De toekomst van de stad

juli 7, 2014 by  
Filed under De Stad

Inleiding

Steden doen het goed; steden triomferen. We kunnen het overal lezen. Het is waar en het is niet waar. Er is ook hier een achterkant van het gelijk. Niet alle steden triomferen en niet iedereen in de triomferende steden profiteert van het succes. Er blijven belangrijke opgaven over. In dit artikel schets ik zes ontwikkelingen die steden raken. En maak ik zes opmerkingen over adequaat beleid. Ik bepaal me tot Nederland. En raak het recente rapport van de RLi over de toekomst van de stad slechts zijdelings aan, omdat het rapport slechts zijdelings de thematiek weet te raken.

Ontwikkelingen

  1. De steden groeien, het achterland krimpt en ook de randgemeenten verliezen terrein. Verrassend genoeg staat in Nederland het thema ‘bevolkingskrimp’ op de beleidsagenda. Van krimp is in Nederland slechts regionaal sprake, en dan betreft het ook nog kleuterkrimp. De steden, en met name de Randstad blijven groeien. Dus niet krimp, maar urbanisatie is de dominante ontwikkeling in de demografie.
  2. De wereld wordt niet flat, maar spikey. Nabijheid lijkt eerder belangrijker te worden dan minder belangrijk. In de nieuwe economische wereld zijn face-to-face contacten van groot belang. Daarom groeien de steden in plaats van te krimpen. Bedrijven gaan steeds meer op zoek naar een gunstige arbeidsmarkt en omdat het werk steeds meer om hoogopgeleiden vraagt, trekken bedrijven steeds vaker naar steden om mensen te vinden, terwijl mensen n vroeger aar de stad trokken om werk te vinden.
  3. Die triomf van de stad heeft twee gezichten. De hogere inkomens en de hoger opgeleiden leggen steeds meer beslag op de binnensteden. Door gentrification worden aanpalende wijken ingepikt. De armoede verdwijnt buiten de ring of zelfs naar de randgemeenten. Zo telt Amsterdam relatief en absoluut nog steeds meer mensen onder de armoedegrens dan Rotterdam.
  4. Werken volgt wonen niet per definitie. Als er niks te doen valt, gaan de hoger opgeleiden er niet wonen. Veel studenten verlaten Rotterdam meteen na het afstuderen. Er zijn dus ook steden zonder vliegwiel. Het lijkt een zelfversterkend proces. Zie ook de verschillen in de lokale politiek. In de achterstandssteden domineert het nationalisme, in de triomferende steden het kosmopolitisme. Achtergesteld voelen versus hoge verwachtingen.
  5. De dynamiek in de immigratie en de integratie neemt toe. De immigratie verandert van karakter. De populatie wordt diverser, het aantal nationaliteiten neemt toe en het opleidingsniveau wordt gedifferentieerder. Het aantal gezinsherenigingen neemt af. De internationale kenniswerker dient zich aan. De dynamiek in de achterstandswijken is veel groter dan vaak wordt gedacht. Het uitkeringsniveau van Rotterdam-Zuid is momenteel gelijk aan het gemiddelde van de stad, door de enorme toestroom van MOE-landers met werk in de laatste jaren.
  6. De klimaatverandering ten gevolge van het broeikaseffect wordt steeds zichtbaarder. Dat stelt steden voor nieuwe opgaven, zowel in de sfeer van adaptatie als mitigatie. Er zijn veel lokale initiatieven voor duurzame energie, maar het levert nog onvoldoende op.

Adequaat beleid

Op veel ontwikkelingen hebben de nationale en de lokale overheid weinig invloed. Dat steden wereldwijd aan betekenis winnen heeft weinig met overheidsbeleid te maken en alles met veranderingen in de economische structuur. ‘Valleys’ komen meestal bij toeval tot stand en de overheden doen er vooral goed aan om eenmaal ontstane valleys verder te accommoderen. Het betekent niet dat overheidsbeleid geen kwaad kan. Zo hebben de Nederlandse steden een achterstand opgelopen doordat de overheid te lang vasthield aan het groeikernenbeleid en aan een minimum van 80% sociale huur bij nieuwbouw (tot in de jaren 90!). In de sfeer van het accommoderen is de opgave overigens groot. Ik geef zes overwegingen.

