Hoe goed is de EMA voor #Amsterdam

december 11, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad, Voorpagina

Amsterdam was heel verheugd over het binnenhalen van de EMA, de Geneesmiddelen Autoriteit van de EU. Er was ook nationale trots over de geslaagde lobby van het kabinet en van Wouter Bos. Het was in veel opzichten ook een groot succes voor Amsterdam. NRC Handelsblad plaatste wel een kanttekening. Had Amsterdam wel genoeg woningen voor de 900 hoogopgeleide werknemers van de EMA? En zou de komst van de EMA niet leiden tot nog hogere woningprijzen? De NRC raakte daarmee aan een veel fundamentelere vraag, zonder die vraag ook werkelijk te stellen. Die vraag luidt: wat voor stad wil Amsterdam zijn. Of vooral: wat voor stad wil Amsterdam worden?

De EMA komt uit London. De EMA zal er ook toe leiden dat Amsterdam een heel klein beetje meer op London gaat lijken. London is een sterk gesegregeerde stad. Het centrum van de stad is het eigendom van een internationale, veelal hoogopgeleide elite. Om het brede centrum heen woont de laagopgeleide onderklasse en in de ring daarbuiten woont de middenklasse die dagelijks uren in de metro zit op weg naar het werk. Sorry voor de schematische weergave. In Amsterdam zie je dezelfde ontwikkelingen. Economisch gaat het heel goed met de stad. De huizenprijzen stijgen snel, vooral binnen de Ring, waar veel hoogopgeleiden een plekje zoeken. Daardoor worden veel laagopgeleiden, met een slecht betaalde baan of werkloos, buiten de Ring verdreven. Sorry voor de schematische weergave.

Ja, die EMA zal die trends versterken. Een blits kantoor aan de Zuidas, 900 hoogopgeleide banen, veel hoogopgeleide expats, veel vraag naar dure woningen in de oude stad. Als de gemeente niets doet worden de kansarmen verder naar de buitenkant van de stad verdrongen. En let op: de komst van EMA leidt tot 50.000 extra overnachtingen voor buitenlands bezoek per jaar. Ook dat herkennen we. Amsterdam wordt nu al in sommige wijken overspoeld door bezoek uit de hele wereld. Voor vanwege de grote stedelijke schoonheid van Amsterdam. De grachten zijn voor velen een bezienswaardigheid. Symbolen: Airbnb, rolkoffers. Door EMA dus meer rolkoffers. In dit verband zou ik in verband met de kwetsbaarheid van de binnenstad eerder aan Venetie dan aan London denken.

Daarmee hebben we meteen twee scenario’s voor de stad genoemd. London en Venetie. Twee scenario’s die niet automatisch samengaan. ‘London’ leidt bijna onvermijdelijk tot meer hoogbouw. Dat zet druk op het historische karakter van de stad. ‘Venetie’ leidt onvermijdelijk tot een grote druk op het woon- en leefklimaat in de binnenstad dat nu nog zo aantrekkelijk is voor de hoogopgeleiden. Uiteindelijk zullen London en Venetie niet samengaan.

Maar er is ook een derde scenario denkbaar. Laat ik het ‘Amsterdam’ noemen. Een gedifferentieerde stad zonder tweedeling, een stad met veel ruimte voor middeninkomens, een stad met een stevige (lokale) verzorgingsstaat. Goed onderwijs, goede zorg, goed arbeidsmarktbeleid, goed vangnet. Een betrouwbare overheid. Met veel ruimte voor handel. Ja, zeg maar, daar waar de kracht van Amsterdam van oorsprong ligt.

Oh, dat kan dus ook. Zeker. Persoonlijk denk ik dat het belang van het laatste scenario nog wel eens wordt onderschat. En dat we tegelijkertijd geneigd zijn om het belang van kapitalistische krachten te overschatten. We moeten ontwikkelingen niet als een gegeven beschouwen. En we moeten beseffen waarom Amsterdam zo floreert. Amsterdam mag trots zijn op zijn eigen kracht. Het zou goed zijn om de komst van EMA in dat licht te bezien. En dan niet meteen te gaan juichen.

 

[verschenen in het Parool, 13 december 2017]

Zef Hemel als kind van Amsterdam @ZefHemel

februari 22, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

 

Gesprek met Zef Hemel

Zef Hemel schreef een mooi boek over ‘de toekomst van de stad’. Het is een informatief boek, het staat vol met mooie verhalen. Het is een heel rijk boek. Het geeft een mooi beeld van het ontstaan van steden. Het is ook een bevlogen boek. Hemel meent dat Amsterdam veel harder zou moeten groeien. In de pers sprak Zef Hemel zelfs over 2 miljoen inwoners. Ik noem dat een romantisch ideaal, omdat het wetenschappelijk bewijs voor die 2 miljoen inwoners ontbreekt. Ik schreef dan ook al tweemaal een kritische blog over Zef en zijn boek.

Maar tegelijkertijd is ook waar dat je met straffe significantieniveaus geen stad maakt. Voor de ontwikkeling van een stad heb je een ziener nodig. Van een ziener valt alleen achteraf vast te stellen dat hij er geheel naast zat. En Zef is vooral een ziener. Dat waardeer ik en om die reden ben ik met hem gaan praten.

Drenthe

Zef en ik zijn allebei Drent. Hij komt uit Emmen en ik uit Meppel. We hebben allebei in Groningen gestudeerd. Hij vijf jaar na mij. Het is goed dat we daarmee starten. Met Drenthe en Amsterdam. Het lijkt alsof het boek een soort bevrijding is van Hemel. Hij zegt eerlijk: het boek gaat over mij. Over mijn leven. Wat ik als planoloog geleerd heb. Ik blik terug.

En Hemel wil weg uit Emmen. Dat is duidelijk. Zijn hele boek is één pleidooi voor grootstedelijkheid. Hij definieert dat als complexiteit. “En complexiteit is beschaving.” Ik vraag naar het waarom van deze schijnbaar onweerlegbare stelling. Zef zegt: Ja beschaving is stedelijkheid. Het platteland zelf genereert geen beschaving, dat doet de stad. Daarom wil ik weten hoe steden zijn ontstaat. Voedsel en drinkwater zijn het begin van elke stad. En het platteland is een uitvinding van steden. Mijn boek is daarmee echt een scheppingsverhaal van de stad. Maar het gaat ook echt over de geboorte en bloei van beschavingen en die schuilt in grootstedelijkheid. Het boek is een lofzang op complexiteit.

Ook ik heb Drenthe mentaal verlaten, maar het afscheid van Zef is wel erg bruusk. Daarom vraag ik wat er mis is met Emmen. Hemel: Er is niks mis met Emmen. Ik kende daar vrijwel iedereen. Mijn ouders wonen er. Ik kom er nog steeds. Ik heb me afgevraagd: in wat voor beschaving ben ik opgegroeid. Ik ben niks tekort gekomen, maar ik voelde een gemis. In 1962 kregen wij thuis televisie. Wij waren de eerste generatie met zo’n toestel. Toen zag ik Amsterdam, ik zag de wereld. Daar wilde ik naar toe. In Emmen was één bioscoop, met Dik Trom in het hoofdprogramma. Ik heb Emmen altijd als een kolonie gezien. Je kan het ook wingewest noemen, een gebied dat toelevert aan steden.

Vergeet niet: mijn grootvader begon als veengraver, was politiek actief in de drankbestrijding, werd vakbondsleider, later provinciaal bestuurder. Zijn zoon – mijn vader – moest een koloniale oorlog vechten in Nederlands Indië. Toen hij terugkwam was het veen weg. Er werd door de regering een fabriek neergezet, met veel subsidies. Mijn vader moest daar aan het werk. Weer koloniale uitbuiting. Toen ik ging studeren in Groningen, in 1975, sloot die fabriek. Veel fabrieken sloten in die tijd. Sindsdien groeit weer de werkloosheid. Groningen was een interessante microkosmos. Maar het is een studentenstad. En toen kwam Amsterdam. En ook dat blijkt een tussenfase. Na vijfendertig jaar wil ik hier ook liefst weg.

Ik vraag Hemel of hij dit boek had kunnen schrijven als hij niet in Emmen had gewoond? Hemel: dat is een interessante vraag. Dat weet je nooit. Maar ik heb dit boek zo geschreven omdat ik dit leven heb geleid. Natuurlijk, het is een heel persoonlijk document. Nee, het is geen wetenschappelijk werk.

De stad is rijker leven

Hemel schrijft lyrisch over de stad in zijn boek. De stad: dat is rijker leven. Grote steden zijn beter voor mensen. Grootstedelijkheid maakt mensen vrij. Ik vraag hem hoe hij dat allemaal zo zeker weet. Hemel: Dat zijn ontboezemingen. Maar veel mensen ervaren het ook zo. De stad maakt vrij, omdat er niet te veel sociale cohesie is. Te veel sociale cohesie is niet goed. In een stad kan je als individu alle gradaties van sociale cohesie aantreffen, waaruit je kunt kiezen. In de grootstad ben je teruggeworpen op jezelf. Het is helemaal jouw eigen verantwoordelijkheid om in de wereld te stappen en verbindingen te leggen. Alle mogelijkheden liggen aan je voeten.

Is dat niet een beetje kil? Is daar nog wel solidariteit? Hemel: Dat is een persoonlijke keuze. Je bent in de stad bevrijd uit het dwingende dorpse verband. Die kleine gemeenschap waar iedereen elkaar kent.

Ik prijs me gelukkig met een auteur die in ‘het echt’ al even romantisch denkt over de stad als in zijn boek. De stad komt voor hem vooral overeen met voordelen, met agglomeratievoordelen. Ik werp hem tegen dat het begrip agglomeratienadeel nergens wordt genoemd, terwijl de theorie daar toch heel duidelijk over is. Een grotere schaal betekent ook nadelen, als congestie, stank, overlast, criminaliteit. Hemel: Ja, die kritiek heb ik al gekregen. Kijk, het boek is een pleidooi. Ik wilde me uitspreken. Iedereen graaft in zijn geheugen. Dat kan niet anders. Het is mijn boekenkast, het gaat over mijn leven. Maar die agglomeratienadelen zitten er wel degelijk in! Maar de agglomeratievoordelen zijn groter, zij lossen de problemen in steden altijd razendsnel op.

Volgens Hemel zijn steden niet alleen rijker, maar ook duurzamer. Ik suggereer voorzichtig dat windmolens vooral op zee succesvol zijn. Nee, zegt Hemel, die windmolens op zee zijn niet echt duurzaam. Dat is een ingenieurs-oplossing. Echt duurzaamheid bereik je door de stad te vergroten. Dan gebruiken mensen alles intensiever. De infrastructuur. De voorzieningen die mensen met elkaar delen. Je eet op straat, je hebt geen keuken meer nodig. Je gebruikt minder vierkante meters. Kijk in Aziatische steden. In Tokyo slapen ze in een cabine, op een paar vierkante meter. Dat is super duurzaam. Het probleem is: we hebben te veel mensen. In steden hebben die talloze mensen geen auto meer nodig! Ja, ik ga het liefste in Tokyo wonen, dat is mijn droom. Dat wil ik nog meemaken.Ik vind al die discussies over duurzaamheid eigenlijk maar windowdressing. Het is grootstedelijkheid, als de allerhoogste vorm van beschaving met de kleinste ecologische voetafdruk en de allergrootste rijkdom die de natuur ons aanbiedt. Een metropool is bovendien het allermooiste.

Hoe kan Nederland bestaan

Economen zijn het met Hemel eens: in steden zijn mensen productiever dan buiten steden. Toch doemt er een levensgrote vraag op als we de redenering van Hemel tot het einde volgen. Dan zou Nederland niet zo welvarend kunnen zijn. Wij hebben geen grote steden, we hebben Amsterdam en dat telt nog niet eens een miljoen inwoners. Hoe kan dat? Wat is er dan waar van Zef’s verhaal? Hemel: Ja, die vraag is interessant. Misschien dat ik daarom ook niet begrepen word. Die vraag roep ik wel op. Daar ben ik nu mee bezig. In Nederland leven we van handel. We zijn een belastingparadijs. We zijn oliesjeik met ons aardgas. We hebben onze koloniën geplunderd. We hebben een economie gebaseerd op logistiek, agrifood en chemie. Schiphol is een slimme truc, net zoals de Europoort en de Maasvlakte. Al die datacenters, alweer zo’n truc. We zijn dus slim, maar zonder steden te bouwen zijn we toch heel rijk geworden.

Ik reageer: Je hebt dus geen grote steden nodig. Hemel: zoals wij nu leven is apert niet duurzaam, dit is gewoon niet houdbaar. Amsterdam was indertijd één van de grootste steden ter wereld. In de negentiende eeuw klopte alles nog, zoals Amsterdam en Rotterdam destijds snel groeiden. De cesuur zit rond 1929. Toen ging het mis. Toen zijn we gestopt met steden bouwen. Toen zijn we gaan herverdelen, ruimtelijk spreiden, verdelende rechtvaardigheid voorop stellen met de komst van het Gemeentefonds.

