De demograaf en de stad

mei 13, 2019 by  

Clara Mulder is hoogleraar Demografie en Ruimte aan de Universiteit van Groningen. Ik spreek haar op 7 mei 2019 over de stad. Maar ik vraag haar eerst naar haar vak. Ik beschrijf in het onderstaande het gesprek, alleen specifieke uitspraken van Clara Mulder staan tussen aanhalingstekens.

Wat is demografie

Demografie gaat over de samenstelling van bevolkingen en over gebeurtenissen die die samenstelling beïnvloeden. Zoals: geboorte, sterfte en verhuizing. Maar het vak verbreedt. We krijgen steeds meer belangstelling voor (samenstelling van) huishoudens. We krijgen meer belangstelling voor kwalitatief onderzoek, naast de vele cijfers over geboorteoverschotten en vestigingsoverschotten. Maar het blijft altijd gaan om die bevolking.

Volgens de boeken heeft demografie geen formeel object, geen eigen manier van redeneren. Demografie kenmerkt zich door het materiële object: het onderwerp, namelijk de bevolking. Voor een verklaring voor de trends die demografen vinden, spelen ze vaak leentjebuur bij andere wetenschappen. Als economie, sociologie, geografie. In dat opzicht is demografie echt een interdisciplinaire wetenschap.

Toch blijkt in het gesprek dat ik met Clara heb vooral één ding: demografen hebben een heel eigen manier van redeneren. Als het om de stad gaat, start de analyse altijd met geboortes, sterftes, inkomende verhuizingen en uitgaande verhuizingen. En op basis daarvan is er een geboorteoverschot of een sterfteoverschot en een vestigingsoverschot of een vertrekoverschot. En altijd is er de factor tijd die die grootheden bepaalt. Een stad groeit niet alleen door de instroom van studenten, maar ook omdat de levensverwachting van mensen stijgt en mensen daarom later sterven. En als ik in een vraag een fout maak met cijfers: luidt het antwoord meteen: “Dat kan niet.” Demografen hebben in ieder geval iets met cijfers. 

Eenheid van analyse

Demografie gaat dus over bevolking. Maar waarnaar kijkt de demograaf nu specifiek? Naar de bevolking van een land, van een stad. Of naar het ‘demografisch’ gedrag van mensen? Kijken we naar geboorteoverschotten en vertrekoverschotten van steden of naar de levensloop van mensen (hoe vaak verhuizen ze van waar naar waar?). In het eerste geval is de bevolking binnen een bepaald territoir (in dit geval: van de stad) de eenheid van analyse, in het tweede geval het individu. Binnen de demografie spreken ze over de macro- en de micro-benadering. Clara is van de tweede benadering. In die micro-benadering ligt vaak de verklaring besloten van wat men op macro-niveau vindt. 

Macro kan niet zonder micro

Het leek mij dat het moeilijker is om gegevens van de levensloop van mensen te verzamelen, dan de geboortes en sterftes in een stad in een bepaald jaar. Maar tegenwoordig staan veel micro-data van het CBS ter beschikking van de onderzoekers, vanzelfsprekend zonder schending van de privacy. Allerlei registers zijn sinds 1995 aan elkaar gekoppeld. Bevolkingsregisters van gemeenten, gebouwenregisters, belastingregisters. Zo kan je mensen heel goed individueel volgen. 

Toch zijn die macro-cijfers op één of andere manier gemakkelijker te presenteren. Steden presenteren bijna altijd gegevens over wijken en niet over de levensloop van de mensen die in die wijken zijn geboren. Terwijl aan de universiteiten toch veel van dat laatste onderzoek wordt gedaan. Ook het SCP doet dit soort onderzoek. Je leest bijvoorbeeld dat het inkomen in een wijk is veranderd. Maar komt dat door selectieve instroom en selectieve uitstroom van mensen of omdat mensen meer of minder zijn gaan verdienen? 

Clara Mulder leert demografen om altijd op zoek te gaan naar de achterliggende dynamiek. Tegen studenten spreekt ze over de middelbare-schoolparadox. Gemeenten klagen soms over hun instroom die te laag is opgeleid en over het feit dat juist de beter opgeleide mensen vertrekken. Maar op een middelbare school zijn ze blij als ze hun leerlingen in die zes jaar veel hebben bijgebracht. Clara Mulder: “Het is niet erg voor een stad als middeninkomens vertrekken. Als je als stad je functie hebt vervuld.”

Is het echt een trend?

