Podiumangst [148]

juni 18, 2018 by  
Filed under artikel, fagot

Het blijft een boeiend onderwerp waarover ik al vaker heb geschreven. Podiumangst. Die onverklaarbare zenuwen die je in de greep kunnen krijgen als je moet optreden op  een voorspeelavond op het conservatorium. Eigenlijk is het niet te verklaren. Je zit met nog 20 mensen in een te grote zaal met een te groot podium. Die 20 kan je gemakshalve in drie groepen verdelen. Ten eerste heb je het publiek. Op de vingers van één hand te tellen. Ten tweede je collega-fagottisten. Die zitten op hun eigen beurt te wachten of zitten uit te blazen omdat hun beurt er al op zit. In beide gevallen luisteren ze amper naar jou. Ten derde heb je de drie docenten, die tamelijk onverstoorbaar voor zich uit zitten te staren. Ze kijken niet bemoedigend als je het podium opgaat en ze laten geen goed- of afkeuring blijken als je het podium weer verlaat. Ja, je vraagt je af, hoe kan je van dit zooitje ongeregeld zo’n podiumangst krijgen. Doet er niet toe, je hebt het.

Ik geef het toe. Ik slikte. Bètablokkers. Twee tabletten per keer. Het is een soort doping. Maar dan in omgekeerde richting. Je praat er niet over. Hoogstens onder elkaar. Hoeveel heb jij geslikt?

Mijn leraar wees mij er vaak op dat ik toch voldoende podiumervaring had. Ik had mijn hele leven college gegeven, soms voor hele grote zalen. Ik had mijn hele leven congressen voorgezeten. Ik had mijn hele leven kleine en grote toespraken gehouden. En daar had ik inderdaad nooit last van podiumangst. Misschien is het ijdelheid, maar ik vond het altijd wel erg leuk om het podium met kwieke tred te bestijgen, een stilte te laten vallen en mijn verhaal met een snedige reactie op de dagvoorzitter te beginnen. Of met een zalige anekdote. Om meteen de sfeer te bepalen. Ik vond het leuk om te zien hoe elk woord, hoe elke zin, hoe elke grap viel in die zaal. En om meteen weer op die reactie uit de zaal te reageren. Ja, zei mijn leraar, je kan het dus wel. Zou ik dan gewoon mijn recital moeten beginnen door de zaal toe te spreken? 

Twee weken geleden rondde ik mijn contractstudie aan het conservatorium af. En ik leerde dat ik de zaal niet moest toespreken. Ik moest zelfs het tegenovergestelde doen: ik moest de zaal negeren. Dat is mijn belangrijkste les van de afgelopen twee jaar.

Bij een toespraak ben je in voortdurende dialoog met de zaal. Je bent permanent alert op de reactie van de zaal. Je past je woorden aan. Je past je timing aan. Je past je grappen en anekdotes aan. En zo krijg je een hele zaal stil. In aandachtige stilte. En soms laat je een hele zaal weer even ontspannen. Maar niet in die mate dat ze de anekdote nog eens gaan navertellen aan hun buurman. Natuurlijk, dat lukt lang niet altijd. Maar het is wel het doel. De zaal aan je lippen. En daarom moet je interacteren met de zaal. 

Bij muziek is dat echt werkelijk anders. Bij muziek kan je niet je verhaal aanpassen aan de reactie van de zaal. Bij muziek moet je vooral spelen wat er staat. En bij voorkeur foutloos. Als het foutloos is, kan je nog eens proberen om je eigen muzikaliteit erin te leggen. Maar ook die muzikaliteit wordt begrensd door wat er staat. Om het als muzikant op een podium goed te doen, moet je de partij dus eindeloos hebben gestudeerd en moet je de concertsituatie vaak hebben nagebootst. Jaap van Zweden zei eens: ik had nooit podiumangst, want ik kende de partij. Ik vrees dat hij helemaal gelijk had. 

Ik heb vaak gespeecht aan de hand van enkele punten op een papiertje. Die punten kregen woorden in interactie met de zaal. Bij muziek staan al die woorden van te voren vast. Alle noten moeten worden gespeeld in het goede tempo. In feite zat mijn podiumervaring mij bij mijn fagot dus in de weg. Ik dacht: ik lul me er ter plekke wel uit. Maar op een fagot kan je niet lullen, maar alleen de goede of de verkeerde noten spelen. 

