Het dilemma van de achterstandswijk

maart 25, 2014 by  
Filed under De Stad

De problemen in de stedelijke achterstandswijken zijn ingewikkeld en hardnekkig. Er is veel werkloosheid, veel armoede, veel taalachterstand, weinig opleiding. De wijken zelf worden nogal eens geplaagd door overlast en verloedering. Soms lukt het om er iets aan te doen en soms niet. Zie in Rotterdam, waar Spangen de laatste jaren aanzienlijk is vooruitgegaan, nadat er veel in de wijk is geïnvesteerd. De verloedering is gestopt, de huizenprijzen zijn gestegen.

Spangen is vooruitgegaan, maar geldt dat ook voor de oorspronkelijke bewoners? Vergeet de dynamiek in de achterstandswijken niet! Laten we eens twee wijken met elkaar vergelijken: een achterstandwijk die gewoon op achterstand blijft en een Spangen, een achterstandswijk die opkrabbelt.
In de eerste wijk wonen veel kansarmen, maar 30% van hen verhuist binnen 6 jaar naar een betere wijk, omdat ze inmiddels werk hebben gekregen, een opleiding hebben afgerond en in ieder geval meer zijn gaan verdienen. Hun plek wordt ingenomen door nieuwe kansarmen van elders. Daardoor blijft het gemiddelde van de wijk laag. De achterstandswijk is een arrival neigbourhood die juist door de lage huren en het netwerk kansen biedt aan nieuwkomers.

In de tweede wijk vertrekken de kansarmen omdat de huren te hoog worden. Hun plek wordt ingenomen door beter-opgeleiden die op de betere huizen afkomen (in Spangen kochten veel hoger-opgeleiden een kluswoning voor heel weinig geld, met de verplichting om de woning zelf helemaal op te knappen). Nieuwe kansarmen van elders blijven weg.

In de eerste wijk blijven de gemiddeldes (inkomen, werkloosheid, opleiding) gelijk, terwijl de oorspronkelijk bewoners er (gemiddeld) op vooruitgaan. In de tweede wijk stijgen de gemiddeldes terwijl de oorspronkelijke bewoners er niks beter van worden.

Ik stel het voor de duidelijkheid even scherp. Te scherp. Maar wie de dynamiek in wijken vergeet, heeft een slecht zicht op de effecten van beleid. En bij die dynamiek gaat het om de ‘emancipatiemachine’ (mensen starten aan de onderkant van de stad) en om het ‘waterbed’ (als de wijk verbetert, zal een andere wijk de functie van verzamelplaats van kansarmen overnemen).

Worden mensen dan niet beter van een betere wijk? Vergroot het opknappen van wijken niet de kansen van bewoners? Nee, dat ‘buurteffect’ is in Nederland nog nooit bewezen. Je krijgt geen baan omdat je buurman rijk is. Het tegendeel lijkt waar: je vindt eerder werk als je buurman deel uitmaakt van je eigen netwerk.

Betekent dit dat je achterstandswijken maar moet laten verloederen? Nee. Omdat de emancipatiemachine niet voor iedereen werkt. Dat is het grote dilemma van de achterstandswijken.

[Column voor de site van Bouwend Nederland]

 

Spangen werd beter, maar gold dat ook voor de mensen?

maart 22, 2014 by  
Filed under De Stad

De problemen in de stedelijke achterstandswijken zijn ingewikkeld en hardnekkig. De overheid is al jaren bezig om grip te krijgen op de problemen. De effecten van dat beleid laten zich moeilijk vaststellen en mede om die reden verandert het beleid nogal eens. Waardoor de effecten van het achterstandsbeleid zich nog moeilijker laten vaststellen. 

Vanuit die gedachte ben je blij als je het rapport van Marlet en Ponds over Spangen in Rotterdam (2012) onder ogen krijgt. Vooral de titel geeft veel hoop: Scoren in Spangen; de effectiviteit van tien jaar investeren in de Rotterdamse wijk Spangen. Het helpt dus toch.

Ja en nee. Er is veel geïnvesteerd in Spangen en Spangen is sinds de eeuwwisseling aanzienlijk vooruitgegaan. Het vervelende is dat in andere wijken in Rotterdam, en in vele andere grote steden, veel is geïnvesteerd en dat die wijken veel minder vooruitgang hebben geboekt. Bovendien: Spangen is dan wel vooruitgegaan, maar geldt dat ook voor de oorspronkelijke bewoners? Laten we beginnen met een korte weergave van de uitkomsten van het onderzoek.