Het is opvallend dat demografen wel een heel eigen manier van redeneren hebben, maar dat ze nauwelijks definiëren wat een stad is. “Daar zijn we als demografen niet zo dogmatisch in.” Wel kijken ze naar verschillen tussen stedelijk en minder-stedelijk. En Clara Mulder doet nog wel eens een gevoeligheidsanalyse. Verandert het beeld als je niet alleen naar Amsterdam kijkt, maar ook naar de aangrenzende gemeenten? Voor een demograaf zijn zozeer niet steden van belang, als wel grenzen van steden. Je moet weten voor welk gebied je cijfers nodig hebt. 

En die cijfers zijn nog maar het begin. Het gaat vooral om de achterliggende dynamiek die ervoor zorgt dat de demografische kerncijfers veranderen. Als mensen later kinderen krijgen, dan groeit de bevolking minder hard. Als mensen daardoor langer in de stad blijven wonen, groeit de bevolking juist. Ook als mensen later dood gaan groeit de bevolking. Clara vat samen: “Uitstellen heeft een enorm effect op de stand van de bevolking op een bepaald moment.”

En altijd speelt de vraag: is hier sprake van een tijdelijke verandering of is er echt sprake van een trend? Heeft die achterliggende dynamiek een tijdelijk of een permanent karakter? Het brengt ons bij het onderscheid tussen cohort en leeftijd. Als mensen ouder worden en kinderen krijgen hebben ze de neiging om de stad te verlaten. Dat heeft niks met de generatie, het cohort te maken waaruit men stamt, maar alles met leeftijd(sfase). Maar het blijkt ook dat jongere cohorten langer in de stad blijven wonen. Misschien willen ze wel nooit meer vertrekken.

Wie vertrekt wanneer uit de stad

Op dit punt spreken we lang door. Clara Mulder ziet veel mythen. En volgens haar is het doorprikken van mythen een belangrijke taak van wetenschappers. Het is ook helemaal niet waar dat mensen teruggingen naar de stad. Mensen bleven er alleen langer omdat ze later kinderen kregen. Die behoefte aan een tuin is volgens Clara nog even groot als je kinderen krijgt. En er was een tijdelijk probleem in de crisis. In die tijd konden de mensen gewoon niet weg omdat hun huis onder water stond of omdat ze het gewoon niet konden verkopen. De trek uit de stad zou zijn gekeerd. Maar was helemaal niet waar. Toen de crisis voorbij was gingen ze gewoon weer wel. Dat verhaal van de stad als spons was maar een tijdelijk verhaal. 

Er is wel iets bijgekomen: de aantrekkelijkheid van de stad voor investeerders. Clara Mulder is soms bang voor een London-effect, waar de duurste wijken worden opgekocht. En waar nog maar nauwelijks wordt gewoond. Zover zijn we in Nederland nog niet, maar het zou haar niet verbazen als het op kleine schaal al aan het gebeuren is. 

In ieder geval is er binnenlands geen sprake van een vestigingsoverschot in de steden. Er is een vertrekoverschot. Wel is er een buitenlands vestigingsoverschot. En er is een geboorteoverschot. “Ik weet het niet precies waar dat vandaan komt. Men stelt het vertrek waarschijnlijk uit tot na de geboorte van het kind. Vertrekken uit de stad doen mensen rondom de geboorte van kinderen. Soms ervoor. Soms wachten ze tot erna. Hangt ook af van de woningmarkt. Bovendien worden geboortes nog steeds uitgesteld, maar dat houdt op een gegeven moment wel op. Maar er speelt toch ook nog wel iets anders. Ik denk dat mensen door uitstel van geboorten meer aan de stad zijn gehecht en daardoor meer het idee krijgen dat hun kind daar ook kan opgroeien. Steden hebben echt aan populariteit gewonnen. Het wordt niet meer gezien als onbehoorlijk om een kind in een stad te laten opgroeien. Ik ben zelf in Amsterdam opgegroeid, dat was toen heel normaal. Later ontstond met de suburbanisatie het beeld dat je een kind niet in de stad kon laten opgroeien. Dat is wel weer wat teruggedraaid. Ik denk dat ze tegenwoordig vooral later vertrekken. Maar ze vertrekken wel.”

