Het succes van Eindhoven fascineert

juni 19, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

 

Gesprek met Robert Elbrink, hoofd Strategie van de gemeente Eindhoven

Eindhoven ontwikkelt zich razendsnel. Groot Eindhoven (Zuid-Oost-Brabant) kreeg er tussen 2010 en 2015 (december) 11.000 banen bij. Vergelijk dat met Groot Rotterdam of Groot Den Haag, die in dezelfde periode 19.000 banen verloren [bron Statline CBS]. Oké, Groot Amsterdam is hors categorie met een winst van 64.000 banen. Maar het is duidelijk dat Eindhoven zeer floreert. Men is het ‘vertrek’ van Philips en het einde van DAF al lang te boven. Wie aan Eindhoven denkt, denkt tegenwoordig aan ASML, de grote wereldspeler op het terrein van chipsmachines. En aan de Design Academy. En aan de TU/e.

Maar wie de literatuur over stedelijke economie een beetje kent, houdt daaraan toch een heel ander beeld over. Ik zeg met nadruk ‘een beetje’. Die theorie komt er plat gezegd op neer dat vooral steden met ‘amenities’, met een aantrekkelijk woon- en leefklimaat, met veel voorzieningen, het tegenwoordig goed doen. In feite zijn de bedrijven footloose geworden (ze hoeven niet meer aan een kanaal te liggen om grondstoffen aan te voeren en producten af te voeren). Daarom trekken mensen niet meer naar bedrijven, maar trekken bedrijven naar mensen toe. In het wetenschappelijke jargon: werken volgt wonen in plaats van wonen volgt werken. Dus vooral steden waar het aangenaam wonen is, die veel voorzieningen hebben en veel mooie woningen, zouden het economisch goed moeten doen. Dat geldt zeker voor Amsterdam, hoewel het succes van Amsterdam zo langzamerhand in zijn tegendeel begint te verkeren. Amsterdam wordt te druk en te duur. Maar het is vooral zo duur omdat iedereen daar wil wonen. En omdat iedereen daar wil wonen zijn er veel bedrijven en omdat er veel bedrijven zijn wil iedereen er wonen.

Eindhoven heeft een ander woon- en leefklimaat. De woningprijzen liggen veel lager. Er is geen historische binnenstad. Er is geen binnenstad waar velen willen wonen. Er zijn veel minder culturele voorzieningen. In de terminologie van Gerard Marlet is Eindhoven geen ‘aantrekkelijke stad’. En toch doet Eindhoven het zo goed. Het is maar weer eens een bewijs dat de werkelijkheid complexer is dan een simpele theorie. Misschien is Eindhoven wel bij uitstek een stad waar niet ‘werken’ ‘wonen’ volgt, maar ‘werken’ ‘werken’. De dynamiek van de bedrijven trekt nieuwe bedrijven aan.

Er is nog een andere reden waarom Eindhoven zo interessant is. Eindhoven heeft een zeer succesvolle campus, de High Tech Campus Eindhoven. Het is bekend dat elke gemeente tegenwoordig een campus wil. Daarom is het goed om te bekijken waarom succesvolle campussen zijn ontstaan.

Om deze twee redenen spreek ik met Robert Elbrink. Elbrink is al enige tijd de hoofdstrateeg van de gemeente Eindhoven. Zijn strategische afdeling ‘hangt’ onder de Directieraad van de gemeente. Hij werkt als niet-Brabander al lang bij de gemeente Eindhoven, de laatste zeven jaar als hoofd van de afdeling Strategie. Hij kent de gemeente van binnenuit en is nog steeds in staat om het reilen en zeilen van de gemeente op enige afstand te observeren. Een ideale gesprekspartner al met al.

Eindhoven is ontdekt als stad met spannende dingen

Ik vraag Elbrink hoe het op dit moment met Eindhoven gaat. Je wilt zo’n gesprek nu eenmaal vriendelijk beginnen. Het antwoord is dat ook. Elbrink: Economisch gaat het goed. Bedrijven, zeker de high tech bedrijven, draaien als een tierelier. Maar als het gaat om de vraag: profiteert iedereen ervan, dan liggen er nog wel wat uitdagingen. De arbeidsmarkt heeft altijd vertraging ten opzichte van de economie. We moeten opletten of de werkgelegenheid gelijke pas houdt met de economie. Elbrink ziet ook dat het heel goed gaat met belangstelling voor Eindhoven. ”Eindhoven is de afgelopen jaren ontdekt als stad waar spannende dingen gebeuren”. Hij ziet het in de media, maar je ziet het ook in de Tweede Kamer waar gedebatteerd wordt over het einde van het mainportbeleid (de haven van Rotterdam en Schiphol als drijvende krachten van de Nederlandse economie) en waar nadrukkelijk wordt beseft hoe belangrijk de high tech en de industrie van Eindhoven tegenwoordig voor Nederland zijn. Door Eindhoven en de regio daaromheen kan Nederland echt meespelen op wereldniveau met high tech en industrie. “Die bedrijven hier hebben een grote toegevoegde waarde. Als je naar die machines van ASML kijkt en al die toeleveranciers, bijvoorbeeld. Het aantal banen groeit hier nog steeds. Grote vraag naar ICT-ers natuurlijk. Technische vakmensen. Daarom investeren we ook samen met andere gemeenten in programma’s om expats aan te trekken. Hoe zorg je ervoor dat je het aantrekkelijke vestigingsklimaat hebt dat de mensen komen die je hier echt nodig hebt. En hoe kunnen we hun partners, die ook vaak hoogopgeleid zijn, hier ook aan het werk krijgen?”

