Het grote misverstand van de lokale politiek

maart 4, 2014 by  
Filed under De Stad

Ze brengen weer rozen, we moeten weer stemmen. De oude media doen veel moeite om ons te informeren over de lokale politiek, maar we zien en horen vooral landelijke politici. De nieuwe media leveren een stroom aan foto’s van folderende wethouders. Ga ik stemmen? Uit overtuiging, uit braafheid of omdat mijn ouders de oorlog hebben meegemaakt? Of ga ik lekker een tegenstem uitbrengen? Ik weet het nog niet. Ik weet wel dat die raadsverkiezingen vooral één groot misverstand zijn. We hebben een basisidee van lokale democratie, maar onze gemeenten voldoen daar helemaal niet aan.

Wat is de basisgedachte van de lokale democratie? Er is een lokale gemeenschap, die moet worden bestuurd. De gemeenschap kiest daarvoor bij verkiezingen uit haar midden een gemeenteraad. Politieke partijen met een politieke visie op de lokale gemeenschap strijden om de stem van de kiezer. De gemeenteraad mag als volksvertegenwoordiging de richting aangeven. Het dagelijks bestuur (het College van B&W) voert het beleid uit. Om het beleid mogelijk te maken wordt er onder de leden van de gemeenschap belasting geheven. Een burgemeester is als symbool van de lokale democratie zowel voorzitter van de Raad als van het College.

Zo dachten de oude Grieken er in Athene over en zo denken nog veel mensen erover. Maar in een moderne democratie is ook een heel ander model denkbaar. Nederland is een klein land. En daarom willen burgers overal dezelfde (rechten op) bijstand, jeugdzorg, gezondheidszorg en noem maar op. Wij willen dat ‘Den Haag’ daarover zekerheid biedt. En bovendien is er nog Europa dat voor alle landen dezelfde richtlijnen uitvaardigt. Het lokale bestuur is ervoor om al deze nationale en internationale regels uit te voeren. Omdat dat effectiever en efficiënter is. De schaal van het lokaal bestuur is afgestemd op een efficiënte uitvoering van (inter)nationaal beleid. Burgers leven zelf in meerdere gemeenschappen, lokaal, regionaal, nationaal en virtueel. Als het beleid elders wordt vastgesteld, kennen we alleen nog maar goede en slechte wethouders. Het onderscheid tussen linkse en rechtse wethouders komt te vervallen. Het is logisch dat de gemeenten voor de uitvoering van Rijksbeleid geld krijgen van het Rijk. De weinige lokale belastingen moeten de gemeenten vooral extra prikkelen om efficiënt met dat geld om te gaan. De wethouders staan centraal in dit model, de gemeenteraad houdt op hen toezicht.

Twee ‘ideale’ modellen. In de praktijk komen ze niet voor. Maar we kunnen wel vaststellen dat de Nederlandse gemeente voor 90% is vormgegeven volgens het tweede model. Dat heeft een lange geschiedenis. Ooit is een belangrijke beslissing genomen toen het Rijk de gemeenten in ‘medebewind’ heeft geroepen om Rijksbeleid te gaan uitvoeren. In andere landen is het lokaal bestuur ongemoeid gelaten (Frankrijk is een goed voorbeeld) en laat het Rijk zijn beleid uitvoeren door functionele besturen (vaak op regionale schaal). Zoals de Belastingdienst bij ons ook lokale en regionale kantoren heeft. De drie grote ‘decentralisaties’ die nu op de gemeenten afkomen (Participatiewet, Jeugdzorg, AWBZ) bevestigen de gemeente in haar uitvoerende rol. Gemeenten moeten bovenal ter plaatse het beleid gaan uitvoeren dat door Den Haag wordt gewenst. Als de jeugdzorg straks verschillen tussen gemeenten laat zien, heeft dat alleen te maken met de kwaliteit van het bestuur, en niet met de progressiviteit van het beleid.

Ook in andere opzichten voldoen de gemeenten steeds meer aan het tweede model. De gemeenten hebben nauwelijks ruimte om zelf belastingen te heffen (veel erger: als ze naar de mening van het Rijk lokaal te veel belasting heffen, worden ze op hun algemene uitkering uit Den Haag gekort). En de laatste jaren spoelt een enorme fusiegolf over de gemeenten, omdat vele te klein zijn om al die Rijkstaken uit te voeren.

Ook de gemeenteraadsverkiezingen passen geheel dit beeld. Mensen stemmen overwegend op grond van ‘landelijke overwegingen’ (vooral in de steden). Dat is verstandig omdat Jetta Klijnsma en de Tweede Kamer niet alleen verantwoordelijk zijn voor de Participatiewet, maar ook bepalen hoe die wet moet worden uitgevoerd. Bovendien zijn gemeenteraadsverkiezingen zogenaamd ‘second-order-verkiezingen’. Ze bieden je de mogelijkheid om lekker tegen het kabinet te protesteren, zonder dat je de PVV daarmee tegelijk in de regering helpt. Al die lokale partijen passen paradoxaal genoeg heel aardig in dit beeld. Soms geven ze uiting aan hun afkeer van de politiek in het algemeen. Soms verenigen ze zich rond lokale issues, maar willen ze vooral een transparanter bestuur; een beter lokaal bestuur, en een minder ideologisch bestuur. Ze willen wethouders die luisteren en ze willen geen wethouders die een ideologisch debat beginnen om hun zwakke optreden te verdoezelen. En ten slotte zijn lokale partijen soms een uitdrukking van het nostalgische verlangen naar het eerste model van lokale democratie.

Eén ding is zeker: die raadsverkiezingen van 19 maart passen niet meer bij de tegenwoordige gemeente. Alle lokale PvdA-ers en VVD-ers zullen worden afgerekend op het kabinet, en nauwelijks op de wijze waarop ze afgelopen jaren hun gemeenten hebben bestuurd of op de mensen die ze voor de komende jaren naar voren hebben geschoven.

Wat nog erger is: de wethouders, de hoofdpersonen van het lokaal bestuur, worden niet door de burgers gekozen, maar door de raadsleden na afloop van de verkiezingen. Daarbij is eerder het bereiken van een meerderheid het streven dan het zoeken naar een coherent program. Het laatste is overigens geen verwijt, het sluit immers geheel aan bij mijn analyse. De nieuwe wethouders hoeven geen raadslid te zijn. Soms staan ze onderaan de lijst en soms komen ze niet eens uit de eigen gemeente. De benoeming van veel wethouders is dan ook een verrassing, sommigen ontbeert elk democratisch mandaat. Daartussen figureert een burgemeester die al even weinig transparant door een vorige gemeenteraad is gekozen.

Ik zou het graag anders willen. Ik zou in Den Haag een wethouder willen kiezen die minder megalomaan is, ik zou in Amsterdam een wethouder willen kiezen die de gemeentelijke toeslagen wel in de hand heeft. Ik heb geen idee hoe ik dat moet doen. Bedankt voor de rozen, bedankt voor de folders, maar wie beseft nog dat het om mijn bestuur gaat?