Veel patronen

Die paar cijfers. Een geboorteoverschot, een buitenlands vestigingsoverschot en een binnenlands vertrekoverschot. Dat zijn de ‘grote’ steden in Nederland. En daarachter gaan allerlei patronen schuil. Zo kende lange tijd de meerderheid van de geboorten een migratieachtergrond, de laatste jaren is dat juist niet meer zo. Volgens Clara zijn er twee oorzaken. Ten eerste de herwaardering van de stad. Met de ‘bakfietsmoeder’. “Maar blijven die bakfietsmoeders ook nog in de stad als de kinderen pubers zijn? Als mensen maar even wachten en het kind nog krijgen in de stad heb je al een geboorteoverschot, maar na een paar jaar heb je weer vertrekoverschot van driejarigen. Ten tweede is de suburbanisatie bij de allochtonen pas de laatste jaren echt op gang gekomen. Ze gaan nu naar Almere. En krijgen daar hun kinderen. 

Natuurlijk zijn er ook dwarsverbanden tussen buitenlandse en binnenlandse migratie. Expats gaan vaak weer terug, hoewel er meer in komen dan er uitgaan. Maar ze kunnen na verloop van tijd ook doorverhuizen naar een huis in de regio. Zoals jongeren uit de regio naar de stad gaan en kunnen doorverhuizen naar het buitenland. Alle patronen komen voor. Het gaat altijd om de relatieve omvang.

En nu de sterfte nog. Sterfte is in grote steden vaak laag omdat mensen al eerder vertrekken en er komen er niet veel meer terug op latere leeftijd. Maar leeftijdsspecifiek zijn er signalen dat de sterfte hoger is in steden. Vanwege fijn stof onder andere. Sharon Dijksma wil de benzineauto’s uit Amsterdam weren omdat mensen daar 1 jaar korter zouden leven. “Ik denk wel dat het klopt.” 

De laatste zin typeert deze boeiende én bescheiden wetenschapper!

[tekst voor het boek De schaduw van de stad]

Deel dit bericht:

De schaduw van de stad

april 9, 2019 by  

Parijs wordt te duur, Bordeaux heeft de toekomst. Zo meldt de Volkskrant van vanmorgen. Kranten zijn dol op nieuwe trends. Je moet dus altijd voorzichtig zijn met dat soort berichten. Zo valt het me op dat Parijs in de bijbehorende grafiek 2 miljoen inwoners heeft tegen Berlijn bijna 4. Daar worden blijkbaar appels met peren vergeleken. Toevallige gemeentegrenzen versus agglomeraties. En de simpele vraag waarom Parijs zo duur wordt, komt niet aan de orde. Zou het iets te maken kunnen hebben met het feit dat heel veel mensen daar willen wonen. En dat met name de hoogopgeleide hogere inkomens daar willen wonen? Zo slecht zal het er dus toch niet zijn. 

Toch gedijt het bericht op een nieuwe onderstroom. Na alle succesverhalen over de steden (de Triomf van de stad) begint aandacht te komen voor de achterkant van die Triomf. Voor het feit dat de middeninkomens de steden worden uitgedreven, nadat de lagere inkomens al veel eerder in hun banlieus zijn opgesloten. Dat gentrificatie niet alleen betekent dat er meer plek voor hogere inkomens, maar dat ook lagere inkomens zijn verdreven. Dat niet alle steden even populair zijn. En dat een gebrek aan opleiding een steeds grotere handicap wordt. 

Maar het is niet alleen aandacht voor de andere kant van de medaille, het lijkt er ook echt op dat het omslagpunt soms is bereikt. Huizen in de steden worden niet alleen onbetaalbaar duur (althans voor velen), ze worden ook een beleggingsobject. Toeristen brengen niet alleen steeds meer geld in het laatje, maar verstoppen ook delen van de stad. De groei van de infrastructuur kan de groei van de mobiliteit niet meer bijbenen. Het grote aantal nationaliteiten geeft bij groepen autochtonen een ontheemd gevoel. 

Ik weet het: al die nadelen zijn minder sexy dan de Triomf van de stad, met al zijn expats, kenniswerkers, valley’s en campussen. Over dat laatste worden veel gemeentelijke nota’s geschreven. Maar het is de vraag of dat juist is. Want hoeveel invloed heeft de lokale overheid op de Triomf van de stad? Het zou best eens kunnen zijn dat de lokale overheid veel meer kan doen aan het tegengaan van de schaduw van de stad. 

En daarmee is de titel van mijn nieuwe boek genoemd. De schaduw van de stad. Ik zal hier de komende tijd regelmatig teksten publiceren die onderdeel zijn van dat project. Correcties en commentaar zijn van harte welkom. 

