Rutte III heeft vooral vertrouwen in de notulen

oktober 10, 2017 by  

Het beoordelen van een regeerakkoord is altijd een voorlopige beoordeling. Je weet niet hoe het straks uit gaat pakken. Maar toch het is goed om die tekst eens zorgvuldig door te nemen. En je in je beoordeling niet te laten leiden door wat de spindoctors deze uren aan de media vertellen.

Mij vallen drie dingen op in het nieuwe regeerakkoord. Ten eerste: zo’n overgang naar een nieuwe regering biedt altijd de mogelijkheid van kleine ‘doorbraken’. Van die onderwerpen waarover al lang is gesproken en die we nu eindelijk eens gaan doen. Experimenteren met wietteelt door de overheid. Afschaffing van Wet Hillen (voortaan ook woningforfait als de hypotheek is afbetaald). Gekozen burgemeester. Versimpeling belastingstelsel. Aftrekposten niet meer aftrekken van het hoogste tarief. De schade van de aardbevingen in Groningen wordt niet meer door de NAM bepaald. Etc. Dat soort voornemens geven me een gevoel van opluchting. Eindelijk.

Ten tweede doet het kabinet meer aan klimaatbeleid dan ik had durven hopen. Het regeerakkoord straalt uit dat men Parijs wil halen en zelfs meer. Er wordt helder aangegeven waar de CO2-winst moet worden geboekt. Er komt een CO2-belasting. Er gaat op korte termijn één kolencentrale dicht en de rest volgt voor 2030. Maar hoe hoog de ambitie ook is, de plannen hadden wel wat concreter gekund. Zie bijvoorbeeld de ambitie om de bestaande woningvoorraad energieneutraal te maken. Dat blijkt in de praktijk uitermate ingewikkeld te zijn. Dan verwacht je grote instrumenten en heel veel geld. Maar het regeerakkoord komt niet verder dan samen een plan maken. Ja, er is nog 100 miljoen euro voor corporaties die hun woningbestand verduurzamen. Als dat alles is, heb je blijkbaar toch minder ambitie dan je suggereert.

Ten derde is het regeerakkoord vooral teleurstellend. Dit is geen visie voor de komende jaren, dit zijn de notulen van een Ministerraad van een willekeurig centrumkabinet. Ze hebben gewoon 210 dagen ‘ministertje’ zitten spelen en voor elk onderwerp een nette compromistekst bedacht. Ik kan me heel goed voorstellen dat Pechtold, Buma en Segers na die 210 dagen hebben bedacht dat het werk in de Kamer toch leuker is.

En zoals dat vaak gaat in een kabinet: dan onderwerpen zijn nauwelijks in samenhang bezien. Ja, dan is het niet vreemd dat het ruimtelijke perspectief nagenoeg geheel ontbreekt. Wie notulen schrijft en wie geen samenhang zoekt, komt nooit bij de ruimte uit. Schiphol mag verder groeien, Rotterdam moet vooral CO2 onder de grond stoppen, Eindhoven krijgt mainport-status (wat dat in concreto ook mag inhouden), de Wadden krijgen een beheersautoriteit, de Veluwe en het Groene Hart moeten worden beschermd, het Deltaprogramma, de Nationale parken en het Kustpact (duinbescherming) moeten doorgaan, er moet meer infrastructuur bij en er moeten meer woningen worden gebouwd. Maar dat is geen ruimtelijke afweging, laat staan een visie voor Nederland.

En verder geen woord over de grote steden (ja, de PvdA zat duidelijk niet aan tafel), als motoren van onze economie. Geen woord over Amsterdam als brandpunt van de economie. Geen woord over de achterblijvende economie van de Zuidvleugel. Wel geld naar nieuwe infrastructuur, maar geen geld naar de woningbouw in de steden (waardoor je die nieuwe infrastructuur niet meer nodig hebt). Geen woord over de voormalige groeikernen die langzaam wegzakken. Geen woord over de ruimtelijke uitsortering rondom de grote steden, waar de kansarmen plaats moeten maken voor de nieuwe rijken. Geen woord over al die honderdduizenden woningen die in het Westen van het land in de komende jaren moeten worden gebouwd. Ja, waar gaan we dat eigenlijk doen? En hoe gaan we het doen met de mobiliteit als onze auto straks zelfrijdend wordt. Ja, zegt het regeerakkoord: de nieuwe infrastructuur moet daarvoor geschikt worden gemaakt. Maar hebben we nog nieuwe infra nodig als die auto’s netjes achter elkaar aan hobbelen? Nee, dat is geen visie, dat zijn notulen.

 

 

Nieuwe kansen voor de haven van Scheveningen

oktober 4, 2017 by  

 

Gesprek met Arno Segeren, accountmanager van de gemeente

De ontwikkeling van de haven van Scheveningen is heel interessant in het licht van de ontwikkeling van steden. De haven is vanouds bekend vanwege de vissers. Maar het was ook jarenlang de thuishaven van de Norfolkline, een rederij actief op het gebied van het vervoer van containers tussen Groot-Brittannië en Nederland. Maar een haven aan zee is tegenwoordig ook een aantrekkelijke en hippe woonplek. Veel steden bouwen appartementen aan de havens, vaak voor de hoogopgeleiden die de tegenwoordige stad zo nodig heeft voor haar ontwikkeling.

De werkelijkheid is weerbarstiger. Want met de komst van woningen neemt de behoefte aan bedrijfsruimte niet af. De gemeente Den Haag is zich daarvan steeds meer bewust geraakt. Zo lag het accent in de Scheveningse Haven een aantal jaren geleden vooral op de haven als decor van woningbouw. In 2015 is dat beleid aanzienlijk omgebogen met de nota Scheveningen Haven, is en blijft haven. Het vertrek van de Norfolkline had geleid tot een verlies van zeshonderd banen, vooral banen voor lager opgeleiden. Terwijl de haven nog steeds veel economische potentie had. Bovendien drong het besef door dat een doodse haven ook een doods decor voor wonen oplevert. Wonen aan een levendige haven biedt voordelen. Al kan er ook spanning ontstaan tussen het woongenot en de havenactiviteiten.

