De toekomst van de stad

juli 7, 2014 by  
Filed under De Stad

Inleiding

Steden doen het goed; steden triomferen. We kunnen het overal lezen. Het is waar en het is niet waar. Er is ook hier een achterkant van het gelijk. Niet alle steden triomferen en niet iedereen in de triomferende steden profiteert van het succes. Er blijven belangrijke opgaven over. In dit artikel schets ik zes ontwikkelingen die steden raken. En maak ik zes opmerkingen over adequaat beleid. Ik bepaal me tot Nederland. En raak het recente rapport van de RLi over de toekomst van de stad slechts zijdelings aan, omdat het rapport slechts zijdelings de thematiek weet te raken.

Ontwikkelingen

  1. De steden groeien, het achterland krimpt en ook de randgemeenten verliezen terrein. Verrassend genoeg staat in Nederland het thema ‘bevolkingskrimp’ op de beleidsagenda. Van krimp is in Nederland slechts regionaal sprake, en dan betreft het ook nog kleuterkrimp. De steden, en met name de Randstad blijven groeien. Dus niet krimp, maar urbanisatie is de dominante ontwikkeling in de demografie.
  2. De wereld wordt niet flat, maar spikey. Nabijheid lijkt eerder belangrijker te worden dan minder belangrijk. In de nieuwe economische wereld zijn face-to-face contacten van groot belang. Daarom groeien de steden in plaats van te krimpen. Bedrijven gaan steeds meer op zoek naar een gunstige arbeidsmarkt en omdat het werk steeds meer om hoogopgeleiden vraagt, trekken bedrijven steeds vaker naar steden om mensen te vinden, terwijl mensen n vroeger aar de stad trokken om werk te vinden.
  3. Die triomf van de stad heeft twee gezichten. De hogere inkomens en de hoger opgeleiden leggen steeds meer beslag op de binnensteden. Door gentrification worden aanpalende wijken ingepikt. De armoede verdwijnt buiten de ring of zelfs naar de randgemeenten. Zo telt Amsterdam relatief en absoluut nog steeds meer mensen onder de armoedegrens dan Rotterdam.
  4. Werken volgt wonen niet per definitie. Als er niks te doen valt, gaan de hoger opgeleiden er niet wonen. Veel studenten verlaten Rotterdam meteen na het afstuderen. Er zijn dus ook steden zonder vliegwiel. Het lijkt een zelfversterkend proces. Zie ook de verschillen in de lokale politiek. In de achterstandssteden domineert het nationalisme, in de triomferende steden het kosmopolitisme. Achtergesteld voelen versus hoge verwachtingen.
  5. De dynamiek in de immigratie en de integratie neemt toe. De immigratie verandert van karakter. De populatie wordt diverser, het aantal nationaliteiten neemt toe en het opleidingsniveau wordt gedifferentieerder. Het aantal gezinsherenigingen neemt af. De internationale kenniswerker dient zich aan. De dynamiek in de achterstandswijken is veel groter dan vaak wordt gedacht. Het uitkeringsniveau van Rotterdam-Zuid is momenteel gelijk aan het gemiddelde van de stad, door de enorme toestroom van MOE-landers met werk in de laatste jaren.
  6. De klimaatverandering ten gevolge van het broeikaseffect wordt steeds zichtbaarder. Dat stelt steden voor nieuwe opgaven, zowel in de sfeer van adaptatie als mitigatie. Er zijn veel lokale initiatieven voor duurzame energie, maar het levert nog onvoldoende op.

Adequaat beleid

Op veel ontwikkelingen hebben de nationale en de lokale overheid weinig invloed. Dat steden wereldwijd aan betekenis winnen heeft weinig met overheidsbeleid te maken en alles met veranderingen in de economische structuur. ‘Valleys’ komen meestal bij toeval tot stand en de overheden doen er vooral goed aan om eenmaal ontstane valleys verder te accommoderen. Het betekent niet dat overheidsbeleid geen kwaad kan. Zo hebben de Nederlandse steden een achterstand opgelopen doordat de overheid te lang vasthield aan het groeikernenbeleid en aan een minimum van 80% sociale huur bij nieuwbouw (tot in de jaren 90!). In de sfeer van het accommoderen is de opgave overigens groot. Ik geef zes overwegingen.