Geen herverdeling tussen stad en land

Ik houd Hemel voor dat herverdeling, fundamenteel de herverdeling van de verzorgingsstaat grote economische voordelen heeft gehad. Als iedereen mag meedoen, heeft dat toch veel voordelen? Hemel: Dat is het construct van de verzorgingsstaat. Daar ben ik trouwens ook een kind van. Maar daar zet ik vraagtekens bij. Ik spiegel hem in mijn boek aan de Sovjet Unie. We waren in een wedloop met het Oosten. Gelijkheid stond in Oost en West hoog in het vaandel. Met de verzorgingsstaat wilden we de Sovjets zelfs aftroeven. Achter het IJzeren Gordijn is de boel in 1989 uit elkaar gevallen. Nu verbrokkelt het ook hier. De verzorgingsstaat was een utopie. Het is gewoon niet gelukt. Al die herverdeling tussen stad en ommeland werkt niet. Laat de stad groeien en rijkdom vergaren.

Waarom zou het ommeland daar beter van worden? Hemel: De groei van de steden ontlast al eeuwen het ommeland. Vergeet niet: 80% van het ommeland in Nederland is al stad geworden. Alles is hier gesuburbaniseerd.. Er is dus geen enkele reden om het niet naar de stad toe te vegen. Dat is veel duurzamer, spannender ook, en het brengt meer welvaart. Dus doe niet zo nostalgisch over dat platteland. Dat het krimpt. Het zijn allemaal stedelijke types die daar wonen. Laat de steden hun werk doen! De kinderen in Assen willen allemaal naar Amsterdam. Eigenlijk willen veel mensen daar weg. Bestuurders proberen dat tegen te houden. Maar de mensenwillen iets anders.

Hemel heeft zelf namens de gemeente Amsterdam geadviseerd in Delfzijl. Hij is er een aantal keren geweest. Ik vraag hem hoe zo’n wingewest van de stad beter wordt. Hemel: Je moet daar als het ware teruggaan in de tijd. Krimpen is als monumentenzorg plegen. Je moet veel afbreken, maar het mooie laten staan en een nieuwe functie geven. Dat is een natuurlijk proces. Ja, die Eemshaven doet het wel goed. Maar die heeft weinig met Delfzijl te maken. De werkers in de noordelijke havens zijn hoogopgeleide types die bijna allemaal in Groningen wonen.

De groeikernen als abberatie

Vanaf de jaren 60 zijn we in Nederland groeikernen gaan bouwen, om de steden te ontlasten. Persoonlijk heb ik niet veel met die groeikernen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat we door het bouwen van groeikernen de grote steden groeikansen hebben ontnomen. Stel je voor dat al die mensen in de steden waren blijven wonen. Het huidige snelgroeiende Amsterdam heeft de aderlating van de groeikernen nog steeds niet ingehaald. Er zijn ook mensen die menen dat die groeikernen door de steden zelf gewenst waren. Om de verkrotte wijken te kunnen slopen. Amsterdam zou ook voor dit beleid van ‘gebundelde deconcentratie’ zijn geweest. In zijn boek doet Hemel alsof in1984 op dringend verzoek van Amsterdam eindelijk een einde kwam aan de ‘onttakeling’ van de stad. Was het groeikernenbeleid nu alleen een idee van het Rijk of steunden de steden dat beleid ook. Hemel: Wethouder Roel de Wit wilde dat rijksbeleid volgen. Joop den Uyl wilde er als wethouder van Amsterdam nog niet aan. Joop had nog een grootstedelijke agenda. En toen kwam Roel. En toen sloeg het om. Nee, Roel was een natuurbeschermer.

Maar had de stad deze ontlasting dan niet nodig? Hemel: al sinds 1929 wordt er stelselmatig geld onttrokken aan de grote steden. Vanaf 1929 moeten zij de broekriem aanhalen. Daardoor ontstond het Jordaanoproer in de jaren 30. Er was geen bouwproductie meer in de steden. Dus zakte de economie weg. Gebeurde overal, dat afknijpen van steden, ze waren weinig geliefd. En toen gingen we de oorlog in. Moeizame wederopbouw in ‘de verzorgingsstaat’. Met allemaal nieuwe steden in de weilanden. Maar dat ging niet werken. De stad had het helemaal niet nodig. Ze raakte enorm verkrot. Vanaf 1961 zijn het richtinggevende nationale ruimtelijke nota’s die de toon zetten. Amsterdam gaat meedoen met de bouw van liefst zes new towns. Dan ga je jezelf te grave dragen. En dat gebeurt dan ook. Onder Roel de Wit wordt het alleen maar erger. We gaan woningen afbreken. En dan ontstaan er opstanden. Bakstenen door de ruiten, en de bestuurders begrijpen het maar niet. Toen ik in 1981 Amsterdam ging wonen was de binnenstad totaal verkrot. Tegenover het verkrotte Amsterdam stond het tegelwitte Emmen in de bossen. Zie je het verband? Na Roel de Wit komt de ontreddering. Han Lammers die het begon te begrijpen. Later wordt hij landdrost in Lelystad en Almere. Bizar. Het was bijna Oost-Duitsland spelen wat we deden. Beter dan Oost-Duitsland. Als ik door Nederland rijd, zie ik overal nog Oostblok-architectuur.

Twee miljoen inwoners zonder centrale planning

Ik houd Zef voor dat hij zelf nog druk heeft meegeschreven aan het Vijfde Nota over de Ruimtelijke ordening van het Rijk. Hemel: Ja, en nee. Ik ben eruit gestapt tijdens het schrijven aan de Vijfde Nota.. Ik heb wel die boxen geregeld en de kaarten. Maar die mooie kaarten hebben ze weer veranderd.
Laat duidelijk zijn: ik had het Zef niet verweten als hij wel hartstochtelijk aan die Vijfde Nota had meegeschreven. Juist omdat je toch wel centrale planning zal moeten hebben om Amsterdam te laten groeien tot 2 miljoen. Hemel: We moeten gewoon de tijd verstaan. Maar de overheid doet nog steeds domme dingen. We groeien nu weer in Amsterdam. Maar het is nog veel te langzaam. 10.000 woningen per jaar zijn nodig. En desondanks halen we die 2 miljoen. Dat soort dingen gaat nooit lineair. Groei gaat exponentieel. Dat heet een gouden eeuw. Eerst ontreddering en chaos. En dan pas gaat het bestuur begrijpen wat er aan de hand is. En eerst dan gaat het goede plannen maken. Dat gebeurde ook in de Tweede Gouden Eeuw met Berlage. Daarvoor is het nu nog te vroeg. Over tien jaar misschien gaan wij werken aan een plan voor een verdubbeling van de stad.

Is daarmee de planologie verdwenen? Planologie is volgens Zef een historisch fenomeen dat hoort bij de sociale welvaartsstaat. Het hoort bij het communistische tijdperk van de twintigste eeuw. Het hoort bij de dominantie van de staat. En dat is nu allemaal voorbij. Er komt iets nieuws. Dat lijkt dicht bij het anarchisme te zitten. Boeiend om te zien hoe steden gaan functioneren, als ze niet meer de uitvoeringsloketten zijn van de natiestaat. Steden moeten weer gaan acteren, volwassen worden. We gaan weer naar vóór 1929 en pakken daar de draad weer op.

Le Corbusier is de bad guy

Er is nog één ding dat me triggert in het boek van Hemel. Hij schrijft de modernisten weg. En toch blijft hij vriendelijk en beleefd over Van Eesteren. Waarom is hij zo blij met Van Eesteren. Dat was toch de man van de modernistische flatjes bij de Zuidas? Hemel: de bad guy is Le Corbusier. Die had geen enkele ethiek. Maar heb ik Van Eesteren in bescherming genomen? Ja, ik steun hem, maar ik neem ook afstand van hem. Ook Benevelo hoort in de vitrinekast van de vergissingen. Van Eesteren was razendknap. Maar hij werkte onder een ongunstig gesternte. In de crisis moest hij knokken en, onderbroken door een oorlog, in de wederopbouw alles heel goedkoop terugbouwen. Veel kunnen we nu afbreken. Geniaal was het, maar in de verkeerde tijd.

Ook Emmen heeft erg geleden onder de stedenbouw van de 20e eeuw. Het is een goed moment voor een slotvraag. Ben je een kind van Amsterdam of van Emmen? Hemel: Ik hou van Amsterdam, ik voel me een kind van Amsterdam. Je kan je wortels nooit verloochenen. Maar mijn liefde voor Amsterdam spreekt toch wel uit mijn boek. Amsterdam is daarin een soort van hoofdpersoon.

Waarom @ZefHemel de stad overschat

oktober 3, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

Het was een vurig pleidooi van Zef Hemel. Zo kennen we hem. Het gaat in de wereld steeds meer om steden. Vooral om grote steden. Tien miljoen inwoners is in Azië eigenlijk niets meer. Hij schreef er een mooi boek over. En de NRC gaf hem een podium om zijn pleidooi te herhalen. Nederland zou alleen kunnen meekomen als we de steden zouden laten groeien. Zef bedoelde: als we Amsterdam voortaan alle ruimte zouden geven. Door Amsterdam te laten groeien, zou Nederland misschien nog kunnen meekomen.

Wat een simpele gedachte. Maar laat ik niet kleinzerig zijn. Zef heeft een punt. Maar zijn analyse is veel te simpel.

Het is al eeuwen waar: bedrijven floreren in steden beter dan er buiten. Tenzij de nadelen van de steden groter worden dan de voordelen. Dat was het geval in de tweede helft van de afgelopen eeuw. Het was beter om buiten te wonen, dan in de vervuilde (Rotterdam) en verpauperde (Amsterdam) steden van de jaren 60 en 70. Wat ook waar is: over de langere termijn is er nog steeds sprake van urbanisatie: mensen trekken naar steden. En daarom woont nu de meerderheid van de wereldbevolking in steden. En wat ook waar is: de kenniseconomie, die de huidige welvaart schraagt, gedijt vooral in steden. Daarin geef ik Zef helemaal gelijk.

Ik deel ook zijn opvatting dat Amsterdam moet groeien. Amsterdam groeit overigens ook al heel snel zonder dat Zef en ik dat adviseren. De komende tien jaar bouwt Amsterdam er terecht 50.000 woningen bij. En daarna ongetwijfeld nog veel meer. Maar de gedachte van 2 miljoen inwoners is voorlopig een droom van Zef. Zef en ik zullen dat niet meer meemaken. Laten we niet vergeten dat Amsterdam in de jaren 60 meer inwoners telde dan het succesvolle Amsterdam van dit moment. Meer dan 900.000 inwoners. In de Pijp. in de Staatsliedenbuurt, in Watergraafsmeer. De arbeidersgezinnen van toen hadden minder vierkante meters nodig dan de yuppen van nu.

Maar die vergelijking met die Aziatische steden slaat nergens op. De NRC was zo vriendelijk, of juist zo onvriendelijk, om allemaal onmogelijke flats af te beelden bij het verhaal van Zef. Alsof dat ons voorland zou zijn. Nou, dat zal ons voorland niet zijn. En veel belangrijker: het hoeft ons voorland niet te zijn.

Want laten we eens kijken naar het gemiddelde inkomen van die inwoners van Shanghai. Het ligt de helft lager dan het inkomen van de gemiddelde Amsterdammer. En dan is Shanghai nog spekkoper in China. In al die andere grote steden in China verdient men aanmerkelijk minder. Ook interessant: in Shanghai daalt het gemiddelde inkomen, terwijl het in Amsterdam stijgt. Ja, Shanghai heeft meer dan 20 miljoen inwoners. Amsterdam zit nog steeds ruim onder de miljoen. Waarom wil Zef eigenlijk zo graag groeien?

Het antwoord is simpel: de analyse van Zef is te simpel. Nederland behoort tot de rijkste landen ter wereld. Top 10. Nederland behoort tot de innovatiefste en meest concurrerende landen ter wereld. Top 5. Wat die cijfers ook waard mogen zijn. Maar de grootste stad van Nederland telt nog geen 1 miljoen inwoners. Waarom moeten we dan dat arme China gaan kopiëren?

Het is veel interessanter om te onderzoeken waarom we ondanks het ‘gebrek’ aan grote steden zo welvarend zijn. Laat ik drie argumenten noemen.

Ten eerste hebben we een zeer goed georganiseerd land. Democratie, nagenoeg geen corruptie, uitstekend georganiseerde arbeidsmarkt (ik maak hier een internationale vergelijking en doe niet mee aan het bekende en onnozele gemopper over Nederland) en een heel hoog opgeleide bevolking.

Ten tweede zijn we sterk in ondernemerschap. En vooral in handel. En in innovatie. En handel en ondernemerschap floreren niet alleen in steden. En vooral minder dan de kenniseconomie die het volgens theorie vooral van steden moeten hebben.

Ten derde zou die variëteit in steden wel eens de kracht van Nederland kunnen zijn. Rotterdam floreerde ooit als eerste haven van de wereld. Nu trekt Amsterdam weer even de kar. Zoals vroeger Dordrecht, Middelburg en Hoorn de motor waren van de Nederlandse economie.

