Nieuwe kansen voor de haven van Scheveningen

oktober 4, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

 

Gesprek met Arno Segeren, accountmanager van de gemeente

De ontwikkeling van de haven van Scheveningen is heel interessant in het licht van de ontwikkeling van steden. De haven is vanouds bekend vanwege de vissers. Maar het was ook jarenlang de thuishaven van de Norfolkline, een rederij actief op het gebied van het vervoer van containers tussen Groot-Brittannië en Nederland. Maar een haven aan zee is tegenwoordig ook een aantrekkelijke en hippe woonplek. Veel steden bouwen appartementen aan de havens, vaak voor de hoogopgeleiden die de tegenwoordige stad zo nodig heeft voor haar ontwikkeling.

De werkelijkheid is weerbarstiger. Want met de komst van woningen neemt de behoefte aan bedrijfsruimte niet af. De gemeente Den Haag is zich daarvan steeds meer bewust geraakt. Zo lag het accent in de Scheveningse Haven een aantal jaren geleden vooral op de haven als decor van woningbouw. In 2015 is dat beleid aanzienlijk omgebogen met de nota Scheveningen Haven, is en blijft haven. Het vertrek van de Norfolkline had geleid tot een verlies van zeshonderd banen, vooral banen voor lager opgeleiden. Terwijl de haven nog steeds veel economische potentie had. Bovendien drong het besef door dat een doodse haven ook een doods decor voor wonen oplevert. Wonen aan een levendige haven biedt voordelen. Al kan er ook spanning ontstaan tussen het woongenot en de havenactiviteiten.

Voldoende reden voor een gesprek met de accountmanager van de gemeente voor de Scheveningse haven, Arno Segeren. Wij fietsen in een wat druilerige regen rond in de haven en ik leer veel over het belang van een actief gemeentelijk beleid. En het succes aan beide zijden is te zien. Er wordt aan de ene kant enorm gebouwd en aan de andere kant groeien de economische activiteiten in de haven. Het aantal banen stijgt weer.

Segeren wijst erop dat je altijd moet kijken naar de unieke kenmerken van een gebied. Den Haag heeft die unieke ligging aan de Noordzee en de haven is de toegangspoort. Die kwaliteiten moet je in stand houden. Maak van die haven geen ‘bak water’. Dat kan ook. Je kan de havenactiviteiten afbouwen. Dan heb je water en een stukje industrieel erfgoed. Een oude havenkraan, een paar pakhuizen. Die kan je allemaal heel mooi maken. Zie Duisburg. Mooi museum voor moderne kunst erbij. Maar het blijft een bak water waar je op uit kijkt. Zo maak je niet optimaal gebruik van de kwaliteiten die je hebt. En ook bij ons raakte de haven in vergetelheid. Het beeld was: met de visserij gaat het niet goed en alleen maar slechter. De Norfolkline is vertrokken.

Wij menen tegenwoordig dat die haven veel meer kan opleveren. Het is een unieke kwaliteit van de stad, net zoals de regering, de internationale organisaties, het vrede, recht en veiligheid. Dat is allemaal economie. Voor economische groei kan je beter iets versterken wat je al hebt dan iets heel nieuws te bedenken. Op unieke kwaliteiten moet je zuinig zijn. Ook die haven heeft ons veel te bieden. Visserij van oudsher. Maar de haven is ook de toegangspoort naar de windmolenlocaties op de Noordzee. Daar wordt veel geïnvesteerd. En daar heeft Den Haag potentieel veel te bieden. Dat is werkgelegenheid. Bijvoorbeeld voor elektriciens. Die windmolens mogen niet stilstaan. Daar heb je veel geschoold personeel voor nodig. Ook de watersport biedt ons in economische zin veel, in termen van bezoekers, bestedingen, werkgelegenheid.

We zoeken naar niches. Je bent bij ons direct op de Noordzee. Dus als er testen moeten worden gedaan op zee, kan je dat goed doen vanuit Scheveningen. Of dat veel gaat opleveren, weten we nog niet. Maar we zijn ervan overtuigd dat die haven van Scheveningen voor sommige producten best eens de beste haven kunnen zijn. Een diepzeehaven met onbelemmerde toegang. Hij ligt centraal in het land, hij ligt in de stad, hij ligt dicht bij Delft, bij Leiden, bij TNO, bij Deltares. Allerlei partijen die actief zijn op de Noordzee.

En zo zie je zelfs een verschuiving van woningbouw naar economische activiteit in de plannen. Waar mogelijk voegen we bedrijfsruimte toe en op enkele plekken onderzoeken we of de geplande woningbouw deels geschrapt kan worden uit de plannen. In de tussentijd zijn er ook andere functies toegevoegd. We hebben het Zuiderstrandtheater tijdelijk gebouwd in de haven. Daar vinden nu ook veel aan havens of de Noordzee gerelateerde bijeenkomsten en conferenties plaats. Maar we gaan nu weer kijken of we daar bedrijvigheid kunnen krijgen als het theater weer wordt afgebroken.

En er zijn nog nieuwe kansen. De effecten van klimaatverandering worden zichtbaar aan de kust. Op een gegeven moment zullen ook rondom de haven maatregelen nodig zijn vanwege de stijging van de zeespiegel. Het garanderen van de veiligheid voor het achterland vormt dan de aanleiding voor een verkenning naar de zeewaartse uitbreiding van de haven. Maar dit zit allemaal nog in de verkennende fase.

De gemeente Den Haag heeft vier prioriteiten in de Scheveningse haven. Ik vraag Segeren om ze voor me samen te vatten. Visserij, watersport, offshore dienstverlening en innovatie. Visserij van oudsher. Belangrijk, zowel in directe als in indirecte zin. Scheveningen zonder haven, dan ben je niet anders dan Zandvoort. Authentiek, het hoort erbij. Veel werkgelegenheid, op zee en in de handel. De visafslag in Scheveningen is in grootte de derde van Nederland. Je kan ook vis kopen die niet fysiek op dat moment aanwezig is. Daarnaast hebben we twee grote internationaal opererende reders met zogenaamde trawlers. Nederlands visbureau zit hier. Veel handel, groothandel en detailhandel. Het is een compleet cluster. Trawlers die drie weken op zee zijn, kotters die elke week terugkeren en de kleinschalige visserij die elke dag weer binnenvaart. Het is een volledig cluster. Je hebt de drie onderdelen wel nodig.