  1. Hoewel Amsterdam al enige jaren (hard) groeit zonder dat er een woning wordt gebouwd (hetgeen kan duiden op een nieuwe trend van gezinsverdichting), is het realistisch om uit te gaan van een omvangrijke behoefte aan nieuwe woningen. Er moet meer ruimte komen voor hogere inkomens, maar ook voor doorstromende migranten. En er moet ruimte blijven voor kansarmen. De woningcorporaties hebben zichzelf gedeeltelijk uitgeschakeld, het rijk stopt met het subsidiëren van nieuwbouw. De lokale overheden moeten nog veel grondposities afwaarderen. En de overheid doet er goed aan om burgers zelf te laten beslissen waar en hoe ze willen wonen. De lokale overheid heeft een belangrijke accommoderende rol: laat de stad organisch groeien binnen heldere stedebouwkundige kaders. Kantoren zijn mooie objecten voor vernieuwbouw. De gemeente als aanjager in plaats van struikelblok.
  2. Verdere verbetering van het klimaat voor de slimmen en de rijken is nodig om de stedelijke arbeidsmarkt verder te versterken. Op cultuur heeft de overheid enige invloed middels subsidies. Het aantrekken van onderwijsinstellingen (zoals Den Haag op knappe wijze delen van de Universiteit Leiden uit Leiden losweekt en Almere een HBO aan zich wist te binden) kan veel betekenen. Net zoals ruimte voor jonge ondernemers en een verdere versterking van de eigen identiteit. Maar Amsterdam is de laatste decennia niet gaan floreren en Rotterdam is niet achtergebleven omdat het Amsterdamse stadsbestuur zoveel beter was dan het Rotterdamse. Soms heb je gewoon geluk en moet je het geluk niet in de weg gaan staan. Als veel starters behoefte hebben aan bedrijfsruimte, komt die ook wel vanzelf. En het proces van gentrification is nog nergens ter wereld door de overheid geïnitieerd.
  3. Het idee van borrowed size, dat ook zo’n centrale plaats inneemt in het RLi-advies over de stad, roept bij mij vooral verbazing op. Het idee is tamelijk simpel: als mijn stad te klein is, word ik dan niet groter als ik het inwonertal van de naburige stad erbij op mag tellen? Het doet me denken aan het dolle plan om de universiteiten van Leiden, Rotterdam en Delft onder één holding te brengen. Natuurlijk, die ene universiteit scoort op de lijstjes met artikelen en citaties hoger dan één van de oude drie, maar het geheel is zonder verdere integratie nooit meer dan de som der delen! De economie van Rotterdam wordt ook niet beter als het bestuur van de stad een samenwerkingsovereenkomst sluit met Den Haag, met Amersfoort of met Groningen. De economie van Rotterdam wordt alleen beter als de stedelijke arbeidsmarkt in Rotterdam aantrekkelijker wordt. Bereikbaarheid kan daarbij helpen. Dus als de vervoersverbindingen tussen Den Haag en Rotterdam (nog!) beter zouden worden, zou de Rotterdamse arbeidsmarkt van de Haagse kunnen profiteren. Maar dat heeft niets met borrowed size te maken, maar alles met het versterken van agglomeratie-effecten.
  4. De grootste opgave voor triomferende steden ligt niet bij de triomf, maar bij al degenen die de triomf van de eigen stad niet meemaken. Uiteindelijk gaat de ongelijkheid ten koste van de welvaart, ook in de steden. De kosten van de armoede en de werkloosheid drukken op de stad als geheel. En waar kansarmen kansen worden onthouden, missen we kansen om de stedelijke arbeidsmarkt te versterken. Misschien vragen de mensen in de achterstandswijken daarom wel veel meer aandacht van het stedelijk bestuur dan de kenniswerkers uit de binnenstad. Voor mij gaat het daarbij meer om de mensen dan om de wijken. Arrival neighborhoods zullen altijd laag scoren. Het gaat erom dat mensen uit de achterstandswijken zich kunnen ontwikkelen en hun wijk voor een betere kunnen inruilen. Wie het beleid te zeer op de wijk richt, loopt bovendien het gevaar dat de wijk te duur wordt voor de oorspronkelijke bewoners. In de wereld van waterbedden en roltrappen hebben mensen meer aan een opleiding en een baan dan aan een hogere huur bij een lage uitkering.
  5. Waar de triomferende steden bijna vanzelf lijken te groeien en te bloeien, zijn onorthodoxe maatregelen nodig om de achterstandssteden een positieve wending te laten maken. In dat opzicht is het maar de vraag of Heerlen de wiet-bijverdienste van de bevolking zo dringend moet bestrijden. Ook de Tilburgse bevolking kan die miljoenen goed gebruiken. Het wordt er niet beter op dat de nieuwe lokale elite in de achterstandssteden zo gefocust is op veiligheid en het gebrek aan integratie. Je maakt een stad niet aantrekkelijker door steeds te roepen dat je ‘alle slechte lijstjes aanvoert’. Gratis kluswoningen zijn een beter alternatief. En regelvrije zones en sectoren. Wat zou studenten van de Erasmus, van de Universiteit Tilburg en van de Universiteit Twente kunnen doen besluiten om hun stad niet meteen na het afstuderen te verlaten. Sta alles toe wat God aanvankelijk heeft verboden. En rechtsgelijkheid is alleen mooi als je je dat kan permitteren.
  6. De duurzaamheid gaat niet vanzelf. Zelforganisatie en ‘energieke samenleving’ zijn nogal eens schaamlappen van een overheid die zelf te weinig doortast. In de big society kiest de overheid ervoor om zich over veel zaken geen zorgen meer te maken. In ons geval hoopt de overheid dat zelforganisatie een oplossing biedt waar zij zelf tekort schiet. De boeiende vraag luidt: waarom zou de overheid zich bezighouden met zaken die de samenleving geheel zelf kan oplossen? Mijn antwoord is simpel: alle maatschappelijke belangen die door de samenleving worden bediend, hebben geen overheidsbemoeienis nodig. En omgekeerd: als er overheidsbemoeienis nodig is, kan de samenleving het alleen niet aan. De overheid doet er beter aan burgers en bedrijven die op weg zijn naar duurzaamheid, actief te helpen door het wegnemen van juridische belemmeringen.