Het heeft dus weinig zin om achter de mode van de grote steden aan te lopen. Het is beter om van de kracht van de Nederlandse economie uit te gaan. En in dat verband is het niet onverstandig om er in Amsterdam een paar woningen bij te bouwen.

Drukte hoort bij de Triomf van #Amsterdam

april 17, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

Het is druk in Amsterdam. Te druk volgens de PvdA. En volgens veel inwoners van de stad. Wie het nieuwe Amsterdam Centraal weet te verlaten, struikelt op het Damrak al snel over de toeristen. Zelfs op een rustige zonnige zondagmorgen kan je op het Museumplein over de hoofden lopen. Voor het Anne Frankhuis staat op mooie dagen een rij van 4 uur te wachten op een korte blik op die ene Achterkamer. En niet te vergeten de ellende van de rolkoffers. Sommigen willen hun geliefde appartement al verkopen omdat de bonkende Airbnb-ers niet meer zijn te harden boven hun bed.

De PvdA grijpt de drukte aan om zich als oppositiepartij te profileren. De partij wil een einde maken aan de overlast. En de burgemeester wil al een deel van de toeristen in Rotterdam laten slapen. Maar wat is dat een misverstand! Wat een armzalig denken! Ik geef het toe, ik woon in het rustige en provinciaalse Den Haag. Ik hoor nooit iets van mijn bovenburen. Maar ik woon ook in een regio die na de crisis 18.000 banen heeft verloren, terwijl Amsterdam er 12.000 banen bijkreeg.

Laten we dus beginnen met de constatering dat de drukte van Amsterdam vooral een bijproduct is van het succes van de stad. Amsterdam past precies bij wat de nieuwe economie vraagt. Kennisinstellingen (twee universiteiten!), hoogopgeleide inwoners en veel interactie tussen al die kenniswerkers. Dat is de nieuwe trend. Daar ontstaat de innovatie, daar ontstaat de economische groei. Daar draait de motor van de nationale economie. Al die hoogopgeleide kenniswerkers willen in Amsterdam wonen omdat Amsterdam in veel opzichten een aantrekkelijke stad is. Dat de huizenprijzen daarbij torenhoog zijn kan vervelend zijn voor wie een huis wil kopen, maar het is ook het bewijs van de aantrekkelijkheid van die stad! En al die hoogopgeleiden gaan de straat op, bevolken de terrassen en voetballen op zondagmorgen op het Museumplein. Ja, dat geeft rumoer, maar het is het rumoer van de op volle toerende draaiende motor van de nationale economie. Blijf af! Leg die motor nooit het zwijgen op!

En ja, daar komen die toeristen nog eens bij. Die komen ook af op al die attracties van Amsterdam. Bijna dezelfde attracties waarom die hoogopgeleide kenniswerkers in Amsterdam willen wonen en werken. Er is wel een duidelijk verschil: toeristen leveren vooral inkomsten, hoogopgeleide kenniswerkers leveren economische groei. De laatsten zijn veel belangrijker. Maar ook de eersten leveren aangename brandstof voor de motor van Amsterdam.

De overlast is dus een bijproduct van het succes. En wie de overlast te lijf wil gaan met nostalgie speelt dan ook met vuur. Op dit moment is juist een ander beleid gevraagd, waarmee het succes van de stad wordt bestendigd. Geen stokken tussen de spaken, maar de oliespuit hanteren waar het nodig is.

Zo heeft de stad veel nieuwe woningen nodig, nu zoveel mensen in Amsterdam willen wonen. Gelukkig heeft Amsterdam vorig jaar al 8300 nieuwe woningen gebouwd. Gelukkig wil de stad 50.00 woningen bouwen tot 2025. Gelukkig heeft Amsterdam fantastische stedenbouwkundigen, die aan het IJ een prachtige stad aan het bouwen zijn. Maar dat is te weinig. Het zou me niet verbazen als Amsterdam de komende 20 jaar zeker 200.000 woningen zou moeten bouwen. In Amsterdamse stijl, dus geen kille hoogbouw, maar wel in grote dichtheden. Ook IJburg kan nog meer stad worden door verdere verdichten. Amsterdam is geen stad voor Vinex. En waarom zijn de stations in Duivendrecht en Sloterdijk zo desolaat? In de stad van Berlage en Van Eesteren moeten ze toch beter kunnen?

De stad moet ook hard werken aan de uitbreiding van het metronet, na de totstandkoming van de de Noord/Zuidlijn. Amsterdam-Zuid naar Schiphol, Amsterdam Centraal naar Isolatorweg. En let wel: hoe meer huizen in de stad worden gebouwd, hoe minder mensen met hun auto in de file hoeven te staan.
En als het te druk is bij de musea: waarom bouwt Amsterdam er niet meer? De depots van het Stedelijk en het Rijks liggen vol met kunst dat zeer de moeite waard is. Waar zijn die prachtige Anselm Kiefers van het Stedelijk gebleven? Bouw extra musea, spreidt de toeristenstromen.

Natuurlijk: de uitwassen moeten worden bestreden. Dat gedoe met Airbnb is een uit de hand gelopen. Dat moet niet worden gedoogd. Tegelijkertijd weten we dat elke transformatie met verlies gepaard gaat. En Amsterdam verkeert in een proces van transformatie. Met grote kansen op grote bloei. Laat geen onnozele hals die ontwikkeling verstoren. De politiek zou er beter aan doen om ervoor te zorgen dat al die duizenden die momenteel nog te weinig van de grote profiteren, ook in de bloei van Amsterdam gaan delen. En als Hagenaar zou ik willen zeggen: wees vooral trots op het succes van je stad.

Steden verliezen inwoners omdat ze in trek zijn

februari 23, 2016 by  
Filed under artikel

Je ziet het voor je. Het CBS heeft een nieuwe bak met cijfers. Een paar medewerkers doen hun uiterste best om er een persbericht van te maken. Waar moet het nu weer over gaan? De keuze is snel gemaakt: mensen verlaten de stad weer! De kranten nemen het allemaal grif over. Want wat van het CBS komt, dat klopt altijd.

Inderdaad: die cijfers kloppen wel. Maar hoe we de cijfers moeten duiden, en aan welke cijfers we het meeste gewicht moeten geven, daarover kan je toch echt van mening verschillen. Voor het echte begrip is het goed er enkele cijfers aan toe te voegen.

Ten eerste: het gaat hier alleen om de binnenlandse migratie. De buitenlandse migratie is even vergeten in het persbericht. Wie beide bij elkaar optelt ziet dat de grote steden geen inwoners verliezen, maar juist winnen. Vooral in Amsterdam bestaat een enorm vestigingsoverschot vanuit het buitenland. Helaas wordt niet aangegeven waar die buitenlandse instroom vandaan komt, maar het is niet gewaagd om te veronderstellen dat het hier zeker voor de helft om Westerse allochtonen gaat. Kenniswerkers, expats, etc. En om teruggekeerde autochtonen. Dat is toch even een heel ander verhaal: Amsterdam heeft een fors vestigingsoverschot.

Ten tweede: het saldo van de binnenlandse migratie is in Amsterdam en Den Haag negatief, maar in Rotterdam en Utrecht positief. Het verhaal gaat dus alleen maar op voor de eerste twee steden. Dan kan het CBS een mooi kaartje laten zien dat veel mensen vanuit Utrecht verhuizen naar Zeist, De Bilt en Nieuwegein, maar blijkbaar verhuizen er nog steeds meer mensen vanuit die gemeenten naar Utrecht.

Ten derde: het aantal geboorten overtroffen in alle grote steden het aantal sterfgevallen. Dit, opgeteld bij de migratiecijfers, betekent dat de vier grote steden in 2015 weer zijn gegroeid. Dat is toch aan ander beeld dan: ‘burgers verlaten de grote steden weer’.

Ten vierde: natuurlijk is het boeiend dat Amsterdam en Den Haag een negatief binnenlans migratiesaldo hebben, in tegenstelling tot de voorgaande jaren. Maar zoals Jan Latten in de Volkskrant ook terecht opmerkt: de woningmarkt is weer in beweging gekomen. De huizenprijzen zijn weer (fors) gestegen. Daardoor staan veel minder huizen ‘onder water’ (een hogere hypotheeklast dan de waarde van het huis). En zo kunnen mensen, die de verhuizing eerst noodgedwongen hebben uitgesteld, nu toch weer weg. Het kan hier dus ook om een tijdelijk effect gaan.

Ten vijfde: in Amsterdam zijn in 2015 ongeveer 8300 nieuwe woningen gebouwd. Desondanks is de vraag zo hoog, dat de huizenprijzen fors zijn gestegen. Daardoor is die stad voor veel mensen niet betaalbaar meer. Zelfs soms niet meer voor hoogopgeleiden die daarom genoegen moeten nemen met een huis in Amstelveen, Heemstede, Haarlem, het Gooi. Het is dus niet meteen een gewenst vertrek, maar veeleer een noodgedwongen vertrek. Dat klinkt toch anders dan: ‘mensen willen weer een tuin’. Het is dan ook volledig terecht dat Amsterdam in de komende 10 jaar 50.000 wil bijbouwen binnen de eigen gemeentegrenzen. Amsterdam loopt dus niet leeg, Amsterdam kan de vraag op dit moment gewoon niet aan.

En dat Rotterdam wel een positief migratiesaldo heeft, kan men dan ook veel minder enthousiast begroeten dan de Rotterdamse ambtenaar deed die mij de nieuwe CBS-cijfers meteen toestuurde. Verhuizen mensen naar Rotterdam omdat je daar te gemakkelijk een huis kan vinden? Ik weet niet of je daar in alle gevallen blij mee moet zijn.

#Amsterdam is de Randstad, de Randstad is Amsterdam

februari 18, 2016 by  
Filed under De Stad, Geen categorie

Het begint er steeds meer op te lijken. We hebben geen Randstad, we hebben Amsterdam. En de rest is daarvan afgeleid. Tien jaar geleden kwam het Ruimtelijk Planbureau al tot de conclusie dat de Randstad niet bestond. Conclusie: er zijn vier stadsgewesten, vier daily-urban-systems. En als er al een beweging is naar een groter geheel dan is er een trend in de richting van Amsterdam. Amsterdam was niet alleen het centrum van Nederland, maar ook bij uitstek het centrum van wat wel de Randstad werd genoemd.

Inmiddels zijn er weer allerlei nieuwe cijfers die laten zien hoe dominant die positie van Amsterdam begint te worden. Zo kan je patronen afleiden van de plaatsen waar mensen hun elektrische auto opladen. Toevallig kreeg ik daarvan een overzicht:

  • Van de mensen die zijn opgeladen in Amsterdam, laadt 78% de volgende keer weer op in Amsterdam;   7% in Rotterdam, 8% in Den Haag en 7% in Utrecht.
  • Van de mensen die zijn opgeladen in Rotterdam, laadt 51% de volgende keer weer op in Rotterdam; 28% in Amsterdam, 14% in Den Haag en 7% in Utrecht.
  • Van de mensen die zijn opgeladen in Den Haag, laadt 42% de volgende keer weer op in Den Haag; 36% in Amsterdam, 14% in Rotterdam en 7% in Utrecht.
  • Van de mensen die zijn opgeladen in Utrecht, laadt 40% de volgende keer weer op in Utrecht; 40% in Amsterdam, 9% in Rotterdam en 10% in Den Haag.

De cijfers moeten met grote voorzichtigheid worden geinterpreteerd. Mensen met elektrische of hybride auto’s zijn geen doorsnee-Nederlanders. Bovendien kan er sprake zijn van onderzoek-artifacten omdat de steden niet allemaal even ver van elkaar afliggen. Maar toch.

Het overheersende patroon is duidelijk. Als men niet in de eigen stad blijft, is de kans het grootst dat men naar Amsterdam gaat. De Randstad is geen verzameling min of meer gelijkwaardige stadsgewesten. Amsterdam steekt daar ver boven uit.

En er is nog iets: het lijkt zelfs alsof mensen in Den Haag en Rotterdam meer met Amsterdam hebben dan met elkaar. Dat idee van die Zuidvleugel lijkt geen maatschappelijke realiteitswaarde te hebben. Het moet de Metropoolregio Rotterdam-Den Haag te denken geven.

 

 

De toekomst van de stad

juli 7, 2014 by  
Filed under De Stad

Inleiding

Steden doen het goed; steden triomferen. We kunnen het overal lezen. Het is waar en het is niet waar. Er is ook hier een achterkant van het gelijk. Niet alle steden triomferen en niet iedereen in de triomferende steden profiteert van het succes. Er blijven belangrijke opgaven over. In dit artikel schets ik zes ontwikkelingen die steden raken. En maak ik zes opmerkingen over adequaat beleid. Ik bepaal me tot Nederland. En raak het recente rapport van de RLi over de toekomst van de stad slechts zijdelings aan, omdat het rapport slechts zijdelings de thematiek weet te raken.

