Zef Hemel als kind van Amsterdam @ZefHemel

februari 22, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

 

Gesprek met Zef Hemel

Zef Hemel schreef een mooi boek over ‘de toekomst van de stad’. Het is een informatief boek, het staat vol met mooie verhalen. Het is een heel rijk boek. Het geeft een mooi beeld van het ontstaan van steden. Het is ook een bevlogen boek. Hemel meent dat Amsterdam veel harder zou moeten groeien. In de pers sprak Zef Hemel zelfs over 2 miljoen inwoners. Ik noem dat een romantisch ideaal, omdat het wetenschappelijk bewijs voor die 2 miljoen inwoners ontbreekt. Ik schreef dan ook al tweemaal een kritische blog over Zef en zijn boek.

Maar tegelijkertijd is ook waar dat je met straffe significantieniveaus geen stad maakt. Voor de ontwikkeling van een stad heb je een ziener nodig. Van een ziener valt alleen achteraf vast te stellen dat hij er geheel naast zat. En Zef is vooral een ziener. Dat waardeer ik en om die reden ben ik met hem gaan praten.

Drenthe

Zef en ik zijn allebei Drent. Hij komt uit Emmen en ik uit Meppel. We hebben allebei in Groningen gestudeerd. Hij vijf jaar na mij. Het is goed dat we daarmee starten. Met Drenthe en Amsterdam. Het lijkt alsof het boek een soort bevrijding is van Hemel. Hij zegt eerlijk: het boek gaat over mij. Over mijn leven. Wat ik als planoloog geleerd heb. Ik blik terug.

En Hemel wil weg uit Emmen. Dat is duidelijk. Zijn hele boek is één pleidooi voor grootstedelijkheid. Hij definieert dat als complexiteit. “En complexiteit is beschaving.” Ik vraag naar het waarom van deze schijnbaar onweerlegbare stelling. Zef zegt: Ja beschaving is stedelijkheid. Het platteland zelf genereert geen beschaving, dat doet de stad. Daarom wil ik weten hoe steden zijn ontstaat. Voedsel en drinkwater zijn het begin van elke stad. En het platteland is een uitvinding van steden. Mijn boek is daarmee echt een scheppingsverhaal van de stad. Maar het gaat ook echt over de geboorte en bloei van beschavingen en die schuilt in grootstedelijkheid. Het boek is een lofzang op complexiteit.

Ook ik heb Drenthe mentaal verlaten, maar het afscheid van Zef is wel erg bruusk. Daarom vraag ik wat er mis is met Emmen. Hemel: Er is niks mis met Emmen. Ik kende daar vrijwel iedereen. Mijn ouders wonen er. Ik kom er nog steeds. Ik heb me afgevraagd: in wat voor beschaving ben ik opgegroeid. Ik ben niks tekort gekomen, maar ik voelde een gemis. In 1962 kregen wij thuis televisie. Wij waren de eerste generatie met zo’n toestel. Toen zag ik Amsterdam, ik zag de wereld. Daar wilde ik naar toe. In Emmen was één bioscoop, met Dik Trom in het hoofdprogramma. Ik heb Emmen altijd als een kolonie gezien. Je kan het ook wingewest noemen, een gebied dat toelevert aan steden.

Vergeet niet: mijn grootvader begon als veengraver, was politiek actief in de drankbestrijding, werd vakbondsleider, later provinciaal bestuurder. Zijn zoon – mijn vader – moest een koloniale oorlog vechten in Nederlands Indië. Toen hij terugkwam was het veen weg. Er werd door de regering een fabriek neergezet, met veel subsidies. Mijn vader moest daar aan het werk. Weer koloniale uitbuiting. Toen ik ging studeren in Groningen, in 1975, sloot die fabriek. Veel fabrieken sloten in die tijd. Sindsdien groeit weer de werkloosheid. Groningen was een interessante microkosmos. Maar het is een studentenstad. En toen kwam Amsterdam. En ook dat blijkt een tussenfase. Na vijfendertig jaar wil ik hier ook liefst weg.

Ik vraag Hemel of hij dit boek had kunnen schrijven als hij niet in Emmen had gewoond? Hemel: dat is een interessante vraag. Dat weet je nooit. Maar ik heb dit boek zo geschreven omdat ik dit leven heb geleid. Natuurlijk, het is een heel persoonlijk document. Nee, het is geen wetenschappelijk werk.

De stad is rijker leven

Hemel schrijft lyrisch over de stad in zijn boek. De stad: dat is rijker leven. Grote steden zijn beter voor mensen. Grootstedelijkheid maakt mensen vrij. Ik vraag hem hoe hij dat allemaal zo zeker weet. Hemel: Dat zijn ontboezemingen. Maar veel mensen ervaren het ook zo. De stad maakt vrij, omdat er niet te veel sociale cohesie is. Te veel sociale cohesie is niet goed. In een stad kan je als individu alle gradaties van sociale cohesie aantreffen, waaruit je kunt kiezen. In de grootstad ben je teruggeworpen op jezelf. Het is helemaal jouw eigen verantwoordelijkheid om in de wereld te stappen en verbindingen te leggen. Alle mogelijkheden liggen aan je voeten.

Is dat niet een beetje kil? Is daar nog wel solidariteit? Hemel: Dat is een persoonlijke keuze. Je bent in de stad bevrijd uit het dwingende dorpse verband. Die kleine gemeenschap waar iedereen elkaar kent.