Voldoende reden voor een gesprek met de accountmanager van de gemeente voor de Scheveningse haven, Arno Segeren. Wij fietsen in een wat druilerige regen rond in de haven en ik leer veel over het belang van een actief gemeentelijk beleid. En het succes aan beide zijden is te zien. Er wordt aan de ene kant enorm gebouwd en aan de andere kant groeien de economische activiteiten in de haven. Het aantal banen stijgt weer.

Segeren wijst erop dat je altijd moet kijken naar de unieke kenmerken van een gebied. Den Haag heeft die unieke ligging aan de Noordzee en de haven is de toegangspoort. Die kwaliteiten moet je in stand houden. Maak van die haven geen ‘bak water’. Dat kan ook. Je kan de havenactiviteiten afbouwen. Dan heb je water en een stukje industrieel erfgoed. Een oude havenkraan, een paar pakhuizen. Die kan je allemaal heel mooi maken. Zie Duisburg. Mooi museum voor moderne kunst erbij. Maar het blijft een bak water waar je op uit kijkt. Zo maak je niet optimaal gebruik van de kwaliteiten die je hebt. En ook bij ons raakte de haven in vergetelheid. Het beeld was: met de visserij gaat het niet goed en alleen maar slechter. De Norfolkline is vertrokken.

Wij menen tegenwoordig dat die haven veel meer kan opleveren. Het is een unieke kwaliteit van de stad, net zoals de regering, de internationale organisaties, het vrede, recht en veiligheid. Dat is allemaal economie. Voor economische groei kan je beter iets versterken wat je al hebt dan iets heel nieuws te bedenken. Op unieke kwaliteiten moet je zuinig zijn. Ook die haven heeft ons veel te bieden. Visserij van oudsher. Maar de haven is ook de toegangspoort naar de windmolenlocaties op de Noordzee. Daar wordt veel geïnvesteerd. En daar heeft Den Haag potentieel veel te bieden. Dat is werkgelegenheid. Bijvoorbeeld voor elektriciens. Die windmolens mogen niet stilstaan. Daar heb je veel geschoold personeel voor nodig. Ook de watersport biedt ons in economische zin veel, in termen van bezoekers, bestedingen, werkgelegenheid.

We zoeken naar niches. Je bent bij ons direct op de Noordzee. Dus als er testen moeten worden gedaan op zee, kan je dat goed doen vanuit Scheveningen. Of dat veel gaat opleveren, weten we nog niet. Maar we zijn ervan overtuigd dat die haven van Scheveningen voor sommige producten best eens de beste haven kunnen zijn. Een diepzeehaven met onbelemmerde toegang. Hij ligt centraal in het land, hij ligt in de stad, hij ligt dicht bij Delft, bij Leiden, bij TNO, bij Deltares. Allerlei partijen die actief zijn op de Noordzee.

En zo zie je zelfs een verschuiving van woningbouw naar economische activiteit in de plannen. Waar mogelijk voegen we bedrijfsruimte toe en op enkele plekken onderzoeken we of de geplande woningbouw deels geschrapt kan worden uit de plannen. In de tussentijd zijn er ook andere functies toegevoegd. We hebben het Zuiderstrandtheater tijdelijk gebouwd in de haven. Daar vinden nu ook veel aan havens of de Noordzee gerelateerde bijeenkomsten en conferenties plaats. Maar we gaan nu weer kijken of we daar bedrijvigheid kunnen krijgen als het theater weer wordt afgebroken.

En er zijn nog nieuwe kansen. De effecten van klimaatverandering worden zichtbaar aan de kust. Op een gegeven moment zullen ook rondom de haven maatregelen nodig zijn vanwege de stijging van de zeespiegel. Het garanderen van de veiligheid voor het achterland vormt dan de aanleiding voor een verkenning naar de zeewaartse uitbreiding van de haven. Maar dit zit allemaal nog in de verkennende fase.

De gemeente Den Haag heeft vier prioriteiten in de Scheveningse haven. Ik vraag Segeren om ze voor me samen te vatten. Visserij, watersport, offshore dienstverlening en innovatie. Visserij van oudsher. Belangrijk, zowel in directe als in indirecte zin. Scheveningen zonder haven, dan ben je niet anders dan Zandvoort. Authentiek, het hoort erbij. Veel werkgelegenheid, op zee en in de handel. De visafslag in Scheveningen is in grootte de derde van Nederland. Je kan ook vis kopen die niet fysiek op dat moment aanwezig is. Daarnaast hebben we twee grote internationaal opererende reders met zogenaamde trawlers. Nederlands visbureau zit hier. Veel handel, groothandel en detailhandel. Het is een compleet cluster. Trawlers die drie weken op zee zijn, kotters die elke week terugkeren en de kleinschalige visserij die elke dag weer binnenvaart. Het is een volledig cluster. Je hebt de drie onderdelen wel nodig.

Segeren maakt een interessante tussenopmerking over de rol van de overheid. Hij zegt: het is voor de overheid makkelijker om iets te verpesten dan om een positieve ontwikkeling aan te zwengelen. Daarom moet je als overheid de belangen in het gebied goed kennen. Dat is accountmanagement.

We gaan door met de tweede prioriteit: de watersport. Ook een economische sector. Recreatie, botenbouw, innovatie, topsport. We hebben Jachtclub Scheveningen, een grote jachtclub met 600 leden. Daarnaast het Topzeilcentrum met Olympische sporters en talentploeg die hier trainen. Er zit ook een catamaranbouwer. Dat zijn van die parels in het havengebied. Dit alles wordt nog versterkt door de finish van de Volvo Ocean Race in 2018. Moeten we trots op zijn. Er komen extra ligplaatsen, vooral voor passanten. Daar zijn er al te weinig van. En we hebben het Sailing Innovation Centre. Hoe kunnen we meer Olympische medailles winnen. Kennis over voedsel, over stroming, wind, communicatie etc.

