Vanwaar dat klagen over #gemeenteraden

mei 21, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

Wim Voermans was bijna een groot man geweest in de wereld van het lokaal bestuur. Hij kreeg als wetenschapper veel geld om onderzoek te doen naar het functioneren van de gemeenteraad. Een commissie onder leiding van toenmalig wethouder Kajsa Ollongren zou zijn onderzoek omzetten in een belangrijk advies. Het liep allemaal anders. Voermans was te positief over de gemeenteraden volgens zijn opdrachtgever, de VNG. Hij werd vakkundig kaltgestellt. Voermans kreeg meer geld om langer onderzoek te doen en de  VNG riep snel een andere commissie in het leven onder leiding van Wim van den Donk. Het resultaat liet zich voorspellen: Van den Donk meldde dat er veel mis is met het functioneren van de gemeenteraad. En dat wilde de VNG blijkbaar horen. 

Overigens heb ik me (hier) al eerder verbaasd over dat rapport van Wim van den Donk. Het was een somber rapport. Alarmbellen gingen af over het lokaal bestuur. Maar de adviezen van de commissie waren zeer mager. Het dualisme tussen gemeenteraad en College van B&W moest worden geëvalueerd en de wijze van benoeming van de burgemeester moest onaangetast blijven. Dat was alles. Ik dacht meteen al: als er zo weinig hoeft te veranderen, zal er ook niet zoveel aan de hand zijn.

Voermans verwerkte samen met Geerten Waling alle opgedane kennis in een leesbaar boek: Gemeente in de genen. Bovenstaande anekdote komt pas aan het slot van het boek aan bod. En dan pas gaan Voermans en Waling helemaal los. Ze schrijven dat ze zich ergeren aan het geklaag van de bestuurlijke elite over de lokale democratie en met name over het zogenaamde slechte functioneren van gemeenteraden. Ze verbazen zich over alle voorstellen voor andere vormen van democratie (“meervoudige democratie” in de woorden van Van den Donk) die door de bestuurlijke elite worden gedaan. Denk aan de G1000-projecten in tal van steden, waar willekeurige burgers (soms bij loting aangewezen) debatteren over de toekomst van hun stad. 

Tegelijkertijd hebben ze er wel een verklaring voor. Met politicoloog Tom van der Meer constateren ze dat er weinig mis is met onze democratie, maar veel mis is met de bestuurscultuur van de oude partijen. De oude partijen beginnen hun grip op het geheel te verliezen en komen juist daarom, volgens Voermans en Waling, met al die voorstellen voor andere vormen van democratie. Let op: vanuit de gedachte dat die nieuwe vormen van democratie door de elite gemakkelijker zijn te bespelen dan de oude gemeenteraad.

Waarom zou dat zo zijn? Ten eerste verliezen de oude politieke partijen snel terrein in de gemeenteraden (vooral ten gunste van lokale partijen die veel meer een doorsnee zijn van de bevolking dan de hoogopgeleide vertegenwoordigers van de bestuurlijke elite). En ten tweede worden de uitkomsten van al die nieuwe vormen van inspraak, participatie, doe-democratie etc. vaak bepaald door de hoogopgeleiden. Als ze al een uitkomst hebben. Zeg maar, de mensen waarmee de oude elite veel verwantschap voelt. Er moeten dus nieuwe vormen van democratie komen, omdat de elite haar grip op de oude democratie aan het verliezen is.

Het is een interessante gedachte. Maar ben ik het ook eens met die stelling?

Ik heb me inderdaad al tijden verbaasd over die voorliefde voor andere vormen van democratie bij mensen die in de ‘oude democratie’ groot zijn geworden. Annemarie Kok vroeg zich eerder af: vanwaar toch die ‘weg-met-ons-mentaliteit’? Maar ik zag het vooral als een wanhoopspoging, vanwege die vermeende kloof tussen burgers en politiek. Vanwege het vermeende afnemende vertrouwen in politici. Ik zag het toch vooral als een poging om de burgers weer meer bij de politiek te betrekken.

Maar Voermans en Waling gaan veel verder. Zij zien de nieuwe democratische vormen als een instrument van de bestuurlijke elite om de macht vast te houden die gaandeweg in de gemeenteraden is verloren. Die veronderstelde kloof is geen kloof tussen politiek en burgers, maar een kloof tussen de huidige elite en de nieuwe burgers. 

Een aantal feiten valt niet te ontkennen:

Ten eerste: ik ken geen onderzoek dat aantoont dat gemeenteraden tegenwoordig minder functioneren dan vroeger, zeker als het primaire doel is van de gemeenteraad om de bevolking te representeren. 

Ten tweede: er is veel onderzoek dat aantoont dat al die nieuwe vormen van democratie (buiten de gemeenteraad om) vooral ten goede komen aan hoogopgeleiden en dat de Colleges van Burgemeester en Wethouders vaak subtiel gebruik dan wel misbruik weten te maken van de uitkomsten van die nieuwe vormen van democratie. 

Ten derde: al die nieuwe vormen van democratie zijn inderdaad nooit bedoeld om onderwerpen aan te kaarten die de politieke en bestuurlijke elite onwelgevallig zijn. Asielzoekers moeten wel een woning krijgen, vliegtuigen moeten wel blijven vliegen, Polen moeten hier wel kunnen werken, het klimaat moet wel veranderen. 

Ten vierde: vooral in sociaal-democratische hoek zijn veel voorstanders van de nieuwe vormen van democratie te vinden (Plasterk, Wallage etc). De PvdA is in de laatste decennia haar positie in het lokaal bestuur (in de gemeenteraden) geheel kwijtgeraakt. Lokale partijen hebben overigens geen nieuwe vormen van democratie nodig om contact te houden met de bevolking. 

Ten vijfde: nadat ze aanvankelijk enthousiast waren over het referendum, draaien oude politieke partijen momenteel dit instrument weer de nek om, mede omdat de uitkomsten helemaal geen ondersteuning waren voor hun beleid. Worden nieuwe vormen van democratie alleen toegejuicht zolang ze een middel zijn om het beleid van de politieke en bestuurlijke elite te legitimeren? 