De cijfers zijn overtuigend: Spangen heeft zich goed ontwikkeld sterk in het laatste decennium. De overlast, de verloedering en de onveiligheid zijn sterk verminderd. De kwaliteit van de huizen en van de woonomgeving is verbeterd. De bevolkingssamenstelling van de wijk is veranderd (minder homogeen arm en werkloos, meer differentiatie). De huizenprijzen zijn gestegen, ook in vergelijking met andere wijken, de aantrekkingskracht van de wijk is dus toegenomen. Of de sociale cohesie in de wijk ook is verbeterd (een bekende doelstelling van beleid) kan niet worden gemeten, omdat er geen indicatoren voor beschikbaar zijn. (Dat geldt overigen voor al die wijken in Nederland waar wordt ingezet op het verbeteren van de sociale cohesie.) En tot slot: de arbeidsparticipatie in de wijk is duidelijk verbeterd: de werkloosheid is afgenomen. Helaas is de jeugdwerkloosheid de laatste jaren juist weer toegenomen, maar dit feit haalt de samenvatting van het rapport niet, zoals de samenvatting op meer punten blijer is dan de resultaten van het onderzoek lijken te rechtvaardigen.

Cruciaal is natuurlijk de vraag of al deze mooie verbeteringen op het conto van het beleid kunnen worden geschreven. De onderzoekers stellen: “Waarschijnlijk komt dat door de rigoureuze en integrale aanpak in Spangen, waarbij fysiek, sociaal en veiligheidsbeleid hand in hand zijn gegaan.” Die conclusie trekken ze op grond van het feit dat Spangen wel en andere wijken geen positieve ontwikkelingen te zien geven. Maar zoals gezegd: dat gemeentelijk en landelijk beleid is toch niet geheel aan die andere wijken voorbijgegaan? Rotterdam had toch meer ‘krachtwijken’ dan Spangen alleen? Hoeveel is er wel niet geïnvesteerd in Rotterdam-Zuid? Ik vermoed dat het woord ‘waarschijnlijk’ in deze onderzoeksconclusie zo moet worden gelezen: er is veel beleid gezet op Spangen, de ontwikkelingen in Spangen zijn positief, dus het beleid is effectief, en waarom hetzelfde beleid elders niet effectief is, is niet de schuld van de onderzoekers.

De onderzoekers hebben proberen aan te geven welke maatregelen met name effect hebben gehad op de leefbaarheid van Spangen. Eén maatregel springt eruit: het stopzetten van de tippelzone aan de Keileweg in 2005. Vanaf dat moment dalen de overlast en de diefstal en de auto-inbraken en de verloedering abrupt. En dat hoeft ons niet te verbazen. Beter gezegd: daarvoor hoef je geen onderzoek te doen. Over de Keileweg is altijd veel te doen geweest in Rotterdam en iedereen wist dat de situatie in Spangen snel was verslechterd nadat de tippelzone aan de Keileweg, aan de rand van die wijk, was toegestaan. Dan is het niet zo vreemd om te veronderstellen dat Spangen al die positieve ontwikkelingen vanaf 2005 niet had doorgemaakt als de tippelzone aan de Keileweg niet was gesloten.

Daarnaast zijn veel verpauperde woningen voor een lage prijs verkocht aan mensen die bereid waren de woningen zelf op te knappen. Daar zijn nogal wat hoger-opgeleiden op af gekomen. Deze ‘kluswoningen’ hebben duidelijk bijgedragen aan de verbetering van Spangen. En daarmee raken we meteen aan een fundamentele vraag: wat was eigenlijk het werkelijke doel van het beleid? Het opknappen van Spangen of het terugdringen van de armoede en werkloosheid onder een deel van de burgers? Ik zou zeggen dat een opgeknapte wijk toch niet het uiteindelijke doel van het beleid kan zijn. We knappen toch wijken op om mensen meer kansen te geven?

Helaas is niet onderzocht of werklozen meer kansen hebben gekregen. De onderzoekers stellen slechts vast dat de samenstelling van de bevolking van Spangen het laatste decennium diverser is geworden: minder homogeen arm en werkloos. Dat is geenszins verwonderlijk. De tippelzone werd gesloten en het is logisch dat daardoor de aantrekkingskracht van de wijk groter is geworden. Daardoor zijn mensen met (wat) hogere inkomens zich in de wijk gaan vestigen en zijn de huizenprijzen gaan stijgen. Dat effect is nog eens versterkt door dat geslaagde en prachtige project van de kluswoningen.

