Graag PEARL én Primos

september 6, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

Er zijn nachten geweest dat ik ervan droomde: PEARL of Primos. Ik was directeur van het Ruimtelijk Planbureau (RPB). Eerst had je Primos, een regionaal bevolkingsprognosemodel dat met een riant contract van het ministerie van VROM door een privaat bedrijf in Delft aan de man werd gebracht. Het RPB ontwikkelde met het CBS het model PEARL, dat natuurlijk veel beter was. Bovendien werden de PEARL-prognoses gratis ter beschikking gesteld. Toch bleef het ministerie van VROM bij Primos zweren. Ja, de minister kreeg ik een keer om, maar bij de ambtenaren is me dat nooit gelukt. Soms vraag ik er nog wel eens naar: heeft PEARL al gewonnen? 

Natuurlijk was die discussie onzin. Niemand heeft ooit kunnen bewijzen, dat PEARL beter is dan Primos. Aan beide modellen is jaren door verstandige demografen gewerkt. En beide modellen zijn zo langdurig gekalibreerd dat de uitkomsten nog maar nauwelijks kunnen verschillen. [Kalibreren is een methode om je eigen model aan de uitkomsten van andere modellen aan te passen.] 

Maar het is ook kortzichtig om te willen kiezen. Ik weet het: ambtenaren en politici baseren zich graag op één model. Dat geeft zekerheid, beter gezegd: schijnzekerheid. Blijkbaar is het prettiger om van één getal uit te gaan dan van twee. Terwijl iedere wetenschapper zal zeggen dat we hoogstens een bandbreedte kunnen voorspellen. En dat twee voorspellingen een beter beeld geven van die bandbreedte dan één. 

Bovendien kunnen juist de verschillen tussen twee prognoses, heel leerzaam zijn. Want waaraan zijn die verschillen te wijten? Waarin verschillen de aannames van de onderzoekers? En welke aanname heeft meer grond? Ik weet het: zo denkt een nieuwsgierigheidsgedreven wetenschapper. Maar waarom zouden de gebruikers van de prognoses niet nieuwsgierig mogen zijn? 

Daarin ligt ook de grootste kracht van een prognosemodel: in de vergelijking. Niet in het voorspellen van de toekomst. Zo is het niet zo interessant dat het CBS voorspelt dat Nederland blijft groeien tot 2060. Het is veel interessanter dat ze een paar jaar geleden nog voorspelden dat Nederland na 2030 zou gaan krimpen. En met name de vraag: waarom hebben ze hun voorspelling moeten bijstellen? Welke (mogelijke) trendbreuk is opgetreden? 

Wat een weelde dat we twee regionale bevolkingsprognosemodellen hebben! Ze dwingen ons tot vergelijken en tot beter begrijpen. En ze bieden twee mogelijkheden om trendbreuken vroegtijdig op het spoor te komen. En vooral trendbreuken zeggen ons iets over de toekomst. 

Wim Derksen was hoogleraar bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en directeur van het Ruimtelijk Planbureau

[column geschreven voor Demos]

Steden verliezen inwoners omdat ze in trek zijn

februari 23, 2016 by  
Filed under artikel

Je ziet het voor je. Het CBS heeft een nieuwe bak met cijfers. Een paar medewerkers doen hun uiterste best om er een persbericht van te maken. Waar moet het nu weer over gaan? De keuze is snel gemaakt: mensen verlaten de stad weer! De kranten nemen het allemaal grif over. Want wat van het CBS komt, dat klopt altijd.

Inderdaad: die cijfers kloppen wel. Maar hoe we de cijfers moeten duiden, en aan welke cijfers we het meeste gewicht moeten geven, daarover kan je toch echt van mening verschillen. Voor het echte begrip is het goed er enkele cijfers aan toe te voegen.

Ten eerste: het gaat hier alleen om de binnenlandse migratie. De buitenlandse migratie is even vergeten in het persbericht. Wie beide bij elkaar optelt ziet dat de grote steden geen inwoners verliezen, maar juist winnen. Vooral in Amsterdam bestaat een enorm vestigingsoverschot vanuit het buitenland. Helaas wordt niet aangegeven waar die buitenlandse instroom vandaan komt, maar het is niet gewaagd om te veronderstellen dat het hier zeker voor de helft om Westerse allochtonen gaat. Kenniswerkers, expats, etc. En om teruggekeerde autochtonen. Dat is toch even een heel ander verhaal: Amsterdam heeft een fors vestigingsoverschot.

