Waarom plastic fagot-rieten de toekomst hebben

augustus 10, 2017 by  

Natuurlijk had ik er bij moeten zijn, bij Fagot Centraal in Groningen. Maar ik kon niet. Daardoor heb ik het fenomeen Sophie Dartigalonque gemist. En dat spijt me erg. Ze is pas vijfentwintig jaar en toch al solo-fagottiste in de Wiener Philharmoniker. Een jonge vrouw op de eerste stoel in Oostenrijk! En het interview in de vorige Fagot laat ook nog eens zien dat het zo’n aardige, bescheiden vrouw is.

In dat interview zegt Sophie twee hele interessante dingen over rieten. Ten eerste: Sophie maakt haar eigen rieten niet! Ze vindt het eigenlijk zonde van haar tijd. Fagottisten kunnen volgens haar alle tijd die ze besteden aan het maken van rieten, beter besteden aan het studeren van toonladders. Toevallig heb ik dat ook altijd al gedacht. Bovendien: waarom zou iedereen die fagot kan spelen ook meteen handig zijn met dat pielen met rieten? Sophie heeft gewoon iemand die rieten naar haar smaak maakt. Zo heb ik jaren Hans Wisse gehad. Maakt hele goede rieten, hoewel Ronald Karten altijd meende dat Hans zijn koperdraadjes te straks vastzette. Waarmee de hele rietencultuur meteen goed is samengevat.

De tweede opmerking van Sophie deel ik niet. Ze zou enthousiast kunnen zijn over kunststof-rieten als ze beter zouden zijn! Maar kunststof-rieten zijn fantastisch. Ik speel al anderhalf jaar op een kunststof-riet van Legere. Kunststof-rieten, of om mij zeg je: plastic rieten, spelen geweldig. Maar laat ik eerst mijn winst incasseren: Sophie gaat straks ook op een kunststof-riet spelen. Als ze nog beter zijn.

Het doet me denken aan het verhaal van Peter Gaasterland. Peter vertelde me laatst hoe hij verliefd was geworden op een kunststof-riet. Zijn collega had min of meer voor de grap een kunststof-riet gekocht. Om het eens te proberen. Peter wilde dat riet wel even proberen. En heeft het nooit meer teruggegeven. [Natuurlijk heeft hij braaf € 120 betaald.] Voorzover mij bekend is Peter de enige solo-fagottist in Nederland die een kunststof-riet gebruikt(e). In het Residentieorkest. Ook tijdens concerten. En ik schrijf gebruikte omdat Peter het Residentieorkest inmiddels heeft verlaten. Peter wisselde het ‘nieuwe’ riet wel af met zijn ‘oude’ riet. Zodat nooit iemand wist of hij nu op zijn nieuwe of op zijn oude riet speelde (op kunststof of op bamboe). Hij schijnt de solo in Shostakowitch IX op zijn kunststof-riet te hebben geblazen. Niemand had het gehoord!

Iets dergelijks overkwam mijzelf. Ik plaagde mijn dirigent ooit dat ik die avond tijdens de blazersrepetitie op mijn plastic riet zou spelen. Hij protesteerde en zei iets als: “vreselijk’, of “afschuwelijk”. [Hij is een gerespecteerd trombonist.] Lachend vertelde ik hem dat ik de avond ervoor, onder zijn leiding, maar met een ander orkest, op hetzelfde plastic riet had gespeeld. Hij had het niet gehoord.

Misschien nog wel mooier is het verhaal van mijn les bij Ronald Karten. Ik blies wat toonladders aan het begin van de les. Ronald was nog even plassen en kwam terug en zei heel aardig: jouw geluid kan ik altijd herkennen. Ik zei: maar hoorde je ook dat ik dit keer op een plastic riet speelde? Hij was stomverbaasd.

