Journalistiek is geen onderzoek #NRC

juli 17, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

De NRC volgt al maanden nauwgezet de vorming van de Colleges van Burgemeester en Wethouders na de gemeenteraadsverkiezingen van afgelopen maart. Gisteren kwam de eindstand. Allemaal niet erg verrassend. CDA en VVD handhaven zich, D66 verliest dik en lokale partijen winnen weer. Het is goed dat de NRC dit soort onderzoek doet. Maar het doen van onderzoek is wel een vak. En het is de vraag of de NRC ook dit vak beheerst. Het onderzoek was een rommeltje. Misschien kan het ook niet anders als 100 redacteuren elk 3 gemeenten voor hun rekening nemen. En een stagiair alles mag optellen. Waarom was het een rommeltje? 

Ten eerste: wat was nu eigenlijk de vraag van dit onderzoek. Ik kreeg de indruk dat de NRC verder wilde gaan dan het geven van de uitslag: hoe zijn uiteindelijk de colleges samengesteld. Ja, ze wilden ook de formatie beschrijven. Maar wat wilden ze daar dan van weten? Of kregen we soms toevallig wat te horen over gemeente X omdat journalist Y daar zijn tweede huis had? De NRC wilde ook een kwantitatieve analyse doen. Maar ging het dan om een vergelijking tussen de nieuwe en de oude colleges (wie had gewonnen, wie had verloren) of ging het om een vergelijking tussen de gemeenteraadsverkiezingen van maart en de collegevorming daarna (was het verlies bij de collegevorming net zo groot als het verlies bij de raadsverkiezingen?). Als ik niet weet wat de vraag is van het onderzoek, kan ik ook niet bepalen of de onderzoeksopzet en de keuze van de variabelen adequaat zijn.

Ten tweede: opvallend genoeg ging het in de analyse vooral om het wel of niet deelnemen aan het nieuwe college. Dat is een leuke indicator, maar weinig precies. Ik heb bijvoorbeeld nergens gelezen hoeveel wethouders de verschillende partijen gezamenlijk in al die gemeenten hebben weten te verwerven. Was dat relatief gezien meer of minder dan vorig jaar? Het maakt nogal uit of je 1 wethouder hebt in Rotterdam (in een college van 10 wethouders) of 4. Alleen bij de NRC niet. 

Ten derde: ook de NRC deed weer mee aan de onzinnige vergelijking tussen VVD, CDA, D’66 etc. versus de lokale partijen. Hoewel ik nergens heb gelezen hoe een lokale partij door de NRC wordt gedefinieerd, is het alleen maar zinnig om lokale partijen met landelijke partijen te vergelijken. Om de simpele reden dat lokale partijen een verzamelterm is (bedacht door wetenschappers) voor heel veel totaal verschillende partijen die gemeen hebben dat ze maar in één gemeente aan de verkiezingen meedoen (althans volgens mijn definitie). Leefbaar Rotterdam is de grootste partij in Rotterdam, en is daar groter dan CDA, VVD, D66, maar landelijk hebben VVD, CDA en D66 veel meer stemmen en raadszetels dan Leefbaar Rotterdam. Vergeet niet dat sommige lokale partijen ronduit populistisch zijn, dat andere lokale partijen een plaatselijke combinatie zijn van linkse partijen en dat weer andere lokale partijen vooral one-issue-partijen zijn. Al die partijen worden door de NRC op één grote hoop gegooid. Dan moet je dat ook met al die landelijke partijen doen.

Ik weet het: wetenschappers zijn vaak tenenkrommend precies en genuanceerd. Maar dat probleem los je niet op door er een rommeltje van te maken. 

Lokale verkiezingen zijn nationale verkiezingen

maart 15, 2018 by  
Filed under artikel

Er wordt veel afgegeven op landelijke politici die zich met de lokale verkiezingen bemoeien. De NRC meldt dat lokaal heel andere thema’s spelen. De Volkskrant meldt dat er lokaal grote verschillen zijn. Dat klopt allemaal. Het zwembad is in de gemeente vaak belangrijker dan de islam en de bodemgesteldheid is in Groningen anders dan op de Veluwe. Toch is die kritiek op de landelijke politici niet terecht. Vooral omdat het karakter van het lokaal bestuur door velen verkeerd wordt begrepen. Ik geef drie argumenten waarom landelijke politici zich terecht actief met de gemeenteraadsverkiezingen bezighouden.