Ontwikkelingen

  1. De steden groeien, het achterland krimpt en ook de randgemeenten verliezen terrein. Verrassend genoeg staat in Nederland het thema ‘bevolkingskrimp’ op de beleidsagenda. Van krimp is in Nederland slechts regionaal sprake, en dan betreft het ook nog kleuterkrimp. De steden, en met name de Randstad blijven groeien. Dus niet krimp, maar urbanisatie is de dominante ontwikkeling in de demografie.
  2. De wereld wordt niet flat, maar spikey. Nabijheid lijkt eerder belangrijker te worden dan minder belangrijk. In de nieuwe economische wereld zijn face-to-face contacten van groot belang. Daarom groeien de steden in plaats van te krimpen. Bedrijven gaan steeds meer op zoek naar een gunstige arbeidsmarkt en omdat het werk steeds meer om hoogopgeleiden vraagt, trekken bedrijven steeds vaker naar steden om mensen te vinden, terwijl mensen n vroeger aar de stad trokken om werk te vinden.
  3. Die triomf van de stad heeft twee gezichten. De hogere inkomens en de hoger opgeleiden leggen steeds meer beslag op de binnensteden. Door gentrification worden aanpalende wijken ingepikt. De armoede verdwijnt buiten de ring of zelfs naar de randgemeenten. Zo telt Amsterdam relatief en absoluut nog steeds meer mensen onder de armoedegrens dan Rotterdam.
  4. Werken volgt wonen niet per definitie. Als er niks te doen valt, gaan de hoger opgeleiden er niet wonen. Veel studenten verlaten Rotterdam meteen na het afstuderen. Er zijn dus ook steden zonder vliegwiel. Het lijkt een zelfversterkend proces. Zie ook de verschillen in de lokale politiek. In de achterstandssteden domineert het nationalisme, in de triomferende steden het kosmopolitisme. Achtergesteld voelen versus hoge verwachtingen.
  5. De dynamiek in de immigratie en de integratie neemt toe. De immigratie verandert van karakter. De populatie wordt diverser, het aantal nationaliteiten neemt toe en het opleidingsniveau wordt gedifferentieerder. Het aantal gezinsherenigingen neemt af. De internationale kenniswerker dient zich aan. De dynamiek in de achterstandswijken is veel groter dan vaak wordt gedacht. Het uitkeringsniveau van Rotterdam-Zuid is momenteel gelijk aan het gemiddelde van de stad, door de enorme toestroom van MOE-landers met werk in de laatste jaren.
  6. De klimaatverandering ten gevolge van het broeikaseffect wordt steeds zichtbaarder. Dat stelt steden voor nieuwe opgaven, zowel in de sfeer van adaptatie als mitigatie. Er zijn veel lokale initiatieven voor duurzame energie, maar het levert nog onvoldoende op.

Adequaat beleid

Op veel ontwikkelingen hebben de nationale en de lokale overheid weinig invloed. Dat steden wereldwijd aan betekenis winnen heeft weinig met overheidsbeleid te maken en alles met veranderingen in de economische structuur. ‘Valleys’ komen meestal bij toeval tot stand en de overheden doen er vooral goed aan om eenmaal ontstane valleys verder te accommoderen. Het betekent niet dat overheidsbeleid geen kwaad kan. Zo hebben de Nederlandse steden een achterstand opgelopen doordat de overheid te lang vasthield aan het groeikernenbeleid en aan een minimum van 80% sociale huur bij nieuwbouw (tot in de jaren 90!). In de sfeer van het accommoderen is de opgave overigens groot. Ik geef zes overwegingen.

  1. Hoewel Amsterdam al enige jaren (hard) groeit zonder dat er een woning wordt gebouwd (hetgeen kan duiden op een nieuwe trend van gezinsverdichting), is het realistisch om uit te gaan van een omvangrijke behoefte aan nieuwe woningen. Er moet meer ruimte komen voor hogere inkomens, maar ook voor doorstromende migranten. En er moet ruimte blijven voor kansarmen. De woningcorporaties hebben zichzelf gedeeltelijk uitgeschakeld, het rijk stopt met het subsidiëren van nieuwbouw. De lokale overheden moeten nog veel grondposities afwaarderen. En de overheid doet er goed aan om burgers zelf te laten beslissen waar en hoe ze willen wonen. De lokale overheid heeft een belangrijke accommoderende rol: laat de stad organisch groeien binnen heldere stedebouwkundige kaders. Kantoren zijn mooie objecten voor vernieuwbouw. De gemeente als aanjager in plaats van struikelblok.
  2. Verdere verbetering van het klimaat voor de slimmen en de rijken is nodig om de stedelijke arbeidsmarkt verder te versterken. Op cultuur heeft de overheid enige invloed middels subsidies. Het aantrekken van onderwijsinstellingen (zoals Den Haag op knappe wijze delen van de Universiteit Leiden uit Leiden losweekt en Almere een HBO aan zich wist te binden) kan veel betekenen. Net zoals ruimte voor jonge ondernemers en een verdere versterking van de eigen identiteit. Maar Amsterdam is de laatste decennia niet gaan floreren en Rotterdam is niet achtergebleven omdat het Amsterdamse stadsbestuur zoveel beter was dan het Rotterdamse. Soms heb je gewoon geluk en moet je het geluk niet in de weg gaan staan. Als veel starters behoefte hebben aan bedrijfsruimte, komt die ook wel vanzelf. En het proces van gentrification is nog nergens ter wereld door de overheid geïnitieerd.
  3. Het idee van borrowed size, dat ook zo’n centrale plaats inneemt in het RLi-advies over de stad, roept bij mij vooral verbazing op. Het idee is tamelijk simpel: als mijn stad te klein is, word ik dan niet groter als ik het inwonertal van de naburige stad erbij op mag tellen? Het doet me denken aan het dolle plan om de universiteiten van Leiden, Rotterdam en Delft onder één holding te brengen. Natuurlijk, die ene universiteit scoort op de lijstjes met artikelen en citaties hoger dan één van de oude drie, maar het geheel is zonder verdere integratie nooit meer dan de som der delen! De economie van Rotterdam wordt ook niet beter als het bestuur van de stad een samenwerkingsovereenkomst sluit met Den Haag, met Amersfoort of met Groningen. De economie van Rotterdam wordt alleen beter als de stedelijke arbeidsmarkt in Rotterdam aantrekkelijker wordt. Bereikbaarheid kan daarbij helpen. Dus als de vervoersverbindingen tussen Den Haag en Rotterdam (nog!) beter zouden worden, zou de Rotterdamse arbeidsmarkt van de Haagse kunnen profiteren. Maar dat heeft niets met borrowed size te maken, maar alles met het versterken van agglomeratie-effecten.
  4. De grootste opgave voor triomferende steden ligt niet bij de triomf, maar bij al degenen die de triomf van de eigen stad niet meemaken. Uiteindelijk gaat de ongelijkheid ten koste van de welvaart, ook in de steden. De kosten van de armoede en de werkloosheid drukken op de stad als geheel. En waar kansarmen kansen worden onthouden, missen we kansen om de stedelijke arbeidsmarkt te versterken. Misschien vragen de mensen in de achterstandswijken daarom wel veel meer aandacht van het stedelijk bestuur dan de kenniswerkers uit de binnenstad. Voor mij gaat het daarbij meer om de mensen dan om de wijken. Arrival neighborhoods zullen altijd laag scoren. Het gaat erom dat mensen uit de achterstandswijken zich kunnen ontwikkelen en hun wijk voor een betere kunnen inruilen. Wie het beleid te zeer op de wijk richt, loopt bovendien het gevaar dat de wijk te duur wordt voor de oorspronkelijke bewoners. In de wereld van waterbedden en roltrappen hebben mensen meer aan een opleiding en een baan dan aan een hogere huur bij een lage uitkering.
  5. Waar de triomferende steden bijna vanzelf lijken te groeien en te bloeien, zijn onorthodoxe maatregelen nodig om de achterstandssteden een positieve wending te laten maken. In dat opzicht is het maar de vraag of Heerlen de wiet-bijverdienste van de bevolking zo dringend moet bestrijden. Ook de Tilburgse bevolking kan die miljoenen goed gebruiken. Het wordt er niet beter op dat de nieuwe lokale elite in de achterstandssteden zo gefocust is op veiligheid en het gebrek aan integratie. Je maakt een stad niet aantrekkelijker door steeds te roepen dat je ‘alle slechte lijstjes aanvoert’. Gratis kluswoningen zijn een beter alternatief. En regelvrije zones en sectoren. Wat zou studenten van de Erasmus, van de Universiteit Tilburg en van de Universiteit Twente kunnen doen besluiten om hun stad niet meteen na het afstuderen te verlaten. Sta alles toe wat God aanvankelijk heeft verboden. En rechtsgelijkheid is alleen mooi als je je dat kan permitteren.
  6. De duurzaamheid gaat niet vanzelf. Zelforganisatie en ‘energieke samenleving’ zijn nogal eens schaamlappen van een overheid die zelf te weinig doortast. In de big society kiest de overheid ervoor om zich over veel zaken geen zorgen meer te maken. In ons geval hoopt de overheid dat zelforganisatie een oplossing biedt waar zij zelf tekort schiet. De boeiende vraag luidt: waarom zou de overheid zich bezighouden met zaken die de samenleving geheel zelf kan oplossen? Mijn antwoord is simpel: alle maatschappelijke belangen die door de samenleving worden bediend, hebben geen overheidsbemoeienis nodig. En omgekeerd: als er overheidsbemoeienis nodig is, kan de samenleving het alleen niet aan. De overheid doet er beter aan burgers en bedrijven die op weg zijn naar duurzaamheid, actief te helpen door het wegnemen van juridische belemmeringen.

 

[Deze tekst verscheen in de S+RO-special ‘Crisis voorbij’, S+RO, 2014/4, pp 20-23]

Het centrum van Amsterdam

november 1, 2013 by  
Filed under De Stad

De overheid staat vaak met de neus vooraan en wekt nogal eens de indruk dat er niets kan zonder dat zij dat heeft gewild. Gelukkig is het anders. Zelfs op het terrein van de ruimtelijke ordening, een beleidsterrein met van oudsher een hoog ambitieniveau. Laat ik op dit laatste terrein een mooi en interessant voorbeeld noemen: de Zuidas. Daar heeft zich in een paar decennia een economisch zeer aantrekkelijk gebied ontwikkeld. In de directe nabijheid van Schiphol én toch Amsterdam, met uitstekende verbindingen, wordt de snelweg inmiddels omzoomd door hoge en soms zeer fraaie gebouwen. Een nieuw economisch hart  klopt tegenwoordig  aan de Zuidas. Het opvallende is dat de kredietcrisis dat niet heeft veranderd. De financiële sector mag klappen hebben gekregen, de Zuid-As heeft zich geheel staande gehouden. Terwijl overal kantoren leeg staan, is de leegstand aan de Zuidas gering. Het zijn vooral kleinere internationale bedrijven die de plek van de terugvallende financiële sector hebben ingenomen.

Toch was die hele Zuidas nooit ontstaan als het aan het gemeentebestuur van Amsterdam had gelegen. Dat bestuur zetten alles op de IJ-oevers. Met een indrukwekkend ontwerp van Rem Koolhaas schetste de gemeente Amsterdam in de jaren 80 haar nieuwe toekomst aan het IJ. Daar zouden de nieuwe bedrijven moeten komen. Het bedrijfsleven beschikte echter anders. ABN AMRO, dat indertijd zijn hoofdvestiging nog had aan de Vijzelstraat, koos voor nieuwbouw aan de A10, later Zuidas geheten. Het gemeentebestuur stribbelde fors tegen. Pas onder het dreigende vertrek van ABN AMRO naar Rotterdam ging het gemeentebestuur overstag. Snel volgden andere bedrijven naar de Zuidas, dat voor het bedrijfsleven veel attractiever was dan de IJ-oevers met hun slechte verbindingen. Niet het gemeentebestuur bepaalde de ruimtelijke ontwikkelingen; nee, die werden bepaald door maatschappelijke trends.

Wat er in Amsterdam gebeurde met de Zuidas, is niet uniek. In alle wereldsteden zien we vergelijkbare ontwikkelingen. Geografen spreken in dit verband zo mooi over de overgang van de monocentrische naar de polycentrische stad. Waar vroeger alle belangrijke functies, ook de economische, zich concentreerden in de binnenstad, heeft tegenwoordig bijna elke functie haar eigen ‘centrum’. Funshoppen in de binnenstad, runshoppen aan de rand van de stad, zakelijke dienstverlening in het economische hart, terwijl cultuur zich weer op andere plekken concentreert. De gedachte van een economisch hart langs de IJ-oevers, in de directe nabijheid van het oude centrum, was dus al achterhaald op het moment dat zij werd verwoord. Kijk naar La Defense in Parijs en naar de Docklands in Londen. Kijk naar Alexandrium bij Rotterdam (dat momenteel overigens moeilijke tijden doormaakt), de nieuwe bedrijven rondom de Brieneroordbrug en de wegblijvende bedrijven op de Kop van Zuid. Steden fragmenteren, er ontstaan meerdere centra.