Ik vraag aan Elbrink waarom Eindhoven toch zo’n groot succes is. Hij zegt: Combinatie van factoren. De tijdgeest. Technologie is ‘in’, technologie is niet meer eng. Nerds zijn zelfs hip. Industrie is niet meer vies. Uniek aan Eindhoven is ook de combinatie van high tech en creatief. Die combinatie komt niet zoveel voor in de wereld. Design Academy is motor en magneet voor creatief talent. En die mensen blijven steeds meer in Eindhoven werken als ze zijn afgestudeerd. In Strijp S, en dat soort gebieden met industrieel erfgoed. Dat geeft een zelfversterkend effect. En er zijn mogelijkheden om high tech en creativiteit fantastisch te verbinden. Denk aan wearables: Enthousiast vertelt hij dat ook de gemeente al een designer in dienst heeft. Vooral om te bedenken hoe ze maatschappelijke vraagstukken en complexe multi-stakeholders vraagstukken beter kunnen oplossen. “We moeten leren om te denken vanuit de mensen voor wie je het doet. Anders dan de standaard beleidscyclus. Waarbij we na een paar jaar constateren dat het niet werkt en dan weer opnieuw beginnen”.

Het toeval van Eindhoven

Ik wil verder terug naar de oorsprong van het succes. Elbrink vat het helder samen. Eindhoven is een succes geworden door twee toevalsmomenten. Philips koos aan het einde van de negentiende eeuw voor Eindhoven en niet voor Breda. En in de jaren 90 werd besloten om het gebied van het NatLab open te stellen. Dat heeft het succes van Eindhoven bepaald. Historische toevalstreffers die je niet kan herhalen. Als Philips niet was gekomen was Eindhoven nog steeds een gezellig Kempisch dorp met een mooie markt en met carnaval. Net zoals Eersel of Oirschot. Daar kan je prachtig wonen, dichtbij heidegrond. De echte groei kwam met Philips.

Door de beslissing om het NatLab-gebied open te stellen zijn we enorm verbreed. Natuurlijk, Philips er zelf ook nog. En het bijzondere is dat de grote bedrijven bijna allemaal wortels hebben in Philips. “ASML is in 1984 begonnen als joint venture van ASMI en Philips en leek niet kansrijk”. Philips dacht: dat kan nooit wat worden. Boonstra heeft heel veel afgestoten. En veel van die bedrijven zijn zelfstandig een succes geworden. Waarschijnlijk omdat ze zelfstandig veel meer focus konden aanbrengen. Ook de bedrijven die later weer zijn overgenomen door VDL. En dan krijg je weer nieuwe toeleveringsbedrijven. Ook heel veel ingenieurs in Eindhoven hebben nog hun wortels in Philips. Mensen die goed met elkaar kunnen samenwerken omdat ze bij Philips op school hebben gezeten en dezelfde taal spreken.

Ja, dat openstellen van het NatLab gebied is een cruciaal moment geweest. Op basis van open innovatie model. Van een gesloten vesting naar een levendig high tech researchpark. Met nu meer dan 100 bedrijven en kennisinstellingen. Vroeger was het echt afgesloten. Je kwam daar niet. De gedachte van een Strip als ontmoetingsplek met allerlei facilities heeft erg bijgedragen aan de interactie op dat gebied.

Natuurlijk heeft uiteindelijk Philips zelf besloten om het NatLab open te stellen. Het was in de tijd dat Philips besloot om het hoofdkantoor naar Amsterdam te verplaatsen. De gemeente heeft er wel sterk op aangedrongen om de research in Eindhoven te verankeren. Toen heeft Philips veel geld geïnvesteerd om de Campus te ontwikkelen. En toen kwam het besef dat dit soort gebieden veel rendabeler worden als anderen er ook gebruik van kunnen maken. Je kan ook niet meer alle kennis en innovatie in één bedrijf houden. Je moet dus ketens ontwikkelen. Philips floreert daar zelf ook nog. Weinig mensen weten ook dat het hoofdkantoor van Philips Lighting hier in Eindhoven zit, niet in Amsterdam. Ach, wij zeggen altijd: Philips is weggegaan met 200 man. De directie en de marketing. Het hart is hier gebleven. De research, de kennis en kunde, de ingenieurs, die zijn hier nooit weggegaan. Bijzonder is dat je bij Eindhoven tegenwoordig eerder denkt aan ASML. Maar ja ASML bepaalt het tempo van Silicon Valley. Dat is de tijdgeest.

Ontkent Eindhoven de theorie of voorspelt de theorie het einde van Eindhoven

Het wordt tijd om Elbrink de vraag voor te leggen waarom Eindhoven niet aan de theorie voldoet. Eindhoven is toch veel te klein voor wat er allemaal gebeurt. En het is toch helemaal niet genoeg? Hoe kan het hier zo goed gaan, terwijl het hier toch veel minder aantrekkelijk is om te wonen dan in Amsterdam of Utrecht? Elbrink kan voor twee antwoorden kiezen. Of: die theorie deugt niet, of: het is maar de vraag hoe goed het gaat.

Elbrink kiest eerst een defensieve variant. Hij zegt: Dat hangt ook van je woonwensen af. Amsterdam is te vol en te duur. Je kan hier tegen een redelijk prijs een grondgebonden woning redelijk dicht tegen het centrum aan kopen. Maar dan zegt hij dat je ‘amenities’ op verschillende manieren kan definiëren. “Onze cultuurvoorzieningen zijn abominabel. Wij krijgen daarvoor ook bijna niets van Den Haag, in vergelijking met andere steden”. Ik probeer het even: die nerds hebben blijkbaar geen cultuur nodig. Daarin gaat Elbrink niet mee: Dat weet je pas als die voorzieningen er zijn. Ik dring aan: Maar de praktijk bewijst dat jullie je gewoon zo fantastisch kunnen ontwikkelingen met die € 1,53 per inwoner voor cultuur van het Rijk. Elbrink houdt stand. Niet voor niets heeft Eindhoven de laatste jaren in Den Haag gelobbyd voor meer culturele voorzieningen in de stad. Hij zegt: “Nee, het piept en kraakt”. We hebben sinds 2008 echt moeten bezuinigen. We hadden voor die tijd relatief goede voorzieningen op gebied van sport, cultuur, theater, denk aan de Effenaar. Dat was best veel voor een stad van deze omvang. Maar toen we moesten bezuinigen, werden al die voorzieningen heel kwetsbaar.