Segeren maakt een interessante tussenopmerking over de rol van de overheid. Hij zegt: het is voor de overheid makkelijker om iets te verpesten dan om een positieve ontwikkeling aan te zwengelen. Daarom moet je als overheid de belangen in het gebied goed kennen. Dat is accountmanagement.

We gaan door met de tweede prioriteit: de watersport. Ook een economische sector. Recreatie, botenbouw, innovatie, topsport. We hebben Jachtclub Scheveningen, een grote jachtclub met 600 leden. Daarnaast het Topzeilcentrum met Olympische sporters en talentploeg die hier trainen. Er zit ook een catamaranbouwer. Dat zijn van die parels in het havengebied. Dit alles wordt nog versterkt door de finish van de Volvo Ocean Race in 2018. Moeten we trots op zijn. Er komen extra ligplaatsen, vooral voor passanten. Daar zijn er al te weinig van. En we hebben het Sailing Innovation Centre. Hoe kunnen we meer Olympische medailles winnen. Kennis over voedsel, over stroming, wind, communicatie etc.

Offshore-dienstverlening is de derde prioriteit. De tenderprocedure voor het windmolenpark Holland Kust Zuid loopt nu. Ze hebben allemaal goed gekeken naar de haven van Scheveningen. Welke haven is het meest geschikt als uitvalsbasis. We hebben ze één voor één op bezoek gehad. Maar als ze elders al een uitvalsbasis hebben wordt het moeilijker. Het gaat niet om de bouw, alleen om het onderhoud. Daarvoor heb je een opslagloods nodig en snelle kleine bootjes. Dat kan heel goed bij ons in de haven. Het is echt geschoold werk. Werken op zee vraagt ook nog weer extra vaardigheden. Ze willen echt mensen van hier het onderhoud laten doen. Die molens staan er immers voor 20 jaar. En die mensen worden ook ingezet voor de bouw. Dus dat levert echte werkgelegenheid op voor mensen uit deze regio. Scheveningen heeft ook een voordeel voor dit soort bedrijven, omdat het een grote arbeidsmarkt te beiden heeft. Meer dan IJmuiden bijvoorbeeld.

Innovatie, de laatste prioriteit. De genoemde drie zijn ook al innovatief. Wat zijn de echte voordelen van de haven. Je bent in een paar minuten op zee. Onbelemmerde toegang tot de haven. Je zit meteen midden in de stad en in een kennisintensieve regio. Veel kennisinstituten richten zich op het water. Die haven is dus geschikt voor allerlei innovaties op de Noordzee. Dat kan gaan over golfenergie. Zeewierteelt. The Ocean Clean-up, zij het vooral de lancering van hun eerste prototype. De doop van de solarboat van TU Delft heeft hier plaatsgevonden, ook om ons meer bekendheid te geven. We zijn toegetreden tot valorisatie-programma ‘Kust en Waterbeheer’ rondom TU Delft. Veel startende bedrijfjes met innovatieve producten. Soms zijn we de eerste klant, de launching customer. Op andere momenten stellen we ruimte ter beschikking. De ‘Slam Dam’ is hier uitgeprobeerd op de Doctor Lelykade. Als vervanger van de zandzakken. Al die bedrijven kunnen van elkaar leren. Hebben we in de toekomst ook een specifieke plek voor: de oude kantoor van de Norfolkline. Komen woningen in en ruimte voor innovatieve bedrijven onder de naam Innoport. Of dat ook lukt weten we niet, maar als er geen ruimte is voor innovatieve bedrijven, dan lukt het zeker niet. Twee jaar geleden was er geen ruimte meer voor dit soort bedrijven. Alleen maar kantoorruimte. Je hebt daarnaast ook loodsen nodig, opslagruimte. Ook hiervoor zitten verschillende projecten in de pijplijn.

Ik maak een overstap naar de Norfolkline. Ze gingen weg omdat de schepen te groot werden. Zijn naar Vlaardingen gegaan. Zeshonderd banen weg. Veel laaggeschoold. Ik vraag Segeren of je dat soort banen weer terugkrijgt. Segeren zegt dat het om een probleem van de hele stad gaat. Den Haag heeft weinig banen in de logistiek of in productie. Dus zoeken we naar andere sectoren. En het is moeilijk om als je heel lang een ambtenarenstad bent geweest om zo maar een andere sector aan te trekken. Toerisme zou een kans kunnen bieden. Veel instapbanen. Je kan vaak gisteren daar al beginnen. Maar voor iedere baan heb je bepaalde vaardigheden nodig. De uitdaging is tweeledig. We hebben een bestand van mensen in een uitkering die moeten worden geactiveerd. En we hebben werkgelegenheid nodig voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Je moet dat goed uit elkaar houden. Als je een hotel bouwt heb je mensen nodig die de was doen, die de kamers schoonmaken. Maar of dat mensen zullen zijn die nu een uitkering hebben in Den Haag, is maar zeer de vraag.

En naast die prioriteiten heb je natuurlijk het toerisme. Ik vraag naar de synergie tussen haven en toerisme. Segeren vertelt over de kleinere cruiseschepen die de gemeente naar de stad wil halen. Lost het probleem van de werkloosheid niet op, maar het levert wel wat op. Daarnaast is Scheveningen een Tallship-friendly port. Daarnaast heeft die haven veel evenementen. De Volvo Ocean Race die hier gaat finishen. Dat leidt tot veel drukte en veel bestedingen in de stad.