  1. Hoewel Amsterdam al enige jaren (hard) groeit zonder dat er een woning wordt gebouwd (hetgeen kan duiden op een nieuwe trend van gezinsverdichting), is het realistisch om uit te gaan van een omvangrijke behoefte aan nieuwe woningen. Er moet meer ruimte komen voor hogere inkomens, maar ook voor doorstromende migranten. En er moet ruimte blijven voor kansarmen. De woningcorporaties hebben zichzelf gedeeltelijk uitgeschakeld, het rijk stopt met het subsidiëren van nieuwbouw. De lokale overheden moeten nog veel grondposities afwaarderen. En de overheid doet er goed aan om burgers zelf te laten beslissen waar en hoe ze willen wonen. De lokale overheid heeft een belangrijke accommoderende rol: laat de stad organisch groeien binnen heldere stedebouwkundige kaders. Kantoren zijn mooie objecten voor vernieuwbouw. De gemeente als aanjager in plaats van struikelblok.
  2. Verdere verbetering van het klimaat voor de slimmen en de rijken is nodig om de stedelijke arbeidsmarkt verder te versterken. Op cultuur heeft de overheid enige invloed middels subsidies. Het aantrekken van onderwijsinstellingen (zoals Den Haag op knappe wijze delen van de Universiteit Leiden uit Leiden losweekt en Almere een HBO aan zich wist te binden) kan veel betekenen. Net zoals ruimte voor jonge ondernemers en een verdere versterking van de eigen identiteit. Maar Amsterdam is de laatste decennia niet gaan floreren en Rotterdam is niet achtergebleven omdat het Amsterdamse stadsbestuur zoveel beter was dan het Rotterdamse. Soms heb je gewoon geluk en moet je het geluk niet in de weg gaan staan. Als veel starters behoefte hebben aan bedrijfsruimte, komt die ook wel vanzelf. En het proces van gentrification is nog nergens ter wereld door de overheid geïnitieerd.
  3. Het idee van borrowed size, dat ook zo’n centrale plaats inneemt in het RLi-advies over de stad, roept bij mij vooral verbazing op. Het idee is tamelijk simpel: als mijn stad te klein is, word ik dan niet groter als ik het inwonertal van de naburige stad erbij op mag tellen? Het doet me denken aan het dolle plan om de universiteiten van Leiden, Rotterdam en Delft onder één holding te brengen. Natuurlijk, die ene universiteit scoort op de lijstjes met artikelen en citaties hoger dan één van de oude drie, maar het geheel is zonder verdere integratie nooit meer dan de som der delen! De economie van Rotterdam wordt ook niet beter als het bestuur van de stad een samenwerkingsovereenkomst sluit met Den Haag, met Amersfoort of met Groningen. De economie van Rotterdam wordt alleen beter als de stedelijke arbeidsmarkt in Rotterdam aantrekkelijker wordt. Bereikbaarheid kan daarbij helpen. Dus als de vervoersverbindingen tussen Den Haag en Rotterdam (nog!) beter zouden worden, zou de Rotterdamse arbeidsmarkt van de Haagse kunnen profiteren. Maar dat heeft niets met borrowed size te maken, maar alles met het versterken van agglomeratie-effecten.
  4. De grootste opgave voor triomferende steden ligt niet bij de triomf, maar bij al degenen die de triomf van de eigen stad niet meemaken. Uiteindelijk gaat de ongelijkheid ten koste van de welvaart, ook in de steden. De kosten van de armoede en de werkloosheid drukken op de stad als geheel. En waar kansarmen kansen worden onthouden, missen we kansen om de stedelijke arbeidsmarkt te versterken. Misschien vragen de mensen in de achterstandswijken daarom wel veel meer aandacht van het stedelijk bestuur dan de kenniswerkers uit de binnenstad. Voor mij gaat het daarbij meer om de mensen dan om de wijken. Arrival neighborhoods zullen altijd laag scoren. Het gaat erom dat mensen uit de achterstandswijken zich kunnen ontwikkelen en hun wijk voor een betere kunnen inruilen. Wie het beleid te zeer op de wijk richt, loopt bovendien het gevaar dat de wijk te duur wordt voor de oorspronkelijke bewoners. In de wereld van waterbedden en roltrappen hebben mensen meer aan een opleiding en een baan dan aan een hogere huur bij een lage uitkering.
  5. Waar de triomferende steden bijna vanzelf lijken te groeien en te bloeien, zijn onorthodoxe maatregelen nodig om de achterstandssteden een positieve wending te laten maken. In dat opzicht is het maar de vraag of Heerlen de wiet-bijverdienste van de bevolking zo dringend moet bestrijden. Ook de Tilburgse bevolking kan die miljoenen goed gebruiken. Het wordt er niet beter op dat de nieuwe lokale elite in de achterstandssteden zo gefocust is op veiligheid en het gebrek aan integratie. Je maakt een stad niet aantrekkelijker door steeds te roepen dat je ‘alle slechte lijstjes aanvoert’. Gratis kluswoningen zijn een beter alternatief. En regelvrije zones en sectoren. Wat zou studenten van de Erasmus, van de Universiteit Tilburg en van de Universiteit Twente kunnen doen besluiten om hun stad niet meteen na het afstuderen te verlaten. Sta alles toe wat God aanvankelijk heeft verboden. En rechtsgelijkheid is alleen mooi als je je dat kan permitteren.
  6. De duurzaamheid gaat niet vanzelf. Zelforganisatie en ‘energieke samenleving’ zijn nogal eens schaamlappen van een overheid die zelf te weinig doortast. In de big society kiest de overheid ervoor om zich over veel zaken geen zorgen meer te maken. In ons geval hoopt de overheid dat zelforganisatie een oplossing biedt waar zij zelf tekort schiet. De boeiende vraag luidt: waarom zou de overheid zich bezighouden met zaken die de samenleving geheel zelf kan oplossen? Mijn antwoord is simpel: alle maatschappelijke belangen die door de samenleving worden bediend, hebben geen overheidsbemoeienis nodig. En omgekeerd: als er overheidsbemoeienis nodig is, kan de samenleving het alleen niet aan. De overheid doet er beter aan burgers en bedrijven die op weg zijn naar duurzaamheid, actief te helpen door het wegnemen van juridische belemmeringen.