Het gemeentebestuur van Amsterdam heeft er goed aan gedaan om deze ‘deconcentratie van functies’ niet tegen te gaan. Ze heeft er ook goed aan gedaan om de verdere ontwikkeling van de Zuidas met enthousiasme te begeleiden. Al kan men misschien ook te enthousiast zijn. De overheid heeft immers grootse plannen om de Zuidas een enorme impuls te geven door de snelweg (en wellicht later ook de trein en de metro) onder de grond te brengen. Daarmee zou een nieuw stadshart moeten ontstaan. Woningen, winkels, theaters; er werd een aantal jaren geleden zelfs al over een nieuw museum voor hedendaagse kunst gesproken. Maar dreigt de lokale overheid daarmee niet dezelfde fout te maken van weleer door van het nieuwe economische centrum meteen een compleet nieuw stadshart te willen maken? Vanuit die achterhaalde gedachte dat een centrum alleen een centrum is als alle functies samenkomen? Bovendien gaan de ruimtelijke ontwikkelingen door. Het is heel goed denkbaar dat Schiphol City in de toekomst voor veel bedrijven nog aantrekkelijker zal worden, en misschien wel aantrekkelijker dan de Zuidas. Of gaat rondom Schiphol weer een cluster van andersoortige bedrijven ontstaan? Naast die andere clusters van bedrijven, op verschillende plekken in de stad.

Stadsvernieuwing aan het IJ

augustus 28, 2013 by  
Filed under De Stad

Amsterdam opent zich naar het IJ

Amsterdam vernieuwt, de stad opent zich weer naar het IJ. Na het Oostelijk Havengebied volgden Oostelijke Handelskade, Oosterdok en Westerdok. Het Centraal Station is nog een bouwput, maar vormt straks een drukke toegangsweg naar het water. Aan de overkant gaan de ontwikkelingen rondom het nieuwe Eye razendsnel. De pont over het IJ gaat niet meer naar Noord-Holland, maar naar het nieuwe Amsterdam. Hoe indrukwekkend de ontwikkelingen aan de Zuid-As ook zijn, hier aan het IJ word ik echt gelukkig van stedebouw. Het past bij het bestaande én het voegt veel waarde toe.

Weinig buitenstaanders, laat staan buitenlanders, zullen begrijpen dat je deze fantastische ontwikkeling geen ‘stadsvernieuwing’ mag noemen. Stadsvernieuwing associëren we met het opknappen van de oude arbeiderswijken uit de negentiende eeuw. Stadsvernieuwing is jaren 70 en 80. Het is gedateerd. Daarom is het zo boeiend dat we daar toen even enthousiast over waren als nu over de IJ-oevers. Maar de verschillen zijn enorm. Lees het interessante boek van Herman de Liagre Böhl over stadsvernieuwing (Steden in de steigers) en het boeiende boek van Anne Schram en anderen over de ontwikkeling aan de IJ-oevers (Amsterdam terug aan het IJ). Twee totaal verschillende boeken over twee totaal verschillende ontwikkelingen in twee totaal verschillende perioden.

De naoorlogse sanering en krotopruiming

In de stedelijke ontwikkeling kunnen we na de Tweede Wereldoorlog drie duidelijke perioden onderscheiden, met name als we oog hebben voor de morfologie van de stad. De naoorlogse periode stond in het teken van de wederopbouw. De economie was allesbepalend. De stad moest letterlijk ruim baan maken voor economische ontwikkeling. Grote wegen moesten worden aangelegd, ook in de steden. Verkeersdoorbraken waren daarbij noodzakelijk en onvermijdelijk. Tegelijkertijd stond de ‘revolutiebouw’ uit de 19e eeuw er zeer slecht bij. Sanering en krotopruiming werden als de enige oplossing aangeprezen. Het Rijk stimuleerde de steden met allerlei geldstromen om hun krotten te saneren. Vanaf de jaren 60 was dit beleid gekoppeld aan een grootse ontwikkeling van groeikernen, op enige afstand van de steden. Het was begrijpelijk dat de inwonertallen van de steden in die decennia hard terugliepen. Het modernisme was dominant: scheiding van functies (wonen, werken, verkeer) en het streven naar ‘licht, lucht en ruimte’ voor iedereen. De samenleving was geheel maakbaar en aan de betrokken burgers werd weinig gevraagd. Het was wellicht een ‘autoritair’ beleid, maar het kwam voort uit een goed hart…

Jane Jacobs en de kleinschaligheid

In het begin van de jaren 70 zou dit beleid in korte tijd geheel worden omgebogen. De jaren 60 waren heftig geweest. Autoriteiten verloren hun automatische gezag en bewoners eisten zeggenschap over hun eigen buurt. Dat het hier vaak ging om studenten, deel uitmakend van de naoorlogse babyboom, mag duidelijk zijn. Ook in de politiek maakten de oude elites plaats voor nieuwe. Nieuw Links nam de macht over in de PvdA. In Rotterdam behaalde de PvdA in 1974 een absolute meerderheid in de gemeenteraad. Jan van der Ploeg, een oud-gediende die soepel was meegebogen met de revolte van Nieuw Links, kreeg de belangrijke portefeuille Volkshuisvesting. Hij werd de peetvader van de stadsvernieuwing in Nederland. In 1978 werd Jan Schaefer de grote man van de stadsvernieuwing in Amsterdam, nadat hij zelf al als staatssecretaris in het kabinet Den Uyl op landelijk niveau de bakens had verzet (‘In geouwehoer kan niemand wonen.”) Overigens was het Roel van Duijn die al in 1969 in de gemeenteraad van Amsterdam pleitte voor de stadsvernieuwing zoals die onder Jan Schaefer gestalte kreeg. Binnen veel steden nam de dienst Volkshuisvesting de leiding over van de Dienst Stedelijke ontwikkeling, die nog te veel vastgebakken zat aan krotopruiming en verkeersdoorbraken. Ook het denken over stedelijke ontwikkeling maakte een enorme omslag door. Jane Jacobs werd met haar zoektocht naar kleinschaligheid de dominante denker.

Voortaan moesten huizen niet meer worden gesloopt, maar worden opgeknapt. En waar sloop toch onvermijdelijk was, moest in dezelfde stijl worden herbouwd. Eigenlijk was het geen ‘vernieuwing’, maar ‘groot onderhoud’. De stad moest niet worden vernieuwd, maar worden gerepareerd. Dat impliceerde ook dat te kleine huizen tot grotere eenheden moesten worden samengevoegd. En dat speelveldjes en pleintjes meer licht en lucht moesten brengen in die oude negentiende-eeuwse wijken. Het was een grote omslag: geen sloop meer maar behoud, geen nieuwbouw meer maar verbouw. Dit onder het fraaie adagium ‘bouwen voor de buurt’. Want niet alleen de huizen moesten worden behouden, ook de bewoners. Het was een zegen voor veel steden, waar de sanering en de sloop al veel had kapot gemaakt. En waar gemeentebesturen vaak geen idee hadden hoe ze van de gesloopte wijken weer een stad moesten maken. Tot op de dag van vandaag herinneren veel parkeerplaatsen aan de sloop van de jaren 50 en 60.

Herman de Liagre Böhl laat in zijn boek helder zien waar de verschillen liggen tussen de de naoorlogse periode van sanering en krotopruiming en de periode van de stadsvernieuwing. Ik vertel het in mijn eigen woorden na.

(1) De naoorlogse periode stond in het teken van ‘orthodoxe’ planning: hoe gaan we om met de krachtige bevolkingsontwikkeling en met de enorme groei van het autobezit, Groeikernen, nieuwe wegen, ontsluiting van steden werden als oplossing gepresenteerd. We kunnen ook zeggen: de (veronderstelde) behoeftes van toekomstige burgers stonden centraal. In de periode van de stadsvernieuwing kwam de ‘communicatieve’ planning op. De de bestuurders probeerden werden gedwongen om in gesprek te gaan met de bewoners. Het beleid ging aansluiten bij (werkelijke) behoeftes van de huidige bewoners.

(2) In de periode na de oorlog stond alles in het teken van het faciliteren en bevorderen van de economische groei. Dus ook de stedebouw. En omdat er weinig geld was stond ook bij alle concrete plannen het economisch profijt voorop. In de tweede periode ging het hoogstens om het behoud van economisch zwakke functies. En omdat de verzorgingsstaat inmiddels op volle toeren draaide, was er schijnbaar volop geld.

(3) Het modernisme was erg dominant In de naoorlogse periode: functies moesten zoveel mogelijk worden gescheiden. Dat gold in de steden met name voor wonen, werken en mobiliteit. Vanaf de jaren 70 werd juist het mengen van functies het uitgangspunt. Waar eerst ambachten en wonen zoveel mogelijk moesten worden gescheiden, moest vanaf 1970 juist de bedrijvigheid in de wijk worden behouden (hetgeen bij de stadsvernieuwing overigens lang niet altijd is gelukt). In de eerste periode moest het stadscentrum vooral een ‘city’ worden voor het bedrijfsleven, in de tweede periode een ontmoetingsplaats voor alle mensen.

(4) Misschien was wel het meest kenmerkende verschil tussen de twee perioden dat grootschaligheid moest wijken voor kleinschaligheid. De grootste gebaren van de verbreding van de Wibautstraat, waarop tot op vandaag nog geen antwoord is gevonden, werden vervangen door de kleinschalige en gevarieerde aanpak van de Jordaan.

Grote, soms averechtse gevolgen

De gevolgen waren enorm. Gedurende de 8 jaar van het wethouderschap van Jan Schaefer bouwde Amsterdam 30.000 woningen en werden er 70.000 opgeknapt. Ook in veel andere steden werden grote successen geboekt. De kwaliteit van de volkshuisvesting nam fors toe. Buurtbewoners waren overal nauw bij de plannen en de uitvoering daarvan betrokken. Toch is er achteraf gezien weinig terechtgekomen van het adagium ‘bouwen voor de buurt’. Er is wel met de buurt gebouwd, maar niet voor de buurt. Het bleek dat de vernieuwde wijken voor veel bewoners toch onvoldoende aantrekkelijk waren. De gezinnen bleven wegtrekken naar de groeikernen en de bejaarden vertrokken naar verzorgingstehuizen. In veel wijken werden hun plaatsen ingenomen door jongeren en door allochtonen. Tenzij er sprake was van gentrification: gaandeweg wordt een wijk overgenomen door mensen met hogere inkomens die door hun investeringen de wijk nog interessanter maken voor andere hogere inkomens. Mooie voorbeelden van dit laatste fenomeen zijn de Jordaan en de Pijp. De Jordaan was in 1955 nog de armste wijk van Amsterdam. Het is moeilijk voorstelbaar in de huidige tijd. Het is ook moeilijk voorstelbaar dat er in de jaren 60 hele concrete plannen waren om tweederde van de bestaande woningen in de Jordaan te slopen, grote doorbraken te realiseren en de Rozengracht naar het model van de Wibautstraat te renoveren. Het merendeel van de stadsvernieuwingswijken werd echter niet het domein van de yuppen, maar van de allochtonen (zie Rotterdam, Den Haag, en bijvoorbeeld ook de Dapperbuurt en de Indische buurt in Amsterdam).

Achteraf gezien valt nog een aspect van de stadsvernieuwing op: de matige architectonische kwaliteit. De stadsvernieuwing was groots en meeslepend als het ging om aantallen, om activiteit, om behoud van de bestaande stad. Maar er werd niet veel architectonische meerwaarde gecreëerd. Bijna onopvallend werden open kavels weer ingevuld met eenzelfde soort woning. Alles wat scheef stond werd weer rechtop gezet. Maar de vernieuwing werd niet aangegrepen om nieuwe architectuur een kans te geven. Den Haag en Maastricht vormden daarop een uitzondering, wellicht ook omdat ze geen voorlopers waren op het gebied van de stadsvernieuwing. Adri Duivesteijn haalde de Portugees Siza naar zijn stad, en liet Jo Coenen een (prachtig) masterplan maken voor de Vaillantlaan. Coenen was ook in Maastricht actief. Maar het waren uitzonderingen. De wijken die in de jaren 70 en 80 in Rotterdam zijn gerenoveerd, zijn nu al weer deels onder de slopershamer verdwenen. Ook omdat de bouwkundige kwaliteit soms te wensen overliet.

Amsterdam terug aan het IJ

Hoe anders was de vernieuwing van de stad vanaf de jaren 90. Heel kenmerkend is wat de auteurs van ‘Amsterdam terug aan het IJ’ daarover schrijven: “Antistedelijke sentimenten domineerden het ruimtelijk denken in de jaren zeventig, maar vanaf ongeveer 1980 werd de stad herontdekt.” Het behoud van de bestaande stad, toch de kern van de stadsvernieuwing, werd hier geschaard onder ‘antistedelijke sentimenten’. Na de eruptie van de stadsvernieuwing werd ‘stedelijk’ weer synoniem aan groei, aan groots. Aan hoogbouw ook. De omslag in denken ging overigens geleidelijk. Zo konden de twee paradigma’s in de jaren 80 heel goed naast elkaar bestaan. Terwijl de stadsvernieuwing op Zuid en in het Spangen nog in volle gang was bouwde Rotterdam al weer aan het Weena en aan de Boompjes hoge torens voor wonen en werken.