Misschien zijn Voermans en Waling wel te cynisch, maar misschien was mijn geloof in de politieke en bestuurlijke elite nog te groot. Ik weet niet wat erger is. 

Waarom neuzelen sociaal-democraten over burgerkracht

december 21, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

Annemarie Kok schreef een prachtig stuk in S&D. Ze stelde de terechte vraag waarom zoveel vooraanstaande PvdA-ers (Wallage en Plasterk) zijn gaan geloven in ‘burgerkracht’ en ‘doe-democratie’. We zouden de burgers veel vaker zelf moeten laten beslissen. Ook wel: meer democratie en minder politiek. En het is opvallend dat je dit geluid vooral van politici hoort. Kok vraagt zich af: waarom zijn ze ‘klaar’ met de politiek. ‘Hoe zijn we toch in dit ‘weg-met-ons’-verhaal verzeild geraakt? Jacques Wallage voelde zich aangevallen en reageerde met een verkeerde intonatie en met een verkeerde argumentatie. Alle reden om nog even erop terug te komen.

Ik vermoed dat Wallage heeft verzuimd het essay Binding genoeg te lezen dat aan de basis stond van Koks beschouwing in S&D. Misschien had hij dan anders gereageerd. Binding genoeg is een helder opgebouwd filosofisch betoog, verpakt in een brief aan Jane Jacobs. De stad Groningen, waar Annemarie Kok woont, fungeert als basis. Zoals in vele steden, en in nota’s van Plasterk en Wallage, bestaat er in Groningen zorg over de wegvallende sociale cohesie, het wegvallende gemeenschapsgevoel. En zoals elders wil de gemeente Groningen daaraan iets doen door de beslissingsmacht in handen van de burgers te leggen. Kok analyseert dat er met die sociale cohesie in de Nederlandse samenleving weinig mis is. Ja, de buurt is steeds minder een integrerend kader, maar is dat al zolang Jacques van Doorn daarop een halve eeuw geleden wees. De sociale cohesie is langs functionele weg opnieuw ingevuld. Het probleem bestaat dus niet. En volgens Kok mankeert er ook alles aan de oplossing, als er wel een probleem zou zijn.

In Binding genoeg geeft Kok hilarische voorbeelden. Ze beschrijft hoe ze verzeild raakt op een G1000-bijeenkomst waar ‘Stadjers’ (Groningers) samen plannen voor de toekomst van hun stad gaan smeden. Drie dringen vallen haar van deze conferentie op. Ten eerste is na een korte gedachtenwisseling al meteen duidelijk in welke richting de stad zich moet ontwikkelen en wordt voor het gemak aangenomen dat alle niet-aanwezigen het met deze richting wel eens zullen zijn. Ten tweede hebben professionals op de conferentie een bepalende rol, onder andere omdat ze aan elke tafel als gespreksleider optreden. Ten derde komt er uiteindelijk niets terecht van al die plannen die binnen in één dag zijn ontwikkeld en vastgesteld. Na een jaar is iedereen het gedoe weer vergeten.

Het tweede voorbeeld gaat over de Stripheldenbuurt in Almere, waar de gemeente burgers  verantwoordelijk heeft gemaakt voor de openbare ruimte (verlichting, bestrating, binnentuin en de riolering). Alweer vanuit de gedachte dat deze ‘gezamenlijkheid’ de sociale cohesie in de buurt zou versterken. En ook alweer vanuit de gedachte dat de burgers het over het gebruik van die openbare ruimte vanzelfsprekend eens zijn. Waarom zou de gemeente zich daar dan nog mee bemoeien? Nou, misschien wel omdat het gedrag van de ene burger negatieve effecten heeft voor de ander? Het hele onzinnige idee heeft uiteindelijk vooral tot burenconflicten, hoge kosten en hoofdpijn geleid.

Het derde voorbeeld moet Wallage zeker aanspreken. Al wandelend door de stad Groningen constateert Kok hoe blij de burgers nog steeds zijn met het Verkeerscirculatieplan dat door Max van den Berg en Jacques Wallage in de jaren 70 tegen veel weerstand (vooral van bedrijven en middelstand) is doorgevoerd, nee, is doorgedrukt. De politiek nam indertijd zijn verantwoordelijkheid. Het heeft de stad fundamenteel veranderd. Ten goede.

Het is des te opvallender dat Wallage nu zo’n andere positie inneemt. Ik kan me niet herinneren – ik woonde toen ook in Groningen – dat Max en Jacques indertijd veel pogingen hebben gedaan om de onwillige automobilisten en de klagende middenstand te laten meepraten. Laat staan: hen in het kader van burgerkracht de macht over te dragen. Wallage beargumenteert zijn ommezwaai overigens nogal onduidelijk. Hij beroept zich meermalen op het feit dat ‘de politiek het niet meer alleen kan’. Waarbij hij blijkbaar achteloos het begrip politiek voor zichzelf en de zijnen reserveert. Burgers moeten meedenken met het beleid. Je hebt draagvlak nodig. Hoogopgeleide burgers zijn immers in staat veel beleid te frustreren. Maar daarover gaat het stuk van Annemarie Kok helemaal niet. Kok is helemaal niet tegen transparantie of tegen een gesprek met burgers. Kok stelt zich te weer tegen de neiging van veel politici om zelf geheel plaats te maken voor de burger, wie dat dan ook is. Niet de burgers netjes laten meepraten en uiteindelijk zelf beslissen. Nee, gewoon alles over de schutting gooien bij de burger.

Wallage geeft nog een ander, veel grootser argument. Ik citeer: “De opkomst van populistische partijen in heel Europa moet allereerst worden gelezen als een protest tegen het feit dat de prijs van de globalisering wel erg eenzijdig wordt betaald door mensen met een kwetsbare maatschappelijke positie.” Maar Jacques, is dat probleem met burgerkracht op te lossen? Het lijkt me dat hier internationale en nationale overheden aan zet zijn om ervoor te zorgen dat de maatschappelijke ongelijkheid niet veel te groot wordt en dat de kansen om mee te doen eerlijker worden verdeeld. Zeg maar: gewone sociaal-democratie en geen geneuzel over burgerkracht.