We hebben het alle voorzieningen zelf kunnen opbouwen door onze snelle groei. Heidegrond, schapen eraf, huizen erop zetten. En dat leverde heel veel geld op. Maar we zijn door onze grond heen. Toen hebben we het kabelbedrijf verkocht en een energiebedrijf voor 800 miljoen. Onze aandelen in het Bouwfonds verkocht. In 2008 viel onze bouw stil, we hadden de mooiste dingen verkocht en het Rijk ging bezuinigen op het Gemeentefonds. Toen kwam de decentralisatie met enorme taakstelling erover heen. Het piept en kraakt. We hebben 70 miljoen op jaarbasis op de gemeentebegroting bezuinigd. Enorme druk op alle voorzieningen. Cultuur, sport. Aantal daarvan zijn omgevallen. We kunnen nu wel goed draaien. Maar mijn grote zorg is of we dat over 10 jaar nog doen na al die bezuinigingen. Is het bestendig genoeg? Elbrink zegt: Ik ben er nog niet van overtuigd dat de theorie niet klopt. Het kan een hippe hype zijn, wat er nu gebeurt. Maar ik vraag me serieus af of het publieke fundament van Eindhoven wel sterk genoeg is voor de toekomst.

Oké, hij geeft wel iets toe: Wij zijn een heel andere stad, dat is waar. We hebben geen debatcentrum. Als je in Amsterdam twee mensen bij elkaar zet, dan heb je een debat. Als je hier twee mensen bij elkaar zet heb je een prototype. Maar we missen dat debatcentrum toch echt. Dat hoor je ook van mensen. We zijn wel een stad van meer dan 200.000 inwoners. Daar hoort debat bij.

Succes zonder bereikbaarheid

De theorie over regionale economie stelt bereikbaarheid centraal. En ook daar is Eindhoven al weer zo atypisch. Ze hebben een klote-klein vliegveld. Vergelijk dat met Schiphol. Ze klagen over de verbindingen met Duitsland. Die theorie klopt wel. Bereikbaarheid is heel belangrijk voor een regionale economie. Maar hoe kan het dan dat jullie bereikbaarheid naatje is, en dat je het toch geweldig doet? Elbrink: ik ben er gewoon niet gerust op dat we de toekomst op orde hebben. Ik ben wel blij met die theorie om aan te tonen dat er wat moet gebeuren. Ook bedrijfsleven vraagt erom. Het is wel kwetsbaar. In het verleden hadden we altijd zelf genoeg geld om als er een probleem was, om het probleem ook zelf te fiksen. We hadden altijd heel veel geld. En dat is de afgelopen vijf jaar duidelijk minder. Daar zie je de kwetsbaarheid ontstaan. Voorbeeld: Automotive moest naar Helmond, hebben we een miljoen bij gelegd. Europa vraagt ook vaak om cofinanciering vanuit Europa, dan heb je geld nodig. Dat ging allemaal hartstikke makkelijk. Maar dat gaat niet meer. Daar word ik nerveus van. We hebben niet meer de kracht om het zelf alleen te fiksen.

Een katholieke stad met een Philips-cultuur

Tot slot spreek ik met Elbrink over de rol van de overheid. Is die economie echt wel te beïnvloeden. Elbrink meent ten eerste dat Rijk, provincie en gemeente hun eigen verantwoordelijkheid hebben. Maar altijd samen moeten optrekken. Hij heeft niets met de gedachte “je gaat erover of je gaat er niet over”. Dat staat haaks op de praktijk.

Hoe belangrijk is het Rijksbeleid voor de stad? Elbrink: Het stimuleren van innovatie is belangrijk. Bedrijven hebben daar veel plezier van. Dat soort beleid is cruciaal. Arbeidsmarktbeleid ook. Dat is allemaal generiek beleid, voor alle bedrijven in het hele land. Maar als het alleen om Eindhoven gaat, ziet Elbrink toch vooral dat de G4 royaal bediend worden en dat Eindhoven als grootste van de kleintjes de kruimels krijgt. “Dat is een hardnekkig restant uit de jaren 90. Ik gun die G4 dat wel. Maar die cesuur is vreemd.”

Daarom is Elbrink blij met de introductie van het brainport-begrip in 2004 in de Nota Ruimte. Ik daag hem uit: wat heb je nu aan zo’n begrip. Ik begrijp dat ik niet te snel en te veel moet willen. Praten over ‘brainport’ betekent de eerste herwaardering van economische sectoren die niet over bloemen en vrachtwagens gingen. De verandering markeren. “We werden herkend en erkend door Den Haag.” Daarna is het een kwestie van lange adem. Elbrink hoopt dat het nieuwe denken op termijn leidt tot andere verdeelmodellen. Want: “Als er cadeautjes worden uitgedeeld zie je altijd dat de eerste cadeautjes naar de G4 gaan”. Dat soort logica doorbreken is een zaak van lange adem. Roept ook veel weerstand op, gaat om belangen. Gelukkig zien we in trajecten als REOS en het rapport “Maak Verschil” van de studiegroep Openbaar bestuur ontwikkelingen die beter aansluiten bij de logica van deze tijd. Het gaat om economische kerngebieden waar het geld verdiend wordt.

Wat is de rol van de gemeente? Ik hoor Elbrink meermalen zeggen: “even helpen”. Even wat geld bijleggen. Hier aan het Stadhuisplein wordt de dienst niet uitgemaakt. Maar we kunnen wel helpen. Dat is de bestuurscultuur die dateert uit de tijd van Philips, die hier wel alles bepaalde. Er is hier geen cultuur van ‘we run this city’. Lange traditie met veel maatschappelijk initiatief, veel stakeholders. Daarmee cijfer ik de gemeente niet weg. Als organisatie kent de gemeente iedereen. Zo kunnen wij mensen met elkaar in contact brengen. We kunnen de smeerolie zijn. Soms brengen we bedrijven met elkaar in contact. Vaker brengen we bedrijven en maatschappelijke instellingen met elkaar in contact. En we zijn voor de funding natuurlijk vaak belangrijk. Denk ook aan de Stichting Brainport, onze Economic Board, sinds 2011. Die vindt zijn oorsprong in de jaren 90. We hadden malaise bij Philips, en DAF. Burgemeester Rein Welschen haalde de mensen bij elkaar. Bedrijven, universiteit, gemeente. Zo is uiteindelijk de Brainport ontstaan.