Natuurlijk, er zijn verschillen. Een bamboe-riet is geen plastic riet. En omgekeerd ook niet. Maar voor mij zijn de voordelen van een kunststof-riet groter. Ten eerste: ze zetten makkelijker aan. Ten tweede: ze kunnen veel zachter spelen. Ten derde: ze zijn stabieler en zuiverder. En dat laatste geldt natuurlijk vooral in vergelijking met een wat ouder klassiek riet. Op mijn fagot ging het klassieke riet na een week of twee, drie wankelen op de middel-Es en op de doorgeblazen D en Es. Op mijn kunststof-riet speel ik nu al een jaar, zonder enige variatie. Zonder andere zuiverheid-problemen dan mijn normale valsheid. Ik hoef nooit meer de ouderdom van een riet te corrigeren. Ik speel altijd op een nieuw riet.

En heeft het kunststof-riet ook nadelen? Ja. Ik vermoed dat ik minder ver klink dan met een klassiek riet. Maar mijn dirigenten klagen daar nooit over (of dat zou moeten betekenen dat ik vroeger altijd te hard blies). Een ander nadeel: je moet nog maar zorgen dat je een goed riet vindt. Want al die kunststof-rieten zijn anders en klinken anders. Ook van één en hetzelfde merk. Je zou toch denken: waarom kunnen ze niet altijd hetzelfde kunststof-riet maken? Maar dat lukt blijkbaar (nog) niet. Toevallig heb ik nu een heerlijk riet. Maar alle pogingen om een tweede riet te vinden dat even heerlijk is, zijn tot op heden mislukt.

Om nog een ander nadeel te noemen: er bestaat nog maar weinig kennis over het onderhoud van kunststof-rieten. Mijn eerste riet verknalde ik door het met te warm water schoon te spoelen. Overigens, je maakt kunststof-rieten schoon met afwasmiddel! Met mijn tweede maakte ik die fout niet meer. Maar ik moet hem wel eens in de twee dagen schoonmaken. Met een speld of met afwasmiddel onder de kraan. Oh ja, nog iets: de nieuwe rieten kraaien niet zo lekker als de oude rieten. Maar de toon lijdt daar niet onder. Je kan beter zeggen: hij kraait anders.

Al met al: ik zweer bij een plastic riet. En al die tijd die anderen besteden aan het maken van klassieke rieten, besteed ik tegenwoordig aan het studeren van toonladders! Daarin heeft Sophie helemaal gelijk.

En vergeet niet dat de klapschaats ook werd verguisd, tot erop wereldrecords werden gereden.

 

 

 

De liefde van de muzikant

februari 12, 2017 by  

Vroeger heb ik vaak getwijfeld. Uiteindelijk toch gekozen voor een nette wetenschappelijke baan. Ik schatte in dat ik fagot-leraar zou worden in Winterswijk. Daar is niets op tegen. Maar ik ben gewoon een betere wetenschapper.

Maar nu begin ik toch te twijfelen, of ik wel de goede keuze heb gemaakt. Ik kan inmiddels een beetje vergelijken, omdat ik ben toegelaten tot het Conservatorium van Amsterdam. Loop elke dag met mijn fagot op mijn rug. En het is genieten. Neem de afgelopen 10 dagen.

Op 1 februari een fantastische masterclass van Gustavo Nunez. Gustavo geeft net zo helder les als hij fagot speelt. En zo exact als hij zelf speelt, zo exact probeert hij jou te laten spelen. Heel leerzaam.

Op 4 en 5 februari krijgt ons ensemble 3 voor 2 les van verschillende coaches. Marja Bon dwingt me om mijn solo in het Sextuor van Poulenc dwingender te spelen. Julien Hervé laat ons (nog) beter naar elkaar luisteren. Nog nooit in mijn leven in een ensemble gespeeld dat zo met elkaar bezig is. Op het afsluitende concert gaat het allemaal net ietsje minder.

Op 7 februari heb ik mijn wekelijkse les van Ronald Karten. Een razend muzikale leraar die zelfs ‘Weissenborn’ weet te lezen als het tweede deel van het fagotconcert van Mozart of als zijn favoriete Sonate van Saint Saens. Alles wordt onder zijn handen muziek.

Op dezelfde avond weer voorspeelavond op het conservatorium. Met Jaap Kooi, die altijd tegelijk met je eindigt en met bètablokker. Want eenvoudig is het niet. Het instuderen met de geweldige begeleider die Jaap Kooi is, is al weken een genot. Telemann in e mineur. De Schumann Romances voor de volgende keer.
Na twee dagen komt het betrokken commentaar van Ronald, Jos en Simon. Ze zien vooruitgang. Er is nog hoop.

