Flevoland ontbeert identiteit

september 29, 2016 by  
Filed under artikel

Tiende Cornelis Lelylezing, 28 september 2016

Volgens de wetten van de retorica is het altijd goed om met een anekdote te beginnen. Het was, geloof ik, in 2005 of 2006. Chris Leeuwe had me als burgemeester van Lelystad gevraagd om een lezing te houden, om de langere donkere winters in Lelystad enigszins te onderbreken. Ik was de derde of vierde spreker in een serie. Een paar weken voor het moment daar was, belde Chris me nog even op. Hij had een kleine suggestie. De vorige sprekers waren erg interessant geweest, maar hun verhalen waren niet erg nieuw en hadden overal uitgesproken kunnen worden. Wat ongetwijfeld ook gebeurd zal zijn. Of ik misschien in mijn verhaal wat meer aandacht aan Lelystad wilde geven. Als Chris zoiets vraagt doe je dat. Ik was indertijd directeur van het Ruimtelijk Planbureau, het planbureau dat nooit bestaan heeft met een andere directeur. Ik vroeg enkele medewerkers om met mij mee te denken. Ze adviseerden me om in Lelystad vooral te vertellen dat Lelystad één belangrijke asset had, namelijk ruimte. Ja, we waren nu eenmaal van het Ruimtelijk Planbureau. En dat als Lelystad iets wilde, dat ze dan vooral veel ruimte zou moeten bieden aan burgers en bedrijven. Het werd de centrale stelling van mijn verhaal. Mijn medewerkers hadden me helaas niet verteld dat in diezelfde tijd Burgemeester en wethouders van Lelystad een nota hadden uitgebracht. Waarin ze een heftig pleidooi hielden voor… verdichting. U begrijpt, het werd een boeiende avond. En het College van B&W was niet zo blij met me. Vooral één wethouder keek nogal bedrukt. Misschien moet ik wel zeggen: ronduit zuur.

U mag natuurlijk helemaal zelf bedenken waarom ik nu juist deze anekdote vandaag vertel. Ik geef u een kleine hint. Chris Leeuwe heeft mij voor deze tiende Cornelis Lely-lezing gevraagd. En Chris deed me weer een suggestie. “Wim, vertel ons nu eens echt wat jij van Flevoland vindt. Vertel ons nu eens echt of Flevoland een eigen toekomst heeft….”. Ja, inderdaad, dat kan weer een verhaal worden dat ons bedrukt achterlaat.

Hoe dan ook, ik vind het erg eervol dat ik hier vandaag de tiende Cornelis Lely-lezing mag uitspreken. Ik dank daarvoor het bestuur van de stichting. En ik dank u allen voor uw komst hier naartoe. En ik beloof u: na afloop is er een goede borrel en zullen de bitterballen warm zijn. Wat mijn conclusie ook zal zijn geweest.

Ik vind het eervol om hier te staan omdat ik altijd trots ben geweest op die polders. Ze behoren bij de identiteit van Nederland. En ze horen bij mijn levenslange liefde voor het water. Voor dat prachtige verhaal van Lely, die eerst tekende aan de plannen voor de polders, en later de Afsluitdijk en de IJsselmeerpolders als minister door de Kamer loodste.

Bovendien bracht ik mijn jeugd door op het oude land, op 20 km van ‘de polder’. Zo noemden wij thuis de Noordoostpolder. Mijn oom haalde er fruit, in de zomer. De kofferbak van zijn auto volgeladen. Mijn vader bakkeleide met hem over de prijs. Mijn vader meende altijd dat hij van zijn jongere broer alles gratis kreeg. Zij broer meende dat hij altijd werd achtergesteld. Het is dus een bijzonder feest om opnieuw over die polder na te denken. En over die polders die erna kwamen. Toen ik geboren werd was de Noordoostpolder al in cultuur gebracht. En waren al kavels en de winkels daar al lang toebedeeld. Maar pas in 1968 viel de laatste polder droog. En ik herinner me goed dat ik als student voor het eerst door de polders vanuit Groningen naar Amsterdam reed. Het eerste huis in Almere moest nog verschijnen.

Als bestuurskundige herinner ik me ook goed dat gekozen werd voor de nieuwe provincie Flevoland. Niet omdat men daar enthousiast over was, maar vooral omdat men van het gezeur over die bestuurlijke organisatie af wilde zijn. Oostelijk en Zuidelijk Flevoland werden bij de gemeenten Noordoostpolder en Urk gevoegd. Of omgekeerd. Bij de vorming van de provincie Flevoland bleef de Wieringermeer ongemoeid. Het bleef gewoon onderdeel van de provincie Noord-Holland. Zoals ook de Haarlemmermeer al heel lang een vanzelfsprekend onderdeel is van de provincie Noord-Holland.

Die laatste opmerking lijkt buiten de orde. Maar is dat niet. Want de Haarlemmermeer symboliseert het feit dat polders in Nederland zo gewoon zijn, dat we ze nog maar nauwelijks als zodanig herkennen. Dat Nederland bestaat uit polders en niet-polders. En dat provincies bestaan uit polders en niet-polders. En dat het eigenlijk heel bijzonder is om het polder-zijn tot indelingscriterium te maken voor een provincie. Of komt dat omdat het hier om hele jonge polders gaat? Waarbij we per ongeluk de Wieringermeer zijn vergeten? Maar als dat zo is, hoe oud moet je dan als polder zijn om niet meer zo bijzonder te zijn dat je met mekaar een eigen provincie mag vormen?

Hier zie je meteen dat die vraag naar de toekomst van Flevoland in feite om twee vragen gaat. Het gaat om de toekomst van het gebied, dat een eigenstandige plek heeft omdat het omringd wordt door dijken. En het gaat om de vraag of die eigenstandigheid een eigen bestuur, een eigen provincie rechtvaardigt. Daarmee gaat mijn lezing over de polders en over de provincie.

Ik teken daar wel iets bij aan. Mocht ik tot de conclusie komen dat de polders wel toekomst hebben en de provincie in mijn ogen niet, dan wil ik daarmee beslist geen aanzet geven voor het opheffen van de provincie Flevoland. En al helemaal niet voor een nieuwe discussie over de bestuurlijke reorganisatie. Als één onderwerp me is gaan tegenstaan in mijn professionele leven is het wel het onderwerp van de bestuurlijke reorganisatie, dat altijd primair in het teken heeft gestaan van machtsverschillen, stroperigheid en drogredeneringen. Dus ook als er geen enkele reden is om de provincie Flevoland te laten voortbestaan, stel ik toch voor om haar niet op te heffen. Misschien kan dat het aantal bedrukte gezichten vanmiddag ook enigszins beperken.

Dames en heren, dit zijn allemaal nog steeds inleidende woorden. Er heeft ook iemand bedacht dat ik 45 minuten aan het woord zou moeten zijn. En dat terwijl ik zelf altijd na 5 minuten afdwaal als ik moet luisteren naar een ander. Maar dat kan met mijn karakter te maken hebben. Om u bovendien tot het uiterste in te spannen, heb ik besloten geen plaatjes te laten zien. Die leiden alleen maar af. En ik heb ook besloten om mijn tekst voor te lezen, zodat de monotonie van mijn stem en de warmte van de ruimte u volop kansen geven om uw slaaptekort in te halen. Tot hen zeg ik: tot straks bij de borrel!