 

[Deze tekst verscheen in de S+RO-special ‘Crisis voorbij’, S+RO, 2014/4, pp 20-23]

De waarde van cultuur in de stad

maart 19, 2014 by  
Filed under De Stad

De redenering is bekend: steden zijn de motor van de economie, omdat ze in staat zijn de hoogopgeleiden en de ‘creatieve klasse’ aan zich te binden. Mede omdat veel steden een rijk cultuuraanbod kennen willen die hoogopgeleiden daar graag wonen. En daarmee zijn (veel) overheidssubsidies voor kunst en cultuur gelegitimeerd.

Ik geef toe: ik bezondig me ook vaak aan deze redenering. Maar ik weet niet of ik dat nog zo gemakkelijk zal blijven doen, nu ik de studie van Gerard Marlet en Joost Poort De waarde van cultuur in cijfers heb gelezen. Een heldere studie, een prachtige studie, maar wat zijn de uitkomsten eigenlijk toch nog mager. Laat ik hun redenering volgen.

Die redenering is even simpel als charmant. Omdat mensen van cultuur houden, hebben ze er geld voor over en op basis daarvan kan je de maatschappelijke waarde van cultuur vaststellen. Die maatschappelijke waarde neemt vijf verschillende gedaanten aan: een gebruikswaarde, een economische waarde, een bestaanswaarde, een sociale waarde en een optiewaarde. En iets heeft maatschappelijk waarde bij Marlet en Poort als het bijdraagt aan een verhoging van de welvaart, uitgedrukt in euro’s. Overigens laat die bijdrage zich vaak niet zo gemakkelijk in euro’s uitdrukken.