Ik prijs me gelukkig met een auteur die in ‘het echt’ al even romantisch denkt over de stad als in zijn boek. De stad komt voor hem vooral overeen met voordelen, met agglomeratievoordelen. Ik werp hem tegen dat het begrip agglomeratienadeel nergens wordt genoemd, terwijl de theorie daar toch heel duidelijk over is. Een grotere schaal betekent ook nadelen, als congestie, stank, overlast, criminaliteit. Hemel: Ja, die kritiek heb ik al gekregen. Kijk, het boek is een pleidooi. Ik wilde me uitspreken. Iedereen graaft in zijn geheugen. Dat kan niet anders. Het is mijn boekenkast, het gaat over mijn leven. Maar die agglomeratienadelen zitten er wel degelijk in! Maar de agglomeratievoordelen zijn groter, zij lossen de problemen in steden altijd razendsnel op.

Volgens Hemel zijn steden niet alleen rijker, maar ook duurzamer. Ik suggereer voorzichtig dat windmolens vooral op zee succesvol zijn. Nee, zegt Hemel, die windmolens op zee zijn niet echt duurzaam. Dat is een ingenieurs-oplossing. Echt duurzaamheid bereik je door de stad te vergroten. Dan gebruiken mensen alles intensiever. De infrastructuur. De voorzieningen die mensen met elkaar delen. Je eet op straat, je hebt geen keuken meer nodig. Je gebruikt minder vierkante meters. Kijk in Aziatische steden. In Tokyo slapen ze in een cabine, op een paar vierkante meter. Dat is super duurzaam. Het probleem is: we hebben te veel mensen. In steden hebben die talloze mensen geen auto meer nodig! Ja, ik ga het liefste in Tokyo wonen, dat is mijn droom. Dat wil ik nog meemaken.Ik vind al die discussies over duurzaamheid eigenlijk maar windowdressing. Het is grootstedelijkheid, als de allerhoogste vorm van beschaving met de kleinste ecologische voetafdruk en de allergrootste rijkdom die de natuur ons aanbiedt. Een metropool is bovendien het allermooiste.

Hoe kan Nederland bestaan

Economen zijn het met Hemel eens: in steden zijn mensen productiever dan buiten steden. Toch doemt er een levensgrote vraag op als we de redenering van Hemel tot het einde volgen. Dan zou Nederland niet zo welvarend kunnen zijn. Wij hebben geen grote steden, we hebben Amsterdam en dat telt nog niet eens een miljoen inwoners. Hoe kan dat? Wat is er dan waar van Zef’s verhaal? Hemel: Ja, die vraag is interessant. Misschien dat ik daarom ook niet begrepen word. Die vraag roep ik wel op. Daar ben ik nu mee bezig. In Nederland leven we van handel. We zijn een belastingparadijs. We zijn oliesjeik met ons aardgas. We hebben onze koloniën geplunderd. We hebben een economie gebaseerd op logistiek, agrifood en chemie. Schiphol is een slimme truc, net zoals de Europoort en de Maasvlakte. Al die datacenters, alweer zo’n truc. We zijn dus slim, maar zonder steden te bouwen zijn we toch heel rijk geworden.

Ik reageer: Je hebt dus geen grote steden nodig. Hemel: zoals wij nu leven is apert niet duurzaam, dit is gewoon niet houdbaar. Amsterdam was indertijd één van de grootste steden ter wereld. In de negentiende eeuw klopte alles nog, zoals Amsterdam en Rotterdam destijds snel groeiden. De cesuur zit rond 1929. Toen ging het mis. Toen zijn we gestopt met steden bouwen. Toen zijn we gaan herverdelen, ruimtelijk spreiden, verdelende rechtvaardigheid voorop stellen met de komst van het Gemeentefonds.

Geen herverdeling tussen stad en land

Ik houd Hemel voor dat herverdeling, fundamenteel de herverdeling van de verzorgingsstaat grote economische voordelen heeft gehad. Als iedereen mag meedoen, heeft dat toch veel voordelen? Hemel: Dat is het construct van de verzorgingsstaat. Daar ben ik trouwens ook een kind van. Maar daar zet ik vraagtekens bij. Ik spiegel hem in mijn boek aan de Sovjet Unie. We waren in een wedloop met het Oosten. Gelijkheid stond in Oost en West hoog in het vaandel. Met de verzorgingsstaat wilden we de Sovjets zelfs aftroeven. Achter het IJzeren Gordijn is de boel in 1989 uit elkaar gevallen. Nu verbrokkelt het ook hier. De verzorgingsstaat was een utopie. Het is gewoon niet gelukt. Al die herverdeling tussen stad en ommeland werkt niet. Laat de stad groeien en rijkdom vergaren.

Waarom zou het ommeland daar beter van worden? Hemel: De groei van de steden ontlast al eeuwen het ommeland. Vergeet niet: 80% van het ommeland in Nederland is al stad geworden. Alles is hier gesuburbaniseerd.. Er is dus geen enkele reden om het niet naar de stad toe te vegen. Dat is veel duurzamer, spannender ook, en het brengt meer welvaart. Dus doe niet zo nostalgisch over dat platteland. Dat het krimpt. Het zijn allemaal stedelijke types die daar wonen. Laat de steden hun werk doen! De kinderen in Assen willen allemaal naar Amsterdam. Eigenlijk willen veel mensen daar weg. Bestuurders proberen dat tegen te houden. Maar de mensenwillen iets anders.