Nog een laatste opmerking voordat ik echt begin. Hoe kom ik bij dit verhaal? Ik zei al: ik hou van deze polders. Ik ben er relatief veel geweest. Ik heb er veel studie van gemaakt. En ik ben voor deze lezing nog weer eens op stap gegaan met een tiental Flevolanders. In hun gebied, in hun polders. Met hun verhaal. Maar het onderstaande is helemaal mijn verhaal. Daaraan maak ik niemand anders medeschuldig.

Ik begin met de stand van de polders. Ik kom tot de conclusie dat het bijzondere van Flevoland vooral in het verleden ligt. Bovendien is de toekomst niet onbelast, omdat de last van het verleden zich nog goed laat voelen. Onvermijdelijk eindig ik met de identiteit van de polders en met het zelfbeeld naar hun inwoners.

De stand van de polders

Ik spreek Eva Vriend. We drinken koffie in het Voorhuys in Emmeloord. We kijken uit op de Lange Nering. Ik herken het van vroeger. Toch is het bijna onherkenbaar veranderd. Vroeger was het een trotse straat. Typisch voorbeeld van Delftse school. Nu is het vooral een poging om zoveel mogelijk te lijken op de winkelstraat van Winterswijk, Drachten, Boxmeer of Waddinxveen. Om enkele aantrekkelijke plaatsen in dit land te noemen. Verderop in de straat ben ik niet de enige met sloopneigingen. De gemeente gaat mij zelfs al voor. Drie treurige flats zijn afgebroken, een vierde staat er nog, vanwege een conflict met de eigenaar. Eva en ik lopen door. De Golfslag, een modernistisch bejaardentehuis van Abe Bonnema doemt voor ons op. Het staat leeg en zou zo snel mogelijk moeten worden afgebroken. Treurig en droevig. Tweehonderd meter verder lopen we weer in het groen. De straten met de bakstenen huizen stralen geborgenheid uit. Zoals het hoort.

Dat is Flevoland. Maar Flevoland is veel meer. Flevoland is ook het land van Homeruskwartier, waar mensen hun eigen huis bouwen. Wel of niet in strijd met het Haagse Bouwbesluit. Als ik daar rondloop met architecten dan hebben die veel te klagen. Maar ik vind het prachtig om te zien dat mensen zelf mogen beslissen hoe ze willen wonen. En niet de architecten met een te groot ego of een kongsi van gemeenten, projectontwikkelaars en corporaties die vooral oog voor elkaar lijken te hebben. Hoe boeiend is ook Oosterwold in Almere, naar een idee van Adri Duivesteijn en Winy Maas. Hier bouwt de burger niet alleen zijn huis, maar ook zijn eigen straat. Spannend, eens even helemaal terug naar af. Ik voorspel u overigens wel dat de gemeente over tien jaar daar weer de straten en de riolering aanlegt. In de geschiedenis is nu eenmaal gebleken dat dat handig is.

De woningbouw van Flevoland kent daarmee een grote verscheidenheid. Het is een prachtig palet van alle gedachten over stedebouw en architectuur van de tweede helft van de twintigste eeuw. En van het begin van deze eeuw. Van de Delftse school van de Noordoostpolder via het bizarre modernisme van Nagele, van de Meerpaal in Dronten als symbool van de jaren zeventig, naar Almere Haven als een van hogerhand bedachte vertrutting als reactie op de eigen ideeën van de jaren ervoor. Van het functionalisme en de functiescheiding van Lelystad, naar de massale Vinexwijken, niet alleen in Almere, maar tot in Emmeloord toe. Van de kleinschaligheid van Zeewolde tot het creatieve Duin in Almere. En toch heeft het iets uniforms en monotoons. En mist het in ieder geval historie.

Maar in al die ontwikkeling is er wel een duidelijk omslagpunt. Vanaf het begin van deze eeuw is de echte groei in de woningbouw eruit. Er wordt nog wel gebouwd, maar vooral voor de eigen behoefte. De provincie kent een negatief migratiesaldo. Er vertrekken dus meer mensen dan erin komen. Ook Almere heeft al een paar jaar een vertrekoverschot gekend. De trek naar het nieuwe land lijkt definitief te zijn opgedroogd. Het lijkt me in veel opzichten een zegen. Wat een feest dat we tegenwoordig de tijd hebben voor Homeruskwartier en Oosterwold en de ruimte hebben om flats af te breken in Emmeloord.

Zo komt de woningbouw in een rustiger vaarwater. En waar de druk op de woningmarkt verdwijnt worden de contrasten groter. Nagele ontwikkelt zich tot een afvoerputje van de Noordoostpolder. Niet zo vreemd als je bedenkt dat de woningen eerder aansloten bij de dogma’s van de architecten dan bij de behoeften van de burgers. Gek genoeg heeft Nagele in architectuurkringen nog steeds zo’n grote naam, dat Hendrick de Keijzer er een straatje heeft gekocht. Hier wordt het modernisme nog even gecultiveerd, terwijl in het hele land eindelijk wordt aangesloten bij de smaak van de bewoners. Kijk bijvoorbeeld naar het interessante Overgooi waar de rijke medebewoner wordt verleid om zijn eigen paleis te bouwen.

Dat omslagpunt in de woningbouw is dus vooral een normalisering van de bouw. Kinderen worden geboren, mensen zoeken een huis vanwege het vinden van een baan. Anderen verhuizen juist naar elders. Nieuwe huizen worden gebouwd en oude huizen worden gesloopt. Allemaal heel normaal. Woningen worden voortaan gebouwd in een normaal tempo en met normale hoeveelheden.

Dat was de stand van de woningbouw. Nu de stand van de landbouw, de andere pijler van de polders. Het wordt tijd voor een mooi citaat van het instituut dat het kan weten, het LEI, het Landbouw Economisch Instituut. Het LEI schreef vorig jaar: “De land- en tuinbouw in Flevoland staat er goed voor. De bedrijfsstructuur en bedrijfsomvang zijn gunstig in vergelijking met vergelijkbare bedrijfstypes in andere gebieden. De gewasopbrengsten per ha zijn hoog, de melkgift per koe is goed en de melkproductie per ha is hoog. De financiële opbrengsten per ha zijn hoog, maar dat geldt ook voor de kosten, zodat het saldo per ha in zowel de akkerbouw als melkveehouderij gemiddeld is.”

Dat woordje ‘gemiddeld’ werpt al een schaduw over deze prachtige samenvatting. Want elders in het rapport, en buiten het rapport om, zijn de onderzoekers veel genuanceerder. Zoals één van die onderzoekers tegen mij zei: “De boeren uit Flevoland zijn in opbrengsten nog steeds de besten, maar niet meer in ondernemerschap.” De keiharde selectie uit de jaren 40, 50 en 60 lijkt te zijn uitgewerkt. Interessant is dat mijn respondent de boeren uit de Noordoostpolder hoger aanslaat dan de boeren uit de Flevopolders. Er wordt wel gefluisterd dat de gesubsidieerde windmolens de laatste boeren lui hebben gemaakt. Ik weet niet of het waar is. Ik hoor ook dat de boeren uit Flevoland zeker niet innovatiever zijn dan boeren elders. Ook de agrarische kennisinstituten lijken eerder het gebied te verlaten dan zich in Flevoland te concentreren. Wageningen en Leeuwarden zijn bijvoorbeeld meer in trek.