Mensen maken gebruik van cultuur: ze gaan naar concerten en naar musea. Daar betalen ze voor. Op zich neemt daarmee onze welvaart nog niet toe. Als ze niet naar het concert of naar het museum waren gegaan, hadden ze het geld aan iets anders uitgegeven. Van welvaartsstijging is pas sprake als de burger bereid was geweest om voor hetzelfde concert of het hetzelfde museum een duurder entreekaartje te betalen. Stel dat iemand voor één concert in het Concertgebouw wel twee kaartjes had willen betalen, dan wordt zijn inkomen economisch gezien verhoogd met een gratis half concert. Dat surplus noemen we de gebruikswaarde van cultuur. Voor de podiumkunsten zou de gebruikswaarde jaarlijks € 59 miljoen bedragen.

Omdat sommige mensen graag naar het concert of het theater zijn, zijn de huizen in de buurt van het Concertgebouw en van de Koninklijke Schouwburg meer waard. Dat noemen we de optiewaarde van cultuur. Wat is het waard om er gemakkelijk gebruik van te maken? Voor podiumkunsten zou het in Nederland gaan om een jaarlijkse welvaartswinst van ongeveer € 800 miljoen. De onderzoekers geven wel aan dat de optiewaarde erg moeilijk is te berekenen. Inderdaad, hoe moet je nu vaststellen hoeveel de huizen in Amsterdam-Zuid duurder zijn omdat het Concertgebouw om de hoek ligt? Ook los van het Concertgebouw zijn dat wel aardige woningen.

Ook als mensen niet naar het museum gaan, of naar een concert en het ook niet belangrijk vinden om daar eenvoudig heen te kunnen gaan, kan een schilderij een bestaanswaarde hebben. Zoals de Nachtwacht bijdraagt aan de nationale trots en we het allemaal vreselijk zouden vinden als het schilderij onherstelbaar zou worden beschadigd. De onderzoekers geven aan dat die bestaanswaarde niet valt te meten. Net zo min als de bestaanswaarde van de Elfstedentocht. Maar het is wel een waarde van cultuur.

Economen zijn altijd begaan met de export, omdat je de welvaart van je land kan vergroten door goederen aan het buitenland te leveren. Zo ook met cultuur. Soms gaat het Concertgebouw op toernee, veel buitenlandse toeristen komen in het Rijksmuseum en in het Van Gogh-museum. De economische waarde van cultuur staat voor het geld dat we daarmee als natie verdienen. Die economische waarde is vooral voor musea een belangrijke post. De totale jaarlijkse welvaartswinst van musea bedraagt € 200 miljoen.

Ten slotte de sociale waarde: cultuur heeft een positief effect op gezondheid, op leefbaarheid en op productiviteit. Er is veel onderzoek voorhanden om dit aan te tonen. Maar het onderzoek is allemaal veel te mager om deze sociale waarde van cultuur te kunnen vertalen in een jaarlijkse welvaartswinst.

Daarmee is dit onderzoek nogal ontnuchterend. Ten eerste moest het onderzoek zich beperken tot de letteren, de beeldende kunst, de cultuurparticipatie en de podiumkunsten, omdat de maatschappelijke waarde van andere vormen van cultuur (architectuur, film, festivals etc.) zich nog moeilijker liet bepalen. Ten tweede is de zoektocht van de onderzoekers naar cijfers zo transparant beschreven, dat je beseft dat elk cijfer met drie korrels moet worden genomen.

Het onderzoek is helemaal ontnuchterend als het gaat om het belang van cultuur voor de ‘creatieve economie’, voor de kennisspillovers, voor de innovatie, voor de economische groei. Steden zijn toch de brandhaarden van de innovatie omdat hoogopgeleiden daar clusteren? En ze clusteren daar toch vanwege de speciale stedelijke ‘amenities’, waaronder cultuur? Ja, dat weten we, maar in dit onderzoek kon het niet worden aangetoond.

Resteert een boeiende vraag. Legitimeert deze studie nu alle overheidsuitgaven voor cultuur? Marlet en Poort stellen vast dat de totale maatschappelijke waarde van de onderzochte culturele sectoren hoger is ‘dan de kosten die de maatschappij zich getroost om dat culturele aanbod tot stand te brengen’. Ze voegen er snel aan toe dat dit niet betekent dat elke euro belastinggeld aan kunst en cultuur vanuit welvaartsoptiek automatisch gerechtvaardigd is.

