Zef Hemel als kind van Amsterdam @ZefHemel

februari 22, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

 

Gesprek met Zef Hemel

Zef Hemel schreef een mooi boek over ‘de toekomst van de stad’. Het is een informatief boek, het staat vol met mooie verhalen. Het is een heel rijk boek. Het geeft een mooi beeld van het ontstaan van steden. Het is ook een bevlogen boek. Hemel meent dat Amsterdam veel harder zou moeten groeien. In de pers sprak Zef Hemel zelfs over 2 miljoen inwoners. Ik noem dat een romantisch ideaal, omdat het wetenschappelijk bewijs voor die 2 miljoen inwoners ontbreekt. Ik schreef dan ook al tweemaal een kritische blog over Zef en zijn boek.

Maar tegelijkertijd is ook waar dat je met straffe significantieniveaus geen stad maakt. Voor de ontwikkeling van een stad heb je een ziener nodig. Van een ziener valt alleen achteraf vast te stellen dat hij er geheel naast zat. En Zef is vooral een ziener. Dat waardeer ik en om die reden ben ik met hem gaan praten.

Drenthe

Zef en ik zijn allebei Drent. Hij komt uit Emmen en ik uit Meppel. We hebben allebei in Groningen gestudeerd. Hij vijf jaar na mij. Het is goed dat we daarmee starten. Met Drenthe en Amsterdam. Het lijkt alsof het boek een soort bevrijding is van Hemel. Hij zegt eerlijk: het boek gaat over mij. Over mijn leven. Wat ik als planoloog geleerd heb. Ik blik terug.

En Hemel wil weg uit Emmen. Dat is duidelijk. Zijn hele boek is één pleidooi voor grootstedelijkheid. Hij definieert dat als complexiteit. “En complexiteit is beschaving.” Ik vraag naar het waarom van deze schijnbaar onweerlegbare stelling. Zef zegt: Ja beschaving is stedelijkheid. Het platteland zelf genereert geen beschaving, dat doet de stad. Daarom wil ik weten hoe steden zijn ontstaat. Voedsel en drinkwater zijn het begin van elke stad. En het platteland is een uitvinding van steden. Mijn boek is daarmee echt een scheppingsverhaal van de stad. Maar het gaat ook echt over de geboorte en bloei van beschavingen en die schuilt in grootstedelijkheid. Het boek is een lofzang op complexiteit.

Ook ik heb Drenthe mentaal verlaten, maar het afscheid van Zef is wel erg bruusk. Daarom vraag ik wat er mis is met Emmen. Hemel: Er is niks mis met Emmen. Ik kende daar vrijwel iedereen. Mijn ouders wonen er. Ik kom er nog steeds. Ik heb me afgevraagd: in wat voor beschaving ben ik opgegroeid. Ik ben niks tekort gekomen, maar ik voelde een gemis. In 1962 kregen wij thuis televisie. Wij waren de eerste generatie met zo’n toestel. Toen zag ik Amsterdam, ik zag de wereld. Daar wilde ik naar toe. In Emmen was één bioscoop, met Dik Trom in het hoofdprogramma. Ik heb Emmen altijd als een kolonie gezien. Je kan het ook wingewest noemen, een gebied dat toelevert aan steden.

Vergeet niet: mijn grootvader begon als veengraver, was politiek actief in de drankbestrijding, werd vakbondsleider, later provinciaal bestuurder. Zijn zoon – mijn vader – moest een koloniale oorlog vechten in Nederlands Indië. Toen hij terugkwam was het veen weg. Er werd door de regering een fabriek neergezet, met veel subsidies. Mijn vader moest daar aan het werk. Weer koloniale uitbuiting. Toen ik ging studeren in Groningen, in 1975, sloot die fabriek. Veel fabrieken sloten in die tijd. Sindsdien groeit weer de werkloosheid. Groningen was een interessante microkosmos. Maar het is een studentenstad. En toen kwam Amsterdam. En ook dat blijkt een tussenfase. Na vijfendertig jaar wil ik hier ook liefst weg.

Ik vraag Hemel of hij dit boek had kunnen schrijven als hij niet in Emmen had gewoond? Hemel: dat is een interessante vraag. Dat weet je nooit. Maar ik heb dit boek zo geschreven omdat ik dit leven heb geleid. Natuurlijk, het is een heel persoonlijk document. Nee, het is geen wetenschappelijk werk.

De stad is rijker leven

Hemel schrijft lyrisch over de stad in zijn boek. De stad: dat is rijker leven. Grote steden zijn beter voor mensen. Grootstedelijkheid maakt mensen vrij. Ik vraag hem hoe hij dat allemaal zo zeker weet. Hemel: Dat zijn ontboezemingen. Maar veel mensen ervaren het ook zo. De stad maakt vrij, omdat er niet te veel sociale cohesie is. Te veel sociale cohesie is niet goed. In een stad kan je als individu alle gradaties van sociale cohesie aantreffen, waaruit je kunt kiezen. In de grootstad ben je teruggeworpen op jezelf. Het is helemaal jouw eigen verantwoordelijkheid om in de wereld te stappen en verbindingen te leggen. Alle mogelijkheden liggen aan je voeten.

Is dat niet een beetje kil? Is daar nog wel solidariteit? Hemel: Dat is een persoonlijke keuze. Je bent in de stad bevrijd uit het dwingende dorpse verband. Die kleine gemeenschap waar iedereen elkaar kent.

Ik prijs me gelukkig met een auteur die in ‘het echt’ al even romantisch denkt over de stad als in zijn boek. De stad komt voor hem vooral overeen met voordelen, met agglomeratievoordelen. Ik werp hem tegen dat het begrip agglomeratienadeel nergens wordt genoemd, terwijl de theorie daar toch heel duidelijk over is. Een grotere schaal betekent ook nadelen, als congestie, stank, overlast, criminaliteit. Hemel: Ja, die kritiek heb ik al gekregen. Kijk, het boek is een pleidooi. Ik wilde me uitspreken. Iedereen graaft in zijn geheugen. Dat kan niet anders. Het is mijn boekenkast, het gaat over mijn leven. Maar die agglomeratienadelen zitten er wel degelijk in! Maar de agglomeratievoordelen zijn groter, zij lossen de problemen in steden altijd razendsnel op.

Volgens Hemel zijn steden niet alleen rijker, maar ook duurzamer. Ik suggereer voorzichtig dat windmolens vooral op zee succesvol zijn. Nee, zegt Hemel, die windmolens op zee zijn niet echt duurzaam. Dat is een ingenieurs-oplossing. Echt duurzaamheid bereik je door de stad te vergroten. Dan gebruiken mensen alles intensiever. De infrastructuur. De voorzieningen die mensen met elkaar delen. Je eet op straat, je hebt geen keuken meer nodig. Je gebruikt minder vierkante meters. Kijk in Aziatische steden. In Tokyo slapen ze in een cabine, op een paar vierkante meter. Dat is super duurzaam. Het probleem is: we hebben te veel mensen. In steden hebben die talloze mensen geen auto meer nodig! Ja, ik ga het liefste in Tokyo wonen, dat is mijn droom. Dat wil ik nog meemaken.Ik vind al die discussies over duurzaamheid eigenlijk maar windowdressing. Het is grootstedelijkheid, als de allerhoogste vorm van beschaving met de kleinste ecologische voetafdruk en de allergrootste rijkdom die de natuur ons aanbiedt. Een metropool is bovendien het allermooiste.

Hoe kan Nederland bestaan

Economen zijn het met Hemel eens: in steden zijn mensen productiever dan buiten steden. Toch doemt er een levensgrote vraag op als we de redenering van Hemel tot het einde volgen. Dan zou Nederland niet zo welvarend kunnen zijn. Wij hebben geen grote steden, we hebben Amsterdam en dat telt nog niet eens een miljoen inwoners. Hoe kan dat? Wat is er dan waar van Zef’s verhaal? Hemel: Ja, die vraag is interessant. Misschien dat ik daarom ook niet begrepen word. Die vraag roep ik wel op. Daar ben ik nu mee bezig. In Nederland leven we van handel. We zijn een belastingparadijs. We zijn oliesjeik met ons aardgas. We hebben onze koloniën geplunderd. We hebben een economie gebaseerd op logistiek, agrifood en chemie. Schiphol is een slimme truc, net zoals de Europoort en de Maasvlakte. Al die datacenters, alweer zo’n truc. We zijn dus slim, maar zonder steden te bouwen zijn we toch heel rijk geworden.

Ik reageer: Je hebt dus geen grote steden nodig. Hemel: zoals wij nu leven is apert niet duurzaam, dit is gewoon niet houdbaar. Amsterdam was indertijd één van de grootste steden ter wereld. In de negentiende eeuw klopte alles nog, zoals Amsterdam en Rotterdam destijds snel groeiden. De cesuur zit rond 1929. Toen ging het mis. Toen zijn we gestopt met steden bouwen. Toen zijn we gaan herverdelen, ruimtelijk spreiden, verdelende rechtvaardigheid voorop stellen met de komst van het Gemeentefonds.

Geen herverdeling tussen stad en land

Ik houd Hemel voor dat herverdeling, fundamenteel de herverdeling van de verzorgingsstaat grote economische voordelen heeft gehad. Als iedereen mag meedoen, heeft dat toch veel voordelen? Hemel: Dat is het construct van de verzorgingsstaat. Daar ben ik trouwens ook een kind van. Maar daar zet ik vraagtekens bij. Ik spiegel hem in mijn boek aan de Sovjet Unie. We waren in een wedloop met het Oosten. Gelijkheid stond in Oost en West hoog in het vaandel. Met de verzorgingsstaat wilden we de Sovjets zelfs aftroeven. Achter het IJzeren Gordijn is de boel in 1989 uit elkaar gevallen. Nu verbrokkelt het ook hier. De verzorgingsstaat was een utopie. Het is gewoon niet gelukt. Al die herverdeling tussen stad en ommeland werkt niet. Laat de stad groeien en rijkdom vergaren.

