De mooie toekomst van het beleidsonderzoek

augustus 8, 2014 by  
Filed under artikel

Beleidsonderzoekers stellen zich dienstbaar op – [dienstbaar is te prefereren boven het steeds benadrukken van de eigen onafhankelijkheid]

Beleidsonderzoekers helpen beleidsmakers met het formuleren van de onderzoeksvraag in plaats van die vraag op te dringen – [onderzoek waaraan echt behoefte is, maakt een veel grotere kans om een rol te spelen in de beleidsvorming]

Beleidsonderzoekers zijn bereid hun probleemstelling tijdens het onderzoek bij te stellen, als de ontwikkeling van het beleid daarom vraagt – [beter de scope van het onderzoek aangepast, dan te laat te komen met je resultaten]

Beleidsonderzoekers voeren voortaan beleidsevaluaties altijd in co-creatie met beleidsmakers uit – [alleen dan kan er echt worden geleerd]

Beleidsonderzoekers accepteren dat de beleidsmaker op basis van het onderzoek zijn eigen afweging maakt – [onderzoek bepaalt nooit wat je moet doen]

Beleidsonderzoekers treden in open dialoog met de beleidsmakers om de resultaten van het onderzoek vanuit het heersende beleidsparadigma te bezien – [het goed vertalen van onderzoek in beleid vergt veel tijd]

Beleidsonderzoekers onthouden zich ervan het beleid openlijk af te keuren of een ander beleid openlijk te propageren – [daarmee verkleinen beleidsonderzoekers onnodig de kans op benutting van hun onderzoek]

Beleidsonderzoekers geven nog maar één aanbeveling: neem mijn onderzoek ter harte – [aanbevelingen zijn niet meer dan opinies van de onderzoeker; en benutting van onderzoek is niet meer dan ‘ter harte nemen’]

+++

Beleidsmakers tonen interesse voor het onderzoek en gaan serieus om met de resultaten van het onderzoek – [immuniseren van onderzoek is dodelijk voor een goede relatie tussen beleidsmakers en beleidsonderzoekers; van een slecht onderzoek mag worden gezegd dat het een slecht onderzoek is]

Beleidsmakers nemen de tijd voor het goed formuleren van kennisvragen binnen de bestaande en binnen de toekomstige politieke context – [als onderzoek nu en in de toekomst niet relevant zal zijn, zal het nimmer ten volle worden benut]

Beleidsmakers dringen alleen aan op tussentijdse wijziging van de probleemstelling vanwege een tussentijdse beleidswijziging en niet vanwege veronderstelde ‘negatieve’ uitkomsten van het onderzoek – [onderzoek maakt altijd deel uit van de politieke strijd, maar een vertrouwensbasis tussen beleidsmakers en beleidsonderzoekers heb je nodig om te komen tot zinvol onderzoek]

Beleidsmakers staan open voor leren in een proces van co-creatie bij beleidsevaluatie – [co-creatie betekent dat beleidsonderzoekers soms hun wetenschappelijke eisen moeten relativeren en betekent dat beleidsmakers soms hun eeuwige bewaking van de minister moeten relativeren]

Beleidsmakers geven de beleidsonderzoekers alle ruimte om op grond van wetenschappelijke criteria juiste conclusies aan hun data te verbinden – [beleidsonderzoekers moeten zich tegenover hun peers kunnen verantwoorden, zoals beleidsmakers zich in de politieke arena moeten kunnen verantwoorden]

Beleidsmakers beroepen zich niet meer op onderzoek als bewijs voor de juistheid van het beleid – [onderzoek toont nooit aan wat je moet doen]

Beleidsmakers treden in open dialoog met beleidsonderzoekers om de resultaten van het onderzoek ook uit een ander beleidsparadigma te bezien – [het zijn vaak paradigmashifts die het beleid verder brengen]

Beleidsmakers geven in hun afwegingen helder aan op grond van welke normatieve uitgangspunten (politieke doeleinden) de onderzoeksresultaten in beleid zijn vertaald – [weten + willen = beleid]

 

[column voor hoofdstuk over de toekomst van beleidsonderzoek, in: herziene editie van ‘Beleidsonderzoek in Nederland’, onder redactie van Bart Dekker, Peter van Hoesel en Jos Mevissen]

Een opvallende commercial van @Panteia

februari 20, 2014 by  
Filed under artikel

Onderzoeksinstituut Panteia geeft een tijdschrift uit. Onder de titel: Basis. Ik behoor tot het netwerk van het instituut en vind het tijdschrift op onverwachte momenten in mijn postvak. De hoofdredacteur pakt in het laatste nummer uit en er is alle reden om hem van repliek te dienen. 