De PvdA en de gemeenteraadsverkiezingen

januari 4, 2014 by  
Filed under artikel, De Stad

Dat het mogelijk is om voor te beschouwen op de PvdA en de gemeenteraadsverkiezingen zegt veel over de Nederlandse gemeenten. In een volwassen lokale democratie zouden de wenselijkheid van lokale programma’s, de populariteit van lokale lijsttrekkers en niet te vergeten het functioneren van politieke partijen in Colleges van B&W en gemeenteraden bepalend zijn voor de uitslag. Zo niet in Nederland. Hier zal de populariteit van het kabinet, met name in de steden, de uitslag dicteren. Natuurlijk, er zijn ook in maart weer afwijkingen van de landelijke trend, maar die landelijke trend is in alle gemeenten het startpunt. En soms ook het eindpunt.

We kunnen de nationale overheersing van lokale verkiezingen wijten aan het gedrag van nationale politici, die zullen proberen in de voorafgaande weken het nieuws te domineren, en aan het beleid van de nationaal georganiseerde media, maar dat zou hen onrecht doen. Het is namelijk nogal logisch dat gemeenteraadsverkiezingen ook (of zelfs: vooral) een stemming zijn over het kabinetsbeleid, omdat de gemeente in zoveel opzichten het uitvoeringsloket is van rijksbeleid. En zeker op dit moment. Het kabinet heeft drie grote decentralisaties op de rol staan: participatiewet, jeugdzorg en AWBZ/Wmo. Dat je straks minder gemakkelijk een bijstandsuitkering krijgt is niet het beleid van die toevallige wethouder, maar simpel van Jetta Klijnsma. En dat er straks misschien te weinig geld is voor jeugdzorg en Wmo heeft niets met de gemeenten te maken maar alles met het beleid van Martin van Rhijn. Dus laten burgers alsjeblieft in het stemhokje straks juist denken aan deze twee staatssecretarissen. Het zij toegegeven: met hun beleid ben ik het volop eens.

Gelet op de populariteit van het kabinet en van de PvdA op dit moment zouden de gemeenteraadsverkiezingen wel eens op een deceptie voor de PvdA kunnen uitlopen. Maar laten we niet te snel denken dat opiniepeilingen een goede voorspeller zijn van verkiezingsuitslagen. Niet alleen moet er nog campagne worden gevoerd. Diederik Samsom heeft in november bij de ‘herindelingsverkiezingen’ in Friesland aangetoond dat hij nog steeds een uitstekende campaigner is. Maar volwassen burgers weten ook dat hun stem bij de verkiezingen echt telt. Juist daarom verandert er meestal nog zoveel in de opiniepeilingen in de laatste weken voor de verkiezingen. Omdat het dan pas serieus wordt. Waarmee niet gezegd is dat de PvdA het goed zal doen bij de raadsverkiezingen van 19 maart.

Laat ook volstrekt duidelijk zijn hoe belangrijk (goede) wethouders zijn. In grote en kleine gemeenten. Juist omdat de gemeente zo belangrijk is voor het welzijn van burgers, en nog steeds belangrijker wordt, is het van het grootste belang dat we goede bestuurders (wethouders) hebben en goede politici die hen controleren (raadsleden). Mijn punt is alleen dat 90% van het gemeentelijk beleid wordt bepaald op nationaal niveau. Bovendien is het debat over die resterende 10% steeds minder ideologisch, ook in de steden. In de jaren 70 was stadsvernieuwing nog een onderscheidend thema, in de jaren 90 wellicht de Melkertbanen. Maar elke stadsbestuurder weet tegenwoordig dat er weinig keuze meer is als het gaat om laaggeschoolde arbeid of hooggeschoolde arbeid, vrije sector-woningen of sociale woningbouw. Wie een stad wil vooruit helpen moet vooral ruimte bieden aan hoogopgeleiden en aan hogere inkomens. Dat zijn de mensen die de werkgelegenheid in hun kielzog meenemen. Wie een stad welvarender en minder werkloos wil maken, moet geen zinloze pogingen meer doen om kantoren te bouwen in de hoop dat de bedrijven dan wel komen, maar moet een goed cultureel klimaat creëren waarin hoogopgeleiden zich thuis voelen. Op dat punt onderscheiden de partijen zich dan ook niet meer van elkaar.

Ook bij de sociale dienst zijn de verschillen weggevallen. Vroeger hadden linkse partijen de neiging de bijstand als een basisinkomen te beschouwen en rechts had de neiging om iets over fraude te roepen. Tegenwoordig zijn alle partijen het erover eens dat werk altijd te prefereren valt boven werkloosheid. En zijn alle partijen het erover eens dat mensen moeten worden geholpen én geprikkeld om weer aan het werk te komen. Dat in alle gemeenten er zo over wordt gedacht, heeft overigens veel te maken met het rijksbeleid. Want voordat Jetta met haar participatiewet kwam, hebben Jacques Wallage en Ad Melkert ertoe bijgedragen dat gemeenten niet meer elke bijstandsuitkering bij het Rijk konden declareren, maar dat zij het voortaan moesten doen met een vast budget voor ‘werk en inkomen’. Juist die ingreep heeft ervoor gezorgd dat alle gemeenten veel strenger zijn geworden bij de sociale dienst. Rotterdam telde voor deze beleidswijziging 60.000 bijstandsgerechtigden, momenteel iets boven de 30.000.

Je zou kunnen zeggen dat het vervagen van dit soort politieke scheidslijnen vooral voor de PvdA problematisch is. De PvdA is de partij van de stadsvernieuwing en de corporaties (Jan van der Ploeg, Adri Duivesteijn). De PvdA is de partij die opkomt voor de werklozen. En juist op deze twee terreinen lijken de ideologische scheidslijnen te zijn weggevallen. Daar komt bij dat twee nieuwe thema’s in het laatste decennium hoger op de lokale politieke agenda’s staan: openbare orde en veiligheid en duurzaamheid. Ook in het veiligheidsbeleid zijn de ideologische verschillen (ME of preventie) veel minder scherp. Daarbij is het bovendien in het nadeel van de PvdA dat veiligheid vooral een thema is van andere partijen. Waarom zou je PvdA stemmen als die partij een surrogaat-rechts standpunt vertolkt? Bij duurzaamheid lijken de ideologische verschillen nog wat groter, maar het lijkt erop dat tegenwoordig erg veel gemeenten inzetten op CO2-neutraal en op groen in de stad en stadslandbouw etc., zonder dat daar een scherp ideologische debat aan vooraf is gegaan. Overigens heeft de PvdA zich op dit ‘linkse’ onderwerp nooit erg geprofileerd. Arbeid gaat voor milieu in onze partij.

Je ziet enerzijds dus dat gemeenten en rijk steeds meer met elkaar vervlochten raken, waardoor de lokale beleidsvrijheid meestal afneemt. Ja, ik ben voor decentralisatie omdat ik meen dat het beleid zo dicht mogelijk bij mensen moet worden uitgevoerd. Ja, ik geloof ik ook dat decentralisatie ertoe bijdraagt dat het beleid beter op de individuele noden van de mensen kan worden afgestemd. Nee, ik geloof niet dat deze drie decentralisaties die er nu aan komen, ertoe leiden dat gemeenten meer politieke afwegingen kunnen maken over bijstand, jeugdzorg en Wmo. En dat geldt al helemaal als er tegelijkertijd fors wordt gekort op het budget.

