Tweede woningen bestaan niet

december 18, 2018 by  

Volgens minister Kajsa Ollongren zijn er drie soorten recreatiewoningen: woningen op vakantieparken die permanent worden verhuurd, woningen op vakantieparken die te weinig worden verhuurd én particuliere recreatiewoningen die ten onrechte permanent worden bewoond. Meer smaken heeft ze niet. En om het beeld nog wat aan te scherpen meldt ze dat in die laatste woningen vaak criminele activiteiten worden ontplooid. Illegaal en crimineel, dat bekt lekker samen. En stigmatiseert ten onrechte vele duizenden brave burgers die net zo wonen als vele anderen. Wie zo praat over tweede huizen heeft er weinig weet van. Toch komt dit frame de minister niet slecht uit. Want daarmee legt ze alle schuld van alle problemen bij een ander. En niet bij de overheid. 

Er is een ander perspectief. Een zonnig perspectief waarin veel burgers met veel plezier en zonder enig probleem permanent in hun tweede woning wonen. En waarin juist de overheid door een onduidelijk beleid voor steeds meer problemen zorgt. Die problemen zijn vooral ontstaan omdat de overheid bij recreatiewoningen nog steeds denkt aan zomerhuisjes. Dat soort huisjes werden in de jaren 50 en 60 gebouwd. Ze waren vooral geschikt  voor de zomervakantie en in de winter werden ze voor maanden afgesloten. Daarna ontstonden die parken met kantines, recreatiezalen en pingpongtafels. Die zijn ook met Kerst te bewonen. 

Maar vanaf de jaren 90 worden er echte tweede huizen gebouwd. Deze huizen voldoen geheel aan het Bouwbesluit van de overheid. Ze kunnen dan ook zonder enig bezwaar permanent worden bewoond en ze vormen niet zelden het villapark van het aanpalende dorp. Zelf bewoon ik zo’n huis. Het was de eerste fout van de rijksoverheid om dit soort riante woningen te blijven zien als recreatiewoningen, zeg maar: vakantiewoningen. 

De lokale overheid wist overigens heel goed dat het hier om normale woningen ging, die goed konden worden benut om de tekorten op de lokale woningmarkt aan te vullen. Zo werden tweede woningen eerste woningen en kregen velen het recht om hun nieuwe woning permanent te bewonen. Ook banken verschaften gewone hypotheken en de belastingdienst trekt al jaren de hypotheekrente af van het belastbaar inkomen. Je zou dat wijs beleid van de lokale overheid kunnen noemen, als de rijksoverheid zich bij deze nieuwe werkelijkheid had aangesloten. Maar formeel was dit gebruik van tweede woningen nog steeds verboden. Laten we daarom maar spreken van de tweede fout.

Minister Sybille Dekker zag dat probleem in Den Haag als eerste. Ze was zo verstandig om de gemeenten op te dragen om een keuze te maken: of u legaliseert de tweede woningen of u gaat werkelijk optreden tegen permanente bewoning. Het vage gedoogbeleid moest stoppen. Als het om vakantiehuizen ging was permanente bewoning niet wenselijk omdat de huizen daarvoor niet geschikt waren; als het om tweede huizen ging die in niets afwijken van eerste huizen, moest worden gelegaliseerd. 

Toen maakten veel gemeenten een derde fout. De digitale keuze vonden ze te moeilijk en ze creëerden een derde optie: de huidige bewoners zou niets in de weg worden gelegd, maar de volgende eigenaren zouden het huis niet meer permanent mogen bewonen. 

Gemeenten en bewoners waren daarmee even gerustgesteld. Maar ten onrechte. De markt was immers niet doof voor het dreigement dat bij volgende eigenaren wél zou worden gehandhaafd. De prijzen van de fraaie tweede huizen daalden fors en werden daardoor voor veel bewoners (zeker als ze een hypotheek hadden) onverkoopbaar. Maar mensen gaan soms dood en huizen moeten soms toch worden verkocht. Meestal was er wel iemand te vinden die het aandurfde: illegaal goedkoop wonen. In andere gevallen staan huizen lang onverkoopbaar leeg. We hebben het in onze wijk de afgelopen jaren ook zien gebeuren. Leegstand en schimmige nieuwe bewoners.

Ollongren zet die schimmigheid graag in de hoek van illegaal en crimineel gedrag. In werkelijkheid heeft de overheid de problemen zelf veroorzaakt. Eerst hebben gemeenten bij volle bewustzijn ingestemd met permanente bewoning, zonder de definitieve stap naar legalisering te durven zetten. Of ze mochten die stap van de provincie niet maken. En nu wil Ollongren dat er weer wordt gehandhaafd. Eerst mag je een huis kopen en het permanent bewonen, vervolgens kan je je huis niet meer verkopen omdat een volgende eigenaar alleen mag recreëren en dan roept de minister op om dat permanent bewonen niet meer te gedogen. Wie maakt er hier nu een potje van? 