Op mijn examen begreep ik het eindelijk. Ik had al drie generales achter de rug toen ik het podium betrad. Ik had de composities al meer dan een jaar op mijn lessenaar staan. Beter zou ik de muziek nooit kunnen spelen. En ik werd rustig door me op de muziek te concentreren. Ik maakte een buiging naar het publiek, maar zag het niet. Op mijn vriendin na. En ik speelde. Zo goed mogelijk, zoals ik het allemaal had ingestudeerd. Ja, ik hoorde de stilte in de zaal. Die ervoer ik. Misschien voelde ik me wel gedragen door het publiek. Maar ik ging er geen andere noten van spelen of een ander tempo. Nee, ik concentreerde me op mijn eigen partij. 

Een vriend zei: “Je was erg geconcentreerd”. Maar dat ben ik ook als ik een congres voorzit of een zaal toespreek. Maar dan concentreer ik me op de interactie met de zaal. Nu concentreerde ik me op mijn partij. En ik had het gevoel dat ik mijn podiumangst voor het eerst een beetje onder controle had. Misschien had ik wel met één bètablokker kunnen volstaan. 

Waarom amateurmusici altijd amateurs zullen blijven

december 22, 2014 by  
Filed under fagot

Je hebt amateurmusici en je hebt beroepsmusici. Er is één groot verschil: zij zijn veel beter.

In mijn huidige orkest is het geen onderwerp van gesprek. Ons niveau is dan ook zo onderhoudend, dat niemand zich met een beroepsorkest wil vergelijken. Maar dat geldt niet voor alle amateur-orkesten waarin ik heb gespeeld. In momenten van overmoed vergeleken we ons zelf graag met een provinciaal beroepsorkest. Natuurlijk, zij waren technisch wel beter, maar ons enthousiasme compenseerde dat tekort. Ja, zeker na een geslaagd concert waren we door alle adrenaline soms zo gelukkig met onszelf dat we meenden dat een serieuze vergelijking op zijn plaats was. Natuurlijk, het was een misvatting, maar wel een hardnekkige. Beroepsmusici zijn gewoon veel beter, ook als ze er geen zin in hebben, ook als ze ruzie hebben met hun dirigent, ook als ze in een slechte zaal spelen. Ja altijd. Die enkele keer dat ik mijn eigen orkest vanuit de zaal hoorde, omdat ik geen tijd had gehad voor alle repetities, werd me dat snel duidelijk. Het orkest speelde heel goed voor een amateur-orkest, maar het hoogst bereikbare was toch zonder fouten spelen. Alle noten onder elkaar. En dat lukte vaak niet meer dan tien maten.

En laat ik eerlijk zijn, ook in mijn huidige orkest drukken we affiches als we een concert gaan geven. Niet om onze familie en onze vrienden te bereiken, maar omdat we denken dat we ook onbekenden een hele mooie avond kunnen bezorgen. We hebben toch heel hard gestudeerd? Gelukkig zijn we uiteindelijk altijd te lui om veel affiches op te hangen. Blijkbaar beseffen we diep in ons hart dat familie en vrienden efficiënter op een andere manier kunnen worden benaderd. Want dat is ons publiek. Niet meer en niet minder. En ook menen we dat we elke keer een volwaardig programma moeten aanbieden. Alsof familie en vrienden het niet heerlijk zouden kunnen vinden als het concert een half uur eerder is afgelopen.

Vanwaar dan toch die vergelijking? Waarom moeten amateurmusici zich me beroepsmusici vergelijken? Waarom is het niet genoeg om te genieten van het eigen samenspel, Waarom is het niet genoeg om alleen voor familie en vrienden onderhoudend te zijn? Ik heb vier hypotheses (ja, mijn beroep is wetenschapper).

In de goede amateur-orkesten kom je soms mensen tegen die een conservatorium-diploma op zak hebben. Ze hebben de status van orkestmusicus nooit bereikt in de professionele wereld en geven vaak les. Of ze hebben gewoon een nette baan buiten de muziek. Want er zijn ook nogal wat mensen die naast het conservatorium een universitaire opleiding hebben gevolgd. Het omgekeerde komt nog veel vaker voor. Net zoals er heel wat amateurmusici zijn die uiteindelijk de keuze hebben gemaakt om niet naar het conservatorium te gaan. Uit allerlei jeugdorkesten en studentenorkesten kennen ze nog heel wat medestudenten die wel voor een loopbaan in de muziek hebben gekozen. En inderdaad, die hoboïst uit het studentenorkest was helemaal niet zo heel veel beter, toen hij naar het conservatorium vertrok. Maar daarna studeerde hij wel jaren vijf uur per dag of meer. En haalde hij een niveau dat wij nooit meer zullen bereiken. Mekaar kennen is dus heel wat anders dan even goed zijn.