Ik ben dan ook helemaal niet verbaasd dat de werkloosheid in de wijk in de laatste jaren is afgenomen (afgezien van die akelige jeugdwerkloosheid). De cruciale vraag is hier of de werkloosheid onder de oorspronkelijke inwoners is afgenomen. Maar dat is niet onderzocht, omdat de onderzoekers de ontwikkeling van de wijk en niet van de bewoners hebben als maat der dingen hebben genomen. Het is dan ook een beetje laf om toch te melden dat de langdurige werkloosheid “waarschijnlijk ook is afgenomen door een hogere participatie onder de zittende bevolking van de wijk Spangen”. Ten eerste is in het onderzoek geen onderscheid gemaakt tussen nieuwe en oude bewoners en ten tweede zijn de bewoners die de wijk hebben verlaten omdat die inmiddels voor hen te duur was geworden, al helemaal niet onderzocht. Over de werkloosheid onder de oorspronkelijke inwoners van Spangen kunnen de onderzoekers dus geen uitspraak doen.

Ik neem dat de onderzoekers niet kwalijk. De onderzoekers weerspiegelen het beleid. Het beleid gaat ervan uit dat mensen vanzelf beter worden als ze in een prettiger wijk wonen (hetgeen voor Nederland nooit is bewezen). En het beleid miskent de dynamiek onder burgers. Werklozen die zich weten op te werken door werk te vinden, verhuizen vaak naar betere buurten (de stad als emancipatiemachine) en hun plaatsen worden ingenomen door nieuwe kansarmen. En wanneer we wijken verbeteren trekken de rijkeren binnen en verkassen de arme werklozen en biedt de wijk minder plek voor kansarmen die van elders komen (de stad als waterbed). En daarom praten wethouders en ministers altijd over het verhogen van de kwaliteit van wijken en niet over het verhogen van kansen van kansarme medeburgers. Ze denken dat dat hetzelfde is, of hopen wellicht dat wij dat denken. Nog afgezien van het grappige streven van beleidsmakers om van elke slechte wijk een ‘gemiddelde’ wijk te maken.

Ik ben blij voor Spangen, maar ik zou zo graag willen weten of al die oorspronkelijke bewoners beter zijn geworden van het beleid. En of we al die investeringen niet beter hadden kunnen besteden: aan taallessen, aan scholing, aan arbeidsmarktbeleid. Je hebt meer aan een baan dan aan een rijke buurman.

 

Over segregatie in de steden van @Platform31

februari 25, 2014 by  
Filed under artikel, De Stad

Soort zoekt soort. Zo luidt de titel van een rapport dat Platform31 in samenwerking met de VU heeft uitgebracht. Het rapport is een bundel; een bundel van artikelen van verschillende auteurs. Dat heeft altijd een groot gevaar: welke conclusie moeten we nu uit al die stukjes trekken? Ik geef toe: voor de leesbaarheid is het aantrekkelijk. Veel korte stukjes van veel leuke auteurs met veel foto’s en plaatjes. Maar als wetenschapper zou ik willen weten wat ik na lezing meer weet dan ervoor. Op dat punt had het rapport aan scherpte kunnen winnen.

Soort zoekt soort. Dat is niet nieuw. Maar de scheidslijnen zijn wel aan het veranderen. Speelde vroeger religie een grotere rol bij de ‘ruimtelijke uitsortering’, tegenwoordig gaat het vooral om opleiding en daaraan gekoppeld inkomen. De hoger-opgeleiden treffen elkaar steeds meer in de steden, en binnen de steden in bepaalde wijken. Zoals er andere wijken zijn waar de migranten hun eerste schrede op de Nederlandse maatschappelijke ladder zetten. En wijken waar autochtonen naar alle waarschijnlijkheid nooit meer een kans zullen krijgen.

Ruimtelijke economen leren ons dat de eerste clustering positief is voor de samenleving. Clustering van talent, van hoge opleidingen, van creativiteit is goed voor de economische groei. Ondanks het bestaan van allerlei virtuele gemeenschappen, is het face-to-face-contact vaak cruciaal voor de echte innovatie. En innovaties zorgen voor een verhoging van de arbeidsproductiviteit en die zorgt op zich weer voor een hoger BNP.