We gaan in ons gesprek terug naar de mogelijke spanning tussen wonen en bedrijvigheid in de haven. Segeren beaamt dat. Milieuzones geven grenzen aan. Ook toerisme kan overlast geven. De visserij is niet het probleem. Dat hoort bij Scheveningen. Maar ja, het gaat ook om de werkelijke stank en het werkelijke geluid en de perceptie van de stank en de perceptie van het geluid. Ja, het ruikt hier naar vis en naar zee! Als ik er kom ruik ik het wel. Maar ik denk ook: ik ben weer op de mooiste plek van Den Haag!

Maar die spanning, ja, daar heb je een bestemmingsplan voor. En iedere overheid krijgt klachten. Dus ook over laden en lossen op verkeerde tijdstippen. Maar er zijn meer klachten over de hoogbouw van de woningen dan over de haven! Het gaat om het eigen uitzicht. Maar we hebben geen recht op uitzicht in Nederland. Scheveningers die klagen over al die nieuwbouw en over de bereikbaarheid. Maar er wordt ook veel nieuwbouw erg fraai gevonden. Een rondje lopen in de haven wordt belangrijk gevonden. Tegelijkertijd moeten sommige delen van de haven soms worden afgesloten. Het is een zeehaven. Voor de veiligheid moet je soms kades afsluiten bij laden en lossen. De douane wil zicht hebben op de drugs etc. Zo is dat nu eenmaal. Dus je kan niet altijd het ‘rondje haven’ lopen.

Ik wil afronden met de vraag wat een gemeente kan en wat een gemeente niet kan in dit soort ontwikkelingen. Segeren zei al: je kan het vooral verpesten. Segeren verwoordt het ook nog anders: Gemeentelijk beleid is een noodzakelijke voorwaarde voor economische ontwikkeling van de stad, maar geen voldoende voorwaarde. En soms komt het nieuwe bedrijf geheel uit zichzelf, maar dan moet je het toch nog weer vaak ruimtelijk faciliteren. Een bestemmingsplan geldt voor heel Nederland. Maar het is duidelijk: de gemeente zorgt niet voor werkgelegenheid, maar de bedrijven zorgen voor werkgelegenheid. Maar we kunnen die bedrijven wel helpen om het ondernemen net iets makkelijker te maken. Bijvoorbeeld door te luisteren wat hun behoeften zijn. Dat heet accountmanagement. Je kan soms in geval van innovatie een subsidie geven. Je kan ze dus ruimtelijk faciliteren door een bedrijfsterrein te bestemmen terwijl je weet dat de verkoop van grond voor nieuwe woningen veel meer oplevert. En je kan bedrijven die er nog niet zitten enthousiast proberen te maken. Vertellen over de kwaliteiten van die plek. En als dat verhaal kloppend is, kan je daarin succesvol zijn. Veel koffiedrinken, wat je ook moet doen in zo’n gebied, is op zich niet voldoende.

Persoonlijk trek ik de conclusie dat alleen om die reden de haven van Scheveningen toekomst heeft. Want Segeren heeft een kloppend verhaal.

 

#Spuiforum Den Haag veel duurder

maart 18, 2014 by  
Filed under artikel

De tegenstanders van het te bouwen Spuiforum in Den Haag hebben een indringende analyse gemaakt van de te verwachten kosten. Het College van B&W van Den Haag meent dat het Spuiforum voor € 181 miljoen kan worden gebouwd. Frits van Erpers Roijaards, Guus Baartmans en Jan de Jonge analyseren op heldere wijze dat de kosten minimaal € 277 zullen bedragen. Hun argumenten zijn hier te vinden: Persbericht,  Financiele barometer Spuiforum .

De rafels van de stad

november 3, 2013 by  
Filed under De Stad

Nederland kent steeds meer onbestemde gebieden tussen stad en land. Toch speelt in de ruimtelijke ordening het onderscheid tussen stad en land nog steeds een prominente rol. Het is ook een onderscheid dat eeuwenlang de ruimtelijke werkelijkheid van Nederland weerspiegelde: veel kleine steden en dorpen te midden van de grote, open ruimte. Die tijd ligt inmiddels ver achter ons. Wie met de auto de A12 volgt van Den Haag naar Utrecht en verder naar de Duitse grens, ziet een andere werkelijkheid. Het is onduidelijk waar Den Haag eindigt (bij Reeuwijk?) en de open ruimte van het platteland dient zich van Den Haag tot de Duitse grens nog maar mondjesmaat aan. De Nederlandse steden groeien langzaam via de wegen en de omliggende bebouwing aan elkaar vast. En dat geldt dit niet alleen voor de Randstad.

De vervaging tussen stad en land is overigens niet alleen een kwestie van morfologie, niet alleen een fysieke kwestie. Maatschappelijke functies die vroeger gebonden waren aan óf de stad óf het platteland komen tegenwoordig overal voor. Ook in mentaal opzicht zijn de verschillen niet meer zo groot. Stedelingen zijn op het platteland gaan wonen en hebben de stedelijke mentaliteit meegenomen. Radio en televisie bestoken de mensen overal met dezelfde programma’s en social media verbinden mensen overal. Mobiliteit en massamedia hebben dan ook een belangrijke rol gespeeld in de vervaging van de grenzen tussen stad en land.

Veel wetenschappers zijn dan ook op zoek gegaan naar nieuwe termen. Zij spreken in termen van stedelijke netwerken: knopen van activiteit die door infrastructuur met elkaar zijn verbonden. Schiphol, Alexandrium, de Zuidas, de Efteling en bedrijventerreinen aan de snelwegen zijn daarin even belangrijk als de oude stadscentra, die soms vooral een toeristische betekenis hebben gekregen. Of ze spreken over een ’urban field’. Ook in het beleid zag je de termen gaandeweg veranderen. Overigens spraken beleidsmakers nog lang over stedelijke netwerken als netwerken van met elkaar verbonden steden, terwijl wetenschappers nu juist beweren dat de oude stad tegenwoordig de gedaante van een netwerk heeft.