Ten tweede: het saldo van de binnenlandse migratie is in Amsterdam en Den Haag negatief, maar in Rotterdam en Utrecht positief. Het verhaal gaat dus alleen maar op voor de eerste twee steden. Dan kan het CBS een mooi kaartje laten zien dat veel mensen vanuit Utrecht verhuizen naar Zeist, De Bilt en Nieuwegein, maar blijkbaar verhuizen er nog steeds meer mensen vanuit die gemeenten naar Utrecht.

Ten derde: het aantal geboorten overtroffen in alle grote steden het aantal sterfgevallen. Dit, opgeteld bij de migratiecijfers, betekent dat de vier grote steden in 2015 weer zijn gegroeid. Dat is toch aan ander beeld dan: ‘burgers verlaten de grote steden weer’.

Ten vierde: natuurlijk is het boeiend dat Amsterdam en Den Haag een negatief binnenlans migratiesaldo hebben, in tegenstelling tot de voorgaande jaren. Maar zoals Jan Latten in de Volkskrant ook terecht opmerkt: de woningmarkt is weer in beweging gekomen. De huizenprijzen zijn weer (fors) gestegen. Daardoor staan veel minder huizen ‘onder water’ (een hogere hypotheeklast dan de waarde van het huis). En zo kunnen mensen, die de verhuizing eerst noodgedwongen hebben uitgesteld, nu toch weer weg. Het kan hier dus ook om een tijdelijk effect gaan.

Ten vijfde: in Amsterdam zijn in 2015 ongeveer 8300 nieuwe woningen gebouwd. Desondanks is de vraag zo hoog, dat de huizenprijzen fors zijn gestegen. Daardoor is die stad voor veel mensen niet betaalbaar meer. Zelfs soms niet meer voor hoogopgeleiden die daarom genoegen moeten nemen met een huis in Amstelveen, Heemstede, Haarlem, het Gooi. Het is dus niet meteen een gewenst vertrek, maar veeleer een noodgedwongen vertrek. Dat klinkt toch anders dan: ‘mensen willen weer een tuin’. Het is dan ook volledig terecht dat Amsterdam in de komende 10 jaar 50.000 wil bijbouwen binnen de eigen gemeentegrenzen. Amsterdam loopt dus niet leeg, Amsterdam kan de vraag op dit moment gewoon niet aan.

En dat Rotterdam wel een positief migratiesaldo heeft, kan men dan ook veel minder enthousiast begroeten dan de Rotterdamse ambtenaar deed die mij de nieuwe CBS-cijfers meteen toestuurde. Verhuizen mensen naar Rotterdam omdat je daar te gemakkelijk een huis kan vinden? Ik weet niet of je daar in alle gevallen blij mee moet zijn.

Liever één puntschatting dan het drijfzand van vier scenario’s

oktober 19, 2014 by  
Filed under artikel

Het CBS presenteert elke twee jaar een prognoses van de bevolkingsontwikkeling van Nederland. Het zijn echte ‘puntschattingen’: in 2040 telt Nederland 17,8 miljoen inwoners. Puntschattingen bieden een heerlijke zekerheid, maar het is wel een schijnzekerheid. Dat zie je ook terug in de tweejaarlijkse bevolkingsprognose van het CBS. De prognoses fluctueren nogal over de jaren heen. Dat is logisch want we kunnen de ontwikkelingen van vandaag niet automatisch doortrekken (extrapoleren) naar de toekomst. Bijvoorbeeld, we weten hoe oud de huidige bevolking is, we kennen de leeftijdsopbouw van de bevolking, we weten op welke leeftijd mannen en vrouwen op dit moment dood gaan, maar wat is de levensverwachting van de groep die nog een tijdje te leven heeft? En hoe ontwikkelt de vruchtbaarheid van vrouwen zich? Nog ongewisser ligt het bij de migratiecijfers, die soms erg van jaar tot jaar verschillen, afhankelijk van de mate van ellende in de wereld. Of van de snelheid van de eenwording van Europa. Gevolg: als we een aantal jaren een hoge immigratie hebben gehad, verwacht het CBS in 2040 een hoger bevolkingstal dan wanneer de immigratie een paar jaar op een laag pitje heeft gestaan.