Dus ook de landbouw is gaandeweg genormaliseerd. Met alle verschijnselen die je elders ook aantreft. Overal zie je de behoefte aan schaalvergroting. Overal hebben veel boeren geen opvolger. Overal neemt het opleidingsniveau van boeren toe. Overal worden de agrarische bedrijven kennisintensiever. Steeds vaker wonen boeren niet meer op hun eigen erf. Steeds meer boerderijen krijgen een andere functie. En ook in deze provincie wordt over ruilverkaveling gesproken. Die ruilverkaveling geeft met name in de Noordoostpolder veel discussie. De verkaveling en de boerenhoeven met hun windsingels bepalen daar in belangrijke mate de kwaliteit van het landschap. Dit jonge landschap ligt al zo verankerd in de herinnering van velen, dat het tot op heden blijft bij het ruilen van grond. Een nieuwe verkaveling van het land wordt nog vermeden.

Zo moeten we vaststellen dat zowel de woningbouw als de landbouw in de polders in de laatste decennia zijn genormaliseerd. Het zijn de twee pijlers waarop de polders vanaf het begin rustten.

Ik zal u zeggen, daar blijft het niet bij. Ook het bestuur is genormaliseerd en het lijkt erop dat de burgers normaler dan normaal zijn geworden. Laat ik eerst iets zeggen over de normalisering van het bestuur.

Natuurlijk, het bestuur van de polders week nogal af van wat de norm was. Vele boeken zijn erover geschreven. Die boeken hebben vaak een nostalgische ondertoon. Toen waren we nog eens in staat om iets te bereiken! Iets te bouwen! Een samenleving te maken! Ik ben er door gefascineerd, maar voor nostalgie lijkt me weinig reden. Wie het prachtige boek van de Eva Vriend leest over de selectie van de nieuwe inwoners van met name de Noordoostpolder, waant zich in lang vervlogen tijden. En geen tijden om naar terug te verlangen. Wat een subjectivisme, wat een machtsarrogantie, wat een rechtsongelijkheid.

Maar dat niet alleen. In de biografie over Han Lammers van Herman Liagre Böhl wordt Frits Tellegen geciteerd, die destijds hoofd was van de Hoofdafdeling Stedebouw en Openbare Werken van de RIJP. Deze wond er geen doekjes om: “De Engelsen hebben het goed begrepen. Als die een new town gaan bouwen, beginnen ze met de local authorities er helemaal uit te gooien. Dat is een werkbare manier, anders gaat het niet”. Dat was de sfeer waarin werd gewerkt.

Ik geef het toe: de overheid had eerder in de Haarlemmermeer de zaak veel te veel op zijn beloop gelaten. Daar was men door schade en schande wijs geworden. Dat moest nu anders. De overheid zou nadrukkelijker de regie moeten nemen. En die regierol werd geperfectioneerd in de Noordoostpolder. Met verbetenheid werden kaarten ingetekend. Emmeloord in het midden, dorpen eromheen op fietsafstand. Wegen werden zo aangelegd dat er mooie kavels ontstonden voor de boeren. Elk dorp kreeg een brink, een open ruimte midden in het dorp. Elk dorp kreeg groenstructuren. Elk dorp kreeg een centrale plek voor de kerken.

Werkelijk alles werd bepaald door de overheid, op basis van gedegen kennis over het gebied. Wetenschappers leverden de schijnbaar objectieve kennis aan. Prof Ter Veen en prof Groenman waren grootheden in de ontstaansgeschiedenis van de polder. En de burger? Die was al lang blij als hij mocht komen en een kavel mocht pachten of een winkel mocht beginnen.

Ja, de Noordoostpolder is vooral Werelderfgoed omdat de Nederlandse overheid nooit zoveel macht heeft gehad en de burger in een democratische staat waarschijnlijk nergens zo horig is geweest. In de Flevopolders ging het godzijdank al iets beter. Er werden daar zelfs ‘woonwensenformulieren’ onder de burgers verspreid. Niet dat duidelijk was wat met de antwoorden gebeurde, omdat de overheid de uitkomst geheel zelf bleef bepalen. De landdrost en de zijnen waren de baas en lieten zich slechts periodiek door een paar burgers adviseren. Het is de verdienste van Han Lammers geweest dat hij snel wilde doorstoten naar normaal gemeentelijk bestuur, met normale verkiezingen en een normale gemeenteraad aan het hoofd van die gemeenten.

Hoe anders is het nu. De provincie Flevoland is bezig met een nieuwe Omgevingsvisie. Zeg maar een visie op de verdere ontwikkeling van Flevoland. De provincie is begonnen met een Startnotitie. Deze Startnotitie beschrijft alleen het proces: hoe gaan wij een nieuwe Omgevingsvisie vaststellen? Er staan geen inhoudelijke doelen in de notitie. Er staat alleen in op welke terreinen keuzes gemaakt moeten worden. Duidelijk is dat de ‘maatschappelijke vraag’ centraal moet staan in het proces. En dat de uitkomst ‘flexibel en adaptief’ moet zijn omdat de toekomst vooral ongewis is. Alles gericht op een ‘wederkerige samenwerking met partners’. En partners: dat is iedereen.

Als eerste stap is een atelier ingericht om na te denken over Flevo-perspectieven. Bij die perspectieven gaat het zowel om ontwikkelingen die op de provincie afkomen als om het perspectief dat aan de provincie moet worden geboden. Het atelier was uiteindelijk een rondreizend circus, onder leiding van externe procesbegeleiders. Blijkbaar was het niet passend als de gekozen volksvertegenwoordigers dit proces zelf zouden hebben begeleid. In ieder geval bleef de betrokken gedeputeerde geheel buiten beeld. Ik weet niet of je daarmee het vertrouwen in de politiek vergroot. Het nadeel was in ieder geval dat de externe procesbegeleiders de mensen in de zaal meestal niet bleken te kennen.

De Flevo-perspectieven zijn inmiddels afgerond. Ik heb ze bestudeerd en er vallen me veel zaken op. Vooral wordt er wel met veel nostalgie gepraat over het verleden (hier wonen vooral pioniers), maar ik lees voorlopig weinig richtinggevends voor de toekomst. Natuurlijk, ik weet dat Gedeputeerde Staten hun aanzet voor de nieuwe Omgevingsvisie nog moeten maken. Maar ook die aanzet zal weer zo snel mogelijk het overleg in met alle ‘partners’ worden gebracht. Zeg maar: met iedereen. Het is daarom niet moeilijk om te voorspellen dat in definitieve Omgevingsvisie weinig richting zal geven.

Ik ontken niet dat de samenleving sinds het droogleggen van de Noordoostpolder drastisch is veranderd. En dat met name de rol van de overheid drastisch is veranderd. In Den Haag schrijven ze zelfs nota’s over de doe-democratie, waarin burgers worden opgeroepen om zelf de maatschappelijke problemen op te lossen. Dat lijkt me in deze tijden overigens een tamelijk overbodige oproep. In Den Haag spreken ze ook over ‘overheidsparticipatie’: niet de burger participeert nog in de processen van de overheid, maar de onzichtbare gedeputeerde participeert in het denkproces van de samenleving. Maar toch vraag ik me af hoe we de polders ooit hadden moeten droogleggen met een overheid die zich slechts met het proces van de visievorming bezighoudt, en zelfs dat nog alleen op de achtergrond. En dan spreek ik nog niet eens over het bouwen van dorpen en steden, het aanleggen van wegen, ja, over de ontwikkeling van een samenleving.