We zijn een pragmatische stad, een pragmatisch gemeentebestuur. We lopen ze niet in de weg. Je moet je steeds afvragen: voegen we echt iets toe? Wanneer moet je even niks doen? Geen beleid maken. Ja, de gemeente hielp Philips groter worden. Dat is nog steeds onze cultuur. Natuurlijk denken we wel dat het uitmaakt wat we doen. Maar het is toch vooral actief faciliteren.

 

 

Triomf van de stad: alles begint met werk

september 8, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

Interview met prof Frank van Oort

Frank van Oort is hoogleraar Urban and regional economics aan de Erasmus Universiteit. Hij is dus bij uitstek een man die moet je spreken als je geïnteresseerd bent in de Triomf van de stad. Hij weet waarom veel steden een periode van bloei doormaken. Hij weet waarom hoogopgeleide mensen in steden willen wonen en bedrijven zich bij hen in de buurt willen vestigen. Maar hij weet ook dat die grote bloei niet voor alle steden geldt. Waarom trekt de economie in Amsterdam en Utrecht bijvoorbeeld wel heel erg aan? En waarom trekken mensen én bedrijven weg uit Emmen en uit Enschede?

Bedrijf is in de stad productiever

Van Oort begint graag met de basis. Waarom trekken bedrijven naar steden? Omdat hun omstandigheden daar beter zijn dan op het platteland. Dat blijkt uit ook uit de simpele cijfers. Hetzelfde bedrijf is in de stad 5-7% productiever dan op het platteland. En dat verschil wordt alleen maar groter naarmate de stad meer inwoners heeft. Marshall heeft dat in 1890 allemaal al opgeschreven. De stad heeft agglomeratievoordelen. In een stad is de arbeidsmarkt groter en komen vraag en aanbod veel gemakkelijker bij elkaar (matching). In de stad kan je je specialiseren en kan je toeleveranciers en uitbesteders delen (sharing). En in de stad leer je meer van elkaar omdat er meer bedrijven zijn. En universiteiten en andere kennisinstituten. Dat is eigenlijk gratis kennis. Daardoor heb je minder zoekkosten (learning). Marshall onderzocht deze fenomenen al in zijn tijd in Manchester en in Liverpool. Tegenwoordig zijn het nog steeds dezelfde mechanismes, alleen gaat het heel veel sneller.

Maar er zijn ook agglomeratienadelen van al die drukte, van al die mensen en al die bedrijven dicht op elkaar. Files, vervuiling, fijn stof, de natuur staat onder druk, en hoge huizenprijzen. In London moet je een paar miljoen meenemen als je een huis wil kopen tegenwoordig. Maar uiteindelijk zijn de voordelen in veel steden toch veel groter dan de nadelen. Denk aan de hogere salarissen. Daarom willen velen, ondanks de nadelen toch in die steden zitten.

Een echte theorie of handige begrippen

Ik vraag Van Oort of we het nu hebben over een echte theorie, die iets kan verklaren, of dat we het alleen maar hebben over begrippen waarmee je steden (iets) beter kan begrijpen. Veel economen zouden dat geen prettige vraag vinden. Ze verwarren de werkelijkheid vaak met hun model en hun model met de werkelijkheid. Van Oort betoont zich veel meer een sociale wetenschapper. Hij onderkent dat er meer theorieën over de stedelijke economie zijn en dat de één meer waar is dan de ander. Hij vertelt dat economen graag in termen van evenwicht denken. Uiteindelijk ontstaat er voor de meeste economen altijd evenwicht. Bijvoorbeeld: in de evenwichtssituatie zal er altijd (nagenoeg) volledige werkgelegenheid zijn. Van Oort onderkent in zijn vak echter geen convergentie, maar divergentie. De economische groei doet zich vooral in steden gelden. Het achterland blijft bijna per definitie achter. Van evenwicht tussen stad en land is geen sprake.

Maar ik blijf zuigen. Verklaart die theorie nu echt iets, of is hij zelfs tautologisch? Als er groei is, is er groei. Als er triomf is, is er triomf. Hoe kunnen we uit deze theorie nu de bijzondere ontwikkeling van de economie van bijvoorbeeld de stad Leiden verklaren? De theorie gaat er immers vanuit dat het proces van matching, sharing en learning ertoe leidt dat een stad steeds aantrekkelijker wordt. Namelijk, doordat er zich steeds meer mensen en bedrijven vestigen. Zo komt een vliegwiel in beweging. Maar Leiden was een florerende stad in de Gouden Eeuw en was een paar eeuwen later zo verarmd, dat delen van de stad werden gesloopt. Maar volgens Van Oort is dat logisch. Als zich technologieën aandienen, heb je vaak andere skills, andere vaardigheden nodig. En het is maar de vraag of de stad die onder de oude technologie nog floreerde, ook over die nieuwe vaardigheden beschikt. Bovendien stopt het vliegwiel van de stedelijke economie als de markt verzadigd is. Als je textiel maakt, en de markt wil geen textiel meer, of het wordt elders heel veel goedkoper gemaakt, dan gaat de textiel weg. Kijk eens naar de autoindustrie in Detroit, die was de grootste ooit. Maar als ze elders innovatiever zijn, dan kan je die voorsprong zo kwijt zijn. En kan het vliegwiel heel snel tot stilstand komen.

Dus dat vliegwiel van de zich versterkende agglomeratievoordelen blijft niet altijd draaien. Zeker niet als je te eenzijdig bent gespecialiseerd. Van Oort: Je moet een breed portfolio hebben. Je moet bedrijven hebben die groeien, waar je de werkgelegenheid uit haalt en je hebt dingen nodig die nog heel klein zijn, maar die in de toekomst gaan groeien. En natuurlijk, sommige steden zijn bijna door hun historie onverslaanbaar. Denk aan London. Dat blijft door zijn padafhankelijkheid altijd aantrekkelijk voor nieuwe ontwikkelingen.