Waarom zou het ommeland daar beter van worden? Hemel: De groei van de steden ontlast al eeuwen het ommeland. Vergeet niet: 80% van het ommeland in Nederland is al stad geworden. Alles is hier gesuburbaniseerd.. Er is dus geen enkele reden om het niet naar de stad toe te vegen. Dat is veel duurzamer, spannender ook, en het brengt meer welvaart. Dus doe niet zo nostalgisch over dat platteland. Dat het krimpt. Het zijn allemaal stedelijke types die daar wonen. Laat de steden hun werk doen! De kinderen in Assen willen allemaal naar Amsterdam. Eigenlijk willen veel mensen daar weg. Bestuurders proberen dat tegen te houden. Maar de mensenwillen iets anders.

Hemel heeft zelf namens de gemeente Amsterdam geadviseerd in Delfzijl. Hij is er een aantal keren geweest. Ik vraag hem hoe zo’n wingewest van de stad beter wordt. Hemel: Je moet daar als het ware teruggaan in de tijd. Krimpen is als monumentenzorg plegen. Je moet veel afbreken, maar het mooie laten staan en een nieuwe functie geven. Dat is een natuurlijk proces. Ja, die Eemshaven doet het wel goed. Maar die heeft weinig met Delfzijl te maken. De werkers in de noordelijke havens zijn hoogopgeleide types die bijna allemaal in Groningen wonen.

De groeikernen als abberatie

Vanaf de jaren 60 zijn we in Nederland groeikernen gaan bouwen, om de steden te ontlasten. Persoonlijk heb ik niet veel met die groeikernen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat we door het bouwen van groeikernen de grote steden groeikansen hebben ontnomen. Stel je voor dat al die mensen in de steden waren blijven wonen. Het huidige snelgroeiende Amsterdam heeft de aderlating van de groeikernen nog steeds niet ingehaald. Er zijn ook mensen die menen dat die groeikernen door de steden zelf gewenst waren. Om de verkrotte wijken te kunnen slopen. Amsterdam zou ook voor dit beleid van ‘gebundelde deconcentratie’ zijn geweest. In zijn boek doet Hemel alsof in1984 op dringend verzoek van Amsterdam eindelijk een einde kwam aan de ‘onttakeling’ van de stad. Was het groeikernenbeleid nu alleen een idee van het Rijk of steunden de steden dat beleid ook. Hemel: Wethouder Roel de Wit wilde dat rijksbeleid volgen. Joop den Uyl wilde er als wethouder van Amsterdam nog niet aan. Joop had nog een grootstedelijke agenda. En toen kwam Roel. En toen sloeg het om. Nee, Roel was een natuurbeschermer.

Maar had de stad deze ontlasting dan niet nodig? Hemel: al sinds 1929 wordt er stelselmatig geld onttrokken aan de grote steden. Vanaf 1929 moeten zij de broekriem aanhalen. Daardoor ontstond het Jordaanoproer in de jaren 30. Er was geen bouwproductie meer in de steden. Dus zakte de economie weg. Gebeurde overal, dat afknijpen van steden, ze waren weinig geliefd. En toen gingen we de oorlog in. Moeizame wederopbouw in ‘de verzorgingsstaat’. Met allemaal nieuwe steden in de weilanden. Maar dat ging niet werken. De stad had het helemaal niet nodig. Ze raakte enorm verkrot. Vanaf 1961 zijn het richtinggevende nationale ruimtelijke nota’s die de toon zetten. Amsterdam gaat meedoen met de bouw van liefst zes new towns. Dan ga je jezelf te grave dragen. En dat gebeurt dan ook. Onder Roel de Wit wordt het alleen maar erger. We gaan woningen afbreken. En dan ontstaan er opstanden. Bakstenen door de ruiten, en de bestuurders begrijpen het maar niet. Toen ik in 1981 Amsterdam ging wonen was de binnenstad totaal verkrot. Tegenover het verkrotte Amsterdam stond het tegelwitte Emmen in de bossen. Zie je het verband? Na Roel de Wit komt de ontreddering. Han Lammers die het begon te begrijpen. Later wordt hij landdrost in Lelystad en Almere. Bizar. Het was bijna Oost-Duitsland spelen wat we deden. Beter dan Oost-Duitsland. Als ik door Nederland rijd, zie ik overal nog Oostblok-architectuur.

Twee miljoen inwoners zonder centrale planning

Ik houd Zef voor dat hij zelf nog druk heeft meegeschreven aan het Vijfde Nota over de Ruimtelijke ordening van het Rijk. Hemel: Ja, en nee. Ik ben eruit gestapt tijdens het schrijven aan de Vijfde Nota.. Ik heb wel die boxen geregeld en de kaarten. Maar die mooie kaarten hebben ze weer veranderd.
Laat duidelijk zijn: ik had het Zef niet verweten als hij wel hartstochtelijk aan die Vijfde Nota had meegeschreven. Juist omdat je toch wel centrale planning zal moeten hebben om Amsterdam te laten groeien tot 2 miljoen. Hemel: We moeten gewoon de tijd verstaan. Maar de overheid doet nog steeds domme dingen. We groeien nu weer in Amsterdam. Maar het is nog veel te langzaam. 10.000 woningen per jaar zijn nodig. En desondanks halen we die 2 miljoen. Dat soort dingen gaat nooit lineair. Groei gaat exponentieel. Dat heet een gouden eeuw. Eerst ontreddering en chaos. En dan pas gaat het bestuur begrijpen wat er aan de hand is. En eerst dan gaat het goede plannen maken. Dat gebeurde ook in de Tweede Gouden Eeuw met Berlage. Daarvoor is het nu nog te vroeg. Over tien jaar misschien gaan wij werken aan een plan voor een verdubbeling van de stad.

Is daarmee de planologie verdwenen? Planologie is volgens Zef een historisch fenomeen dat hoort bij de sociale welvaartsstaat. Het hoort bij het communistische tijdperk van de twintigste eeuw. Het hoort bij de dominantie van de staat. En dat is nu allemaal voorbij. Er komt iets nieuws. Dat lijkt dicht bij het anarchisme te zitten. Boeiend om te zien hoe steden gaan functioneren, als ze niet meer de uitvoeringsloketten zijn van de natiestaat. Steden moeten weer gaan acteren, volwassen worden. We gaan weer naar vóór 1929 en pakken daar de draad weer op.

Le Corbusier is de bad guy

Er is nog één ding dat me triggert in het boek van Hemel. Hij schrijft de modernisten weg. En toch blijft hij vriendelijk en beleefd over Van Eesteren. Waarom is hij zo blij met Van Eesteren. Dat was toch de man van de modernistische flatjes bij de Zuidas? Hemel: de bad guy is Le Corbusier. Die had geen enkele ethiek. Maar heb ik Van Eesteren in bescherming genomen? Ja, ik steun hem, maar ik neem ook afstand van hem. Ook Benevelo hoort in de vitrinekast van de vergissingen. Van Eesteren was razendknap. Maar hij werkte onder een ongunstig gesternte. In de crisis moest hij knokken en, onderbroken door een oorlog, in de wederopbouw alles heel goedkoop terugbouwen. Veel kunnen we nu afbreken. Geniaal was het, maar in de verkeerde tijd.

Ook Emmen heeft erg geleden onder de stedenbouw van de 20e eeuw. Het is een goed moment voor een slotvraag. Ben je een kind van Amsterdam of van Emmen? Hemel: Ik hou van Amsterdam, ik voel me een kind van Amsterdam. Je kan je wortels nooit verloochenen. Maar mijn liefde voor Amsterdam spreekt toch wel uit mijn boek. Amsterdam is daarin een soort van hoofdpersoon.

Triomf van de stad: alles begint met werk

september 8, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

Interview met prof Frank van Oort

Frank van Oort is hoogleraar Urban and regional economics aan de Erasmus Universiteit. Hij is dus bij uitstek een man die moet je spreken als je geïnteresseerd bent in de Triomf van de stad. Hij weet waarom veel steden een periode van bloei doormaken. Hij weet waarom hoogopgeleide mensen in steden willen wonen en bedrijven zich bij hen in de buurt willen vestigen. Maar hij weet ook dat die grote bloei niet voor alle steden geldt. Waarom trekt de economie in Amsterdam en Utrecht bijvoorbeeld wel heel erg aan? En waarom trekken mensen én bedrijven weg uit Emmen en uit Enschede?

Bedrijf is in de stad productiever

Van Oort begint graag met de basis. Waarom trekken bedrijven naar steden? Omdat hun omstandigheden daar beter zijn dan op het platteland. Dat blijkt uit ook uit de simpele cijfers. Hetzelfde bedrijf is in de stad 5-7% productiever dan op het platteland. En dat verschil wordt alleen maar groter naarmate de stad meer inwoners heeft. Marshall heeft dat in 1890 allemaal al opgeschreven. De stad heeft agglomeratievoordelen. In een stad is de arbeidsmarkt groter en komen vraag en aanbod veel gemakkelijker bij elkaar (matching). In de stad kan je je specialiseren en kan je toeleveranciers en uitbesteders delen (sharing). En in de stad leer je meer van elkaar omdat er meer bedrijven zijn. En universiteiten en andere kennisinstituten. Dat is eigenlijk gratis kennis. Daardoor heb je minder zoekkosten (learning). Marshall onderzocht deze fenomenen al in zijn tijd in Manchester en in Liverpool. Tegenwoordig zijn het nog steeds dezelfde mechanismes, alleen gaat het heel veel sneller.