Hij waagt zich aan een voorspelling: “Als we niets doen, zijn beleidsonderzoek en beleidsontwikkeling over tien jaar gemarginaliseerd, gedecimeerd, uitgerangeerd. Of iets vrolijker geformuleerd: ze staan voor een van de grootste uitdagingen uit hun bestaan. Die uitdaging heet cynisme”. De hoofdredacteur voegt eraan toe dat het ergens in de afgelopen tien jaar is misgegaan. Politiek is alleen nog maar eigenbelang, beleid is vooral bedrijfsvoering en beleidsonderzoek is op zijn best een instrument om je eigen argumenten te onderbouwen en in het slechtste geval geldverspilling.

Panteia is een conglomeraat van een aantal gerenommeerde onderzoeksbureaus als Research voor Beleid, IOO, EIM, NEA, etc. Naar mijn weten werken er enkele honderden beleidsonderzoekers. Het blad Basis wordt in een oplage van 6000 verspreid. En de hoofdredacteur ziet er op de bijgevoegde foto uit als een frisse jonge man, die cynisme nog vreemd zou moeten zijn.

Laten we vooraf vaststellen dat onderzoeksbureaus wel eens handiger reclame maken. Je vraagt je al snel af of hier de ervaringen van Panteia worden beschreven. Als het beleidsonderzoek van Panteia zo weinig betekenis heeft, lijkt het verstandiger om ergens anders een opdracht te verstrekken. Ook als het citaat niet opgaat voor het onderzoek van Panteia, is het nooit verstandig om je opdrachtgever zo tegen de schenen te schoppen.

Dat gezegd zijnde, wat Panteia hier schrijft is gewoon onzin. Ik ben me er terdege van bewust dat het beleid nog beter kan worden gegrond op de aanwezige kennis. Dat veel kennis van kennisinstituten zich moeilijk laat vertalen in beleid. Dat departementen meer tijd zouden moeten besteden aan het stellen van need-to-know-kennisvragen. Maar dat beleidsonderzoek in het beste geval alleen maar wordt gebruikt om de eigen argumenten van een zekere onderbouwing te voorzien en in het slechtste geval slechts geldverspilling is, is gewoon niet waar.

Het moet de hoofdredacteur bekend zijn dat Den Haag drie gerenommeerde planbureaus telt. Hij moet ook weten dat de begroting en de Voorjaarsnota van de regering niet verschijnen zonder de economische onderbouwing van het CPB. Hij moet weten dat over elk groot infrastructuurproject in Nederland pas wordt besloten nadat een maatschappelijke-kosten-baten-analyse is uitgevoerd. Hij moet weten dat Schiphol al decennia niet alleen een groot vliegveld is maar ook een voorwerp van tientallen rapporten waarop het Schipholbeleid wordt gebaseerd. Hij moet weten dat Henk Kamp te lang heeft gewacht met ingrijpen in de provincie Groningen, omdat het onderzoek nog niet was afgerond. Etc., etc.

Toch fascineert me die column van hoofdredacteur Lennart de Ruig. Daarom is het goed om op zijn verdere argumentatie in te gaan. De Ruig is niet alleen teleurgesteld over de beleidsmakers, maar geeft ook aan dat juist op dit moment zo’n grote behoefte is aan beleidsonderzoek, omdat maatschappelijke problemen ‘vaker ongetemd zijn’. Hij bedoelt dat er veel grote problemen bestaan (als klimaat, integratie, inkomensverdeling), maar geeft onbewust een sleutel voor zijn onbegrip. ‘Ongetemde’ problemen zijn immers problemen waarover zowel op kennisniveau als op waardenniveau geen consensus bestaat. De wetenschappers zijn het onderling fundamenteel oneens over de aard en de oorzaken van het probleem, en de politici zijn het onderling fundamenteel oneens over de oplossingen. Hoe kan je zo banaal klagen over de te geringe benutting van beleidsonderzoek, als je juist wijst op terreinen waarover de wetenschap in onzekerheid verkeert?

Maar er is meer aan de hand. Als ik me niet erg vergis, is hier een trotse onderzoeker aan het woord die meent dat  wetenschappers legitieme antwoorden hebben op de vraag wat de beleidsmakers zouden moeten doen en dat er onvoldoende naar die antwoorden wordt geluisterd. Die onvoldoende beseft dat onderzoek nooit aantoont wat je moet doen. En die onvoldoende beseft dat  te veel wetenschappers ten onrechte denken dat hun onderzoek maar één beleidsmatig antwoord rechtvaardigt.

In dat opzicht zou het boeiend zijn om Van Ruig te vragen wat hij bedoelt als hij schrijft dat ‘zorgvuldige beleidskeuzes’ pas mogelijk zijn als er heel veel onderzoek is gedaan. Laat duidelijk zijn: ook ik meen dat we bij de beleidsontwikkeling veel kennis nodig hebben en dat je pas een ‘zorgvuldige’ afweging kunt maken als je weet waarover je praat. Maar ik vrees dat Van Ruig beleidskeuzes die niet passen bij de politieke voorkeuren van de onderzoeker al snel als ‘niet-zorgvuldig’ wil typeren. En dan schrijf je uiteindelijk zo’n cynisch commentaar.