Het is de reden waarom onderzoekers veel liever met scenario’s werken. Ze weten dat de toekomst te onzeker is om één toekomst te voorspellen. Ze werken liever enkele mogelijke toekomsten uit. Elk scenario heeft zijn eigen puntschattingen. En die puntschattingen te zamen geven bandbreedtes. Daarmee wordt zichtbaar dat de toekomst onzeker is en zich moeilijk laat voorspellen. Dat is een groot voordeel, boven die ene prognose.

Toch bieden ook scenariostudies schijnzekerheden. En ik ben die meer gaan zien, naarmate de WLO-scenariostudie van de drie planbureaus CPB, MNP en RPB meer betekenis kreeg. Eerlijk gezegd had ik bij de presentatie van de WLO in 2006 nimmer gedacht dat deze scenario’s zoveel gewicht zouden krijgen in de beleidsvorming in Den Haag. Voor mij was de presentatie een moment van grote opluchting. De WLO-werkgroep is jaren bezig geweest voordat alle cijfers per scenario waren ingevuld. Als lid van de stuurgroep had ik steeds weer de taak om de meningsverschillen tussen de drie planbureaus over voorlopige conclusies bij te leggen. Was het nu wel of niet denkbaar dat ‘we’ Kyoto niet zouden halen? Ging de Randstad zich nu wel of niet in Oostelijke richting uitbreiden? Één conclusie bleef me vooral bij: de gehele werkgroep tastte vaak volledig in het duister. En dat is nu eenmaal het geval als je grip te krijgen op de toekomst.

Een half jaar voor de afronding van de WLO schreef ik nog een brief aan mijn collega-directeuren van de twee andere planbureaus: als de WLO niet binnen een half jaar zou zijn afgerond zouden wij ons uit het project terugtrekken. Ons management had er geen zin meer in dat we zoveel capaciteit kwijt waren aan een project dat nogal eens doelloos ronddobberde op de drie frames van drie planbureaus. Mijn brief bleek later voor alle partijen een moment van opluchting: godzijdank, we gaan afronden.

Hoe anders was de sfeer na die presentatie in september 2006. Terwijl alle prognoses voor de onderzoekers in zacht potlood werden geschreven, om ze de volgende dag weer te kunnen uitgummen, werden voortaan alle mkba’s op de keiharde waarheid van de WLO gebaseerd. Zoals gezegd, dat is helaas een ernstige overschatting van de studie. De studie kent veel meer onzekerheden dan zo’n positie als ijkpunt voor toekomstige plannen rechtvaardigt.

Het heeft mijn denken over die ‘onbetrouwbare’ puntschattingen veranderd. Niet dat ze voor mij betrouwbaarder zijn geworden. Wel betwijfel ik of een scenariostudie als de WLO een goed alternatief is. Ik begin te vrezen dat scenariostudies uiteindelijk meer nadelen hebben dan zo’n puntschatting op voorwaarde dat de laatste regelmatig wordt ververst.

Laat ik de problemen en de nadelen van (dit soort) scenariostudies eens op een rijtje zetten:

  • Om de onzekerheid van de toekomst enigszins te reduceren nemen de scenariostudies twee basisonzekerheden als uitgangspunt. Voor de WLO was het fundamenteel onzeker of de globalisering zou doorgaan, en of we van een verdere verschuiving van publiek naar privaat mochten uitgaan. Deze twee basis onzekerheden (driving forces) leiden uiteindelijk tot vier verschillende scenario’s. In het scenario Global Economy zou zowel de globalisering als de verschuiving van publiek naar privaat zich voortzetten. In Regional Communities zou het tegenovergestelde gebeuren. Vervolgens is het aan de onderzoekers om binnen zo’n scenario de toekomst verder in te vullen. Maar waarom werd gekozen voor deze twee basisonzekerheden? Geen idee. Omdat economen gepreoccupeerd zijn door beide vraagstukken? Waarom niet de klimaatverandering, die in de prognoses in feite is genegeerd? Waarom niet de inkomensongelijkheid, die pas na Piketty weer op de agenda kwam? Hier is mijn eerste bezwaar tegen scenariostudies: de keuze van de driving forces is gewoon uiterst subjectief.
  • Als een keuze voor de driving forces is gemaakt, kunnen de scenario’s verder worden ingevuld. Daarbij doen zich twee problemen voor. Ten eerste doen we hier niks anders dan het maken van puntschattingen (op welk punt prognoses nou juist tekort schoten). Puntschattingen zijn bovenal op extrapolaties gebaseerd. Trendbreuken kunnen we nu eenmaal niet voorspellen. Zo miste de WLO die ik in 2006 presenteerde, de trendbreuk in het autogebruik, die zich al in 2005 aandiende. Nee, ik stond te vertellen dat de groei in de automobiliteit pas na 2020 zou afvlakken. Wel zouden de files afnemen na 2010 kunnen, wanneer het rekeningrijden zou zijn ingevoerd. Zoals bekend werd het rekeningrijden nooit ingevoerd.
  • Bij scenariostudies doet zich nog een tweede, veel groter probleem voor. Bij een ‘normale’ prognose neem je de huidige situatie en de huidige trends als uitgangspunt en voorspel je hoeveel inwoners Nederland telt in 2040. Maar in een scenariostudie ga je een stap verder: je doet voorspellingen in een veronderstelde toekomst: stel dat de wereld verder globaliseert en dat het primaat is aan de markt hoe zal het dan gaan met de natuur? Dan gaat het niet alleen meer om het extrapoleren van trends (en het missen van trendbreuken), maar vaak ook om een geloof. Of laat ik het wetenschappelijker zeggen: een paradigma. Zo bepaalde het paradigma van de planbureaus dat de hoogste economische groei zich zou voordoen als globalisering en marktwerking het zouden winnen van de nationale grenzen en een sterke publieke sector. We zitten inmiddels sinds 2008 in de derde recessie, als ik de tel niet ben kwijtgeraakt. Zelfs economen zijn het erover eens dat de ongebreidelde globalisering van de financiële markten een belangrijke oorzaak zijn geweest van de kredietcrisis van 2008. Ik heb dan toch liever de schijnzekerheid van een sobere puntschatting die een trendbreuk mist dan de schijnzekerheid van een wetenschapper die zich op drijfzand begeeft.
  • Het idee van bandbreedtes in plaats van puntschattingen is op het eerste gezicht sympathiek. Bandbreedtes suggereren immers meer onzekerheid en onzeker zijn we over de toekomst. Maar welke bandbreedtes moeten we eigenlijk hanteren? De afstand tussen de twee uiterste scenario’s? Op het eerste gezicht lijkt dat heel logisch. Maar waarom zouden de waarden tussen de uitersten waarschijnlijker zijn dan de waarden buiten de uitersten, als je vier willekeurige toekomsten hebt uitgewerkt? Dat zou alleen gerechtvaardigd zijn als de scenario’s op ordinaal niveau zijn gekozen, zoals voor de scenario’s voor de klimaatverandering geldt. Maar dat was bij de WLO helemaal niet het geval. Dus ook die bandbreedtes op zich verschaffen in de WLO een schijnzekerheid.
  • Onderzoekers houden van scenario’s, beleidsmakers hebben er in hun hart een hekel aan. Onderzoekers weten dat zekerheden niet te geven zijn, beleidsmakers hebben moeite om te gaan met onzekerheid. Ze blijven vragen welk scenario het meest waarschijnlijk is. En als de onderzoekers daarop geen antwoord willen geven, bestaat vaak de neiging bij beleidsmakers om de uitersten minder waarschijnlijk te achten en zich te baseren op de ‘middelste’ scenario’s. Dat kunnen we de onderzoekers niet verwijten, maar het bepaalt wel de relevantie van scenariostudies. [Overigens is alles beter dan beleidsmakers die denken dat ze een politieke keuze moeten. “Ik wil dat scenario”. “Nee, meneer, mevrouw, daarvoor zijn toekomstscenario’s niet bedoeld.” “Toch wil ik dat de toekomst er zo uitziet”.]
  • Ten slotte vergen scenariostudies veel tijd. De WLO dateert van 2006, de vorige studie, de EFO, dateerde van 1997. En de planbureaus zijn inmiddels, het is 2014, weer begonnen met een nieuwe scenariostudie, terwijl de WLO in feite met de kredietcrisis van 2008 de prullenbak in kon. Ik denk dat die lange termijn bij scenariostudies onvermijdelijk zijn. Het bedenken van aannames kost immers veel tijd.

Alles afwegende heeft Nederland meer aan de bevolkingsprognoses van het CBS, de puntschattingen die elke twee jaar worden ververst, dan een scenariostudie als de WLO. En als ik eerlijk ben vind ik die puntschattingen van het CBS nog minder interessant dan de trends waarop ze zich baseren. Juist door regelmatig de prognoses te herhalen kom je trendbreuken snel op het spoor. En wordt snel duidelijk waar de paradigma’s van de wetenschappers niet meer dan paradigma’s zijn.