Ten eerste hebben die lokale verkiezingen mogelijkerwijs een grote impact op de landelijke politiek. Want de journalisten die nu landelijke politici om terughoudendheid vragen, zijn straks de eersten om dezelfde landelijke politici te vragen waarom hun partij zo dik heeft verloren. Vooral voor D66 staat veel op het spel. De vorige raadsverkiezingen gingen geweldig, als dat nu minder gaat, zal D66 zich ongetwijfeld op haar positie in het kabinet gaan beraden.

Ten tweede is voor dat laatste ook alle reden omdat heel veel mensen (ongeveer 80%) op grond van landelijke overwegingen hun stem uitbrengen bij de lokale verkiezingen. Ja, er zijn lokale partijen, maar zelfs de overweging om op lokale partij te stemmen kan voortkomen uit terughoudendheid om op de ‘eigen’ landelijke partij te stemmen, omdat die partij wel of niet in het kabinet zit. Lokale partijen zijn ook helemaal niet belangrijker dan landelijke partijen. Nog steeds gaat 70% van de stemmen naar landelijke partijen bij de lokale verkiezingen.

Ten derde is het helemaal niet verrassend dat zoveel mensen op grond van landelijke overwegingen hun lokale stem uitbrengen. Want gemeenten zijn in Nederland voor het grootste deel uitvoerders van Rijksbeleid. En als er al sprake is van decentralisatie, het overhevelen van rijkstaken naar de gemeenten, dan nog worden de gemeenten geacht de rijkswetten lokaal uit te voeren. Het is heel goed dat dat gebeurt, omdat je ter plekke veel beter kan beoordelen hoe de wet het beste tot zijn recht komt. Maar dat betekent niet dat de gemeenteraad mag beslissen hoe hoog de bijstand moet zijn, of mag beslissen dat de sociale werkvoorziening wel blijft bestaan. Natuurlijk zijn er verschillen tussen de gemeenten. Omdat de omstandigheden anders zijn. Of de welvaart. Of de bodemgesteldheid. Maar meestal niet omdat de gemeenten op politieke gronden voor een andere uitvoering van dezelfde wet kiezen.

Vergeet ook niet dat gemeenten voor ongeveer 90% van hun inkomsten afhankelijk zijn van het Rijk. Het Rijk geeft al dat geld niet als een vorm van liefdadigheid. Maar gewoon om gemeenten in staat te stellen al die Rijkswetten uit te voeren. En om in het hele land paspoorten te verkopen en huisvuil op te halen.

Inderdaad, er wordt vaak een andere indruk gewekt bij lokale verkiezingen. Zeker door lokale partijen, partijen die maar in één gemeente aan de verkiezingen deelnemen. Het is immers niet leuk om te moeten zeggen dat je vooral het rijksbeleid moet uitvoeren. En daarom wordt bij lokale verkiezingen bovenmatig veel over zwembaden gediscussieerd.

Daarmee zeg ik niet dat lokale verkiezingen onbelangrijk zijn. Eenderde van de publieke gelden worden door gemeenten uitgegeven. Het is dus van groot belang dat hier mensen worden gekozen in wie we vertrouwen hebben. Het vertrouwen dat ze de gemeente de komende vier jaar goed kunnen besturen. En omdat heel veel mensen heel weinig raadsleden kennen, is het niet gek dat mensen iemand van een landelijke partij als hun vertrouwenspersoon in de gemeenteraad kiezen. Omdat ze van  die landelijke partijen door al die landelijke politici meestal wel een goed beeld hebben.

Lokale democratie is meer dan het uitbrengen van een stem

maart 15, 2014 by  
Filed under artikel

De NRC maakt zich zorgen over de gemeenteraadsverkiezingen. Beter gezegd: over al die kritiek op de gemeenteraadsverkiezingen. “Daarom is het jammer dat, ook van wetenschappelijke zijde, de laatste tijd zoveel twijfel is uitgesproken over het nut van de komende verkiezingen”. Ik ben wetenschapper en ik heb kritiek uitgesproken over het nut van de komende verkiezingen. Leuk om te reageren. 