Offshore-dienstverlening is de derde prioriteit. De tenderprocedure voor het windmolenpark Holland Kust Zuid loopt nu. Ze hebben allemaal goed gekeken naar de haven van Scheveningen. Welke haven is het meest geschikt als uitvalsbasis. We hebben ze één voor één op bezoek gehad. Maar als ze elders al een uitvalsbasis hebben wordt het moeilijker. Het gaat niet om de bouw, alleen om het onderhoud. Daarvoor heb je een opslagloods nodig en snelle kleine bootjes. Dat kan heel goed bij ons in de haven. Het is echt geschoold werk. Werken op zee vraagt ook nog weer extra vaardigheden. Ze willen echt mensen van hier het onderhoud laten doen. Die molens staan er immers voor 20 jaar. En die mensen worden ook ingezet voor de bouw. Dus dat levert echte werkgelegenheid op voor mensen uit deze regio. Scheveningen heeft ook een voordeel voor dit soort bedrijven, omdat het een grote arbeidsmarkt te beiden heeft. Meer dan IJmuiden bijvoorbeeld.

Innovatie, de laatste prioriteit. De genoemde drie zijn ook al innovatief. Wat zijn de echte voordelen van de haven. Je bent in een paar minuten op zee. Onbelemmerde toegang tot de haven. Je zit meteen midden in de stad en in een kennisintensieve regio. Veel kennisinstituten richten zich op het water. Die haven is dus geschikt voor allerlei innovaties op de Noordzee. Dat kan gaan over golfenergie. Zeewierteelt. The Ocean Clean-up, zij het vooral de lancering van hun eerste prototype. De doop van de solarboat van TU Delft heeft hier plaatsgevonden, ook om ons meer bekendheid te geven. We zijn toegetreden tot valorisatie-programma ‘Kust en Waterbeheer’ rondom TU Delft. Veel startende bedrijfjes met innovatieve producten. Soms zijn we de eerste klant, de launching customer. Op andere momenten stellen we ruimte ter beschikking. De ‘Slam Dam’ is hier uitgeprobeerd op de Doctor Lelykade. Als vervanger van de zandzakken. Al die bedrijven kunnen van elkaar leren. Hebben we in de toekomst ook een specifieke plek voor: de oude kantoor van de Norfolkline. Komen woningen in en ruimte voor innovatieve bedrijven onder de naam Innoport. Of dat ook lukt weten we niet, maar als er geen ruimte is voor innovatieve bedrijven, dan lukt het zeker niet. Twee jaar geleden was er geen ruimte meer voor dit soort bedrijven. Alleen maar kantoorruimte. Je hebt daarnaast ook loodsen nodig, opslagruimte. Ook hiervoor zitten verschillende projecten in de pijplijn.

Ik maak een overstap naar de Norfolkline. Ze gingen weg omdat de schepen te groot werden. Zijn naar Vlaardingen gegaan. Zeshonderd banen weg. Veel laaggeschoold. Ik vraag Segeren of je dat soort banen weer terugkrijgt. Segeren zegt dat het om een probleem van de hele stad gaat. Den Haag heeft weinig banen in de logistiek of in productie. Dus zoeken we naar andere sectoren. En het is moeilijk om als je heel lang een ambtenarenstad bent geweest om zo maar een andere sector aan te trekken. Toerisme zou een kans kunnen bieden. Veel instapbanen. Je kan vaak gisteren daar al beginnen. Maar voor iedere baan heb je bepaalde vaardigheden nodig. De uitdaging is tweeledig. We hebben een bestand van mensen in een uitkering die moeten worden geactiveerd. En we hebben werkgelegenheid nodig voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Je moet dat goed uit elkaar houden. Als je een hotel bouwt heb je mensen nodig die de was doen, die de kamers schoonmaken. Maar of dat mensen zullen zijn die nu een uitkering hebben in Den Haag, is maar zeer de vraag.

En naast die prioriteiten heb je natuurlijk het toerisme. Ik vraag naar de synergie tussen haven en toerisme. Segeren vertelt over de kleinere cruiseschepen die de gemeente naar de stad wil halen. Lost het probleem van de werkloosheid niet op, maar het levert wel wat op. Daarnaast is Scheveningen een Tallship-friendly port. Daarnaast heeft die haven veel evenementen. De Volvo Ocean Race die hier gaat finishen. Dat leidt tot veel drukte en veel bestedingen in de stad.

We gaan in ons gesprek terug naar de mogelijke spanning tussen wonen en bedrijvigheid in de haven. Segeren beaamt dat. Milieuzones geven grenzen aan. Ook toerisme kan overlast geven. De visserij is niet het probleem. Dat hoort bij Scheveningen. Maar ja, het gaat ook om de werkelijke stank en het werkelijke geluid en de perceptie van de stank en de perceptie van het geluid. Ja, het ruikt hier naar vis en naar zee! Als ik er kom ruik ik het wel. Maar ik denk ook: ik ben weer op de mooiste plek van Den Haag!

Maar die spanning, ja, daar heb je een bestemmingsplan voor. En iedere overheid krijgt klachten. Dus ook over laden en lossen op verkeerde tijdstippen. Maar er zijn meer klachten over de hoogbouw van de woningen dan over de haven! Het gaat om het eigen uitzicht. Maar we hebben geen recht op uitzicht in Nederland. Scheveningers die klagen over al die nieuwbouw en over de bereikbaarheid. Maar er wordt ook veel nieuwbouw erg fraai gevonden. Een rondje lopen in de haven wordt belangrijk gevonden. Tegelijkertijd moeten sommige delen van de haven soms worden afgesloten. Het is een zeehaven. Voor de veiligheid moet je soms kades afsluiten bij laden en lossen. De douane wil zicht hebben op de drugs etc. Zo is dat nu eenmaal. Dus je kan niet altijd het ‘rondje haven’ lopen.