Er is ook een sociologische verklaring. Relatief veel amateurmusici behoren tot de maatschappelijke elite, of op zijn minst tot de maatschappelijke bovenlaag. Lang niet alle beroepsmusici genieten zoveel maatschappelijk aanzien. Natuurlijk, het is veel beter dan in de tijd van de hoforkesten, maar ik vrees dat nog steeds veel bezoekers van het Concertgebouw met liefde dezelfde musici voor een eigen huisconcert in Bloemendaal met een fooi afschepen. En zelfs in het Concertgebouw krijgen de blazers van het Nieuwjaarsconcert niet meer dan € 200 voor een hele middag spelen. Dat is niet het tarief van de advocaat op het donderdagavond-concert. En voor de professionele dirigenten van de amateur-orkesten is het ook vaak schrapen in vergelijking met het salaris van de gegoede burgerij die ze voor zich treffen. Ik weet: het is een gevaarlijke hypothese. Ik weet ook dat veel amateurmusici muzikaal zeer opkijken tegen beroepsmusici. Dat statusgevoel kan een eerlijke vergelijking soms in de weg staan.

En het is niet alleen een statusgevoel. Veel amateurmusici zijn geslaagd in het leven. Veel amateur-orkesten zijn een voortzetting van het studentenorkest van vroeger. Er zitten weinig mensen om je heen die niet op de universiteit zijn geweest. Een allochtoon kom je niet tegen, wel een expat. Ze spelen vaak op uitstekende instrumenten, omdat uitstekende instrumenten worden verkocht aan degene die het hoogste biedt. En dat geldt voor mij al evenzeer: al jaren bespeel ik een prachtige Heckel. En zoals mensen die maatschappelijk geslaagd zijn, soms met veel poeha de grootst mogelijke onzin kunnen uitkramen, zo gaan ze soms ook denken hele goede musici te zijn. Wie geslaagd is in het leven, denkt al gauw god te zijn op zijn fagot.

Ik geef toe: de vierde hypothese overtuigt mij het meest. Het is ook een hele simpele hypothese: veel amateurmusici zouden niets liever willen dan zo goed te spelen als een beroepsmusicus. Dat niveau zullen ze nooit halen. De beroeps hebben een niet te achterhalen voorsprong genomen in hun conservatorium-tijd, waarin die vijf uur per dag werd gestudeerd. Of meer. Dat spelniveau haal je nooit meer als je in je hele leven een paar uur week studeert. Dus misschien is al die neiging om te vergelijken wel gewoon een kwestie van gezonde jaloezie.

Maar waarom zou je jaloers zijn?  Beroepsmusici spelen veel beter dan amateurmusici, beroepsorkesten zijn veel beter dan amateur-orkesten. Maar amateurs hebben het grote genoegen fouten te mogen maken. En dat is een beroepsmusicus niet gegeven.

Een fagot op afstand

oktober 4, 2014 by  
Filed under artikel, fagot

 

celle orkest evelien

 

Vandaag voor het eerst als cellist in een orkest gezeten. Elke keer als de dirigent ‘fagotten’ zegt, kijk je op. Na 43 jaar als fagot in vele orkesten te hebben gespeeld. Amateur-orkesten. Maar gek genoeg kijk ik ook op als hij ‘celli’ zegt. Of ‘strijkers’. En gek genoeg voelt het heel huiselijk, zo’n groep met allemaal dezelfde partij op de lessenaar. Ik voel me meteen thuis.

Het is geen overstap. Maar het zou wel eens een overstap kunnen worden. Op termijn, als de lippen te slap worden en de embouchure niet meer valt te trainen. Of als het lijf de fysieke inspanning niet meer aankan.

Voorlopig is het vooral bijzonder om te vergelijken. En om de blazers eens op afstand te zien. En te horen. Als fagot meende ik wel eens dat de strijkers te veel zeurden over de harde klank van de blazers. Vandaag begreep ik voor het eerst wat ze bedoelden. Die strijkersklank is eigenlijk heel erg zacht en week. En dan klinkt van achter het orkest een muur van geluid. Die blazers zijn inderdaad heel goed te horen. Nee, ze zijn gewoon vaak te hard. Ik weet dat ik daarop zelf zeker geen uitzondering ben.