Hemel heeft zelf namens de gemeente Amsterdam geadviseerd in Delfzijl. Hij is er een aantal keren geweest. Ik vraag hem hoe zo’n wingewest van de stad beter wordt. Hemel: Je moet daar als het ware teruggaan in de tijd. Krimpen is als monumentenzorg plegen. Je moet veel afbreken, maar het mooie laten staan en een nieuwe functie geven. Dat is een natuurlijk proces. Ja, die Eemshaven doet het wel goed. Maar die heeft weinig met Delfzijl te maken. De werkers in de noordelijke havens zijn hoogopgeleide types die bijna allemaal in Groningen wonen.

De groeikernen als abberatie

Vanaf de jaren 60 zijn we in Nederland groeikernen gaan bouwen, om de steden te ontlasten. Persoonlijk heb ik niet veel met die groeikernen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat we door het bouwen van groeikernen de grote steden groeikansen hebben ontnomen. Stel je voor dat al die mensen in de steden waren blijven wonen. Het huidige snelgroeiende Amsterdam heeft de aderlating van de groeikernen nog steeds niet ingehaald. Er zijn ook mensen die menen dat die groeikernen door de steden zelf gewenst waren. Om de verkrotte wijken te kunnen slopen. Amsterdam zou ook voor dit beleid van ‘gebundelde deconcentratie’ zijn geweest. In zijn boek doet Hemel alsof in1984 op dringend verzoek van Amsterdam eindelijk een einde kwam aan de ‘onttakeling’ van de stad. Was het groeikernenbeleid nu alleen een idee van het Rijk of steunden de steden dat beleid ook. Hemel: Wethouder Roel de Wit wilde dat rijksbeleid volgen. Joop den Uyl wilde er als wethouder van Amsterdam nog niet aan. Joop had nog een grootstedelijke agenda. En toen kwam Roel. En toen sloeg het om. Nee, Roel was een natuurbeschermer.

Maar had de stad deze ontlasting dan niet nodig? Hemel: al sinds 1929 wordt er stelselmatig geld onttrokken aan de grote steden. Vanaf 1929 moeten zij de broekriem aanhalen. Daardoor ontstond het Jordaanoproer in de jaren 30. Er was geen bouwproductie meer in de steden. Dus zakte de economie weg. Gebeurde overal, dat afknijpen van steden, ze waren weinig geliefd. En toen gingen we de oorlog in. Moeizame wederopbouw in ‘de verzorgingsstaat’. Met allemaal nieuwe steden in de weilanden. Maar dat ging niet werken. De stad had het helemaal niet nodig. Ze raakte enorm verkrot. Vanaf 1961 zijn het richtinggevende nationale ruimtelijke nota’s die de toon zetten. Amsterdam gaat meedoen met de bouw van liefst zes new towns. Dan ga je jezelf te grave dragen. En dat gebeurt dan ook. Onder Roel de Wit wordt het alleen maar erger. We gaan woningen afbreken. En dan ontstaan er opstanden. Bakstenen door de ruiten, en de bestuurders begrijpen het maar niet. Toen ik in 1981 Amsterdam ging wonen was de binnenstad totaal verkrot. Tegenover het verkrotte Amsterdam stond het tegelwitte Emmen in de bossen. Zie je het verband? Na Roel de Wit komt de ontreddering. Han Lammers die het begon te begrijpen. Later wordt hij landdrost in Lelystad en Almere. Bizar. Het was bijna Oost-Duitsland spelen wat we deden. Beter dan Oost-Duitsland. Als ik door Nederland rijd, zie ik overal nog Oostblok-architectuur.

Twee miljoen inwoners zonder centrale planning

Ik houd Zef voor dat hij zelf nog druk heeft meegeschreven aan het Vijfde Nota over de Ruimtelijke ordening van het Rijk. Hemel: Ja, en nee. Ik ben eruit gestapt tijdens het schrijven aan de Vijfde Nota.. Ik heb wel die boxen geregeld en de kaarten. Maar die mooie kaarten hebben ze weer veranderd.
Laat duidelijk zijn: ik had het Zef niet verweten als hij wel hartstochtelijk aan die Vijfde Nota had meegeschreven. Juist omdat je toch wel centrale planning zal moeten hebben om Amsterdam te laten groeien tot 2 miljoen. Hemel: We moeten gewoon de tijd verstaan. Maar de overheid doet nog steeds domme dingen. We groeien nu weer in Amsterdam. Maar het is nog veel te langzaam. 10.000 woningen per jaar zijn nodig. En desondanks halen we die 2 miljoen. Dat soort dingen gaat nooit lineair. Groei gaat exponentieel. Dat heet een gouden eeuw. Eerst ontreddering en chaos. En dan pas gaat het bestuur begrijpen wat er aan de hand is. En eerst dan gaat het goede plannen maken. Dat gebeurde ook in de Tweede Gouden Eeuw met Berlage. Daarvoor is het nu nog te vroeg. Over tien jaar misschien gaan wij werken aan een plan voor een verdubbeling van de stad.