Afstand doet ertoe

Oké, ik geloof Van Oort zijn vliegwiel-theorie. Omdat steden aantrekkelijk zijn, trekken ze steeds weer mensen en bedrijven aan en daardoor worden ze nog aantrekkelijker voor nog meer mensen en bedrijven. Nu hebben veel Nederlandse steden (en veel steden elders) in de tweede helft van de vorige eeuw een terugslag gehad. Door de industrieën vervuilden en verpauperden de steden en trokken veel mensen naar buiten. In de kenniseconomie is de trek naar de stad weer enorm toegenomen. Dat zeggen we. Maar je zou ook kunnen zeggen dat de agglomeratienadelen enorm zijn afgenomen. De vervuiling is sterk teruggedrongen, de industrie heeft zich naar elders verplaatst en de gasfabrieken zijn overal gesloopt. Wat is het nu? Iedereen beweert dat de steden juist door de kenniseconomie zijn gaan bloeien en groeien, terwijl je ook kan zeggen dat de steden weer veel aantrekkelijker zijn geworden omdat de nadel van vijftig jaar geleden gaandeweg zijn verdwenen.

Van Oort onderkent dat veel agglomeratienadelen zijn verdwenen. Maar hij weet ook dat in de kenniseconomie de agglomeratievoordelen van steden nog veel sterker zijn gaan meespelen. Kennis heeft altijd een rol gespeeld in de economie. Maar nu hebben we veel meer toegang tot allerlei vormen van kennis door ICT. Je zou kunnen zeggen dat je overal toegang tot kennis hebt. Dat de wereld zelfs flat zou kunnen worden. Toch is de trek naar de steden overal toegenomen. Dus die kenniseconomie heeft zelfde drivers als de oude economie. In die kenniseconomie zijn face-to-face contacten bovendien heel belangrijk. Het gaat over overleg, het gaat om vertrouwensrelaties die je in direct contact opbouwt. Vooral in de steden heb je veel meer kans op interactie. Daar vind je de plekken waar je veel meer kan leren. In dat opzicht is het belang van face-to-face contacten een aanvulling op de theorie van Marshall. Toch wordt het belang van die face-to-face contacten ook wel eens overdreven. Het gaat in de kenniseconomie niet alleen daarom, zoals Glaeser wel eens lijkt te suggereren. Het gaat ook over transportkosten.

Gaat Rifkin Rotterdam echt helpen?

Kenniseconomie en opleiding hebben vanzelfsprekend veel met elkaar te maken. Hoe hoger opgeleid hoe productiever. Van Oort: Als je er veel van hebt, zit je goed. Zeg maar Utrecht. Maar je moet nooit gemakzuchtig worden. Utrecht lijkt te denken: we hebben zo’n reservoir, wij hoeven niets meer te doen. Maar in de toekomst hebben ze niet meer genoeg aan zakelijke dienstverlening en ICT. Daarin zal verzadiging optreden. In de toekomst moet het wel ICT met iets anders zijn. Met zorg, of met veiligheid of iets anders Je moet naar markten toe die groeien. Het blijft nooit automatisch goed gaan.

Toch is het probleem van Utrecht een luxeprobleem. In Rotterdam ligt het echt anders. Daar biedt de arbeidsmarkt niet de kwaliteiten die de kenniseconomie op dit moment vraagt. Zo wil Rifkin van Rotterdam een smart port maken, maar Van Oort is bang dat Rotterdam de bijbehorende werknemers niet zal kunnen leveren. De arbeidsmarkt is de achilleshiel van Rotterdam. Van Oort: je gaat de arbeidsmarktproblemen van Rotterdam niet oplossen met het nieuwe verhaal van Rifkin. De mensen die Rifkin aan het werk wil helpen, heb je niet in Rotterdam.

Het vliegwiel start bij werken

Wie over arbeidsmarkten praat, praat in de stedelijke economie al gauw over de vraag of mensen naar steden trekken omdat er werk te vinden is, of dat bedrijven naar steden trekken omdat er goede werknemers te vinden zijn. In jargon: volgt wonen werken of volgt werken wonen? Het CPB meent dat werken tegenwoordig wonen volgt. Van Oort is veel genuanceerder: in eerste instantie gaat het erom dat je werk hebt. En dan kan je overal wonen. En je kan niet overal wonen als je geen werk hebt. Je kan dus wel dure appartementen in Rotterdam bouwen, voor hoger opgeleiden. Maar als er geen werk is komen die hogeropgeleiden maar met mondjesmaat en vaak moeten ze dan ook nog eens ergens anders werk gaan zoeken. In Den Haag of Amsterdam. Daar heb je dus niet zoveel aan. Er komen hier in Rotterdam ook geen nieuwe bedrijven omdat er een paar hoogopgeleiden wonen.

Voor Van Oort is het cruciaal: als het vliegwiel ergens start, dan start het bij werk. Pas als werk voldoende aanwezig is, dan krijgt het CPB gelijk. Dan gaat het vliegwiel draaien. Dat heb je vooral in de Noordvleugel. Maar de accountants die we hier aan de universiteit opleiden gaan allemaal aan de Zuidas werken. Dat los je niet op door mooie woningen aan de Maas neer te zetten. Dat los je op door hier werkgelegenheid te creëren waar dat soort functies nodig zijn. Er moeten weer hoofdkantoren naar Rotterdam komen, maar in de havenbranche zitten alle hoofdkantoren tegenwoordig in London.

Als er aan de voorwaarde van werk is voldaan, gaat het wonen wel een grote rol spelen. Mensen willen daar wonen, waar ze zich prettig voelen. Hogeropgeleiden hebben behoefte aan theaters, aan restaurants. Maar nogmaals, als je een mooi theater bouwt gaat het vliegwiel niet meteen draaien. Dat zie je ook in Enschede. Waar ze ook een prachtige wijk hebben gebouwd. Al die woonattracties, die amenities, werken als het vliegwiel eenmaal draait. In Amsterdam. In Utrecht. Dat zijn de echte consumercities.