Het is dan niet zo verwonderlijk dat je als blazer je eigen groep van blazers ook veel beter hoort dan celli hun eigen groep horen. Ik geef toe, deze cellogroep was niet zo getalenteerd en achter ons stond een drumstel. Maar toch. Als fagot hoor ik altijd alle blazers om me heen, als groep en individueel. Binnen die kakofonie kan ik mezelf heel goed horen. Ik hoor wanneer ik vals speel, ik hoor wanneer het me niet lukt om daar iets aan te doen. Binnen de cellogroep hoor je jezelf veel en veel slechter. Mijn ervaren buurvrouw bevestigde het: “Je hoort wel dat er iemand vals speelt, maar het is soms moeilijk om te bepalen of jij dat bent, of je achterbuurvrouw.” Omdat ik minder ervaren ben hoorde ik soms pijnlijk goed dat ik pijnlijk vals speelde. Maar als ik ergens in de buurt van zuiver kwam, ging mijn eigen geluid in feite ten onder in de groep.

Er zijn meer verschillen. Blazers zijn allemaal nogal individualistisch en sommigen zijn nogal aanwezig. Fagotten vormen daarop geen uitzondering. Het is ondenkbaar dat de blazers een aanvoerder zouden hebben. Die hebben ze naar mijn ervaring ook nooit. Zo’n cellogroep is rustiger, aardiger, maar ook onzichtbaarder. De alten-mop ‘Wat doe je met een dode alt? Die zet je een lessenaar naar achteren’, gaat wel een beetje op voor alle strijkers. Misschien afgezien van de eerste violen die wel altijd strijden om lessenaars en om stoelen. Juist omdat de cellogroep zo vriendelijk bezig is om allemaal een beetje gelijk te spelen, is er wel een aanvoerder. Mijn aanvoerder van vandaag was zo’n aanvoerder. Geen dominant gedrag, maar alleen vriendelijke woorden. Dat het goed ging, dat we daar misschien een opstreek moeten doen en dat de eerste lessenaar daar bij het diviseren beter de moeilijke onderste partij kan spelen.

Er is nog een groot verschil dat niet onvermeld mag blijven. Fagot spelen is fysiek veel en veel zwaarder. Die ademsteun, die ademnood soms, dat gewicht van het instrument. Wat een verschil met zo’n lieve cello die daar tussen je knieën een beetje ligt te knorren. Ontspannen, alles ontspannen. Aan het einde van een repetitie op de fagot heb ik het vaak helemaal gehad. Hier had ik het gevoel nog uren te kunnen doorgaan. Dat blazen heeft nog een ander fysiek verschil: bij de fagot moest ik van Ronald Karten de klank altijd van binnen voelen, in mezelf, niet in het instrument. Bij een cello hoor je het geluid toch echt buiten jezelf. Dat verklaart ook dat blazers zo weinig communiceren tijdens het spelen, laat staan dropjes eten. Strijkers lachen en praten zelfs tijdens het spelen. En om het drop eten zijn ze vermaard.

Voorlopig zit ik woensdag weer in mijn eigen orkest, op de fagot. En vraagt mijn dirigent zich weer af of dat cellospelen niet te veel te koste gaat van de fagot-etudes. Een dirigent heeft altijd gelijk.

Fagot solo

oktober 19, 2013 by  
Filed under fagot

fagot-2In sommige amateur-orkesten wordt het programma netjes over de twee fagotten verdeeld. Voor de pauze speelt Pietje 1 en na de pauze Jantje. Ik verbaas me daar altijd over. Repetities zijn toch ook bedoeld om af te stemmen, zou je zeggen. Als eerste fagot stem je af op de andere eerste blazers en als tweede op je eerste. Dat is toch een kwestie van trainen? Bovendien is bij het afstemmen de klank van de blazersgroep als geheel van belang. Of luistert dat afstemmen bij dat soort orkesten minder nauw?

Het kan zijn dat ik deze argumenten allemaal heb bedacht om de werkelijke reden te verhullen: ik speel graag eerste fagot. Ik hou van het vibrato op de hoge Fis, ik hou van het samenspel met de andere eerste blazers en heb niet het goede karakter om een terts-je of een kwint-je onder de eerste te leggen. En ik ben dol op een solo. Tsjaikovski! Shostakovich! Stravinsky! Dvorak! Mahler (eerste symfonie)! Beethoven (vioolconcert!). Mozart (pianoconcerten). En niet te vergeten: hoe heerlijk is het niet om al die prachtige aria’s van Bach in je eentje te spelen.