Maar er zijn ook agglomeratienadelen van al die drukte, van al die mensen en al die bedrijven dicht op elkaar. Files, vervuiling, fijn stof, de natuur staat onder druk, en hoge huizenprijzen. In London moet je een paar miljoen meenemen als je een huis wil kopen tegenwoordig. Maar uiteindelijk zijn de voordelen in veel steden toch veel groter dan de nadelen. Denk aan de hogere salarissen. Daarom willen velen, ondanks de nadelen toch in die steden zitten.

Een echte theorie of handige begrippen

Ik vraag Van Oort of we het nu hebben over een echte theorie, die iets kan verklaren, of dat we het alleen maar hebben over begrippen waarmee je steden (iets) beter kan begrijpen. Veel economen zouden dat geen prettige vraag vinden. Ze verwarren de werkelijkheid vaak met hun model en hun model met de werkelijkheid. Van Oort betoont zich veel meer een sociale wetenschapper. Hij onderkent dat er meer theorieën over de stedelijke economie zijn en dat de één meer waar is dan de ander. Hij vertelt dat economen graag in termen van evenwicht denken. Uiteindelijk ontstaat er voor de meeste economen altijd evenwicht. Bijvoorbeeld: in de evenwichtssituatie zal er altijd (nagenoeg) volledige werkgelegenheid zijn. Van Oort onderkent in zijn vak echter geen convergentie, maar divergentie. De economische groei doet zich vooral in steden gelden. Het achterland blijft bijna per definitie achter. Van evenwicht tussen stad en land is geen sprake.

Maar ik blijf zuigen. Verklaart die theorie nu echt iets, of is hij zelfs tautologisch? Als er groei is, is er groei. Als er triomf is, is er triomf. Hoe kunnen we uit deze theorie nu de bijzondere ontwikkeling van de economie van bijvoorbeeld de stad Leiden verklaren? De theorie gaat er immers vanuit dat het proces van matching, sharing en learning ertoe leidt dat een stad steeds aantrekkelijker wordt. Namelijk, doordat er zich steeds meer mensen en bedrijven vestigen. Zo komt een vliegwiel in beweging. Maar Leiden was een florerende stad in de Gouden Eeuw en was een paar eeuwen later zo verarmd, dat delen van de stad werden gesloopt. Maar volgens Van Oort is dat logisch. Als zich technologieën aandienen, heb je vaak andere skills, andere vaardigheden nodig. En het is maar de vraag of de stad die onder de oude technologie nog floreerde, ook over die nieuwe vaardigheden beschikt. Bovendien stopt het vliegwiel van de stedelijke economie als de markt verzadigd is. Als je textiel maakt, en de markt wil geen textiel meer, of het wordt elders heel veel goedkoper gemaakt, dan gaat de textiel weg. Kijk eens naar de autoindustrie in Detroit, die was de grootste ooit. Maar als ze elders innovatiever zijn, dan kan je die voorsprong zo kwijt zijn. En kan het vliegwiel heel snel tot stilstand komen.

Dus dat vliegwiel van de zich versterkende agglomeratievoordelen blijft niet altijd draaien. Zeker niet als je te eenzijdig bent gespecialiseerd. Van Oort: Je moet een breed portfolio hebben. Je moet bedrijven hebben die groeien, waar je de werkgelegenheid uit haalt en je hebt dingen nodig die nog heel klein zijn, maar die in de toekomst gaan groeien. En natuurlijk, sommige steden zijn bijna door hun historie onverslaanbaar. Denk aan London. Dat blijft door zijn padafhankelijkheid altijd aantrekkelijk voor nieuwe ontwikkelingen.

Afstand doet ertoe

Oké, ik geloof Van Oort zijn vliegwiel-theorie. Omdat steden aantrekkelijk zijn, trekken ze steeds weer mensen en bedrijven aan en daardoor worden ze nog aantrekkelijker voor nog meer mensen en bedrijven. Nu hebben veel Nederlandse steden (en veel steden elders) in de tweede helft van de vorige eeuw een terugslag gehad. Door de industrieën vervuilden en verpauperden de steden en trokken veel mensen naar buiten. In de kenniseconomie is de trek naar de stad weer enorm toegenomen. Dat zeggen we. Maar je zou ook kunnen zeggen dat de agglomeratienadelen enorm zijn afgenomen. De vervuiling is sterk teruggedrongen, de industrie heeft zich naar elders verplaatst en de gasfabrieken zijn overal gesloopt. Wat is het nu? Iedereen beweert dat de steden juist door de kenniseconomie zijn gaan bloeien en groeien, terwijl je ook kan zeggen dat de steden weer veel aantrekkelijker zijn geworden omdat de nadel van vijftig jaar geleden gaandeweg zijn verdwenen.

Van Oort onderkent dat veel agglomeratienadelen zijn verdwenen. Maar hij weet ook dat in de kenniseconomie de agglomeratievoordelen van steden nog veel sterker zijn gaan meespelen. Kennis heeft altijd een rol gespeeld in de economie. Maar nu hebben we veel meer toegang tot allerlei vormen van kennis door ICT. Je zou kunnen zeggen dat je overal toegang tot kennis hebt. Dat de wereld zelfs flat zou kunnen worden. Toch is de trek naar de steden overal toegenomen. Dus die kenniseconomie heeft zelfde drivers als de oude economie. In die kenniseconomie zijn face-to-face contacten bovendien heel belangrijk. Het gaat over overleg, het gaat om vertrouwensrelaties die je in direct contact opbouwt. Vooral in de steden heb je veel meer kans op interactie. Daar vind je de plekken waar je veel meer kan leren. In dat opzicht is het belang van face-to-face contacten een aanvulling op de theorie van Marshall. Toch wordt het belang van die face-to-face contacten ook wel eens overdreven. Het gaat in de kenniseconomie niet alleen daarom, zoals Glaeser wel eens lijkt te suggereren. Het gaat ook over transportkosten.

Gaat Rifkin Rotterdam echt helpen?

Kenniseconomie en opleiding hebben vanzelfsprekend veel met elkaar te maken. Hoe hoger opgeleid hoe productiever. Van Oort: Als je er veel van hebt, zit je goed. Zeg maar Utrecht. Maar je moet nooit gemakzuchtig worden. Utrecht lijkt te denken: we hebben zo’n reservoir, wij hoeven niets meer te doen. Maar in de toekomst hebben ze niet meer genoeg aan zakelijke dienstverlening en ICT. Daarin zal verzadiging optreden. In de toekomst moet het wel ICT met iets anders zijn. Met zorg, of met veiligheid of iets anders Je moet naar markten toe die groeien. Het blijft nooit automatisch goed gaan.

Toch is het probleem van Utrecht een luxeprobleem. In Rotterdam ligt het echt anders. Daar biedt de arbeidsmarkt niet de kwaliteiten die de kenniseconomie op dit moment vraagt. Zo wil Rifkin van Rotterdam een smart port maken, maar Van Oort is bang dat Rotterdam de bijbehorende werknemers niet zal kunnen leveren. De arbeidsmarkt is de achilleshiel van Rotterdam. Van Oort: je gaat de arbeidsmarktproblemen van Rotterdam niet oplossen met het nieuwe verhaal van Rifkin. De mensen die Rifkin aan het werk wil helpen, heb je niet in Rotterdam.

Het vliegwiel start bij werken

Wie over arbeidsmarkten praat, praat in de stedelijke economie al gauw over de vraag of mensen naar steden trekken omdat er werk te vinden is, of dat bedrijven naar steden trekken omdat er goede werknemers te vinden zijn. In jargon: volgt wonen werken of volgt werken wonen? Het CPB meent dat werken tegenwoordig wonen volgt. Van Oort is veel genuanceerder: in eerste instantie gaat het erom dat je werk hebt. En dan kan je overal wonen. En je kan niet overal wonen als je geen werk hebt. Je kan dus wel dure appartementen in Rotterdam bouwen, voor hoger opgeleiden. Maar als er geen werk is komen die hogeropgeleiden maar met mondjesmaat en vaak moeten ze dan ook nog eens ergens anders werk gaan zoeken. In Den Haag of Amsterdam. Daar heb je dus niet zoveel aan. Er komen hier in Rotterdam ook geen nieuwe bedrijven omdat er een paar hoogopgeleiden wonen.

Voor Van Oort is het cruciaal: als het vliegwiel ergens start, dan start het bij werk. Pas als werk voldoende aanwezig is, dan krijgt het CPB gelijk. Dan gaat het vliegwiel draaien. Dat heb je vooral in de Noordvleugel. Maar de accountants die we hier aan de universiteit opleiden gaan allemaal aan de Zuidas werken. Dat los je niet op door mooie woningen aan de Maas neer te zetten. Dat los je op door hier werkgelegenheid te creëren waar dat soort functies nodig zijn. Er moeten weer hoofdkantoren naar Rotterdam komen, maar in de havenbranche zitten alle hoofdkantoren tegenwoordig in London.

Als er aan de voorwaarde van werk is voldaan, gaat het wonen wel een grote rol spelen. Mensen willen daar wonen, waar ze zich prettig voelen. Hogeropgeleiden hebben behoefte aan theaters, aan restaurants. Maar nogmaals, als je een mooi theater bouwt gaat het vliegwiel niet meteen draaien. Dat zie je ook in Enschede. Waar ze ook een prachtige wijk hebben gebouwd. Al die woonattracties, die amenities, werken als het vliegwiel eenmaal draait. In Amsterdam. In Utrecht. Dat zijn de echte consumercities.