Ik ga misschien niet ver genoeg als ik zeg dat ook het bestuur is genormaliseerd. Het provinciebestuur lijkt zich eerder onzichtbaar te maken. Ter geruststelling: een zichtbare provincie is in het hele land een contradictio in terminis.

Tot slot de mensen. We hebben gezien dat de overheid er alles aan heeft gedaan om de beste mensen naar de polder te halen. Hier moest een ideale samenleving door ideale mensen worden geschraagd. Gaandeweg is de selectie losgelaten. Bij de overloopgemeenten Lelystad en later Almere kon daarvan natuurlijk ook geen sprake meer zijn. Demografie bepaalde de instroom. De stadsvernieuwingswijken van Amsterdam leverden veel nieuwe inwoners voor de polders. En je ziet het in Almere nog op straat terug. Veel mensen zijn zo gewoon. De inwoner van Almere is vooral modaal. Weinig aan de bovenkant, en tot voor kort ook weinig aan de onderkant. Hoe bizar die selectie van die boeren in de Noordoostpolder ook was, op basis van die vreemde ideeën van professor Ter Veen over rassen en mensen, de uitkomst was zeker niet gemiddeld. De overloop uit Amsterdam was daarentegen bovenal gemiddeld. Zoals Teun Koolhaas al zei: de polders zijn het landgoed van de middenklasse.

We kunnen het ook anders zeggen. De selectie leidde tot een elite, terwijl de overloop-gemeenten vooral een nieuwe elite moesten ontberen. En dat is een opvallend kenmerk van Flevoland. Op het oude land werken de elites en de netwerken wel eens verstikkend. Denk aan Amsterdam waar je deel moet uitmaken van allerlei coterietjes om mee te mogen doen. Maar hier telde het college van Burgemeester en Wethouders van Almere tussen 2006 en 2010 zelfs drie wethouders die van buiten de stad werden gerekruteerd. Hoe wijs dat soms ook kan zijn, het duidt niet op een omvangrijke en hechte politieke elite die voldoende kwaliteit én ambitie heeft om zelf de banen te verdelen.

Tegen de achtergrond van dit gebrek aan politieke vastigheid en politieke traditie hebben ook nog eens relatief veel burgers een voorkeur voor extreem-rechtse en voor populistische partijen. Die voorkeuren zijn overigens niet onbegrijpelijk voor een witte middenklasse die de grote stad is ontvlucht. Het zijn juist de mensen die minder in aanraking komen met migranten, die vaker een afkeer van migranten ontwikkelen. Misschien is ook een zekere teleurstelling over de nieuwe stad een goede voedingsbodem voor populisme. Het nieuwe land heeft wel een huis met een tuin gebracht, maar ook de file voor de Hollandse Brug. En weinig reuring.

En wordt er in de polder nog steeds met graagte over ‘pioniers’ gesproken. Ik verwees al naar de Omgevingsvisie. Misschien is het een goed moment om daarmee te stoppen. De 200.000 inwoners van Almere zochten vooral een huis. Dat had niets met pionieren te maken. En ook de boeren van de Noordoostpolder waren geen pionier, in de werkelijke zin van het woord. Een pionier laat alles achter zich om elders een nieuw en ongewis bestaan op te bouwen. Het bestaan van de boer uit de polder was echter verre van ongewis. Een prachtig bedrijf stond hem bij aankomst ter beschikking. Hij kon letterlijk de volgende morgen onder zijn gezonde koeien kruipen.

De last van het verleden

Iedere provincie is uniek. Elk gebied is uniek. Maar als we naar de gemiddelden kijken is Flevoland vooral heel normaal. Natuurlijk zijn er innovatieve start-ups. Welke gemeente heeft die tegenwoordig niet. Natuurlijk zijn er broedplaatsen. Natuurlijk lopen hier originele mensen rond als Bob Crébas, die ik uitgebreid sprak in zijn recreatiepark en in zijn opnamestudio, verstopt in een leegstaande boerderij. Maar als je praat over innovatie en pionieren, dan praat je tegenwoordig niet meer over Flevoland. Dan denk ik aan Eindhoven en zijn High Tech Campus, aan de Food Valley in Wageningen, aan de Noordkant van het IJ in Amsterdam, en noem maar op. Ik moet eerlijk zeggen: het bijzondere van Flevoland ligt toch vooral in het verleden.

En ik zie ook geen ontwikkelingen die dat op korte termijn gaan veranderen. Waarom zou de landbouw weer gaan excelleren? Omdat Flevoland een relatief hoog percentage biologische landbouw van 9% heeft? Maar het is de vraag of de toekomst bij de biologische landbouw ligt. Het is veel waarschijnlijker dat de voorlopers van de biologische landbouw de mainstream-landbouw zullen dwingen om zich aan te passen. Zoals nu ook al gebeurd. En de mainstream-landbouw in Flevoland is niet innovatiever dan de landbouw elders in het land.

Ik zie ook niet dat Flevoland op korte termijn weer snel zal gaan groeien, wat onder ons gezegd overigens een zegen is. Nog maar een paar decennia geleden was Amsterdam erg afhankelijk van Almere, en daarvoor van Lelystad. Dat is niet meer zo. De afhankelijkheidsrelatie is zelfs omgedraaid. De mensen willen weer in Amsterdam wonen en de stad Amsterdam heeft de oude groeikernen steeds minder nodig. Natuurlijk is er nog steeds veel migratie-dynamiek tussen Amsterdam en Almere. Het is van alle tijden dat de jeugd voor een opleiding naar de stad trekt. Ze kwamen in de tweede helft van de afgelopen eeuw massaal terug als ze de opleiding hadden afgerond en een gezin hadden gesticht. Op dit moment trekt de jeugd nog steeds naar de stad. Maar ze komen steeds minder terug. En voor gemeenten als Almere is het extra vervelend dat met name de hoger-opgeleide en rijkere jonge gezinnen in de stad willen blijven wonen. Om hun kinderen met hun bakfiets naar de kinderopvang te brengen. Het zijn vooral de lager-opgeleiden die de stad nog blijven verlaten. We zien in Almere dus geleidelijk meer armoede ontstaan. Het eendimensionale Almere verdwijnt, maar aan de bovenkant van de arbeidsmarkt komt er te weinig bij. Waar Almere vroeger in de zon lag en rijkelijk werd bedeeld met rijkssubsidies, ligt het steeds meer in de schaduw van Amsterdam, min of meer vergeten door het Rijk. Overigens maken alle groeikenen een vergelijkbare ontwikkeling door.

Met normalisering is niets mis. Maar het moet niet doorschieten. Flevoland moet niet verder afzakken, laat staan wegglijden. Bureau Louter gaf al aan dat het werkloosheidspercentage in Flevoland boven het nationale gemiddelde ligt en dat het vooral sinds de kredietcrisis sterk is gestegen. Vergeet ook niet dat het aantal inwoners hier de laatste 20 jaar, vergeleken met het nationaal gemiddelde, nog sterker is gegroeid dan het aantal banen. Het moet niet gebeuren dat hier in het midden van het land een krimpgebied gaat ontstaan.