Op woensdag 8 februari ga ik bij Mette Laugs langs in Arnhem. Voor een lesje adem zonder onderkaak. Op 11 februari volg ik een masterclass van haar in Groningen. Het is fascinerend hoeveel lichaamsdelen ze weet te benoemen die de klank kunnen verhogen en de toonhoogte kunnen veranderen. Ik merk dat ik opnieuw moet beginnen.

Op 11 februari ook een masterclass bij Bram van Sambeek. Hoe een integere muzikant heel goed en heel motiverend les kan geven. We zijn allebei bij Fred Gaasterland begonnen. Bram mocht Fred zeggen, ik zei meneer. En Bram is een grote meneer geworden op de fagot. Ik een contract-student.

En dat is wel het mooiste van deze lange feestweek. Al die muzikanten zijn vooral met de muziek bezig. Niet met hun status. Ze verdienen er bijna niets mee om ons op onze beurt te laten genieten van muziek. Om al hun liefde voor het vak door te geven. Bijzonder, het lijkt alsof wetenschappers veel meer met zichzelf bezig zijn.

Podiumangst

oktober 2, 2016 by  

Volgende week hebben we voorspeelavond, op het conservatorium. Een medeleerlinge vraagt aan Ronald of ze de avond mag openen. Dan is het minder spannend. Ze is nu al zenuwachtig. Ik herken het helemaal. Voor de zomer was mijn eerste voorspeelavond. Toen vielen de zenuwen nog wel mee. Maar bij de tweede avond stond ik te stuiteren op het podium. Weg ademsteun, weg Alexandertechniek. Vreselijk. En toen moest ik mijn toelatingsexamen nog doen.

Ik had het eerder ook gehad, maar lang niet zo erg. Ooit speelden we met Bellitoni Shostakowitch 8. Met die prachtige fagotsolo. Met die twee hele hoge noten. De dirigent nam het tempo lekker hoog en op het eerste concert liet ik slechts twee donkere krakken horen, niks geen hoge noot. Ik vervloekte mezelf. Ik was te zenuwachtig geweest. En dan te bedenken dat ik dat concert nog tweemaal moest herhalen.

Bij toeval mocht ik de volgende middag een zaal met onderzoekers toespreken. Geen idee wat het onderwerp was. Ik weet wel dat ik dat optreden gebruikte om in het openbaar weer rustig mijn verhaal te kunnen doen. Zoals ik die solo in Shostakowitch 8 zou moeten spelen. Ik wist dat ik geen moeite had om in het openbaar te spreken. Na al die jaren college geven. En na al die congreszalen. Maar waarom slaan de zenuwen dan wel toe bij een concert van amateurs en niet bij een speech in een grote zaal?

Ik heb me dat rondom mijn toelatingsexamen weer langdurig afgevraagd. Al heb ik het voorzichtige gevoel dat ik de ergste zenuwen inmiddels de baas ben. Maar dat moet je nooit te snel zeggen. En zeker niet hardop.

Jaap van Zweden zei het in een documentaire dit voorjaar heel duidelijk: als je goed gestudeerd hebt, hoef je nooit meer zenuwachtig te zijn. Het kan zeker een verklaring zijn. Ik beheers de onderwerpen van mijn speeches beter dan mijn fagot. Dat geeft wel hoop voor de toekomst. Heel hard studeren en de zenuwen zullen vanzelf minder worden. Er is ook een andere oplossing: speel eens een compositie waar je technisch echt boven staat. Niet iets groots, maar gewoon iets lulligs. Toch kan ik me een citaat van Brian Pollard herinneren die de theorie van Jaap van Zweden nogal ondermijnt. Brian vertelde dat hij vreselijk bang was voor het Vader Jacob-thema uit Mahler 1. Omdat iedereen elke fout meteen zou horen. Technisch moet dat voor de grote Pollard toch geen enkel probleem zijn geweest.