Maar als ik vervolgens Eindhoven aankaart, ligt het toch weer ingewikkelder. Eindhoven heeft maar weinig voorzieningen, en de binnenstad is niet opvallend aantrekkelijk. Toch is dat in Eindhoven geen probleem volgens Van Oort, omdat ‘nerds’ andere behoeften hebben. Nerds willen gewoon carrièreperspectief, die willen werken, die willen op de campus. Die theorie van de Triomf van de stad is dus een ingewikkelde theorie. Hij klopt in Amsterdam en in Utrecht. Maar in Rotterdam draait het vliegwiel niet. En in Eindhoven loopt het goed, ondanks het feit dat het wonen daar niet attractief is. Van Oort zegt ook: de hele theorie is gericht op steden als Amsterdam. Omdat daar alles de goede kant opdraait. Maar het levert geen recept op voor iedere stad. Van Oort: ik zou in Eindhoven niet meteen achter cultuur aan gaan. Ik zou eerst eens goed gaan kijken, waaraan jouw doelgroep behoefte heeft. Wie gaat er gebruik van maken van dat nieuwe theater?

Niet elke stad een eigen campus, alsjeblieft

Het is boeiend dat Van Oort steeds weer het accent legt op werken. Op de werkgelegenheid. Op de bedrijven. Woonattracties zijn leuk, maar uiteindelijk gaat het om werk. Bovendien is ook nog eens het soort bedrijvigheid van groot belang. Sommige economen hebben altijd gedacht dat een homogene sectorstructuur goed zou zijn voor een stad. Hoe meer bedrijven van eenzelfde soort, hoe meer economies of scale. Maar Van Oort legt ook de nadruk op learning. En van identieke bedrijven kan je volgens hem minder leren. Als iedereen hetzelfde doet, ben je bovendien vooral concurrent. En bedrijven hebben in de regel niet de neiging om hun concurrent wijzer te maken dan hij al is. Met een homogene sectorstructuur heb je natuurlijk wel het voordeel van de arbeidsmarkt die je deelt. In Silicon Valley kan je heel veel ICT-ers vinden.

Maar je moet ook weer niet te veel van elkaar verschillen om iets van elkaar te kunnen leren. De schoenmaker leert niet veel van de fietsenmaker. Die heeft heel andere dingen te doen. Het moet ook weer niet te divers zijn voor cross-overs. In dat opzicht verwerpt Van Oort de ideeën van Jane Jacobs. Volgens hem heb je behoefte aan gerelateerde diversiteit. Je moet wel met mensen kunnen praten. Als je dezelfde technische taal spreekt, kan je iets van elkaar leren. Denk aan machinebouw naast de productie van auto’s.

Het is een mooie gedachte, gerelateerde diversiteit op je bedrijventerrein. Maar hoe organiseer je dat? Van Oort gelooft niet dat de overheid hier veel kan doen. Ten onrechte denken overheden volgens hem dat zij die cross-overs kunnen organiseren, door bedrijven bij elkaar te zetten. Maar bedrijven zoeken dat zelf wel uit. Van Oort: ik zeg altijd: de economie is zelfsturend. De overheid kan bedrijven faciliteren. Dat ze zich thuis voelen. Vergunningen snel leveren. Mooie woonmilieus. Glasvezel. Maar dat zijn allemaal noodzakelijke voorwaarden, geen voldoende. Je kan het daar alleen op verliezen, niet op winnen. Ja het is prachtig als bedrijven en kennisinstellingen samenwerken. Maar dat moeten ze zelf doen. Dat kan de overheid niet opleggen. Bovendien hebben gemeenten niets te zeggen over de belangrijkste kennisinstellingen, de universiteiten. En dan vlucht de gemeente al snel in de richting van een mooie campus. En in het vergroten van de bereikbaarheid van de campus. Allemaal voorwaarden, maar of mensen gaan samenwerken is hun eigen keus.

Overigens is Van Oort ook heel kritisch over al die pogingen van gemeenten om allemaal hun eigen campus aan te leggen. Als het niet veel geld kost, ach, dan schaadt het niet. Maar het is wel belastinggeld. Campussen ontstonden vaak rondom een grote kennisdrager. Vaak is het toeval als een campus ontstaat. Maar als er één is, moet je zeker niet proberen in de omgeving er nog één te maken. Dan hebben de bedrijven zich al uitgesorteerd. In Emmen een ICT-hub maken heeft geen zin, als de bedrijven allemaal al in Eindhoven en Delft zitten. Het is vaak een een netwerk van elite-onderzoekers die heel sterk samen bepalen waar wat gebeurt. Lifesciences zit in Nederland in Leiden, Wageningen, Eindhoven en Utrecht. Die doen heel veel met buitenland. Maar Europees zijn onze pieken alleen maar heuveltjes. Cambridge, Braunschweig zijn echt groot.

Massa lenen bij de buren

Nederlandse steden hebben inderdaad vaak weinig massa in vergelijking met de buitenlandse concurrenten. In de wereld van bestuurders wordt veel gesproken over ‘borrowed size’. Zou het helpen om van elkaar te profiteren? Om als het ware massa bij de ander te lenen. Van Oort is daarover helder. Het zijn niet de bestuurders die steden bij elkaar op kunnen tellen, maar het is de markt die zelf sorteert. Daarvoor moeten steden onderling goed bereikbaar zijn. Als je één arbeidsmarkt bent, kan je uitwisselen. Maar er moet ook iets zijn om uit te wisselen. Het probleem in Nederland is dat elke stad zich in alles specialiseert. En dan valt er niet veel uit te wisselen. Ja, als er geen agglomeratievoordelen zijn, is er ook geen borrowed size.

Ik breng in dat we ondanks ons gebrek aan massa toch een heel rijk land zijn. Hoe kan dat dan, als onze pieken in de kenniseconomie internationaal maar kleine heuveltjes zijn. Het gesprek krijgt hier bijna een komische wending. Van Oort: Ja, we doen veel handel. In Europa zijn we een smeermiddel tussen allerlei sectoren. Ja, we hebben Born, maar vlak over de grens heb je 40 van dat soort autofabrieken. Ik interrumpeer weer: en toch doen we het economisch enorm goed in Nederland. Hoe kan dat? Van Oort: Ja, we zitten vooral in de handel. En in de dienstverlening. Daar heb je relatief minder massa voor nodig om winsten te halen. In dat licht is het goede vraag waarom we ons zo druk maken over die campussen. Ja, we willen ook innoveren. Alleen Eindhoven is daar echt goed in. Heel veel patenten. Ja, we verzinnen 11 topsectoren, waarvan je je moet afvragen of dat nou onze top is. Van Oort denkt dat we terug moeten naar wat we het beste kunnen. Handel en zakelijke dienstverlening. High tech systems and materials doen ze in Duitsland honderd maal beter. Lifesciences gaat in Oxford en Cambridge heel veel beter dan hier. Ja, daar heb je wel een punt. Zakelijke diensten is niet eens een topsector in Den Haag! Transport wel, maar handel niet.

Triomf is niet voor iedereen

We hebben het er al over gehad. Dat vliegwiel is prachtig als het eenmaal draait, maar ook dan draait het niet voor iedereen. Van Oort kent het onderzoek. PBL geeft aan dat een nieuwe baan voor een hoogopgeleide nauwelijks gevolgen heeft voor de werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Marlet heeft aangetoond dat er wel banen aan de onderkant bijkomen maar dat die vaak door hoogopgeleiden worden ‘ingepikt’. De PhD achter de bar. Elders is er volgens Moretti wel sprake van ‘triggling down’. Volgens hem zou één nieuwe baan aan de bovenkant zelfs voor vijf nieuwe banen aan de onderkant zorgen. Maar in Nederland hebben we dit soort cijfers nooit gevonden. Anders gezegd: Rifkin lost dus het probleem van Rotterdam-Zuid niet op. We moeten ons niet rijk rekenen met trek in de schoorsteen. Daar komt de komende jaren een ander probleem bij. Er komen steeds minder banen voor de middengroepen, door ICT en robotisering. De middengroepen kunnen niet naar boven en willen niet naar beneden. Dat zal grote problemen geven en grote ongelijkheid.

Bedrijven zoeken zelf wel hun plek

De grote vraag blijft: wat kan de overheid doen. Het is ook een vraag die Van Oort bezig blijft houden. Hij zegt: zoveel mogelijk obstakels uit de weg werken. Bottlenecks wegnemen in het onderwijs. Maar dat is niet zo eenvoudig. Studenten zouden nu het vak moeten leren, dat we straks nodig hebben. Maar hoe schatten we dat in. Bovendien: hebben we de docenten ervoor? Van Oort: ik zou eerlijk gezegd ook niet weten wie dit anders zou moeten doen dan de overheid. We hebben overal Economic Boards, maar dat zijn niet de organisaties die op het terrein van het onderwijs dit soort dingen kunnen aanpakken. Maar heeft de overheid de goede mensen in huis om die toekomst een beetje aardig in te schatten? En je morrelt ook nog eens aan competenties van hbo-instellingen en van universiteiten.

Daarnaast: Ja, je moet bereikbaar zijn, je moet goede woonmilieus hebben, het moet veilig zijn. Leefbaar zijn. Het zijn de klassieke taken van de overheid. Maar dat doen ze overal in Europa. Dus waarom zou ons beleid differentiëren? Maar verder? Je kan wel besluiten dat er nu nog één groot biotechnologie bedrijf zou passen in je gemeente. Maar die kan je niet zomaar halen. Anders zouden ze er wel zitten. Bedrijven zoeken zelf wel hun plek.
Rotterdam, 28 juni 2016

De Agenda stad of de agenda van de steden

april 22, 2015 by  
Filed under artikel, De Stad

Historisch perspectief

Laten we het even in perspectief zien. Na de oorlog kregen de Nederlandse steden het moeilijk. Er was een gebrek aan ruimte. Vanaf de jaren 60 trokken de mensen massaal naar buiten. Naar de groeikernen en naar allerlei kleine kernen op het platteland. Het was een onnatuurlijke beweging. Normaal trekken mensen naar de stad, in Nederland en wereldwijd. Niet om er altijd te blijven, maar wel omdat de stad meer kansen biedt dan het platteland. Het was dan ook niet verrassend dat in de jaren 80 de trend al weer omsloeg. De steden krabbelden langzaam uit een diep dal. Het aantal inwoners nam weer toe. Maar nog niet van harte.

