In dat opzicht zijn de laatste demografische cijfers van Amsterdam bijna schokkend. 

In het begin van 2020 was alles nog normaal: de steden groeiden, de Randstad groeide en Oost-Groningen, de Achterhoek, Limburg en Zeeuws-Vlaanderen krompen. Nadat de coronacrisis eenmaal goed opgang was zag je een heel ander beeld. In de weken 13-16 (van 2020) groeide Drenthe, groeide de Achterhoek en groeide Zeeland. En krimp was er nog steeds in Oost-Groningen, in Limburg, maar ook in Zuid-Oost Brabant en zelfs in de regio Amsterdam. 

Volgens het CBS deed de grootste verandering zich voor in Groot-Amsterdam. In de weken voor de coronacrisis groeide de bevolking daar met 34 per 100.000 inwoners per week. Nadat de crisis was ingetreden was er een krimp van 23 per100.000 inwoners. Die krimp werd geheel veroorzaakt door een vertrekoverschot. Want terwijl er bijna in heel Nederland sprake was van een sterfteoverschot, had de regio Amsterdam in de genoemde weken nog steeds een geboorteoverschot. Amsterdam had ook een binnenlands vertrekoverschot. Maar dat was niet nieuw.

Wat echt nieuw was voor Amsterdam was het buitenlandse vertrekoverschot. De buitenlandse migratie ging van + 41 per 100.000 inwoners voor de crisis naar -8 per 100.000 inwoners per week tijdens de crisis. Dat kwam niet zozeer door het vertrek van Amsterdamse inwoners naar het buitenland, maar vooral door het feit dat de instroom van arbeidsmigranten (kenniswerkers) uit India, USA en Europese landen nagenoeg stil viel. En juist die toestroom uit het buitenland was zo bepalend voor de groei van Amsterdam in de laatste jaren. Zo ging een stad die recentelijk nog 1000 inwoners per maand groeide, in korte tijd over op krimp. Dat hadden vooral mijn Amsterdamse cursisten nooit kunnen denken. 

Ik weet het: het is een momentopname. Maar het zou heel goed kunnen dat het beeld van de triomferende stad in de komende jaren verbleekt. Als we er even van uit gaan dat een vaccin tegen COVID-19 niet morgen wordt gevonden. Overigens ook als dat vaccin morgen wel wordt gevonden, zullen de gevolgen voor de steden groot zijn. Met name omdat een aantal ontwikkelingen elkaar gaat versterken.