 

[Deze tekst verscheen in de S+RO-special ‘Crisis voorbij’, S+RO, 2014/4, pp 20-23]

Over segregatie in de steden van @Platform31

februari 25, 2014 by  
Filed under artikel, De Stad

Soort zoekt soort. Zo luidt de titel van een rapport dat Platform31 in samenwerking met de VU heeft uitgebracht. Het rapport is een bundel; een bundel van artikelen van verschillende auteurs. Dat heeft altijd een groot gevaar: welke conclusie moeten we nu uit al die stukjes trekken? Ik geef toe: voor de leesbaarheid is het aantrekkelijk. Veel korte stukjes van veel leuke auteurs met veel foto’s en plaatjes. Maar als wetenschapper zou ik willen weten wat ik na lezing meer weet dan ervoor. Op dat punt had het rapport aan scherpte kunnen winnen.

Soort zoekt soort. Dat is niet nieuw. Maar de scheidslijnen zijn wel aan het veranderen. Speelde vroeger religie een grotere rol bij de ‘ruimtelijke uitsortering’, tegenwoordig gaat het vooral om opleiding en daaraan gekoppeld inkomen. De hoger-opgeleiden treffen elkaar steeds meer in de steden, en binnen de steden in bepaalde wijken. Zoals er andere wijken zijn waar de migranten hun eerste schrede op de Nederlandse maatschappelijke ladder zetten. En wijken waar autochtonen naar alle waarschijnlijkheid nooit meer een kans zullen krijgen.

Ruimtelijke economen leren ons dat de eerste clustering positief is voor de samenleving. Clustering van talent, van hoge opleidingen, van creativiteit is goed voor de economische groei. Ondanks het bestaan van allerlei virtuele gemeenschappen, is het face-to-face-contact vaak cruciaal voor de echte innovatie. En innovaties zorgen voor een verhoging van de arbeidsproductiviteit en die zorgt op zich weer voor een hoger BNP.