Aan dit enigszins abstracte debat heeft het Ruimtelijk planbureau indertijd een concrete term toegevoegd: ‘tussenland’. Tussenland heeft zich gevormd tussen stad en land. Het zijn de rafels van de stad. Vaak is tussenland een onbestemd gebied met meerdere wisselende bestemmingen, dat formeel eigenlijk niet eens bestaat. Het is op geen kaart of bestemmingsplan te zien. Misschien is het juist wel ontstaan, omdat het werd ontkend. Beleidsmakers zijn immers lang uitgegaan van het adagium: het is geen stad en geen land, dus het bestaat niet. Nog niet zo lang geleden sprak de Tweede Kamer zich in een motie uit dat die corridorontwikkeling rondom de snelwegen moest worden verboden. Maar wie zijn ogen ervoor sluit kan verwachten dat het tussenland overal door de mazen van de ruimtelijke plannen heen glipt.

De onderzoekers van het Ruimtelijk Planbureau zagen ’tussenland’ indertijd als iets positief, als iets moois. Tussenland biedt kansen aan mensen en bedrijven. Het is de plek voor de autosloop, het is ook de plek voor nieuwe bedrijvigheid en zelfs voor nieuwe creativiteit. En als dat zo is, zou je hopen dat geen planoloog zich erom gaat bekommeren. Dat soort tussenland moet je niet willen plannen. Dat soort tussenland is alleen zo mooi, omdat het formeel niet bestaat.

Maar soms doet tussenland zich op een veel grotere schaal voor. Ik denk aan één van mijn lievelingsplekjes rondom Den Haag: het Prins Clausplein. Een intrigerend knooppunt van snelwegen en een spoorlijn, dat enkele decennia geleden nog geheel te midden van het groen lag. Tegenwoordig wordt het verkeersplein geflankeerd door showrooms voor dure auto’s en iets dat Forepark heet. Sinds een paar jaar geleden voetbalt ADO Den Haag in één van de oksels van het plein. Langzamerhand raakt het verkeersplein helemaal ingesloten. Zonder dat er van enige planning sprake lijkt. Ik vraag me af of we zoveel verrommeling nodig hebben voor de rafels van de stad.

Misschien hebben we wel enorme kansen laten liggen bij het Prins Clausplein. Het lijkt een prachtig voorbeeld van tussenland, waarvan we de mogelijkheden juist onvoldoende hebben benut. Waarom hebben we daar geen groot station? Waarom stopt de HSL daar niet, zoals Bos van de Bosvariant nog eens heeft voorgesteld? Of waarom hebben we geen razendsnelle people mover van het Clausplein naar de binnenstad van Den Haag? Misschien hadden we het tegenovergestelde moeten doen en hadden we alle (overige) activiteiten daar juist moeten verbieden en hadden we groene bufferzones moeten creëren. Zodat de compactheid van Den Haag juist was versterkt.

Rafels maken een stad. Ze vervullen een functie. Soms moet je dit tussenland niet willen ordenen. Maar soms mis je kansen. Het Prins Clausplein is een gemiste kans. Ziedaar het grote dilemma dat de planoloog wel vaker tegenkomt.

Jo Coenen en de stad

oktober 24, 2013 by  
Filed under De Stad

Sommige architecten intrigeren je. Je volgt hun werk al lange tijd, zonder te weten wanneer die fascinatie precies is begonnen. Mijn fascinatie voor Jo Coenen moet in het midden van de jaren ’80 zijn begonnen. Hij deed zowel mee met de prijsvraag voor het nieuwe kantoor van Nationale Nederlanden aan het Weena in Rotterdam als met de prijsvraag voor het nieuwe gebouw van het NAi, ook in Rotterdam. Het eerste ontwerp vertoonde enige gelijkenis met een groot hobbelpaard en moest het afleggen tegen de glasarchitectuur van Auke Bonnema. Het tweede ontwerp kwam wel als winnaar te voorschijn, en liet daarbij onder andere Koolhaas en Tschumi achter zich. Het verschil tussen de ontwerpen van Coenen en Koolhaas was niet alleen frappant, maar ook heel kenmerkend. Koolhaas schetste een interessant gebouw, dat nergens zou hebben misstaan. Coenen daarentegen ontwierp een gebouw dat juist aan deze open plek middenin Rotterdam een prachtige invulling gaf. Ik geef graag toe dat het even duurde voordat ik dat door kreeg; als socioloog ben je nu eenmaal niet gewend te kijken. Maar gaandeweg begon het gebouw me steeds meer te boeien. Het omarmt aan de voorkant niet alleen het museumpark in Rotterdam, het heeft aan de achterkant de Rochussenstraat structuur gegeven. Dit is heel kenmerkend voor Jo Coenen: hij weet van een plaats een plek te maken. In dat opzicht werd zijn ontwerp voor het gebouw van Nationale Nederlanden terecht afgewezen. Dit was geen echte ‘Coenen’, want het had op veel plaatsen niet misstaan.

Om die reden is het logisch dat Jo Coenen een boek heeft geschreven met als titel: ‘Van stadsontwerp tot architectonisch detail’. Misschien is Coenen ook wel meer stedebouwer dan architect: “Architectonisch ontwerpen van stukken stad, van stadsensembles, van grote delen stedelijke omgeving, ervaar ik bij uitstek als mijn vak.” Dit citaat van Coenen raakt overigens een meer fundamentele vraag: kan alleen een goede architect een zinvolle bijdrage aan de stedebouw leveren? Laat ik hier slechts vaststellen dat Coenen zelf briljant in staat is om soms met kleine en soms met grotere ingrepen een veel groter gebied meerwaarde te verschaffen. In Den Haag kennen we het voorbeeld van de Vaillantlaan, centrale as in de Schilderswijk die moest worden gerenoveerd. In vele andere oude wijken leidde de stadsvernieuwing tot treurige nieuwbouw, zonder karakter. In Den Haag vroeg wethouder Adri Duivesteijn Jo Coenen om voor de Vaillantlaan een masterplan te maken. Coenen ontwierp een laan, breder dan de oorspronkelijke straat, en gaf de individuele architecten een bouwdoos mee van strikt omschreven basiselementen waarmee alle nieuwe gevels aan de Vaillantlaan moesten worden gecomponeerd. Het effect is verbluffend: één laan die een hele wijk een nieuw gezicht weet te geven. Een architect als stedebouwer.