Uit het, zoals wel vaker, tuttige commentaar van de NRC spreekt zorg over de lokale democratie. Die zorg deel ik. Maar zorg om de democratie mag niet betekenen dat de bestaande instituties tot in lengte van jaren worden verdedigd. Zorg om de democratie vraagt juist om een permanent debat over de inrichting van de democratie. En die lokale democratie behoeft onderhoud, groot onderhoud zelfs.

Mag ik vier argumenten noemen?

Veel burgers stemmen ook komende woensdag op grond van ‘landelijke overwegingen’. Dit betekent dat het oordeel over het kabinet het denken over de lokale politiek overheerst. Dit betekent dat de gemeenteraadsverkiezingen een goede opiniepeiling zijn over het kabinetsbeleid. Als het kabinetsbeleid negatief wordt beoordeeld, zullen in nagenoeg alle gemeenten PvdA en VVD ten opzichte van 2012 verliezen; als het kabinetsbeleid wordt goedgekeurd zal het omgekeerde gebeuren. Terecht maakt de PvdA dan ook reclame met Jeroen Dijsselbloem en Jetta Klijnsma. Zie de grote posters op de stations. Maar als ik op Jetta stem, spreek ik ten onrechte geen oordeel uit over de daden van de lokale PvdA, over verkiezingsprogramma’s en over kandidatenlijsten. En daarover horen die verkiezingen te gaan. En als ik niet op Jetta stem, heeft dat geen directe gevolgen voor positie in Den Haag. Wie wordt er woensdag op wat afgerekend? Democratie?

Na de verkiezingen vormen de partijen colleges en kiezen de gemeenteraden hun wethouders. Als burger heb ik geen idee met welke partijen mijn partij zou willen samenwerken en waarom. Het land overziende lijkt collegevorming één grote toevalstreffer. Bovendien hoeven wethouders sinds een jaar of 10 niet meer in de raad te zijn gekozen. Nog erger: ze hoeven niet eens in je eigen gemeente te wonen. Zo is straks niet alleen de samenstelling van het college een grote verrassing voor mij, dat geldt te meer voor ‘mijn’ nieuwe wethouders. Democratie?

In de loop der jaren zijn gemeenten en Rijk steeds meer met elkaar verweven geraakt. Gemeenten zijn daarbij vooral uitvoerders van Rijksbeleid geworden. Ja inderdaad, ook van het beleid van Jetta Klijnsma. Dit betekent dat het accent in de gemeente steeds meer is verschoven van ‘politiek’ naar ‘bestuur’. Daarom heb ik tegenwoordig liever een goede en zorgvuldige wethouder dan een linkse megalomane. Nog meer reden om na te denken over een systeem waarin burgers hun bestuurders rechtstreeks kiezen. Democratie?

Ten slotte wordt tussendoor zo af en toe een nieuwe burgemeester benoemd. De mening van de gemeenteraad is daarbij doorslaggevend. Maar het proces dat aan de benoeming vooraf gaat is volstrekt onduidelijk. De burger wordt al weer geheel genegeerd. Overigens geeft deze wijze van benoemen de burgemeester intern ook zo weinig mandaat dat hem het bestuur van de gemeente (door de wethouders) nimmer volledig wordt toevertrouwd. Democratie?

Is het duidelijk? Dat kritiek op de democratische instituties kan voortkomen uit een nog grotere zorg om die democratie? Waarbij we bijna vergeten dat democratie sowieso meer behelst dan het uitbrengen van een stem.

Het grote misverstand van de lokale politiek

maart 4, 2014 by  
Filed under De Stad

Ze brengen weer rozen, we moeten weer stemmen. De oude media doen veel moeite om ons te informeren over de lokale politiek, maar we zien en horen vooral landelijke politici. De nieuwe media leveren een stroom aan foto’s van folderende wethouders. Ga ik stemmen? Uit overtuiging, uit braafheid of omdat mijn ouders de oorlog hebben meegemaakt? Of ga ik lekker een tegenstem uitbrengen? Ik weet het nog niet. Ik weet wel dat die raadsverkiezingen vooral één groot misverstand zijn. We hebben een basisidee van lokale democratie, maar onze gemeenten voldoen daar helemaal niet aan.