Anderzijds zie je dus dat waar er in de steden nog ruimte was voor politieke afwegingen, de ideologische scheidslijnen steeds meer vervagen. In de kleinere gemeenten waren die ideologische scheidslijnen altijd al grotendeels afwezig.

Het roept twee vragen op: waarom zijn die lokale (leefbaarheids)partijen dan zo sterk geworden in de grote gemeenten en waarom wordt het stemgedrag van mensen in kleinere gemeenten dan minder door landelijke overwegingen bepaald? Eerst iets over lokale partijen, daarna over het stemmen in de dorpen.

Gemakshalve onderken ik twee soorten lokale partijen: de populistische lokale partijen en de lokale partijen van de leefwereld. In de praktijk is die grens niet altijd even helder en zijn er ongetwijfeld ook nog veel andere lokale partijen. Maar voor het betoog is het voldoende om dit onderscheid te maken.

Er zijn lokale partijen die vooral leven van het chagrijn onder de mensen. Ze slaan niet zelden een populistische toon aan. Het gaat hier om de mensen die zich vooral miskend voelen. Het zijn vaak ook de verliezers van de globalisering. In Rotterdam zijn ze in het gat gesprongen dat VVD en CDA hebben laten vallen (dan wel niet wisten op te vullen) toen de PvdA haar meerderheidspositie(!) verloor. De PvdA mag de grootste vijand zijn van Leefbaar Rotterdam, maar Leefbaar heeft met name CDA en VVD in Rotterdam gemarginaliseerd. Overigens is ook die strijd tussen PvdA en Leefbaar voor een deel schijn. De verkiezingsprogramma’s van beide partijen verschilden vier jaar geleden nauwelijks van elkaar en dat zal nu niet anders zijn. Door Leefbaar worden andere stemmen gehoord, maar voor het gemeentebestuur zal het weinig uitmaken. In 2002 lag dat anders, toen de Rotterdamse PvdA na jaren comfortabel en succesvol besturen door de nieuwe tijden moest worden wakker geschud.

Daarnaast heb je de lokale partijen van de leefwereld. De vervlochten wereld van nationale en lokale overheid is de systeemwereld van het beleid. En het stadhuis van de systeemwereld heeft wel eens te weinig oog voor de kleine noden in de leefwereld van mensen. Veel lokale partijen zetten die kleine noden voorop. Ik hoor mijn oude moeder nog zeggen: “Waarom moet toch alles anders? Waarom moeten die bomen nu weer worden gekapt?” Soms is het nostalgie, soms is het gewoon de wens van veel mensen om mee te praten, mee te beslissen, in plaats van dat er voor hen wordt beslist. Die wens is vaak heel sympathiek, maar is niet zo relevant als een bijstandsuitkering moet worden verstrekt. Nee, die mevrouw moet toch vooral weer aan het werk worden geholpen. Ook vanuit de globalisering en zelfs vanuit de digitalisering is deze variant de lokale partijen heel goed te begrijpen. Waar grenzen wegvallen, wordt de plaats steeds belangrijker.

In de systeemwereld van het lokaal bestuur hebben lokale partijen bijna per definitie een achterstand. Die kunnen ze in de regel alleen maar inlopen door aansprekende leiders naar voren te schuiven. Pim Fortuyn werd niet zonder reden zo groot. Hij sprak veel mensen aan. Voor Marco Pastors gold op een ander niveau hetzelfde. En Joost Eerdmans heeft de bekendheid, maar moet het nog bewijzen dat hij ook een sprekende leider is. De gevestigde partijen moeten ervoor waken om tegenover de aansprekende leiders van de lokale partijen ‘systeemmuizen’ kandidaat te stellen. Mensen uit de stad, die zich op tal van plaatsen al hebben bewezen en daardoor ook bekend zijn, hebben een pre boven het brave raadslid dat via de fractie-assistentie omhoog is gekropen. Zoals de PvdA in Amsterdam goed scoorde met een aansprekende Lodewijk Asscher.

Ik beken me hier niet tot de politiek van de leefwereld. De stad moet ook nog worden bestuurd. Als we alleen maar over die ene boom zouden spreken zou die immense jeugdzorg nooit van de grond komen. Maar ik meen dat de PvdA wel (nog steeds) kan leren van lokale partijen door meer te kiezen voor aansprekend leiderschap, door meer oog te hebben voor wat mensen bezighoudt en door meer aan mensen over te laten. Oog hebben voor wat mensen bezighoudt is overigens niet meteen hetzelfde als het betreden van de leefwereld van mensen. Marnix Norder kan daarover meepraten, althans ik hoop dat hij inmiddels beseft dat hij deze fout aan het einde van zijn regeerperiode in de gemeente Den Haag heeft gemaakt door de Haagse bevolking een nieuw cultuurpaleis op te dringen. Dat lokale politici soms wel gedwongen te zijn om binnen het stadhuis met papieren onder de arm rond te lopen wordt hen door weinig mensen kwalijk genomen. Maar als die systeemwereld ertoe leidt dat de Haagse bevolking een overbodig en veel te duur Spuiforum krijgt opgedrongen binnen hun (toekomstige) leefwereld, moet je niet gek opkijken als de verkiezingsuitslag tegenvalt.

Tot slot die tweede vraag: als deze analyse van het lokaal bestuur waar zou zijn, waarom wordt dan juist het stemgedrag van burgers in kleinere gemeenten minder door landelijke overwegingen bepaald? Ik denk dat het antwoord simpel is: politici worden in kleine gemeenten beter gekend. En juist omdat zo’n groot deel van het gemeentelijk beleid vastligt, wordt het vertrouwen in personen belangrijker. Overigens verandert er momenteel erg veel in het lokaal bestuur op het platteland en er is ook al heel veel veranderd. Gemeentelijke herindeling werd vroeger aan veel kleine gemeenten opgelegd. Tegenwoordig vragen de fusiegemeenten van weleer om een verdergaande schaalvergroting. Zo ontstaan steeds grotere gemeenten die steeds meer dorpen overkoepelen. De zichtbaarheid van het lokaal bestuur neemt daardoor af. Tegelijkertijd is het soms een stimulans om een vertegenwoordiger uit het eigen dorp te kiezen, ongeacht zijn of haar politieke kleur.

Het wordt een spannende avond op 19 maart a.s. Voor al die kandidaten die op de lijst staan. Het wordt ook een spannende avond voor landelijke politici, die met reden de lokale uitslagen doorvertalen naar het landelijke niveau. Maar of het voor burgers echt spannend wordt, valt te betwijfelen, te meer daar de wethouders sedert 2002 niet meer door ons in de gemeenteraad hoeven te worden gekozen. En zelfs niet op de lijst hoeven te staan. Nog erger: ze hoeven niet eens meer in de gemeente te wonen om wethouder te kunnen worden. Wanneer mag ik de enigen die er echt toe doen in het lokaal bestuur, de wethouders, eens gaan kiezen?