Persoonlijk blijf ik met veel vragen zitten na het debat over burgerkracht, doe-democratie, zelf-organisatie of hoe we die neiging van veel politici om hun werk aan burgers over te laten ook maar willen noemen.

  • Wat is er mis aan de representatieve democratie? Waarom zou het ‘vijf voor twaalf’ zijn als meer dan tachtig procent van de mensen gewoon gaat stemmen bij de laatste Kamerverkiezingen? En waarom kan bij gebleken slijtage de representatieve democratie niet worden opgelapt, in plaats van haar met het troebele badwater van de doe-democratie weg te gooien. Als er bijvoorbeeld twijfels zijn over de kwaliteit van raadsleden in sommige gemeenten, waarom maken we het raadslidmaatschap dan niet aantrekkelijker (in plaats van ook nog eens het wachtgeld af te schaffen, meneer Plasterk)?
  • Zijn burgers bereid om burgerkracht te leveren? Ik citeer nog even Annemarie Kok op basis van veel studies: “Maar niets wijst op een spontane bereidheid onder de meeste burgers om gratis en voor niets op structurele basis over van alles mee te denken, maatschappelijke werk in de buurt te verrichten en/of bestuurlijke verantwoordelijkheid te dragen”.
  • Is iedereen in staat om de gevraagde burgerkracht te leveren? Voorstanders van burgerkracht wijzen graag op het hoge opleidingsniveau van de burger. Maar daarbij denken ze vooral aan hun eigen vrienden. Terwijl het vmbo nog steeds de populairste onderwijsvorm is. En het is bekend dat lager-opgeleiden meer moeite hebben om mee te doen in die leuke processen waarbij burgers het werk van gemeenteraden overnemen. Kok wijst terecht ook op de kloof tussen de onkundige burger en de professionals die al gauw de leiding overnemen in het debat.
  • Wat doen we met tegenstellingen? Politiek gaat toch over tegenstellingen? Voorstanders van burgerkracht lijken vaak te suggereren dat we het allemaal op voorhand eens zijn met elkaar. Dat er sprake is van een win-win-situatie. Alleen het woord al. Maar zoals een verstandige wethouder mij laatste zei: “Wim, voor mij bestaat de burger helemaal niet; ik ken alleen de astmapatiënt die nog ongezonder wordt omdat andere burgers met oude diesels in de binnenstad willen rijden” Ja, wie krijgt dan zijn zin? Politiek is toch de gezaghebbende toedeling van waarden?
  • Waarom horen we altijd dezelfde voorbeelden over burgerkracht? Het gaat altijd over groene straten en opgelapte leeszalen. Het gaat nooit over sociale zekerheid, over klimaatverandering, over ongelijke kansen in het onderwijs, over ondermijning door criminele milieus. Allemaal onderwerpen waarop de samenleving zonder overheid en zonder politiek geen antwoord kan geven. Voor ons allen is het goed om nu iets aan het klimaat te doen, maar mij persoonlijk is het veel aantrekkelijker om te wachten tot een ander wat doet. Zou het kunnen zijn dat je juist van de PvdA meer steun voor de representatieve democratie zou verwachten?
  • Hoe overheidscentrisch is dat denken over het vergroten van burgerkracht? Heel erg. De teksten van Plasterk over doe-democratie zijn bij uitstek paternalistisch. Ja, ik krijg jeuk als de overheid over mij schrijft dat “de burger [dus: ik] in positie moet worden gebracht”. Of dat de overheid voortaan moet ‘zorgen dat’ in plaats van ‘zorgen voor’. De overheid moet ervoor zorgen dat ik iets doe? Mogen wij burgers even zelf bepalen wat de overheid voor ons moet doen?
  • Hoe naïef is dat denken over burgerkracht? Plasterk schreef met droge ogen dat we burgers moesten stimuleren om zelf maatschappelijke vraagstukken op te pakken. Gold dat ook voor mannen met zwarte mutsen die in Woerden een asielzoekerscentrum aanvielen? Of voor burgers die de wietteelt in Brabant feitelijk legaliseren? Dat zijn toch ook burgers die zelf maatschappelijke vraagstukken oppakken?
  • Dat brengt ons terug bij die centrale vraag: waar is de overheid van? Mijn antwoord is simpel: de overheid dient die maatschappelijke belangen te behartigen die zonder optreden van de overheid niet worden behartigd. De samenleving is vaak heel goed in staat om zijn eigen zaakjes te regelen. Voor veel sociale cohesie (wat vanzelfsprekend een maatschappelijk belang is) heb je de overheid niet nodig. Maar juist als de samenleving het niet kan, moet de overheid het niet aan de burgers overlaten. En dat zouden sociaal-democraten moeten weten.

 

[verschenen in Socialisme & Democratie, 2017, nr 6, pp. 48-50]

[zie ook: ‘De overheid is belangrijk voor sociaal-democraten’ op deze site]

Zeggenschap enige antwoord op populisme @Pieterhilhorst

februari 13, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

Gesprek met Pieter Hilhorst

Pieter Hilhorst is al jaren bezig met het vergroten van de zeggenschap van burgers. Hij schreef er boeken over, hij was ombudsman bij de VARA. Hij was zelfs even wethouder van Amsterdam in de hoop dat hij op die plek de zeggenschap van burgers zou kunnen vergroten. Maar zeggenschap kan ook snel elitair worden. Dat de hoogopgeleide burgers met de hogere inkomens in staat zijn om het voor zichzelf goed te organiseren. Ook is het de vraag wat de grenzen van zeggenschap zijn. Waar moet de overheid het uiteindelijk toch gewoon zelf doen. Alle reden voor een mooi gesprek met Hilhorst.

