Botsing met de bureaucratie van de #UvA

juni 30, 2015 by  

En daar is de harde werkelijkheid. Eerder dan gedacht. Ik was de dagen aan het aftellen. Op 3 september zou ik mijn eerste college gaan volgen. De spanning van een nieuwe opleiding. Het gevoel van nieuwe boeken en van boeken kaften. En zoals een vriend me vroeg: “Heb je de nieuwe Rijam-agenda al gekocht?”

Nou nog niet, en misschien moet ik daar ook nog maar even mee wachten. Gisteren meldt de ‘Casus Commissie UvA Matching’ dat ik niet ben toegelaten. Dat mijn inschrijving zal worden ‘geannuleerd’. Mijn inschrijving was na 1 mei ontvangen. En mijn persoonlijke verzoek om toch te worden toegelaten “is afgewezen, omdat er volgens de commissie geen sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor een inschrijving aan de UvA voor 2 mei 2015 niet mogelijk was”.

Ik had de commissie uitgelegd dat mijn situatie in mijn ogen ‘simpel’ was. Ik was al een tijdje van plan om me in 2016 in te schrijven voor muziekwetenschap. Maar in mei besloot ik onverwacht eerder te stoppen aan de Erasmus Universiteit. Zo kreeg ik tijd om deze zomer al met de deeltijdstudie muziekwetenschap te beginnen.

Maar daar heeft deze commissie dus een stokje voor gestoken. Waardoor al mijn goede voornemens om me als brave student te gedragen nu al beginnen te knellen. Want bij het lezen van zo’n mail van zo’n niet-bestaande commissie vraag je je toch meteen drie dingen af. Eén: wat zouden de overwegingen zijn om studenten te verplichten zich voor 1 mei in te schrijven, als elke universiteit gebaat is bij zoveel mogelijk studenten? Twee: wat zijn de criteria van de commissie voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van bijzondere omstandigheden? Drie: bij wie kan ik in beroep? Op deze drie vragen geeft de mail van de commissie geen antwoord. De mail geeft alleen de mogelijkheid om te reageren, onder naam of zelfs anoniem.

En dit alles doet me meteen denken aan een gesprek dat ik vorige week nog in Rotterdam had. Ik zat met twee oudere collega’s een master-examen ‘af te nemen’. Dus drie oude heren en een jong meisje. In het voor- en nagesprek waren de drie heren aan het mopperen. Dat studenten tegenwoordig altijd bezig waren met hun ‘rechten’ en altijd meteen bij de examencommissie in beroep gingen. Wij vroegen ons af of dat een generatiekwestie was. Nou het antwoord kan ik nu wel geven: het is een hele normale reactie van enthousiaste jonge mensen op de massaliteit van het onderwijs en de ondoordringbare bureaucratie van de universiteit.

Na één botsing met de bureaucratie ben ik dus een normale student. Ik ga op zoek naar mijn recht en ga vandaag onderzoeken waar ik dat recht kan halen. En dan heb ik alvast één verzoek aan de UvA: Kunt U zo goed zijn om mij voortaan niet meer aan te spreken met ‘Beste Wim’? Welk communicatiebureau heeft bedacht dat het ondoordringbare beton van de universitaire bureaucratie met deze jovialiteit moet worden opgeleukt? Bovendien ervaar ik het helemaal niet als joviaal of als informeel. Uit Uw mond klinkt het vooral denigrerend.

Mijn eerste schreden op de #UvA

juni 29, 2015 by  

Op 15 juni meld ik me bij het Instituut voor Muziekwetenschap. Ik neem plaats in de wachtruimte. De omgeving is hilarisch. Het gevoel van een oude bezemkast. Brandslangen vlak voor mijn neus. De sfeer van Het Bureau. De jasjes van Maarten Koning worden nog steeds gedragen. Maar ook een jonge Mahler komt voorbij. En een meisje met een hoofddoek verzorgt het multiculturele element. Ik lees intussen dat je stage kan lopen bij de Concertzender. Zou het helpen dat ik al jaren geld naar ze overmaak? En wat zou ik mogen doen? Alleen cd’s opruimen, misschien wel zoeken? Toch geen programma samenstellen, laat staan presenteren? Dat lijkt me wel wat. En volgens mij klinkt mijn stem wel oud genoeg voor deze zender.