  • De economische krimp zal groter zijn dan wij allen in ons leven hebben meegemaakt. De inkomens zullen dalen, de werkloosheid zal fors toenemen. Vooral dat laatste zal de tweedeling in alle steden accentueren. We zien in de laatste weken al dat het aantal WW-ers en het aantal bijstandstrekkers in Amsterdam de snelste stijging te zien geeft van heel Nederland. Het is te vrezen dat alle steden door die scherpere tweedeling rauwer zullen worden.
  • De horeca, de cultuur en de winkels hebben al enorme klappen opgelopen. Daarvan  zullen velen het loodje leggen. Dat zal ongetwijfeld leiden tot een enorme verschraling van de consumer city. Dat wordt nog eens versterkt door het feit dat minder mensen minder kunnen consumeren door een forse terugval in hun inkomens. 
  • Het toerisme is voorlopig ingestort. Dat is volgende maand niet anders. Zo lang de wereld niet corona-vrij is zullen de verre reizen worden gemeden. En als de wereld wel corona-vrij is, zal het nog jaren duren voordat het toerisme het oude niveau weer heeft bereikt. Mensen zullen wereldwijd minder te besteden hebben en dus ook minder kunnen uitgeven aan verre reizen. Bovendien zou het me niet verbazen als de overheden een andere houding gaan aannemen tegenover het toerisme en tegenover de luchtvaart. En de prijzen van de vliegtickets hoeven maar weinig hoger te worden om grote gevolgen te hebben voor het toerisme. Ook van de terugval van het toerisme zullen de horeca en het winkelbestand de gevolgen ondervinden. En wie zijn zolderkamer niet meer via Airbnb kan verhuren, ziet de waarde van zijn huis dalen. 
  • De kenniseconomie draait vooral op kenniswerkers die wereldwijd naar de steden trekken. Dat zijn vaak de aantrekkelijke steden. Met veel voorzieningen, met een hoogstaand winkelbestand, met veel culturele voorzieningen. Zeg maar, steden met een aantrekkelijk leefklimaat. Als corona leidt tot een verschraling van deze consumer cities, worden steden dus ook minder aantrekkelijk voor kenniswerkers. En als er minder kenniswerkers naar de steden komen, zal de stedelijke economie minder snel groeien. 
  • Kenniswerkers kwamen niet alleen uit het eigen land, maar ook in belangrijke mate uit het buitenland. Het is zeer de vraag is of ze na de crisis gewoon gewoon weer zullen komen. In ieder geval zal het even duren, misschien wel een paar jaar na de vondst van een vaccin. Maar het is ook denkbaar dat de coronacrisis de globalisering (aanzienlijk) afzwakt. In Nederland gaan veel stemmen op om voortaan minder afhankelijk te zijn van het buitenland (eigen mondkapjes, eigen medicijnen). Dat betekent dat de maakindustrie niet aan het buitenland (China) moet worden gelaten. Dat we weer meer zelf moeten maken, moeten produceren. Waarom zouden de kenniswerkers dan voortaan ook niet thuis blijven?
  • Relevant is dat ook al voor de crisis de globalisering op grote weerstand begon te stuiten. De verkiezing van Trump en de Brexit zijn daarvan de bekende voorbeelden. Maar wat in de USA en in het UK gebeurde stond niet op zichzelf. De globalisering wordt overal genuanceerder bezien. Globalisering mag bijdragen aan een grotere welvaart, maar het is ook duidelijk dat die welvaart niet aan iedereen ten goede komt. De schaduwzijden van de globalisering werden overal in de wereld meer herkend. Leidt Corona ertoe dat we globalisering definitief anders gaan bezien?
  • De rijke Westerse wereld trok niet alleen kenniswerkers aan, maar ook asielzoekers en arbeidsmigranten. Ook die migratie lijkt in de coronacrisis sterk af te nemen en zal tijd nodig hebben om weer op gang te komen. De snelheid daarvan zal ook afhangen van de vraag hoe zeer onze economie flonkert. 
  • Demografisch verandert er wellicht nogal wat. En als er minder kenniswerkers uit het buitenland naar de Nederlandse steden komen en als de huizenprijzen in de steden (fors?) gaan dalen, kan het voor Nederlandse gezinnen weer aantrekkelijker worden om in de stad te blijven wonen. En geen woning met een tuin te zoeken in de omgeving. Of staat de stad ook in het binnenland voortaan op achterstand?

Steden blijven steden. Steden blijven de plekken waar de innovatie plaatsvindt. Steden blijven de knopen in een internationaal netwerk. Het is niet gedurfd om dit allemaal te voorspellen. Maar er gaat wel iets veranderen. En zoals de Triomf van de stad onder invloed van de kenniswerkers vooral in Amsterdam zichtbaar was, zo zal ook de teruggang Na Corona vooral in Amsterdam zichtbaar zijn. Minder buitenlandse immigratie, minder toerisme, minder voorzieningen. 

Wordt Amsterdam daarmee weer meer vergelijkbaar met de andere steden? Of zakken de andere steden even hard weg. Dat laatste is niet te verwachten, maar dat alle steden klappen krijgen na het bizarre voorjaar van 2020 is duidelijk. En er is wel een groot verschil met Amsterdam. In die laatste stad kookte het in de laatste jaren soms werkelijk over. De drukte was soms niet meer te harden. De huizenprijzen rezen de pan uit. Voor starters was er nog maar nauwelijks plek. Het is niet erg om die stad voor een paar jaar weer terug te geven aan de eigen inwoners. 

Voor de andere Nederlandse steden ligt dat anders. Oké, Utrecht en Eindhoven draaiden ook heel goed. Maar van oververhitting was nog geen sprake, met name omdat de toeristen daar grotendeels ontbraken. Rotterdam begon net een beetje aan te haken, Den Haag dreigde echt achterop te raken. Als de steden minder internationaal worden en als de werkloosheid fors oploopt zullen vooral Den Haag en Rotterdam het zwaar krijgen. Dus wat voor Amsterdam ook nog een klein beetje positief is, is dat zeker niet voor Rotterdam en Den Haag. 