Maar na 1990 was de tijd van de ‘oude’ stadsvernieuwing echt voorbij. Het werken aan de oude wijken kreeg een vervolg in sociale vernieuwing en later in het grotestedenbeleid. Het accent kwam te liggen op de sociale maatregelen, als aanvulling op de fysieke veranderingen. En de vernieuwing van de stad ging weer over nieuwbouw in plaats van verbouw. Het Oostelijk Havengebied in Amsterdam is voor mij wat dat betreft een icoon. Een icoon van een omslag in het denken, een icoon ook van geslaagd beleid.

Waarom? Het Oostelijk Havengebied kenmerkt zich door een hoge dichtheid van woningen (de dichtheden zouden in Westerdok later nog veel hoger liggen). Er kon pas in het Oostelijk Havengebied worden gebouwd nadat een slimmerik had bedacht dat je aan de eisen van de provincie voldeed als je het oppervlakte van het water van de vele grachten en havens meetelde bij de berekening van het aantal woningen per ha. Dus geen suburbaan bouwen in de periferie van de stad, maar gewoon hoog-stedelijk. Dat was nieuw.

Daarnaast bestond het Oostelijk Havengebied maar voor een relatief klein deel uit sociale woningbouw. Hier werd nadrukkelijk ook gebouwd voor middeninkomens en hoge inkomens. Omdat inmiddels duidelijk was geworden dat steden hun functie als motor van de economie slechts kunnen waarmaken als er voldoende plaats wordt geboden aan al die broodnodige hoogopgeleiden. Het discours was weer fundamenteel economisch van aard: terwille van de welvaart, moesten er woningen voor hogere inkomens worden gebouwd.

Zo contrasteerde ook de derde periode van stedelijke vernieuwing met de voorgaande periodes:

(1) Evenals in de naoorlogse periode is de stedelijke vernieuwing in de recente periode weer in hoge mate economisch gedreven. Aanvankelijk dacht men daarbij in Amsterdam vooral aan het scheppen van banen. Nieuwe bedrijven zouden de kantoren aan het IJ gaan bevolken. Inmiddels is duidelijk dat de Zuid-As die functie heeft gekregen (de ABN-AMRO dreigde zelfs Amsterdam te verlaten als binnen de stad alleen een verhuizing naar de IJ-oevers een optie was). En zijn de IJ-oevers wellicht nog belangrijker voor de stedelijke economie geworden: als plek om te wonen en te vertieren voor hoogopgeleide inwoners. Daarin wijkt de derde fase ook af van de eerste fase: de eerste twee fasen waren vooral gericht op het verbeteren van de fysieke omstandigheden van ‘arme mensen’, de derde periode komt zeker ook de hoge inkomens ten goede.

(2) De periode van de stadsvernieuwing stond in het teken van de verbouw, de recente periode weer in het teken van de bouw. Architecten, bij voorkeur stararchitects, hebben daar een belangrijke rol in. Vernieuwende architectuur speelde nauwelijks een rol in de stadsvernieuwing, op enkele uitzonderingen na. Bij de ontwikkeling van IJ-oevers speelde Rem Koolhaas aanvankelijk een grote rol; later hebben vele andere architecten van naam aan de plannen getekend. Voor de Wilhelminapier in Rotterdam hebben Piano, Forster, Mecanoo, Siza en Koolhaas gebouwen ontworpen. Ook in de naoorlogse jaren vervulden architecten een grote rol, zij het dat het zoeken naar grote namen in het buitenland nog niet in de mode was. Zij leken echter geen enkel ontzag te hebben voor de bestaande situatie en voor de historische context. Terwijl de periode van de stadsvernieuwing alleen maar oog leek te hebben voor de bestaande situatie en experimenten leek te verafschuwen, wordt in de derde fase een interessante tussenweg bewandeld: echte stedelijke vernieuwing in de context van de stad zoals die door de eeuwen heen is ontstaan.

(3) Ten slotte zie je de rol van de overheid in de drie fasen prachtig verschuiven. In de eerste fase stond de maakbaarheid van de samenleving voorop. De overheid had het beste met de burger voor en zolang de burger niet protesteerde, wás die stedelijke samenleving ook aardig maakbaar. In de jaren 60 veranderde dat en in de jaren 70 kon de stadsvernieuwing alleen in samenspraak met de buurtbewoners en corporaties een succes worden. Maar er werden bij voorkeur nog steeds grootse, alomvattende plannen gemaakt voor hele buurten. En het fysieke programma werd later nog uitgebreid met andere pijlers van het grotestedenbeleid (sociaal, veiligheid). Voor het welslagen van de vernieuwing van de stad na 1990 zijn marktpartijen echter onmisbaar. Daarbij is er niet meer een allesomvattend plan, maar eerder een helder idee en een incrementele strategie. De realisatie van het grootse idee is geheel afhankelijk van de interesse van marktpartijen. Zo zijn aanvankelijk alleen het NEMO (van architect Renzo Piano) en de Silodam (MVRDV) de belangrijkste ‘ankers’ voor de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. In de laatste fase spelen naast marktpartijen ook culturele ondernemers een grote rol. Denk aan Jan Wolff van de IJsbreker die het Muziekpaleis aan het IJ heeft weten te realiseren. Denk aan Hans van Velzen die als directeur van de Openbare Bibliotheek verantwoordelijk was voor één van de nieuwe centrale plekken van het Oosterdok.

Na een derde periode komt een vierde

Hoe geslaagd die derde periode in mijn beleving ook is, er zullen weer nieuwe periodes komen. Met een andere rolverdeling, met een andere schaal, met een andere filosofie, met andere doelstellingen. In een andere tijd. En wellicht zijn we daar dan weer net zo enthousiast over. In ieder geval is de stad nooit af.

Hoe de PvdA in de stad overeind bleef

juni 22, 2013 by  
Filed under De Stad

Nog steeds heeft de PvdA in veel steden een bepalende plaats in het bestuur. Eigenlijk is dat minder logisch dan je op het eerste gezicht zou denken. De PvdA was altijd heel dominant op sociaal en ruimtelijk gebied. Maar op beide terreinen is het beleid in de laatste twee decennia sterk veranderd en heeft het aloude sociaal-democratische geluid aanzienlijk aan kracht ingeboet. Zijn de PvdA-wethouders zo goed, dat ze desondanks in veel steden de macht hebben kunnen vasthouden?

Eerst was er Rotterdam, nu vooral Amsterdam

Ergens aan het einde van de 20e eeuw heeft de omslag definitief zijn beslag gekregen. In de jaren ’50 was Rotterdam het summum van moderniteit. Het stadsbestuur werd geroemd om de wijsheid waarmee de gebombardeerde binnenstad werd herbouwd. Over de haven ging het verhaal dat juist de totale vernietiging door de Duitsers de haven wereldwijd een voorsprong had gegeven. Nergens waren de kranen nieuwer, sterker en groter. En nergens groeide de economie zo hard als in Rotterdam.

Amsterdam verkeerde in een heel andere positie. De stad was arm, aan de grachten woonden heel gewone Amsterdammers, de Jordaan was een achterbuurt en er waren plannen om grote doorbraken te realiseren om het toekomstige verkeer alle ruimte te kunnen geven. Jaloers werd ook in dit verband naar Rotterdam gekeken. Overigens werd alleen de doorbraak van de Wibautstraat gerealiseerd. Natuurlijk kon men het in Amsterdam maar moeilijk toegeven, maar niemand kon er omheen: Rotterdam deed het in die naoorlogse jaren veel beter dan Amsterdam.

Zoals gezegd, het moment van de omslag laat zich moeilijk bepalen. Maar aan het einde van de 20e eeuw had het beeld zich inmiddels geheel gewijzigd: Amsterdam was de trekker van de Nederlandse economie en Rotterdam sukkelde er op steeds grotere afstand achteraan. Deze omslag is geenszins toe te schrijven aan een verschil in kwaliteit van de twee gemeentebesturen. Nee, ‘it is economy, stupid’. De structuur van de economie is in de tweede helft van de 20e eeuw ingrijpend veranderd. In de jaren 50 domineerden industrie, transport en handel. Aan het einde van de eeuw was de industrie verschoven naar de randen van het land, was de transport weliswaar nog heel belangrijk, maar was tegelijkertijd de werkgelegenheid in de Rotterdamse haven gedecimeerd en dreef de Nederlandse economie vooral op de zakelijke dienstverlening. Velen spraken in dit verband over de nieuwe kenniseconomie. Een economie die niet meer was gebaseerd op grondstoffen, laat staan op landbouw, maar bovenal op kennis.

De plek van de stad

Deze veranderingen in de economische structuur hadden grote gevolgen voor de steden. Vroeger waren steden vooral ontstaan in de buurt van de grondstoffen of juist op plekken waarheen de grondstoffen zich lieten vervoeren. En waar eenmaal een ‘stad’ was, een economisch centrum, daar kon worden geprofiteerd van het vliegwiel van de de zogenaamde agglomeratie-effecten: voor veel bedrijven is het aantrekkelijk om zich te vestigen op plekken waar al veel andere bedrijven zijn gevestigd. Het zijn ook de plekken waar mensen naartoe trekken, die op zoek zijn naar werk. En omdat ook deze nieuwkomers weer afnemers zijn, groeit de stedelijke economie en wordt de stad nog aantrekkelijker voor nieuwe bedrijven.

Was het eerst vooral de bereikbaarheid over water, spoor en weg, die steden aantrekkelijk maakte voor bedrijven (waardoor het aanvankelijke veel kleinere Rotterdam het trotse Amsterdam in de 20e eeuw begon te overvleugelen, omdat de Nieuwe Waterweg veel meer kansen bood dan het Noordzeekanaal met zijn sluizen), later was vooral bevolkingsdichtheid de trigger voor economische groei. Bedrijven zaten vooral in steden om van een mooi afzetgebied verzekerd te zijn. En werknemers trokken naar steden om van een baan verzekerd te zijn. Dat laatste veranderde in de jaren 90 van de afgelopen eeuw met de komst van wat ‘kenniseconomie’ is gaan heten. Steeds vaker gingen bedrijven zich vestigen in een (stedelijke) omgeving vanwege een florerende arbeidsmarkt en de aanwezigheid van een potentieel aan goede werknemers. Of ontstonden bedrijven waar hoogopgeleide kenniswerkers woonden. In het jargon van de economische wetenschap heet dat: terwijl ‘wonen’ vroeger ‘werken’ volgde, volgt ‘werken’ tegenwoordig ‘wonen’. Natuurlijk, het is een simplificatie, maar in de kern is de gedachte juist.

Voor een bloeiende lokale economie is het tegenwoordig dus belangrijker om in te zetten op een goed-opgeleide bevolking dan op het aantrekken van bedrijven. Als je de gewenste beroepsbevolking hebt, komen de bedrijven meestal vanzelf. Om nog even terug te keren naar onze casus: Rotterdam scoorde altijd al minder op het opleidingsniveau van de bevolking dan Amsterdam. De haven had indertijd vooral handarbeiders aangetrokken uit onder andere Brabant en Drenthe. En de relatie met de universiteit was in Rotterdam nooit zo intens geweest als in Amsterdam, dat bovendien over twee veel oudere universiteiten beschikte. Een andere factor is hier misschien van nog veel groter belang. Als mensen niet meer gaan wonen waar bedrijven zijn, maar vooral daar waar ze zich prettig voelen, dan scoort een stad als Amsterdam bijna vanzelfsprekend hoger dan Rotterdam. De hedendaagse hoogopgeleide bevolking woont, zo blijkt, liever in historische binnensteden met een breed scala aan cultuur dan in de modernistische hoogbouw van Rotterdam dat cultureel bovendien altijd minder te bieden heeft gehad dan Amsterdam.

Daarmee veranderen ook de mogelijkheden voor gemeentelijk beleid. Vroeger moesten gemeenten zich vooral onderscheiden met moderne bedrijventerreinen of met ruimtes voor starters. En moesten burgemeesters (en soms wethouders) op stap, bij voorkeur naar het buitenland, om bedrijven te ‘acquireren’. De geschiedenis van Rotterdam laat mooi zien wanneer dit beleid achterhaald was. In de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw was Rotterdam heel actief met hoogbouw in het centrum van de stad, met name om nieuwe bedrijven aan te trekken. Eerst op de Boompjes, later op het Weena en op de Wilhelminapier. Die hoogbouw kwam er, soms veel later dan gepland, maar die nieuwe bedrijven kwamen niet. De hoogbouw werd uiteindelijk betrokken door bedrijven en ambtelijke diensten die al jaren in Rotterdam waren gevestigd. Nee, die nieuwe bedrijven kwamen niet, omdat de Rotterdamse beroepsbevolking simpel te weinig te bieden had. In Amsterdam kwamen de bedrijven wel, overigens wel op de plek die ze daarvoor zelf in gedachten hadden. Nadat de gemeente eerst plannen had ontwikkeld voor de IJ-oevers, werd later onder druk van het bedrijfsleven een belangrijke locatie langs de Zuid-as ontwikkeld.