Ik ben veel te vroeg, maar ook als een half uur is verstreken is er geen teken van een studieadviseur. Ik ga op zoek en vind een vriendelijke dame, die me netjes met ‘U’ aanspreekt. Ik vraag haar of ze altijd ‘U’ zegt tegen studenten. “Nee, alleen als ze zo oud zijn”. De stemming zit erin. Studieadviseurs leggen de verbinding tussen de systeemwereld van de universiteit en ons, de gewone studenten. En zijn dus onmisbaar. Ook deze dame. Ze schrijft de data van de colleges voor me op een papiertje. Alles onder voorbehoud. Het is pas juni. In Rotterdam was het niet anders. Werken er honderden mensen bij ‘bedrijfsvoering’ of ‘concern’ en hebben ze half juni nog geen definitief rooster voor het volgende jaar.

Maar eerst spreken we over mijn studie. Waarom ik dit wil. En of ik wel serieus genoeg ben. “Je bent toch geen hobbyist, want daar worden wij op afgerekend”. Ja, het rendementsdenken van Den Haag. Of ik noten kan lezen. En of ik vrijstellingen wil. [Nee, want ik wil iets leren.] Dat ik me moet inschrijven via Studielink van DUO. Dat ik met een deeltijdstudie kan beginnen, waarin ik in het eerste jaar maar 26 ECT hoef te halen. Ik verheug me op kleinschaligheid van de studie. Veertig eerstejaars, waaronder ook (oudere!) deeltijders.

Er doemt slechts één klein probleempje op. Aanwezigheid bij de colleges is verplicht. Eenmaal missen wordt nog wel door de vingers gezien, maar vaker moet met een extra opdracht worden gecompenseerd. Een korte blik in mijn agenda leert dat aan extra opdrachten niet valt te ontkomen. Mijn werk stelt ook zijn eisen. Het is toch een deeltijd-opleiding? Waarom zou het andere deel dan geen rechten hebben.

Ja, ik heb me heilig voorgenomen dat ik niet de professor zal uithangen. Ik ben gewoon student. Maar ja, ik heb wel zo mijn opvattingen. Zelf vond ik het altijd een teken van zwakte om de studenten te verplichten om mijn colleges bij te wonen. Als mijn colleges geen of te weinig meerwaarde hebben kunnen de studenten zich beter anders op het tentamen voorbereiden. Anders gezegd: het moet mijn eer zijn om mijn werk zo goed te doen dat de collegezalen volstromen. Niet door handtekeningen te vragen. En nu moet ik plotseling zelf een handtekening zetten. Zal ik straks ook zo snel mogelijk de collegezaal verlaten als ik de lijst heb getekend? Hoe calculerend zal ik worden?

Moet je voor een column fagot kunnen spelen

juni 26, 2015 by  

De laatste twee jaar heb ik hier onbevangen wat stukjes geschreven. Als amateur-fagottist. Ik schreef zelfs een keer over mijn uitstapje naar de cello, alsof dat allemaal zo maar kon. En veel erger nog: ik was met de cello begonnen vanuit de gedachte dat ik op mijn laatste embouchure liep en dat mijn jaren als fagottist binnenkort geteld waren.

Hoe anders is de situatie nu. Ik heb mijn baan opgegeven, heb me aangemeld voor eens studie musicologie aan de UvA en heb al weer sinds een half jaar intensief les van Ronald Karten. Elke dag hard studeren om volgend jaar als contactstudent te worden toegelaten aan het Conservatorium van Amsterdam. En om daaraan te wennen, krijg ik les op het conservatorium. Ronald neemt me mee naar de voorspeelavond en dreigt al met de rietenavond. Ik heb het gevoel dat mijn spel er baat bij heeft. Maar hoe meer ik leer, hoe groter het besef dat ik nog nergens ben.

Dat laatste heeft twee oorzaken. Kom een keer naar de voorspeelavond op het CvA en je weet wat ik bedoel. Jonge mensen die fantastisch fagot spelen (Fagerlund!), docenten die hele mooie commentaren hebben (Jos: het gaat niet om de noten, maar om de sfeer achter de noten). Of kom wat te vroeg op les en je hoort hoe een fagot ook kan klinken. Je hoort hoe Ronald aan Suzanne vraagt om die ene noot in Sheherazade iets korter te spelen en Suzanne speelt die ene noot iets korter. Alsof ze alles op dat ding kan.