Dat lijkt me ook. Ten eerste hebben economen altijd moeite om rekening te houden met de maatschappelijke herverdeling die het gevolg kan zijn van marktwerking of van overheidsingrijpen. Als cultuursubsidies zouden betekenen dat alle huizen in Nederland meer waard zouden worden, kan de optiewaarde van cultuur een goed argument zijn voor cultuursubsidies. Maar de optiewaarde is niet gelijk verdeeld. Elke cultuurtempel die door de overheid wordt aangelegd komt ten goede aan de mensen die in de omgeving wonen. Juist hun huizen zullen in waarde stijgen. Ik ben dus eerder geneigd om die hele optiewaarde als legitimatie voor een cultuurbeleid van de overheid te vergeten. Je gaat toch geen cultuurtempel bouwen omdat daarmee de huizen in de omgeving duurder worden? [Het lijkt een open deur maar in de CPB-studie Stad en land van 2010 werd nog plompverloren beweerd dat stedelijke investeringen gerechtvaardigd zijn als ze zich terugvertalen in de grondprijzen.]

Daarnaast heb ik nog een fundamenteler bezwaar tegen deze manier van redeneren. Economen hebben vaak de neiging om overheidsingrijpen alleen gelegitimeerd te achten als onze welvaart daardoor toeneemt. Ondanks het feit dat daarbij wordt uitgegaan van een breed welvaartsbegrip (tot ‘geluk’ toe), wordt de waarde van die welvaart door economen bij voorkeur in geld uitgedrukt. Maar zou het niet waar kunnen zijn dat we op die manier aan de essentie van de overheid voorbijgaan: het verbeteren van de samenleving ook als we die verbetering niet in geld kunnen of willen uitdrukken?

 

 

De (onvermijdelijke?) ondergang van de openbare bibliotheken

juni 14, 2013 by  
Filed under artikel

Er komt een nieuwe wet aan voor de bibliotheken. Er is een advies van de Raad voor de Cultuur over deze wet. En beide stellen teleur. Veel woorden over digitalisering, weinig visie op de toekomst van de bibliotheek. Onvoldoende lijkt te worden onderkend dat de openbare bibliotheken in grote nood verkeren. En dat er tegelijkertijd fantastische kansen zijn om een nieuwe visie op de bibliotheek te ontwikkelen.

Eerst een enkel feit en de achtergronden. De hoofdtaak van bibliotheken is nog steeds het uitlenen van boeken. Tussen 1999 en 2009 nam het aantal uitleningen met éénderde af. Inmiddels wordt er overal driftig op bibliotheken bezuinigd. In mijn gemeente Den Haag zijn dit jaar 6 van de 18 filialen gesloten. In Eindhoven wil men alle filialen sluiten. Dat heeft grote consequenties voor de kerntaak. In het eerste kwartaal van 2013 wer denin Den Haag 529.000 boeken uitgeleend, 200.000 minder dan in het eerste kwartaal van 2010. Een bedrijf dat zo snel zijn klandizie verliest zou of failliet zijn, of op zijn minst in paniek.

Wat zijn de achtergronden van deze enorme terugval de openbare bibliotheken? Ik noem er drie. En vertel daarmee niets nieuws omdat ze algemeen bekend zijn. Ten eerste zou er sprake zijn van ‘ontlezing’, met excuus voor het jargon. Maar wie de permanente aandacht van velen voor mail, whatsapp, facebook, twitter en wat die meer zij goed onderkent, weet dat er van ontlezing geen sprake is. Er worden vooral minder boeken gelezen.

Ten tweede komt concurrentie uit de hoek van e-books. In Nederland is die concurrentie overigens nog maar minimaal. Wie de ontwikkelingen in de VS ziet, én wie beseft dat het boek de muziek snel zal volgen (i-Tunes, Spotify), weet dat dit snel zal veranderen. Natuurlijk zullen fysieke boeken blijven bestaan, maar een spoedige teruggang van nog eens 30% van de uitleningen is op korte termijn zeker te verwachten.