Een andere verklaring heb ik opgedaan uit het boek Podiumangst van Liesbeth Citroen en Martine van der Loo. Als je praat in het openbaar kan jezelf je tempo bepalen en, met name, je eigen rusten inbouwen. Voor een moeilijk woord kan je de tijd nemen. Maar in de muziek is het tempo voorgeschreven en speel je bovendien vaak samen met anderen. Die solo in Shostakowitch 8 komt er onherroepelijk aan. En de dirigent bepaalt het verschrikkelijke tempo waarin je dat ding moet spelen. Samenspelen met één pianist is vanzelfsprekend eenvoudiger. Zo weet je bij Jaap Kooi van het Conservatorium in Amsterdam dat hij je altijd volgt, ook al sla een pagina over. Maar die wetenschap is niet genoeg. Want je weet dat je die pagina niet mag overslaan.

Het zoeken naar perfectie dat zo eigen is aan de professionele wereld, biedt zicht op een derde verklaring. Ik weet het: ik ben amateur en blijf altijd amateur. Maar ik heb nu wel als contractstudent de beste fagottisten als leraar en ik vertoef tussen allemaal studenten die ooit dat niveau willen halen. En wie geen fouten mag maken, wordt eerder zenuwachtig. Zo wordt ons steeds verteld: als je op het proefspel de partij niet foutloos kan spelen, ben je al afgewezen. De druk op foutloos spelen is dus enorm. En foutloos spelen is niet de kracht van de amateur. Maar ik moet niet zeuren. Anders had ik me daar maar niet moeten laten inschrijven. Nee, ik zeur niet. Ik geniet dagelijks.

Mijn vierde verklaring ligt in het verlengde van de vorige. In mijn vak, de sociale wetenschappen, zijn goed en fout onbruikbare begrippen. Het ene artikel is interessanter, informatiever of eleganter dan het andere. En elk onderzoek kent zijn fouten. Ook waardevrij onderzoek bestaat niet. Daarom kan je in mijn vak lang discussiëren over de waarde van een boek of van een artikel. In de muziek en zeker op het conservatorium ligt dat anders. Natuurlijk kan je ook discussiëren over de interpretatie van Yo Yo Ma of van Danielle Gatti. Maar op het conservatorium zijn de meeste studenten geen Yo Yo Ma of Danielle Gatti. En zullen dat ook nooit worden. Daar is het volstrekt helder of er wel of geen fout wordt gemaakt. En daar kan je aardig zenuwachtig van worden.

Maar misschien is de belangrijkste verklaring wel een andere: muziek is persoonlijk, muziek raakt je. Ook al weet je die gevoelens door een gebrek aan techniek niet over te brengen. In ieder geval ben ik veel naakter als ik met een fagot op een podium sta dan met een microfoon. Ik probeer mijn eigen gevoelens in de muziek te laten doorklinken. En als dat mislukt, blijven er alleen maar noten over. Terwijl woorden genoeg zijn voor een goede speech, zijn noten voor een goed concert onvoldoende.

[column voor De Fagot]

Loopgek of fagotverliefd

januari 12, 2016 by  

Ik had drie hobby’s. Schrijven, hardlopen en fagotspelen. In deze volgorde. Ik heb drie hobby’s. Fagotspelen, schrijven en hardlopen. Ja, de volgorde is veranderd. Maar hoeveel is er eigenlijk echt veranderd?

Vroeger liep ik 5 keer per week. In mijn topweken 8 uur in totaal. Intervaltrainingen en lange duurlopen. En nog een dubbele spinning ertussendoor. Allemaal om voorbereid te zijn op de volgende marathon. Rotterdam, Berlijn, New York. Of nog liever: de volgende ultraloop. De Zestig van Texel, de K78 in Davos.

Tegenwoordig studeer ik elke dag fagot. Meer dan een uur . Want volgens mijn leraar Ronald kan je het met één uur per dag alleen maar ‘bijhouden’. Het echte studeren begint daarna. Met orkestrepetities en concerten kom ik zeker weer aan 8 uur per week. En wat zo aangenaam is: ik doe eigenlijk nog steeds hetzelfde.