Deel dit bericht:

Zijn provinciale verkiezingen voor provincialen

maart 18, 2019 by  

“Overheid, geef de provincie goed vervoer.” Het is de kop van een artikel van Franca Treur in de NRC  van afgelopen zaterdag. Ze is gevraagd om iets over de provincie te schrijven, zo vlak voor de verkiezingen voor de Provinciale Staten. Voor Franca is de provincie blijkbaar het achterland. Ze beklaagt zich vooral over de reistijden naar Zeeland. De koppensneller begrijpt meteen welke titel bij het artikel past: “Overheid, geef de provincie goed vervoer.” De provincie, dat gaat over dorpen die krimpen, over het landelijk gebied, dus over het achterland van Nederland. Vraag een Amsterdammer naar de ‘provincie’, en hij zal het daar helemaal mee eens zijn.

Alle media, ook de NRC, hadden weken lang moeite gedaan om aandacht te schenken aan de verkiezingen voor de Provinciale Staten. Er werd gesproken over de identiteit van de provincie. Die meestal niet bestond. Er werd gesproken over het belang van het provinciaal bestuur. Er werd ons uitgelegd dat de provincie gaat over ruimtelijke ordening, over wonen en over regionale economie. Maar iedereen die iets van het openbaar bestuur weet, weet dat de provincie gaat over de ruimtelijke ordening van de dorpen, over het wonen in de dorpen en dat de steden trekkers zijn van de regionale economie. En dat de steden zich weinig aantrekken van de provincie. 

Je ziet zo’n redactievergadering van de krant voor je. Hoe verslaan we dit jaar de Provinciale Statenverkiezingen? Een 60-jarige redacteur zegt dat de democratie belangrijk is en verzandt in een verhaal over Wilders, Baudet, Trump en Bolsaro. De anderen begrijpen zijn verhaal niet helemaal, maar begrijpen wel dat ook die verkiezingen voor de Provinciale staten iets met onze democratie te maken hebben. Dus komt er een serie over alle provincies. De twaalf provincies worden over twaalf stagiaires verdeeld. 

Dan is het werkelijk komisch dat in het laatste weekend voor de verkiezingen de provincie weer is, wat het altijd was: het achterland. In diezelfde krant stond ook al een samenvatting van al die schitterende verhalen over al die schitterende provincies. De belangrijkste conclusie: de burger voelt zich verbonden met zijn plek, met zijn stad, met zijn dorp, met zijn polder, met zijn kanaal, maar niet met een provincie. De provincie is van niemand. 

Toch verdient het pleidooi van Franca Treur weerwoord. Haar verhaal is typisch het verhaal van een stedeling die elk half jaar heel veel tijd kwijt is om haar ouders in Zeeland te bezoeken. ‘Wij’ gaan op de fiets naar Hoppe en het Concertgebouw. ‘Wij’ brengen onze kinderen in de bakfiets naar het Barleus. Maar al die mensen ‘in de provincie’ vinden het helemaal niet erg ze zo ver van de stad wonen. Daarmee zijn ze ook zalig onbereikbaar voor al die praatjes-makende stedelingen, die met hun praatjes vooral onze rust verstoren. Nee, het zou inderdaad goed zijn als bij de Provinciale Statenverkiezingen alleen de provincialen komen stemmen.

Deel dit bericht:

Wethouder Adriaan Visser als symptoom van zieke cultuur

februari 12, 2019 by  

Adriaan Visser heeft zijn conclusies getrokken. Hij stapt op als wethouder van Rotterdam, omdat publiek is geworden dat hij (vertrouwelijke) stukken naar de pers heeft gelekt. Het was een (doorzichtige) poging om een onderzoek van de lokale rekenkamer te neutraliseren. Inmiddels is bekend geworden dat ook anderen bij dit lekken betrokken waren. Een raadslid, en mogelijk een andere wethouder. Hier lijkt sprake van een strategie. Het lek van Visser als symptoom van een zieke cultuur.  

De gemeente Rotterdam heeft een uitstekende lokale rekenkamer, met Paul Hofstra als een uitstekende directeur. Het fenomeen van de lokale rekenkamer bestaat nog niet zo lang. Met als doel: het toezicht op het gemeentelijk bestuur te versterken. Alles wat niet door de gemeenteraad wordt gezien (of door tijdgebrek blijft liggen) kan door de lokale rekenkamer worden opgepakt en worden onderzocht. Hoera, voor de lokale democratie. 