Bovendien draagt Flevoland een aanzienlijke last uit het verleden mee. Juist nu de nieuwe inwoners niet meer als vanzelfsprekend toestromen, zien we waartoe die toestroom uit het verleden heeft geleid. De groeikernen Almere en Lelystad zijn erg eenvormig, zoals dat geldt voor alle groeikernen in Nederland. Ten onrechte heeft de locatie nauwelijks een rol gespeeld in het stedebouwkundig plan. Lelystad heeft aanvankelijk helemaal niets gedaan met Markermeer en IJsselmeer. Hetzelfde geldt voor Almere en het IJmeer. Hele wijken van Lelystad hadden in Haarlemmermeer kunnen worden gebouwd en de buitenwijken van Almere hadden evengoed in Alkmaar kunnen staan. Veel wijken van groeikernen zijn in de praktijk volstrekt inwisselbaar. En dat geldt ook voor al die winkelcentra, die zo op elkaar lijken. Je waant je overal op dezelfde plek, en niet alleen vanwege de bekende winkelketens.

Die strikte eenvormigheid was overigens wel aan modes onderhevig. In Lelystad stond Van Eesteren nog aan de basis van de plannen. Er werd uiteindelijk gekozen voor een functionalistische gridstructuur met vrijliggende fietspaden. Almere kwam een decennium later van de grond. Hier werd gekozen voor een vlekkenplan en de eerste vlek, Almere Haven, werd geteisterd (ja, ik laat mijn gemoed even spreken) door de periode van de nieuwe truttigheid. Er kwam een namaak-grachtje met namaak-grachtenhuizen. Nadrukkelijk werd afstand genomen van de functionalistische benadering. De grote architect Le Corbusier leek even helemaal vergeten. De auto stond niet meer centraal, maar de intimiteit. In deze periode werd ook het startsein gegeven voor de bouw van ‘bloemkoolwijken’, met woonerven, waar je je auto kwijt kon, als je de weg kwijt was. Niet meer de bereikbaarheid was het streven, maar de onbereikbaarheid. En ook de bloemkoolwijken kregen weer hun opvolgers.

Hier stuiten we op een interessante paradox: juist het gebrek aan historisch besef heeft geleid tot een prachtig historisch overzicht van de recente stedebouw. Omdat zo weinig aandacht is besteed aan de voor Nederland kenmerkende principes van stedebouw, konden de stedebouwkundige modes onverdund worden gevolgd.

Dat heeft wel een keerzijde. In de groeikernen zijn de historie van de Nederlandse stedebouw én de historie van de plek nauwelijks te herkennen. Dat heeft het bizarre effect dat veel woonwijken in de groeikernen nu alweer gedateerd zijn, iets wat we van de historische centra van de oude Nederlandse steden nooit zullen zeggen. In de groeikernen zijn steeds weer nieuwe stedebouwkundige regels uitgeprobeerd, en vervolgens afgekeurd. In de oude Nederlandse steden zijn eeuwenoude principes steeds weer aan nieuwe omstandigheden aangepast. De stedebouwkundige plannen voor de groeikernen zijn inderdaad wel erg origineel, maar ook weinig doorleefd.

Het is dan ook niet verrassend dat na de eeuwwisseling een tegenbeweging op gang is gekomen. De huidige bezoeker van groeikernen wordt steeds vaker verrast door opvallende architectuur. In Almere Centrum zijn Koolhaas, SANAA, Van Dongen en Van Zuuk actief en succesvol geweest. In Lelystad hebben Van Egeraat, Van Zuuk en Mastenbroek gebouwd aan een hele nieuwe Zilverparkkade. En Van Berkel bouwde zijn schouwburg. Toch is het de vraag of grote architecten het gebrek aan doorleefde stedebouw kunnen goedmaken.

Her en der wordt ook al weer gesloopt. Dat zou hoopvol kunnen stemmen. Juist door her en der te slopen en door interessante nieuwe bouwwerken toe te voegen, zou een echte stad kunnen ontstaan. De eenvormigheid zou kunnen worden doorbroken. Zou op die manier iets van organische stedelijke ontwikkeling tot stand kunnen worden gebracht? Wellicht. Al vergt organische stedebouw meer dan het slopen van slechte delen en het toevoegen van nieuwe woningen. Organische stedebouw vraagt nu juist een plan, een overtuigend verhaal, waarbinnen al die kleine veranderingen een plek kunnen krijgen. Het kenmerkende van de groeikernen is dat dat eenduidige verhaal er niet is.

Identiteit en zelfbeeld

Ik ga naar mijn afronding. Ik heb eerst geconcludeerd dat het bijzondere van Flevoland vooral in het verleden ligt. Daarna heb ik vastgesteld dat dat verleden ook nog eens een last is. Ik probeer zo objectief mogelijk te kijken. Maar ik kan me voorstellen dat u mij inmiddels met graagte op één hoop gooit met al die azijnzeikers van buiten de polder. Van al die mensen die met enig dédain neerkijken op Flevoland, zonder er ooit te zijn geweest. U hebt dat recht. Maar misschien moeten we het dan ook eens hebben over zelfbeeld en identiteit. Want het voorgaande was niet mijn belangrijkste conclusie van mijn rondgang door de polder. Belangrijker was dat al die gesprekken uiteindelijk gingen over het zelfbeeld van de Flevolander en over de identiteit van Flevoland.

Elke psycholoog kan u vertellen dat ieder mens gebaat is bij een gezond zelfbeeld. Je moet je bij voorkeur niet minderwaardig voelen en evenmin overwaardig. Dat zelfbeeld moet dus een beetje netjes aansluiten bij wat je bent, bij je identiteit. In dat verband valt me op dat Flevoland erg bezig is met wat anderen van haar vinden. En wat die ander vindt, wordt vaak als neerbuigend gezien. Het leidt tot gekrenkte trots. En het gevolg is dat dan nog meer de grootheid van het project van Lely wordt bezongen. In de trant van het kind dat tegen zijn papa roept: “Kijk eens hoe goed ik kan fietsen, Papa!”

Zo ken ik uit geen enkele provincie zo’n dik boek over het waarom van de provincie. U kent dat boek ongetwijfeld allemaal. Het grappige van dat dikke gele boek over het ontstaan van Flevoland is dat het alleen bewijst hoe toevallig het ontstaan van de provincie in feite is geweest. Minister Rietkerk wilde een punt zetten achter de discussie over stadsgewesten en mini-provincies en wilde zoveel mogelijk bij het oude laten. Het gevolg was dat dat hij alleen voor twee polders nog een oplossing moest vinden. De Noordoostpolder en Urk werden erbij gevoegd, omdat Friesland en Overijssel erom vochten. U kent het verhaal van die twee honden. Het had al heel anders kunnen lopen als op dat moment ook Gelderland en Noord-Holland hun deel hadden opgeëist.

Er is dus iets mis met het zelfbeeld. Het zou goed zijn om identiteit en zelfbeeld beter op elkaar af te stemmen. Maar dan stuit ik op een volgend probleem. Want wat is de identiteit van Flevoland? Ik vind het werkelijk moeilijk om een antwoord te geven op die vraag. [Ja, mij is niet gevraagd om een feestrede uit te spreken.] Zoals iemand die hier lang heeft gewoond en het gebied erg goed kent, tegen me zei: “Wim, die polders, die Lely, dat is toch allemaal net even te dun om een eigen identiteit aan te ontlenen.” Inderdaad de Wieringermeer heeft zijn bestaan aan diezelfde Lely te danken en is al heel lang een goed geïntegreerd onderdeel van de provincie Noord-Holland. En wie valt de Haarlemmermeer nog op? Of al die andere polders van Nederland? In feite is de helft van Nederland polder.