Ik wil afronden met de vraag wat een gemeente kan en wat een gemeente niet kan in dit soort ontwikkelingen. Segeren zei al: je kan het vooral verpesten. Segeren verwoordt het ook nog anders: Gemeentelijk beleid is een noodzakelijke voorwaarde voor economische ontwikkeling van de stad, maar geen voldoende voorwaarde. En soms komt het nieuwe bedrijf geheel uit zichzelf, maar dan moet je het toch nog weer vaak ruimtelijk faciliteren. Een bestemmingsplan geldt voor heel Nederland. Maar het is duidelijk: de gemeente zorgt niet voor werkgelegenheid, maar de bedrijven zorgen voor werkgelegenheid. Maar we kunnen die bedrijven wel helpen om het ondernemen net iets makkelijker te maken. Bijvoorbeeld door te luisteren wat hun behoeften zijn. Dat heet accountmanagement. Je kan soms in geval van innovatie een subsidie geven. Je kan ze dus ruimtelijk faciliteren door een bedrijfsterrein te bestemmen terwijl je weet dat de verkoop van grond voor nieuwe woningen veel meer oplevert. En je kan bedrijven die er nog niet zitten enthousiast proberen te maken. Vertellen over de kwaliteiten van die plek. En als dat verhaal kloppend is, kan je daarin succesvol zijn. Veel koffiedrinken, wat je ook moet doen in zo’n gebied, is op zich niet voldoende.

Persoonlijk trek ik de conclusie dat alleen om die reden de haven van Scheveningen toekomst heeft. Want Segeren heeft een kloppend verhaal.

 

De vertrouwenscommissie als ultieme achterkamer

september 1, 2017 by  

Er is weer gedoe rondom burgemeestersbenoemingen. In Den Haag lekte vorige maand uit welke twee kandidaten niet waren benoemd: Plasterk en Marcouch. De twee namen werden door een  duo-raadslid via twitter publiek gemaakt. Of de man de waarheid heeft gesproken weten we niet. Want dat zouden we aan de vertrouwenscommissie moeten vragen en die mag niks zeggen. Ergo: we weten niet eens of er is  is gelekt uit de vertrouwenscommissie. En of een lid van de commissie daarmee een strafbaar (!) feit heeft gepleegd.

Deze week werd een raadslid uit Den Bosch van zijn bed gelicht, omdat hij ervan wordt verdacht uit de vertrouwenscommissie te hebben gelekt. We weten inmiddels dat de  voorkeurskandidaat van de commissie, Jan Hamming, op het laatste moment toch voor het burgemeestersambt in Zaanstad zou hebben gekozen. En aldus werd nummer twee de burgemeester van Den Bosch: Jack Mikkers. Er werd schande van gesproken. Maar wat is erop tegen om naar twee gemeenten tegelijk te solliciteren? Bij de sociale dienst moet je wel twee keer per week solliciteren, om voor een uitkering in aanmerking te komen.

Ja, als we het over vertrouwenscommissies hebben gaat het vooral over lekken en over strafbare feiten. Lekken uit de vertrouwenscommissie hoort niet en is verboden. Maar eigenlijk is dat de wereld op zijn kop. Waarom hoor ik nooit de legitieme vraag naar verantwoording? Is het niet meer dan logisch dat wij, burgers, mogen weten welke kandidaten zijn afgewezen. En wat daarvan de reden is. Draait nu in Arnhem inderdaad de PvdA-banen-carrousel? Of was Marcouch inderdaad de beste, nadat hij mogelijkerwijs in Den Haag is afgewezen? En was Jack Mikkers inderdaad de beste kandidaat, nadat Jan Hamming was afgevallen? Ja, dat willen wij weten. En daarom moeten we iedereen die ons meer verteld over wat er in de vertrouwenscommissie is besproken, alleen maar dankbaar zijn.

Eigenlijk is het bizar wat hier gebeurt. Burgemeesters worden tegenwoordig de facto door de gemeenteraad gekozen. Beter gezegd: door de vertrouwenscommissie uit de gemeenteraad. Dat werd enige decennia geleden nog gevierd als democratisering van de burgemeestersbenoeming. Niet het Rijk moest bepalen wie de nieuwe burgemeester werd, maar de gemeente zelf. Het zij gezegd: daarmee is winst geboekt. Beter een lokale vertrouwenscommissie dan een landelijke carrousel van politieke partijen die onderling gemeenten verdelen.

Maar toen burgemeesters nog door het Rijk werden benoemd, waren we wel veel beter op de hoogte van de namen van de kandidaten. Oké, er werd geen verantwoording afgelegd over de benoeming, maar de benoemers wisten wel dat we meekeken. We hadden ons met zijn allen kunnen afvragen of Plasterk het burgemeesterschap van Den Haag na een onzichtbaar ministerschap van Binnenlandse Zaken had verdiend. We hadden ons met zijn allen kunnen afvragen of het zwakke burgemeesterschap van Pauline Krikke in Arnhem een goede basis was voor het burgemeesterschap in Den Haag. Het was een gebrekkige transparantie, maar een beetje transparant was het wel.

Sinds de democratisering van de burgemeestersbenoeming tot stilstand is gekomen met de ‘verworvenheid’ van een vertrouwenscommissie weten we niets meer. Ja, we weten wie is benoemd. Maar waarom hij of zij wordt benoemd en wie de andere kandidaten waren blijft geheel duister. Als we nu over achterkamertjes willen spreken, laten we dat dan hier doen. Zo vind je ze nergens. Lekken uit deze achterkamer is zelfs wettelijk verboden en strafbaar. Met als bijzonder effect dat er tegenwoordig veel minder gedoe is over burgemeestersbenoemingen dan twintig jaar geleden. Ja, omdat het strafbaar is om iets te weten.