[verschenen in  Socialisme & Democratie, februari 2014, pp. 110-114]

Het verdriet van Ulft, hoe binnenlands bestuur werd herijkt

september 24, 2013 by  
Filed under De Stad

“Niet helemaal is helemaal niet”. Het blijken achteraf legendarische woorden te zijn geweest van Piet Hein Donner. Op 8 juni 2011 sprak toenmalig Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Piet Hein Donner, het jaarcongres van de VNG toe. Een grote meerderheid van het congres had het hoofdstuk ‘Werken naar vermogen’ uit het bestuursakkoord tussen Rijk en gemeenten afgewezen. Voorzitter Annemarie Jorritsma hield dapper vol dat er nog steeds een akkoord was. Maar Piet Hein Donner was onverbiddelijk: als één van beide partijen terugkomt op een deel van het akkoord, hebben we helemaal geen akkoord. Hij zei er nog iets anders bij. “Het is niet zo dat de VNG de bevolking vertegenwoordigt, dat gebeurt door de Tweede en Eerste Kamer.” Overbodig voegde hij eraan toe: “En er is geen extra geld.” De boodschap was helder. Als het niet goedschiks kon, dan moest het maar kwaadschiks, gewoon middels wetgeving door het parlement, zonder instemming van de gemeenten.

Ik weet niet of de aanwezigen beseften dat ze een historisch moment meemaakten in de ontwikkeling van het binnenlands bestuur. Of is dat alleen maar mijn interpretatie? Twee ontwikkelingen botsten hard op elkaar. Ik zal in dit essay proberen te schetsen welke ontwikkelingen dat waren en waartoe dat heeft geleid.

Wat gebeurde in Ulft

Maar eerst nog even terug naar Ulft. Wat gebeurde er in Ulft, afgezien van het unverfroren optreden van Piet Hein Donner? Bovenal mag duidelijk zijn dat de gemeenten in Ulft hun hand hebben overspeeld. Het was zo’n mooie gewoonte aan het worden: het sluiten van bestuursakkoorden met het nieuwe kabinet. Of was het toch niet meer dan een ritueel? Tot 2011 was men er altijd uitgekomen en had het VNG-congres het akkoord altijd bekrachtigd. Zo niet in Ulft, waar het congres van de VNG voor het eerst een concept-akkoord afwees. De machtsverhoudingen werden openlijk getest. En niet in het voordeel van de gemeenten. De macht van de VNG bleek plotseling veel minder groot dan door de leden werd gedacht. Doodleuk zei de minister dat er dan geen akkoord was. Terwijl het woord ‘bestuursakkoord’ hintte naar gelijkwaardigheid, bleek die gelijkwaardigheid er uiteindelijk helemaal niet te zijn. De minister greep meteen terug op zijn eigen machtsbasis: het parlement. Daar wordt over Nederland beslist en niet op dat feestelijke jaarcongres van de gemeenten.

De uitkomsten waren uiteindelijk nog veel desastreuzer. Na het congres werd het akkoord in stukken opgeknipt en uiteindelijk door de VNG geaccordeerd. Het kabinet viel voordat de sociale wetgeving door het parlement was geloodst. De gevolgen waren groot. Want VVD en PvdA besloten bij de formatie van Rutte II tot verdergaande ingrijpen in de sociale wetgeving dan de inzet van het vorige kabinet ooit was geweest. Wellicht hebben de gemeenten toen nog wel eens teruggedacht aan Ulft. Hoe zou het zijn afgelopen als de gemeenten wel akkoord waren gegaan?

Hoe groot de spijt eventueel ook is, uiteindelijk is dat hier minder relevant. Voor mij is ‘Ulft’ vooral het bewijs van het feit dat het Rijk, ondanks alle mooie woorden als ‘mede-overheden’ en ‘bestuursakkoorden’, die alle op een zekere gelijkwaardigheid duiden, gewoon de baas is. En dat niet alleen: het mocht weer gewoon worden gezegd. Dat dominante gedrag is daarna zeker niet minder geworden. Het regeerakkoord van Rutte II dringt de gemeenten drie grote decentralisatie-operaties op, zonder dat ze daarover van tevoren zelfs maar zijn gehoord. Bovendien zijn deze operaties helemaal niet bedoeld om de gemeenten meer macht te geven, ze hebben alleen maar als doel om een financieel probleem van het Rijk op te lossen, terwijl de gemeenten de klappen mogen opvangen van ontevreden burgers.

Tegelijkertijd is in Ulft de positie van de VNG verzwakt en niet alleen omdat Piet Hein Donner laconiek liet weten geen boodschap te hebben aan de mening van een grote meerderheid van de gemeenten. De positie is ook verzwakt omdat de VNG steeds openlijker langs landelijke politieke scheidslijnen lijkt te worden verdeeld. De VNG lijkt een middel te worden om oppositie te voeren tegen het kabinet. Waren het in Ulft nog vooral PvdA-wethouders die te hoop liepen tegen het Rijk, momenteel zie je vooral wethouders van CDA- en SP-huize die de aanval inzetten tegen het kabinetsbeleid. Van PvdA-wethouders hoor je plotseling veel minder. Hoe begrijpelijk dit ook is, het is wel schadelijk voor de machtspositie van de VNG. De VNG heeft al moeite genoeg om de belangen van grote en kleine gemeenten te verbinden. Maar als de VNG ook nog wordt gepolitiseerd, zal zij veel te voorspelbaar worden en daarmee aan macht inboeten.

Botsing tussen denken en doen

Laten we even aannemen dat mijn analyse van ‘Ulft’ redelijk klopt, dan heeft in Ulft dus een botsing plaatsgevonden tussen ‘denken en doen’ in het binnenlands bestuur. Bestuurskundigen zouden wellicht zeggen tussen ‘discours’ en ‘handelingspraktijk’, maar dat terzijde. Men beleed gelijkwaardigheid, maar in werkelijkheid was er sprake van hiërarchie. In historisch perspectief is dat heel interessant, omdat 20 jaar geleden wellicht het tegenovergestelde het geval was. Dit is de centrale stelling van dit essay, die ik in het onderstaande probeer te onderbouwen: terwijl de toon steeds ‘gelijkwaardiger’ werd, nam in de praktijk de hiërarchie tussen Rijk en gemeenten toe. En die twee ontwikkelingen kwamen in Ulft keihard in botsing. Om dit toe te lichten moeten we even terug in de tijd.

Zoals bekend is de Tweede Wereldoorlog een omslagpunt geweest voor de rol van de overheid. De nachtwakersstaat waren we al lang voorbij, maar de verzorgingsstaat kwam toch vooral na de oorlog werkelijk op. En het medebewind, dat ook al veel eerder was uitgevonden, kwam eveneens pas na de oorlog tot volle bloei, omdat de rijksoverheid veel overheidstaken aan zich trok en ze vervolgens door de gemeenten liet uitvoeren. Het was in die jaren dat Thorbecke geheel werd herschreven. Thorbecke zag Rijk, provincies en gemeenten nog als min of meer gelijkwaardige en onmisbare ‘organen’ van die ene staat, terwijl hij slechts een hiërarchie in verantwoordelijkheden onderkende. De nationale verantwoordelijkheid ging boven de provinciale en de provinciale boven de lokale. Maar dat betekende geenszins dat het Rijk de baas over de gemeente zou zijn. Thorbecke was ook nog onbekend met het fenomeen van het meebewind, dat later werd uitgevonden, overigens eerst onder de verwarrende naam van ‘zelfbestuur’.