De oplossing is zoveel simpeler. Aan die commerciële vakantieparken hoeven we niets te doen. Alle zogenaamde recreatiewoningen die voldoen aan het Bouwbesluit kunnen meteen worden gelegaliseerd: we noemen ze voortaan woning. Meteen een welkome verruiming van de woningmarkt. Dan resteren de vakantiehuisjes die niet geschikt zijn voor permanente bewoning omdat ze niet voldoen aan het Bouwbesluit (en toch vaak permanent worden bewoond). Hier zijn twee oplossingen: of echt handhaven en dus permanente bewoning onmogelijk maken of accepteren dat men in Nederland ook in bouwsels kan wonen die niet aan het Bouwbesluit voldoen. Dat lijkt me een politieke keuze. Overigens: waar laat je al die mensen als ze daar niet meer kunnen wonen?

Maar laat de overheid wel beseffen dat ze er nog nooit in is geslaagd om permanente bewoning tegen te gaan waar het formeel niet mag. Het lijkt me dan ook wijzer om alle woningen voortaan gewoon woningen te noemen. En om in alle woningen criminele activiteiten tegen te gaan. Daaraan heeft de overheid zijn handen al vol. 

Over betrouwbare onderzoekers en slinkse ambtenaren

december 12, 2018 by  

Column uitgesproken bij het afscheid van Frans Leeuw als directeur van het WODC, 12 december 2018

Nieuwsuur. Bas Haan. WODC. Een klokkenluidster. En drie onderzoeksrapporten. Het zij zo. Niet de casus is interessant, maar de vraag waarom hij interessant wordt gevonden. Daarvoor moet je het frame analyseren waarin het debat wordt gevoerd. Ik zeg er maar meteen bij: het dubieuze frame waarmee in het publieke debat naar die explosieve combi onderzoek en beleid wordt gekeken. 

Mag ik het frame proberen samen te vatten: (1) het beleid is gebaat bij onderzoek, (2) het beleid is nog meer gebaat bij onafhankelijk onderzoek, (3) ambtenaren doen er alles aan om goed onderzoek te demonteren om hun minister uit de wind te houden, (4) daarmee onthouden ze de samenleving goed beleid. Samengevat: we hebben hier te maken met  een ongelijke strijd tussen betrouwbare onderzoekers en slinkse ambtenaren, die vooral te koste gaat van de samenleving. 

Ik zei al: ik vind het een dubieus frame. En dat blijkt ook wel uit mijn verwoording. Waarom is het frame op minst onjuist? Laat ik proberen het te ontrafelen. En laat ik daarbij wat objectiever te werk gaan en me beperken tot twee premissen: (1) onderzoek is goed voor beleid en (2) met name onafhankelijk onderzoek is goed voor beleid.

Is het waar dat onderzoek goed is voor beleid? Hoe groot is het belang van onderzoek voor beleid? Natuurlijk: groot. Beleidsmakers die zich baseren op een ongefundeerd beeld van de samenleving zullen slechts bij toeval succes hebben. Met fact-free politics kom je uiteindelijk nergens. Maar met alleen onderzoek kom je ook nergens. Aan onderzoek heb je niet genoeg om een land te regeren. Ik ben geen voorstander van een technocratie. Democratisch bestuur vergt altijd een politieke afweging. Onderzoek bewijst namelijk nooit wat we moeten doen. Onderzoek levert feiten op en verbanden, maar daarmee is nog niet gezegd wat we met die nieuwe feiten en verbanden moeten doen. Politici en ambtenaren moeten dus niet op afstand worden gehouden, nee, we hebben hen nodig om de politieke afweging te maken of de nieuwe feiten ook een nieuw beleid rechtvaardigen. Alleen weten + willen geeft nieuw beleid. 

Het is dus een raar idee om de conclusies van het onderzoek voor zich zelf te laten spreken en ambtenaren op afstand te houden. Wie maakt dan de vertaling van onderzoek naar beleid? Of moet die vertaling impliciet (of zelfs expliciet) worden gemaakt door de onderzoekers? Sorry, maar dat vind ik een rare rolverdeling in een democratische rechtsstaat. 

Dat roept de vraag op: wanneer wordt een onderzoek optimaal benut? Als voor iedereen helder is dat onderzoek nooit bewijst wat je moet doen. Laat ik een extreem voorbeeld geven. Stel dat onderzoek aantoont dat het gevoerde drugsbeleid niet effectief is. Zelfs in dat geval is niet wetenschappelijk bewezen dat we behoefte hebben aan een ander drugsbeleid. Of beleid effectief moet zijn, is immers een politieke keuze. Vergeet ook niet dat het drugsbeleid al jaren onbegrijpelijk is. Bovendien kan de minister op goede gronden blijven hopen dat het ooit beter wordt, ook als hij niks doet. Maar het kan ook zijn dat de minister heel weloverwogen besluit om zijn beleid voort te zetten omdat het onderzoek voor hem aantoont dat het drugsbeleid symbolisch beleid is en dat is iets wat de politiek al jaren wil. 

Daarmee kunnen we dus vaststellen dat onderzoek optimaal wordt benut als de beleidsmaker de resultaten van het onderzoek in den brede in zijn overwegingen meeneemt. Op voorwaarde overigens dat de kwaliteit van het onderzoek dat rechtvaardigt. We kunnen het ook anders formuleren: een minister moet achteraf nooit kunnen zeggen dat hij voor een ander beleid had gekozen als hij de uitkomsten van een bepaald onderzoek wel had gekend. Ja, zo groot is het belang van onderzoek. En, ja, meer hoeft het beleid niet te doen. 