Vanzelfsprekend kan er enige spanning ontstaan in de relatie tussen een lokale rekenkamer en het College van Burgemeester en Wethouders. Iedereen weet dat toezicht belangrijk is, maar niet altijd leuk. Juist daarom moet een College van B&W de eigen rekenkamer altijd met respect behandelen. En blijven uitdragen dat de lokale rekenkamer nuttig werk doet, ook als de conclusies politiek even niet uitkomen. In Rotterdam schort het daar al jaren aan. Vorig jaar dreigde het college zelfs naar de rechter te stappen om de publicatie van een concept-rapport van de Rekenkamer (dat vernietigend was over de beveiliging van burgemeester Aboutaleb) tegen te gaan. Ja, men heeft op het stadhuis in Rotterdam blijkbaar soms een opmerkelijke democratie-opvatting. 

Zo was het ook geenszins verrassend dat het Rotterdamse College onlangs weer frontaal de aanval zocht met de lokale rekenkamer. Dit keer ging het om een onderzoek naar het Schieblok (nabij Rotterdam CS), waar vele miljoenen overheidsgeld zijn verdampt door discutabel gemeentelijk beleid. Toeval wil dat dezelfde Visser indertijd als topambtenaar van de gemeente Rotterdam directe bemoeienis met het Schieblok had. Een bemoeienis die dus weinig succesvol is geweest. 

Natuurlijk, het was pijnlijk, het was ingewikkeld. Het was moeilijk om te verdedigen in de gemeenteraad. Maar in plaats van zich voor te bereiden op het debat met de gemeenteraad besloot Visser (en besloten anderen?) om het onderzoek van de Rekenkamer in een kwaad daglicht te stellen door vertrouwelijke stukken naar de pers te lekken. Met name om het negatieve beeld over topambtenaar Visser te doen kantelen. Dit was dus niet voor het eerst, het was een patroon. Alles leek ook dit keer geoorloofd om de lokale rekenkamer het werken onmogelijk te maken. Zelfs georganiseerd lekken van vertrouwelijke stukken. Let wel: de lokale rekenkamer is een onafhankelijk orgaan dat een belangrijke functie vervult in de lokale democratie. Zoals nu andermaal is gebleken. 

Dit stinkt. Hier valt niet één wethouder op onhandigheid. Hier wordt stelselmatig een lokale rekenkamer kapot gemaakt en wordt blijkbaar geen middel geschuwd. Waar dat gebeurt moet niet één wethouder vallen, maar is iedereen verantwoordelijk voor een verziekte politieke cultuur. 

Deel dit bericht:

De lokale politiek is nauwelijks interessant

februari 6, 2019 by  

De gemeenteraadsverkiezingen van vorig jaar zijn geanalyseerd. In een mooi rapport, onder de titel Democratie dichterbij. Een keur aan goede onderzoekers hebben eraan bijgedragen. De uitkomsten zijn verrassend voor degenen die in de lokale democratie nog altijd de ware democratie willen zien. De algemene indruk laat zich namelijk simpel samenvatten: burgers zijn tevreden over hun gemeente en burgers hebben weinig interesse in de lokale politiek. En dat laatste geldt voor jongeren nog meer dan voor ouderen.

Natuurlijk we wisten al dat de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen niet hoger was dan 55%, terwijl meer dan 80% van de kiezers opkomt voor de Kamerverkiezingen. Maar dat kan je nog relativeren door te wijzen op de grote belangstelling van de (landelijke) media voor de Kamerverkiezingen. Die relativering is niet op zijn plaats: burgers vinden de landelijke politiek gewoon (veel) belangrijker dan de lokale. Niet de lokale maar de landelijke democratie is het hart van de democratie in Nederland. 

Is dat nu echt verrassend? Nee. Gemeenten zijn immers vooral uitvoerders van Rijksbeleid. Omdat dat efficiënter en effectiever is. En over die uitvoering zijn de burgers tevreden. Maar daarmee is de gemeente politiek niet meteen interessant. Want de grote beslissingen worden elders genomen. Het Rijk bepaalt de hoogte van de bijstand en bepaalt of een wederprestatie is vereist. De gemeente bepaalt of u voor die bijstandsuitkering in aanmerking komt. 

Daarom is het meest verrassende aan het rapport dat het de gemeente steeds tegenover de rijksoverheid plaats, de lokale verkiezingen tegenover de Kamerverkiezingen. Terwijl in Den Haag het politieke debat wordt gevoerd over wat gemeenten straks moeten gaan doen. 

Deel dit bericht:

« Vorige paginaVolgende pagina »