De bestuurskundige Brasz herschreef Thorbecke in zijn proefschrift uit 1960 over het Nederlandse ‘communalisme’. Gemeenten hadden in het perspectief van Brasz geen eigen, op zichzelf staande legitimiteit, maar waren er slechts terwille van de ‘effectiviteit’ en de ‘efficiëntie’ van het overheidsbestuur. En in het overheidsbestuur had het Rijk een allesbepalende rol. Waar Thorbecke nog een zekere gelijkwaardigheid erkende tussen Rijk en gemeenten, koos Brasz onvoorwaardelijk voor de hiërarchie. De gemeenten als hulpstuk, als uitvoeringsloket van het Rijk ter plaatse. Het is tegen die achtergrond heel begrijpelijk dat de Rijksdepartementen in de decennia na de oorlog het binnenlands bestuur als hiërarchisch gingen bestempelen. En zoals bekend dachten de sectordepartementen nog hiërarchischer dan het moederdepartement van het binnenlands bestuur: Binnenlandse Zaken.

Maar de praktijk leek zich daar niet helemaal, of zelfs helemaal niet naar de gedragen. In de jaren 80 deden verschillende bestuurskundigen onderzoek naar de werkelijke (machts-)verhoudingen in het binnenlands bestuur. En uit al dat onderzoek bleek steeds maar weer dat gemeenten heel bekwaam waren in het niet doen wat het Rijk van hen verwachtte. Ik zeg met nadruk niet doen, omdat de meeste gemeenten te braaf waren om eigen initiatief te nemen in strijd met het Rijksbeleid. Ik herinner me persoonlijk de blijdschap van wethouder Hans Simons van Rotterdam die van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Ad Melkert de toezegging had gekregen om 512 ‘Melketiers’ in Rotterdam aan te stellen. Een jaar eerder had de gemeenteraad voor eenzelfde soort (gesubsidieerde) banen 50 miljoen vrijgemaakt, zonder dat inmiddels één baan was gerealiseerd. Blijkbaar was het toch prettiger als het Rijk het lokale initiatief mede ondersteunde.

Iets niet doen wat van je verlangd wordt, is veel eenvoudiger dan iets op eigen initiatief te doen. En het bleek dat het Rijk grote moeite had om de (vaak bewuste) ‘nalatigheid’ van gemeenten te corrigeren. In de bestuurskunde spraken we in die tijd over de formele en de informele verhoudingen in het binnenlands bestuur. In de praktijk bleken gemeenten veel meer macht te hebben dan formeel vaak werd gedacht. En die macht baseerden ze vooral op twee dingen: de aanwezigheid ter plaatse en de tegenstellingen op Rijksniveau. En voor een deel op de eensgezindheid binnen de VNG. Het Rijk kon gemeenten wel voorschrijven wat ze moesten doen, maar kon nauwelijks in de plaats treden van de gemeenten als die dat nalieten. De latere staatssecretaris Henk Bleker beschreef in een mooi boek hoe het Rijk met heel veel inspanning, heel veel capaciteit en heel veel geld in staat was om zijn eigen afhankelijkheid van de gemeente Groningen (bij het aanleggen van een rondweg) om te zetten in een gelijkwaardige positie. Het was meteen duidelijk dat het Rijk tot een dergelijke krachtsinspanning maar sporadisch in staat zou zijn, en zich voor het overige wel moest neerleggen bij zijn eigen afhankelijkheid van het lokaal bestuur. Dat gold te meer als de publieke opinie (en de media) de kant kozen van de gemeenten. Zo is bijvoorbeeld te verklaren waarom de gemeenten een steeds grotere invloed hebben gekregen op de benoeming van hun eigen burgemeester, terwijl op Rijksniveau zich nimmer een meerderheid voor een door de gemeenteraad gekozen burgemeester heeft afgetekend. Nee, het Rijk is achteraf de steeds grotere invloed van de gemeenteraad op de benoeming van de burgemeester gaan accepteren.

Het Rijk was niet alleen vaak afhankelijk van de bereidheid van gemeenten om uitvoering te geven aan Rijksbeleid, het Rijk was vaak ook zo verdeeld dat gemeenten daarvan dankbaar gebruik konden maken. In een eigen onderzoek concludeerde ik dat gemeenten veel geld kregen van het ministerie van Economische Zaken om winkelstraten op te leuken en te bederven in strijd met de historische karakteristieken die nu juist volgens de ministerie van VROM en CRM moesten worden behouden. En de Rotterdamse schouwburg werd ooit gebouwd met geld van andere departementen nadat het departement van Cultuur (CRM) had besloten dat er geen culturele redenen waren om in Rotterdam een nieuwe schouwburg te bouwen.

Er was in die tijd dus een boeiende discrepantie tussen het discours over het binnenlands bestuur (hiërarchie) en de werkelijke machtsverhoudingen (wederzijdse afhankelijkheden). Het bracht me ertoe om een centralisatieparadox te formuleren: hoe meer het Rijk centraliseert, hoe afhankelijker het wordt van de gemeenten. Ja, het leek tegenstrijdig, maar het was wel de praktijk van alledag.

Een ander discours, en een andere praktijk

Sinds die tijd, laten we zeggen: de jaren 80, is er veel veranderd. De taal veranderde en het discours werd aangepast aan de praktijk. Het begrip mede-overheid raakte in zwang. Later worden er zelfs ‘bestuursakkoorden’ gesloten, alsof het Rijk aan de gemeenten moest vragen onder welke voorwaarden nieuw beleid eventueel zou kunnen worden uitgevoerd. Het VNG nam plaats aan de onderhandelingstafel met het Rijk, zoals FNV en VNO-NCW al jaren gewoon waren. Daarmee is overigens niet gezegd dat de VNG over dezelfde onderhandelingsvaardigheden beschikt als het VNO-CNW of over dezelfde hardheid als het FNV (in vroegere tijden). Het hoogtepunt van gelijkwaardigheid is de fraaie afspraak ‘dat we gelijk de trap opgaan, en gelijk de trap afgaan’. Het Rijk zal niet harder op de gemeenten bezuinigen dan op zichzelf.

Dat zijn de woorden, dat is het ‘denken’, dat was het nieuwe discours. De praktijk van de binnenlandse verhoudingen begon zich daarvan te vervreemden. Het lijkt erop dat het Rijk, en met name de sectordepartementen wakker waren geworden en inmiddels beseften dat die ‘hiërarchie’ in het binnenlands bestuur geen automatisme was, en ze in werkelijkheid opereerden in een veld van ‘wederzijdse afhankelijkheden’. Het binnenlands bestuur werd ook voor hen een ‘spel om de macht’. Jacques Wallage lanceerde als staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een fraaie koppelverkoop bij de uitvoering van de Bijstandswet: de gemeenten zouden jaarlijks een eigen budget krijgen voor ‘werk en inkomen’, en zouden binnen de wettelijke normen voor de bijstand zelf mogen bepalen hoe ze dat geld zouden besteden. Tot dat moment werd elke bijstandsuitkering bij het Rijk gedeclareerd. Het leek zo prachtig: hier werd de gemeentelijke beleidsvrijheid vergroot, terwijl het Rijk zijn uitgaven beter kon beheersen. Maar er was meer. In de praktijk werden de gemeenten vooral gedwongen om veel efficiënter met hun geld om te gaan en om werklozen meer aan te zetten om weer aan het werk te gaan. Juist dit laatste was de openlijke wens van het Rijk, dat inmiddels van oordeel was dat de bijstand geen ‘vangnet’ moest zijn maar een ‘trampoline’. En het waren de gemeenten die in de uitvoering op dit punt veel te laks waren. Klaas de Vries loodste als minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid enige jaren later deze plannen door het parlement. De gevolgen waren evident. Het lokale beleid (vangnet) paste zich snel aan het Rijksbeleid (trampoline) aan, onverlet het feit dat ook op lokaal niveau het denken over werk en inkomen aan het veranderen was. Het aantal bijstandsuitkeringen is sedertdien drastisch verlaagd. Hier werd gedecentraliseerd met als effect dat juist de Rijksdoelen beter werden bereikt! Anders gezegd: door uit te gaan van een praktijk van wederzijdse afhankelijkheden werd juist hiërarchie hersteld.