Fagot spelen heeft veel met muzikaliteit te maken, met aanleg, maar ook onwaarschijnlijk veel met uithoudingsvermogen. Het klinkt plat, maar ik kan er niks anders van maken. Die mond en die vingers moeten worden getraind. Hoe vaker je studeert, hoe eenvoudiger het wordt. Hoge noten? Gewoon veel studeren! Zachtjes aanzetten? Gewoon veel studeren! Veel uren maken. Een marathon lopen? Gewoon veel uren maken! Kunnen versnellen? Gewoon veel uren maken! Die embouchure gedraagt zich net als je voeten. Pijnlijk simpel, pijnlijk platvloers. Je wordt een betere fagottist door veel uren te maken. Een goede  fagottist word je alleen als je al die uren maakt, én aanleg hebt.

En net als bij het lopen gaat het bij de fagot niet alleen om de duur , maar vooral om de kwaliteit van de training. Alleen maar eindeloos duurlopen heeft weinig zin. Het gaat om de variatie. Om een combinatie van intervaltrainingen, snelheidstrainingen, fartlek en duurlopen. En krachttraining en spinning. En wanneer word je een betere fagottist? Als je heel exact en geconcentreerd studeert. Niet een beetje blazen, maar precies weten waar de fouten zitten en waar je je kan verbeteren. Dus precies hetzelfde. Alleen de hartslagmeter ontbreekt.

Er zijn ook op een ander niveau grote gelijkenissen tussen hardlopen en fagotspelen. Als je de straat op gaat, voel je binnen drie passen of het een goede training wordt. De voeten zijn soepel, ze zijn bereid je vandaag een mooie dag te bezorgen. Hoe vergelijkbaar is het met de fagot. Je maakt je riet nat, je kraait op het riet, je zet het op je Es en je blaast. Gatver, wat een vreselijke klank! Of: Ooh, wat heerlijk! En als een uur fagot blazen begint met ‘Gatver’, dan wordt het een zwaar uur. En als het begint met ‘Ooh’, dan kan de dag niet meer stuk. Ja, net zoals met die eerste stappen op straat.

Nog erger: hardlopen en fagotspelen, beide zijn verslavend. Als je maar vaak genoeg traint voor een marathon: op een gegeven moment wil je niets anders meer. Je wilt wel elke dag trainen, en je wilt wel elke maand een marathon lopen. De indeling van elke dag staat in het teken van het trainen. Alles moet ervoor wijken. Ja, hetzelfde begin ik bij mijn lieve fagot, mijn fantastische Heckel, te ervaren. Ik moet hem elke dag even aanraken, elke dag even voelen, elke dag vooral even horen. De klank van de middel-F. Die losse klank, alsof hij los in zijn trainingsbroekje hangt. Er is wel een klein verschil. Als je elke dag zou willen hardlopen, gaat er iets kapot. Je moet wekelijks echt een rustdag inlassen. Mijn Heckel houdt niet van rustdagen. Ik hoor het, ik voel het als ik een dag niet heb gespeeld.

Bij verslaving hoort ook ‘te ver’ gaan. Bij verslaving horen blessures. Hoeveel hardlopers zijn niet geblesseerd. En hoeveel fysiotherapeuten zijn er niet nodig om musici steeds weer op te lappen. Op dit moment heb ik last van mijn rechterteen bij het hardlopen en van mijn linker elleboog bij het fagotspelen. En van beide, van hardlopen en van muziek maken, gaat mijn rug vastzitten.

Tot slot: de marathon en het concert. Veel amateurs zijn kapot na één marathon. De voorbereiding voor de volgende marathon vergt minimaal een half jaar. De gelijkenis met amateurmusici is treffend. Die geven in de regel ook maar een paar concerten per jaar. En hebben de tussentijd nodig om een volgend programma in te studeren. Inderdaad, beroepsmusici geven veel vaker concerten. Maar ultralopers lopen ook met gemak elke week een marathon, als het moet als training.