Dan de volgende premisse: met name onafhankelijk onderzoek is goed voor beleid. Natuurlijk haast ik mij deze premisse te onderschrijven. Niemand heeft er iets aan als de beleidsmakers de uitkomsten van onderzoek willen voorschrijven. We doen immers onderzoek om te ontdekken hoe dingen werkelijk in elkaar steken. En als we vooraf denken dat al te weten, heeft het doen van onderzoek weinig zin. En toch valt ook op deze brede premisse nog veel af te dingen. 

Ten eerste heb ik het niet op met onafhankelijke wetenschappers die aan hun kennis van de materie het recht ontlenen om beleidsmakers voor te schrijven hoe ze moeten handelen. Natuurlijk, ook onderzoekers hebben als burger het recht om hun mening kenbaar te maken, zoals dat ook geldt voor pomphouders, accountants, drugsdealers en uitsmijters. Maar elke suggestie dat het eigen onderzoek de eigen mening als de juiste heeft bewezen, is onjuist. Hoogstens heeft het eigen onderzoek de onderzoeker verder gesterkt in zijn mening. En dat laatste roept meteen vragen op over de onafhankelijkheid van zijn onderzoek.

Ten tweede heeft onderzoek ‘ten behoeve van beleid’ vooral belang als de vraagstelling goed aansluit bij het werk en het denken van de beleidsmakers. Ik weet dat ambtenaren niet erg vaardig zijn in het formuleren van need-to-know kennisvragen. Maar dat geeft onderzoekers geen vrijbrief om geheel hun eigen nieuwsgierigheid te volgen. Laat duidelijk zijn: ik spreek hier over onderzoekers die met de belastinggeld worden betaald om bij te dragen aan een beter beleid. De vraagstelling van dat soort beleidsonderzoek moet aansluiten bij de behoeften van het beleid. Het woord onafhankelijk is hier dan ook misplaatst. En dan kunnen we daarna nog wel eens bezien hoe we die behoeften van het beleid op het spoor moeten komen.  

Ten derde vraag ik me af waarom de ambtenaren niet een zekere invloed zouden mogen hebben op de voortgang en de ontwikkeling van het onderzoek. Veel onderzoekers overschrijden alle denkbare termijnen en veel onderzoekers blijken achteraf een andere vraag te hebben beantwoord dan de beleidsmakers vooraf hadden geformuleerd. Tast het de fundamentele onafhankelijkheid van de onderzoeker aan als de beleidsmaker daarop mag wijzen? Zo ja, dan lijkt me dat juist. 

Ten vierde mag het, op het eerste gezicht, onwenselijk lijken dat de beleidsmakers zich bezighouden met de formulering van de conclusies van het onderzoek. Zeker. Er mag niets worden bijgekleurd, zeker niet als de minister bang is voor de uitkomsten van onderzoek. Bange ministers moeten overigens sowieso worden opgesloten. Maar de relevantie van een onderzoek kan er wel baat bij hebben als de auteurs voor afronding van het onderzoek een goed gesprek voeren met de beleidsmakers over het belang en de positie van het onderzoek. Enige jaren geleden kwam ik nog in de samenvatting van een SCP-rapport allerlei p-waarden en significatie-niveaus tegen. Wat zou het mooi zijn geweest als een ambtenaar tevoren had gezegd dat die gegevens voor de lezer niet zo relevant zouden zijn. 

Ten slotte: in mijn eerste jaar sociologie leerde ik al dat waardevrij onderzoek niet bestaat. Hoe serieus onderzoekers zich ook houden aan wetenschappelijker criteria of hoeveel protocollen onderzoeksinstituten ook hebben, onafhankelijk onderzoek bestaat niet. Dit simpele gegeven is al in strijd met het frame dat de onderzoekers de goed guys zijn en de ambtenaren, zoals altijd, de bad guys. Niets menselijks is ook onderzoekers vreemd. En waarom zouden beleidsmakers de onderzoekers daarop niet mogen wijzen? 

Op dat hele frame valt dus nog wel iets af te dingen. En dat moet ook, want anders zouden we nog gaan geloven in een strijd tussen onderzoekers en ambtenaren om een beter bestaan. Die strijd moet er niet zijn. Onderzoek kan alleen een belangrijke rol spelen bij de beleidsvorming als de afstand tussen onderzoekers en beleidsmakers kleiner wordt. Als beide partijen nog meer de verbinding gaan zoeken. Die verbinding kan alleen tot stand komen met respect voor elkaars rol én met rolvastheid. Dus onderzoekers moeten zich vrij voelen om hun eigen conclusies te trekken en beleidsmakers moeten zelf kunnen bepalen welke betekenis een onderzoek moet hebben voor het beleid. Maar tegelijkertijd moet niet scheiding van onderzoek en beleid het parool zijn, maar verbinding. Alleen dan vergroten we de kans dat onderzoek echt bijdraagt aan een beter beleid. Aan een helder frame van heilige onderzoekers en slinkse ambtenaren hebben we in ieder geval niets. 