De VNG werd zich gaandeweg van dit mechanisme bewust. Op de gangen van de Nassaulaan werd fluisterend gesproken over ‘recentralisatie’: al die mooie voornemens tot decentralisatie bleken uiteindelijk toch in het voordeel van het Rijk uit te pakken. Als Thorbecke-hoogleraar (waarvan de VNG de moeder was) werd ik gevraagd om het fenomeen nader te onderzoeken. Een onderzoeker van de VNG ondersteunde me. We kwamen tot de conclusie dat de VNG er te vaak ‘intuinde’: achter zogenaamde ‘decentralisatie’ ging inderdaad heel vaak een machtsverschuiving ten faveure van het Rijk schuil. We presenteerden het onderzoek aan de directie van de VNG. Of het bestuur van de VNG ons onderzoek ooit onder ogen heeft gehad is mij onbekend. In ieder geval werd besloten om het onderzoek niet te publiceren. In een afscheidsbundel voor Peter Dordregter maakte ik er later nog eens gewag van.

Het is ook leerzaam om de recente veranderingen in de financiële verhoudingen in het binnenlands bestuur in dit licht te bezien. Het debat over die verhoudingen heeft jaren in het teken gestaan van de overheveling van de specifieke uitkeringen naar het Gemeentefonds. De specifieke uitkeringen zouden de gemeentelijke beleidsvrijheid te veel inperken en de vrije besteedbaarheid van het Gemeentefonds zou de lokale democratie ten goede komen. Overigens is deze redenering nog wel vatbaar voor enig commentaar. Het zijn immers vaak individuele of groepen van gemeenten geweest die indertijd hebben geijverd voor de instelling van een specifieke uitkering en het zijn ook de sectorwethouders die heel blij als ‘hun eigen deel’ van de gemeentelijke inkomsten nadrukkelijk is gemarkeerd. Dit laat onverlet dat de gemeentelijke beleidsvrijheid aanzienlijk kan worden vergroot als specifieke uitkeringen naar het Gemeentefonds worden overgeheveld. Dat is het laatste decennium ook in belangrijke mate gebeurd. Maar ik betwijfel of uiteindelijk alleen de gemeenten voordeel hebben gehad van deze operatie. We moeten namelijk ook vaststellen dat het Gemeentefonds inmiddels aanzienlijk is vervuild, met allemaal regels en verantwoordingsmechanismen die ertoe moeten bijdragen dat gemeenten hun geld meer conform de wensen van het Rijk gaan uitgeven. Er is ook nog een argument a contrario. Als het Rijk dan zo graag de financiële beleidsvrijheid van gemeenten had vergroot, waarom ligt het dan altijd zo dwars bij de vergroting van het lokale belastinggebied? Veel erger, het lokale belastinggebied, dat gemeenten werkelijk meer vrijheid van handelen en beslissen zou geven, is de laatste decennia alleen maar ingeperkt.

Op dit moment zou ik dus eerder geneigd zijn om in plaats van een centralisatieparadox, juist een decentralisatieparadox te formuleren: naarmate je meer decentraliseert, neemt de macht van het Rijk toe. Van de centralisatieparadox had vooral het Rijk last, van de decentralisatieparadox de gemeenten. Je kan het ook anders zeggen. Het Rijk heeft van de eerste paradox geleerd: het heeft altijd de informatie van de gemeenten nodig om werkelijk effectief te kunnen zijn. Centraliseren loopt daarom meestal vast in bureaucratie op een te grote afstand van de uitvoering van het beleid. En zo biedt juist decentraliseren paradoxaal genoeg vaak kansen voor het Rijk: op voorwaarde dat decentralisatie in het teken staat van het beheersen van het lokale beleid (in plaats van het versterken van de lokale democratie of het vergroten van de gemeentelijke beleidsvrijheid). En daarin heeft het Rijk de laatste decennia schijnbaar grote stappen gemaakt.

Ulft: botsing van discours en praktijk

Voor ‘Ulft’ zagen we dus twee boeiende, maar in wezen tegenstrijdige ontwikkelingen. Het discours verschoof in de richting van gelijkwaardigheid, de praktijk in de richting van hiërarchie. Er werd steeds meer gesproken over ‘mede-overheden’ en het sluiten van bestuursakkoorden was daarvan een logisch uitvloeisel. Denk ook aan die fraaie leuze ‘gelijk de trap op en gelijk de trap af’: een automatische koppeling van het budget van de lokale overheden aan het budget van het Rijk. Er zou geen greep meer worden gedaan in de kas van de gemeenten. De praktijk was anders. Er was altijd wel een onderzoek te vinden dat aantoonde dat gemeenten relatief gezien toch te veel ontvingen. In het algemeen is de handelingspraktijk van het Rijk de laatste decennia veranderd: het beheersen van lokaal beleid kwam voorop te staan. Zie ook het regeerakkoord van Rutte II: de gemeente is hier niks anders dan het verlengstuk van het Rijk en de oplosser van Rijks financiële problemen. Daarbij laat ik verder onbesproken dat de komende decentralisaties grote gevolgen zullen hebben voor de toekomstige schaal van het lokaal bestuur. En hoe is te verklaren dat het Rijk in het sociaal akkoord met de sociale partners, maar niet met de gemeenten, afspraken maakt die door de gemeenten moeten worden uitgevoerd?

Het lijkt ook alsof de steun voor het lokaal bestuur in Den Haag geleidelijk is geërodeerd. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is tot op heden redelijk onzichtbaar in de grote decentralisatieoperaties. Ik moet zelfs zeggen: is in het algemeen redelijk onzichtbaar als het gaat om het verdedigen van de lokale democratie en de beleidsvrijheid van het lokaal bestuur. En één van de betrokken Kamerleden wees me erop dat de portefeuille ‘BZK’ ook in de Kamer aan aanzien verliest. Zoals ook dat de wetenschap zich over het (evenwicht in het ) binnenlands bestuur nauwelijks meer lijkt te bekommeren. Steeds meer zijn de sectordepartementen het aanspreekpunt voor het lokaal bestuur.