Natuurlijk kan het ook misgaan. Het stadskantoor van Coenen in Delft – voor de forens van Rotterdam naar Leiden, zoals ik jaren was, goed vanuit de trein te zien – is inmiddels een treurig gebouw. Gelukkig weten maar weinigen dat het hier gaat om een vroeg ontwerp van Coenen. Het siert hem dat hij in het genoemde boek de mislukking volmondig toegeeft. Daarentegen lijkt hij wel enthousiast over het gebouw aan de Hofwijckstraat in Den Haag. Dat verbaast me. Het valt Coenen niet te verwijten dat het Rijswijkseplein in Den Haag een vreselijk gebied is, en dat de flat van Carel Weeber daar veel verbeteringen in de weg staat. Toch ontgaat de meerwaarde van Coenens ontwerp voor de Hofwijckstraat mij grotendeels. Of ligt dat aan de armoedige afwerking?

Laat geen verkeerde indruk ontstaan: het gaat zelden mis bij Coenen. Het KNSM-eiland in Amsterdam is een wonderschoon ontwerp, hoog stedelijk, met een fraaie afronding van de hand van de meester zelf. Het Céramique-gebied in Maastricht heeft Coenen terecht internationaal beroemd gemaakt. Hier heeft hij nieuwe stedelijkheid aan de oude stad Maastricht toegevoegd, waar door vele anderen een nieuwbouwwijk zou zijn gebouwd, zoals ze zoveel in de tweede helft van de twintigste eeuw zijn gebouwd. Dan realiseer je je hoe mooi, en vooral natuurlijk, nieuwbouw kan zijn.

Dat Coenen graag ‘natuurlijk’ wil bouwen, spat af van bijna elke pagina van zijn boek. In de beginjaren ’80 verwoordde hij het al aldus: “De architectuur die ik voorsta is op historische en culturele leest geschoeid, waarin de vanzelfsprekendheid van menselijk gebruik en begrip besloten ligt en waarin de continuïteit van tijd en plek gestalte krijgt.” In het boek schrijft hij: “Ontwerpen in de Europese stad betekent voor mij luisteren en kijken en niet direct uitgaan van mijn voorkeuren, omdat de bestaande constructies bij nadere beschouwing en analyse reden van bestaan hebben.” En: “Juist anonieme ingrepen hebben vanouds tot het ontstaan van architectuur geleid en die vanzelfsprekendheid, die verbondenheid met de omgeving, die probeer ik in mijn werk terug te vinden.” De architect heeft voor Coenen dan ook een bescheiden en beperkte rol. Coenen richt geen monumenten voor zichzelf op, hij maakt ze slechts om de kracht van de stad te vergroten. Hoe prachtig is de volgende uitspraak, waarin Coenen zijn hele werk samenvat: “Architectuur en stedebouw dienen om samenhang te creëren waar die verloren is gegaan of nooit bestond; en ze moeten continuïteit brengen waar iets nieuws wordt gevraagd.” Ook wenst Coenen als architect vooral authentiek te zijn. Ik zou eraan willen toevoegen: integer. Architectuur vergt integer omgaan met de stad, met de historie. Dat dit ook kan leiden tot hele moderne architectuur weet iedereen die het werk van Coenen enigszins volgt. Zouden ruimtelijke ordenaars niet heel veel van zo’n instelling kunnen leren?

Dromen over nieuwe stedelijke iconen

juli 10, 2013 by  
Filed under De Stad

600_photoEen nieuw Spuiforum in Den Haag

In Den Haag wordt een fel debat gevoerd over het ‘Spuiforum’. Het gebouw moet verrijzen op het nog niet zo oude Spuiplein, dat nooit echt een succes is geworden. Het gaat onderdak bieden aan het Residentieorkest, het Conservatorium en het Nederlands Danstheater. De huidige behuizing van orkest en danstheater is na 25 jaar aan vervanging toe. Het Conservatorium is op dit moment buiten het centrum van de stad gehuisvest. Architect Neutelings heeft een groots ontwerp gemaakt. De geraamde kosten zijn hoog, €181 miljoen. Er is weinig geld in de gemeentekas. Een fel debat is dan onvermijdelijk.

De strijd tussen voor- en tegenstanders laat zich eenvoudig uittekenen. De voorstanders wijzen niet alleen op het belang van cultuur, maar plaatsen dat belang meteen in het bredere kader van de creatieve economie. Wie de hoogopgeleiden aan zijn stad wil binden, zal een aantrekkelijk cultureel klimaat moeten bieden. Bovendien zal het nieuwe Spuiforum een nieuw icoon van de stad worden, hetgeen ook goed is voor het toerisme. Voor het gemak wordt er in de plannen maar meteen vanuit gegaan dat de bezoekersaantallen voor orkest en ballet met 50% zullen toenemen. Het icoon is hier een droom. En waarom ook niet? Zonder dromen was er nooit iets groots verricht.

De tegenstanders vragen zich af waarom een nieuw cultuurpaleis moet worden gebouwd terwijl tegelijkertijd zes bibliotheekfilialen vanwege geldgebrek Emoeten worden gesloten en terwijl er drastisch wordt gekort op het budget van het Residentieorkest. Ze missen een stedebouwkundig plan, waarin dat enorme Spuiforum een fatsoenlijke plek heeft gekregen. Ze tonen aan dat die €181 miljoen een veel te lage schatting is van de kosten en ze maken alternatieve plannen die een veel minder groot beslag zullen leggen op de gemeentefinanciën. En nee, hun plannen zullen niet uitmonden in een nieuw icoon.