Je zou zeggen dat clustering aan de onderkant ook voordelen heeft. Voor migranten is het van belang om aansluiting te krijgen bij hun eigen netwerk (voor een deel familie). Dat netwerk zorgt soms voor informeel werk en kan nieuwkomers  op gang helpen. Saunders heeft daarover mooi geschreven in zijn boek over the arrival cities en over arrival neigbourhoods. Aan de andere kant is denkbaar dat juist de cumulatie van problemen in achterstandswijken de kansen voor de bewoners om maatschappelijk te slagen kleiner maken. In de wetenschap spreken we in dit verband over het buurteffect. Veel beleidsmakers zijn overtuigd van het bestaan van dit effect van de buurt op de kansen van hun bewoners. Daarom is het beleid er vaak op gericht om wijken op te knappen.

Helaas voor hen, voor het buurteffect ontbreekt nog steeds overtuigend bewijs. Jaco Dagevos mag in dit rapport nogmaals aantonen dat allochtonen meer contact hebben met autochtonen, naarmate er meer autochtonen in hun wijk wonen, maar daarmee is nog niet bewezen dat hun maatschappelijke kansen door dat contact ook daadwerkelijk worden vergroot (nog afgezien van de evidentie van het onderzoeksresultaat). Maarten van Ham wijst hier terecht op een ander effect: het selectieeffect. Veel mensen wonen in achterstandswijken omdat ze werkloos zijn en in armoede leven. Natuurlijk is er een relatie tussen werkloosheid en achterstandswijken. Maar daarmee nog niet meteen een causale relatie. En als die causale relatie zou bestaan, zou die wel eens omgekeerd kunnen zijn aan hetgeen veel beleidsmakers denken: omdat ik werkloos ben woon ik in een achterstandswijk.

Die conclusie is niet nieuw. Maar haalt wel het fundament weg onder het mengen van wijken. Ik volg het heldere stuk van Van Ham in de bundel. Hij stelt dat het ‘opzettelijk mengen’ van wijken door sociale huurwoningen te slopen en te vervangen door duurdere koopwoningen geen positieve effecten heeft op de sociale stijging van de oorspronkelijke bewoners. ‘Mengen om daarmee sociale stijging te bereiken, is daarom onzin.’ Als je de wijk wilt veranderen, heeft het vervangen van sociale huurwoningen door duurdere koopwoningen vanzelfsprekend wel zin, schrijft Van Ham. Daarmee zal het percentage werklozen in de wijk duidelijk afnemen. Maar niet omdat de oorspronkelijke bewoners een baan krijgen, maar omdat ze vertrekken naar een andere achterstandswijk, waar nog wel plek voor hen is. Waarmee ze ook nog eens hun sociale netwerk kwijt raken. Spreiden is dus symptoombestrijding. Van Ham concludeert: ‘Concentraties van armoede zijn een symptoom van ongelijkheid en het gevolg van armoede, niet de oorzaak. Om deze ongelijkheid aan te pakken en de sociale mobiliteit te bevorderen zijn niet investeringen in buurten nodig, maar voornamelijk investeringen in scholing en opleiding.’

Is dit ook de conclusie van het boek? De redacteuren trekken inderdaad in het slothoofdstuk dezelfde conclusie: inzetten op scholing is beter dan het aanpakken van probleemwijken. Dat lijkt me een ongemakkelijk waarheid. Het is dan ook jammer dat deze conclusie zodanig in de slotbeschouwing verpakt zit, dat alle kans wordt geboden om erover heen te lezen.

Waarom willen we de achterbuurten niet zien

november 9, 2013 by  
Filed under De Stad

katendrecht-blokbeeld-1Ok, Katendrecht is nog geen Oostelijk Havengebied en zal dat waarschijnlijk ook nooit worden. Maar het huidige Katendrecht op Rotterdam Zuid is wel een wereld van verschil met het Katendrecht van 20 jaar geleden. Toen een cultuur van armoede en werkloosheid, nu ’sfeervol wonen aan de Maas’. Boeiende huizen met andere bewoners. Het contrast met de naastgelegen Afrikaanderwijk is groot. Afrikaanderwijk is een ’focuswijk’, eerder een ’krachtwijk’ en bovenal een achterstandswijk. Veel allochtonen, hoge werkloosheid, lage inkomens en in het algemeen weinig opleiding.