Maar ook mijn eigen lessen vergroten het besef ‘liefhebber’ te zijn en nog lang geen fagottist. Als liefhebber probeerde ik vooral ‘mooi’ te spelen, maar hoe kan je mooi willen spelen als één op de drie tertsen een tussen-noot laten horen? Of als elke As en elke A en elke Bes en elke B kraakt…? Of elk sprong naar de hoge A een sprong in het duister is? Of wanneer je nu pas merkt dat de onderkant van je heerlijke oude fagot toch wel heel erg lekt? Of als Ronald er fijntjes op wijst dat je ritme in de verte overeenkomt met wat daar ongeveer staat (mijn woorden)? Wat heb ik in godsnaam al die jaren gedaan…?

Ja, en als je dan ook nog ziek wordt en medicijnen slikt die niet bevordelijk zijn voor je embouchure, zit je op een avond in je eigen amateurorkestje te vloeken dat je er niks meer van kan. Dat het nooit wat zal worden met jou. Dat je ermee gaat stoppen, als het niet snel beter wordt. En natuurlijk geef je het riet de schuld. Rieten hebben altijd de schuld. Na een vakantie heeft altijd het riet moeite om erin weer in te komen, en niet jij. Maar je weet beter. Je weet dat goed fagot spelen gewoon ontzettend moeilijk is. En dat je morgen weer hard aan de slag moet met die tertsen, met die krakende noten en die rammelende ritmiek.

Maar toch blijft er iets knagen: waarom durf ik eigenlijk hier elke keer een column te vullen? Of hoef je voor een column alleen te kunnen schrijven?

[Voor De Fagot, tijdschrift voor fagottisten]

Bij muziek heb je geen discussie over beter

mei 31, 2015 by  

Elizabeth Schwarzkopf heeft de toon gezet. De befaamde sopraan was al op hoge leeftijd toen ze nog masterclasses gaf aan jonge zangers. Erg zachtzinnig ging het er bij haar niet aan toe. Als iemand niet aan haar hoge eisen voldeed, kon haar commentaar vernietigend en zelfs vernederend zijn. De masterclasses werden later op de tv uitgezonden en gingen daarmee deel uitmaken van ons collectieve geheugen. Vanaf dat moment waren masterclasses voor sommigen bij voorbaat berucht.

Hoe anders kan het ook. In het kader van de Operadagen Rotterdam gaven Henk Neven en Hans Eijsackers vorige week  een masterclass aan liedduo’s: zangers en hun eigen begeleiders. De masters gaven vooral vertrouwen. Hoe eerlijk ze soms ook waren (een pianist heeft “too much…uh… prikkeldraad” in zijn spel). Maar elk commentaar begon met waardering, met de positieve kanten. En wat een ander als ‘fout’ zou betitelen, werd door de masters vaak als ‘een andere interpretatie’ neergezet. Alle positieve opmerkingen verschaften de ruimte om echt aan het werk te gaan. Om de zangers en de duo’s te helpen. En de effecten waren ernaar. Natuurlijk waren alle duo’s bij hun eerste presentatie gespannen en musiceerden ze ongetwijfeld onder hun niveau. Maar de progressie in een uur was gewoon opvallend.

Waar letten die masters op? Op de interpretatie van de tekst, vanzelfsprekend, op de inbeelding van de tekst, op het interacteren met het publiek en op het onderlinge samenspel. En natuurlijk: hoe kan je het beste klank maken. Een jonge Duitse bariton werd goedkeurden op zijn opkomende buik geklopt. En eigenlijk waren ze alleen maar scherp en direct als de musicus zich niet voorbereidde op zijn of haar eerste noot. Je kan pas beginnen als je weet wat je gaat vertellen.

Ja, dit was ‘leren’. Hier werd veel ‘geleerd’. Met enige droefheid dacht ik ondertussen aan mijn collegezaal met honderd keuzevakkers. Daar sta ik alleen op het podium. En zijn de leerlingen in het beste geval toehoorder. Bij een masterclass staan de leerling en de master samen op het podium. En is de leerling in gespannen afwachting van het oordeel van de master. Bij mij zijn de studenten vooral benieuwd naar het tentamen. Ja, op de universiteit leiden we vooral op tot het maken van een tentamen.

Maar er is een nog groter verschil tussen mijn bestuurskunde-studenten en deze liedduo’s. Wanneer heeft een bestuurskunde-student iets geleerd? Als hij een boek kan navertellen? Als hij vier argumenten voor en vier argumenten tegen de representatieve democratie kan opnoemen (dus een paar dagen kan onthouden)? Of wanneer hij het openbaar bestuur beter begrijpt? Maar hoe meten we dat laatste? Moeten we hem vragen een advies uit te brengen over een bepaalde casus? Maar wat is een goed advies? Wat is goed bestuur?