Ja, sinds ‘Ulft’ lijken de ontwikkelen zich in versneld tempo te hebben voltrokken. ‘Ulft’ was een keerpunt. Hier werd het het praten over gelijkwaardigheid verslagen door de nieuwe machtspolitiek van het Rijk. Die tegenstrijdige ontwikkelingen moesten wel een keer met elkaar botsen. En zo werd het pittoreske Ulft onderdeel van de geschiedenis van het binnenlands bestuur.

 

[Verschenen in: Ministerie van Binnenlandse Zaken, Omslag, perspectieven voor goed bestuur in 2020, Den Haag, 2013, pp. 139-148]

Artikel: Regio’s en gemeenten aan zet

november 14, 2011 by  
Filed under artikel

[geplaatst in S&RO, 2011, 5: 30-33]

 

Zachtzinnig was niet het juiste woord. Melanie Schultz had niks ‘tegen België’. En dat terwijl België al jaren een moreel ijkpunt was. Wie vóór de ruimtelijke ordening was, was tegen België. Tegen een land waar de ruimte schijnbaar nimmer werd geordend en waar lintbebouwing het landschap verwoestte. Hier werd afscheid genomen van een tijdperk, van een ideologie die lange tijd zelfs als exportproduct werd gezien. Dit laatste overigens vooral in Nederland.

Inderdaad, ‘het roer moest om’, volgens de minister. Het einde van de nationale ruimtelijke ordening was daar. Verzachtend nam de minister ten onrechte het woord ‘decentralisatie’ in de mond. Want van echte decentralisatie is geen sprake. Er worden geen taken overgeheveld, er worden geen subsidiestromen overgeheveld. Integendeel: de onderhavige subsidiestromen naar lagere overheden drogen zelfs op. Nee, dit is geen overdracht, hier trekt een minister gewoon haar handen af van een geheel beleidsterrein, afgezien van een selectieve verantwoordelijkheid voor een paar nationale stokpaarden, die bovendien maar mondjesmaat worden bediend.

Is er reden voor grote zorg? Of moet de minister mogelijk zelfs worden geprezen voor haar daadkracht? In de wereld van de ruimtelijke ordening valt daarover niet snel een eenduidig antwoord te verwachten. Het is een bevlogen, normatieve wereld, waarin al die normen niet altijd samengaan met een scherpe blik op de empirische werkelijkheid. Voorbeeld: het Groene Hart is een icoon, het Groene Hart wordt beschermd, en toch is het Groene Hart in de laatste 50 jaar door stadsuitbreiding 20% kleiner geworden, en ligt de woningbouw in de resterende 80% altijd al jaren op het landelijke gemiddelde. Nog een voorbeeld: lintbebouwing is in Nederlandse ruimtelijke ordening verboden en zou dus niet voorkomen, toch zijn inmiddels veel snelwegen omzoomd door smakeloze bedrijventerreinen. De burgers hadden dat eerder door dan de planologen. Ja, in de wereld van de ruimtelijke ordening is veel gedroomd. Over het beleid en over de effecten. Dat alleen al plaatst het beleid van Schultz in een ander perspectief.

Maar de hamvraag hier is: wanneer is ruimtelijke ordening goed? Als Nederland er netjes, geordend uitziet? Of wanneer de verschillende claims op de ruimte zorgvuldig worden afgewogen? En hoe moet die afweging dan plaatsvinden? Is het goed als iedereen kan wonen, bij voorkeur op de plek van zijn voorkeur? Of als de welvaart van Nederland optimaal wordt bediend? Of als de biodiversiteit niet verder afneemt? In het eerste geval staat ruimtelijke ordening in het teken van het beeld, in het tweede geval in het teken van (de afweging van) belangen. Het interessante is dat veel mensen bij ruimtelijke ordening vooral denken aan het eerste, terwijl het instrumentarium vooral gericht is op het tweede. Die discussie over ‘Mooi Nederland’, is ook vooral iets van het laatste decennium.

Hoe anders was het in de tijd van de Tweede Nota. Nederland werd opnieuw ingericht, zoals we eerst de Zuiderzeepolders hadden ingericht. En zoals de Deltawerken de Zeeuwse samenleving opende voor de wijde wereld. Functies moesten worden gescheiden, steden moesten worden opengebroken, mensen met gezinnen kregen een huis en een tuin, bij voorkeur in een groeikern. Ruimtelijke ordening was hier veel meer dan het afwegen van ruimteclaims, het was maatschappelijke ordening. Zo is, al ver voordat ‘Mooi Nederland’ in beeld kwam, het ‘afwegen van ruimteclaims’ gaandeweg minder verheven geworden, normaler, soms niet meer dan een platte strijd tussen de belangen van het ene departement tegen die van het andere. Met het WRR-rapport van 1998 werd ‘ruimtelijke ordening’ niet voor niets ‘ruimtelijke ontwikkeling’ en later ‘gebiedsontwikkeling’.

Op zijn best worden de verschillende ruimteclaims tegenwoordig met elkaar verzoend; op zijn slechts geldt het recht van de sterkste en dat is meestal de economie. Van die hoogdravendheid van de oude ruimtelijke ordening is nog maar weinig over. Almere is wellicht de laatste stuiptrekking. En er is weinig reden om rouwig te zijn. Ik weet ook niet wie echt gelukkig is geworden van het scheiden van functies, een gedachte die inmiddels al weer lang door beleidsmakers wordt bestreden. En wie ziet hoe de steden zich momenteel ontwikkelen, beseft dat er met de ontwikkeling va de groeikernen in de vorige eeuw grote fouten zijn gemaakt. De leegloop van de jaren ’60 tot ’80 heeft de steden op een onnodige achterstand gezet. Veel te lang zijn de steden blijven ‘bouwen voor de buurt’, wat in de praktijk vooral neerkwam op deprimerende sociale woningbouw, waardoor de hogere inkomens wel moésten vertrekken. Duco Stadig verdient in dat verband een groot standbeeld. Hij heeft niet alleen Amsterdam, maar ook de andere steden met zijn Oostelijk Havengebied een prachtig nieuw perspectief geboden. Intussen doet de huidige toestand van de groeikernen beseffen dat het beleid van gebundelde deconcentratie wel effectief is geweest, maar geen succes is geworden.

En laten we eerlijk zijn: die loodzware ruimtelijke ordening, die neigt naar maatschappelijke ordening, past niet meer bij deze tijd. Mensen moeten zelf kunnen beslissen waar ze willen wonen. Dat moet de overheid niet voor hen willen beslissen. Hetzelfde geldt voor bedrijven, die zich toch al nooit erg aan de ordening van de overheid hebben gehouden. Ze streken neer waar hen het het beste uitkwam, afgezien van de dappere maar tot mislukken gedoemde politiek van de overheid om bedrijven naar achterstandsregio’s te verleiden. Hier resteert voor de overheid één belangrijke taak: verplicht bedrijven om hun rommel op te ruimen als ze zich weer elders gaan vestigen.
Ho! Maar! We verplichten mensen en bedrijven toch ook tot plekken om andere plekken van woningbouw en bedrijventerreinen te vrijwaren? Ja, ik weet het, mensen wonen niet in Almere omdat dat een leuke plek is, maar omdat ze zonder Almere en Lelystad hun tenten misschien eerder hadden opgeslagen in het Groene Hart. Ik heb deze via-de-band-politiek nooit erg begrepen. Als je de natuur of cultuurlandschappen echt wil beschermen, moet je het lef hebben om gebieden gewoon taboe te verklaren. Op dat punt kan Nederland nog steeds veel van het buitenland leren.