Is daarmee de planologie verdwenen? Planologie is volgens Zef een historisch fenomeen dat hoort bij de sociale welvaartsstaat. Het hoort bij het communistische tijdperk van de twintigste eeuw. Het hoort bij de dominantie van de staat. En dat is nu allemaal voorbij. Er komt iets nieuws. Dat lijkt dicht bij het anarchisme te zitten. Boeiend om te zien hoe steden gaan functioneren, als ze niet meer de uitvoeringsloketten zijn van de natiestaat. Steden moeten weer gaan acteren, volwassen worden. We gaan weer naar vóór 1929 en pakken daar de draad weer op.

Le Corbusier is de bad guy

Er is nog één ding dat me triggert in het boek van Hemel. Hij schrijft de modernisten weg. En toch blijft hij vriendelijk en beleefd over Van Eesteren. Waarom is hij zo blij met Van Eesteren. Dat was toch de man van de modernistische flatjes bij de Zuidas? Hemel: de bad guy is Le Corbusier. Die had geen enkele ethiek. Maar heb ik Van Eesteren in bescherming genomen? Ja, ik steun hem, maar ik neem ook afstand van hem. Ook Benevelo hoort in de vitrinekast van de vergissingen. Van Eesteren was razendknap. Maar hij werkte onder een ongunstig gesternte. In de crisis moest hij knokken en, onderbroken door een oorlog, in de wederopbouw alles heel goedkoop terugbouwen. Veel kunnen we nu afbreken. Geniaal was het, maar in de verkeerde tijd.

Ook Emmen heeft erg geleden onder de stedenbouw van de 20e eeuw. Het is een goed moment voor een slotvraag. Ben je een kind van Amsterdam of van Emmen? Hemel: Ik hou van Amsterdam, ik voel me een kind van Amsterdam. Je kan je wortels nooit verloochenen. Maar mijn liefde voor Amsterdam spreekt toch wel uit mijn boek. Amsterdam is daarin een soort van hoofdpersoon.

Steden: don’t go with the flow

oktober 6, 2015 by  
Filed under De Stad, Geen categorie

Vijftig jaar geleden was Rotterdam een bloeiende stad. De stad werd herbouwd, de haven profiteerde van de nieuwe kranen en de ruime nieuwe kades. De Floriade van 1960 markeerde de vooruitgang. In dezelfde tijd werden in Amsterdam delen van de oude binnenstad gesloopt en werd serieus over het dempen van grachten gesproken. De stad had duidelijk behoefte aan impulsen.

Nog geen 50 jaar later zijn de rollen geheel omgedraaid. De economie is fors veranderd. De industrie heeft zijn dominante positie verloren. Het draait tegenwoordig vooral om kennis, innovatie, face-to-face contacten etc. De haven is vrijwel geheel geautomatiseerd. Nieuwe werknemers gaan niet meer in de nabijheid van fabrieken wonen, maar bedrijven vestigen zich vooral in de nabijheid van interessante werknemers. En omdat hoogopgeleiden graag in de buurt van oude binnensteden wonen, floreert Amsterdam tegenwoordig en heeft Rotterdam veel terrein verloren.

Het lijken autonome ontwikkelingen, en dat zijn het voor deel ook. In ieder geval kan je het de gemeente Rotterdam niet kwalijk nemen dat de economische structuur is veranderd. Net zo min als Amsterdam voor de triomf van de eigen stad zichzelf op de schouders hoeft te slaan.

Dit mag allemaal zo zijn, het betekent niet dat lokaal besturen voortaan zinloos is. Economen hebben wel eens de neiging om te zeggen: “Go with the flow”. En dat bekt ook wel lekker. En het is waar als ze bedoelen dat de overheid niet moet proberen tegen de economische trends in te gaan. En niet moet proberen om een campus te ontwikkelen waar geen bedrijf wil zitten. Maar het is ook een onzinnig advies. Als ze alleen op aarde is om de economische trends te volgen, kan de overheid beter naar huis gaan. Het is de taak, en zelfs de bestaansreden van een overheid om ervoor te zorgen dat de uitkomst uiteindelijk anders is dan de markt lijkt te willen. In een politiek gewenste richting.
Als je meer wilt weten over de ontwikkeling van de stad is de PBLQ-leergang De Triomf van de stad een aanrader.

De Agenda stad of de agenda van de steden

april 22, 2015 by  
Filed under artikel, De Stad

Historisch perspectief

Laten we het even in perspectief zien. Na de oorlog kregen de Nederlandse steden het moeilijk. Er was een gebrek aan ruimte. Vanaf de jaren 60 trokken de mensen massaal naar buiten. Naar de groeikernen en naar allerlei kleine kernen op het platteland. Het was een onnatuurlijke beweging. Normaal trekken mensen naar de stad, in Nederland en wereldwijd. Niet om er altijd te blijven, maar wel omdat de stad meer kansen biedt dan het platteland. Het was dan ook niet verrassend dat in de jaren 80 de trend al weer omsloeg. De steden krabbelden langzaam uit een diep dal. Het aantal inwoners nam weer toe. Maar nog niet van harte.