De overheid omarmt en verstikt 

Ik ben benieuwd of Hilhorst iets heeft met begrippen als doe-democratie en overheidsparticipatie, die in sommige overheidskringen populair zijn. Dat blijkt genuanceerd te liggen. Hilhorst: ik heb iets met begrippen als burgerinitiatieven en zeggenschap van burgers. Overheidsparticipatie leidt gauw tot overname. Als burgerinitiatieven lukken, dan willen politici je altijd komen helpen. Dan dreigt een verstikkende omarming. Dat associeer ik met overheidsparticipatie. Een verstikkende overheid. Toen ik samen met Jos van der Lans een Broodfonds oprichtte, dat is een club zzp-ers die elkaar helpen bij ziekte en dergelijke, toen was Mei Li Vos van de PvdA de eerste die zei: hoe kunnen wij helpen? Dat is heel aardig. Maar wij zeiden: Je kan vooral helpen door je er niet mee te bemoeien. Dat heb je vaker: als de overheid er zich mee gaat bemoeien, dreigt altijd dat ze het gaan overnemen. Wat wel belangrijk is: dat de overheid het zo gaat organiseren dat het voor burgers makkelijker wordt om samen met elkaar het heft in handen te nemen.

Ik heb met Jos van der Lans het boek geschreven over sociaal doe-het-zelven. Ik dacht dat gedachtengoed ook als wethouder van Amsterdam goed te kunnen uitdragen. Maar dan zie de spanning. Nadat ik mijn verhaal had verteld, stond er een keer zo’n echte Amsterdammer op en die zei: “Zo, wij moeten het dus allemaal zelf gaan doen. En wat ga jij nu eigenlijk doen, man?” Hij wilde zekerheden. Hij was bang dat mijn mooie verhalen een alibi waren om mensen in de steek te laten. Dat is voor mij de crux: hoe biedt je zekerheden, maar kom je wel van een passieve naar een actieve solidariteit? En de overheid heeft daarbij zeker een rol.

Ik vraag Hilhorst of dat niet tegenstrijdig is. Ik zet het op scherp: Jij zegt dat de burger het allemaal zelf moet gaat doen. Maar waarom laten we de overheid dan nog weer toe? Hilhorst: je kan niet alle solidariteit in eigen beheer nemen. Daarvoor heb je de overheid altijd nodig. Maar het probleem is dat de overheid door haar optreden het zelforganiserend vermogen van burgers belemmert. De overheid is dus niet neutraal. De overheid individualiseert bijvoorbeeld enorm. Individualiseren is voor de overheid de normale gang van zaken. Ik zou het willen omdraaien: iets socialiseren moet de normale gang van zaken worden. Zo kan de overheid ertoe bijdragen dat burgers het samen gaan doen. Dus zelf gaan doen.

Hilhorst noemt als voorbeeld zwangerschapscursus uit Amsterdam-Noord. Het gebeurde eerst individueel. Toen zijn ze overgestapt op groepslessen. En zag je dat er platforms van vrouwen ontstonden, die elkaar gingen helpen. Die manier van denken moet je veel vaker toepassen. Organiseer platforms omdat platforms het zelforganiserend vermogen van mensen versterken. Dus maak groepen van patiënten die een knie-operatie hebben ondergaan. Laat ze samen revalideren. Dan vergemakkelijk je het zelforganiserend vermogen.

Burger wil ook zekerheid

Ik wil het nog scherper hebben. Wat wil die Hilhorst nu eigelijk? Kiest hij voor een overheid die op een andere manier organiseert wat de overheid toch al wil of is het een overheid die afscheid neemt van een verantwoordelijkheid en tegen burgers zegt: ga je gang maar? Hilhorst: veel dingen blijven toch een taak voor de overheid. Dat was mijn fout toen ik de politiek inging. Ik dacht: veel mensen zitten te wachten op het moment dat ze het zelf mogen gaan doen. Maar dat willen veel burgers helemaal niet. Die willen zekerheid. Die zekerheid moet gegarandeerd zijn. Inkomen, een dak boven je hoofd, dat je verzekerd bent. Daar moet de overheid voor zorgen. Maar binnen die zekerheden kan je best zorgen dat mensen zoveel mogelijk actief solidair zijn. In plaats van passief. Want passieve solidariteit wordt altijd uitbesteed aan bureaucratische instellingen. Met allemaal bureaucratische regels, waardoor mensen niet het gevoel krijgen dat ze geholpen worden door de verzorgingsstaat. De hulp die mensen van de staat krijgen gaat vaak gepaard met vernedering. Daarom is de verzorgingsstaat eigenlijk verweesd. Iedereen die er aanspraak op wil maken, ziet vooral de repressieve kant van de verzorgingsstaat. Terwijl mensen die geen aanspraak doen, denken dat de anderen juist worden verwend. Daarom zal de verzorgingsstaat op termijn geen draagvlak hebben. Dat wil ik tegengaan.

Het gaat om eigenaarschap

Kijk de overheid verzorgt heel veel. Neem het vervoer naar het ziekenhuis. Allemaal geregeld. Maar als jij een keer naar het ziekenhuis moet en dat busje is er niet, dan heb je het gevoel dat je niet meetelt. Maar als mensen het zelf organiseren, weten ze dat Wim altijd wat laat is. Dat is een totaal ander gevoel. Zonder eigenaarschap in die instellingen voor solidariteit, is de toekomst van solidariteit afgeschreven. Daarvan ben ik overtuigd. Je moet dus steeds nadenken hoe je mensen eigenaarschap en zeggenschap kan geven. Dus door het makkelijker te maken dat mensen het zelf organiseren. Of door het makkelijker te maken dat mensen samenwerken. En het eerste is: door het niet tegen te werken. Want veel burgerinitiatieven worden door de overheid tegengewerkt. De participatie-crèche wordt tegengewerkt door het Ministerie van Sociale Zaken. Ouders passen op elkaars kinderen. Maar de ouders zijn daarvoor niet opgeleid, nota bene, en dus komt er geen toeslag voor kinderopvang.