Het echte keerpunt lag in de jaren 90. Amsterdam ontwikkelde het Oostelijk Havengebied. Voor mij staat dat gebied model voor de nieuwe stad. Voor de nieuwe agenda van de stad. Stadsvernieuwing werd vervangen door stedelijke vernieuwing. Bij stadsvernieuwing werden sociale huurwoningen vervangen door betere sociale huurwoningen. ‘Bouwen voor de buurt’. In het Oostelijk Havengebied werd voor het eerst op grote schaal gebouwd voor de nieuwe stedeling: ‘de hoogopgeleide kenniswerker’. Daarna kwamen Richard Florida en Ed Glaeser, de twee beroemde Amerikaanse wetenschappers, die groot werden met mooie boeken over het belang van de stad. En jaren daarna kwam de Agenda stad. Een programma van het Rijk, waaraan de steden schoorvoetend mee doen. Alleen al omdat je het nooit weet.

Het is goed dat het programma Agenda stad er is. Maar alle tam tam rondom de Agenda stad vraagt wel om enige relativering en nuancering. De steden hebben al jaren hun eigen agenda. Dat steden werken aan hun agglomeratiekracht is niet nieuw. Dat steden hoogopgeleide starters kansen bieden is niet van het laatste jaar. Dat steden weten dat de nieuwe kenniseconomie om een ander woningbestand vraagt, hoeft het Rijk niet te komen vertellen. Dat steden aan hun sociale en culturele leefklimaat werken, omdat ze de nieuwe hipster willen vasthouden, was buiten Den Haag al lang gewoon.

Daarnaast is het de grote vraag wat het Rijk te bieden heeft voor de ontwikkeling van de steden. Wat staat er eigenlijk op die Agenda stad van het Rijk? Die vraag is des te relevanter omdat bij de Agenda stad eerder het proces en de procesvernieuwing voorop lijken te staan dan de inhoud. Maar de vraag is natuurlijk: wat hebben steden nodig dat alleen het Rijk hun kan bieden?

Ik laat in dit essay de tam tam van de Agenda stad voor wat hij is. We grinniken wel vaker in het land als Den Haag iets heel nieuws heeft bedacht, wat anderen al jaren wisten. We grinniken ook wel vaker als Den Haag een te grote broek aantrekt. Voor mij zijn drie vragen hier interessant: welke ontwikkelingen doen zich in de steden voor, welke stedelijke agenda is hier adequaat en welke bijdrage zou het Rijk daaraan (nog) kunnen leveren? Ik baseer me daarbij met graagte op een rapport dat onder mijn leiding in opdracht van de VNG is geschreven. Ter ondersteuning van de collegeonderhandelingen van het voorjaar van 2014 brachten wij het rapport Perspectief voor de steden uit.

De staat van de stad: twee gezichten

Steden zijn steeds meer de motor van economie en innovatie. Bedrijven profiteren van elkaars nabijheid en clusteren in steden. De kenniseconomie is de post-industriële economie aan het verdrijven, en gedijt goed in steden. De meeste steden groeien, zelfs als er geen nieuwe huizen meer worden gebouwd. Tegelijkertijd kondigt de bevolkingskrimp zich in de perifere delen van het land aan.

In de nieuwe economie van kennis en innovatie is een aantal zaken cruciaal: stedelijke dichtheid, de bereikbaarheid van andere steden én de kwaliteit van de leefomgeving (voorzieningen, cultuur, veiligheid ). Niet het aantrekken van bedrijven moet voorop staan, maar het aantrekken en behouden van mensen die voor die bedrijven aantrekkelijk zijn. Daarmee zijn de creatieve kenniswerkers interessant geworden voor elke stad. Tegenwoordig geldt: ’werken volgt wonen’. Overigens begint dat pas als er voldoende interessante banen zijn, anders komen die hoogopgeleiden ook niet.

Een florerend cultuurbeleid is van belang voor een welvarende stad. Mensen trekken naar steden vanwege hun (culturele) voorzieningen, bedrijven trekken naar steden vanwege de florerende arbeidsmarkt. Internationale bedrijven willen goede culturele voorzieningen voor hun mensen. Cultuur levert de stad ook veel direct economisch profijt op.

In dat opzicht is de stedelijke economie goed met een vliegwiel te vergelijken. Als het eenmaal draait hoef je niet zoveel te doen, om het draaiende te houden (Amsterdam). De banen gaan de mensen en de andere banen achterna. Maar als er stilstand is, is het erg ingewikkeld om de stedelijke economie in beweging te krijgen (Rotterdam, Heerlen). Hoogopgeleide mensen trekken weg en daardoor is de stad minder aantrekkelijk voor nieuwe bedrijven. De triomf van de stad doet zich niet overal (zo maar) gelden.

Ook in ander opzicht heeft de ‘triomf van de stad’ twee gezichten. In de nieuwe stedelijke economie staan de hoogopgeleide werknemers wel erg centraal. Lageropgeleiden hebben het veel moeilijker, ook al omdat op de arbeidsmark verdringing plaatsvindt: veel hoogopgeleiden werken beneden hun werkelijk niveau. Bovendien kan de groei gemakkelijk leiden tot tot ruimtelijke uitsortering, waarbij de werklozen en de lage inkomens verschuiven naar de randen van de steden en naar de oude groeikernen. Ook dat succesvolle Amsterdam heeft in dat opzicht twee gezichten. 12,3% van de inwoners van Amsterdam leeft bijvoorbeeld onder de armoedegrens, tegen 11,6% in Rotterdam, dat de ‘triomf van de stad’ grotendeels aan zich voorbij ziet gaan. En die 12,3% woont voor een zeer groot deel buiten de Ring. In veel steden zijn de broedplaatsen niet aan te slepen, maar veel winkels moeten sluiten. Terwijl de nationale economie afhankelijker wordt van de steden, worden in die steden de verschillen tussen arm en rijk groter.

Natuurlijk is die stad veel complexer dan dat simpele praatje van de D66-stemmende hoogopgeleiden die onze welvaart op hun rug hebben genomen. Zo neemt in de steden de diversiteit in tal van opzichten toe. Het gaat om steeds meer nationaliteiten, het gaat om Turken en Marokkanen die vaak moeilijk werk krijgen, het gaat om MOE-landers die vaak een (laagbetaalde) baan hebben, het gaat om vluchtelingen, het gaat om hoog opgeleide zzp-ers en het gaat om expats die voor bedrijven een periode naar Nederland komen. Aan de onderkant zien we steeds meer arbeidsmigratie en steeds minder gezinsmigratie. In de war of talent is het van groot belang om je stad aantrekkelijker te maken voor de internationale kenniswerkers.

Naast de diversiteit is de dynamiek van belang. Steeds meer hebben de steden te maken met passanten, zowel aan de bovenkant als aan de onderkant. Passanten worden structureel. Daarop zijn steden vaak nog onvoldoende ingericht. Ook in de achterstandswijken is er veel dynamiek (zeker in wijken met meer eigen woningbezit). De stad is een emancipatiemachine, hoewel niet iedereen boven komt. Veel migranten beginnen in bepaalde wijken (waar ze netwerken hebben, waar meer kans is op informele arbeid). Deze arrival neigbourhoods zijn niet het probleem, die zullen altijd blijven bestaan. Het gaat erom om mensen kansen te geven en om beleid te richten op mensen die er niet in slagen om verder te komen.

Daarom is het belangrijker om meer oog te hebben voor mensen en minder voor wijken (ook omdat de wijk in Nederland nauwelijks de kansen van de inwoner bepaalt). Veel mensen wonen in achterstandswijken omdat ze arm en werkloos zijn en ze zijn niet arm en werkloos omdat ze in achterstandswijken wonen. Niettemin is de schaal van sommige achterstandswijken zodanig dat de problemen te veel kunnen cumuleren.

De twee gezichten van de stad vragen volgens Perspectief voor de steden om een brede agenda. In de komende jaren moet het niet alleen gaan over de economische groei, over de creatieve klasse, over de broedplaatsen, maar ook over de nieuwe armoede, de nieuwe woningnood, en het gebrek aan kansen. Al met al: het moet gaan om de sociaal-economische vitaliteit van de steden.

De agenda van de steden

Wat kan de stad doen? Hoe kunnen gemeentebesturen de stedelijke ontwikkeling versterken? In het rapport Perspectief voor de steden stond een groot aantal concrete en minder concrete voorbeelden van een stedelijke agenda. De commissie stelde drie dingen centraal:

  • Waar ligt de kracht van je stad? Wat is het verhaal van je stad? Kopieer niet het succesmodel van andere steden, maar weet wat jouw stad nodig heeft. Niet iedere stad ligt in een ‘valley’, niet iedere stad heeft baat bij een campus.
  • Het verhaal van de stad wordt vaak verteld door burgers. Daarom is het zo belangrijk om aan te sluiten bij de initiatieven van burgers. Een goed bestuur geeft ruimte aan de stad en ruim baan voor de burger.
  • Sectorale en solistische oplossingen werken niet meer. Het gaat om de verbinding. Economie en sociaal moeten worden verbonden. Duurzaamheid én cultuur zijn brede thema’s die in alle sectoren moeten terugkomen. En in stedelijke regio’s is een gezamenlijke aanpak van ‘stad en ommeland’ vereist.