Op het eerste gezicht is Katendrecht een succes van gemeentelijk beleid en vraagt de Afrikaanderwijk om eenzelfde aanpak. Dat zou zeker zo zijn als in beide wijken nog steeds dezelfde mensen zouden wonen. Maar dat is niet het geval. In Katendrecht zijn het niet de oude bewoners die de fraaie herenhuizen aan de Maas bevolken, maar hoger opgeleiden met een hoger inkomen die van elders komen. De oorspronkelijke bewoners hebben al voor een deel plaatsgemaakt en zijn naar elders vertrokken. En ook die zwakke Afrikaanderwijk is niet zo statisch als misschien lijkt. Zoals het SCP onlangs nog weer eens heeft beschreven is de sociale stijging in de achterstandswijken minstens zo hoog als elders in de stad. Uit een oudere studie van het PBL bleek ook al dat in 6 jaar 30% van de bewoners van de achterstandswijken verhuist naar een betere wijk. Omdat ze inmiddels een baan hebben en/of meer zijn gaan verdienen.

Deze feiten plaatsen ons voor een dilemma. Gaat het er nu om de wijk beter te maken of gaat het om de mensen? Het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid bekommert zich om mensen maar lijkt vooral in te zetten op de verbetering van wijken. Het gemiddelde van Rotterdam-Zuid moet in 20 jaar op het niveau liggen van het gemiddelde van de G4 (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht). Nu is streven naar een gemiddelde van de G4 natuurlijk op zich al onzinnig. Alsof er niet altijd verschillen tussen wijken zullen blijven bestaan. Maar erger is dat de dynamiek tussen de wijken lijkt te worden vergeten. Stel nu eens dat geheel Rotterdam Zuid op een modaal niveau kan worden getild, waar zijn dan de oorspronkelijke bewoners gebleven? Zijn die ook op modaal niveau getild, of hebben zij elders hun heil moeten zoeken omdat de huren inmiddels te hoog zijn geworden? Het waterbed-effect ten voeten uit.

En het gaat niet alleen om de mensen die vertrekken, maar ook om de mensen die steeds weer toestromen in dit soort wijken. Want waarom blijft het gemiddelde in de achterstandswijken in de grote steden zo beroerd, terwijl zoveel bewoners persoonlijk vooruitgang boeken? Omdat de plekken van de succesvollen weer worden ingenomen door nieuwe kansarmen, meestal uit het buitenland. Voor Rotterdam Zuid waren dat eerst de Brabanders, toen de Turken en de Marokkanen en tegenwoordig de Polen en de Roemenen, en volgend jaar wellicht de Bulgaren. Achterstandswijken zijn immers bij uitstek arrival neighbourhoods. Het is de plek waar nieuwkomers een huis weten te vinden, waar nieuwkomers een cultuur vinden waarin ze zich nog enigszins thuis voelen. Het zijn de wijken waar de ingang naar informeel werk (en soms naar crimineel gedrag) makkelijk is te vinden. Je kan het ook positiever zeggen: het is de plek waar kansarmen hun eerste kansen krijgen.

Ook ik word treurig van de aanblik van de Afrikaanderwijk. Verwaarlozing en verpaupering doen pijn aan de ogen. Maar het perspectief van een nieuwkomer kan wel eens heel anders zijn. Voor hem is een huis met een lage huur beter dan een pension. En voor hem is werk belangrijker dan het bijna burgerlijke ’schoon, heel en veilig’ dat de gemeente nu al decennia in deze wijken najaagt. Met welk perspectief kijkt de overheid eigenlijk naar achterstandswijken? Wil ze de armoede en de werkloosheid aanpakken, of wil ze de armoede en de werkloosheid niet zien? Het zijn vragen, ik heb nog onvoldoende antwoorden. Ik weet alleen dat ook ik liever het huidige Katendrecht in de novemberzon zie liggen, dan dat ik de grauwheid van Afrikaanderwijk moet betreden.