Ook aan de historie van de maakbaarheid valt moeilijk een identiteit te ontlenen, nu de maakbaarheid zo nadrukkelijk is afgezworen en vooral de napijn van de maakbaarheid voelbaar is. Bij die napijn doel ik bijvoorbeeld op de wet van de remmende voorsprong, die zich nogal eens laat gelden. Op sommige plaatsen in Flevoland lijkt men zelfs verlamd te zijn door het feit dat het vroeger allemaal zo bedoeld was. Denk aan die windsingels en die verkaveling van de Noordoostpolder.

Over de pioniers heb ik al iets gezegd. Ook zij bieden geen basis voor de identiteit van de polders. Ze voldoen immers geheel aan de echte definitie van nostalgie: terugverlangen naar een tijd die nooit heeft bestaan. In feite heeft het gebied nooit pioniers gehad, alleen hele goede boeren. Het visionaire is met het vertrek van Adri Duivesteijn uit Almere uit de polders verdwenen. Eigenlijk was Adri, hoe vooruitstrevend hij ook was met zijn keuze voor de burger, in zijn hart de laatste ingenieur van de RIJP.

Maar het grootste probleem van de identiteit van Flevoland is gelegen in het feit dat het geen geheel is. Zoals Louter in zijn rapport al schreef: Flevoland ademt mee met de omliggende provincies en de delen hebben weinig tot niets met elkaar. De Noordoostpolder en Dronten zijn gericht op Zwolle, Zeewolde op Gelderland, Almere bij uitstek op Amsterdam en ja, Lelystad is misschien de enige stad van Flevoland. Maar het dan is het de hoofdstad van zichzelf.

Misschien denkt u nu: ik ken wel meer provincies zonder een duidelijk centrum. Of: ik ken wel meer provincies waarvan de hoofdstad niet de belangrijkste stad is. Dat is allemaal waar. Maar ik ken geen provincie waarin het referentiepunt voor zovelen buiten de eigen provincie is gelegen. Almere is als grootste stad niet het referentiepunt, laat staan Lelystad. Nee, het is juist Almere dat voor een belangrijk deel refereert aan Amsterdam. In zekere zin is deze provincie centrifugaal.

En daarmee komen we bij de kern van het probleem. Flevoland ontbeert identiteit. En als je te weinig identiteit hebt, kan je niet uitblinken is het moeilijk om trots te zijn. Om nog een stap verder te gaan: iemand met een gebrekkige identiteit heeft vaak een ongedefinieerd zelfbeeld. En dat is een gemis. Want, zoals gezegd, het helpt als je weet waarin je goed bent.

Mijn conclusie zou zijn: ontleen je identiteit niet aan het toevallige geheel. Want het geheel is hier niet meer dan de som der delen, maar juist minder. Het geheel is eerder een last. Laat Almere zijn identiteit ontlenen aan Amsterdam. Streef op termijn naar een fusie van Almere met Amsterdam. Laat de Noordoostpolder zijn identiteit ontlenen aan het land van Friesland en Overijssel. Laat Zeewolde genieten van de nabijheid van Gelderland.

Ik heb al gezegd dat ik niet gelukkig wordt van bestuurlijke reorganisatie. Dus ook niet van de opheffing van de provincie Flevoland. Maar op een ander niveau zou je heel goed invulling kunnen geven aan mijn conclusies. Bijvoorbeeld: waarom zou je voor dit toevallige gebied één Omgevingsvisie willen maken? Van Luttelgeest en Bant tot Almere. Laat Almere zo’n visie maken samen met Amsterdam. Daar en nergens anders moet Almere aanhaken om de komende decennia goed door te komen. En laat de andere delen hun omgevingsvisie maken met hun echte partners over de provinciegrens.

Dat is mijn eerste belangrijke conclusie. Versterk je identiteit met je echte partners. Daarnaast moet niet de overheid, maar moeten vooral de burgers de identiteit van dit gebied gaan bepalen. De Dienst Zuiderzeewerken kon polders droogleggen. De RIJP kon steden bouwen en zwembaden aanleggen. Maar uiteindelijk moeten nu de burgers hun eigen omgeving identiteit geven. Amsterdam ontleent zijn identiteit niet aan het toevallige bestuur, maar aan de arrogantie van haar inwoners. Rotterdam is Rotterdam door het niet-lullen-maar-poetsen-karakter van haar inwoners. Ook hier moeten de burgers nu eindelijk zelf het heft in handen gaan nemen. Wat zou het mooi zijn als ze in Nagele schuine daken, extra verdiepingen en tientallen dakkapellen op hun lullige woninkjes zouden zetten. Wat zou het mooi zijn als er eens een boom werd gekapt en de nieuwe boom niet meteen weer in het gelid werd gezet. Wat zou het mooi zijn als burgers hun tuinen onrechtmatig gingen uitbreiden, hekken en Gamma-schuttingen zouden zetten waar het nu nog niet mag. Als burgers niet alleen in het reservaat van Homeruskwartier en Oosterwold, maar overal hun eigen huis mochten bouwen. En andere huizen gingen slopen. Wat zou het mooi zijn als het WTC in Almere werd gekraakt en een echte broedplaats voor talent zou worden. Wat zou het mooi zijn als Flevoland één groot olifantenpad zou worden. Waar burgers hun eigen weg kiezen, dwars tegen al de wensen van al die bestuurders in. Ja, het moment is gekomen om echt te stoppen met het project van Lely. Het moment is gekomen om Flevoland eindelijk aan haar inwoners te geven.

Groeikernen: bijzondere stedebouw, weinig doorleefd

september 10, 2013 by  
Filed under De Stad

De onvermijdelijke suburbanisatie

De regering stond voor een enorme bouwopgave. De bevolking groeide hard, de welvaart nam toe en er moesten veel nieuwe huizen worden gebouwd. Het idee bestond dat er in de steden onvoldoende plek was, in ieder geval werd daar nauwelijks gebouwd. Het gevolg was een ongekende trek naar buiten. Er dreigde in de jaren 60 zelfs een ongecontroleerde suburbanisatie, een sprawl naar Nederlandse maat. En toen de stadsvernieuwing in de jaren 70 eindelijk ter hand werd genomen, nam het aantal woningen in de steden alleen nog maar verder af.

Groeikernen vormden het antwoord op de leegloop van de stad en het dreigende vollopen van het ommeland. Planologen spraken van de noodzaak van ‘gebundelde deconcentratie’. De leegloop van de steden moest worden gekanaliseerd, satellietsteden moesten de stedelijke leegloop opvangen. Aanvankelijk dacht men vooral aan satellietsteden aan de buitenkant van de Randstad, later kwamen ze ook midden in het Groene Hart terecht. Vanaf 1972 spraken we over ‘groeikernen’. Het begrip kwam het eerst voor in de Nota Volkshuisvesting uit dat jaar. Ondanks zijn populariteit was het geen lang leven beschoren. In de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening van 1988 kwam het woord al niet meer voor.

Alleen gemeenten die als zodanig waren aangewezen voor het Rijk waren een groeikern. Maar de dynamische klank zorgde ervoor dat ook andere gemeenten zich ‘groeikern’ gingen noemen. Gemeenten als Leidschendam en Vlaardingen, maar ook Hoogezand-Sappemeer. Tijdelijk kenden we ook nog ‘groeisteden’. Groningen, Zwolle, Breda en Helmond werden in de Verstedelijkingsnota uit 1976 (een onderdeel van de Derde Nota over de Ruimtelijke Ordening) als zodanig aangemerkt. Ook zij kregen de opdracht (en de middelen) om te groeien.