En waarom mogen we niks weten? Omdat de politieke partijen ongezien willen uitmaken wie onze burgemeester moet worden? Of is het ‘grote’ probleem dat kandidaten kunnen worden beschadigd als ze de eer aan een ander moeten laten. Dat zou vooral voor solliciterende burgemeesters uit andere gemeenten moeten gelden. Maar zou het niet bij een publieke functie horen dat je publiek wordt beoordeeld?

Al met al: het wordt hoog tijd dat we die democratisering van de burgemeestersbenoeming weer ter hand gaan nemen. Er is nog een lange weg te gaan naar een werkelijk openbaar debat over de keuze van de burgemeester. En dat openbare debat moet niet in de gemeenteraad worden gevoerd, laat staan in een vertrouwenscommissie. Dat moet een publiek debat zijn onder burgers, die zelf mogen bepalen wie hun nieuwe burgemeester wordt. Lang leve de gekozen burgemeester.

 

[verscheen in de Volkskrant van 1 sept 2017]

 

Het succes van Eindhoven fascineert

juni 19, 2017 by  

 

Gesprek met Robert Elbrink, hoofd Strategie van de gemeente Eindhoven

Eindhoven ontwikkelt zich razendsnel. Groot Eindhoven (Zuid-Oost-Brabant) kreeg er tussen 2010 en 2015 (december) 11.000 banen bij. Vergelijk dat met Groot Rotterdam of Groot Den Haag, die in dezelfde periode 19.000 banen verloren [bron Statline CBS]. Oké, Groot Amsterdam is hors categorie met een winst van 64.000 banen. Maar het is duidelijk dat Eindhoven zeer floreert. Men is het ‘vertrek’ van Philips en het einde van DAF al lang te boven. Wie aan Eindhoven denkt, denkt tegenwoordig aan ASML, de grote wereldspeler op het terrein van chipsmachines. En aan de Design Academy. En aan de TU/e.

Maar wie de literatuur over stedelijke economie een beetje kent, houdt daaraan toch een heel ander beeld over. Ik zeg met nadruk ‘een beetje’. Die theorie komt er plat gezegd op neer dat vooral steden met ‘amenities’, met een aantrekkelijk woon- en leefklimaat, met veel voorzieningen, het tegenwoordig goed doen. In feite zijn de bedrijven footloose geworden (ze hoeven niet meer aan een kanaal te liggen om grondstoffen aan te voeren en producten af te voeren). Daarom trekken mensen niet meer naar bedrijven, maar trekken bedrijven naar mensen toe. In het wetenschappelijke jargon: werken volgt wonen in plaats van wonen volgt werken. Dus vooral steden waar het aangenaam wonen is, die veel voorzieningen hebben en veel mooie woningen, zouden het economisch goed moeten doen. Dat geldt zeker voor Amsterdam, hoewel het succes van Amsterdam zo langzamerhand in zijn tegendeel begint te verkeren. Amsterdam wordt te druk en te duur. Maar het is vooral zo duur omdat iedereen daar wil wonen. En omdat iedereen daar wil wonen zijn er veel bedrijven en omdat er veel bedrijven zijn wil iedereen er wonen.

Eindhoven heeft een ander woon- en leefklimaat. De woningprijzen liggen veel lager. Er is geen historische binnenstad. Er is geen binnenstad waar velen willen wonen. Er zijn veel minder culturele voorzieningen. In de terminologie van Gerard Marlet is Eindhoven geen ‘aantrekkelijke stad’. En toch doet Eindhoven het zo goed. Het is maar weer eens een bewijs dat de werkelijkheid complexer is dan een simpele theorie. Misschien is Eindhoven wel bij uitstek een stad waar niet ‘werken’ ‘wonen’ volgt, maar ‘werken’ ‘werken’. De dynamiek van de bedrijven trekt nieuwe bedrijven aan.

Er is nog een andere reden waarom Eindhoven zo interessant is. Eindhoven heeft een zeer succesvolle campus, de High Tech Campus Eindhoven. Het is bekend dat elke gemeente tegenwoordig een campus wil. Daarom is het goed om te bekijken waarom succesvolle campussen zijn ontstaan.

Om deze twee redenen spreek ik met Robert Elbrink. Elbrink is al enige tijd de hoofdstrateeg van de gemeente Eindhoven. Zijn strategische afdeling ‘hangt’ onder de Directieraad van de gemeente. Hij werkt als niet-Brabander al lang bij de gemeente Eindhoven, de laatste zeven jaar als hoofd van de afdeling Strategie. Hij kent de gemeente van binnenuit en is nog steeds in staat om het reilen en zeilen van de gemeente op enige afstand te observeren. Een ideale gesprekspartner al met al.

Eindhoven is ontdekt als stad met spannende dingen

Ik vraag Elbrink hoe het op dit moment met Eindhoven gaat. Je wilt zo’n gesprek nu eenmaal vriendelijk beginnen. Het antwoord is dat ook. Elbrink: Economisch gaat het goed. Bedrijven, zeker de high tech bedrijven, draaien als een tierelier. Maar als het gaat om de vraag: profiteert iedereen ervan, dan liggen er nog wel wat uitdagingen. De arbeidsmarkt heeft altijd vertraging ten opzichte van de economie. We moeten opletten of de werkgelegenheid gelijke pas houdt met de economie. Elbrink ziet ook dat het heel goed gaat met belangstelling voor Eindhoven. ”Eindhoven is de afgelopen jaren ontdekt als stad waar spannende dingen gebeuren”. Hij ziet het in de media, maar je ziet het ook in de Tweede Kamer waar gedebatteerd wordt over het einde van het mainportbeleid (de haven van Rotterdam en Schiphol als drijvende krachten van de Nederlandse economie) en waar nadrukkelijk wordt beseft hoe belangrijk de high tech en de industrie van Eindhoven tegenwoordig voor Nederland zijn. Door Eindhoven en de regio daaromheen kan Nederland echt meespelen op wereldniveau met high tech en industrie. “Die bedrijven hier hebben een grote toegevoegde waarde. Als je naar die machines van ASML kijkt en al die toeleveranciers, bijvoorbeeld. Het aantal banen groeit hier nog steeds. Grote vraag naar ICT-ers natuurlijk. Technische vakmensen. Daarom investeren we ook samen met andere gemeenten in programma’s om expats aan te trekken. Hoe zorg je ervoor dat je het aantrekkelijke vestigingsklimaat hebt dat de mensen komen die je hier echt nodig hebt. En hoe kunnen we hun partners, die ook vaak hoogopgeleid zijn, hier ook aan het werk krijgen?”