Waar de voorzieningen in de steden verschralen, wordt het platteland aantrekkelijker. De rust en de ruimte zijn daar door Corona niet verdwenen, zelfs intenser beleefd. Ja, groot-ziener Rem Koolhaas heeft het een aantal maanden geleden al voorspeld: de toekomst is aan het platteland. Ik zie minder groot en trek die conclusie nog niet. Maar dat Corona gevolgen heeft voor de economische en daarmee ook voor de geografische structuur van het land, zou me zeker niet verbazen. 

En dan volgt de onvermijdelijke disclaimer: naarmate corona langer onder ons zal zijn (omdat het moeilijk lukt om een vaccin te ontwikkelen), zal de economische depressie dieper zijn, zullen de grenzen langer als barrières worden gezien, zullen de internationale kenniswerkers én de toeristen anger weg blijven en zullen de gevolgen van voor de steden groter zijn. Maar dat de triomf van de stad verbleekt is eigenlijk nu al onvermijdelijk. 

Deel dit bericht:

Twaalfde Triomf van de stad start in oktober 2020

mei 18, 2020 by  

Sinds 2012 organiseren Karen Ephraim en ik de leergang Triomf van de Stad. Een prachtige leergang met veel topwetenschappers én met veel praktijkmensen. Geheel ontworpen voor stedelijke strategen. Over de ontwikkeling van de steden en over het antwoord dat de overheid daarop zou kunnen geven. Sinds 2012 hebben 11 groepen van 10-16 deelnemers de leergang gevolgd. De belangstelling lijkt alleen maar toe te nemen. Voor ons is het elk jaar inspirerend, omdat we steeds weer nieuwe leuke en interessante cursisten leren kennen. We gaan na dit jaar dan ook vanzelfsprekend door met de 12e editie. Te starten in oktober 2020. De folder is hieronder te lezen. Als corona het toelaat zien we elkaar op: 8-9 oktober 2020, 12-13 november 2020, 10-11 december 2020, 7-8 januari 2021, 11-12 februari 2021, 18-19 maart 2021. Wacht niet te lang met aanmelden. Er is volop belangstelling. Én we willen voldoende tijd hebben om de leergang corona-proof aan te bieden.

Of zie hier de pdf:

Deel dit bericht:

Treurig Nederland

januari 21, 2020 by  

Lees het boek Treurtrips van Mark van Wonderen en gruwel over de vele lelijke plekken die Nederland rijk is. Gelukkig is het geen systematisch, laat staan representatief overzicht, toch wordt duidelijk hoeveel lelijke plekken in Nederland vallen te ontdekken. De ondertitel luidt niet voor niets (Het)ontdek Nederland! Het typeert de sfeer van het boek dat de vele prachtige foto’s niet alleen gelardeerd worden door een geestige tekst, maar dat de lezer ook geholpen wordt met kaarten van ‘inspirerende fiets-, wandel- en scootmobielroutes’. 

Maar de analyse ontbreekt. Daarom zou het een geschikt boek zijn voor een cursus planologie. Ik zou de cursisten twee dingen willen vragen: wat zijn ‘lelijke’ plekken en waar treffen we die vaak aan? De vraag ‘wat is een lelijke plek’ lijkt nogal subjectief. Maar hij is veel minder subjectief dan op het eerste gezicht lijkt. Lelijke plekken zijn vooral onherbergzame plekken, plekken waar je je niet geborgen voelt, plekken waar de onveiligheid tiert. Er zijn ongetwijfeld een paar planologen te vinden die liefkozend over ‘rafelranden’ zullen spreken, maar de meeste mensen zouden op dit soort ‘lelijke’ plekken vooral niet willen zijn. 

Waar vinden we dat soort plekken en hoe zijn ze ontstaan. Ik tel door mijn oogharen vijf soorten lelijke plekken. 

Aan de randen van de steden: hoe mooi de binnensteden van Amsterdam, Rotterdam of Dordrecht ook mogen zijn, de lelijke plekken aan de randen van de stad zijn vaak schrijnend. Misschien kunnen we beter spreken over de achterkant van de steden. Van Wonderen maakt een verbluffende reportage over de metrolijn Hoek van Holland – Nesselande, met veel opvallende lelijkheid. Maar ook de buitenwijken van Dordrecht en Amsterdam-Noord tellen veel lelijke plekken. 