Steden zijn meer dan ‘economie’

Steden trekken niet alleen bedrijven, maar ook sociale problemen aan. In dat opzicht is er in eeuwen niets veranderd. De anonimiteit en de geestelijke vrijheid van de steden bieden niet alleen kansen voor innovatie, maar ook kansen om je te verschuilen en kansen voor criminaliteit. Immigranten vestigen zich bij voorkeur in steden, zeker als het om illegale migranten gaat. Kansarm als ze zijn, zijn ze aangewezen op de zwakkere buurten, de achterbuurten van de stad. En dat fenomeen deed zich in de jaren 90 met de komst van veel migranten in versterkte mate voor. Hele wijken werden in snel tempo overgenomen door nieuwkomers. De autochtone Nederlanders waren naar andere wijken verkast of naar de groeikernen op soms grote afstand van de stad.

Opvallend was dat het thema van de achterbuurten aanvankelijk veel scherper op de politieke agenda kwam te staan dan het thema van de migratie dat lange tijd nog tamelijk onbesproken bleef. Veel beleid werd ontwikkeld om de achterbuurten, zo u wilt: achterstandswijken, op te krikken. Het statistisch gemiddelde van de wijken liet zich overigens niet eenvoudig veranderen. Wel slaagde de overheid erin om een verdere terugval van de wijken te voorkomen. Dat betekende niet dat het beleid niet succescol was. Nemen we de bewoners als eenheid van analyse, dan was er juist wel sprake van een duidelijke vooruitgang. Veel onderzoek miskende namelijk de dynamiek van de wijken. In vijf jaar slaagde ongeveer 30% van de bewoners erin om te verhuizen naar een betere wijk, nadat ze zelf een baan hadden gevonden of elders promotie hadden gemaakt. Omdat de opengevallen plekken vaak weer werden ingenomen door nieuwe kansarme migranten, bleef het statische gemiddelde van de wijk bovenal op (het lage) peil.

Het lokaal bestuur raakt steeds meer verweven

Tegen de achtergrond van deze maatschappelijke ontwikkelingen veranderde het karakter van het lokaal bestuur. Ten eerste werd volop de noodzaak van decentralisatie van rijkstaken beleden, zowel in Den Haag als in de wereld van de gemeenten. Bovendien zouden gemeenten meer beleidsvrijheid moeten krijgen bij de besteding van haar eigen gelden. Zeker, er is op dit terrein ook veel in gang is gezet. Maar de uitkomst is minder eenvoudig te wegen. Wie het juridisch bekijkt kan inderdaad vaststellen dat veel taken in de richting van de gemeenten zijn opgeschoven. Ook het aantal specifieke uitkeringen is verminderd ten faveure van de algemene uitkering. Maar wie het meer politicologisch of bestuurskundig bekijkt en vooral let op de toegenomen beleidsvrijheid van de gemeenten, of nog breder op een eventuele machtsverschuiving tussen Rijk en gemeenten, moet toch vooral vaststellen dat er van een verschuiving van de macht nauwelijks sprake is geweest. Zo werd in de jaren 90 een begin gemaakt met het vergroten van de gemeentelijke beleidsvrijheid ten aanzien van de bijstand, maar tegelijkertijd werd de financiële verantwoordelijkheid van de gemeenten voor de bijstand groter, waardoor gemeenten eerder genoodzaakt werden om het bijstandsbeleid conform de rijksdoelen uit te voeren dan eerder ooit het geval was geweest. In andere gevallen zagen we een woud aan monitoring-instrumenten ontstaan na de overheveling van een enkele rijkstaak naar gemeenten, waardoor de gemeenten in de praktijk eerder minder dan meer vrijheid kregen. Dat was zeker het geval als het Rijk er niet voor terugdeinsde om alsnog in te grijpen, als het lokale beleid niet aan de verwachting van het Rijk voldeed. Wellicht is de enige juiste conclusie dat het lokale en het rijksbeleid in de jaren 90 nog verder met elkaar verweven raakten. Zoals ook de financiële relatie tussen Rijk en gemeenten door het afbouwen van specifieke uitkeringen eerder gecompliceerder dan transparanter werd.

Terwijl de gemeenten taken overnamen van het rijk, verloren ze op lokaal niveau positie door privatisering en verzelfstandiging. De jaren 90 waren de jaren van de marktwerking, van de ‘Derde Weg’ en van paars. De woningcorporaties kwamen op grotere afstand te staan van de gemeenten en de gemeenten verloren invloed op de woningmarkt; het debat over de privatisering van het stadsvervoer nam een aanvang. Het streekvervoer kwam soms in private handen. Hoewel ook hier de soep niet zo heet werd gegeten als zij werd opgediend, van een machtsverschuiving van publiek naar privaat was zeker sprake.

Een derde ontwikkeling betrof de verdergaande regionalisering van het bestuur. Omdat burgers zich voor werk, wonen, voorzieningen en recreëren steeds minder aan één gemeente hechten en steeds meer leven in stadsgewesten, werd de behoefte aan regionale coördinatie steeds groter. Met deze regionalisering verloor de gemeente zeggenschap. Omdat bij deze ontwikkeling uit democratisch oogpunt vraagtekens kunnen worden geplaatst, ontstonden plannen voor de ontwikkeling van een democratisch gekozen regionaal bestuur, onder de titel van ‘stadsprovincies’. Bij enkele referenda in Amsterdam en Rotterdam bleek dat burgers minder zwaar tilden aan het verlies van invloed aan gemeenschappelijke regelingen en meer hechtten aan hun ‘oude’ gemeente. In grote meerderheid spraken zij zich uit tegen de vorming van stadsprovincies. De hele geschiedenis van de stadsprovincies had wel een positief effect op de samenwerking tussen centrum- en randgemeenten. Men had inmiddels geleerd dat onderhandelen en samenwerken onvermijdelijk waren. Gevolg was wel dat majeure beslissingen voortaan niet meer in gemeenteraden werden genomen.

Deze drie ontwikkelingen (centraal-decentraal, publiek-privaat, centrum-periferie) duiden erop dat het lokaal bestuur steeds meer verweven raakte met zijn omgeving. Begrijpelijkerwijs had dat gevolgen voor de positie van de gemeenteraad en binnen de gemeenteraad voor de ‘oude’ politieke partijen met hun ideologische en landelijke politieke programma’s. Deze ‘depolitisering’ had zich in kleinere gemeenten al veel eerder voorgedaan. Meer en meer kwam het accent op het beheer te liggen in het gemeentelijk bestuur en steeds minder op ‘beleid’. Door het verlies aan betekenis van de oude ideologische politiek ontstond ook in de steden ruimte voor een nieuw soort politiek, de politiek van de lokale partijen. De politiek die zich richt op kleine lokale zaken, op behoud van het eigene, op inspraak voor de burger, en op bestrijding van het stadhuis. In de jaren 90 ging het nog niet om ‘leefbaarheidspartijen’, die in populistische vijvers gingen vissen en meestal aan de rechter kant van het politieke spectrum verkeren. In de jaren 90 zijn de lokale partijen schijnbaar veel vrolijker, minder grimmig dan Leefbaar later vaak zou worden. En soms opvallend progressief. De nieuwe lokale partijen veroverden in de jaren 90 eerst de randgemeenten, later de grotere steden. Het lokaal bestuur verbleekt dus niet alleen, maar verkleurt ook in de jaren 90.

De PvdA in de jaren 90

Bij de verkiezingen van 1990 en 1994 moest de PvdA grote klappen incasseren. Haalde de PvdA bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1986 nog 31,6% van de stemmen, in 1994 was dan slechts 18,7%. Natuurlijk stond dat niet los van de rol die de PvdA zich in het lokaal bestuur in de jaren 80 had aangemeten: de rol van ondernemer, van manager, waardoor de band met de traditionele achterband verwaterde. In 1990 verloor de PvdA onder leiding van Walter Etty in Amsterdam nagenoeg de helft van zijn electoraat, omdat ‘Brezjnev aan de Amstel’ te weinig oog zou hebben voor de noden van de mensen.

Maar het was niet alleen de stijl van besturen die de PvdA werd aangerekend. Door de steeds grotere verwevenheid van het lokaal bestuur met zijn omgeving kreeg politieke polarisatie steeds minder kansen. Bovendien drong het besef door dat de samenleving veel minder maakbaar was, dan gedurende decennia werd geloofd en werd uitgedragen. Het realiseren van glinsterende hoogbouw betekende niet meteen dat de lokale economie aantrok, en het plannen van een ‘brainpark’ betekende niet meteen dat universiteit en bedrijfsleven nauwer gingen samenwerken. Ook ontstond heel langzaam, met de nadruk op heel langzaam, in de jaren 90 het besef dat nog meer sociale woningbouw de steden er niet bovenop zou helpen. Tot ver in de jaren 90 stond voor PvdA-bestuurders in de steden in marmer gebeiteld dat 80% van de nieuwbouw sociale woningbouw zou moeten zijn. Het bizarre is dat de Nederlandse steden ook decennia lang zijn geholpen op deze dwaalweg door de ontwikkeling van groeikernen in het kader van de nationale ruimtelijke ordening.

Nadat duidelijk was geworden dat grote ruimtelijke projecten nog niet meteen stedelijke economie genereerden, kwam de focus weer sterk te liggen op de onderkant van de arbeidsmarkt. Daar bleek hoezeer het maakbaarheidsdenken bij de PvdA-bestuurders nog steeds in de genen zat. Als er geen banen waren voor de onderkant van de arbeidsmarkt, dan moesten die maar worden geschapen. Onder de vlag van Melkertbanen werd een heel circus van additionele arbeid in het leven geroepen. Het woord ‘circus’ is niet denigrerend bedoeld.Toch werk lange tijd miskend dat het creëren van additionele banen ernstig leed onder ‘afroming’ (in Amsterdam werden veel Melkertbanen bezet door werkloze academici), door ‘verdringing’ (in Rotterdam gingen in één collegeperiode 1000 reguliere banen aan de onderkant van het loongebouw bij de gemeente verloren; in Leiden was er een vacaturestop voor reguliere banen bij de gemeente zolang de Melkertbanen nog niet waren vervuld) en vooral onder ‘bureaucratie’ (vaak in een poging om afroming en verdringing te voorkomen). Bovenal waren de Melkertbanen een laatste poging om te laten zien dat je voor banen het bedrijfsleven niet nodig had. Dat idee verdween definitief aan het einde van de jaren 90.

Je zou ook kunnen zeggen: de PvdA werd steeds realistischer en pragmatischer. Ja, de ‘ideologische veren’ werden afgeschud. Het was de tijd van paars en dat begon ook in de gemeenten voelbaar te worden. Misschien moeten we zelfs zeggen dat ‘paars’ juist in de gemeenten voelbaar werd, hoewel er van paarse coalities op lokaal niveau nauwelijks sprake was. Om de simpele reden dat je in de lokale politiek extra profiel moet hebben om als partij zichtbaar te blijven. Al met al, is in retrospectief het verlies van de PvdA in de jaren 90 heel goed te begrijpen. Dat laat onverlet dat de partij bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1998 weer wat opkrabbelde na de grote nederlagen van de twee voorgaande verkiezingen. De populariteit van Wim Kok, na zijn eerste kabinet, was daaraan debet.

Maatschappelijke ontwikkelingen zetten zich door na de eeuwwisseling

De trends van de jaren 90 werden in veel opzichten doorgetrokken in het eerste decennium van de 21e eeuw, zij het soms in verscherpte vorm. De economie verschoof verder in de richting van een ‘kenniseconomie’, steden werden (nog) belangrijker en er werd weer fors gebouwd in de steden, met name voor de midden- en hogere inkomens. Duco Stadig gaf als wethouder van Amsterdam het goede voorbeeld door het Oostelijk Havengebied te ontwikkelen. Dat gebied is in twee opzichten zeer interessant. Ten eerste biedt het plaats aan veel van de ‘kenniswerkers’ waar de tegenwoordige stad behoefte aan heeft. Hoger opgeleid, kosmopolitisch. Ten tweede werd hier nadrukkelijk gebroken met de modernistische stedebouwkundige opvatting die Nederland vanaf de Tweede Wereldoorlog in haar greep hield, resulterend in kilometers lange monotone nieuwbouwwijken, met – inderdaad – veel licht, lucht en ruimte, maar ook vaak verder zonder enige sfeer. De groeikernen die vanaf de jaren 60 tot ontwikkeling kwamen, hebben er nog steeds heftig onder te lijden. Maar ook de steden de afgelopen eeuw bouwden vooral in weilanden aan de buitenkant, en al even monotoon. In de stad was er aanvankelijk vooral ruimte voor doorbraken, een beleid dat in de jaren 70 vrij abrupt en met veel politiek lawaai werd vervangen door het ‘bouwen voor de buurt’. Ook hier was de bouw vaak monotoon en bovendien in de regel vaak tamelijk armoedig, op de dappere pogingen van enkelen, waaronder Adri Duivesteijn in Den Haag na. Maar bovenal: sociale woningbouw. Dus geen plek voor hogere inkomens en hoger opgeleiden. Het Oostelijk Havengebied is daarmee een icoon geworden van de omslag in het denken over de stad. En Duco Stadig verdient een standbeeld, zoals Adri Duivesteijn al een Maaskantprijs kreeg, onder andere voor zijn poging om stadsvernieuwing met kwaliteit en duurzaamheid te combineren.