Het echte keerpunt lag in de jaren 90. Amsterdam ontwikkelde het Oostelijk Havengebied. Voor mij staat dat gebied model voor de nieuwe stad. Voor de nieuwe agenda van de stad. Stadsvernieuwing werd vervangen door stedelijke vernieuwing. Bij stadsvernieuwing werden sociale huurwoningen vervangen door betere sociale huurwoningen. ‘Bouwen voor de buurt’. In het Oostelijk Havengebied werd voor het eerst op grote schaal gebouwd voor de nieuwe stedeling: ‘de hoogopgeleide kenniswerker’. Daarna kwamen Richard Florida en Ed Glaeser, de twee beroemde Amerikaanse wetenschappers, die groot werden met mooie boeken over het belang van de stad. En jaren daarna kwam de Agenda stad. Een programma van het Rijk, waaraan de steden schoorvoetend mee doen. Alleen al omdat je het nooit weet.

Het is goed dat het programma Agenda stad er is. Maar alle tam tam rondom de Agenda stad vraagt wel om enige relativering en nuancering. De steden hebben al jaren hun eigen agenda. Dat steden werken aan hun agglomeratiekracht is niet nieuw. Dat steden hoogopgeleide starters kansen bieden is niet van het laatste jaar. Dat steden weten dat de nieuwe kenniseconomie om een ander woningbestand vraagt, hoeft het Rijk niet te komen vertellen. Dat steden aan hun sociale en culturele leefklimaat werken, omdat ze de nieuwe hipster willen vasthouden, was buiten Den Haag al lang gewoon.

Daarnaast is het de grote vraag wat het Rijk te bieden heeft voor de ontwikkeling van de steden. Wat staat er eigenlijk op die Agenda stad van het Rijk? Die vraag is des te relevanter omdat bij de Agenda stad eerder het proces en de procesvernieuwing voorop lijken te staan dan de inhoud. Maar de vraag is natuurlijk: wat hebben steden nodig dat alleen het Rijk hun kan bieden?

Ik laat in dit essay de tam tam van de Agenda stad voor wat hij is. We grinniken wel vaker in het land als Den Haag iets heel nieuws heeft bedacht, wat anderen al jaren wisten. We grinniken ook wel vaker als Den Haag een te grote broek aantrekt. Voor mij zijn drie vragen hier interessant: welke ontwikkelingen doen zich in de steden voor, welke stedelijke agenda is hier adequaat en welke bijdrage zou het Rijk daaraan (nog) kunnen leveren? Ik baseer me daarbij met graagte op een rapport dat onder mijn leiding in opdracht van de VNG is geschreven. Ter ondersteuning van de collegeonderhandelingen van het voorjaar van 2014 brachten wij het rapport Perspectief voor de steden uit.

De staat van de stad: twee gezichten

Steden zijn steeds meer de motor van economie en innovatie. Bedrijven profiteren van elkaars nabijheid en clusteren in steden. De kenniseconomie is de post-industriële economie aan het verdrijven, en gedijt goed in steden. De meeste steden groeien, zelfs als er geen nieuwe huizen meer worden gebouwd. Tegelijkertijd kondigt de bevolkingskrimp zich in de perifere delen van het land aan.

In de nieuwe economie van kennis en innovatie is een aantal zaken cruciaal: stedelijke dichtheid, de bereikbaarheid van andere steden én de kwaliteit van de leefomgeving (voorzieningen, cultuur, veiligheid ). Niet het aantrekken van bedrijven moet voorop staan, maar het aantrekken en behouden van mensen die voor die bedrijven aantrekkelijk zijn. Daarmee zijn de creatieve kenniswerkers interessant geworden voor elke stad. Tegenwoordig geldt: ’werken volgt wonen’. Overigens begint dat pas als er voldoende interessante banen zijn, anders komen die hoogopgeleiden ook niet.

Een florerend cultuurbeleid is van belang voor een welvarende stad. Mensen trekken naar steden vanwege hun (culturele) voorzieningen, bedrijven trekken naar steden vanwege de florerende arbeidsmarkt. Internationale bedrijven willen goede culturele voorzieningen voor hun mensen. Cultuur levert de stad ook veel direct economisch profijt op.

In dat opzicht is de stedelijke economie goed met een vliegwiel te vergelijken. Als het eenmaal draait hoef je niet zoveel te doen, om het draaiende te houden (Amsterdam). De banen gaan de mensen en de andere banen achterna. Maar als er stilstand is, is het erg ingewikkeld om de stedelijke economie in beweging te krijgen (Rotterdam, Heerlen). Hoogopgeleide mensen trekken weg en daardoor is de stad minder aantrekkelijk voor nieuwe bedrijven. De triomf van de stad doet zich niet overal (zo maar) gelden.

Ook in ander opzicht heeft de ‘triomf van de stad’ twee gezichten. In de nieuwe stedelijke economie staan de hoogopgeleide werknemers wel erg centraal. Lageropgeleiden hebben het veel moeilijker, ook al omdat op de arbeidsmark verdringing plaatsvindt: veel hoogopgeleiden werken beneden hun werkelijk niveau. Bovendien kan de groei gemakkelijk leiden tot tot ruimtelijke uitsortering, waarbij de werklozen en de lage inkomens verschuiven naar de randen van de steden en naar de oude groeikernen. Ook dat succesvolle Amsterdam heeft in dat opzicht twee gezichten. 12,3% van de inwoners van Amsterdam leeft bijvoorbeeld onder de armoedegrens, tegen 11,6% in Rotterdam, dat de ‘triomf van de stad’ grotendeels aan zich voorbij ziet gaan. En die 12,3% woont voor een zeer groot deel buiten de Ring. In veel steden zijn de broedplaatsen niet aan te slepen, maar veel winkels moeten sluiten. Terwijl de nationale economie afhankelijker wordt van de steden, worden in die steden de verschillen tussen arm en rijk groter.