Ik vraag aan Elbrink waarom Eindhoven toch zo’n groot succes is. Hij zegt: Combinatie van factoren. De tijdgeest. Technologie is ‘in’, technologie is niet meer eng. Nerds zijn zelfs hip. Industrie is niet meer vies. Uniek aan Eindhoven is ook de combinatie van high tech en creatief. Die combinatie komt niet zoveel voor in de wereld. Design Academy is motor en magneet voor creatief talent. En die mensen blijven steeds meer in Eindhoven werken als ze zijn afgestudeerd. In Strijp S, en dat soort gebieden met industrieel erfgoed. Dat geeft een zelfversterkend effect. En er zijn mogelijkheden om high tech en creativiteit fantastisch te verbinden. Denk aan wearables: Enthousiast vertelt hij dat ook de gemeente al een designer in dienst heeft. Vooral om te bedenken hoe ze maatschappelijke vraagstukken en complexe multi-stakeholders vraagstukken beter kunnen oplossen. “We moeten leren om te denken vanuit de mensen voor wie je het doet. Anders dan de standaard beleidscyclus. Waarbij we na een paar jaar constateren dat het niet werkt en dan weer opnieuw beginnen”.

Het toeval van Eindhoven

Ik wil verder terug naar de oorsprong van het succes. Elbrink vat het helder samen. Eindhoven is een succes geworden door twee toevalsmomenten. Philips koos aan het einde van de negentiende eeuw voor Eindhoven en niet voor Breda. En in de jaren 90 werd besloten om het gebied van het NatLab open te stellen. Dat heeft het succes van Eindhoven bepaald. Historische toevalstreffers die je niet kan herhalen. Als Philips niet was gekomen was Eindhoven nog steeds een gezellig Kempisch dorp met een mooie markt en met carnaval. Net zoals Eersel of Oirschot. Daar kan je prachtig wonen, dichtbij heidegrond. De echte groei kwam met Philips.

Door de beslissing om het NatLab-gebied open te stellen zijn we enorm verbreed. Natuurlijk, Philips er zelf ook nog. En het bijzondere is dat de grote bedrijven bijna allemaal wortels hebben in Philips. “ASML is in 1984 begonnen als joint venture van ASMI en Philips en leek niet kansrijk”. Philips dacht: dat kan nooit wat worden. Boonstra heeft heel veel afgestoten. En veel van die bedrijven zijn zelfstandig een succes geworden. Waarschijnlijk omdat ze zelfstandig veel meer focus konden aanbrengen. Ook de bedrijven die later weer zijn overgenomen door VDL. En dan krijg je weer nieuwe toeleveringsbedrijven. Ook heel veel ingenieurs in Eindhoven hebben nog hun wortels in Philips. Mensen die goed met elkaar kunnen samenwerken omdat ze bij Philips op school hebben gezeten en dezelfde taal spreken.

Ja, dat openstellen van het NatLab gebied is een cruciaal moment geweest. Op basis van open innovatie model. Van een gesloten vesting naar een levendig high tech researchpark. Met nu meer dan 100 bedrijven en kennisinstellingen. Vroeger was het echt afgesloten. Je kwam daar niet. De gedachte van een Strip als ontmoetingsplek met allerlei facilities heeft erg bijgedragen aan de interactie op dat gebied.

Natuurlijk heeft uiteindelijk Philips zelf besloten om het NatLab open te stellen. Het was in de tijd dat Philips besloot om het hoofdkantoor naar Amsterdam te verplaatsen. De gemeente heeft er wel sterk op aangedrongen om de research in Eindhoven te verankeren. Toen heeft Philips veel geld geïnvesteerd om de Campus te ontwikkelen. En toen kwam het besef dat dit soort gebieden veel rendabeler worden als anderen er ook gebruik van kunnen maken. Je kan ook niet meer alle kennis en innovatie in één bedrijf houden. Je moet dus ketens ontwikkelen. Philips floreert daar zelf ook nog. Weinig mensen weten ook dat het hoofdkantoor van Philips Lighting hier in Eindhoven zit, niet in Amsterdam. Ach, wij zeggen altijd: Philips is weggegaan met 200 man. De directie en de marketing. Het hart is hier gebleven. De research, de kennis en kunde, de ingenieurs, die zijn hier nooit weggegaan. Bijzonder is dat je bij Eindhoven tegenwoordig eerder denkt aan ASML. Maar ja ASML bepaalt het tempo van Silicon Valley. Dat is de tijdgeest.

Ontkent Eindhoven de theorie of voorspelt de theorie het einde van Eindhoven

Het wordt tijd om Elbrink de vraag voor te leggen waarom Eindhoven niet aan de theorie voldoet. Eindhoven is toch veel te klein voor wat er allemaal gebeurt. En het is toch helemaal niet genoeg? Hoe kan het hier zo goed gaan, terwijl het hier toch veel minder aantrekkelijk is om te wonen dan in Amsterdam of Utrecht? Elbrink kan voor twee antwoorden kiezen. Of: die theorie deugt niet, of: het is maar de vraag hoe goed het gaat.