Is het een sausje of is het een fundamentele verandering? Om die reden zeg ik tegen Hilhorst: je streeft een verzorgingsstaat na met een menselijk gezicht. Hilhorst: Ja, dat is waar, maar ook met eigenaarschap. En dat is iets heel anders dan nabijheid. Want aan de keukentafel bepaalt nog steeds een ander wat er met jou gebeurt. Bij ons Broodfonds bepalen we zelf de regels. Dat geeft veel betere solidariteit. Hoe meer eigenaarschap, hoe meer steun voor de solidariteit.

De overheid blijft dus uiteindelijk nog steeds verantwoordelijk voor de solidariteit? Hilhorst: Ja, dat is de essentie, het is een ander soort overheidsoptreden. Zonder overheid zou het een neo-conservatief verhaal worden. Dat moeten we juist niet doen. We hebben die overheid echt nodig.

Hoogopgeleide en witte burgers nemen initiatieven

We zitten samen in Dauphine bij station Amsterdam Amstel. Allemaal witte mensen, allemaal hoogopgeleide mensen. Dan prikkelt zo’n verhaal nog meer. Want hoeveel mensen kunnen dit? Is dit een plan voor de beschaafde elite van Amsterdam? Voor de mensen binnen de ring. Is dit de burger van de Triomf van de stad die dit leuk vindt? Hilhorst: Er zijn heel veel burgers die zich ergeren aan hoe de overheid met hun omgaat. Er spreekt vaak wantrouwen uit het optreden van de overheid. Vernederende, strenge toon. Daar hebben veel mensen last van.

Ik zeg dat ik dat weet. De vraag is: hebben al die mensen het zelforganiserend vermogen van types zoals jij en ik? Hilhorst: nee, niet vanzelf. Dat moet je organiseren. En het kan misschien niet voor iedereen. Hilhorst stelt een wedervraag: Maar is de verzorgingsstaat goed voor iedereen? Nee. Maar hoe meer je het doet, hoe meer gedragen solidariteit er zal zijn.

Basisbaan in plaats van basisinkomen

Ik kaart het basisinkomen aan, zoals dat door een heel actieve club onder andere via sociale media wordt gepromoot. Zit dat in deze buurt? Hilhorst: Nee. Ik ben daar niet zo’n voorstander van. Omdat er heel veel mensen die helemaal niet uit zichzelf initiatief nemen. Mensen met faalangst. Mensen die bang zijn dat ze niet voor vol worden aangezien. Dat soort mensen moet je uitnodigen. Die uitnodiging verdwijnt met een basisinkomen. Het basisinkomen is helemaal gebaseerd op het negatieve idee van vrijheid. Voor mij staat de uitnodiging centraal. In de praktijk betekent het basisinkomen dat heel veel mensen een basisinkomen krijgen en nooit meer ergens bij betrokken worden. Er zijn al te veel mislukte jongeren die de hele dag zitten te gamen. Voor dat soort jongeren is het basisinkomen echt een ramp. Je zegt: we zijn wel klaar met hem. Je nodigt hem niet uit iets te doen. Daarom ben ik voor een basisbaan. Iedereen die een uitkering krijgt de garantie van een baan van 20 uur. Tegen minimumloon. En daarnaast mag je verdienen wat je wil. Dat is echt een uitnodiging. Het gaat er ook om hoe mensen met elkaar in contact komen. Dat doe je niet met een basisinkomen.

Wanneer kan het wel en wanneer niet

Het zijn allemaal sympathieke voorbeelden. Maar er zijn toch ook burgerinitiatieven die we minder leuk vinden. Acties tegen asielzoekerscentra bijvoorbeeld? Hilhorst: ik ben er voorstander van dat bij het vinden van huisvesting voor asielzoekers er optimale betrokkenheid van burgers wordt georganiseerd. Veel gemeenten hadden maar één gedachte vorig jaar bij het plaatsen van asielzoekers: hoe houden we de burgers erbuiten? Maar ook daar moet je burgers bij betrekken. Niet alleen een informatiemarkt waar je mag horen wat er aan de hand is.

Is dat niet naïef gedacht? Er stonden er tienduizenden aan de grenzen. Nee, zegt Hilhorst. Kijk naar Heusden. Burgemeester Jan Hamming. Die heeft gezegd: ik doe het alleen met burgers. Ik heeft zich hard gemaakt tegen het COA. Hij wilde kleinschalige opvang. Hij wilde opvang volgens de ideeën van de burgers. Kom maar met voorstellen. Voor verschillende locaties. Het voorstel van de burgers is overgenomen door de gemeenteraad. Het kan dus wel!

Pieter pleit voor vloeibare democratie. Dat betekent dat je je stem voor een bepaald onderwerp kan geven aan iemand anders. Iemand die je vertrouwt. Zo ontstaan er vertrouwenspersonen die praten namens een aantal mensen. Dat is iets anders dan de gemeenteraad. Daar praten mensen voor vier jaar voor alle onderwerpen namens jou. Hier gaat het om één onderwerp. Het idee van Zygmunt Bauman. Zo krijgt het gemeentebestuur een gesprekspartner voor een probleem.

Participatiesamenleving als schaamlap

Hoe mooi de ideeën van Hilhorst ook zijn, ze kunnen ook dienen als schaamlap voor een overheid die te weinig doet. Ik vraag hem of zijn ideeën geen last hebben van een overheid die uit een soort ‘schuldgevoel’ praat over een participatiesamenleving? Dat had toch vooral te maken met het overhevelen van taken naar gemeenten om daarmee miljarden te kunnen bezuinigen. Hilhorst: Ik dacht indertijd dat die drie decentralisaties een mooi moment waren voor mijn idee van burgerinitiatieven. Maar veel burgers dachten: ik word in de steek gelaten! Al jouw mooie verhalen van we gaan het zelf doen, is gewoon mooipraterij van in de steek laten. Maar ja, de burgers zullen toch gewoon mee moeten doen. Kijk naar de energietransitie. Dat kan heel gemakkelijk weer een onderwerp worden waarvan de burgers denken: dat wordt ons door de strot gedrukt. Maar er moet wel wat gebeuren. En dan geldt: hoe meer betrokkenheid van de burgers, hoe groter de legitimiteit van die hele operatie. We zullen mensen moeten verleiden zonnepanelen op hun dak te leggen. Want daarna zullen ze erin gaan geloven. Je hart volgt je hand: eerst doe je iets en daarna ga je erin geloven. Ik weet dat de burgers er nu nog onvoldoende in geloven, maar op de lange termijn zal je die betrokkenheid van burgers echt nodig hebben.