Stedelijke iconen

Het doet me denken aan dat mooie boek over ‘stedelijke iconen’ van Wouter Jan Verheul. Verheul heeft onderzoek gedaan naar het ontstaan van stedelijke iconen en hij heeft ook boeiend de mislukkingen beschreven. Wat is overigens een ‘icoon’. Volgens Verheul hebben sommige bouwwerken een dusdanige iconische waarde voor hun stad gekregen dat ze als het ware hun logo zijn gaan vormen. Op elke folder van de stad zijn ze wel ergens te vinden. Ze hebben een hoge ansichtwaarde en iedereen wil ook met hen op de foto. Denk aan de Erasmusbrug van Rotterdam, aan de Golden Gate van San Francisco, aan de Eiffeltoren van Parijs, aan de Brandenburger Tor van Berlijn en aan het Guggenheim Museum in Bilbao.

Maar iconen zijn niet alleen maar plaatjes. Dat zou te gemakkelijk zijn. Achter het beton gaat vaak een fraai vertoog schuil. De Erasmusbrug moest het arme Zuid bij de stad ‘trekken’, hetgeen overigens maar matig is gelukt. De Euromast moest de wederopbouw van de stad symboliseren. En de Brandenburger Tor toonde niet alleen de overwinning van de Duitsers op de Fransen, maar wellicht nog meer de onoverwinnelijkheid van de Duitsers. En het vertoog is nadrukkelijk verbonden met de identiteit van de stad. Iconen hebben dus niet alleen ansichtwaarde, maar ze vertellen ook iets over de stad. De Maas hoort bij de identiteit van de stad Rotterdam en niet voor niets is dan ook de Erasmusbrug momenteel het belangrijkste icoon van die stad. De wederopbouw is langzaam uit het beeld verdwenen, en daarmee heeft de Euromast zijn belangrijkste iconische waarde verloren. Roombeek is ontstaan na de vuurwerkramp in Enschede, die onderdeel is gaan uitmaken van de identiteit van die stad. Oude kerken en oude stadhuizen vertellen veel over de historische rijkdom van steden.

De zoektocht naar nieuwe iconen

Daarmee zijn stedelijke iconen een dankbaar onderwerp voor politici en bestuurders. Je kan er als stad (en in mindere mate als politicus) beroemd mee worden en je kan er een verhaal mee vertellen. Je kan met een nieuw icoon je stad een (nieuw) gezicht geven en je kan zelfs de identiteit van de stad ermee versterken. Het verbaast dan ook niet dat zelfs in tijden van schaarste het ‘icoondenken’ bij wethouders hoogtij viert. In Den Haag woedt die strijd rondom het Spuiforum, in Rotterdam rond een nieuwe Kuip (hoewel die strijd inmiddels beslecht lijkt in het voordeel van de tegenstanders), in Groningen rond een nieuw Cultuurforum, in Arnhem en vele andere plaatsen rondom een nieuw station.

Het lijkt allemaal zo aantrekkelijk. Je tast eens goed in de buidel, je stad krijgt grote bekendheid en je burgers voelen zich meer verbonden. Maar zo simpel is het helaas niet. Of een bouwwerk ook werkelijk een icoon zal worden, laat zich maar moeilijk voorspellen. Zo blijkt wel uit de studie van Verheul. Tony Blair deed ooit een jammerlijke poging met het Millennium Dome in London. Het werd een faliekante mislukking die de Britse overheid meer dan een miljard euro heeft gekost. In Almere staat een modern kasteel al meer dan 10 jaar onafgebouwd te rotten. En ook van vele andere iconen-in-spe bleef in de regel voor veel geld maar weinig over.

Noodzakelijke voorwaarden

Verheul noemt twee noodzakelijke voorwaarden om te komen tot een succesvol icoon: identiteit en vertoog. Een icoon slaat aan bij de identiteit van een stad. En het heeft een vertoog, een verhaal, dat hem met die stad verbindt. Persoonlijk zie ik nog niet zo goed hoe het Spuiforum aan die twee voorwaarden zou kunnen voldoen. Ik heb toch al moeite de identiteit van Den Haag als stad te verwoorden. Wellicht is het Haagse Bosch meer met de identiteit van Den Haag verbonden dan een nieuw cultuurpaleis. Of het bekende onderscheid tussen ‘zand en veen’.

Zo was het wijs van het gemeentebestuur van Rotterdam dat het geen extra geld wilde uitgeven aan het ontwerp van het nieuwe Rotterdam Centraal van de architect Alsup, dat al snel de bijnaam ‘de Champagneglazen’ kreeg. Het was zonder meer een markant ontwerp, maar in die Rotterdamse sfeer van ‘handen uit de mouwen’ en ‘niet lullen maar poetsen’ zei de bijnaam al meteen voldoende. Dat ontwerp paste niet bij de identiteit van de stad. Wellicht eerder bij een deel van Den Haag.

Het is met iconen eigenlijk net als met imago. Steden proberen middels citymarketing het imago van hun stad op te krikken, zoals bedrijven dat ook doen. Maar al die grote en kleine pogingen mislukken allemaal als het beoogde imago niet aansluit bij de identiteit van de stad. Imagocampagnes hebben alleen zin als het bestaande imago juist niet aansluit bij de identiteit van de stad. Een gebouw wordt dus geen icoon als het niet met de identiteit van de stad is verbonden. Daarmee kan het nog wel een goed en functioneel gebouw worden, maar het is niet verstandig om de meerwaarde van een ‘nieuw icoon’ meteen in de businesscase mee te nemen.

En welke eisen moet het vertoog, het verhaal voldoen? Een goed ‘verhaal’ is volgens Verheul zowel aansprekend als geloofwaardig. Het moet niet alleen maar begeesteren, maar het moet ook een gedegen fundament van cijfers en statistiek hebben. Het is bekend dat bestuurders de neiging hebben om de kosten vooraf te laag in te schatten en de opbrengsten te hoog. Dat is vaak ook onvermijdelijk om een meerderheid achter de plannen te krijgen. Maar de cijfers moeten nog wel geloofwaardig zijn. Waarom zouden Residentieorkest en Nederlands Danstheater in het nieuwe Spuiforum 50% meer toeschouwers trekken? Het huidige Danstheater is een aantrekkelijk gebouw, één van de eerste ontwerpen van Rem Koolhaas. De Anton Philipszaal waar het Residentieorkest zijn concerten geeft, is niet de beste concertzaal van Nederland. Maar zal het Spuiforum per definitie zoveel beter zijn?