Maar als ik vervolgens Eindhoven aankaart, ligt het toch weer ingewikkelder. Eindhoven heeft maar weinig voorzieningen, en de binnenstad is niet opvallend aantrekkelijk. Toch is dat in Eindhoven geen probleem volgens Van Oort, omdat ‘nerds’ andere behoeften hebben. Nerds willen gewoon carrièreperspectief, die willen werken, die willen op de campus. Die theorie van de Triomf van de stad is dus een ingewikkelde theorie. Hij klopt in Amsterdam en in Utrecht. Maar in Rotterdam draait het vliegwiel niet. En in Eindhoven loopt het goed, ondanks het feit dat het wonen daar niet attractief is. Van Oort zegt ook: de hele theorie is gericht op steden als Amsterdam. Omdat daar alles de goede kant opdraait. Maar het levert geen recept op voor iedere stad. Van Oort: ik zou in Eindhoven niet meteen achter cultuur aan gaan. Ik zou eerst eens goed gaan kijken, waaraan jouw doelgroep behoefte heeft. Wie gaat er gebruik van maken van dat nieuwe theater?

Niet elke stad een eigen campus, alsjeblieft

Het is boeiend dat Van Oort steeds weer het accent legt op werken. Op de werkgelegenheid. Op de bedrijven. Woonattracties zijn leuk, maar uiteindelijk gaat het om werk. Bovendien is ook nog eens het soort bedrijvigheid van groot belang. Sommige economen hebben altijd gedacht dat een homogene sectorstructuur goed zou zijn voor een stad. Hoe meer bedrijven van eenzelfde soort, hoe meer economies of scale. Maar Van Oort legt ook de nadruk op learning. En van identieke bedrijven kan je volgens hem minder leren. Als iedereen hetzelfde doet, ben je bovendien vooral concurrent. En bedrijven hebben in de regel niet de neiging om hun concurrent wijzer te maken dan hij al is. Met een homogene sectorstructuur heb je natuurlijk wel het voordeel van de arbeidsmarkt die je deelt. In Silicon Valley kan je heel veel ICT-ers vinden.

Maar je moet ook weer niet te veel van elkaar verschillen om iets van elkaar te kunnen leren. De schoenmaker leert niet veel van de fietsenmaker. Die heeft heel andere dingen te doen. Het moet ook weer niet te divers zijn voor cross-overs. In dat opzicht verwerpt Van Oort de ideeën van Jane Jacobs. Volgens hem heb je behoefte aan gerelateerde diversiteit. Je moet wel met mensen kunnen praten. Als je dezelfde technische taal spreekt, kan je iets van elkaar leren. Denk aan machinebouw naast de productie van auto’s.

Het is een mooie gedachte, gerelateerde diversiteit op je bedrijventerrein. Maar hoe organiseer je dat? Van Oort gelooft niet dat de overheid hier veel kan doen. Ten onrechte denken overheden volgens hem dat zij die cross-overs kunnen organiseren, door bedrijven bij elkaar te zetten. Maar bedrijven zoeken dat zelf wel uit. Van Oort: ik zeg altijd: de economie is zelfsturend. De overheid kan bedrijven faciliteren. Dat ze zich thuis voelen. Vergunningen snel leveren. Mooie woonmilieus. Glasvezel. Maar dat zijn allemaal noodzakelijke voorwaarden, geen voldoende. Je kan het daar alleen op verliezen, niet op winnen. Ja het is prachtig als bedrijven en kennisinstellingen samenwerken. Maar dat moeten ze zelf doen. Dat kan de overheid niet opleggen. Bovendien hebben gemeenten niets te zeggen over de belangrijkste kennisinstellingen, de universiteiten. En dan vlucht de gemeente al snel in de richting van een mooie campus. En in het vergroten van de bereikbaarheid van de campus. Allemaal voorwaarden, maar of mensen gaan samenwerken is hun eigen keus.

Overigens is Van Oort ook heel kritisch over al die pogingen van gemeenten om allemaal hun eigen campus aan te leggen. Als het niet veel geld kost, ach, dan schaadt het niet. Maar het is wel belastinggeld. Campussen ontstonden vaak rondom een grote kennisdrager. Vaak is het toeval als een campus ontstaat. Maar als er één is, moet je zeker niet proberen in de omgeving er nog één te maken. Dan hebben de bedrijven zich al uitgesorteerd. In Emmen een ICT-hub maken heeft geen zin, als de bedrijven allemaal al in Eindhoven en Delft zitten. Het is vaak een een netwerk van elite-onderzoekers die heel sterk samen bepalen waar wat gebeurt. Lifesciences zit in Nederland in Leiden, Wageningen, Eindhoven en Utrecht. Die doen heel veel met buitenland. Maar Europees zijn onze pieken alleen maar heuveltjes. Cambridge, Braunschweig zijn echt groot.

Massa lenen bij de buren

Nederlandse steden hebben inderdaad vaak weinig massa in vergelijking met de buitenlandse concurrenten. In de wereld van bestuurders wordt veel gesproken over ‘borrowed size’. Zou het helpen om van elkaar te profiteren? Om als het ware massa bij de ander te lenen. Van Oort is daarover helder. Het zijn niet de bestuurders die steden bij elkaar op kunnen tellen, maar het is de markt die zelf sorteert. Daarvoor moeten steden onderling goed bereikbaar zijn. Als je één arbeidsmarkt bent, kan je uitwisselen. Maar er moet ook iets zijn om uit te wisselen. Het probleem in Nederland is dat elke stad zich in alles specialiseert. En dan valt er niet veel uit te wisselen. Ja, als er geen agglomeratievoordelen zijn, is er ook geen borrowed size.