Wat is de basisgedachte van de lokale democratie? Er is een lokale gemeenschap, die moet worden bestuurd. De gemeenschap kiest daarvoor bij verkiezingen uit haar midden een gemeenteraad. Politieke partijen met een politieke visie op de lokale gemeenschap strijden om de stem van de kiezer. De gemeenteraad mag als volksvertegenwoordiging de richting aangeven. Het dagelijks bestuur (het College van B&W) voert het beleid uit. Om het beleid mogelijk te maken wordt er onder de leden van de gemeenschap belasting geheven. Een burgemeester is als symbool van de lokale democratie zowel voorzitter van de Raad als van het College.

Zo dachten de oude Grieken er in Athene over en zo denken nog veel mensen erover. Maar in een moderne democratie is ook een heel ander model denkbaar. Nederland is een klein land. En daarom willen burgers overal dezelfde (rechten op) bijstand, jeugdzorg, gezondheidszorg en noem maar op. Wij willen dat ‘Den Haag’ daarover zekerheid biedt. En bovendien is er nog Europa dat voor alle landen dezelfde richtlijnen uitvaardigt. Het lokale bestuur is ervoor om al deze nationale en internationale regels uit te voeren. Omdat dat effectiever en efficiënter is. De schaal van het lokaal bestuur is afgestemd op een efficiënte uitvoering van (inter)nationaal beleid. Burgers leven zelf in meerdere gemeenschappen, lokaal, regionaal, nationaal en virtueel. Als het beleid elders wordt vastgesteld, kennen we alleen nog maar goede en slechte wethouders. Het onderscheid tussen linkse en rechtse wethouders komt te vervallen. Het is logisch dat de gemeenten voor de uitvoering van Rijksbeleid geld krijgen van het Rijk. De weinige lokale belastingen moeten de gemeenten vooral extra prikkelen om efficiënt met dat geld om te gaan. De wethouders staan centraal in dit model, de gemeenteraad houdt op hen toezicht.

Twee ‘ideale’ modellen. In de praktijk komen ze niet voor. Maar we kunnen wel vaststellen dat de Nederlandse gemeente voor 90% is vormgegeven volgens het tweede model. Dat heeft een lange geschiedenis. Ooit is een belangrijke beslissing genomen toen het Rijk de gemeenten in ‘medebewind’ heeft geroepen om Rijksbeleid te gaan uitvoeren. In andere landen is het lokaal bestuur ongemoeid gelaten (Frankrijk is een goed voorbeeld) en laat het Rijk zijn beleid uitvoeren door functionele besturen (vaak op regionale schaal). Zoals de Belastingdienst bij ons ook lokale en regionale kantoren heeft. De drie grote ‘decentralisaties’ die nu op de gemeenten afkomen (Participatiewet, Jeugdzorg, AWBZ) bevestigen de gemeente in haar uitvoerende rol. Gemeenten moeten bovenal ter plaatse het beleid gaan uitvoeren dat door Den Haag wordt gewenst. Als de jeugdzorg straks verschillen tussen gemeenten laat zien, heeft dat alleen te maken met de kwaliteit van het bestuur, en niet met de progressiviteit van het beleid.

Ook in andere opzichten voldoen de gemeenten steeds meer aan het tweede model. De gemeenten hebben nauwelijks ruimte om zelf belastingen te heffen (veel erger: als ze naar de mening van het Rijk lokaal te veel belasting heffen, worden ze op hun algemene uitkering uit Den Haag gekort). En de laatste jaren spoelt een enorme fusiegolf over de gemeenten, omdat vele te klein zijn om al die Rijkstaken uit te voeren.