Elfde #Triomf van de stad start in september 2019

december 10, 2018 by  

In september 2019 start de volgende editie van de leergang Triomf van de stad. Noteer de data: 26-27 september 2019, 31 oktober – 1 november 2019, 12-13 december 2019, 9-10 januari 2020, 13-14 februari 2020 en 19-20 maart 2020. Aan de folder wordt gewerkt. Voor een beschrijving van de rode draad van de leergang zie Triomf van de stad: rode draad. En om te zien wat de cursisten van de jaargang 2017-2018 voor mooie opdrachten hebben gemaakt zie hier: http://wqd.nl/nu9U.

Aanmelding via wimderksendh@gmail.com.

Triomf van de stad: de leergang

september 8, 2016 by  

 

triomf

 

 

 

 

 

 

 

 

De leergang

Sinds 2012 organiseer ik de leergang Triomf van de stad voor stedelijke strategen. Een keur van docenten wisselen prachtige praktijkcasus af. Om die reden slaan we onze tenten steeds weer in een andere stad op. Samen met Karen Ephraim zorg ik zelf voor de verbinding. De leergang beslaat zes modules van twee dagen. In september 2018 start de 10e groep. Voor nadere informatie zie:  Triomf van de stad 2018-2019 . Voor aanmelding kan men mailen naar: wimderksendh@gmail.com. In onderstaande essay geef ik de rode draad van de leergang weer, inclusief leervragen.

 

De rode draad

De woningprijzen in Amsterdam stijgen snel. Huizen worden boven de vraagprijs verkocht. Er wordt grof geld betaald om in die stad te mogen wonen. Ook andere steden gaat het momenteel voor de wind. Nog niet zo lang geleden was dat wel anders. In de jaren 60 verlieten veel inwoners hun steden. Dat was toen heel begrijpelijk. Veel steden waren vies en verpauperd. Hoeveel beter was het leven in de nieuwe groeikernen! Het is bijna onvoorstelbaar hoe hard de steden in die tijd zijn gekrompen. Nog steeds heeft Amsterdam minder inwoners dan in de jaren 50 en 60.

Toch was die trek naar het platteland, die suburbanisatie, een tijdelijk fenomeen. In het algemeen is niet ontstedelijking maar verstedelijking de norm. Mensen hebben de neiging naar steden te trekken. Op dit moment woont al meer dan de helft van de wereldbevolking in steden. En dat is niet zo vreemd, omdat in steden voor veel mensen werk is te vinden. Omdat de meeste bedrijven in steden zitten. Die bedrijven zitten daar om een hele simpele reden: in de stad zijn ze productiever. Ruimtelijk economen weten dat hetzelfde bedrijf buiten de stad 7% minder productief zou zijn. Daarom zitten bedrijven in de stad en trekken mensen van het platteland naar de stad.

Waarom is het bedrijf in de stad productiever? Er zijn drie goede redenen voor. Ze hebben allemaal te maken met ‘bevolkingsdichtheid’ en met ‘massa’. In jargon spreken we over: matching, sharing en learning.

  • Matching: bedrijven in de stad profiteren van de afzetmarkt in hun directe omgeving. Dat scheelt transportkosten. Minstens zo interessant is het feit dat de arbeidsmarkt in de steden veel beter is. Hoe meer mensen op reisafstand, hoe meer keuze je hebt en hoe beter je personeel. Er vindt een betere match plaats.
  • Sharing: omdat een stad veel andere bedrijven huisvest, is er een tweede voordeel: bedrijven kunnen zich specialiseren. Wat ze niet meer in huis hebben, kopen ze om de hoek bij een ander bedrijf in. En hoe meer specialisten hoe hoger de kwaliteit van het werk.
  • Learning: hoe meer bedrijven in de directe omgeving, hoe meer kansen om iets van elkaar te leren. En hoe groter de kans dat gezamenlijk nieuwe producten worden ontwikkeld. Denk ook aan de betekenis van universiteiten en andere kennisinstellingen voor het lokale bedrijfsleven.

Matching, sharing en learning zijn allemaal agglomeratievoordelen. Omdat er massa is, ontstaan voordelen, die bedrijven op het platteland ontberen.

Er is iets bijzonders aan de hand met agglomeratievoordelen. Ze zijn zelfversterkend. Omdat de productiviteit in de stad hoger is, zijn de lonen daar hoger. En vanwege die hogere lonen, worden betere mensen aangetrokken. En omdat die betere mensen komen, worden de lonen nog hoger en komen er nog meer betere mensen. Als dat vliegwiel eenmaal in beweging is, kan zo’n stad steeds productiever en steeds rijker worden. Het stijgen van huizenprijzen hoort daarbij. De hoogte van de huizenprijzen is zelfs één van de beste indicatoren voor de welvaart en het succes van een stad. Je moet gemeentebesturen dan ook wantrouwen als ze zeggen dat hun stad zo aantrekkelijk is omdat de huizenprijzen zo laag zijn. Als de huizenprijzen laag zijn, betekent dat maar één ding: de stad is niet aantrekkelijk genoeg.