Van daaruit werd de agenda van de stad geleidelijk ingevuld. Zo bepleitte de commissie onder andere:

  • Nieuwbouw moet gericht zijn op vergroting van de ‘massa’: verdicht binnen de agglomeratie. Herstructurering en transformatie van bestaande gebieden zijn vaak niet duurder dan nieuwbouw aan de randen van de agglomeratie, als niet alleen wordt gekeken naar de plan-exploitatie, maar ook naar het effect op de gehele stad.
  • Ontwikkel nieuwe woonmilieus voor hoger opgeleiden én voor middeninkomens. De hoger opgeleiden zijn aantrekkelijk voor nieuwe bedrijven, woningen voor middeninkomens zijn aantrekkelijk voor migranten die gebruik maken van de emancipatiemachine die de stad ook is.
  • Het percentage sociale huur is in veel steden nog steeds veel te hoog. Regionale aanpak is hier onvermijdelijk.
  • Bij het grondbeleid moet het primair gaan om de ruimtelijke kwaliteit, de samenhang en de leefbaarheid van de stad.
  • Leegstaande gebouwen zijn een kans voor starters én voor burgerkracht. Het vraagt om: minder regels en flexibelere bestemmingsplannen. Vernieuw bestaande werkplekken in plekken voor kenniswerkers. Zet bestaande gebouwen om in woningen voor middeninkomens, voor doorstromende migranten.
  • De buurtinfrastructuur moet zowel sociaal en economisch krachtig zijn.
  • Heb continu overleg met het bedrijfsleven. Betrek ze bij voorbereiding en uitvoering van beleid. Wat economisch één gebied is, moet ook bestuurlijk als zodanig worden behandeld.
  • Kies voor concentratie van winkelbestand op stads- en wijkniveau.
  • Biedt meer ruimte en meer voorzieningen aan de internationale kenniswerker: veel internationale kenniswerkers zijn passanten (huur belangrijker dan koop, internationaal onderwijs).
  • De universiteitssteden investeren meer in huisvesting voor, talents scouting en het binden van internationale studenten.
    Sel je meer in op laaggeschoolde passanten. Short-stay-voorzieningen (‘Polenhotels’) zijn belangrijk. Ook scholen moeten beter worden toegerust op passanten.
  • Veel migranten wonen maar tijdelijk in achterstandswijken (hun arrival neigbourhoods). Voor hen is niet het verbeteren van de wijk prioriteit maar het vergroten van hun kansen op de arbeidsmarkt (taal, stage, werk). Het verbeteren van achterstandswijken kan voor hen zelfs contraproductief zijn, omdat ze daardoor naar andere achterstandswijken worden verdreven. Voor veel migranten is het dus beter om de verschillen tussen wijken te accepteren.
  • Daar staat tegenover dat degenen die niet in staat zijn om de achterstandswijken te ontstijgen, recht hebben op een decente en veilige leefomgeving.
  • Waar de schaal van de achterstandswijken de problemen onbeheersbaar dreigt te maken kan worden overwogen de toestroom van nieuwe kwetsbare groepen tegen te gaan. Dat kan door nieuwbouw van betere woningen in achterstandswijken, door woningtoewijzing (op straat- en buurtniveau), door regionale afspraken te maken en door toepassing van de Rotterdamwet. Zo kan een opeenhoping van kwetsbare groepen en een te eenzijdig sociaal-economisch profiel worden voorkomen.
  • Ga aan de gang met de verhalen die in de stad leven. Ga andere steden niet kopiëren. Het gaat op het culturele DNA van je eigen stad. Daarin speelt cultuurhistorie een grote rol.
  • Regelgeving moet het culturele klimaat niet in de weg zitten
  • Werk aan de herbestemming van het culturele erfgoed. Creëer ontmoetingsplaatsen (free zones) voor creatieve elite en culturele voorlopers. Benut leeg vastgoed om je culturele infrastructuur te versterken.
  • Investeer in de creativiteit van mensen, van jongeren en van ouderen. Daar past cultuureducatie bij.
  • Denk bij culturele instellingen regionaal. Betrek de regio bij het investeren in cultuur in de eigen stad. Specialisatie in culturele voorzieningen.
  • Festivalisering past bij consumer city (en bij identiteit).
  • Biedt kunstenaars van elders de mogelijkheid om langer in Nederland te blijven, ook als ze niet meteen een baan hebben. Zoals dat ook voor kenniswerkers geldt.
  • Bibliotheken van de toekomst zijn kennisplekken, plekken van dialoog, een educatief centrum.

Wat blijft erover voor het Rijk?

Dit waren de belangrijkste aanbevelingen van de commissie. [Waarbij zij opgemerkt dat ik het thema duurzaamheid hier buiten beschouwing heb gelaten, omdat het voor dit onderwerp minder relevant is.] Wat laten die aanbevelingen zien?

De stedelijke economie laat zich vooral faciliteren en nauwelijks sturen. En ook het faciliteren heeft zijn grenzen. Dat oude binnensteden in trek zijn bij de hoogopgeleide kenniswerkers die je tegenwoordig nodig hebt, is zeer interessant, maar geeft weinig mogelijkheden voor het lokaal bestuur. Je hebt een oude binnenstad of je hebt geen oude binnenstad. En dat Rotterdam het al jaren matig doet, ondanks de steeds weer opvlammende hoop dat het nu echt beter wordt, ligt niet aan het gemeentebestuur. Het ligt aan de veranderde economische structuur in dit land, waardoor arbeiders niet meer gaan wonen in de omgeving van de fabrieken maar bedrijven zich vestigen in de buurt van de plekken waar de kenniswerkers willen wonen. Gechargeerd gezegd, maar globaal wel waar.

Beleid moet dus vooral in het teken staan van ‘go with the flow’. Niet tegen de stroom oproeien. Heel goed onderkennen hoe de ontwikkelingen gaan en in de sfeer van randvoorwaarden ondersteuning verlenen. Zorgen dat die woningen er zijn op korte afstand. Zorgen dat die cultuur er is. Zorgen dat de veiligheid is gewaarborgd. En vooral zorgen voor de bereikbaarheid van mensen en bedrijven. Laten we eerlijk zijn: de casus Rotterdam, om nog maar niet te spreken van de casus Heerlen, laat zien dat de overheid niet zo heel veel kan als het gaat om het fundamenteel aan de praat krijgen van de stedelijke economie. Wat dat betreft is de overheid van grotere betekenis voor de ‘achterkant van de medaille’: het sociale domein waarin de achterblijvers een plek zoeken.

En wat de overheid wel kan, is vooral een zaak van het lokaal bestuur. Om twee redenen. Ten eerste moet elke stad uitgaan van eigen kracht en het verhaal van de eigen stad scherp krijgen. Elke stad is anders en elke stad heeft zijn eigen kansen. Daarbij past geen generiek centraal beleid. Ten tweede vergt het beleid ter versterking van de stedelijke economie vooral kennis van de lokale omstandigheden en de lokale ontwikkelingen. Het vergt het geven van een klein duwtje op het juiste moment. Het is het aanvoelen van lokale behoeften. Dat is het werk van het lokaal bestuur.

Om die reden ben ik wel benieuwd wat de (Rijks) Agenda stad gaat opleveren. Ik ga er gemakshalve van uit dat het Rijk niet het werk van de steden wil gaan dupliceren. Dat is weinig zinvol en zou al gauw terecht de kritiek van ‘bestuurlijke drukte’ opleveren. En ik ga er ook vanuit dat het normale Rijksbeleid gericht op de bevordering van de economie niet op de Agenda stad zal staan. Het economisch klimaat verbeteren, het onderwijs op peil brengen, onderzoek en innovatie bevorderen. Allemaal van belang voor de economie in het algemeen en daarmee ook voor de steden. Maar dat is nog geen stedelijke agenda.

Wat resteert er voor de Agenda stad?

  • Het vergroten van de bereikbaarheid van de steden (ten behoeve van de agglomeratiekracht van de steden). Ik ben benieuwd welke nieuwe wegen en tunnels op de agenda verschijnen. Ik heb het gevoel dat de belangrijkste bereikbaarheidsproblemen van de steden tegenwoordig de toegang tot die steden betreffen. Is dat Rijksbeleid? Of is dat door het Rijk gefinancierd stedelijk beleid?
  • De systeemverantwoordelijkheid voor cultuur en onderwijs. Gaat het Rijk weer meer geld besteden aan cultuur, wat vooral de steden ten goede zal komen? Of mogen we dat na de ingreep van Zijlstra de komende jaren juist niet verwachten? En gaat het Rijk meer geld ter beschikking stellen van de scholen in de achterstandswijken? Het is al een oude wens.
  • De systeemverantwoordelijkheid voor de universiteiten: het is opvallend dat buitenlandse universiteiten veel meer bedrijven aan zich weten te binden dan de Nederlandse. We zouden nog meer aan de bekostiging van de universiteiten kunnen veranderen opdat valorisatie echt aantrekkelijk wordt.
  • Het verkleinen en/of verschuiven van immigratiestromen: ik geloof er niets van dat de Agenda stad zal leiden tot een ander immigratiebeleid. [Evenmin mogen we verwachten dat het veiligheidsbeleid fundamenteel verandert door de Agenda stad.]
  • De systeemverantwoordelijkheid voor het binnenlands bestuur: wie de stad meer kansen wil geven zal het eigen belastinggebied van het lokaal bestuur moeten vergroten. Ik kan me voorstellen dat op dat gebied veranderingen te verwachten zijn. Maar we weten ook allemaal dat het vergroten van het lokale belastinggebied kan leiden tot grotere verschillen tussen gemeenten en met name tussen rijke en arme gemeenten. Het is de vraag of de politiek daar aan wil (en moet willen).
  • Ik daag de regering graag uit om werk te maken van de reorganisatie van het binnenlands bestuur. Structuurwijzigingen zijn niet heilig, maar waarom vallen grote delen van Amsterdam onder het regime van andere gemeenten? Het wordt tijd om de opschaling van de gemeenten kracht bij te zetten, om de randgemeenten en de centrumgemeenten onder één bestuur te plaatsen en om de provincies op te heffen. Maar laten we niet weer de eeuwige ‘dans van de kalkoenen’ opvoeren. Al die oudere bestuurders die komen melden dat hun gemeente of hun provincie niet mag worden opgeheven. Ik hoop dat een paar onderhandelaars met een oppervlakkige kennis van het binnenlands bestuur bij de volgende kabinetsformatie in een vermoeid moment bij het ingaan van de nacht Nederland een nieuw binnenlands bestuur zullen geven. In ieder geval verwacht ik op dit moment niets na het mislukken van de ‘superprovincie’.
  • Kennis over de stad: het Rijk zou de gemeenten kunnen helpen met inhoudelijke kennis over de ontwikkeling van steden. Ook daarover heb ik mijn twijfels. Het op voorhand niet duidelijk dat het Rijk meer van de ontwikkeling van de stedelijke economie weet dan de steden zelf.