Ook de gemeenteraadsverkiezingen passen geheel dit beeld. Mensen stemmen overwegend op grond van ‘landelijke overwegingen’ (vooral in de steden). Dat is verstandig omdat Jetta Klijnsma en de Tweede Kamer niet alleen verantwoordelijk zijn voor de Participatiewet, maar ook bepalen hoe die wet moet worden uitgevoerd. Bovendien zijn gemeenteraadsverkiezingen zogenaamd ‘second-order-verkiezingen’. Ze bieden je de mogelijkheid om lekker tegen het kabinet te protesteren, zonder dat je de PVV daarmee tegelijk in de regering helpt. Al die lokale partijen passen paradoxaal genoeg heel aardig in dit beeld. Soms geven ze uiting aan hun afkeer van de politiek in het algemeen. Soms verenigen ze zich rond lokale issues, maar willen ze vooral een transparanter bestuur; een beter lokaal bestuur, en een minder ideologisch bestuur. Ze willen wethouders die luisteren en ze willen geen wethouders die een ideologisch debat beginnen om hun zwakke optreden te verdoezelen. En ten slotte zijn lokale partijen soms een uitdrukking van het nostalgische verlangen naar het eerste model van lokale democratie.

Eén ding is zeker: die raadsverkiezingen van 19 maart passen niet meer bij de tegenwoordige gemeente. Alle lokale PvdA-ers en VVD-ers zullen worden afgerekend op het kabinet, en nauwelijks op de wijze waarop ze afgelopen jaren hun gemeenten hebben bestuurd of op de mensen die ze voor de komende jaren naar voren hebben geschoven.

Wat nog erger is: de wethouders, de hoofdpersonen van het lokaal bestuur, worden niet door de burgers gekozen, maar door de raadsleden na afloop van de verkiezingen. Daarbij is eerder het bereiken van een meerderheid het streven dan het zoeken naar een coherent program. Het laatste is overigens geen verwijt, het sluit immers geheel aan bij mijn analyse. De nieuwe wethouders hoeven geen raadslid te zijn. Soms staan ze onderaan de lijst en soms komen ze niet eens uit de eigen gemeente. De benoeming van veel wethouders is dan ook een verrassing, sommigen ontbeert elk democratisch mandaat. Daartussen figureert een burgemeester die al even weinig transparant door een vorige gemeenteraad is gekozen.

Ik zou het graag anders willen. Ik zou in Den Haag een wethouder willen kiezen die minder megalomaan is, ik zou in Amsterdam een wethouder willen kiezen die de gemeentelijke toeslagen wel in de hand heeft. Ik heb geen idee hoe ik dat moet doen. Bedankt voor de rozen, bedankt voor de folders, maar wie beseft nog dat het om mijn bestuur gaat?

De PvdA en de gemeenteraadsverkiezingen

januari 4, 2014 by  
Filed under artikel, De Stad

Dat het mogelijk is om voor te beschouwen op de PvdA en de gemeenteraadsverkiezingen zegt veel over de Nederlandse gemeenten. In een volwassen lokale democratie zouden de wenselijkheid van lokale programma’s, de populariteit van lokale lijsttrekkers en niet te vergeten het functioneren van politieke partijen in Colleges van B&W en gemeenteraden bepalend zijn voor de uitslag. Zo niet in Nederland. Hier zal de populariteit van het kabinet, met name in de steden, de uitslag dicteren. Natuurlijk, er zijn ook in maart weer afwijkingen van de landelijke trend, maar die landelijke trend is in alle gemeenten het startpunt. En soms ook het eindpunt.

We kunnen de nationale overheersing van lokale verkiezingen wijten aan het gedrag van nationale politici, die zullen proberen in de voorafgaande weken het nieuws te domineren, en aan het beleid van de nationaal georganiseerde media, maar dat zou hen onrecht doen. Het is namelijk nogal logisch dat gemeenteraadsverkiezingen ook (of zelfs: vooral) een stemming zijn over het kabinetsbeleid, omdat de gemeente in zoveel opzichten het uitvoeringsloket is van rijksbeleid. En zeker op dit moment. Het kabinet heeft drie grote decentralisaties op de rol staan: participatiewet, jeugdzorg en AWBZ/Wmo. Dat je straks minder gemakkelijk een bijstandsuitkering krijgt is niet het beleid van die toevallige wethouder, maar simpel van Jetta Klijnsma. En dat er straks misschien te weinig geld is voor jeugdzorg en Wmo heeft niets met de gemeenten te maken maar alles met het beleid van Martin van Rhijn. Dus laten burgers alsjeblieft in het stemhokje straks juist denken aan deze twee staatssecretarissen. Het zij toegegeven: met hun beleid ben ik het volop eens.