Perifere gebieden: Velsen heeft wonderschone lelijke plekken, maar dat geldt al evenzeer voor de echte krimpgebieden: Zeeuws-Vlaanderen, Parkstad Limburg (wie ooit die naam heeft bedacht) en Delfzijl, Drachten en de veenkoloniën in Groningen en Drenthe. Het zijn de gebieden waar de industrie nog dominant is, of waar de industrie juist al is verdwenen. Velsen (IJmuiden) zucht onder de Hoogovens, in Drachten worden nog scheerapparaten gemaakt door Philips, maar in de veenkoloniën zijn de strokartonfabrieken al lang gesloten, net zoals de mijnen in Heerlen. 

Bedachte gebieden: deze categorie is zorgelijker voor de planologen in mijn klasje. Het lijkt alsof er een nauwe correlatie bestaat tussen het aantal lelijke plekken en de mate van overheidsbemoeienis. Natuurlijk, het verbaast niet dat Lelystad uitgebreid wordt geportretteerd. Maar ook Almere, Zoetermeer (station!) en dat arme Delfzijl dat ooit100.000 inwoners had moeten gaan tellen. Het zou een boeiende vraag zijn voor een proefschrift: wie heeft er meer lelijke plekken op zijn geweten: de markt of de overheid? 

Modernistische plekken: het zal niet verbazen dat de nieuwbouw uit de jaren 60 en 70 veel lelijke plekken heeft opgeleverd. De vreselijke galerijflats met ingebouwde onveiligheid worden op tal van plekken al weer afgebroken, met ook hier de Bijlmer als hoogtepunt. Toch staat de modernistische stedebouw in veel opleidingen nog te boek als een hoogtepunt. Maar heldere maquettes verhullen de onveiligheid en de lelijkheid op de begane grond. En die les kunnen nog steeds veel architecten en stedebouwkundigen ter harte nemen. 

Overdekte winkelcentra: de treurigheid van winkelleegstand is vooral zichtbaar in die vreselijke overdekte wijkwinkelcentra die overal in Nederland sinds de jaren 70 zijn verrezen. Te weinig kwaliteit. Te gewoon. En blijkbaar werkt dat concept van overdekte winkelstraten in Nederland niet goed, ondanks de regen en wind die ons klimaat kenmerken. En als de leegstand toeslaat, zijn de lelijke plekken dichtbij. Eerlijk gezegd heb ik die voorkeur voor overdekte winkelcentra nooit begrepen. Wie de schoonheid van veel binnensteden beter had begrepen, was er nooit aan begonnen. 

Daarmee verwijzen de ‘lelijke plekken’ van Van Wonderen sterk naar de jaren 60, 70 en 80 van de vorige eeuw.  Veel van wat toen is bedacht, leidt nu tot een mooi boek over lelijke plekken. 

Deel dit bericht:

Stikstof doet instituties kraken

november 15, 2019 by  

Voor wie van politiek houdt, zijn het mooie tijden. De VVD die de 130 km afschaft, het CDA dat de veestapel gaat inkrimpen. En we staan nog maar aan het begin. Die stikstofcrisis is nog lang niet opgelost. En ook het klimaat zal veel vragen van regeringspartijen die niet zo lang geleden nog openlijk twijfelden aan de klimaatverandering. Het knarst en piept in Den Haag.

Dat gaat niet alleen om de partijen, maar ook om de institutionele verhoudingen. Die hele stikstofcrisis is veroorzaakt door de rechter, die ons typische gedoogbeleid naar de prullenbak verwees. In de Urgenda-zaak sprak de rechter uit dat de regering zich aan internationale afspraken moet houden en een veel actiever klimaatbeleid moet voeren. En zelfs de afschot in de Oostvaardersplassen is recentelijk weer stopgezet omdat de rechter verder schieten verbood. Die rol van de rechter, het is allemaal nieuw. Mijn vertrouwen in de democratische rechtsstaat is er alleen maar door vergroot. Maar het kabinet heeft grote moeite om met dit nieuwe fenomeen om te gaan. In de Urgenda-zaak werd steeds gehoopt dat een hogere rechter anders zou oordelen, hetgeen niet gebeurde. De stikstof-uitspraak van de Raad van State werd vooral juridisch benaderd (hoe bedenken we een nieuwe truc, zoals minister Van Nieuwenhuizen zich liet ontvallen), terwijl een politiek antwoord gewenst was. In alle gevallen is de reactie too little too late. 