Helaas, het is een mager lijstje. En ik vrees dat het lijstje van de Agenda stad uiteindelijk nog magerder wordt. Ten eerste omdat het Rijk, naar te vrezen valt, eerder bij de steden op schoot zal gaan zitten, dan dat het zijn meerwaarde haalt uit zijn eigen specifieke bevoegdheden (City deals staan voor mij symbool voor overheden die afspraken maken over zaken die ze al lang van plan waren). Ten tweede omdat het Rijk naar verwachting relatief te veel aandacht zal besteden aan processen en procesinnovatie en te weinig aan de inhoudelijke problemen van de steden.

Eerlijk gezegd verrast het me niet dat Stef Blok met graagte dit onderwerp, dat in feite uit zijn eigen afdeling stamt, aan Ronald Plasterk heeft overgelaten.

 

[opgenomen in V. de Witte et al. (red.), De VNG onder voorzitterschap van Annemarie Jorritsma, Den Haag, 2015, pp. 103-111]

 

Vanwaar dat dromen over één Randstad

april 9, 2013 by  
Filed under De Stad

We hebben het begrip ‘Randstad’ te danken aan Albert Plesman. Vanuit de lucht zag hij die mooie Hollandse steden in een brede waaier liggen. Dordrecht, Rotterdam, Delft, Den Haag, Leiden, Haarlem, Amsterdam en Utrecht. Als hij zijn ogen samenkneep zag hij de steden snel naar elkaar toegroeien. Ze leken al bijna één stad, met het Groene Hart als contramal. Hij glimlachte bij de gedachte dat zijn eigen Schiphol heel gunstig was gelegen.

Aan het begrip hebben we weer een leuk boekje te danken. Pieter Maessen schreef onder de titel ‘De poldermetropool’, in zijn eigen woorden: ‘wat iedereen moet weten over de Randstad’. Het is een informatief boekje en het is vlot geschreven. Maessen schreef ooit een proefschrift over de verzorgingsstaat, was journalist bij NRC en het Parool en communicatiemedewerker op het Ministerie van VROM. En al die kwaliteiten kom je tegen in het boek. Het heeft een literatuurlijst en ware noten. Het is helder en snel geschreven. En het is niet altijd objectief.

Eerst iets over de inhoud. Het boek verhaalt over het succes van de Randstad, dat de internationale vergelijkingen met grote steden als London en Parijs volgens Maessen wel degelijk aan kan. Hij toont dat aan met een mij nog onbekend lijstje. Zo heeft iedereen wel een lijstje waarop het goed toeven is. Het boek verhaalt helder hoe we tegenwoordig in de Randstad ons geld verdienen. Connectiviteit en clusters zijn de centrale begrippen. We zijn bereikbaar en tegelijkertijd willen we dicht bij elkaar zitten. Door de nabijheid ontstaat de innovatie. Het boek verhaalt over de mobiliteit in de Randstad, waarbij volgens Maessen door de overheid de kansen van het openbaar vervoer veel te lang zijn genegeerd. Bovendien zijn de kantoren ‘misplaatst’, juist langs de snelweg zonder een station in de directe omgeving. Dit is het deel waarin Maessen vooral zijn eigen politieke opvattingen poneert. Die ik overigens deel.

Daarna verandert het karakter van het boek. Het wordt meer historisch beschrijvend en de ruimtelijke ordening wordt soms nogal dominant. Dus het beleid en niet de werkelijkheid. Daar wordt het verhaal soms ook te mooi, te naïef bijna, zonder al te veel journalistieke achterdocht geschreven. Mooi geschreven is het wel.

Maar vanwaar toch die aandacht voor de Randstad, nee, dat pleidooi voor de Randstad? Waarom een boek schrijven over de Randstad waarin je het hele eerste hoofdstuk nodig hebt om te bestrijden dat de Randstad niet bestaat? En dan nog niet eens overtuigend. En ook Maessen weet dat. Uiteindelijk houdt hij maar één echt argument over: ‘beleving’. De Randstad heeft een heel andere beleving dan de rest van het land. Dat klopt inderdaad.

Het bestaan van de Randstad is inderdaad nog nimmer aangetoond. Het Het komische is dat we ook niet eens goed weten waar de Randstad begint en waar hij ophoudt. Horen Zaanstad en Beverwijk bij de Randstad en Alkmaar niet? Hoort Amersfoort bij de Randstad en Nijkerk niet? Ook in de beleidswereld bestaat over dat soort vragen nog altijd onduidelijkheid. Toch zou er feitelijk sprake kunnen zijn van één stad. Dat blijkt niet uit de uitvoerige studie die het Ruimtelijk Planbureau destijds heeft gedaan naar het bestaan van de Randstad. Dat iedereen kan zien dat al die steden in de Randstad niet één (aaneengebouwde) agglomeratie vormen, dat vonden ze terecht geen argument. Voor de onderzoekers zou de Randstad een stad zijn als dat uit de interactiepatronen van burgers en bedrijven zou blijken én als de verschillende steden in de Randstad in veel opzichten complementair aan elkaar zouden zijn.

Ze stelden vast dat de Randstad op geen enkele wijze een daily urban system is, waar alle burgers kris-kras doorheen trekken naar werk en voorzieningen. Natuurlijk zijn er mensen die in Den Haag wonen en in Amsterdam werken, maar over het algemeen woont en werkt de burger in een stadsgewest: een centrumstad met zijn randgemeenten. Er was op dit punt nauwelijks overlap tussen de vier stadsgewesten van Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. Dat gold ook voor het gebruik van allerlei voorzieningen, als winkels, ziekenhuizen, theaters etc. Nee, zelfs de zogeheten Noordvleugel en Zuidvleugel vormden geen samenhangend gebied.

Ook de interacties van bedrijven duiden niet op het bestaan van een Randstad. De helft van de interacties van bedrijven (met andere bedrijven) vond plaats binnen het eigen stadsgewest en de overige interacties lieten geen Randstedelijk patroon zien. De bedrijven in Dordrecht hebben veel meer met Brabant dan met Utrecht of Amsterdam.

Als de Randstad zou bestaan, mocht je bovendien verwachten dat de verschillende steden zich steeds meer zouden gaan specialiseren en steeds meer complementair aan elkaar zouden worden. Dat bleek al niet het geval. Natuurlijk verschillen steden van elkaar, maar het blijkt dat de steden juist steeds minder complementair aan elkaar worden. Er springt maar één stad uit die zich het centrum mag noemen van de Randstad én van heel Nederland, en dat is Amsterdam.

Het boek van Maessen geeft geen enkel argument waarom dergelijk onderzoek niet zou deugen. Nee, hij grijpt, zoals gezegd, terug op ‘beleving’. Op ‘drukte’, op ‘snelheid’, in vergelijking met het achterland. Maar die drukte, die snelheid en die beleving ervaar ik ook niet in Zoeterwoude, dat bijna tegen Leiden aan ligt.

Achter dit debat gaat een veel interessantere vraag schuil: waarom eigenlijk, moeten we bewijzen dat die Randstad bestaat? Omdat Amsterdam wegvalt in de rijtjes van London en Parijs en omdat de Randstad zich daarin beter staande houdt? Maar waarom zouden we in die rijtjes hoger moeten scoren, als we weten dat Nederland (veel) rijker is dan UK en dan Frankrijk, per hoofd van de bevolking? Het laatste weegt, lijkt me, zwaarder dan het mentale probleem van de lage score op lijstjes van steden.

Of gaat het om iets anders? Zouden wij onze internationale concurrentiepositie nog verder kunnen verbeteren als de Randstad werkelijk één stad was geweest. Als we meer ‘massa’ konden leveren, een grotere arbeidsmarkt hadden en meer consumenten op kleine afstand. Alle economische theorieën zeggen dat dat inderdaad het geval is. Als die 7 miljoen mensen die nu verspreid in de Randstad wonen, allemaal bij elkaar zouden wonen in een veel kleiner gebied, dan genoten we nog meer agglomeratievoordelen. Dan zou Nederland concurrerender zijn. En dan zouden we ook voldoende massa hebben voor een fijnmazig netwerk van openbaar vervoer.

Maar dat hebben we niet. We wonen in Nederland niet met 7 miljoen mensen in één compacte stad, we wonen in verschillende steden. En meer steden maken nog geen Randstad, zoals het Ruimtelijk Planbureau al eerder schreef.