Elbrink kiest eerst een defensieve variant. Hij zegt: Dat hangt ook van je woonwensen af. Amsterdam is te vol en te duur. Je kan hier tegen een redelijk prijs een grondgebonden woning redelijk dicht tegen het centrum aan kopen. Maar dan zegt hij dat je ‘amenities’ op verschillende manieren kan definiëren. “Onze cultuurvoorzieningen zijn abominabel. Wij krijgen daarvoor ook bijna niets van Den Haag, in vergelijking met andere steden”. Ik probeer het even: die nerds hebben blijkbaar geen cultuur nodig. Daarin gaat Elbrink niet mee: Dat weet je pas als die voorzieningen er zijn. Ik dring aan: Maar de praktijk bewijst dat jullie je gewoon zo fantastisch kunnen ontwikkelingen met die € 1,53 per inwoner voor cultuur van het Rijk. Elbrink houdt stand. Niet voor niets heeft Eindhoven de laatste jaren in Den Haag gelobbyd voor meer culturele voorzieningen in de stad. Hij zegt: “Nee, het piept en kraakt”. We hebben sinds 2008 echt moeten bezuinigen. We hadden voor die tijd relatief goede voorzieningen op gebied van sport, cultuur, theater, denk aan de Effenaar. Dat was best veel voor een stad van deze omvang. Maar toen we moesten bezuinigen, werden al die voorzieningen heel kwetsbaar.

We hebben het alle voorzieningen zelf kunnen opbouwen door onze snelle groei. Heidegrond, schapen eraf, huizen erop zetten. En dat leverde heel veel geld op. Maar we zijn door onze grond heen. Toen hebben we het kabelbedrijf verkocht en een energiebedrijf voor 800 miljoen. Onze aandelen in het Bouwfonds verkocht. In 2008 viel onze bouw stil, we hadden de mooiste dingen verkocht en het Rijk ging bezuinigen op het Gemeentefonds. Toen kwam de decentralisatie met enorme taakstelling erover heen. Het piept en kraakt. We hebben 70 miljoen op jaarbasis op de gemeentebegroting bezuinigd. Enorme druk op alle voorzieningen. Cultuur, sport. Aantal daarvan zijn omgevallen. We kunnen nu wel goed draaien. Maar mijn grote zorg is of we dat over 10 jaar nog doen na al die bezuinigingen. Is het bestendig genoeg? Elbrink zegt: Ik ben er nog niet van overtuigd dat de theorie niet klopt. Het kan een hippe hype zijn, wat er nu gebeurt. Maar ik vraag me serieus af of het publieke fundament van Eindhoven wel sterk genoeg is voor de toekomst.

Oké, hij geeft wel iets toe: Wij zijn een heel andere stad, dat is waar. We hebben geen debatcentrum. Als je in Amsterdam twee mensen bij elkaar zet, dan heb je een debat. Als je hier twee mensen bij elkaar zet heb je een prototype. Maar we missen dat debatcentrum toch echt. Dat hoor je ook van mensen. We zijn wel een stad van meer dan 200.000 inwoners. Daar hoort debat bij.

Succes zonder bereikbaarheid

De theorie over regionale economie stelt bereikbaarheid centraal. En ook daar is Eindhoven al weer zo atypisch. Ze hebben een klote-klein vliegveld. Vergelijk dat met Schiphol. Ze klagen over de verbindingen met Duitsland. Die theorie klopt wel. Bereikbaarheid is heel belangrijk voor een regionale economie. Maar hoe kan het dan dat jullie bereikbaarheid naatje is, en dat je het toch geweldig doet? Elbrink: ik ben er gewoon niet gerust op dat we de toekomst op orde hebben. Ik ben wel blij met die theorie om aan te tonen dat er wat moet gebeuren. Ook bedrijfsleven vraagt erom. Het is wel kwetsbaar. In het verleden hadden we altijd zelf genoeg geld om als er een probleem was, om het probleem ook zelf te fiksen. We hadden altijd heel veel geld. En dat is de afgelopen vijf jaar duidelijk minder. Daar zie je de kwetsbaarheid ontstaan. Voorbeeld: Automotive moest naar Helmond, hebben we een miljoen bij gelegd. Europa vraagt ook vaak om cofinanciering vanuit Europa, dan heb je geld nodig. Dat ging allemaal hartstikke makkelijk. Maar dat gaat niet meer. Daar word ik nerveus van. We hebben niet meer de kracht om het zelf alleen te fiksen.

Een katholieke stad met een Philips-cultuur

Tot slot spreek ik met Elbrink over de rol van de overheid. Is die economie echt wel te beïnvloeden. Elbrink meent ten eerste dat Rijk, provincie en gemeente hun eigen verantwoordelijkheid hebben. Maar altijd samen moeten optrekken. Hij heeft niets met de gedachte “je gaat erover of je gaat er niet over”. Dat staat haaks op de praktijk.

Hoe belangrijk is het Rijksbeleid voor de stad? Elbrink: Het stimuleren van innovatie is belangrijk. Bedrijven hebben daar veel plezier van. Dat soort beleid is cruciaal. Arbeidsmarktbeleid ook. Dat is allemaal generiek beleid, voor alle bedrijven in het hele land. Maar als het alleen om Eindhoven gaat, ziet Elbrink toch vooral dat de G4 royaal bediend worden en dat Eindhoven als grootste van de kleintjes de kruimels krijgt. “Dat is een hardnekkig restant uit de jaren 90. Ik gun die G4 dat wel. Maar die cesuur is vreemd.”