De triomf van de stad is niet van alle tijden

Uit het voorgaande zou je kunnen opmaken, dat het alleen maar beter kan gaan met steden als dat vliegwiel eenmaal in beweging is. Maar dat vliegwiel is geen automatisme. Zie de teruggang van de steden in de jaren 60 en 70. Waren er toen geen agglomeratievoordelen die de productiviteit van de bedrijven in de steden opjoegen? Die waren er wel, maar twee andere factoren waren van meer gewicht. Zo kent een stad niet alleen agglomeratievoordelen, maar ook agglomeratienadelen. De ‘massa van de stad’ zet de kwaliteit van leven soms ernstig onder druk. Dat gold zeker in de jaren 60 toen de vele fabrieken in de steden het leefklimaat ernstig aantasten. Het leefklimaat in de stad kan zo slecht zijn dat mensen liever elders een minder interessante baan accepteren. Die afweging gaat inderdaad ten koste van de match van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. En leidt dus ook maatschappelijk gezien tot welvaartsverlies. Maar die mensen woonden nu eenmaal liever in een rustiek dorp dan in die vuile stad.

Maar er kwam nog iets interessants bij: juist in die tijd brak de auto door als vervoermiddel voor Jan en Alleman. En met de auto werd de stad ook goed bereikbaar vanuit de nieuwe groeikernen en vanuit het kleine rustieke dorp in het Groene Hart. Je zou kunnen zeggen: door de komst van de auto werden de agglomeraties gewoon veel groter. En hoefde je die interessante baan niet op te geven als je de stad verliet om ergens anders te gaan wonen. Dat gold al helemaal toen ook veel bedrijven de steden verlieten, om ergens aan de rand van de snelweg optimaal per auto bereikbaar te zijn.

Vanaf de jaren 80 is deze ontwikkeling geleidelijk weer omgeslagen. Ten eerste zijn de fabrieken in de steden gesloten. Er zijn overal nette industrieterreinen gekomen, die later werden omgedoopt tot bedrijventerreinen, toen de Nederlandse industrie in snel tempo inzakte en het stokje overdeed aan de zakelijke dienstverlening. De steden werden daardoor weer veel aantrekkelijker. Ook sloeg het politieke klimaat om. De gemeentebesturen begonnen hun steden weer te koesteren, in plaats van ze massaal gereed te maken voor het snelle autoverkeer. Stadsvernieuwing en later stedelijke vernieuwing kwamen in de plaats van sloop en verkeersdoorbraken. ‘Bouwen voor de buurt’ en historische karakteristieken voerden daarbij de boventoon. Omdat burgers zich prettiger voelden bij de geborgenheid van de oude stad dan bij de tochtgaten van de jaren 50 en 60. Bovendien maakte een krachtig beleid de steden weer veel veiliger. Zo verdwenen gaandeweg de agglomeratienadelen die velen op de vlucht hadden gejaagd.

Vanaf de eeuwwisseling heeft zich daar een krachtige factor bijgevoegd: het ontstaan van de ‘kenniseconomie’, ook wel aangeduid met ‘creatieve economie’. Kennis (en opleiding) werden steeds dominanter in de nieuwe economie. Het gaat tegenwoordig steeds minder om de eindeloze herhaling van de productie en steeds meer om het bewerkstelligen van unieke innovaties. En volgens velen, waaronder de econoom Ed Glaeser, zijn daarvoor face-to-face contacten van groot belang. Juist in dat rechtstreekse contact tussen mensen ontstaan nieuwe en onverwachtse producten. En producten moeten we hier heel breed opvatten. Van een format voor een nieuw TV programma tot een nieuwe beleggingshypotheek waarvan de burgers en vooral de banken beter worden.

Ook de rol van kennisinstellingen is in deze ontwikkeling sterk veranderd. Waren universiteiten bijvoorbeeld vroeger vooral opleidingsinstituten, tegenwoordig werken ze ook nauw samen met bedrijven die zich in de directe omgeving hebben gevestigd. Zo ontstaat het idee van de ‘campus’ en de ‘valley’. Op de High Tech Campus in Eindhoven ontstaan tal van innovaties op het snijvlak van bedrijven en TU/e. Hetzelfde geldt voor de FoodValley rondom de WUR in Wageningen. Amsterdam is met zijn twee universiteiten en al zijn kenniswerkers een campus op zich.

Zo keren oude patronen terug. De steden groeien weer. De jeugd trekt voor een opleiding naar de stad en reist na het afstuderen niet meteen verder naar een woning met een tuin in een voorstad. Of naar een opgeknapte arbeiderswoning tien kilometer verder. Dat waren de jaren 70. Toch is alles relatief, want nog altijd kent de stad voor mensen boven de 30 een vertrekoverschot: er verlaten nog steeds meer 30-ers en 40-ers de stad dan erin komen. Maar dit vertrekoverschot wordt op dit moment snel kleiner en weegt niet meer op tegen de massale vestingoverschot van alle jongeren.

Deze omslag versterkt niet alleen de positie van de steden, het verzwakt ook de positie van de voorsteden en met name van de voormalige groeikernen. De jeugd vertrekt vanuit de groeikernen naar de stad en de gehuwden en de jonge gezinnen komen veel minder vaak terug dan vroeger. Zo vergrijzen de voormalige groeikernen. Bovendien zijn het juist de rijkeren en hoger opgeleiden die in de stad blijven. Zo daalt ook langzaam het gemiddelde inkomen in de voormalige groeikernen, als ik deze gemeenten even over één kam mag scheren.