Deze ontwikkelingen zijn niet zonder gevolgen. Als het ruimtelijk beleid niet meer in het teken staat van grote maatschappijvisies en zich letterlijk verkleint tot gebiedsontwikkeling, dan is het logisch om het ruimtelijk beleid over te laten aan de mensen wie het aangaat: de regionale en lokale overheden. Dit geldt zelfs voor de ecologische hoofdstructuur, die wellicht grootschalig lijkt, maar toch vooral een kleinschalige zoektocht is naar stukjes groen, afgezien van de geur van oude maakbaarheid die het EHS-beleid omgeeft. Overigens, minder kunstmest en minder vlees zijn beter voor de biodiversiteit dan het voltooien van de ecologische hoofdstructuur. Zoals altijd zijn er uitzonderingen, zoals de bescherming van natuurgebieden van internationale betekenis, als de Wadden of van een cultuurlandschap met grote historische betekenis als de Beemster. Daarvoor hoort het Rijk zich verantwoordelijk te voelen. Ja, en voor de infrastructuur! Maar die heeft zich tot op de dag van vandaag altijd weten te ontworstelen aan het ruimtelijk beleid.

De ontwikkeling van maatschappelijke ordening, ruimtelijke ordening, ruimtelijke accommodering naar gebiedsontwikkeling heeft geleidelijk de legitimatie voor een nationaal ruimtelijk beleid ondermijnd. Die legitimatie heeft voor een ruimtelijk beleid dat zich bij uitstek richt op het beeld, op het plaatje eigenlijk nooit bestaan. Terwijl voor de kunst al jaren het adagium van Thorbecke wordt beleden dat de overheid geen oordeel behoort te hebben over mooi of lelijk, was daar plotseling in het vorige kabinet dat streven naar een ‘Mooi Nederland’. Nee, de overheid hoort geen oordeel te hebben over het spel van het Koninklijk Concertgebouw. Nee, ik heb geen behoefte aan het schoonheidsideaal van mevrouw Cramer. Wat dat betreft kwam het goed uit dat Cramer er nooit in is geslaagd om te duiden wat ‘Mooi Nederland’ voor haar betekende.

Hooguit is de overheid verantwoordelijk voor een zorgvuldige ruimtelijke ontwikkeling, met respect voor de historie van de plek en voor de identiteit van het gebied. Daarbij moeten we ons bedenken dat die taak lang niet altijd in goede handen is bij de overheid, burgers lijken er meer gevoel voor te hebben. In ieder geval is er geen reden om de nationale overheid op te zadelen met de taak van een ‘zorgvuldige’, ‘respectvolle’ stedebouw of landschapsarchitectuur. Dat kunnen de gemeenten veel beter af. Juist bij hen lijkt die mate van behoudzucht aanwezig die hier nuttig kan zijn. En als gemeenten aan de eis van zorgvuldigheid voorbij gaan, is het naïef om te denken dat de nationale overheid hen kan dwingen om op hun schreden terug te keren. Zoveel heeft het Rijk niet over de gemeenten te zeggen, in de praktijk. Melanie Schultz heeft er dus wijs aan gedaan om het hardop te zeggen: ruimtelijke ordening is vooral een zaak van lokale en regionale overheden. Het einde van de nationale ruimtelijke ordening is een logische afsluiting van de 20e eeuw.

Ho! Maar! Brengt die 21e eeuw dan geen nieuwe problemen die zo’n stap voorbarig maken? Eerlijk gezegd: ik zie ze nog niet. Klimaatverandering vraagt inderdaad ruimtelijke aanpassingen. Denk aan de zeespiegelstijging. Daarvoor heb je inderdaad een nationale overheid nodig die voor hoge dijken zorgt, maar geen nationaal ruimtelijk beleid en lagere overheden die voor ruimtelijke aanpassingen zorgen. Denk aan de behoefte aan duurzame energie. Hier zijn het juist de gemeenten geweest die de afgelopen jaren het goede voorbeeld hebben gegeven. Bij het rijk was het vooral oorverdovend stil. Bevolkingskrimp dan? Voorzover daarvan de eerste 30 jaar sprake is. De Randstad zal immers nog met 1,5 miljoen mensen groeien. Ook hier: de omslag van kwantiteit naar kwaliteit moet vooral op lokaal niveau worden gemaakt. Of het belang van de stad? Ja, inderdaad dat is groot, zeker in de huidige economie. Maar het zijn de steden zelf die hun stad aantrekkelijk moeten maken, leefbaar, veilig. Dan komen die hoogopgeleide kenniswerkers vanzelf.

Ik geef het toe, ik ben zelf ook verrast door mijn conclusies. Er is een grote behoefte aan ruimtelijk beleid, aan het accommoderen van de verschillende ruimteclaims in hun onderlinge samenhang. Bij voorkeur zodanig dat er meerwaarde ontstaat. Er is grote behoefte aan een overheid die oog heeft voor de zorgvuldigheid waarmee ruimtelijke ontwikkelingen zich voltrekken. Die oog heeft voor de culturele betekenis van een plek (culturele planologie). Die ervoor zorgt dat historie zich laat aflezen aan de stad en het landschap. Maar dat zijn allemaal taken die bij uitstek de lokale en regionale overheid toebehoren. Voor het gemak mag hier voor regionale ook provinciale overheid worden gelezen.

Ik wil ook wel toegeven dat mijn bijna aangeboren voorkeur voor lagere overheden in het bovenstaande een rol speelt. Overigens is dat geen ernstige geboorteafwijking. Juist in een tijd waarin de samenleving uiterst complex is geworden en de betekenis van burgers, bedrijven en andere maatschappelijke partijen groot is, moet beleid altijd in samenspraak met anderen worden ontwikkeld, wil het werkelijk effectief zijn. Daartoe zijn de mogelijkheden op het lokale en regionale niveau bijna per definitie groter dan op het nationale.
Moet het Rijk dan niet helpen? Ik weet dat vele rijksambtenaren gemeenten helpen bij gebiedsontwikkeling en wat dies meer zij. Ze zullen daarbij vaak goed werk doen. Maar als er geen nationaal belang in het geding is: waarom betalen we dan rijksambtenaren om het gebrek aan mankracht bij gemeenten te compenseren? Dat moet handiger kunnen. Daarnaast: laten we de macht van het Rijk niet overschatten. Als gemeenten niet willen, dan laten ze zich maar zeer zelden dwingen.

Maar overtuigen kan wel. Met kennis en met visies. Kennis over nieuwe ontwikkelingen, kennis over andere oplossingen. Ontwerpvisies over hoe het ook kan. Of visies over de uniciteit van het Nederlandse waterlandschap en over het bijzondere karakter van onze steden. Geen visies die door gemeenten moeten worden uitgevoerd, maar visies die lagere overheden inspireren bij een ruimtelijk beleid dat toekomstgericht is en toch nadrukkelijk past bij de wordingsgeschiedenis van Nederland. Dat hoort de nationale overheid in alle gevallen te doen. Ja, tegen die achtergrond was uitspraak over België toch nog fout.
Wim Derksen