Je zou zeggen dat clustering aan de onderkant ook voordelen heeft. Voor migranten is het van belang om aansluiting te krijgen bij hun eigen netwerk (voor een deel familie). Dat netwerk zorgt soms voor informeel werk en kan nieuwkomers  op gang helpen. Saunders heeft daarover mooi geschreven in zijn boek over the arrival cities en over arrival neigbourhoods. Aan de andere kant is denkbaar dat juist de cumulatie van problemen in achterstandswijken de kansen voor de bewoners om maatschappelijk te slagen kleiner maken. In de wetenschap spreken we in dit verband over het buurteffect. Veel beleidsmakers zijn overtuigd van het bestaan van dit effect van de buurt op de kansen van hun bewoners. Daarom is het beleid er vaak op gericht om wijken op te knappen.

Helaas voor hen, voor het buurteffect ontbreekt nog steeds overtuigend bewijs. Jaco Dagevos mag in dit rapport nogmaals aantonen dat allochtonen meer contact hebben met autochtonen, naarmate er meer autochtonen in hun wijk wonen, maar daarmee is nog niet bewezen dat hun maatschappelijke kansen door dat contact ook daadwerkelijk worden vergroot (nog afgezien van de evidentie van het onderzoeksresultaat). Maarten van Ham wijst hier terecht op een ander effect: het selectieeffect. Veel mensen wonen in achterstandswijken omdat ze werkloos zijn en in armoede leven. Natuurlijk is er een relatie tussen werkloosheid en achterstandswijken. Maar daarmee nog niet meteen een causale relatie. En als die causale relatie zou bestaan, zou die wel eens omgekeerd kunnen zijn aan hetgeen veel beleidsmakers denken: omdat ik werkloos ben woon ik in een achterstandswijk.

Die conclusie is niet nieuw. Maar haalt wel het fundament weg onder het mengen van wijken. Ik volg het heldere stuk van Van Ham in de bundel. Hij stelt dat het ‘opzettelijk mengen’ van wijken door sociale huurwoningen te slopen en te vervangen door duurdere koopwoningen geen positieve effecten heeft op de sociale stijging van de oorspronkelijke bewoners. ‘Mengen om daarmee sociale stijging te bereiken, is daarom onzin.’ Als je de wijk wilt veranderen, heeft het vervangen van sociale huurwoningen door duurdere koopwoningen vanzelfsprekend wel zin, schrijft Van Ham. Daarmee zal het percentage werklozen in de wijk duidelijk afnemen. Maar niet omdat de oorspronkelijke bewoners een baan krijgen, maar omdat ze vertrekken naar een andere achterstandswijk, waar nog wel plek voor hen is. Waarmee ze ook nog eens hun sociale netwerk kwijt raken. Spreiden is dus symptoombestrijding. Van Ham concludeert: ‘Concentraties van armoede zijn een symptoom van ongelijkheid en het gevolg van armoede, niet de oorzaak. Om deze ongelijkheid aan te pakken en de sociale mobiliteit te bevorderen zijn niet investeringen in buurten nodig, maar voornamelijk investeringen in scholing en opleiding.’

Is dit ook de conclusie van het boek? De redacteuren trekken inderdaad in het slothoofdstuk dezelfde conclusie: inzetten op scholing is beter dan het aanpakken van probleemwijken. Dat lijkt me een ongemakkelijk waarheid. Het is dan ook jammer dat deze conclusie zodanig in de slotbeschouwing verpakt zit, dat alle kans wordt geboden om erover heen te lezen.

Waarom willen we de achterbuurten niet zien

november 9, 2013 by  
Filed under De Stad

katendrecht-blokbeeld-1Ok, Katendrecht is nog geen Oostelijk Havengebied en zal dat waarschijnlijk ook nooit worden. Maar het huidige Katendrecht op Rotterdam Zuid is wel een wereld van verschil met het Katendrecht van 20 jaar geleden. Toen een cultuur van armoede en werkloosheid, nu ’sfeervol wonen aan de Maas’. Boeiende huizen met andere bewoners. Het contrast met de naastgelegen Afrikaanderwijk is groot. Afrikaanderwijk is een ’focuswijk’, eerder een ’krachtwijk’ en bovenal een achterstandswijk. Veel allochtonen, hoge werkloosheid, lage inkomens en in het algemeen weinig opleiding.