Gelet op de populariteit van het kabinet en van de PvdA op dit moment zouden de gemeenteraadsverkiezingen wel eens op een deceptie voor de PvdA kunnen uitlopen. Maar laten we niet te snel denken dat opiniepeilingen een goede voorspeller zijn van verkiezingsuitslagen. Niet alleen moet er nog campagne worden gevoerd. Diederik Samsom heeft in november bij de ‘herindelingsverkiezingen’ in Friesland aangetoond dat hij nog steeds een uitstekende campaigner is. Maar volwassen burgers weten ook dat hun stem bij de verkiezingen echt telt. Juist daarom verandert er meestal nog zoveel in de opiniepeilingen in de laatste weken voor de verkiezingen. Omdat het dan pas serieus wordt. Waarmee niet gezegd is dat de PvdA het goed zal doen bij de raadsverkiezingen van 19 maart.

Laat ook volstrekt duidelijk zijn hoe belangrijk (goede) wethouders zijn. In grote en kleine gemeenten. Juist omdat de gemeente zo belangrijk is voor het welzijn van burgers, en nog steeds belangrijker wordt, is het van het grootste belang dat we goede bestuurders (wethouders) hebben en goede politici die hen controleren (raadsleden). Mijn punt is alleen dat 90% van het gemeentelijk beleid wordt bepaald op nationaal niveau. Bovendien is het debat over die resterende 10% steeds minder ideologisch, ook in de steden. In de jaren 70 was stadsvernieuwing nog een onderscheidend thema, in de jaren 90 wellicht de Melkertbanen. Maar elke stadsbestuurder weet tegenwoordig dat er weinig keuze meer is als het gaat om laaggeschoolde arbeid of hooggeschoolde arbeid, vrije sector-woningen of sociale woningbouw. Wie een stad wil vooruit helpen moet vooral ruimte bieden aan hoogopgeleiden en aan hogere inkomens. Dat zijn de mensen die de werkgelegenheid in hun kielzog meenemen. Wie een stad welvarender en minder werkloos wil maken, moet geen zinloze pogingen meer doen om kantoren te bouwen in de hoop dat de bedrijven dan wel komen, maar moet een goed cultureel klimaat creëren waarin hoogopgeleiden zich thuis voelen. Op dat punt onderscheiden de partijen zich dan ook niet meer van elkaar.

Ook bij de sociale dienst zijn de verschillen weggevallen. Vroeger hadden linkse partijen de neiging de bijstand als een basisinkomen te beschouwen en rechts had de neiging om iets over fraude te roepen. Tegenwoordig zijn alle partijen het erover eens dat werk altijd te prefereren valt boven werkloosheid. En zijn alle partijen het erover eens dat mensen moeten worden geholpen én geprikkeld om weer aan het werk te komen. Dat in alle gemeenten er zo over wordt gedacht, heeft overigens veel te maken met het rijksbeleid. Want voordat Jetta met haar participatiewet kwam, hebben Jacques Wallage en Ad Melkert ertoe bijgedragen dat gemeenten niet meer elke bijstandsuitkering bij het Rijk konden declareren, maar dat zij het voortaan moesten doen met een vast budget voor ‘werk en inkomen’. Juist die ingreep heeft ervoor gezorgd dat alle gemeenten veel strenger zijn geworden bij de sociale dienst. Rotterdam telde voor deze beleidswijziging 60.000 bijstandsgerechtigden, momenteel iets boven de 30.000.

Je zou kunnen zeggen dat het vervagen van dit soort politieke scheidslijnen vooral voor de PvdA problematisch is. De PvdA is de partij van de stadsvernieuwing en de corporaties (Jan van der Ploeg, Adri Duivesteijn). De PvdA is de partij die opkomt voor de werklozen. En juist op deze twee terreinen lijken de ideologische scheidslijnen te zijn weggevallen. Daar komt bij dat twee nieuwe thema’s in het laatste decennium hoger op de lokale politieke agenda’s staan: openbare orde en veiligheid en duurzaamheid. Ook in het veiligheidsbeleid zijn de ideologische verschillen (ME of preventie) veel minder scherp. Daarbij is het bovendien in het nadeel van de PvdA dat veiligheid vooral een thema is van andere partijen. Waarom zou je PvdA stemmen als die partij een surrogaat-rechts standpunt vertolkt? Bij duurzaamheid lijken de ideologische verschillen nog wat groter, maar het lijkt erop dat tegenwoordig erg veel gemeenten inzetten op CO2-neutraal en op groen in de stad en stadslandbouw etc., zonder dat daar een scherp ideologische debat aan vooraf is gegaan. Overigens heeft de PvdA zich op dit ‘linkse’ onderwerp nooit erg geprofileerd. Arbeid gaat voor milieu in onze partij.