In ieder geval moeten de groeikernen alert zijn op de verdere ontwikkelingen. En ze moeten daarbij niet vergeten dat ze bestuurlijk zwakker staan dan enkele decennia geleden. Toen had iedereen ze nodig, het Rijk voor al die woningen en de steden voor het oplossen van regionale problemen die vooral in de steden neersloegen. Nu subsidieert het Rijk geen woning meer en verschuiven de problemen langzaam van de steden naar de randen. Ik kom daar nog op terug. Het wordt echt precair als de steden hun randgemeenten helemaal niet meer nodig hebben. Wie lost dan daar de nieuwe maatschappelijke problemen op?

De triomf van de stad geldt niet voor alle steden

Het jargon van de Triomf is niet aan gemeentebestuurders voorbij gegaan. Florida en Glaeser liggen op het nachtkastje en de afdeling Citymarketing noemt elk bedrijventerrein al een Campus en twee bedrijventerreinen een Valley. Daarbij verliezen ze uit het oog dat elke stad uniek is en elke stad dan zijn eigen kansen en niet de kansen van een ander moet grijpen. Maar ze vergeten ook dat die triomf aan sommige steden voorbij kan gaan. Dan krijgen al die woorden al snel iets leegs.

Het is niet moeilijk om een stad aan te wijzen die ten volle profiteert van bovenstaande ontwikkelingen, van de Triomf. Amsterdam. Maar wat in Amsterdam gebeurt, gebeurt niet in Heerlen, niet in Emmen, en ook niet zo maar in Enschede. En ook aan Rotterdam gaat de (echte) triomf nog steeds voorbij, ondanks het goede beleid en de blije berichten vanuit de Coolsingel. Wanneer doen steden het (ook op dit moment) minder goed? Ik noem drie factoren.

  • Ten eerste moet de lokale arbeidsmarkt aansluiten bij de sectoren die in opkomst zijn. Dat heeft alles met padafhankelijkheid te maken. Als je in een vorige fase succesvol was, hoeft dat niet te betekenen dat je nu meteen weer succesvol zal zijn. Simpel gezegd: met havenarbeiders en laaggeschoolden win je het niet in de nieuwe kenniseconomie.
  • Ten tweede: je stad moet met name voor de hoogopgeleiden een aantrekkelijk leefklimaat te bieden hebben. Met het aantrekken van bedrijven kom je er niet meer. Die relatie tussen wonen en werken is veel minder eenduidig dan vroeger. In de industriële tijd trokken de mensen naar de steden omdat daar werk was te vinden. Het wonen volgde het werken. Tegenwoordig vestigen bedrijven zich vooral daar waar de beste werknemers te vinden zijn. Dus als je als stad erin slaagt om de beste mensen aan je te binden, dan komen die bedrijven wel vanzelf. Werken volgt wonen. Anderen menen: werken volgt werken. In ieder geval gaat het om the place to be. En dat kan gaan om de High Tech Campus in Eindhoven, waar alle bedrijven en alle slimme werknemers bij elkaar willen zitten. Of om de aantrekkelijke binnensteden, waar veel geld wordt betaald voor een woning aan de gracht.
  • Ten derde: dat vliegwiel van de stedelijke economie is nog steeds van groot belang. En als het niet in beweging is, is het erg moeilijk in beweging te krijgen. Dan kan je wel proberen bedrijven te verleiden om zich in jouw stad te vestigen, maar dat zullen ze niet doen als jouw stad geen geschikte werknemers te bieden heeft. En dan kan je wel proberen om duurdere huizen te bouwen voor de duurdere, hoogopgeleide werknemers, maar die zullen die huizen niet kopen, als er te weinig banen voor hen zijn. De grote vraag voor het bestuur van Rotterdam is dan ook al jaren: wat moeten we doen om de afgestudeerden van de Erasmus Universiteit in de stad te houden? En dat de huizenprijzen in Rotterdam veel lager zijn dan in Amsterdam is geen pre. Het betekent alleen maar dat er veel meer mensen in Amsterdam willen wonen dan in Rotterdam.

De triomf van de stad geldt niet voor iedereen

En toch wonen er in Amsterdam nog steeds heel veel mensen onder de armoedegrens. Laat je dus niet door die triomf van de stad verblinden! Of misschien is dat woord ‘verblinden’ ook niet helemaal goed gekozen. Je kan beter zeggen: de triomf van de stad drukt alles wat minder opgeleid is en alles wat minder geld heeft, gewoon weg. Weg uit het centrum, weg uit de Ring. Want Amsterdam-West en Amsterdam-Zuidoost en delen van Amsterdam-Noord laten een heel ander Amsterdam zien. Daar zitten de mensen aan wie de triomf voorbij gaat. Vroeger woonden ze nog in de Pijp of in de Staatsliedenbuurt. Of nog vroeger in de Jordaan. Maar een proces van gentrification heeft ervoor gezorgd dat de huizenprijzen in deze wijken akelig snel zijn gestegen. De huizen zijn opgeknapt en de nieuwe hipsters hebben hun intrek genomen.

Het is evident: de triomf van de stad draagt bij aan een verdere segregatie in de stad. Het is niet de scheiding tussen autochtoon en allochtoon. Het is de scheiding tussen westers en niet-westers. De expats maken onderdeel uit van de triomf, het zijn overwegend de niet-westerse allochtonen die naar de randen van de steden worden gedreven en verdreven.