Geen garantie voor succes

Identiteit en vertoog, de twee noodzakelijke voorwaarden voor het scheppen van een icoon. Maar let wel: het zijn noodzakelijke en geen voldoende voorwaarden. Niet alleen is het vaak toeval of een groot project inderdaad doorgaat, of er op het juiste moment een meerderheid voor valt te vinden. Maar ook dan heb je nog niet meteen een stedelijk icoon. Uiteindelijk zullen de burgers de iconische waarde van het gebouw moeten herkennen. Dan pas is het een icoon. Het mag dan waar zijn dat een positieve bespreking door een gezaghebbend architectuurcriticus soms een belangrijk  zetje in de goede richting is, maar ook architectuurcritici bepalen niet wat ‘wij’ als een icoon zien.

Je moet dus een optimist zijn, een beetje een dromer, als je een icoon wil toevoegen aan je stad. Zonder dat haal je het niet. Maar daarmee is een moeizaam debat over nieuwe grootse projecten die tot icoon moeten uitgroeien, bijna een gegeven. De voorstanders geloven in de iconische waarde van de plannen en boeken de bijbehorende winsten meteen in. De tegenstanders ontberen die roze wolk en noemen de te verwachten opbrengsten al snel onrealistisch. Zonder dromen geen nieuwe iconen. Maar het probleem is wel dat dromen zo weinig werkelijkheid worden. En dan zit de stad nog jaren met de gebakken peren.

——-

Luister hier naar: Interview over deze grote projecten op Radio 1 (10 juli 2013).

Column: Strandmarathon Den Haag 2013

januari 23, 2013 by  
Filed under Geen categorie, lopen

Je kan ook 42 km in je eentje lopen. Je plant een duurloop van 4 uur, je tuurt een tijdje op een kaart. Je regelt drinken onderweg, of je neemt je Camelbak mee. Wat gelletjes of andere koolhydraten in je achterzak en lopen maar. Na 4 uur kom je tevreden en gelukkig aan. Zo, weer een marathon gelopen…

En toch werkt het niet zo. Een duurloop van vier uur is geen marathon. En wordt nooit een marathon. Een duurloop heeft geen startschot, heeft geen finish met een streep op de weg. Voor een marathon heb je andere lopers nodig en die heerlijke marathonstemming. Een beetje lacherig zijn voor de start, zelfs een beetje zenuwachtig. Vooraf, onderweg en achteraf kletsen met onbekenden. En na afloop ben je bezitter van een nieuw shirt, van een medaille of een ander aandenken, waarvan je meteen weet dat je het nooit zal weggooien, hoe onooglijk het ook is.

photo-12-1

Eigenlijk maakt het niet uit hoe massaal die marathon is. Of je nu met 40.000 man aan de start staat of met 80. Of er overal matten liggen om je chip te registreren of dat er om de 10 km een mannetje staat die je startnummer in een kladblokje noteert. Of er tribunes bij de finish staan, of twee verdwaalde wandelaars en één man van de organisatie die niet alleen de volgorde noteert, maar ook de tijden probeert bij te houden. Het is allemaal een marathon. En van de kleinschalige marathon in de natuur kan ik evenveel genieten als van zo’n massale stadsmarathon.

Ik weet het, het lijkt niet te kloppen. Bij een marathon gaat het om het samen lopen van 42 km. Maar is niet de kern van een marathon dat je vooral strijdt tegen jezelf? Of is het juist die combinatie: te midden van anderen tegen jezelf strijden, waarbij je steeds eenzamer wordt en steeds meer met jezelf bezig bent als de finish nadert? Ik weet nog goed dat ik me van de laatste twee kilometer van mijn eerste marathon niets meer kon herinneren. In een waas naar het einde gelopen. Of is dat nu juist zo echt ‘marathon’: samen lopen terwijl het ‘samen’ naar het einde toe steeds meer vervaagt?

Eén ding is zeker: de Strandmarathon Den Haag van 13 januari jl. was één groot feest. [Ik schrijf dit een week later, als mijn herinnering zich al heeft aangepast.] Het was stralend weer met temperaturen onder nul. De plassen waren bevroren, zelfs op het strand. De zon bescheen het landschap alsof de eerste schaatstocht kon worden gereden. Was het daardoor dat we de auto gewoon in de berm parkeerden? Zoals we dat in Blokzijl doen, of in Belt-Schutsloot of in Noorden? De Haagse politie dacht er anders over en deelde een bon van 90 euro uit. Maar dat merkten we pas achteraf.

In het clubhuis van ‘The Hague Road Runners’ rook het naar erwtensoep en lichte opwinding. Vanwaar toch die moeilijke naam? Achter een tafel werd de administratie bijgehouden. Het geld werd bewaard onder een oude krant. Een oerhollands feest. Dit leek niet op een schaatsfeest, dit was gewoon een schaatsfeest. Terwijl ik me inschreef vertelde de ijsmeester net over de kwaliteit van het ijs. De route bleek nogal eenvoudig. Van hier naar Scheveningen, van Scheveningen naar Noordwijk. En weer terug. Nou ja, het wees zich allemaal vanzelf. De start was aan de andere kant van het viaduct, de finish was voor het clubhuis, zeg maar: de kantine.

We drentelden naar de start. Het kletsen met medelopers nam zijn aanvang. Er wordt nergens zo spontaan met de medemens gesproken als bij een marathon. Bij marathons bestaan geen wildvreemden, daar is iedereen een oude bekende. Ook al heb je hem of haar nooit eerder gezien. En ook ‘oude bekende’ is niet het goede woord. Bij ‘oude bekenden’ hoort een moment van herkenning en verrassing. Bij marathons praat je met medelopers alsof je ze al jaren kent en gisteren nog lang hebt gesproken.