Zijn er onderwerpen waar jouw verhaal niet geldt? Hilhorst: Ja. Soms zijn er zoveel schaalvoordelen, dat maatwerk gewoon te veel kost. Sommige dingen zijn al zo lean en mean georganiseerd. Dan kan het gewoon niet. Bijvoorbeeld de incasso van zorgverzekeraars en energiebedrijven is zo lean en mean georganiseerd dat lokale pilots alleen maar geld kosten. Ook als we zeggen: we moeten van het gas af. Dat kan gewoon niet alleen van onderaf. Dan moet je het onvermijdelijk ook van bovenaf doen. Maar niet alleen van bovenaf, want dan mislukt het. Dat is het misbruik van het boek van Maarten Hajer over de energieke samenleving: van bovenaf niks doen, en zeggen dat de samenleving het moet doen, terwijl je weet dat de samenleving het niet alleen kan.

De enige strategie tegen het populisme

Als je ziet dat de systemen zo ingewikkeld zijn geworden dat je het soms niet meer van onderop kan organiseren, ben je dan niet een beetje een nostalgische wereldverbeteraar? Hilhorst: de grootste maatschappelijke veranderingen komen voort een verlangen naar iets wat er nooit is geweest. Maar vertrouwen heeft heel veel te maken met mensen die elkaar zien en die elkaar kennen. Je moet altijd een appèl doen op face-to-face relaties. Anonieme relaties met een overheid zonder gezicht daarmee organiseer je permanent de onvrede.

Geldt dit prachtige verhaal ook in een tijd van Trump en Wilders? Hilhorst: dit is het enige antwoord op die mannen. De populist suggereert: er is iets mis met politici maar als wij eenmaal de macht hebben, kunnen wij het wel goed doen. Een heel naïef idee over maatschappelijke verandering. Ze hebben geen idee hoe het moet. Hun veranderingstheorie is volstrekt simplistisch en totalitair. Dat zal nooit onvrede wegnemen. De enige manier om de onvrede weg te nemen is de mensen zelf laten meebepalen. Zeggenschap is enige antwoord op onvrede. De enige strategie tegen het populisme.

De onmacht van de overheid is een kwestie van ideologie

juni 19, 2016 by  
Filed under artikel

De gemeenteraad van Geldermalsen wijst definitief een asielzoekerscentrum af. Het lijkt een laatste stuiptrekking van het nationale debat over vluchtelingen, dat eerder dit jaar zo heftig woedde. Niet dat de vluchtelingen inmiddels zijn verdwenen. Nee, hun opvang vindt weer tamelijk geruisloos plaats.

Ik ga het debat hier niet overdoen. Wel wil ik twee conclusies trekken. Eén: de populistische tegenstem is in deze casus geheel overwonnen. Twee: de overheid nam niet alleen opvallend de leiding, maar wist ook leiding te geven. En die tweede conclusie staat geheel haaks op het dominante geleuter over de overheid.

Hoe vaak hoor ik geen sprekers oreren over een overheid die geheel afhankelijk is geworden van de samenleving? Hoe vaak hoor ik geen sprekers die menen dat maatschappelijke problemen alleen nog maar door de (energieke!) samenleving kunnen worden opgelost? Hoeveel bestuurskundigen melden niet dat de overheid tegenwoordig nog maar ‘een van de partijen’ is. Hoeveel departementen en gemeenten zijn niet bezig met burgerparticipatie en doe-democratie omdat de overheid het niet meer alleen af kan? Sommigen spreken al over ‘overheidsparticipatie’. Ja, hoeveel gekte kunnen we elkaar aanpraten?

Want wat gebeurde er toen zich zoveel asielzoekers aan de grenzen meldden? Toen de problemen acuut waren? Godzijdank vergaten de bestuurders even de catechismus van de doe-democratie en gingen gewoon aan het werk. Burgers werden toegesproken, kregen uitleg en mochten zelfs in gesprek. Maar nergens werd de beslissing om snel iets aan de opvang van asielzoekers te doen, in handen van de burgers gelegd. Hier besloot de overheid, hier handelde de overheid, hier loste de overheid een probleem op.

Vanwaar dan toch dat geneuzel over die onmachtige overheid? Inderdaad, ik zie de overheid ook vaak treuzelen en neuzelen. Vooral als de politieke wil ontbreekt (duurzame energie). Maar deze ongelofelijk georganiseerde samenleving, waarin miljoenen mensen van staatswege worden ondersteund, waarin voor iedereen zorg en gezondheidszorg aanwezig is, waarin iedereen onderwijs ontvangt, waarin vele en vele kilometers asfalt onze bereikbaarheid aanzienlijk vergroten, heeft gewoon een overheid die heel veel structureert, normeert, en organiseert. Zeg maar, een overheid die onopvallend en opvallend leiding geeft. Het is dan ook geen empirisch gegeven dat de overheid onmachtig is, het is vooral een kwestie van ideologie.

De doe-democratie en de zoekende overheid

oktober 15, 2015 by  
Filed under artikel

Dames en heren,

Ik wil het graag 20 minuten met u hebben over ‘de overheid en haar burgers’. Ik weet het, het zou logischer zijn om te spreken over ’de burgers en hun overheid’. De overheid laat zich immers omschrijven als ‘de personen, de lichamen aan wie de burgers het gezag hebben toevertrouwd’. En toch kies ik bewust voor die omgekeerde titel, omdat de overheid tegenwoordig gebiologeerd lijkt door de burger en op sommige momenten zich die burger zelfs lijkt toe te eigenen.