Ten derde zijn we kwijtgeraakt waartoe die bibliotheek ook al weer diende. En dat geldt zeker voor de overheid. De bibliotheek is ooit gestart om het volk te verheffen, hoewel de middenklasse en de hogere lagen altijd veelvuldig gebruik hebben gemaakt van de ‘leeszaal’ en de bibliotheek. Die publieke waarde lijkt te zijn ondergesneeuwd, hoeveel mensen ook nog onvoldoende kunnen lezen om maatschappelijk volwaardig te kunnen meedoen (in Den Haag 17%). Het lijkt alsof de overheid niet meer goed weet wat zij moet doen met de bibliotheek. Een recept voor bezuiniging, blijkt in de praktijk.

De vraag dringt zich op: hoe verder? Moeten de openbare bibliotheek in hun vrije val worden gestuit of moeten we de deuren maar sluiten? Het laatste lijkt me doodzonde, want er liggen prachtige kansen. Maar ze moeten wel worden gepakt. En daarvoor zullen we wel vanuit een nieuw ‘paradigma’ moeten denken. Ontlezing zal niet worden gekeerd door ‘leesbevordering’. Maatschappelijke trends laten zich niet door een naïef geloof zomaar omkeren. Ik vermoed dat de bibliotheek ook niet snel marktleider zal worden bij het uitlenen van e-books. Zoals Shell nooit marktleider duurzame energie zal worden, zo is de huidige bibliotheek te netjes en te gesetteld om hier de grote innovaties door te voeren. Als Bol.com morgen met een uitleenservice voor e-books begint is de bibliotheek nog aan het discussiëren over de rol van PSO’s (provinciale service-organisaties) bij de digitalisering van de bibliotheek… Om nog maar niet te spreken over een nieuwe Spotify voor e-books. Zou de burger er overigens iets van merken als hij straks bij Bol.com, bij Spotify for books of bij de nationale bibliotheek zijn e-book leent?

Het heeft dus weinig zin om je druk te maken over ontlezing of over e-books. Het is veel belangrijker om de rol van de openbare bibliotheek werkelijk opnieuw te definiëren. De oude bibliotheek zal onvermijdelijk de weg gaan van PTT en postkantoor. De nieuwe bibliotheek behoeft een nieuw perspectief. Daarbij is interessant dat veel bibliotheken de laatste decennia al hebben geëxperimenteerd met een ruimer profiel. Niet alleen boeken uitlenen, maar ook debatten organiseren, exposities inrichten en dergelijke. Wel moeten we vaststellen dat de bezuinigingen nu juist deze nieuwe ontwikkelingen het hardst treffen. Ten onrechte. Want stel je eens voor dat we in elke buurt een cultureel centrum hadden (zeg: een centrum voor buurt en cultuur), waar (fysieke) boeken kunnen worden geleend, waar taallessen worden gegeven, waar muziekles kan worden genoten, waar de buurtvereniging vergadert, waar wordt gedebatteerd over cultuur en politiek, waar wellicht ook voorschoolse en naschoolse opvang worden georganiseerd, waar bovenal een plek is voor ontmoeting van buurtbewoners? Hoe goed zou dat niet zijn voor de sociale participatie van alle burgers en voor de sociale cohesie in de wijk? Inderdaad, de boeken zijn daar slechts een onderdeel van een veel breder verhaal.

Het kan, maar dan moet er wel iets gebeuren. Op dit moment sluiten gemeenten filialen, en geven zij het schaarse geld uit aan megalomane cultuurprojecten (Spuiforum in Den Haag, vergelijkbare projecten in Utrecht, Arnhem, Nijmegen en noem maar op). In andere wijken wordt het filiaal weggemoffeld in een verzorgingstehuis. Hoe mooi zou het zijn als men juist had ingezet op verbreding van de filialen. Door andere functies eraan toe te voegen. Door een echt antwoord te formuleren op de zogenaamde ontlezing en digitalisering. Door te beseffen dat cultuur belangrijk is voor de stad. En dat cultuur zoveel meer is dan één gebouw of één goed orkest. En dat die brede cultuur ons allen verbindt. En wanneer al die gemeentebesturen hadden gedacht: wat is het eigenlijk ongelofelijk dom om die openbare bibliotheken vanwege die ‘ontlezing’ en die ‘e-books’ geheel te laten doodbloeden.