Als ik al die mooie soli voor de geest haal, overvalt me overigens niet alleen een gevoel van vreugde. Vaak wordt de vreugde meteen aangevuld met angst, en angst soms met woede. Woede over een mislukte solo. Het moet al 15 jaar geleden zijn, maar ik kan me het moment nog herinneren als gisteren. We speelden met Bellitoni Shostakovich 8, onder leiding van Alexandru Lascai. Die prachtige fagotsolo met die twee hoge d’s. Om goed voorbereid te zijn was ik nog een keer langsgegaan bij Ronald Karten, de voortreffelijke leraar, die eigenlijk toen al niet meer was. Ik speelde de solo voor en Ronald gaf een helder commentaar: in dat hoge tempo is de solo veel te riskant. Zeg dat tegen je dirigent. Ik wist dat Lascai ooit met Ronald had samengespeeld en hoopte dat de mening van Ronald hem zou overtuigen. Helaas, ik sprak tegen dovemansoren. Volgens Lascai speelden we eigenlijk nog te langzaam! Op de repetities ging het voorlopig goed. Maar op het eerste concert in de Geertekerk in Utrecht gebeurde precies wat Ronald voorspelde: ik had te weinig tijd om de hoge d’s voor te bereiden, met twee ‘krakken’ in plaats van twee glanzende d’s als resultaat. De avond was verpest. In mijn herinnering sprak ik 12 uur geen woord. Gelukkig had ik nog twee herkansingen. In beide gevallen kwamen de d’s eruit, maar glanzen deden ze niet meer.

Hoe anders was het een paar jaar ervoor gegaan. Toen stond Shostakowitch 9 op de lessenaar bij Bellitoni. Met dat prachtige vierde deel, waarin de fagot hartverscheurend mag klinken. Ik had een half jaar elke dag gestudeerd. Ja, dat was me nog niet eerder overkomen. En elke dag had ik vele malen die solo geblazen. Hoe spannend was de eerste repetitie. Het orkest dat de muziek nog amper kent en verbaasd omkijkt als de fagot – na de inleidende trombones – alle ruimte krijgt om zijn eigen verhaal te vertellen, nog eenmaal onderbroken door het koper. Glanzende hoge noten; in het tweede deel van de solo dalen we langzaam af totdat de strijkers zich bij de fagot voegen en we zonder overgang het vijfde deel betreden. Nog even snorren en dan is het voorbij.

We speelden de Negende in Amsterdam en Den Haag. En het ging twee keer goed. Heftig, dat wel. Ik hield mijn emoties nauwelijks in bedwang. En in beide gevallen liet Lascai me geheel vrij in het tempo…. En had ik niet alleen tijd voor mijn eigen interpretatie, maar ook om die hoge ‘des’ goed voor te bereiden.

Natuurlijk is het flauw om mijn mislukking in Shostakowitch 8 geheel in de schoenen van een voortreffelijke dirigent te schuiven. Oké, Lascai was de ene keer veel bereidwilliger om zijn tempo aan mijn moeilijke noten aan te passen dan de andere. Maar als ik eerlijk ben had ik me op die Negende ook veel beter voorbereid dan op die Achtste. En als je je niet goed voorbereidt kan de liefde voor een solo gemakkelijk omslaan in haat. De eerste keer gaat het op een orkestrepetitie bij toeval mis. Nog niets aan de hand. Volgende keer beter, denk je. Maar als het dan nog een keer misgaat, slaat de stress snel toe. En als een solo met stress wordt omgeven, ga je hem haten en als je hem haat vlieg je eruit…

Ja, wat is het toch heerlijk om eerste fagot te zijn.

Orkestweekend

oktober 7, 2013 by  
Filed under artikel, fagot

Afgelopen weekend, met mijn orkest op repetitieweekend. Hoeveel weekenden heb ik al niet meegemaakt met hoeveel orkesten? Bij mijn huidige orkest moet het repetitieweekend nog traditie worden. We experimenteren. De eerste keer alleen maar kamermuziek, de tweede keer rondom een bijzonder concert. Deze keer is het één lange dag repeteren en twee nachten slapen.