Laat ik met een voorbeeld beginnen, van een lokale overheid die zich het denken over doe-democratie en zelforganisatie eigen maakt. Het verhaal gaat over het bestuur van een volleybalvereniging. Een verzameling hoogopgeleiden, de voorzitter is iets als organisatie-adviseur. Op een dag krijgt het bestuur een telefoontje van de gemeente. Een ambtenaar wil met het bestuur praten. De ambtenaar wil het bestuur helpen. In het kader van het gemeentelijke project ter versterking van de maatschappelijke zelforganisatie. De ambtenaar wil graag een afspraak maken op een werkdag tussen 9 en 5. Het bestuur bestaat uit vrijwilligers en blijkt zich overdag niet te kunnen vrijmaken. Tot schijnbare verrassing van de ambtenaar. De ambtenaar wil voor één keer een uitzondering maken. Hij is bereid een vrije avond aan dit gesprek op te offeren. Het wordt een bijzonder gesprek vooral omdat de ambtenaar niet kan duidelijk maken wat hij komt doen. Misschien komt dat ook omdat die organisatie-adviseur wel een beetje weet hoe je een volleybalvereniging moet organiseren. Het grappige is ook dat hij dat zelf nooit als ‘zelforganisatie’ zal betitelen.

Ik geef een ander voorbeeld. Er was eens een kabinet dat een nota schreef over de doe-democratie. Ik citeer uit de samenvatting:

“Het kabinet wil ruimte en vertrouwen bieden aan maatschappelijke initiatieven en actief bijdragen aan de transitie naar meer doe-democratie (een vorm van meebeslissen van burgers door zelf maatschappelijke vraagstukken op te pakken).”

Zo’n tekst roept bij mij tal van vragen op. Bijvoorbeeld: geldt dit ook voor mannen met zwarte mutsen die in Woerden een asielzoekerscentrum aanvallen? Of voor burgers die de wietteelt in Brabant legaliseren? Dat zijn toch ook burgers die zelf maatschappelijke vraagstukken oppakken? En het kabinet wil toch ruimte en vertrouwen bieden aan maatschappelijke initiatieven?

Ik raak verder in verwarring als ik even verderop in de samenvatting van deze nota lees:

“Los daarvan geven maatschappelijke ontwikkelingen voldoende aanleiding om een kabinetsstandpunt te ontwikkelen: a. Toenemend zelforganiserend vermogen van de samenleving, b. Terugtredende overheid, c. Stijgende behoefte aan sociale binding.”

Ik lees dus dat het zelforganiserend vermogen van de samenleving toeneemt en dat de overheid terugtreedt. Die twee bewegingen sporen wel met elkaar. Maar waarom is er een stijgende behoefte aan sociale binding als het zelforganiserend vermogen van de samenleving toeneemt? En waarom zou een overheid die wil terugtreden over die stijgende behoefte een standpunt willen innemen?

We hebben schijnbaar te maken met een zoekende overheid.

Deze drie voorbeelden roepen bij mij drie vragen op. Ten eerste: waarom is de burger tegenwoordig zo populair bij de overheid? Ten tweede: wat voor beeld heeft de overheid eigenlijk van de burger? En ten slotte: hoe moeten we de doe-democratie duiden in het kader van de taak van de overheid?

Ik begin met die eerste vraag: waarom is de burger tegenwoordig zo populair bij de overheid? Waarom wordt de burger zo blijmoedig bedeeld met taken bij het oplossen van maatschappelijke vraagstukken? Er waren toch wel eens tijden dat de inspraak door burgers op de overheid bevochten moest worden. Ik neem de vrijheid om vrijuit te speculeren, op basis van jarenlang meelopen in Den Haag en niet op basis van significantieniveaus. Ik kom tot vier mogelijke verklaringen.

  1. De burger is populair bij de overheid omdat de overheid niet populair is bij de burger. Houden van de burger in de hoop dat de burger weer meer van ons gaat houden? Veel mensen op departementen maken zich zorgen over het geringe vertrouwen dat de overheid bij de burger zou genieten. Nu valt dat nog wel mee. Het vertrouwen in de democratie is groot bij burgers en het vertrouwen in politici is een stuk minder groot. Het vertrouwen in politici fluctueert, maar is niet minder dan decennia geleden. Stel je ook voor: wat zou u antwoorden op de stelling: “Politici beloven meer dan ze waarmaken”. Als u instemt, getuigt dat van een gebrek aan vertrouwen in de politiek.
  2. De burger is populair bij de overheid omdat de overheid niet van zichzelf lijkt te houden. In de genoemde nota over doe-democratie wordt met afschuw gesproken over de ‘oerkrachten van de verstatelijking van de dienstverlening’. Nou, daartegen moeten we ons blijkbaar verzetten. Ik geloof overigens dat de meeste burgers graag zouden zien dat de dienstverlening op het spoor weer snel zouden worden verstatelijkt.
  3. De burger is populair bij de overheid omdat veel ambtenaren menen dat de overheid niet meer levert wat zij zou moeten leveren. Terwijl het politieke klimaat rechtser is geworden, lijken veel ambtenaren met hun linksige ideeën wat verweesd te zijn achtergebleven. Waarom is die Leeszaal West in Rotterdam vooral zo populair bij ambtenaren als het grote voorbeeld van zelforganisatie? Voelt men zich beschaamd over het feit dat de overheid zoveel bibliotheken heeft gesloten? En waarom hoopt het ministerie van IenM zo op de ‘energieke samenleving’ bij het ontwikkelen van duurzame energie? Omdat de overheid zelf te weinig tegen de klimaatverandering doet?
  4. De burger is populair bij de overheid omdat de opvatting is gaan heersen dat het overheidsbeleid alleen met hulp van diezelfde burgers effectief kan worden uitgevoerd. Het lijkt erop dat overheidsbeleid alleen nog maar succesvol kan zijn, als we burgers weten te verleiden, als we convenanten en akkoorden sluiten met het bedrijfsleven en de milieubeweging, als we coalities aangaan, als we het netwerk van maatschappelijke actoren adequaat managen. Al met al als we horizontaal besturen. Ik weet dat die opvatting in de bestuurskunde ook erg populair is geworden. Ik weet ook dat de oude overheidsinstrumenten soms aan renovatie toe zijn. Maar wie heeft ons ooit bewezen dat al die nieuwe instrumenten zoveel effectiever zijn? Ik heb de laatste jaren vele uren, dagen, maanden doorgebracht op het Ministerie van IenM. In allerlei vormen van trainingen. Ook daar heerst het geloof dat het beleid alleen succesvol kan worden gemoderniseerd als we de burgers als onze gelijken tegemoet treden. Maar als je je serieus afvraagt op welke terreinen IenM succesvol is, dan gaat het bij uitstek om ouderwetse beleidsinstrumenten. Dijken en wegen, dat noemen we voorzieningen die met belasting worden betaald. Het milieubeleid is een groot succes door wetten en regels en Europese richtlijnen. De schilder heeft niet bij convenant ingestemd dat hij voortaan geen lood meer in zijn verf zal doen. Dat is hem opgelegd, bij wet, dames en heren.