Het knarst en piept ook in het binnenlands bestuur. Het lijkt erop dat de verhoudingen tussen Rijk, provincie en gemeenten eraan toe zijn om opnieuw te worden gedefinieerd. Een paar jaar geleden moest de jeugdzorg worden gedecentraliseerd: voortaan zouden de gemeenten verantwoordelijk worden. Nu wordt al weer bekeken hoe die maatregel kan worden teruggedraaid. Is jeugdzorg dus toch geen lokale taak? Het kabinet neemt een besluit over de stikstof en een dag later beslissen de provincies om bij de vergunningverlening andere regels te hanteren.  Je zou toch denken dat de stikstof een nationale kwestie is en dat de Rijksoverheid bevoegd is om te bepalen wat er op dit punt moet gebeuren. 

Deze ontwikkelingen verbazen me overigens niet. Al veel langer verschuiven de posities in het binnenlands bestuur. Op de oorzaken daarvan ga ik hier niet verder in. De taal waarmee het binnenlands bestuur wordt beschreven is gaandeweg veranderd. Gemeenten noemen zich  tegenwoordig ‘mede-overheid’ in plaats van het verfoeide ‘lagere overheid’. Provincies roepen dat zij (en niemand anders) over de regionale economie gaan en over het platteland. En dus blijkbaar ook over de stikstof. Termen als ‘horizontaal bestuur’ worden in deze sfeer graag gebezigd, alsof er geen hiërarchie meer in het binnenlands bestuur zou bestaan. Ja, dan is het logisch dat je je weinig aantrekt van het nieuwe stikstofbeleid van de regering. 

Terwijl het binnenlands bestuur ooit zo helder door Thorbecke is ontworpen. De gemeente ging volgens Thorbecke over de zaken die op het lokale niveau speelden. De provincie en het Rijk hadden daarover niets te zeggen. In dat opzicht was er geen hiërarchie in het binnenlands bestuur. Zoals de provincie ging over de zaken op provinciaal niveau en de Rijksoverheid over zaken op nationaal niveau. Maar als er een hoger belang geldt gaat dat altijd voor. Want Thorbecke zei al dat het nationale belang boven het provinciale gaat en het provinciale belang boven het lokale belang. In dat opzicht behoorde er wel hiërarchie te zijn. Dat probleem is een steeds grotere rol gaan spelen naarmate provincies en gemeenten meer Rijkstaken zijn gaan uitvoeren.

Wat betekent dit voor de stikstof? En voor de jeugdzorg? En noem maar op. Niemand twijfelt eraan dat de stikstof een nationale kwestie is. Dan is het niet meer dan logisch dat de Rijksoverheid hier de verantwoordelijkheid neemt (en hier verantwoordelijk wordt gehouden). En ook als het Rijk ervoor kiest om het stikstofbeleid door provincies te laten uitvoeren – dat kan immers efficiënter zijn -, dan horen de provincies het beleid uit te voeren binnen de kaders die door het Rijk zijn gesteld. Voor de jeugdzorg geldt eenzelfde redenering. Burgers hebben er recht op dat er in elke gemeente een goede jeugdzorg is, en dat die jeugdzorg niet afhankelijk moet zijn van allerlei politieke keuzen binnen de gemeente. Dan is er dus sprake van een nationale verantwoordelijkheid en kan de regering de jeugdzorg dus niet zo maar over de schutting van de gemeenten gooien. Natuurlijk kunnen gemeenten helpen bij de uitvoering van de jeugdzorg. Maar dat kan niet betekenen dat de kaders van de jeugdzorg van gemeente tot gemeente verschillen. Het Rijk moet de kaders stellen en de bijbehorende budgetten leveren. 

Dus laten we ophouden met al die fuzzy woorden als mede-overheden en horizontale verhoudingen tussen rijk, provincies en gemeenten. Als het een lokale kwestie is de gemeente helemaal vrij om zelf te beslissen. Als het een landelijke kwestie is, beslist het Rijk en voeren provincie en gemeente slechts uit. Natuurlijk, met beleidsvrijheid omdat het beleid daarmee efficiënter en effectiever wordt. Maar altijd binnen de kaders die het Rijk helder heeft aangegeven. Ja, in dat opzicht zijn, conform Thorbecke, de provincies en de gemeenten werkelijk lagere overheden

Deel dit bericht:

De stad, de markt en de wereld

mei 23, 2019 by  

Wie in de stad rondloopt komt ze nog vaak tegen: de armoedige huizen van de blije stadsvernieuwing uit de jaren zeventig en tachtig. Punaise-bouw. Ze zijn al lang weer aan renovatie toe. Maar toch stonden die woningen ergens voor. Voor de wederopstanding van de steden én voor een sterke lokale overheid. Na de oorlog waren de Nederlandse steden verpauperd en verkrot. Aanvankelijk waren sloop en kaalslag het enige antwoord. En groeikernen en suburbanisatie.Tot een nieuwe generatie het in de steden voor het zeggen kreeg. Er kwam een nieuw zelfbewustzijn. De stad werd opnieuw op de tekentafel gelegd. In al die jaren was de stad het ruimtelijk project van de overheid, vanzelfsprekend met een zekere inspraak. De stad als antwoord op de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog. De stad eerst als een modernistisch antwoord op verkrotting, later als een nostalgisch antwoord op het modernisme. Maar we hadden nog niet door dat na 1989 alles anders zou zijn. 

We betraden een era waarin het neo-liberalisme en het verlangen naar de markt de overheid met zijn oude tekentafels snel terugwierpen. Een tijdperk waarin grenzen in snel tempo vervaagden en waarin we eerst nog over mondialisering maar al snel over globalisering spraken. De positie van de steden was daarin voorlopig nog onduidelijk. Want door de snelle opkomst van internet, laptops en smartphones leek de ‘world flat’ te worden. Het zou niet meer uitmaken waar je ging wonen, overal kon je met je laptop aan het werk. Maar er werd ook gesproken over glokalisering, de globalisering zou in steden voet aan land gaan zetten. Er werd gesproken over de Triomf van stad, mede vanwege de creatieve klasse die zich daar zou vestigen. En toen hoorden we al snel niet veel meer over die ‘world’ die ‘flat’ zou worden. Nee, in de globaliserende wereld werd het alleen maar drukker in de steden. 

Ook in Nederland. Door de globalisering was de industrie in snel tempo uit Nederland vertrokken. We moesten voortaan ons geld vooral verdienen met onze hoge opleidingen. En met onze connecties over de hele wereld. Steden werden hubs in een netwerk, kristallisatiepunten van een globale economie. En dé plek voor face-to-face contacten. Juist in dat directe contact ontstond de innovatie en in de economie werd je niet meer groot met eeuwigdurende herhaling (Ford), maar juist met de unieke innovatie. 

Veel burgemeesters en wethouders waren enthousiast. Eindelijk stond hun stad op de wereldkaart. Gingen de bestuurders vroeger naar China om nieuwe bedrijven te halen, tegenwoordig komen die bedrijven vanzelf als jij de goede hoogopgeleide werknemers in de aanbieding hebt. Dus gemeentebesturen moeten vooral zorgen voor een plek waar hoogopgeleiden graag willen wonen. En ze moeten ervoor zorgen dat de afgestudeerden in de stad blijven wonen. Het zijn de aantrekkelijke steden die op dit punt succesvol zijn. Gerard Marlet schreef er een mooi proefschrift over. Waar de oude grachten in de jaren 50 nog op de nominatie stonden om te worden gedempt, vinden de hoogopgeleiden er nu een ideale woonplek. 

De stedelijke besturen scheppen tegenwoordig op zijn best de randvoorwaarden voor een bloeiende lokale economie. Zie het Oostelijk Havengebied al in de jaren 90, zie het oude  spoorcomplex in Tilburg dat tegenwoordig ruimte biedt voor nieuwe bedrijvigheid en nieuwe kenniswerkers. Helaas denken veel gemeentebesturen ook dat ze zelf een hun eigen Silicon Valley kunnen plannen. Maar dan blijkt dat de nieuwe economie toch heel wat weerbarstiger is dan de tekentafel-bestuurders gewend waren. Valley’s en campussen ontstaan vooral bij toeval en als de buurman er al één heeft, is het zinloos om dat idee te kopiëren. De globale economie zet wel voet aan land in de steden, maar besluit zelf in welke stad dat het beste kan. 

Het doet me soms sterk denken aan de zorg. Misschien een rare vergelijking. Maar ook de zorg was vroeger van de overheid. Het mocht zo zijn dat artsen te veel verdienden en zich moeilijk lieten sturen, er mochten wachtlijsten zijn, maar de overheid was de baas. Tegenwoordig is de zorg overgelaten aan de onzichtbare hand van de markt. Wie aan het stuur zit, is onduidelijk. En de winsten verdwijnen vooral naar elders. Bij steden bekruipt me eenzelfde gevoel. Te meer omdat steden een pion zijn geworden in een mondiale markt. 