Effectief of succesvol

Gelet op het imago van steden als Spijkenisse, Purmerend, Capelle aan den IJssel, Lelystad en Zoetermeer is het nauwelijks voorstelbaar dat het nog maar enkele decennia geleden een grote eer was om als ‘groeikern’ te worden aangewezen. Hoewel veel mensen er naar grote tevredenheid wonen, wordt zowel door ‘echte’ stedelingen en door ‘echte’ plattelanders een beetje meewarig over dergelijke steden gesproken. Eenvormig, kleurloos en je kan er de weg niet vinden. Dat is ongeveer het beeld. Dat is niet terecht.

Laten we eerst vaststellen dat er een grootse prestatie is geleverd. Tussen 1970 en 1985 is het inwonertal van de 15 groeikernen met 446.000 personen toegenomen. Het hoogtepunt van de groeispurt van de groeikernen lag in 1980. Na 1980 nam de groei snel af, om de simpele reden dat de echte steden hun politieke koers drastisch hadden bijgesteld: in plaats van de ‘overloop’ naar de groeikernen te ondersteunen, wilden ze zelf weer groeien. Overigens met hele goede redenen. Niettemin zijn er in korte tijd onwaarschijnlijk veel woningen gebouwd. Het beleid is zonder meer effectief geweest. Of het ook succesvol is geweest, is een andere vraag.

Gelukkig verschijnen er de laatste tijd verschillende studies over de groeikernen, die het beeld kunnen inkleuren en kunnen nuanceren. Voor een weloverwogen oordeel is het nodig om de groeikernen vanuit verschillende perspectieven te bezien. Er is het ruimtelijk perspectief: heeft de gebundelde deconcentratie er inderdaad toe geleid dat de Nederlandse sprawl is voorkomen (zie het standaardwerk van Van der Cammen en De Klerk over Ruimtelijke ordening)? Er is het sociologisch perspectief: hoe gedijen die lokale samenlevingen nu de meeste groeikernen zijn volgroeid en hoe tevreden zijn de inwoners met hun buurt en hun huis (zie bijvoorbeeld de Atlas nieuwe steden van Arnold Reijndorp en anderen)? Er is het politieke perspectief: hoe komt het dat veel lokale partijen een grote stem hebben in de gemeentepolitiek van de voormalige groeikernen (mij nog geen goed overzicht bekend)? En er is het stedebouwkundige perspectief, simpel gezegd: hoe zien die nieuwe steden eruit? In deze blog ga ik alleen op die stedebouwkundige kant in, aan de hand van een interessant boek van Willem Jan Pantus: Groeikernen in Nederland; een studie naar stedebouw en architectuur. Het aardige van het boek is dat het vooral een overzicht biedt en geen keiharde conclusies. De auteur geeft de lezer de ruimte om zelf zijn conclusies te trekken. Laat ik hier een poging wagen.

Vele soorten groeikernen

De vijftien groeikernen hebben één ding gemeen: ze zijn door het Rijk als zodanig aangewezen. Terecht maakt Pantus een onderscheid tussen de new towns (Lelystad en Almere) en de andere groeikernen. Maar ook die andere groeikernen kennen stedebouwkundige een andere start. In feite is er sprake van een glijdende schaal. Aan het ene uiterste hebben we Lelystad en Almere, aan het andere de nieuwe buitenwijken van Alkmaar, Hoorn en Helmond. Vooral in Helmond krijgt de oude binnenstad een belangrijke impuls van de nieuwbouwwijken die onder de vlag van ‘groeikern’ worden gerealiseerd. Dat blijkt een onderscheidend criterium: wat gebeurt er met de oude dorpskern/stadskern onder invloed van de enorme uitbreidingen? In Huizen bijvoorbeeld concurreert het oude dorp met het nieuwe winkelcentrum. In Zoetermeer, Houten, Capelle aan den IJssel, Purmerend en Nieuwegein wordt het oude dorp als het ware ingekapseld en ingepakt in de nieuwbouw, en verliest het elke centrumfunctie, als daarvan al ooit sprake is geweest. In Spijkenisse vindt er zelfs kaalslag plaats in het oude dorp, in de hoop oud en nieuw beter met elkaar te integreren. Zonder succes overigens. Dus soms valt de groeikern geheel samen met de nieuwe stad; soms gaan oud en nieuw met elkaar concurreren; soms blijft naast de nieuwe stad het oude dorp verweesd achter en soms komt de oude stad versterkt uit de groeikernstatus van de buitenwijken te voorschijn.

Strikte authenticiteit leidt tot eenvormigheid

Daarmee zijn misschien ook wel de grootste verschillen tussen de groeikernen genoemd. En dat is eigenlijk heel opvallend, zeg maar: paradoxaal. Zoals Pantus beschrijft is de stedebouw van de groeikernen namelijk ‘strikt authentiek’. Hier geven stedebouwers hun visitekaartje af, bewoners spelen in de vormgeving van de groeikernen geen rol. Dat zou pas later gebeuren, na de eerste VINEX-golf, wanneer de jaren-dertig-woningen in het hele land uit de grond worden gestampt. Pantus lijkt dat geen verbetering te vinden. Daarnaast lijkt de omgeving in de stedebouw nauwelijks een rol te spelen. Hellevoetsluis heeft iets gedaan met de oude vestiging, Huizen heeft het Gooimeer een plek gegeven in het stedebouwkundig ontwerp. Maar voor het overige valt vooral op dat de locatie juist geen rol van betekenis speelde. Hoorn en Lelystad hebben aanvankelijk helemaal niets gedaan met Markermeer en IJsselmeer. Hetzelfde geldt voor Almere en het IJmeer. Hele wijken van Lelystad hadden in Haarlemmermeer kunnen worden gebouwd en de buitenwijken van Helmond hadden evengoed in Alkmaar kunnen terechtkomen. Veel wijken van groeikernen zijn in de praktijk volstrekt inwisselbaar. Het is het werk van de tekentafel dat overal kan worden verkocht.

Maar dat niet alleen. Wijken zijn niet alleen inwisselbaar, ze zijn ook volstrekt eenvormig. Blijkbaar werd er op al die tekentafels vooral hetzelfde getekend. Niet alleen hadden de wijken van Lelystad even goed in Haarlemmermeer kunnen worden opgetrokken, qua uiterlijk had het ook weinig uitgemaakt. Haarlemmermeer zou er niet anders hebben uitgezien als de tekeningen van Lelystad per ongeluk naar Hoofddorp waren opgestuurd. Zie ook al die winkelcentra, die zo op elkaar lijken. Spijkenisse Kopspijker, Alkmaar de Mare, Almere Centrum, Capelle ad IJssel Koperwijk, Hellevoetsluis Struytse Hoek, Zoetermeer Stadshart. Je waant je overal op dezelfde plek, en niet alleen vanwege de bekende winkelketens. Nee, het zijn overal dezelfde overdekte passages, met dezelfde vrolijke ingang en allemaal al snel met een armoedige uitstraling. Zoals ook in veel groeikernen (verkeerde) zuinigheid heeft geleid tot de bouw van een armoedig nieuw gemeentehuis. De nieuwe gemeentehuizen van Haarlemmermeer en Huizen zijn in dat opzicht het toonbeeld van een gemiste kans.