Ik breng in dat we ondanks ons gebrek aan massa toch een heel rijk land zijn. Hoe kan dat dan, als onze pieken in de kenniseconomie internationaal maar kleine heuveltjes zijn. Het gesprek krijgt hier bijna een komische wending. Van Oort: Ja, we doen veel handel. In Europa zijn we een smeermiddel tussen allerlei sectoren. Ja, we hebben Born, maar vlak over de grens heb je 40 van dat soort autofabrieken. Ik interrumpeer weer: en toch doen we het economisch enorm goed in Nederland. Hoe kan dat? Van Oort: Ja, we zitten vooral in de handel. En in de dienstverlening. Daar heb je relatief minder massa voor nodig om winsten te halen. In dat licht is het goede vraag waarom we ons zo druk maken over die campussen. Ja, we willen ook innoveren. Alleen Eindhoven is daar echt goed in. Heel veel patenten. Ja, we verzinnen 11 topsectoren, waarvan je je moet afvragen of dat nou onze top is. Van Oort denkt dat we terug moeten naar wat we het beste kunnen. Handel en zakelijke dienstverlening. High tech systems and materials doen ze in Duitsland honderd maal beter. Lifesciences gaat in Oxford en Cambridge heel veel beter dan hier. Ja, daar heb je wel een punt. Zakelijke diensten is niet eens een topsector in Den Haag! Transport wel, maar handel niet.

Triomf is niet voor iedereen

We hebben het er al over gehad. Dat vliegwiel is prachtig als het eenmaal draait, maar ook dan draait het niet voor iedereen. Van Oort kent het onderzoek. PBL geeft aan dat een nieuwe baan voor een hoogopgeleide nauwelijks gevolgen heeft voor de werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Marlet heeft aangetoond dat er wel banen aan de onderkant bijkomen maar dat die vaak door hoogopgeleiden worden ‘ingepikt’. De PhD achter de bar. Elders is er volgens Moretti wel sprake van ‘triggling down’. Volgens hem zou één nieuwe baan aan de bovenkant zelfs voor vijf nieuwe banen aan de onderkant zorgen. Maar in Nederland hebben we dit soort cijfers nooit gevonden. Anders gezegd: Rifkin lost dus het probleem van Rotterdam-Zuid niet op. We moeten ons niet rijk rekenen met trek in de schoorsteen. Daar komt de komende jaren een ander probleem bij. Er komen steeds minder banen voor de middengroepen, door ICT en robotisering. De middengroepen kunnen niet naar boven en willen niet naar beneden. Dat zal grote problemen geven en grote ongelijkheid.

Bedrijven zoeken zelf wel hun plek

De grote vraag blijft: wat kan de overheid doen. Het is ook een vraag die Van Oort bezig blijft houden. Hij zegt: zoveel mogelijk obstakels uit de weg werken. Bottlenecks wegnemen in het onderwijs. Maar dat is niet zo eenvoudig. Studenten zouden nu het vak moeten leren, dat we straks nodig hebben. Maar hoe schatten we dat in. Bovendien: hebben we de docenten ervoor? Van Oort: ik zou eerlijk gezegd ook niet weten wie dit anders zou moeten doen dan de overheid. We hebben overal Economic Boards, maar dat zijn niet de organisaties die op het terrein van het onderwijs dit soort dingen kunnen aanpakken. Maar heeft de overheid de goede mensen in huis om die toekomst een beetje aardig in te schatten? En je morrelt ook nog eens aan competenties van hbo-instellingen en van universiteiten.

Daarnaast: Ja, je moet bereikbaar zijn, je moet goede woonmilieus hebben, het moet veilig zijn. Leefbaar zijn. Het zijn de klassieke taken van de overheid. Maar dat doen ze overal in Europa. Dus waarom zou ons beleid differentiëren? Maar verder? Je kan wel besluiten dat er nu nog één groot biotechnologie bedrijf zou passen in je gemeente. Maar die kan je niet zomaar halen. Anders zouden ze er wel zitten. Bedrijven zoeken zelf wel hun plek.
Rotterdam, 28 juni 2016

In de stad ben je productiever

maart 4, 2013 by  
Filed under De Stad

cc-bridge-commuteWaarom vestigen bedrijven zich eigenlijk in steden? De grondprijzen zijn er hoger, waardoor bedrijfsgebouwen duurder zijn en de werknemers hogere woonlasten hebben. De loonkosten zijn er hoger, omdat werknemers in steden gemiddeld meer verdienen dan op het platteland. Ja, waarom trekken niet alle bedrijven naar het platteland? Oost-Groningen zou toch eigenlijk heel aantrekkelijk zijn voor een bedrijf: je koopt voor een habbekrats een bedrijfsgebouw en de lonen van de werknemers zijn er veel lager.

En toch gebeurt dat niet. De reden is tamelijk simpel: in de steden zijn bedrijven productiever dan op het platteland. En daarmee bedoel ik niet dat het gemiddelde bedrijf in de stad productiever is dan het gemiddelde bedrijf op het platteland. Nee, eenzelfde bedrijf in Veendam is 5 tot 7% minder productief dan hetzelfde bedrijf in Amsterdam. In jargon: dus wanneer we bijvoorbeeld ‘controleren’ voor de opleiding van de werknemers en voor het soort werk.

Het is ongeveer de hamvraag van de ruimtelijke economie. Waarom is een bedrijf in de stad zoveel productiever dan zijn identieke evenknie op het platteland? Wie een helder antwoord op die vraag wil krijgen moet eens met Frank van Oort gaan praten. Frank is hoogleraar stedelijke economie aan de Universiteit van Utrecht. Hij doceerde een paar weken geleden voor een leergang van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, waarvan ik de trekker ben.

Frank doceert en grijpt terug naar Marshall die al in 1890 schreef over de agglomeratievoordelen van de stad. Zo heeft Amsterdam drie voordelen boven Veendam. Ten eerste hebben bedrijven in Amsterdam minder zoekkosten. Dit geldt zowel voor personeel als voor subcontractors. Er bieden zich veel meer mensen aan als werknemer en veel meer bedrijven als subcontractor. In Veendam ligt dat anders. Daar zal een bedrijf hogere kosten hebben om voldoende goede mensen te vinden.