Hoe verschillend de orkesten ook zijn, eigenlijk lijken al die weekenden op elkaar. Zonder ooit een moment te vervelen. Je dompelt voor een korte tijd onder in die heel eigen wereld van spanning die al snel wordt opgebouwd. Het lijkt alsof alles intens moet, en dat niets genoeg is. Hoelang de orkestrepetitie ook duurt, na afloop is er geen ontkomen aan de kamermuziek. Tussen stapelbedden, in eetzalen, overal schieten de kwartetten en kwintetten als paddestoelen uit de grond. Strijkers bij strijkers, blazers bij blazers. Een enkele keer voegt de klarinet zich voor Brahms of Mozart bij een viertal strijkers. En alleen als het van te voren is georganiseerd spelen we het Octet van Schubert, het Septet van Beethoven of het Nonet van Rheinberger.

Ja, we doen er alles aan om de embouchure naar de verdommenis te helpen. Soms gaat het riet de tweede dag door de lip. Het riet kleurt rood. Op andere momenten heb je juist geen gevoel meer in je lippen. En het zijn niet alleen de uren spelen die de vermoeidheid bepalen. Na het muziek maken zoekt maar een enkeling meteen het bed op. De rest trekt naar elkaar en naar de alcohol toe. En omdat het al zo laat is, maakt het niet meer uit. Soms volgt een diep gesprek, maar meestal zijn de langzamerhand in alcohol gedrenkte lachsalvo’s niet meer van de lucht. Het is tijd voor de anekdotes over vroegere dirigenten en hun grote dan wel hun gebrek aan succes bij de blonde fluitistes en amechtige vioolmeisjes. Het is de tijd voor de altenmoppen (hoe groot is het bereik van een altviool; 26 meter als je ver gooit), waarbij de meeste aanwezige altisten beseffen dat een protest de houdbaarheid van de grap alleen maar groter maakt en om die reden braaf hun best doen om een glimlach om de lippen te toveren. Het is de tijd waarop een enkeling probeert te dansen op muziek die door anderen wordt verafschuwd (‘Kan die ellendige muziek niet uit?’).

En elk weekend kent zijn eigen anekdotes die in de loop van het weekend eindeloos worden geproefd en worden verfijnd. De tweede fagot, al jaren in Nederland woonachtig, maar als Duitser het Nederlands toch nog steeds niet helemaal machtig schijnt bij het begin van de laatste repetitie te hebben gezegd: ‘Ik kan nu vertrekken’. En inderdaad is hij gegaan. Maar waarop dat ‘kan’ mag slaan? Gelet op zijn spel zou je eerder denken dat hij nog wel een repetitie ‘kan’ gebruiken. En de eerste fagot die al uren zoekt naar ‘het groene lapje’ uit zijn fagotkist, waarmee hij al jaren zijn instrument afdekt en dat nu op wonderbaarlijke wijze ergens in de repetitieruimte is zoekgeraakt. Of, veel serieuzer, die keer dat de dirigent een invallende harpiste zo hardhandig bij de enkels afbrandde, dat het hele orkest weigerde om de repetitie voort te zetten. Of die keer dat de dirigent het weekend was begonnen met die ene constatering ‘Ik ga straks 5 minuten langer door’ omdat het orkest niet om 10 uur gestemd op zijn stoel zat. Al die verhalen krijgen hun betekenis door de eindeloze herhaling op ‘het weekend’, en als ze historische betekenis hebben gekregen, worden ze op al die weekenden er na op elk willekeurig moment herhaald.

En altijd komt er weer een einde aan het weekend. En moet de ban weer worden doorbroken. Thuis wachten de achterblijvers, morgen wacht het werk. En altijd die weerzin om de ban te doorbreken. Jarenlang gingen we na een weekend met Bellitoni in Hoeven nog een borrel drinken in de plaatselijke kroeg. Niet omdat we te weinig alcohol hadden gehad en niet omdat de bijbehorende gehaktballen zo gezond waren, maar wel om het wij-gevoel nog even vast te houden en de laatste roddels nog even aan te vullen. En dit weekend zouden we na het ontbijt naar huis. De zon scheen, de spullen waren opgeruimd en inderdaad besloten velen om af te reizen. Maar die laatste tien, waaronder de vermoeide organisatoren, kozen ervoor om nog één kopje koffie te zetten en nog eenmaal op het terras van het zonnetje te genieten. En om nog eenmaal te verhalen over ‘Ik kan nu vertrekken’. De schunnige anekdotes van de nacht worden kies niet meer herhaald. Ach, eindelijk is alles nog herhaling. En is het alleen nog maar een poging om iets vast te houden waarvan het einde onvermijdelijk is.