Natuurlijk is die stad veel complexer dan dat simpele praatje van de D66-stemmende hoogopgeleiden die onze welvaart op hun rug hebben genomen. Zo neemt in de steden de diversiteit in tal van opzichten toe. Het gaat om steeds meer nationaliteiten, het gaat om Turken en Marokkanen die vaak moeilijk werk krijgen, het gaat om MOE-landers die vaak een (laagbetaalde) baan hebben, het gaat om vluchtelingen, het gaat om hoog opgeleide zzp-ers en het gaat om expats die voor bedrijven een periode naar Nederland komen. Aan de onderkant zien we steeds meer arbeidsmigratie en steeds minder gezinsmigratie. In de war of talent is het van groot belang om je stad aantrekkelijker te maken voor de internationale kenniswerkers.

Naast de diversiteit is de dynamiek van belang. Steeds meer hebben de steden te maken met passanten, zowel aan de bovenkant als aan de onderkant. Passanten worden structureel. Daarop zijn steden vaak nog onvoldoende ingericht. Ook in de achterstandswijken is er veel dynamiek (zeker in wijken met meer eigen woningbezit). De stad is een emancipatiemachine, hoewel niet iedereen boven komt. Veel migranten beginnen in bepaalde wijken (waar ze netwerken hebben, waar meer kans is op informele arbeid). Deze arrival neigbourhoods zijn niet het probleem, die zullen altijd blijven bestaan. Het gaat erom om mensen kansen te geven en om beleid te richten op mensen die er niet in slagen om verder te komen.

Daarom is het belangrijker om meer oog te hebben voor mensen en minder voor wijken (ook omdat de wijk in Nederland nauwelijks de kansen van de inwoner bepaalt). Veel mensen wonen in achterstandswijken omdat ze arm en werkloos zijn en ze zijn niet arm en werkloos omdat ze in achterstandswijken wonen. Niettemin is de schaal van sommige achterstandswijken zodanig dat de problemen te veel kunnen cumuleren.

De twee gezichten van de stad vragen volgens Perspectief voor de steden om een brede agenda. In de komende jaren moet het niet alleen gaan over de economische groei, over de creatieve klasse, over de broedplaatsen, maar ook over de nieuwe armoede, de nieuwe woningnood, en het gebrek aan kansen. Al met al: het moet gaan om de sociaal-economische vitaliteit van de steden.

De agenda van de steden

Wat kan de stad doen? Hoe kunnen gemeentebesturen de stedelijke ontwikkeling versterken? In het rapport Perspectief voor de steden stond een groot aantal concrete en minder concrete voorbeelden van een stedelijke agenda. De commissie stelde drie dingen centraal:

  • Waar ligt de kracht van je stad? Wat is het verhaal van je stad? Kopieer niet het succesmodel van andere steden, maar weet wat jouw stad nodig heeft. Niet iedere stad ligt in een ‘valley’, niet iedere stad heeft baat bij een campus.
  • Het verhaal van de stad wordt vaak verteld door burgers. Daarom is het zo belangrijk om aan te sluiten bij de initiatieven van burgers. Een goed bestuur geeft ruimte aan de stad en ruim baan voor de burger.
  • Sectorale en solistische oplossingen werken niet meer. Het gaat om de verbinding. Economie en sociaal moeten worden verbonden. Duurzaamheid én cultuur zijn brede thema’s die in alle sectoren moeten terugkomen. En in stedelijke regio’s is een gezamenlijke aanpak van ‘stad en ommeland’ vereist.

Van daaruit werd de agenda van de stad geleidelijk ingevuld. Zo bepleitte de commissie onder andere:

  • Nieuwbouw moet gericht zijn op vergroting van de ‘massa’: verdicht binnen de agglomeratie. Herstructurering en transformatie van bestaande gebieden zijn vaak niet duurder dan nieuwbouw aan de randen van de agglomeratie, als niet alleen wordt gekeken naar de plan-exploitatie, maar ook naar het effect op de gehele stad.
  • Ontwikkel nieuwe woonmilieus voor hoger opgeleiden én voor middeninkomens. De hoger opgeleiden zijn aantrekkelijk voor nieuwe bedrijven, woningen voor middeninkomens zijn aantrekkelijk voor migranten die gebruik maken van de emancipatiemachine die de stad ook is.
  • Het percentage sociale huur is in veel steden nog steeds veel te hoog. Regionale aanpak is hier onvermijdelijk.
  • Bij het grondbeleid moet het primair gaan om de ruimtelijke kwaliteit, de samenhang en de leefbaarheid van de stad.
  • Leegstaande gebouwen zijn een kans voor starters én voor burgerkracht. Het vraagt om: minder regels en flexibelere bestemmingsplannen. Vernieuw bestaande werkplekken in plekken voor kenniswerkers. Zet bestaande gebouwen om in woningen voor middeninkomens, voor doorstromende migranten.
  • De buurtinfrastructuur moet zowel sociaal en economisch krachtig zijn.
  • Heb continu overleg met het bedrijfsleven. Betrek ze bij voorbereiding en uitvoering van beleid. Wat economisch één gebied is, moet ook bestuurlijk als zodanig worden behandeld.
  • Kies voor concentratie van winkelbestand op stads- en wijkniveau.
  • Biedt meer ruimte en meer voorzieningen aan de internationale kenniswerker: veel internationale kenniswerkers zijn passanten (huur belangrijker dan koop, internationaal onderwijs).
  • De universiteitssteden investeren meer in huisvesting voor, talents scouting en het binden van internationale studenten.
    Sel je meer in op laaggeschoolde passanten. Short-stay-voorzieningen (‘Polenhotels’) zijn belangrijk. Ook scholen moeten beter worden toegerust op passanten.
  • Veel migranten wonen maar tijdelijk in achterstandswijken (hun arrival neigbourhoods). Voor hen is niet het verbeteren van de wijk prioriteit maar het vergroten van hun kansen op de arbeidsmarkt (taal, stage, werk). Het verbeteren van achterstandswijken kan voor hen zelfs contraproductief zijn, omdat ze daardoor naar andere achterstandswijken worden verdreven. Voor veel migranten is het dus beter om de verschillen tussen wijken te accepteren.
  • Daar staat tegenover dat degenen die niet in staat zijn om de achterstandswijken te ontstijgen, recht hebben op een decente en veilige leefomgeving.
  • Waar de schaal van de achterstandswijken de problemen onbeheersbaar dreigt te maken kan worden overwogen de toestroom van nieuwe kwetsbare groepen tegen te gaan. Dat kan door nieuwbouw van betere woningen in achterstandswijken, door woningtoewijzing (op straat- en buurtniveau), door regionale afspraken te maken en door toepassing van de Rotterdamwet. Zo kan een opeenhoping van kwetsbare groepen en een te eenzijdig sociaal-economisch profiel worden voorkomen.
  • Ga aan de gang met de verhalen die in de stad leven. Ga andere steden niet kopiëren. Het gaat op het culturele DNA van je eigen stad. Daarin speelt cultuurhistorie een grote rol.
  • Regelgeving moet het culturele klimaat niet in de weg zitten
  • Werk aan de herbestemming van het culturele erfgoed. Creëer ontmoetingsplaatsen (free zones) voor creatieve elite en culturele voorlopers. Benut leeg vastgoed om je culturele infrastructuur te versterken.
  • Investeer in de creativiteit van mensen, van jongeren en van ouderen. Daar past cultuureducatie bij.
  • Denk bij culturele instellingen regionaal. Betrek de regio bij het investeren in cultuur in de eigen stad. Specialisatie in culturele voorzieningen.
  • Festivalisering past bij consumer city (en bij identiteit).
  • Biedt kunstenaars van elders de mogelijkheid om langer in Nederland te blijven, ook als ze niet meteen een baan hebben. Zoals dat ook voor kenniswerkers geldt.
  • Bibliotheken van de toekomst zijn kennisplekken, plekken van dialoog, een educatief centrum.

Wat blijft erover voor het Rijk?

Dit waren de belangrijkste aanbevelingen van de commissie. [Waarbij zij opgemerkt dat ik het thema duurzaamheid hier buiten beschouwing heb gelaten, omdat het voor dit onderwerp minder relevant is.] Wat laten die aanbevelingen zien?

De stedelijke economie laat zich vooral faciliteren en nauwelijks sturen. En ook het faciliteren heeft zijn grenzen. Dat oude binnensteden in trek zijn bij de hoogopgeleide kenniswerkers die je tegenwoordig nodig hebt, is zeer interessant, maar geeft weinig mogelijkheden voor het lokaal bestuur. Je hebt een oude binnenstad of je hebt geen oude binnenstad. En dat Rotterdam het al jaren matig doet, ondanks de steeds weer opvlammende hoop dat het nu echt beter wordt, ligt niet aan het gemeentebestuur. Het ligt aan de veranderde economische structuur in dit land, waardoor arbeiders niet meer gaan wonen in de omgeving van de fabrieken maar bedrijven zich vestigen in de buurt van de plekken waar de kenniswerkers willen wonen. Gechargeerd gezegd, maar globaal wel waar.

Beleid moet dus vooral in het teken staan van ‘go with the flow’. Niet tegen de stroom oproeien. Heel goed onderkennen hoe de ontwikkelingen gaan en in de sfeer van randvoorwaarden ondersteuning verlenen. Zorgen dat die woningen er zijn op korte afstand. Zorgen dat die cultuur er is. Zorgen dat de veiligheid is gewaarborgd. En vooral zorgen voor de bereikbaarheid van mensen en bedrijven. Laten we eerlijk zijn: de casus Rotterdam, om nog maar niet te spreken van de casus Heerlen, laat zien dat de overheid niet zo heel veel kan als het gaat om het fundamenteel aan de praat krijgen van de stedelijke economie. Wat dat betreft is de overheid van grotere betekenis voor de ‘achterkant van de medaille’: het sociale domein waarin de achterblijvers een plek zoeken.