Je ziet enerzijds dus dat gemeenten en rijk steeds meer met elkaar vervlochten raken, waardoor de lokale beleidsvrijheid meestal afneemt. Ja, ik ben voor decentralisatie omdat ik meen dat het beleid zo dicht mogelijk bij mensen moet worden uitgevoerd. Ja, ik geloof ik ook dat decentralisatie ertoe bijdraagt dat het beleid beter op de individuele noden van de mensen kan worden afgestemd. Nee, ik geloof niet dat deze drie decentralisaties die er nu aan komen, ertoe leiden dat gemeenten meer politieke afwegingen kunnen maken over bijstand, jeugdzorg en Wmo. En dat geldt al helemaal als er tegelijkertijd fors wordt gekort op het budget.

Anderzijds zie je dus dat waar er in de steden nog ruimte was voor politieke afwegingen, de ideologische scheidslijnen steeds meer vervagen. In de kleinere gemeenten waren die ideologische scheidslijnen altijd al grotendeels afwezig.

Het roept twee vragen op: waarom zijn die lokale (leefbaarheids)partijen dan zo sterk geworden in de grote gemeenten en waarom wordt het stemgedrag van mensen in kleinere gemeenten dan minder door landelijke overwegingen bepaald? Eerst iets over lokale partijen, daarna over het stemmen in de dorpen.

Gemakshalve onderken ik twee soorten lokale partijen: de populistische lokale partijen en de lokale partijen van de leefwereld. In de praktijk is die grens niet altijd even helder en zijn er ongetwijfeld ook nog veel andere lokale partijen. Maar voor het betoog is het voldoende om dit onderscheid te maken.

Er zijn lokale partijen die vooral leven van het chagrijn onder de mensen. Ze slaan niet zelden een populistische toon aan. Het gaat hier om de mensen die zich vooral miskend voelen. Het zijn vaak ook de verliezers van de globalisering. In Rotterdam zijn ze in het gat gesprongen dat VVD en CDA hebben laten vallen (dan wel niet wisten op te vullen) toen de PvdA haar meerderheidspositie(!) verloor. De PvdA mag de grootste vijand zijn van Leefbaar Rotterdam, maar Leefbaar heeft met name CDA en VVD in Rotterdam gemarginaliseerd. Overigens is ook die strijd tussen PvdA en Leefbaar voor een deel schijn. De verkiezingsprogramma’s van beide partijen verschilden vier jaar geleden nauwelijks van elkaar en dat zal nu niet anders zijn. Door Leefbaar worden andere stemmen gehoord, maar voor het gemeentebestuur zal het weinig uitmaken. In 2002 lag dat anders, toen de Rotterdamse PvdA na jaren comfortabel en succesvol besturen door de nieuwe tijden moest worden wakker geschud.

Daarnaast heb je de lokale partijen van de leefwereld. De vervlochten wereld van nationale en lokale overheid is de systeemwereld van het beleid. En het stadhuis van de systeemwereld heeft wel eens te weinig oog voor de kleine noden in de leefwereld van mensen. Veel lokale partijen zetten die kleine noden voorop. Ik hoor mijn oude moeder nog zeggen: “Waarom moet toch alles anders? Waarom moeten die bomen nu weer worden gekapt?” Soms is het nostalgie, soms is het gewoon de wens van veel mensen om mee te praten, mee te beslissen, in plaats van dat er voor hen wordt beslist. Die wens is vaak heel sympathiek, maar is niet zo relevant als een bijstandsuitkering moet worden verstrekt. Nee, die mevrouw moet toch vooral weer aan het werk worden geholpen. Ook vanuit de globalisering en zelfs vanuit de digitalisering is deze variant de lokale partijen heel goed te begrijpen. Waar grenzen wegvallen, wordt de plaats steeds belangrijker.