Op het eerste gezicht is Katendrecht een succes van gemeentelijk beleid en vraagt de Afrikaanderwijk om eenzelfde aanpak. Dat zou zeker zo zijn als in beide wijken nog steeds dezelfde mensen zouden wonen. Maar dat is niet het geval. In Katendrecht zijn het niet de oude bewoners die de fraaie herenhuizen aan de Maas bevolken, maar hoger opgeleiden met een hoger inkomen die van elders komen. De oorspronkelijke bewoners hebben al voor een deel plaatsgemaakt en zijn naar elders vertrokken. En ook die zwakke Afrikaanderwijk is niet zo statisch als misschien lijkt. Zoals het SCP onlangs nog weer eens heeft beschreven is de sociale stijging in de achterstandswijken minstens zo hoog als elders in de stad. Uit een oudere studie van het PBL bleek ook al dat in 6 jaar 30% van de bewoners van de achterstandswijken verhuist naar een betere wijk. Omdat ze inmiddels een baan hebben en/of meer zijn gaan verdienen.

Deze feiten plaatsen ons voor een dilemma. Gaat het er nu om de wijk beter te maken of gaat het om de mensen? Het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid bekommert zich om mensen maar lijkt vooral in te zetten op de verbetering van wijken. Het gemiddelde van Rotterdam-Zuid moet in 20 jaar op het niveau liggen van het gemiddelde van de G4 (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht). Nu is streven naar een gemiddelde van de G4 natuurlijk op zich al onzinnig. Alsof er niet altijd verschillen tussen wijken zullen blijven bestaan. Maar erger is dat de dynamiek tussen de wijken lijkt te worden vergeten. Stel nu eens dat geheel Rotterdam Zuid op een modaal niveau kan worden getild, waar zijn dan de oorspronkelijke bewoners gebleven? Zijn die ook op modaal niveau getild, of hebben zij elders hun heil moeten zoeken omdat de huren inmiddels te hoog zijn geworden? Het waterbed-effect ten voeten uit.

En het gaat niet alleen om de mensen die vertrekken, maar ook om de mensen die steeds weer toestromen in dit soort wijken. Want waarom blijft het gemiddelde in de achterstandswijken in de grote steden zo beroerd, terwijl zoveel bewoners persoonlijk vooruitgang boeken? Omdat de plekken van de succesvollen weer worden ingenomen door nieuwe kansarmen, meestal uit het buitenland. Voor Rotterdam Zuid waren dat eerst de Brabanders, toen de Turken en de Marokkanen en tegenwoordig de Polen en de Roemenen, en volgend jaar wellicht de Bulgaren. Achterstandswijken zijn immers bij uitstek arrival neighbourhoods. Het is de plek waar nieuwkomers een huis weten te vinden, waar nieuwkomers een cultuur vinden waarin ze zich nog enigszins thuis voelen. Het zijn de wijken waar de ingang naar informeel werk (en soms naar crimineel gedrag) makkelijk is te vinden. Je kan het ook positiever zeggen: het is de plek waar kansarmen hun eerste kansen krijgen.

Ook ik word treurig van de aanblik van de Afrikaanderwijk. Verwaarlozing en verpaupering doen pijn aan de ogen. Maar het perspectief van een nieuwkomer kan wel eens heel anders zijn. Voor hem is een huis met een lage huur beter dan een pension. En voor hem is werk belangrijker dan het bijna burgerlijke ’schoon, heel en veilig’ dat de gemeente nu al decennia in deze wijken najaagt. Met welk perspectief kijkt de overheid eigenlijk naar achterstandswijken? Wil ze de armoede en de werkloosheid aanpakken, of wil ze de armoede en de werkloosheid niet zien? Het zijn vragen, ik heb nog onvoldoende antwoorden. Ik weet alleen dat ook ik liever het huidige Katendrecht in de novemberzon zie liggen, dan dat ik de grauwheid van Afrikaanderwijk moet betreden.