En wat de overheid wel kan, is vooral een zaak van het lokaal bestuur. Om twee redenen. Ten eerste moet elke stad uitgaan van eigen kracht en het verhaal van de eigen stad scherp krijgen. Elke stad is anders en elke stad heeft zijn eigen kansen. Daarbij past geen generiek centraal beleid. Ten tweede vergt het beleid ter versterking van de stedelijke economie vooral kennis van de lokale omstandigheden en de lokale ontwikkelingen. Het vergt het geven van een klein duwtje op het juiste moment. Het is het aanvoelen van lokale behoeften. Dat is het werk van het lokaal bestuur.

Om die reden ben ik wel benieuwd wat de (Rijks) Agenda stad gaat opleveren. Ik ga er gemakshalve van uit dat het Rijk niet het werk van de steden wil gaan dupliceren. Dat is weinig zinvol en zou al gauw terecht de kritiek van ‘bestuurlijke drukte’ opleveren. En ik ga er ook vanuit dat het normale Rijksbeleid gericht op de bevordering van de economie niet op de Agenda stad zal staan. Het economisch klimaat verbeteren, het onderwijs op peil brengen, onderzoek en innovatie bevorderen. Allemaal van belang voor de economie in het algemeen en daarmee ook voor de steden. Maar dat is nog geen stedelijke agenda.

Wat resteert er voor de Agenda stad?

  • Het vergroten van de bereikbaarheid van de steden (ten behoeve van de agglomeratiekracht van de steden). Ik ben benieuwd welke nieuwe wegen en tunnels op de agenda verschijnen. Ik heb het gevoel dat de belangrijkste bereikbaarheidsproblemen van de steden tegenwoordig de toegang tot die steden betreffen. Is dat Rijksbeleid? Of is dat door het Rijk gefinancierd stedelijk beleid?
  • De systeemverantwoordelijkheid voor cultuur en onderwijs. Gaat het Rijk weer meer geld besteden aan cultuur, wat vooral de steden ten goede zal komen? Of mogen we dat na de ingreep van Zijlstra de komende jaren juist niet verwachten? En gaat het Rijk meer geld ter beschikking stellen van de scholen in de achterstandswijken? Het is al een oude wens.
  • De systeemverantwoordelijkheid voor de universiteiten: het is opvallend dat buitenlandse universiteiten veel meer bedrijven aan zich weten te binden dan de Nederlandse. We zouden nog meer aan de bekostiging van de universiteiten kunnen veranderen opdat valorisatie echt aantrekkelijk wordt.
  • Het verkleinen en/of verschuiven van immigratiestromen: ik geloof er niets van dat de Agenda stad zal leiden tot een ander immigratiebeleid. [Evenmin mogen we verwachten dat het veiligheidsbeleid fundamenteel verandert door de Agenda stad.]
  • De systeemverantwoordelijkheid voor het binnenlands bestuur: wie de stad meer kansen wil geven zal het eigen belastinggebied van het lokaal bestuur moeten vergroten. Ik kan me voorstellen dat op dat gebied veranderingen te verwachten zijn. Maar we weten ook allemaal dat het vergroten van het lokale belastinggebied kan leiden tot grotere verschillen tussen gemeenten en met name tussen rijke en arme gemeenten. Het is de vraag of de politiek daar aan wil (en moet willen).
  • Ik daag de regering graag uit om werk te maken van de reorganisatie van het binnenlands bestuur. Structuurwijzigingen zijn niet heilig, maar waarom vallen grote delen van Amsterdam onder het regime van andere gemeenten? Het wordt tijd om de opschaling van de gemeenten kracht bij te zetten, om de randgemeenten en de centrumgemeenten onder één bestuur te plaatsen en om de provincies op te heffen. Maar laten we niet weer de eeuwige ‘dans van de kalkoenen’ opvoeren. Al die oudere bestuurders die komen melden dat hun gemeente of hun provincie niet mag worden opgeheven. Ik hoop dat een paar onderhandelaars met een oppervlakkige kennis van het binnenlands bestuur bij de volgende kabinetsformatie in een vermoeid moment bij het ingaan van de nacht Nederland een nieuw binnenlands bestuur zullen geven. In ieder geval verwacht ik op dit moment niets na het mislukken van de ‘superprovincie’.
  • Kennis over de stad: het Rijk zou de gemeenten kunnen helpen met inhoudelijke kennis over de ontwikkeling van steden. Ook daarover heb ik mijn twijfels. Het op voorhand niet duidelijk dat het Rijk meer van de ontwikkeling van de stedelijke economie weet dan de steden zelf.

Helaas, het is een mager lijstje. En ik vrees dat het lijstje van de Agenda stad uiteindelijk nog magerder wordt. Ten eerste omdat het Rijk, naar te vrezen valt, eerder bij de steden op schoot zal gaan zitten, dan dat het zijn meerwaarde haalt uit zijn eigen specifieke bevoegdheden (City deals staan voor mij symbool voor overheden die afspraken maken over zaken die ze al lang van plan waren). Ten tweede omdat het Rijk naar verwachting relatief te veel aandacht zal besteden aan processen en procesinnovatie en te weinig aan de inhoudelijke problemen van de steden.

Eerlijk gezegd verrast het me niet dat Stef Blok met graagte dit onderwerp, dat in feite uit zijn eigen afdeling stamt, aan Ronald Plasterk heeft overgelaten.

 

[opgenomen in V. de Witte et al. (red.), De VNG onder voorzitterschap van Annemarie Jorritsma, Den Haag, 2015, pp. 103-111]