Hoe anders leek het hier, bij de die masterclass. De masters, de deelnemers, de hele zaal, iedereen hoorde de progressie. Hoorde dat de liedduo’s in korte tijd beter waren geworden. Soms was hun expressiviteit toegenomen, soms was hun voordracht intenser, soms klonken de stemmen dieper of stralender, soms was er meer samenspel. Maar in ieder geval waren ze gewoon beter dan een half uur eerder. Blijkbaar is ‘beter’ in dit vak een soort ‘objectief’ gegeven. In dat opzicht zal ook Elisabeth Schwarzkopf indertijd wel gelijk hebben gehad.

Onder dat ‘beter’ ligt een simpel begrip: ‘beheersing’. Alleen door je instrument, je stem beter te beheersen ben je in staat tot een betere uitvoering te komen. Deze blog heeft dan ook een simpele conclusie: wie een goede muzikant wil worden, moet gewoon heel hard studeren. Daar wordt ie ‘beter’ van. En natuurlijk: bij hele goede masters in de leer gaan. Zeg maar: het type Henk Neven en Hans Eijsackers.

Een bindend studieadvies voor een oude man

mei 17, 2015 by  

“De onderwijsbalie is telefonisch te bereiken op werkdagen van 11 tot half 1 en van half 2 tot 3”. Ik ben in totaal driemaal op het antwoordapparaat gestuit. Ik wil me informeren over een studie muziekwetenschappen. Ja, op de website van de UvA is veel informatie te vinden, maar op de simpele vraag of het ‘bindend studieadvies’ ook geldt voor iemand van 63 jaar zonder haast en zonder carrièreperspectief, kan ik nergens een antwoord vinden. Een korte mailwisseling leidt tot de conclusie dat ik maar een afspraak moet maken met de studieadviseur. En die afspraak valt alleen te maken via de onderwijsbalie.

Ik plan mijn vierde poging tussen 11 en half 1. Ruim na 11 uur en ruim voor half 1. Dan moet het toch lukken. Het antwoordapparaat blijkt inderdaad buiten werking gesteld. Maar nu wordt niet opgenomen. Het zou toch niet waar zijn? Zouden alle universiteiten hetzelfde zijn?

Bij mijn vijfde poging heb ik succes. Een vriendelijke dame is bereid me te helpen. Over drie weken kan ik terecht. Als ik opmerk dat ik dan niet kan, mag ik een week later. Maar het wordt duidelijk niet op prijs wordt gesteld dat ik het eerste aanbod afwimpel. “Wat is uw studentnummer?” “Dat heb ik niet, ik wil me juist informeren of ik student zou willen worden…”. Dat laatste vooruitzicht geeft weer enige glans aan ons gesprek. Zo te merken, kunnen ze nog wel een student gebruiken. Als ik hen was zou ik vanaf 8 uur ’s morgens telefonisch bereikbaar zijn.

Ik weet het, het is niet eerlijk. Die lieve mevrouw weet niet dat ik al 37 jaar aan een universiteit werk en al 26 jaar hoogleraar ben. Dat ik mijn agenda niet meteen helemaal kan vrijmaken voor een gesprek met een studieadviseur. En ik weet ook dat niet zij, maar ik me moet aanpassen. Ik wil weer student worden. 45 jaar na de eerste keer. De vraag is of ik dat kan.

Zou ik vrijstelling krijgen voor de minor ‘Beleid en bestuur’ die ik in Rotterdam zelf geef? Of zou de examencommissie daar heel lang over moeten vergaderen? Ik weet inmiddels hoe examencommissies zijn. De mijne berispte me vorig jaar nog omdat ik de studenten voor mijn minor ‘Beleid en bestuur’ de mogelijkheid had gegeven om een tentamen door een paper te vervangen. Daarmee trad ik in de rechten van de student. Ja, ook mijn eigen universiteit begreep ik niet altijd.

Je kan er tegenin gaan of je kan het laten gebeuren. Het voelt als een ziekenhuis, waar je bloed moet laten prikken. Je kan boos worden dat je zolang moet wachten als iedereen gaat koffiedrinken. Je kan boos worden op je eigen afhankelijkheid. Maar je kan ook een goed boek meenemen en lekker gaan lezen  als de artsen hun tijd belangrijker vinden dan de jouwe.

Dat zijn mijn twee eerste voornemen voor mijn studie muziekwetenschap aan de UvA: ik neem altijd een boek mee en ik kan ga nooit klagen. En zo af en toe schrijf ik hier een blog. Schrijf ik alles van me af.

« Vorige paginaVolgende pagina »