Die mondiale markt heeft de steden de laatste decennia veel goeds gebracht. En daardoor hebben de steden veel bijgedragen aan de gestegen welvaart. Waar vroeger de haven van Rotterdam en de luchthaven van Schiphol de fundamenten waren van de economische groei, zijn dat nu de High Tech Campus van Eindhoven, de Food Valley in Wageningen en de vele terrasjes in Amsterdam. 

Maar die ontwikkeling heeft ook iets ongrijpbaars, omdat ze wordt bepaald door de wetten van de globale markt. En die wetten hebben ook schaduwzijden. De Triomf van de stad vindt zijn tegenhanger in de Schaduw van de stad. Triomf en Schaduw gaan gelijk op. En terwijl de stedelijke besturen tien jaar geleden nog druk bezig waren om de Triomf op te stoken, worden ze nu steeds meer met de Schaduw geconfronteerd. Terwijl hun gereedschap uit de jaren 80 in onbruik is geraakt. 

Mag ik wat schaduwen noemen, vanuit een vijftal perspectieven. Ik begin met het demografisch perspectief. De Nederlandse steden groeien door hun geboorteoverschot en door een buitenlands vestigingsoverschot. Binnenlands gezien hebben alle grote steden een vertrekoverschot. Simpel gezegd: er komen veel expats binnen die de huizenprijzen zodanig opdrijven, dat veel stedelijke bewoners wel gedwongen zijn om ergens anders hun heil te zoeken. Niet omdat ze de stad willen verlaten, maar gewoon omdat de woningen in de stad voor hen onbetaalbaar zijn geworden. Zo worden de lagere én de middeninkomens de stad uitgedreven, of verdrongen naar de randen van de stad. Bovendien ontstaat daarmee het gevaar dat veel randgemeenten (denk aan de voormalige groeikernen) hun bevolkingsopbouw zien verschralen. De sterke groei van de stedelijke regio’s vertaalt zich verderop in het land in krimp. Een geringe bevolkingskrimp hoeft niet altijd een probleem te zijn, maar bevolkingskrimp kan zichzelf wel gaan versterken als jongeren in versterkte mate wegtrekken omdat met de krimp van de bevolking ook de nieuwe kansen zijn verdwenen.

Vanuit economisch perspectief zien we dat de Triomf van de stad bepaald niet aan iedereen ten goede komt. Met de groei van de werkgelegenheid aan de bovenkant blijkt de werkloosheid aan de onderkant helemaal niet af te nemen. Vanwege een mismatch op de arbeidsmarkt. Voor de velen voor wie in de industrie en in de haven nog wel werk was te vinden, is in de kenniseconomie nog maar weinig plaats. Zeker als alle terrasjes door studenten worden bediend. De Triomf versterkt een maatschappelijke tweedeling die zich verscherpt langs lijnen van werk, inkomen, gezondheid en niet te vergeten onderwijs. Ook tussen de steden zijn er grote verschillen. De regio Den Haag en de regio Rotterdam hebben op dit moment ongeveer even veel arbeidsplaatsen als in 2008, op het hoogtepunt voor de crisis. Amsterdam heeft er ruim 70.000 meer. Ook Utrecht en Eindhoven doen het erg goed. Dat heeft alles te maken met het opleidingsniveau van de beroepsbevolking.  Vanuit economisch perspectief valt ook op dat de infrastructuur de toegenomen mobiliteit nauwelijks aan kan. Dat kan op termijn schadelijk zijn voor de bereikbaarheid van de stedelijke economieën.

Vanuit geografisch perspectief zien we dat de maatschappelijke tweedeling zich ook ruimtelijk vertaald. Segregatie is in Nederland nog steeds bescheiden, als we het met steden elders in de wereld vergelijken. Maar concentratie van armoede en werkloosheid kan leiden tot een cumulatie van problemen, waardoor de kansen om in de samenleving verder te komen, steeds kleiner worden. Vanuit geografisch perspectief valt er ook veel te zeggen over de voorzieningen, de culturele instellingen etc die de stad een voorsprong geeft op het ommeland. Wat steden aantrekkelijk maakt voor de gezochte kenniswerkers, kan steden ook aantrekkelijk maken voor toerisme. De gemeente Amsterdam dreigt al uit balans te raken. Te meer daar de winkels door de stijgende vierkante-meter-prijzen homogeniseren. Airbnb doet de rest. Er komen zoveel mensen op aantrekkelijke steden af, dat deze moeite hebben om aantrekkelijk te blijven.