Daarom is Elbrink blij met de introductie van het brainport-begrip in 2004 in de Nota Ruimte. Ik daag hem uit: wat heb je nu aan zo’n begrip. Ik begrijp dat ik niet te snel en te veel moet willen. Praten over ‘brainport’ betekent de eerste herwaardering van economische sectoren die niet over bloemen en vrachtwagens gingen. De verandering markeren. “We werden herkend en erkend door Den Haag.” Daarna is het een kwestie van lange adem. Elbrink hoopt dat het nieuwe denken op termijn leidt tot andere verdeelmodellen. Want: “Als er cadeautjes worden uitgedeeld zie je altijd dat de eerste cadeautjes naar de G4 gaan”. Dat soort logica doorbreken is een zaak van lange adem. Roept ook veel weerstand op, gaat om belangen. Gelukkig zien we in trajecten als REOS en het rapport “Maak Verschil” van de studiegroep Openbaar bestuur ontwikkelingen die beter aansluiten bij de logica van deze tijd. Het gaat om economische kerngebieden waar het geld verdiend wordt.

Wat is de rol van de gemeente? Ik hoor Elbrink meermalen zeggen: “even helpen”. Even wat geld bijleggen. Hier aan het Stadhuisplein wordt de dienst niet uitgemaakt. Maar we kunnen wel helpen. Dat is de bestuurscultuur die dateert uit de tijd van Philips, die hier wel alles bepaalde. Er is hier geen cultuur van ‘we run this city’. Lange traditie met veel maatschappelijk initiatief, veel stakeholders. Daarmee cijfer ik de gemeente niet weg. Als organisatie kent de gemeente iedereen. Zo kunnen wij mensen met elkaar in contact brengen. We kunnen de smeerolie zijn. Soms brengen we bedrijven met elkaar in contact. Vaker brengen we bedrijven en maatschappelijke instellingen met elkaar in contact. En we zijn voor de funding natuurlijk vaak belangrijk. Denk ook aan de Stichting Brainport, onze Economic Board, sinds 2011. Die vindt zijn oorsprong in de jaren 90. We hadden malaise bij Philips, en DAF. Burgemeester Rein Welschen haalde de mensen bij elkaar. Bedrijven, universiteit, gemeente. Zo is uiteindelijk de Brainport ontstaan.

We zijn een pragmatische stad, een pragmatisch gemeentebestuur. We lopen ze niet in de weg. Je moet je steeds afvragen: voegen we echt iets toe? Wanneer moet je even niks doen? Geen beleid maken. Ja, de gemeente hielp Philips groter worden. Dat is nog steeds onze cultuur. Natuurlijk denken we wel dat het uitmaakt wat we doen. Maar het is toch vooral actief faciliteren.

 

 

Wanneer het Rijk meerwaarde heeft

februari 23, 2017 by  

De steden zijn de motoren van de nationale economie. Goed functioneren van steden is dus in het nationale belang. Alle reden voor het Rijk om zich met de ontwikkeling van onze steden bezig te houden. Zie bijvoorbeeld de Agenda stad. Maar juist als je de ander wilt helpen, is het goed om helder te krijgen wat je bijdrage zou kunnen zijn. Waar ligt de kracht van het Rijk, waar ligt de kracht van de steden.

Ik begin met de steden. Ze hebben het grote voordeel van nabijheid. Ze hebben een grote kennis over lokale omstandigheden, ze beschikken over een lokaal netwerk en ze zijn (daarmee) in staat een groter draagvlak voor beleid te verwerven. Op al die punten scoort het Rijk lager. Op twee andere punten heeft het Rijk een evidente meerwaarde. Het Namelijk: wetgeving en geld. Daarnaast kan het Rijk soms lokale impasses doorbreken. Bestuurskundigen spreken hier over netwerkmanagement. Maar dat vergt wel speciale vaardigheden, waarover niet alle rijksambtenaren beschikken.

Ik concentreer me daarom op geld en regels. Maar ook hier is de meerwaarde niet op voorhand een gegeven. Het zijn zware instrumenten die niet zomaar worden ingezet. Dat roept de vraag op: onder welke omstandigheden zal het Rijk deze twee instrumenten inzetten? Dus wanneer heeft het Rijk echt meerwaarde?

Ik kom tot twee randvoorwaarden: urgentie en generieke behoefte. Als de urgentie wordt gevoeld, kan het Rijk tot grote daden komen. Dan kunnen er plotseling wetten worden veranderd en kunnen er nieuwe geldstromen gaan vloeien. Zie de fundamentele veranderingen van de woningmarkt in de afgelopen jaren of de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Ook op het gebied van energietransitie zijn nieuwe wetten in het vooruitzicht gesteld. Als de urgentie wordt gevoeld, heeft het Rijk dus echt meerwaarde. Daarom ben ik altijd beducht als het Rijk vooral wil faciliteren. Dat betekent dat het mee wil praten, terwijl nieuwe wetten en nieuw geld niet zijn te verwachten.

Daarnaast komen nieuwe wetten en nieuw geld er alleen als sprake is van een generieke behoefte. Alle werklozen krijgen een uitkering, alle slechte scholen krijgen meer geld en iedereen krijgt later AOW. Per definitie kan de overheid in een democratische rechtsstaat moeilijk omgaan met verschil. Natuurlijk is Amsterdam belangrijker voor onze welvaart dan Rotterdam, maar dat legitimeert de overheid nog niet om Amsterdam (opzichtig) te bevoordelen.

Het Rijk kan dus een duidelijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van steden. Met regels en geld. Maar het is van belang dat het Rijk zich op tijd afvraagt of aan de juiste randvoorwaarden is voldaan. Zonder urgentie en zonder generieke behoefte zal het Rijk in de regel alleen maar blijven meepraten. Zoals bekend kunnen veel mensen meepraten. Maar van de Rijksoverheid wordt meer verwacht. Meepraten zonder regels en geld in te zetten, zal dus gemakkelijk leiden tot frustratie bij de steden. Conclusie: Rijksoverheid doe waar je kracht ligt of laat de steden het zelf oplossen.

 

[Uitgesproken bij het afscheid van Aldert de Vries als projectleider Agenda Stad, 23 februari 2017]

Volgende pagina »