Het startschot werd gegeven door een lid van de club van honderd. De club van de echte diehards, de mensen die al meer dan 100 maal een marathon hebben gelopen. Ik loop vandaag pas mijn 40e. De starter zit ergens in de 160, als ik de berichten van de website goed heb onthouden. Of hij vandaag zelf ook meeloopt, is me onbekend. Hij zou toch niet geblesseerd zijn? Na de start wordt ons soepel de weg gewezen naar de Pier in Scheveningen. Zoals we overal voortreffelijk de weg worden gewezen door fantastische vrijwilligers. Voorzichtig lopen we onder de Pier door, na alle berichten over de treurigheid van dit verouderde kunstwerk. En dan is het verder inderdaad heel simpel: gewoon doorlopen naar Noordwijk. Bij Katwijk nog even van het strand om de monding van de Oude Rijn te passeren.

De wind is schuin tegen. Een prettige gedachte dat we op de terugweg de wind in de rug hebben. Het water staat laag. Maar dat betekent niet dat het strand overal hard is. Het wisselt. Soms zijn de voetstappen beter te zien dan me lief is. Bovendien wordt me al snel duidelijk dat een strandmarathon veel weg heeft van een steeple chase, maar dan wat verder. Regelmatig moet je over water springen. Op de heenweg zijn de waterstromen redelijk smal, maar het steeds weer aanzetten wordt gaandeweg dodelijk vermoeiend. Op de terugweg, met opkomend tij, worden de stromen steeds breder en eindigt een sprong steeds vaker in het water. Natte voeten, natte schoenen. Dat wil je vermijden. Zo wordt strandlopen een eindeloze zoektocht. Waar is het zand het hardst en waar lopen we niet vast te midden van al dat water? Kunnen we rechtuit of moeten we even naar rechts? Het resultaat is dat de Garmin aan het einde ver boven de 43 km staat.

Maar die eerste helft is het ook gezellig, enorm gezellig. Ik praat met Dik, ik praat met Jos, hoewel die al snel minder spraakzaam is. Ik praat met naamgenoot Wim, die ik al veel langer ken. Karin, die ooit de Tweede Maasvlakte heeft getekend, raakt in gesprek met een sterke loper, die daar ooit een lange duurloop heeft gedaan. Intussen zoeken we ons een weg over het zand en tegen de wind in. En zoals ik tussen Workum en Bolsward bij voorkeur een grote vent uitzoek die voor mij de wind opvangt, loop ik hier ook lange tijd midden in een klein peloton. Een stuk aangenamer. Als we bij een koek-en-zopie de groep kwijtraken duurt het weer een kilometer of 3 voor we ze hebben ingehaald. Het wegvallen van de wind is meteen weer een verademing.

Na Katwijk wordt de groep minder spraakzaam. Op onze Garmin houden we bij hoe ver we zijn. We realiseren ons geen van allen dat het keerpunt in Noordwijk niet halverwege, maar een kilometer verder ligt. Op de terugweg zullen we niet meer tot de Pier gaan, maar via de Watertoren lopen. Om die reden ligt het keerpunt op 22,1 km. Een zware tegenvaller, in mul zand en tegen de wind in. Ieder voor zich. Bij het keerpunt nemen we even de tijd. We drinken wat en vatten moed voor de terugtocht. De eerste kilometers gaan nog soepel. Voor de Oude Rijn wil ik even wandelen. Dat moet je niet willen. Wie eenmaal wandelt, wil steeds weer wandelen.

En zo vergaat het ook mij. Ik maak me zorgen om mijn blessure aan mijn voet. Ik word misselijk. Maar Karin blijft naast me lopen en spreekt me moed in. Na een kilometer of 30 drink ik wat uit een flesje dat ze bij zich draagt. Twee tellen later kots ik het weer uit. Karen vraagt plagend of het alles is. Ze heeft gelijk. Ik kan me beter even ontdoen van de maaltijd die gisteravond duidelijk niet goed is gevallen. Al snel vliegt de Italiaanse wokgroente van de vorige avond onverwerkt door de lucht. Het rood van de paprika en het groen van de prei zijn nog helemaal helder. Ik leer dat kotsen in de wind toch weer anders is. De kots verspreidt zich in de lucht.

Ik voel me beter. Wandelen en lopend gaan we door. Maar van het samenlopen is weinig meer over. Afgezien van de dappere Karin die zich heeft voorgenomen om bij me te blijven lopen. Wellicht wandel ik ook te veel. We praten namelijk tot het einde door. Dat duidt niet op ‘tot het naadje gaan’. Bij de bunkers gaan we het duin op, we lopen naar de Watertoren en bij de Alkemadelaan gaan we linksaf. En overal weer die lieve vrijwilligers, die de weg wijzen en de weg vrijhouden. Via de afgebroken kazerne en TNO naar de finish. We worden nog door een vrouw ingehaald. Karin kreunt: daar gaat mijn derde plek. Ze heeft dat blijkbaar al 40 kilometer in de gaten gehouden. Ik zet een sprint in om deze dame weer in te halen, maar moet na 300 meter opgeven. De benen doen pijn, erge pijn.

Nog een viaductje, we wandelen naar boven en lopen naar beneden. Mijn vrouw staat onder aan het weggetje ons op te wachten. Heerlijk gevoel. Even verder is de finish. Ik laat Karin voorgaan, maar ze komt uiteindelijk na mij in de boeken. Volgens uitslagen.nl heeft ze er één seconde langer over gedaan. Dat kost me nog een mailwisseling.

In de kantine zie ik mijn oude loopmaten weer terug. Jos, Wim en Dik voegen zich bij ons. We drinken bier. Jos neemt vlak naast me een bord pasta. De neiging om over te geven komt heftig terug. Het zal nog een paar dagen duren voor ik de geur van pasta weer kan verdragen. Italiaanse wokgroente komt voorlopig zelfs op de zwarte lijst.