Vanuit sociologisch perspectief valt op dat het aantal nationaliteiten en culturen in de steden in de afgelopen decennia enorm is toegenomen. De kansarme migranten starten vaak in arrival neighbourhoods in de grote steden om van daaruit vaak langzaam op te klimmen en naar betere wijken te verhuizen en soms te suburbaniseren. Ik spreek hier niet over expats. Lange tijd waren migranten vooral ‘gastarbeiders’ (Spanjaarden, Italianen, later Turken en Marokkanen) of mensen uit het rijke koloniale verleden (Molukkers, Surinamers, Antillianen). Tegenwoordig leidt de globalisering ertoe dat in Amsterdam en Rotterdam bijna 200 nationaliteiten wonen. Bovendien blijven veel migranten steeds korter. Of blijven ze in een globaliserende wereld gemakkelijker met het thuisland verbonden. Zo vindt Turkse politiek zijn weerslag in Rotterdamse wijken. Dat kan een extra druk leggen op integratie van nieuwkomers. En kan autochtonen een gevoel van ontheemding geven, zeker als ze toch al Globalisierungsverlierer zijn. Dat kan tot spanningen leiden en dat raakt de lokale politiek. Terwijl nu juist een tolerante cultuur de aantrekkelijkheid van steden voor de hoogopgeleiden, die de brandstof vormen van de motor van de kenniseconomie, vergroot. Populisme kan steden dus op termijn op achterstand zetten. 

Stedebouwkundig is er sprake van een boeiende paradox. Aantrekkelijke steden zijn vaak historische steden. Grachten. Dát zijn de plekken waar veel hoogopgeleiden willen wonen om te werken in een kenniseconomie die in veel opzichten footloos en grenzeloos is. Maar tegelijkertijd sluiten steden lang niet altijd in hun nieuwbouw aan bij de stad die ze altijd zijn geweest. Het lijkt er zelfs op dat gekozen wordt voor een internationaal imago, of op zijn minst voor een imago waarvan men denkt dat het internationaal is. Soms staat dat niet alleen haaks op de stad die men was, maar is het ook in strijd met de diversiteit die echte steden kenmerkt. Het gaat hier verder dan de oude tegenstelling tussen Le Corbusier en Jane Jacobs. Juist in de huidige kenniseconomie hebben steden de diversiteit nodig waarvoor Jane Jacobs een halve eeuw geleden pleitte. Dat roept ook de vraag op wie de vormgevers zijn van de nieuwe stad. De markt heeft daarin altijd een rol gehad, zij het eerder wel binnen duidelijke kaders van het stedelijk bestuur. Die kaders zijn enerzijds schijnbaar verwaterd, de overheid lijkt vaak de wensen van de markt te volgen. Daarnaast is de succesvolle stad een prachtig investeringsobject geworden voor mensen die dat kunnen betalen. In London wordt in hele straten, buurten nog maar nauwelijks gewoond omdat de huizen door investeerders zijn opgekocht. Ook in Nederlandse steden zie je ontwikkelingen in die richting. De vraag: van wie is de stad? lijkt tegenwoordig eenvoudig te beantwoorden. En dat hoeft niemand na 30 jaar neo-liberale politiek te verbazen. 

Inderdaad, de Triomf van de steden is onweerlegbaar. En die Triomf heeft veel te maken met de globalisering van de economie. Steden zijn schakels in de globaliserende economie. Soms straalt de Triomf af op de stedelijke bestuurders. Barber meende zelfs dat de burgemeesters de tegenwoordiger wereldleiders zijn. Dat lijkt me een vreemde conclusie als steden nu juist tot grote bloei zijn gekomen in een neo-liberale tijd waarin de markt het voortouw moest nemen, én als kristallisatiepunten van de globalisering, waarover nationale overheden, en laat staan lokale overheden, per definitie weinig te zeggen hebben. En tegelijkertijd kent die Triomf schaduwen, die veel inspanningen vragen van de overheid. Dat vraagt een heel subtiel spel van het stedelijk bestuur.

[verschenen in Binnenlands Bestuur, 24 mei 2019]

Deel dit bericht:

Volgende pagina »