Ook in de achterbuurten werd in de jaren 0 gaandeweg meer gebouwd voor mensen met een grotere portemonnee. Dat heeft er niet toe geleid dat mensen van elders zich in achterstandswijken zijn gaan vestigen. Maar het heeft er wel toe geleid dat mensen die ‘wooncarrière’ konden maken, vanwege promotie op het werk, langer in de eigen wijk konden blijven wonen. Zo kwam er meer differentiatie in achterstandswijken, en hopelijk meer sociale cohesie.

Intussen nam de immigratie sinds het begin van de nieuwe eeuw, met name door een nieuwe wet van staatssecretaris Job Cohen snel af. Bovendien werd tegen het einde van het eerste decennium het succes van de integratie van migranten ook geografisch goed zichtbaar. Onder geïntegreerde migranten ontstond, net als onder autochtone middeninkomens, een trek naar een huis met een tuin, in één van de randgemeenten. Daarmee is de groei van het aantal migranten in de grote steden tot stilstand gekomen. Het politieke debat in het eerste decennium stoorde zich overigens weinig aan deze feitelijke ontwikkelingen. Het werd salonfähig om over ‘massa-immigratie’ te spreken, terwijl de immigratie feitelijk bijna tot stilstand was gekomen, zeker als het ging om niet-westerse immigranten. Immigratie werd het grote politieke thema, waarbij al snel een koppeling werd gelegd met dat andere grote thema: de veiligheid, of beter gezegd: de ervaren onveiligheid. Ook bij dit laatste thema werden de werkelijk ontwikkelingen vaak miskend: terwijl er feitelijk sprake was van een afnemende criminaliteit, kwam het thema van de onveiligheid juist in het laatste decennium hoog op de politieke agenda.

Gemeente steeds meer onderdeel van die ene overheid

De bestuurlijke trends die zich voordeden in de jaren 90, zetten door in het eerste decennium van deze eeuw. De verwevenheid van de gemeenten met het Rijk, met nabuurgemeenten en met allerlei maatschappelijke partijen nam eerder toe dan af. De decentralisatie van de Wet Werk en Bijstand en van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning legde een zwaar beslag op de gemeentelijke capaciteit en op de gemeentelijke financiën, maar gaf de gemeenten niet meer vrijheid. Zo te zien vormde de ruimtelijke ordening een uitzondering. Hier trok de rijksoverheid zich gaandeweg werkelijk terug, uitmondend in het regeerakkoord van het kabinet Rutte waarin de rijksrol in de ruimtelijke ordening nagenoeg leek verdwenen. De tijden van Vinex waren geheel voorbij. De financiële bronnen bij de rijksoverheid voor stedelijke vernieuwing en nieuwbouwlocaties droogden geleidelijk geheel op. De gemeenten moesten het voortaan nagenoeg geheel zelf doen. Een uitzondering werd gemaakt voor Almere, waar de eerder genoemde Adri Duivesteijn een dappere strijd voerde voor voortzetting van het aloude, wel effectieve maar niet succesvolle groeikernenbeleid. De bemoeizucht van het Rijk ging hier samen met een gesloten portemonnee, afgezien van gelden voor nieuwe infrastructuur.

Op financieel gebied werd de verschuiving van specifieke naar algemene uitkering voortgezet. Het is de vraag of de beleidsvrijheid van de gemeenten daarmee werd vergroot omdat allerlei gelden binnen de algemene uitkering voortaan moeten worden verantwoord, waarmee de systematiek van het de financiële verhouding ernstig werd geschaad. Bovendien beperkten forse bezuinigingen aan het einde van het eerste decennium de beleidsvrijheid van gemeenten.

Binnen de gemeente nam de afhankelijkheid van het lokaal bestuur van allerlei maatschappelijke organisaties vooral toe. Gerard Anderiesen liet ooit zien dat binnen Amsterdam de woningcorporaties bij de woningbouw de leidende partij zijn geworden, zeker nadat ze niet meer alleen waren aangewezen op sociale woningbouw. In de sociale hoek was de afhankelijkheid van integratiebedrijven groot.
Op het gebied van de bestuurlijke reorganisatie was het stil in de jaren 0. De mislukking van de stadsprovincies in het midden van de jaren 90 werkte nog lang door. Dit laat onverlet dat er veel, en steeds meer door gemeenten werd samengewerkt. Samenwerking binnen tal van gewestelijke structuren werd zo normaal, dat gemeenteraden hun interesse in deze samenwerkingsconstructies grotendeels leken te verliezen. Ten onrechte, omdat veel lokale onderwerpen de gemeentegrenzen overstijgen en dan ook onderwerp van besluitvorming waren buiten de gemeenteraad om.

En zo werd de gemeente steeds meer onderdeel van de ‘die ene overheid’. Het politieke profiel van de gemeente verbleekte verder, zeker in termen van de oude ideologische scheidslijnen. Dit gebeurde ondanks een dappere maar onduidelijke poging om in het gemeentelijk bestuur het ‘dualisme’ in te voeren. Formeel was er tot 2002 sprake van ‘monisme’: het college van B&W vormde het dagelijks bestuur dat uitvoering gaf aan de besluiten van het algemeen bestuur, de gemeenteraad. Wethouders waren dan ook lid van de gemeenteraad (we laten hier de positie van de burgemeester voor de eenduidigheid even buiten beschouwing). In de praktijk was echter niet de gemeenteraad de baas, maar het college en bekrachtigde de gemeenteraad de door het College voorgekookte besluiten. Het is mij nooit duidelijk geweest waarom een formeel dualisme hier de oplossing zou kunnen bieden, nog afgezien van het feit dat er binnen de lokale wereld hele verschillende beelden ontstonden over dat nieuwe dualisme. Voortaan zou de gemeenteraad zich moeten concentreren op de hoofdlijnen en zou het College vooral moeten besturen. Wethouders waren vanaf 2002 geen lid meer van de gemeenteraad. Ook deed de ‘wethouder van buiten’ veelvuldig zijn intrede: personen die niet op een kieslijst hadden gestaan, of zelfs helemaal niet in de betreffende gemeente woonachtig waren. Daarmee kwam in ieder geval het College verder af te staan van de bevolking. Ook is achteraf vastgesteld dat deze staatsrechtelijke operatie op geen enkele wijze de positie van de gemeenteraad heeft versterkt. Tegen deze achtergronden werd steeds meer geklaagd over de kwaliteit van de raadsleden.

Met de opkomst van Fortuyn in 2002 veranderde het karakter van de lokale partijen. Het begrip ‘leefbaar’ deed zijn intrede. Leefbaar Rotterdam en Leefbaar Utrecht haalden veel stemmen. ‘Leefbaar’ werd bijna synoniem voor ‘populisme’, was vaak zeer gericht op behoud van het eigene en tegen ‘multiculturalisme’. Terwijl het bij de lokale partijen in de jaren 90 nog vaak ging om het behoud van een ‘oude boom in het centrum van de stad’, richtten de leefbaren zich tegen immigratie en islam. Tegen een door hen niet-gewenste verandering van de cultuur. Met de leefbaren kwamen de immigratie en de veiligheid bovenaan de lokale agenda.

De PvdA op zoek naar een nieuwe basis

Joop van den Berg schreef treffend dat de lokale politiek van de PvdA twee peilers kent: de ruimtelijke peiler van Wibaut en de sociale peiler van Drees.1 Op beide terreinen is het eigen geluid van de PvdA op lokaal niveau in de laatste twee decennia, en vooral in het laatste, verstomd. Stond het woningbeleid van de PvdA eerder altijd in het teken van sociale woningbouw, stadsvernieuwing, bouwen voor de buurt, vanaf 1990 was het onvermijdelijk dat PvdA-wethouders gingen bouwen voor de midden- en de hogere inkomens. Alleen daar werd de lokale economie beter van. Dat de onderkant van de arbeidsmarkt uiteindelijk ook beter wordt van een sterkere lokale economie, mag waar zijn, maar die omweg wordt aan de onderkant van de samenleving niet altijd begrepen. Zo werd de PvdA veel meer een partij voor de hogere inkomens en raakten de lagere inkomens uit beeld. Bordewijk constateerde al dat tussen 1986 en 1994 de grootste neergang van de PvdA zich had voorgedaan in de buurten met sociale huurwoningen.2

Ook in de sociale agenda raakte de PvdA op lokaal niveau gaandeweg haar eigen gezicht kwijt. Na het decennium van de Melkertbanen, de banencreatie zonder bedrijven, heeft de partij geleidelijk moeten toegeven dat Melkertbanen geen structurele oplossing zijn en dat echte banen in het bedrijfsleven (of in de publieke sector, maar dan niet als doel maar als middel) moeten worden gevonden. Bovendien werd het sociale beleid van de gemeenten helaas vooral effectief toen de sociale diensten onder bezuinigingsdruk hun houding veranderden en de uitkeringsgerechtigden veel straffer aanzetten tot het accepteren van een baan. Het beleid werd harder. Daarmee werd de agenda van ‘rechts’ voor een deel overgenomen. We kunnen ook zeggen: links en rechts onderscheidden zich op lokaal niveau nog maar nauwelijks op sociaal terrein.

De derde ontwikkeling die de PvdA parten heeft gespeeld in het eerste decennium van deze eeuw betrof de nieuwe politieke agenda van immigratie en veiligheid. Over immigratie liet de PvdA wel een eigen geluid horen, maar dat geluid werd niet erg herkend door de oude achterban die de achterstandswijken inmiddels voor een groot deel al had verlaten. Over veiligheid heeft de PvdA nooit veel te zeggen gehad. De nieuwe ‘rechtse’ agenda heeft de PvdA vooral parten gespeeld omdat de partij geen antwoord had. En nog steeds niet heeft. In Rotterdam nam de PvdA in 2006 de rechtse agenda van de Leefbaren nagenoeg geheel over nadat weer een plek in het College was bevochten.

Een toch bleef de PvdA in beeld

Op de twee traditionele agenda’s vervreemdde de PvdA dus van een belangrijk deel van zijn achterban. Op de nieuwe agenda had de partij geen aangepast antwoord. Eigenlijk is het verbazingwekkend hoeveel stemmen de partij in het eerste decennium nog heeft getrokken. Natuurlijk, de opvallend goede uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 kan voor een zeer belangrijk deel worden toegeschreven aan de anti-stemming tegen het kabinet Balkenende in het land en aan de persoon van Wouter Bos die op dat moment op het toppunt van zijn populariteit stond. En het is waar, in 2010 haalde de PvdA het slechtste resultaat ooit bij gemeenteraadsverkiezingen. In die zin werd de dalende lijn sinds 1986, met twee uitschieters, één voor Wim Kok en één voor Wouter Bos, gewoon doorgetrokken.

Maar dat neemt niet weg dat nog steeds 15% van het electoraat voor de PvdA koos. En dat veel PvdA-wethouders nog steeds een belangrijke zo niet dominante rol spelen in het lokaal bestuur. De kwaliteit van de PvdA-vertegenwoordigers heeft hierbij ongetwijfeld een belangrijke rol gespeeld. Veel PvdA-bestuurders staan immers bekend als goede, betrokken bestuurders, die goed kunnen omgaan met (veranderende) machtsverhoudingen. Tegelijkertijd moeten we vaststellen dat nog maar weinig PvdA-wethouders een landelijk profiel hebben. Het is niet vreemd dat er eigenlijk één uitzondering op die regel was, de Amsterdamse wethouder Lodewijk Asscher, die inmiddels beloond is met het ministerschap van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Opvallend aan hem was dat hij zich als enige PvdA-er profileerde op de derde agenda van veiligheid en migratie.

Daarmee houdt de PvdA dus stand op grond van bestuurlijke kwaliteiten en veel minder op grond van ideologie. Maar misschien is dat ook wel heel goed te verklaren uit het veranderend profiel van het lokaal bestuur. Met de nadruk op bestuur. De lokale politiek heeft steeds minder om hakken in de gemeente, waar het uitvoeren van Rijksbeleid de agenda tegenwoordig helemaal beheerst.

1 J.Th.J. van den Berg, Sociaal-Democratie, gemeentelijk bestuur en de vloek van de technocratie, in Frans Becker, Menno Huurenkamp (red.), Lokale politiek als laboratorium, WBS Jaarboek 2009, Den Haag, 2009, pp. 101-118.2 Zie Pieter Nieuwenhuijsen en Paul Bordewijk in Becker en Huurenkamp, 2009, pp. 19-42. 

Volgende pagina »