In de systeemwereld van het lokaal bestuur hebben lokale partijen bijna per definitie een achterstand. Die kunnen ze in de regel alleen maar inlopen door aansprekende leiders naar voren te schuiven. Pim Fortuyn werd niet zonder reden zo groot. Hij sprak veel mensen aan. Voor Marco Pastors gold op een ander niveau hetzelfde. En Joost Eerdmans heeft de bekendheid, maar moet het nog bewijzen dat hij ook een sprekende leider is. De gevestigde partijen moeten ervoor waken om tegenover de aansprekende leiders van de lokale partijen ‘systeemmuizen’ kandidaat te stellen. Mensen uit de stad, die zich op tal van plaatsen al hebben bewezen en daardoor ook bekend zijn, hebben een pre boven het brave raadslid dat via de fractie-assistentie omhoog is gekropen. Zoals de PvdA in Amsterdam goed scoorde met een aansprekende Lodewijk Asscher.

Ik beken me hier niet tot de politiek van de leefwereld. De stad moet ook nog worden bestuurd. Als we alleen maar over die ene boom zouden spreken zou die immense jeugdzorg nooit van de grond komen. Maar ik meen dat de PvdA wel (nog steeds) kan leren van lokale partijen door meer te kiezen voor aansprekend leiderschap, door meer oog te hebben voor wat mensen bezighoudt en door meer aan mensen over te laten. Oog hebben voor wat mensen bezighoudt is overigens niet meteen hetzelfde als het betreden van de leefwereld van mensen. Marnix Norder kan daarover meepraten, althans ik hoop dat hij inmiddels beseft dat hij deze fout aan het einde van zijn regeerperiode in de gemeente Den Haag heeft gemaakt door de Haagse bevolking een nieuw cultuurpaleis op te dringen. Dat lokale politici soms wel gedwongen te zijn om binnen het stadhuis met papieren onder de arm rond te lopen wordt hen door weinig mensen kwalijk genomen. Maar als die systeemwereld ertoe leidt dat de Haagse bevolking een overbodig en veel te duur Spuiforum krijgt opgedrongen binnen hun (toekomstige) leefwereld, moet je niet gek opkijken als de verkiezingsuitslag tegenvalt.

Tot slot die tweede vraag: als deze analyse van het lokaal bestuur waar zou zijn, waarom wordt dan juist het stemgedrag van burgers in kleinere gemeenten minder door landelijke overwegingen bepaald? Ik denk dat het antwoord simpel is: politici worden in kleine gemeenten beter gekend. En juist omdat zo’n groot deel van het gemeentelijk beleid vastligt, wordt het vertrouwen in personen belangrijker. Overigens verandert er momenteel erg veel in het lokaal bestuur op het platteland en er is ook al heel veel veranderd. Gemeentelijke herindeling werd vroeger aan veel kleine gemeenten opgelegd. Tegenwoordig vragen de fusiegemeenten van weleer om een verdergaande schaalvergroting. Zo ontstaan steeds grotere gemeenten die steeds meer dorpen overkoepelen. De zichtbaarheid van het lokaal bestuur neemt daardoor af. Tegelijkertijd is het soms een stimulans om een vertegenwoordiger uit het eigen dorp te kiezen, ongeacht zijn of haar politieke kleur.

Het wordt een spannende avond op 19 maart a.s. Voor al die kandidaten die op de lijst staan. Het wordt ook een spannende avond voor landelijke politici, die met reden de lokale uitslagen doorvertalen naar het landelijke niveau. Maar of het voor burgers echt spannend wordt, valt te betwijfelen, te meer daar de wethouders sedert 2002 niet meer door ons in de gemeenteraad hoeven te worden gekozen. En zelfs niet op de lijst hoeven te staan. Nog erger: ze hoeven niet eens meer in de gemeente te wonen om wethouder te kunnen worden. Wanneer mag ik de enigen die er echt toe doen in het lokaal bestuur, de wethouders, eens gaan kiezen?

[verschenen in  Socialisme & Democratie, februari 2014, pp. 110-114]