Die tweedeling manifesteerde zich ook bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen. In Amsterdam en Utrecht wonnen gegoede hoogopgeleide burgers het van de achterkant van de stad. GroenLinks was de grote winnaar als partij van de kosmopolitische, hoogopgeleide burger met een goed inkomen. Ook D66 dat uit dezelfde vijver vist, scoorde hoog. In het gespleten Den Haag won D66 bij de vorige verkiezingen nog met enkele honderden stemmen van de PVV, de partij van de nationalistische, lager-opgeleide burgers met een relatief laag inkomen. In 2018 won de lokale partij van Richard de Mos, die eerder voor de PVV in de Tweede Kamer zat. In Rotterdam won de achterkant van de triomf: Leefbaar is hier veruit de grootste partij. Je ziet de Triomf terug in de verkiezingsuitslagen.

Overigens kennen ook de wijken waar de achterkant van de triomf zo goed zichtbaar is, een grote dynamiek. Het zijn namelijk ook de wijken waar de immigranten binnenkomen. Het zijn de zogenaamd arrival neighbourhoods. Waar migranten neerstrijken omdat ze daar hun contacten hebben, omdat de huren laag zijn en omdat de kansen in de informele economie groter zijn. En veel migranten klimmen na een aantal jaren op. De stad als roltrap. En verhuizen naar een betere wijk of naar een randgemeente. Niet dat het gemiddelde van de slechte wijken daarvan beter wordt. Want de plek van de geslaagde migrant wordt vrijwel meteen ingenomen door nieuwe migranten, die weer onder aan de ladder moeten beginnen.

De triomf van de toerist en de triomf van de burger

De triomf is ons grotendeels overkomen. Geen gemeentebestuur kan claimen de triomf zelf te hebben veroorzaakt. Gemeentebesturen kunnen in het beste geval slechts bijsturen. En ze kunnen de randvoorwaarden voor verdere ontwikkeling gunstig maken. Zo is bereikbaarheid in de theorie van de agglomeratievoordelen een groot goed. Bereikbaarheid wordt ook wel uitgedrukt in het aantal banen dat binnen 45’ te bereiken is. De tijd die de gemiddelde werknemer bereid is te reizen naar zijn werk. Als de overheid erin slaagt om het aantal bereikbare banen te vergroten, zullen nog meer mensen een optimale baan vinden en zullen bedrijven nog productiever worden.

Daarnaast moet een gemeentebestuur er vooral voor zorgen dat het leefklimaat in de stad zo goed mogelijk is. Dat er een woning is te vinden voor de hoogopgeleiden die de stad aan zich moet binden. Dat die hoogopgeleiden in deze stad willen leven. Dat er veel cultuur is en veel vermaak. Hoogopgeleiden wonen graag in steden waar goede orkesten, goede poppodia en goede musea zijn. Ook als ze daarvan in de praktijk nauwelijks gebruik maken. En dat er veel groen is en weinig luchtvervuiling en weinig geluidsoverlast.

Maar tegelijkertijd doen zich agglomeratienadelen gelden als de leefkwaliteit in de stad te hoog wordt. En als er te veel cultuur en te veel festivals worden aangeboden. Want het zijn niet alleen de hoogopgeleiden die vanwege deze ‘amenities’ in de steden willen wonen, het zijn ook de toeristen die om die reden de stad willen bezoeken. Amsterdam kan er de laatste jaren over meepraten. De rolkoffers van de airbnb-ers zijn het symbool geworden van de overlast van de toeristen en van de irritatie van de bewoners.

En die toerist staat een beetje symbool voor de burger in het algemeen. Het mag waar zijn dat toeristen sommige delen van Amsterdam overspoelen, het zijn vooral de goedbetaalde hoogopgeleiden die de stad in hun bezit hebben genomen. Dat heeft ook grote gevolgen voor de relatie tussen de burger en het bestuur. Niet zelden hebben de nieuwe stadsbewoners de lokale overheid het nakijken gegeven. Zij weten uitstekend hun woordje te doen, zij kennen hun rechten en weten die ook af te dwingen, zij organiseren in hun eigen buurt de zaken die de gemeente laat liggen of uit haar handen laat vallen. Van de weeromstuit gaat de overheid praten over de ‘doe-democratie’ en de ‘energieke samenleving’. De overheid zou deze vormen van ‘zelforganisatie’ zelfs moeten stimuleren. Daarvoor lijkt weinig reden. De hoogopgeleide burger zit niet op dit soort paternalistische gevoelens te wachten. De triomf van de stad is in veel opzichten ook de triomf van de burger geweest.

Toch heeft niemand baat bij een ‘onzekere overheid’ die nota’s over zelforganisatie en doe-democratie schrijft. De samenleving is meer gediend bij een (lokale) overheid die weet ‘waar ze van is’, die weet welke taken onmiskenbaar overheidstaken zijn. Wat te denken van een goed scholings- en arbeidsmarktbeleid voor de buurten waaraan de triomf voorbij is gegaan. Wat te denken van een effectief beleid tegen de wietkwekerijen die welig tieren aan de randen van de steden? Wat te denken van de bestrijding van de ondermijning die gaandeweg met deze vormen van criminaliteit verbonden is geraakt?