Toch maak ik nog een kleine kanttekening bij deze redenering. Rotterdam is nog steeds de grootste haven buiten China. Niet op grond van de bevolkingsomvang, laat staan de bevolkingsdichtheid van de Randstad, maar op grond van geografische positie ten opzichte van het achterland en vanwege een grote handelsgeest. Schiphol is niet één van de vier hubs van Europa op grond van de eigen catchment area. Zoveel mensen wonen en werken er nu ook weer niet in dit gebied. Nee, Schiphol is zo waanzinnig groot door een jarenlang slim beleid. KLM en de diplomatieke dienst hebben ervoor gezorgd dat de connectiviteit van Schiphol zo hoog is. Niet de massa. En wat dacht je van die andere grote multinationals die door Nederland zijn voortgebracht en hier voor een deel nog huizen?

Ondernemingszin en competitie. Beide hebben de Nederlandse welvaart bepaald, en en natuurlijk onze goede verzorgingsstaat, die ook een positief effect heeft op de economische groei van een land. En waar die ondernemingszin vandaan komt? Dat gaat te ver voor deze column. Maar we weten wel dat de concurrentie tussen de Nederlandse steden altijd heel goed is geweest voor de Nederlandse economie. Juist door die concurrentie is er innovatie en juist door die concurrentie hebben we altijd weer steden die perfect passen in een veranderende economische structuur. Ja, misschien is dat allemaal wel de kern van de Randstad: een prachtige waaier van concurrerende steden. En juist door die concurrentie is Nederland als geheel zo welvarend. Vanuit dat gezichtspunt zou ik zeggen: laat het zo blijven. Wees blij met het feit dat de Randstad niet bestaat.

In de stad ben je productiever

maart 4, 2013 by  
Filed under De Stad

cc-bridge-commuteWaarom vestigen bedrijven zich eigenlijk in steden? De grondprijzen zijn er hoger, waardoor bedrijfsgebouwen duurder zijn en de werknemers hogere woonlasten hebben. De loonkosten zijn er hoger, omdat werknemers in steden gemiddeld meer verdienen dan op het platteland. Ja, waarom trekken niet alle bedrijven naar het platteland? Oost-Groningen zou toch eigenlijk heel aantrekkelijk zijn voor een bedrijf: je koopt voor een habbekrats een bedrijfsgebouw en de lonen van de werknemers zijn er veel lager.

En toch gebeurt dat niet. De reden is tamelijk simpel: in de steden zijn bedrijven productiever dan op het platteland. En daarmee bedoel ik niet dat het gemiddelde bedrijf in de stad productiever is dan het gemiddelde bedrijf op het platteland. Nee, eenzelfde bedrijf in Veendam is 5 tot 7% minder productief dan hetzelfde bedrijf in Amsterdam. In jargon: dus wanneer we bijvoorbeeld ‘controleren’ voor de opleiding van de werknemers en voor het soort werk.

Het is ongeveer de hamvraag van de ruimtelijke economie. Waarom is een bedrijf in de stad zoveel productiever dan zijn identieke evenknie op het platteland? Wie een helder antwoord op die vraag wil krijgen moet eens met Frank van Oort gaan praten. Frank is hoogleraar stedelijke economie aan de Universiteit van Utrecht. Hij doceerde een paar weken geleden voor een leergang van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, waarvan ik de trekker ben.

Frank doceert en grijpt terug naar Marshall die al in 1890 schreef over de agglomeratievoordelen van de stad. Zo heeft Amsterdam drie voordelen boven Veendam. Ten eerste hebben bedrijven in Amsterdam minder zoekkosten. Dit geldt zowel voor personeel als voor subcontractors. Er bieden zich veel meer mensen aan als werknemer en veel meer bedrijven als subcontractor. In Veendam ligt dat anders. Daar zal een bedrijf hogere kosten hebben om voldoende goede mensen te vinden.

Ten tweede is de arbeidsmarkt in Amsterdam niet alleen veel omvangrijker, maar ook gewoon beter van kwaliteit. Oké, de lonen liggen in Amsterdam hoger, maar daar krijg je dan ook wat voor. Ook als het om dezelfde functies gaat. Het is een heel oud gegeven dat de betere werknemers naar de steden trekken en de minderen achterblijven op het platteland. Dat drukt de gemiddelde kwaliteit van de gemiddelde werknemer in Veendam.

Ten derde zorgt een concentratie van bedrijven, zoals je die in de steden kent, voor ‘kennis spillovers’. Bedrijven leren van elkaar. In de stad zit kennis ‘in de lucht’. Niet alleen omdat werknemers van verschillende bedrijven met elkaar praten. Maar ook omdat steden vaak veel kennisinstellingen kennen, die hun contacten met het bedrijfsleven hebben.

Het is binnen de ruimtelijke economie een oude discussie of vooral identieke bedrijven van elkaar leren dan wel bedrijven die sterk van elkaar verschillen. Bloeit de economie vooral van homogene clusters van bedrijven of juist van diverse clusters? De bedrijfseconoom Porter is aanhanger van de eerste these, de econoom Glaeser van de tweede. Veel onderzoek is er inmiddels gedaan om aan te tonen wie van hen beiden gelijk heeft. De helft van de studies geeft aan dat diversiteit belangrijker is (Glaeser heeft gelijk!), de andere helft van de studies geeft aan dat specificiteit belangrijker is (Porter heeft gelijk!).

Frank van Oort kiest een interessante tussenpositie. Volgens hem moeten clusters van bedrijven worden gekenmerkt door ‘gerelateerde diversiteit’. Juist dan zullen we baat hebben van elkaars nabijheid. En zullen ze van elkaar kunnen leren. Die gedachte oogt logisch. Bedrijven die volledig identiek is, hebben wellicht te veel gemeen om nog veel van elkaar te kunnen leren. Bedrijven die te sterk van elkaar verschillen, hebben elkaar wellicht minder te melden. Dus: de stedelijke economie heeft baat bij een zeker profiel, maar niet bij een monocultuur.

Daarmee doemt de vraag op wat het lokaal bestuur kan doen om de productiviteit van de lokale bedrijven verder te vergroten (en bovendien de eigen stad nog aantrekkelijker te maken voor andere bedrijven). De drie argumenten van de ruimtelijke economie kunnen ons hierbij goed helpen.

Eén: in de stad zijn meer potentiële werknemers en meer potentiële subcontractors bereikbaar. Omdat ze dichtbij wonen. Maar dichtbij wonen is relatief. Als het verkeer vast staat in de file kan dichtbij nog heel lang duren. En als er een fantastisch net is van vervoersmodaliteiten is verder weg ook nog dichtbij. Het vergroten van de bereikbaarheid kan dus sterk bijdragen aan de stedelijke economie. Bereikbaarheid is ook figuurlijk van belang: de arbeidsmarkt moet goed functioneren om vraag en aanbod bij elkaar te brengen. Daar kan bijvoorbeeld het UWV belangrijk werk verrichten.

Twee: de kwaliteit van de stedelijke arbeidsmarkt vergroot de productiviteit van de bedrijven in de stad. De ene stad is aantrekkelijker om te gaan wonen dan de andere. Voor veel mensen is Amsterdam een aantrekkelijker woonplek dan Rotterdam (waarschijnlijk omdat ze Rotterdam onvoldoende kennen). Die aantrekkelijkheid van steden is voor een belangrijk deel een gegeven. Rotterdam heeft geen grachtengordel. Maar het lokaal bestuur kan er wel veel aan doen om de aantrekkelijkheid te vergroten. Zo is het bezuinigen op cultuur in dat licht niet erg logisch. En het bouwen van corporatiewoningen aan de Maas is charmant, maar wellicht minder goed voor de stedelijke economie. Nee, de stad moet juist nog aantrekkelijker worden gemaakt voor die werknemers die de productiviteit van je bedrijven verder zullen verhogen. Hoe aantrekkelijker je stad, hoe beter de stedelijke arbeidsmarkt en hoe productiever je bedrijven.

Drie: clusters van bedrijven leren van elkaar en de combinatie met kennisinstellingen maakt de stedelijke economie nog productiever. Op dit terrein zijn nogal wat steden actief, terwijl het tegelijkertijd om de weerbarstigste factor gaat. De ontwikkeling van een ‘campus’ (een locatie voor bedrijven en universiteit) kan heel positief zijn. Maar je bent niet meteen een ‘valley’ als je die naam eenmaal hebt bedacht.

De uitwisseling tussen kennisinstellingen en bedrijven gaat immers niet vanzelf als ze in elkaars nabijheid verkeren. Enige decennia geleden ontwikkelde de gemeente Rotterdam een ‘brainpark’ naast de Erasmus Universiteit. Omdat het gebied erg gunstig was gelegen voor de automobilist, waren de kavels snel uitverkocht. Uiteindelijk bleek maar één bedrijf een relatie te hebben met de universiteit.

In Leiden deed de gemeente dat beter. Daar werd een groot terrein naast het Universitair Medisch Centrum bestemd voor biomedische bedrijven. Door nauwlettend toe te zien op de uitgifte van de kavels heeft zich inderdaad een cluster van biomedische bedrijven gevormd. De verkoop van kavels werd dus gekoppeld aan een helder profiel.

Maar ook dan is een vruchtbare uitwisseling tussen universiteit en bedrijfsleven nog geen gegeven. De Nederlandse universiteiten zijn minder op ‘valorisatie’ (benutting van kennis in het bedrijfsleven) gericht dan elders het geval is. Om dat te verbeteren is nationaal beleid nodig. De gemeente heeft nauwelijks instrumenten om universitaire wetenschappers meer te laten samenwerken met bedrijven in de omgeving.