Ten tweede is de arbeidsmarkt in Amsterdam niet alleen veel omvangrijker, maar ook gewoon beter van kwaliteit. Oké, de lonen liggen in Amsterdam hoger, maar daar krijg je dan ook wat voor. Ook als het om dezelfde functies gaat. Het is een heel oud gegeven dat de betere werknemers naar de steden trekken en de minderen achterblijven op het platteland. Dat drukt de gemiddelde kwaliteit van de gemiddelde werknemer in Veendam.

Ten derde zorgt een concentratie van bedrijven, zoals je die in de steden kent, voor ‘kennis spillovers’. Bedrijven leren van elkaar. In de stad zit kennis ‘in de lucht’. Niet alleen omdat werknemers van verschillende bedrijven met elkaar praten. Maar ook omdat steden vaak veel kennisinstellingen kennen, die hun contacten met het bedrijfsleven hebben.

Het is binnen de ruimtelijke economie een oude discussie of vooral identieke bedrijven van elkaar leren dan wel bedrijven die sterk van elkaar verschillen. Bloeit de economie vooral van homogene clusters van bedrijven of juist van diverse clusters? De bedrijfseconoom Porter is aanhanger van de eerste these, de econoom Glaeser van de tweede. Veel onderzoek is er inmiddels gedaan om aan te tonen wie van hen beiden gelijk heeft. De helft van de studies geeft aan dat diversiteit belangrijker is (Glaeser heeft gelijk!), de andere helft van de studies geeft aan dat specificiteit belangrijker is (Porter heeft gelijk!).

Frank van Oort kiest een interessante tussenpositie. Volgens hem moeten clusters van bedrijven worden gekenmerkt door ‘gerelateerde diversiteit’. Juist dan zullen we baat hebben van elkaars nabijheid. En zullen ze van elkaar kunnen leren. Die gedachte oogt logisch. Bedrijven die volledig identiek is, hebben wellicht te veel gemeen om nog veel van elkaar te kunnen leren. Bedrijven die te sterk van elkaar verschillen, hebben elkaar wellicht minder te melden. Dus: de stedelijke economie heeft baat bij een zeker profiel, maar niet bij een monocultuur.

Daarmee doemt de vraag op wat het lokaal bestuur kan doen om de productiviteit van de lokale bedrijven verder te vergroten (en bovendien de eigen stad nog aantrekkelijker te maken voor andere bedrijven). De drie argumenten van de ruimtelijke economie kunnen ons hierbij goed helpen.

Eén: in de stad zijn meer potentiële werknemers en meer potentiële subcontractors bereikbaar. Omdat ze dichtbij wonen. Maar dichtbij wonen is relatief. Als het verkeer vast staat in de file kan dichtbij nog heel lang duren. En als er een fantastisch net is van vervoersmodaliteiten is verder weg ook nog dichtbij. Het vergroten van de bereikbaarheid kan dus sterk bijdragen aan de stedelijke economie. Bereikbaarheid is ook figuurlijk van belang: de arbeidsmarkt moet goed functioneren om vraag en aanbod bij elkaar te brengen. Daar kan bijvoorbeeld het UWV belangrijk werk verrichten.

Twee: de kwaliteit van de stedelijke arbeidsmarkt vergroot de productiviteit van de bedrijven in de stad. De ene stad is aantrekkelijker om te gaan wonen dan de andere. Voor veel mensen is Amsterdam een aantrekkelijker woonplek dan Rotterdam (waarschijnlijk omdat ze Rotterdam onvoldoende kennen). Die aantrekkelijkheid van steden is voor een belangrijk deel een gegeven. Rotterdam heeft geen grachtengordel. Maar het lokaal bestuur kan er wel veel aan doen om de aantrekkelijkheid te vergroten. Zo is het bezuinigen op cultuur in dat licht niet erg logisch. En het bouwen van corporatiewoningen aan de Maas is charmant, maar wellicht minder goed voor de stedelijke economie. Nee, de stad moet juist nog aantrekkelijker worden gemaakt voor die werknemers die de productiviteit van je bedrijven verder zullen verhogen. Hoe aantrekkelijker je stad, hoe beter de stedelijke arbeidsmarkt en hoe productiever je bedrijven.

Drie: clusters van bedrijven leren van elkaar en de combinatie met kennisinstellingen maakt de stedelijke economie nog productiever. Op dit terrein zijn nogal wat steden actief, terwijl het tegelijkertijd om de weerbarstigste factor gaat. De ontwikkeling van een ‘campus’ (een locatie voor bedrijven en universiteit) kan heel positief zijn. Maar je bent niet meteen een ‘valley’ als je die naam eenmaal hebt bedacht.

De uitwisseling tussen kennisinstellingen en bedrijven gaat immers niet vanzelf als ze in elkaars nabijheid verkeren. Enige decennia geleden ontwikkelde de gemeente Rotterdam een ‘brainpark’ naast de Erasmus Universiteit. Omdat het gebied erg gunstig was gelegen voor de automobilist, waren de kavels snel uitverkocht. Uiteindelijk bleek maar één bedrijf een relatie te hebben met de universiteit.

In Leiden deed de gemeente dat beter. Daar werd een groot terrein naast het Universitair Medisch Centrum bestemd voor biomedische bedrijven. Door nauwlettend toe te zien op de uitgifte van de kavels heeft zich inderdaad een cluster van biomedische bedrijven gevormd. De verkoop van kavels werd dus gekoppeld aan een helder profiel.

Maar ook dan is een vruchtbare uitwisseling tussen universiteit en bedrijfsleven nog geen gegeven. De Nederlandse universiteiten zijn minder op ‘valorisatie’ (benutting van kennis in het bedrijfsleven) gericht dan elders het geval is. Om dat te verbeteren is nationaal beleid nodig. De gemeente heeft nauwelijks instrumenten om universitaire wetenschappers meer te laten samenwerken met bedrijven in de omgeving.