De triomf vasthouden

Ik schreef al: de triomf is niet van alle tijden. Ook de toekomst van de stad is ongewis. Een terugslag als in de jaren 60 en 70 valt niet te voorspellen. Voorlopig moeten gemeentebesturen keihard werken aan de bereikbaarheid en de leefbaarheid van hun steden.

Maar hoe houden we het leefklimaat in de steden goed? Hoe zorgen we ervoor dat de hoger opgeleiden en de hogere inkomens in de steden willen blijven wonen? Één ding is duidelijk: de toekomst van de stad staat of valt met de vraag of we de stad klimaatbestendig weten te maken. Of klimaatneutraal. Of CO2-neutraal. Hoe we het ook willen noemen. De stad zal een belangrijke bijdrage moeten leveren aan de klimaatmitigatie, aan het afremmen en uiteindelijk aan het stoppen van de klimaatverandering. En de stad zal zich moeten aanpassen aan de veranderende klimaatomstandigheden (klimaatadaptatie).

De klimaatmitigatie vraagt het terugbrengen van de CO2-uitstoot tot 0, tot nul. Dat betekent dat de steden van fossiele energie moeten overgaan op zonne-energie, op windenergie, op geothermie. Dat zal ongetwijfeld samengaan met decentrale energieopwekking. Bovendien moet de bestaande bebouwing energiezuinig worden gemaakt. En zal de mobiliteit een geheel ander aanzien krijgen. Hoe ziet het stadsvervoer eruit als de zelfrijdende auto’s (duurzaam) elektrisch zijn aangedreven?

De klimaatadaptatie vraagt in alle steden om nieuwe oplossingen voor de wateropgave. Extreem weer met extreme hoeveelheden regenwater moet worden gepareerd. Bovendien zijn de temperaturen in de steden veel hoger dan buiten de stad. Als de temperaturen wereldwijd gaan stijgen, zullen de gemeenten meer moeten doen om leefbaar te blijven. Veel groen in de stad kan een bijdrage leveren aan het verlagen van de stedelijke temperaturen.

Het is eenvoudiger om deze viervoudige agenda even uit de mouw te schudden dan om haar te realiseren. Hier is echt sprake van een transitie. En transities laten zich niet zo maar op commando afroepen. Tot op heden spreken we vooral over transities als blijkt dat ze zich hebben voorgedaan.

 

De leergang en de leervragen 

Dit is het verhaal van de triomf van de stad. Dit is ook het verhaal van de leergang Triomf van de stad.  Het verhaal vertaalt zich in 6 modules van 2 dagen. In die 6 modules werken we aan een drietal leerdoelen: kennisnemen van de belangrijkste economische, sociale en culturele ontwikkelingen van steden; vertalen van deze kennis naar de eigen stad; ontwikkelen van een effectieve handelingspraktijk voor de eigen stad.

Module 1 – Stedelijke economie: Agglomeratie-effecten, veranderingen door de komst van de kenniseconomie, consumer-city, werken volgt wonen, met welk beleid kunnen we de triomf van de stad ondersteunen?

Module 2 – Demografie en wonen: demografische ontwikkelingen van steden en randgemeenten, van nieuwbouw in de groeikernen naar nieuwbouw in de grote stad, corporaties en wonen in achterstandswijken, regionale samenwerking tussen stad en randgemeenten.

Module 3 – De achterkant van de triomf: toenemende segregatie, immigranten en hun toekomst in Nederland, het effect van opgroeien in een achterstandswijk, effecten en neveneffecten van beleid voor achterstandswijken, onderwijs en gelijke kansen.

Module 4 – Leefklimaat en cultuur: welke ‘amenities’ maken een stad aantrekkelijk? Cultuur, voorzieningen, stedebouw. Maar het leefklimaat in de stad is niet voor iedereen zo positief. Denk aan verschillen in gezondheid. En wie aan het leefklimaat van steden denkt, denkt ook aan culturele verschillen. Hoe gaan we met die verschillen om?

Module 5 – De triomf van de burger: hoe om te gaan met burgers die zichzelf organiseren voor de publieke zaak. Waar is de overheid van? Hoe zorgen we dat ook mensen met een achterstand aanhaken. De ‘zelforganisatie’ van burgers is lang niet altijd in het publieke belang, denk aan criminaliteit en ondermijning.

Module 6 – De toekomst van de triomf: steden zullen alleen kunnen voortbestaan als ze klimaatbestendig zijn. Hoe realiseren we die transitie? Wat betekent dat bijvoorbeeld voor de mobiliteit? En de toekomstige steden zullen slim moeten zijn.

Debatteren met open vizier

november 19, 2013 by  

Ik stel het zeer op prijs als mensen reageren op mijn blogs. Debat dwingt je soms om je argument scherper te formuleren, debat leert je soms dat je een ander perspectief over het hoofd hebt gezien, debat leert je soms dat je een off day had. Dus: reacties zijn welkom. Hoe afwijkend ook: ze worden door mij geplaatst. Ik maak slechts twee voorbehouden voor het plaatsen van de reactie: schelden is niet toegestaan en er wordt met open vizier gestreden: anonieme reacties worden niet geplaatst. Bovendien houd ik me het recht voor om spelfouten te corrigeren. Ik maak er zelf al te veel.