En omdat ik het antwoord op mijn eigen vragen niet weet, klamp ik me graag vast aan drie tegenwerpingen die hier kunnen worden gemaakt. Zo worden er veel huizen gesloopt in de achterstandswijken om plaats te maken voor betere woningen. Wanneer daar alleen maar mensen van elders komen wonen, gaat het gemiddelde van de wijk wel omhoog, maar niet de positie van de oorspronkelijke bewoners, zo heb ik eerder al aangegeven. Maar als die betere woningen nu eens kansen bieden aan de oorspronkelijke bewoners, die inmiddels werk hebben gekregen en een hoger inkomen hebben te besteden? Zou het niet goed zijn als zij een wooncarrière kunnen maken in hun eigen wijk? Het is de redenering die in Den Haag en in de stadhuizen vaak wordt gevolgd. Maar in feite stoelt die redenering op twee twijfelachtige argumenten: door in de eigen wijk te blijven wonen haalt de ’sociale stijger’ het gemiddelde van de wijk omhoog én kan hij tussen zijn eigen mensen blijven wonnen. Maar waarom zouden mensen die zich verbeteren niet naar een betere wijk mogen verhuizen? Dat willen we toch allemaal? Het is in ieder geval te gemakkelijk om vanuit een comfortabele doorzonwoning of nog beter, te bepalen dat ’die mensen’ beter in hun eigen wijk een ’wooncarrière’ kunnen maken.

Een tweede tegenwerping: hoe beter de buurt hoe groter de kansen van de inwoners om werk te vinden, carrière te maken, zich te verbeteren. Daarmee wordt verondersteld dat er een buurteffect is: juist de concentratie van problemen verergert de situatie. Maar is dat werkelijk zo? Zijn mensen in probleemwijken vaker werkloos omdat ze gemiddeld genomen vaker laagopgeleid zijn, of zijn deze mensen ook vaker werkloos omdat ze in die probleemwijk wonen. Is er meer schooluitval in probleemwijken omdat de kinderen in het algemeen uit een zwakker milieu komen, of is er meer schooluitval omdat ook het kind van de buren zijn school niet afmaakt.

Uit eerder onderzoek blijkt dat dit zogenaamde buurteffect in Nederland nauwelijks bestaat als het gaat om arbeidsmarkt, werkloosheid en armoede. Je wordt niet werkloos omdat je buurman werkloos is, maar omdat je te laag bent opgeleid en geen Nederlands spreekt. En werklozen hebben niet zelden een werkloze buurman omdat zij beiden alleen slechte huizen in slechte wijken kunnen betalen. Grof gezegd: mensen zijn niet werkloos omdat ze in een achterstandswijk wonen, maar mensen wonen in een achterstandswijk omdat ze werkloos zijn (of: nog geen werk hebben).

Uit onderzoek van het SCP blijkt ook dat ‘interetnisch’ contact voor meer dan 85% wordt bepaald door andere factoren, als opleiding en het spreken van de taal. Dat is voor beleidsmakers zeer relevant: om het contact tussen migranten en autochtonen te bevorderen is het vele malen effectiever om migranten de Nederlandse taal te leren en beter op te leiden, dan moeizame pogingen te doen om wijken meer te mengen.

Ik weet: het is moeilijk dit soort conclusies te accepteren. Het moet toch waar zijn dat wie in een cultuur van werkloosheid leeft, minder snel een baan zal krijgen. Maar het is goed om een onderscheid te maken tussen het gebrek aan kansen dat mensen hebben en de invloed van de wijk op die kansen. En misschien wordt de werkloosheidscultuur soms ook wel gecompenseerd door de kansen die juist de achterstandswijken aan nieuwkomers bieden: daar kan je je wegwijs laten maken door mensen die een jaar eerder zijn aangekomen, daar vind je gemakkelijker toegang tot informele arbeid, daar vind je beschutting, ook of juist tegen de overheid.

De belangrijkste tegenwerping bewaar ik voor het einde: er wonen niet alleen maar sociale stijgers in achterstandswijken. Er zijn ook veel blijvers. De achterstandswijken zijn bepaald niet alleen maar tussenstations naar betere wijken. Voor velen is het een eindstation. Maar voor hen geldt in feite hetzelfde: ze hebben behoefte aan onderwijs, aan het leren van de taal en aan werk. En als ze dat werk niet vinden hebben ze behoefte aan betaalbare woningen. Aan inkomen. En aan een rijke buurman hebben ze weinig.

Daarmee blijft de stelling overeind: niet de wijk moet centraal staan maar de mens. Goed onderwijs is in achterstandswijken belangrijker dan nieuwe woningen. Taalcursussen zijn belangrijker dan schoon, heel en veilig. Alles gericht op het vinden van werk. En als mensen naar een betere wijk verhuizen, moeten we dat weer als indicatie van succes gaan zien, in plaats van als een aanval op het statistisch gemiddelde van de wijk. Nee, het moet gaan om de mensen, niet om de wijken.