En omdat ik het antwoord op mijn eigen vragen niet weet, klamp ik me graag vast aan drie tegenwerpingen die hier kunnen worden gemaakt. Zo worden er veel huizen gesloopt in de achterstandswijken om plaats te maken voor betere woningen. Wanneer daar alleen maar mensen van elders komen wonen, gaat het gemiddelde van de wijk wel omhoog, maar niet de positie van de oorspronkelijke bewoners, zo heb ik eerder al aangegeven. Maar als die betere woningen nu eens kansen bieden aan de oorspronkelijke bewoners, die inmiddels werk hebben gekregen en een hoger inkomen hebben te besteden? Zou het niet goed zijn als zij een wooncarrière kunnen maken in hun eigen wijk? Het is de redenering die in Den Haag en in de stadhuizen vaak wordt gevolgd. Maar in feite stoelt die redenering op twee twijfelachtige argumenten: door in de eigen wijk te blijven wonen haalt de ’sociale stijger’ het gemiddelde van de wijk omhoog én kan hij tussen zijn eigen mensen blijven wonnen. Maar waarom zouden mensen die zich verbeteren niet naar een betere wijk mogen verhuizen? Dat willen we toch allemaal? Het is in ieder geval te gemakkelijk om vanuit een comfortabele doorzonwoning of nog beter, te bepalen dat ’die mensen’ beter in hun eigen wijk een ’wooncarrière’ kunnen maken.

Een tweede tegenwerping: hoe beter de buurt hoe groter de kansen van de inwoners om werk te vinden, carrière te maken, zich te verbeteren. Daarmee wordt verondersteld dat er een buurteffect is: juist de concentratie van problemen verergert de situatie. Maar is dat werkelijk zo? Zijn mensen in probleemwijken vaker werkloos omdat ze gemiddeld genomen vaker laagopgeleid zijn, of zijn deze mensen ook vaker werkloos omdat ze in die probleemwijk wonen. Is er meer schooluitval in probleemwijken omdat de kinderen in het algemeen uit een zwakker milieu komen, of is er meer schooluitval omdat ook het kind van de buren zijn school niet afmaakt.

Uit eerder onderzoek blijkt dat dit zogenaamde buurteffect in Nederland nauwelijks bestaat als het gaat om arbeidsmarkt, werkloosheid en armoede. Je wordt niet werkloos omdat je buurman werkloos is, maar omdat je te laag bent opgeleid en geen Nederlands spreekt. En werklozen hebben niet zelden een werkloze buurman omdat zij beiden alleen slechte huizen in slechte wijken kunnen betalen. Grof gezegd: mensen zijn niet werkloos omdat ze in een achterstandswijk wonen, maar mensen wonen in een achterstandswijk omdat ze werkloos zijn (of: nog geen werk hebben).

Uit onderzoek van het SCP blijkt ook dat ‘interetnisch’ contact voor meer dan 85% wordt bepaald door andere factoren, als opleiding en het spreken van de taal. Dat is voor beleidsmakers zeer relevant: om het contact tussen migranten en autochtonen te bevorderen is het vele malen effectiever om migranten de Nederlandse taal te leren en beter op te leiden, dan moeizame pogingen te doen om wijken meer te mengen.

Ik weet: het is moeilijk dit soort conclusies te accepteren. Het moet toch waar zijn dat wie in een cultuur van werkloosheid leeft, minder snel een baan zal krijgen. Maar het is goed om een onderscheid te maken tussen het gebrek aan kansen dat mensen hebben en de invloed van de wijk op die kansen. En misschien wordt de werkloosheidscultuur soms ook wel gecompenseerd door de kansen die juist de achterstandswijken aan nieuwkomers bieden: daar kan je je wegwijs laten maken door mensen die een jaar eerder zijn aangekomen, daar vind je gemakkelijker toegang tot informele arbeid, daar vind je beschutting, ook of juist tegen de overheid.

De belangrijkste tegenwerping bewaar ik voor het einde: er wonen niet alleen maar sociale stijgers in achterstandswijken. Er zijn ook veel blijvers. De achterstandswijken zijn bepaald niet alleen maar tussenstations naar betere wijken. Voor velen is het een eindstation. Maar voor hen geldt in feite hetzelfde: ze hebben behoefte aan onderwijs, aan het leren van de taal en aan werk. En als ze dat werk niet vinden hebben ze behoefte aan betaalbare woningen. Aan inkomen. En aan een rijke buurman hebben ze weinig.

Daarmee blijft de stelling overeind: niet de wijk moet centraal staan maar de mens. Goed onderwijs is in achterstandswijken belangrijker dan nieuwe woningen. Taalcursussen zijn belangrijker dan schoon, heel en veilig. Alles gericht op het vinden van werk. En als mensen naar een betere wijk verhuizen, moeten we dat weer als indicatie van succes gaan zien, in plaats van als een aanval op het statistisch gemiddelde van de wijk. Nee, het moet gaan om de mensen, niet om de wijken.