Ja, eigenlijk is het verbluffend, al die overeenkomsten. Er resteert een boeiende vraag: is het mogelijk om zowel verslaafd te zijn aan het fagotspelen als aan het hardlopen? Of moet je echt een keuze maken? Of ligt het in mijn karakter besloten dat ik die keuze moet maken? Zoals het ook in mijn karakter ligt besloten om dan meteen weer verslaafd te worden. Van ‘loopgek’ naar ‘fagotverliefd’.

John Eliot Gardiner over Johann Sebastian Bach

augustus 13, 2015 by  

Twee bijzondere mensen, John Eliot Gardiner en Johann Sebastian Bach. Als de één een boek schrijft over de ander verwacht je veel. De verwachtingen komen niet uit. Hoewel Bach het onderwerp van het boek is, is het te veel Gardiner en te weinig Bach. Dat is het gevoel dat overheerst na lezing van het vuistdikke Bach, muziek als een wenk van de hemel van John Eliot Gardiner, die meer bekend staat als vermaard dirigent, met name van barokmuziek. Laat ik proberen mijn gevoel scherper onder woorden te brengen aan de hand van drie vragen.

De eerste vraag: geeft het boek een goed overzicht van Bach? Van zijn werk, van zijn leven, van zijn hemel. Antwoord: nee. Daarvoor is het boek veel te veel gefocust op de cantates, op de twee grote passies en op de Hohe Messe. De orgelwerken ontbreken geheel, van alle werken voor klavecimbel wordt slechts een enkele, naar het schijnt bij toeval, genoemd. En zelfs het Weihnachtsoratorium wordt slechts summier genoemd. Veel feiten (dat de Markus-Passion verloren is gegaan, bijvoorbeeld) worden terloops gemeld, waardoor je het ongemakkelijke gevoel overhoudt dat ook heel veel feiten terloops niet zijn gemeld (hoeveel passies heeft Bach eigenlijk geschreven?). Ik weet dat er niet zoveel bekend is over de grote Bach en dat we graag meer hadden willen weten. Maar desondanks hoort een boek met een dergelijke titel een systematischer overzicht te geven van wat we wél over Johann Sebastian Bach weten.

Vraag 2: betrekt het boek enkele heldere (en wellicht nieuwe) stellingen over Bach? Nee, hoogstens de stelling dat Bach geweldig is. Het boek is ook te warrig in zijn redenering om tot heldere conclusies te kunnen leiden. Het is goed geschreven en uitstekend vertaald (door Frits van der Waa), maar de lijn ontbreekt nogal eens. De auteur lijkt te worden gekweld door een tekort aan zelfkritiek. Een kritische redacteur had op zijn minst meer lijn moeten brengen in de tekst. Niet dat Gardiner niet aan allerlei interessante vragen raakt. Maar het vervelende is dat hij zo weinig antwoorden geeft. Bijvoorbeeld: in hoeverre is de tekst van de cantates bepalend voor de inhoud van de muziek? Of kan Bach zonder gevaar de ene tekst door de andere vervangen, zoals hij in werkelijkheid nogal eens heeft gedaan? Gardiner benoemt deze vraag verschillende keren, maar hij komt nooit tot een antwoord. Eerder draagt hij steeds weer nieuwe argumenten en met nieuwe voorbeelden aan.

Om het wat cru te zeggen: het boek biedt dus geen overzicht en het biedt geen nieuwe inzichten. Misschien had die redacteur Gardiner een derde vraag moeten voorleggen: zou je in staat zijn om jouw interpretaties van Bach’s cantates en passies te verwoorden? Het huidige boek komt veel dichter bij deze vraag dan bij de twee voorgaande. Eigenlijk moet je het boek ook lezen terwijl je de partituren ernaast hebt liggen en Spotify of Youtube in de aanslag. Te laat begreep ik dat ik het boek vooral zo moest lezen. Als een college van Gardiner over zijn eigen uitvoeringen van Bach. Maar ook als ik dat deed bekroop me een gevoel van twijfel: ik vrees dat Gardiner zijn geweldige interpretaties veel beter kan overbrengen als dirigent dan als schrijver. Of bezondig ik me nu al aan de foute gedachte dat musici zich moeten beperken tot het maken van muziek en dat ze het schrijven maar moeten overlaten aan de musicologen…?

Volgende pagina »