Uit dit overzicht blijkt al ongeveer het antwoord op mijn tweede vraag. Welk beeld heeft de overheid van de burger? Het heeft er soms alle schijn van dat de overheid denkt dat de samenleving slechts bestaat uit nette, vriendelijke burgers. Zeg maar: ambtenaren. Ik vrees ook dat veel ambtenaren niet veel andere mensen zien dan ambtenaren. Maar het lijkt me een lichtelijk naïef beeld. Als ik u was zou ik me ook veel meer zorgen maken over de ondermijning van de lokaal democratie dan over de zelforganisatie van de burger.

Op het departement van IenM, het departement waar de vlag van de energieke samenleving elke dag wordt gehesen, vraag ik zo af en toe bij een training of men wel eens een burger in het werk is tegengekomen. Men antwoordt, gelukkig, altijd bevestigend. Op mijn vraag welke indruk die burger had gemaakt, volgt altijd een heftig steunen. De burgers blijken altijd dwarsligger te zijn. Dat dit laatste niet waar is, doet er even niet toe. Waar het mij omgaat is dat dit departement zoveel verwacht van de goedwillende burger bij het bestrijden van de klimaatverandering, bij het verbeteren van het milieu, op de weg, in het openbaar vervoer, bij het delen van de auto, terwijl de gemiddelde burger helemaal geen bezwaar heeft tegen een auto op diesel, zelfs niet als Volkswagen de kluit heeft belazerd. Die energieke samenleving is op zijn minst een fossiel-energieke samenleving. En we leggen die zonnepanelen pas op het dak, als ze goedkoper zijn dan de stroom van de Eneco.

Ik raad u aan om de nota over doe-democratie nog eens te lezen vanuit het perspectief van de wietteler uit Brabant, of gewoon uit Laakkwartier in Den Haag. Of vanuit het perspectief van de autolobby in Brussel. Of vanuit het perspectief van het schorem dat in Woerden onze gastvrijheid op een speciale wijze heeft belicht.

Ik kom bij mijn laatste vraag: behoort het bevorderen van de doe-democratie en van de zelforganisatie tot de taken van de overheid? Waar is de overheid van? Ik geef toe dat mijn antwoord is gekleurd door mijn eigen licht anarchistische inslag. Ik krijg jeuk als de overheid over mij schrijft dat ‘de burger [dus: ik] in positie moet worden gebracht’. Of dat de overheid voortaan moet ‘zorgen dat’ in plaats van ‘zorgen voor’. De overheid moet ervoor zorgen dat ik iets doe? Mogen wij burgers even zelf bepalen wat de overheid voor ons moet doen? En ik ben niet de enige die wat last heeft van het paternalisme van de overheid. Dat geldt ook voor die twee bestuursleden van die volleybalvereniging die een avond kwijt waren aan een zoekende ambtenaar, aan de zoekende overheid in eigen persoon. Het geldt ook voor die boeren uit de Overdiepse polder, die vijftien jaar lang onderdeel waren van het voorbeeldproject van ‘Ruimte voor de rivier’. Terwijl de overheid heel enthousiast was over de samenwerking met de burgers, bleken dezelfde burgers zich al die jaren enorm aan de traagheid van de overheid te hebben geërgerd.

Terug naar de vraag: waar is de overheid van? Mijn antwoord is simpel: de overheid dient die maatschappelijke belangen te behartigen die zonder optreden van de overheid niet worden behartigd. De samenleving is vaak heel goed in staat om zijn eigen zaakjes te regelen. Voor veel sociale cohesie (wat vanzelfsprekend een maatschappelijk belang is) heb je de overheid niet nodig. Alleen daar waar de samenleving tekort schiet heb je die overheid wél nodig. De overheid moet dus geen bestuurders van volleybalverenigingen vervelen met een bezoek, die kunnen hun vereniging heel goed zelf organiseren. Als de samenleving het zelf kan, moet de overheid zich er verre van houden. Maar juist als de samenleving het niet kan, moet de overheid het niet aan de burgers overlaten.

Er zit dus een zekere spanning in dat stimuleren van de doe-democratie, juist omdat het zelforganiserend vermogen van de samenleving zo is toegenomen. Misschien kan de overheid voortaan beter bibliotheken openhouden in de wijken die geen handige mensen hebben die een private bibliotheek in de lucht kunnen houden. Of Volkswagen beter controleren op fijn stof. Of innovatie bevorderen van zaken die maatschappelijk van groot nut zijn, maar die niet vanzelf gemeengoed worden. Laat burgers nu gewoon doen, wat we zelf kunnen. En treedt op als overheid, als wij het onderling niet kunnen.

 

[Keynote-speech Promovendi-middag BZK, 15 oktober 2015]