Dat staat nogal haaks op de conclusie van Pantus dat de stedebouw van de groeikernen ‘strikt authentiek’ is. Nee, blijkbaar hebben al die verschillende stedebouwers overal bijna allemaal hetzelfde gedaan. Strikte authenticiteit leidt hier vooral tot eenvormigheid. Vergelijk dat eens met het Oostelijk Havengebied en de IJ-oevers in Amsterdam, waar juist een poging is gedaan om in aansluiting op het bestaande de stad meerwaarde te bieden. Is dat de reden waarom al de nieuwe ‘stadsharten’ in de groeikernen maar niet willen kloppen? Niet de plek en de mensen zijn het uitgangspunt geweest, maar de beperkte creativiteit van de stedebouwer.

Strikte authenticiteit kent wel modes

Die strikte authenticiteit van die stedebouwers was overigens wel aan modes onderhevig. En zoals het met modes hoort te gaan: de stedebouw maakte in alle groeikernen dezelfde ontwikkelingsgang door. Dus ‘strikt authentiek’, maar alle nieuwe trends en modes moeten wel worden gevolgd. Daardoor laten de groeikernen ons een prachtige staalkaart van de geschiedenis van de stedebouw van de tweede helft van de 20e eeuw zien. In Lelystad stond Van Eesteren nog aan de basis van de plannen. Er werd uiteindelijk gekozen voor een functionalistische gridstructuur met vrijliggende fietspaden. Ook Spijkenisse was in aanvang schatplichtig aan CIAM: ruim opgezette woonwijken, doorgaande stroken van galerijflats en rijtjeswoningen strak in het gelid, langs orthogonale stratenplannen. Purmerend kende zijn functionalistische flats van Groosman, Zoetermeer de geknikte galerijflats van Van Eesteren en een stadsplattegrond van Van Emden. Het was de tijd van de Bijlmer, en heel Nederland moest en zou Bijlmerflats krijgen.

Almere kwam een decennium later van de grond. Hier werd gekozen voor een vlekkenplan en de eerste vlek, Almere Haven, werd geteisterd (ja, geen neutrale connotatie) door de periode van de nieuwe truttigheid. Er kwam een namaak-grachtje met namaak-grachtenhuizen. Nadrukkelijk werd afstand genomen van de functionalistische benadering. Le Corbusier leek even helemaal vergeten. De auto stond niet meer centraal, maar de intimiteit. Het was het startsein voor de bouw van ‘bloemkoolwijken’, met woonerven, waar je je auto kwijt kon, als je de weg kwijt was. Niet meer de bereikbaarheid was het streven, maar de onbereikbaarheid.

En ook de bloemkoolwijken kregen weer hun opvolgers. Niet alleen in de groeikernen, maar in het hele land. Wel bieden de groeikernen een welhaast museaal overzicht van de geschiedenis van de stedebouw. Dat geldt het meest voor Zoetermeer, dat niet alleen al aan het bouwen was voordat het tot groeikern werd aangewezen, maar ook in de fase van de VINEX nog fors is doorgegaan met de stadsuitleg. Met reden bracht Zoetermeer enige jaren geleden het boek ‘De gave stad’ uit, waarin de stad werd gepresenteerd als staalkaart van de stedebouw van de tweede helft van de 20e eeuw.

En hier stuiten we op een andere paradox. Eerst zagen we al dat ‘strikte authenticiteit’ vooral heeft geleid tot eenvormigheid. De tweede paradox lijkt nog treffender: juist het gebrek aan historisch besef heeft geleid tot een prachtig historisch overzicht van de recente stedebouw. Omdat zo weinig aandacht is besteed aan de voor Nederland kenmerkende principes van stedebouw, konden de stedebouwkundige modes onverdund worden gevolgd.

Maar dat heeft een keerzijde. In de groeikernen zijn de historie van de Nederlandse stedebouw en de historie van de plek nauwelijks te herkennen. Dat heeft het bizarre effect dat veel woonwijken uit de groeikernen alweer gedateerd zijn, iets wat we van de historische centra van de oude Nederlandse steden nooit zullen zeggen. En dat is nu juist het kenmerkende verschil tussen groeikernen en de oude binnensteden. In de eerste zijn nieuwe stedebouwkundige regels uitgeprobeerd (en blijkbaar afgekeurd), in de tweede zijn eeuwenoude principes steeds weer aan nieuwe omstandigheden aangepast. Experimentele stedebouw staat hier tegenover doorleefde stedebouw. De stedebouwkundige plannen voor de groeikernen zijn inderdaad wel erg origineel, maar ook weinig doorleefd.

Tegenbewegingen

Het is dan ook niet verrassend dat na de eeuwwisseling een tegenbeweging op gang is gekomen. De huidige bezoeker van groeikernen wordt steeds vaker verrast door opvallende architectuur. In Almere Centrum zijn Koolhaas, SANAA, Van Dongen en Van Zuuk actief en succesvol geweest. In Lelystad hebben Van Egeraat, Van Zuuk en Mastenbroek gebouwd aan een hele nieuwe Zilverparkkade. Calatrava heeft drie bruggen gebouwd in Haarlemmermeer. Van Huut een theater in Hoorn, Van Berkel een theater in Lelystad. In Spijkenisse heeft Sjoerd Soeters een nieuw winkelcentrum ontworpen, Ben van Berkel (alweer) een nieuw theater en MVRDV een nieuwe bibliotheek. Spijkenisse afficheert zich inmiddels zelf als een ‘stad met hernieuwde ambities’. Toch is het de vraag of grote architecten het gebrek aan doorleefde stedebouw kunnen goedmaken.

Ook anderszins maken de groeikernen momenteel veranderingen door: er wordt alweer gesloopt. In Nieuwegein, in Lelystad gaan hele straten tegen de grond. In Zoetermeer is het prachtige Meerzicht van Alberts geamoveerd. Het stemt treurig, het is zo vergankelijk, het is zo weinig duurzaam. Al wijken de groeikernen hier niet af van de uitbreidingswijken die in andere steden in dezelfde tijd zijn gebouwd. Van de oorspronkelijke Bijlmermeer is ook nog maar weinig over.

Het zou ook hoopvol kunnen stemmen. Juist door her en der te slopen en door interessante nieuwe bouwwerken toe te voegen, zou een echte stad kunnen ontstaan. De eenvormigheid zou kunnen worden doorbroken. Er zouden inderdaad steden met ‘hernieuwde ambities’ kunnen ontstaan. Zou op die manier iets van organische stedelijke ontwikkeling tot stand kunnen worden gebracht? Wellicht. Al vergt organische stedebouw meer dan het slopen van slechte delen en het toevoegen van nieuwe woningen. Organische stedebouw vraagt nu juist een plan, een overtuigend verhaal, waarbinnen al die kleine veranderingen een plek kunnen krijgen. Het kenmerkende van de groeikernen is dat dat eenduidige verhaal er niet is. Neo-truttigheid is soms maar een paar straten verwijderd van functionalisme. En ook daarin staan de groeikernen niet alleen. De historische steden van Nederland kennen hun structurerende principes heel goed. Maar daar waar de historie is weggeslagen, zoals in het centrum van Rotterdam en in delen van Utrecht (Hoog Catharijne) en Den Haag (Spuiplein), is de zoektocht naar nieuwe masterplannen even ingewikkeld als in veel groeikernen het geval is. En waar de structurerende principes ontbreken, zal het organisch groeien vermoedelijk nergens toe leiden.