Burgerparticipatie vergt een heldere rol van de overheid

mei 2, 2016 by  
Filed under artikel

De overheid is bezig met een nieuwe Omgevingswet voor onze fysieke leefomgeving. Het SCP schreef daarover een mooi essay: Niet buiten de burger rekenen. Haarfijn wordt uitgelegd hoe vaag de teksten van de nieuwe Omgevingswet over burgerparticipatie zijn en dat de echte keuzes worden omzeild. Maar ook de conclusies van het SCP blijven te vaag. Omdat de kern van het probleem wordt omzeild: burgerparticipatie heeft alleen kans van slagen als we weten waarvoor we de overheid nodig hebben. Het SCP verpakt die noodzakelijke boodschap in aanbevelingen als: zorg ervoor dat procedures helder zijn voor burgers, zorg ervoor dat initiatiefnemers de burgers goed informeren, zorg ervoor dat burgers het gehele proces gehoord zijn. Enzovoorts. Maar dat is niet de kern.

Wat is in godsnaam burgerparticipatie? [Ja , ik laat de term ‘overheidsparticipatie’ onbesproken zolang we het nog niet eens zijn over wat ‘burgerparticipatie’ is.] Het is in ieder geval een geliefde term, net zoals burgers erg geliefd zijn bij de overheid. Ik heb wel eens het gevoel dat de overheid meer van ons houdt, naarmate wij minder van de overheid houden. Of misschien moet ik zeggen: naarmate de overheidsdienaren het idee hebben dat wij minder van hen houden. In ieder geval moet de burger participeren, de burger moet meedoen. Meedoen met het ontwikkelen van beleid, meedoen met de overheid. Maar juist in dat woord ‘meedoen’ zit de pijn. Want als burgers zich met varkenskoppen verzetten tegen nieuwe asielzoekerscentra, heb ik nog nooit een overheidsdienaar lovend over de participatie van de burgers horen spreken. Ook het verzet tegen windmolens of tegen de ondergrondse opslag van CO2 worden niet als ‘meedoen’ gezien. De overheid wilde immers wat anders.

In het licht van deze ‘nuancering’ is het goed om je bij burgerparticipatie die ene grote vraag te stellen: is de participatie van burgers een middel of is het een doel?

  1. Bevorderen we burgerparticipatie om het het draagvlak voor het beleid van de overheid te vergroten, of (breder) het vertrouwen van de burger te winnen (middel).
  2. Bevorderen we burgerparticipatie om de plannen van de overheid beter te maken (middel)
  3. Of bevorderen we burgerparticipatie omdat het doel moet zijn burgers zelf te laten beslissen?

In de Omgevingswet lijkt de overheid vooral het laatste te suggereren, terwijl vooral het eerste wordt bedoeld. Dat is boeiend omdat in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (die met vele andere wetten opgaat in de nieuwe Omgevingswet) over de rol van de burger nu juist geen onduidelijkheid bestond. De wet bood de burger vooral de mogelijkheid om bezwaar te maken of in beroep te gaan. In beide gevallen was volstrekt duidelijk wie uiteindelijk zou beslissen. Bij het bezwaar was dat het bevoegd gezag (de gemeenteraad, de Provinciale Staten of de Tweede Kamer). Bij beroep was dat een ‘rechtsprekende’ instantie als de Raad van State, die geen eigenstandig politiek oordeel velde, maar vooral oordeelt of alle procedures juist zijn verlopen dan wel of het er geen andere regels of wetten zijn op basis waarvan de burger in het gelijk moet worden gesteld. De Crisis- en herstelwet (die ook in de Omgevingswet wordt opgenomen) beperkte de rechten van de burgers op bezwaar en beroep. Met goede redenen, maar je hebt wel wat boter op je hoofd als je de Omgevingswet helemaal in het teken plaatst van burgerparticipatie, terwijl de rechten van de burgers op bezwaar en beroep aanzienlijk worden ingeperkt.

Laten we ervan uitgaan dat het kabinet de burgerparticipatie een warm hart toedraagt. Laten we er ook vanuit gaan dat het kabinet de burgerparticipatie als middel en als doel ziet. Dan doemen de volgende  vragen op:

Burgerparticipatie als een middel om draagvlak en vertrouwen te verwerven (1): hoe voorkom je dat je het tegendeel bereikt, omdat burgers nu juist de indruk hadden gekregen dat ze mochten meepraten? Het SCP wijst hier op het belang van communicatie: vertellen wat de bedoeling is en vertellen wat de regels zijn. Zeer terecht. Maar niet genoeg: de overheid moet gewoon eerlijk zeggen dat alleen zij gelegitimeerd is om de politieke keuzes te maken en dat ze daarbij graag zoveel mogelijk steun van de burger heeft.

Nee, dat is niet mijn idee van burgerparticipatie. Burgerparticipatie kan bijdragen aan betere oplossingen. De samenleving heeft meer ideeën dan ze ooit op een departement of een gemeentehuis kunnen verzamelen. Maar als je burgerparticipatie vooral ziet als een middel om je eigen beleid beter te maken (2), zal je wel moeten aangeven wat beter is. Want uiteindelijk bepaalt de overheid of een voorstel van burgers wel of niet wordt overgenomen. Het SCP spreekt hier over de spanning tussen participatie en representatie. En dan zegt het SCP nog iets moois: voelen burgers zich gehoord? Maar hoe dat laatste dan moet, laat het SCP in het midden. Natuurlijk burgers voelen zich gehoord, als hun voorstel wordt overgenomen. Maar het gaat erom burgers hetzelfde gevoel te geven als hun voorstel niet wordt overgenomen. Daarvoor is nodig dat de politiek overtuigend communiceert waarom het eigen standpunt  politiek gezien beter is. De politiek moet dus het gesprek durven aan te gaan met de burger als diens voorstel wordt afgewezen. En de politiek moet die afwijzing beargumenteren vanuit het eigen politieke programma. Ja, dat is iets anders dan populisme.

Als je burgerparticipatie als doel ziet om burgers zeggenschap te geven over hun eigen fysieke leefomgeving (3), zal je als overheid ook nadrukkelijk de grenzen van die zeggenschap moeten aangeven. De zeggenschap van de een mag niet ten koste gaan van de zeggenschap van de ander. Maar nog belangrijker: er zijn gezamenlijke, publieke belangen die gewichtiger zijn dan het belang van de individuele burger. Het tegengaan van klimaatverandering bijvoorbeeld of een samenleving waarin gelijke kansen worden nagestreefd. Dus juist het geven van het recht aan burgers om zelf te beslissen, vraagt dat we scherp aangeven waarvoor wel een  overheid nodig hebben. Bij burgerparticipatie flikker je niet de hele boel over de schutting, maar geef je  scherp aan tot waar die zelfbeschikking gaat.

Ik vrees dat de Omgevingswet op dit laatste punt het meest tekort schiet. De wet en de Memorie van Toelichting komen niet verder dan het geijkte gepraat over een veilige en gezonde leefomgeving, over het tegemoet komen aan ‘maatschappelijke behoeften’ (sic), over het scheppen van ruimte voor ontwikkeling en het tegelijkertijd waarborgen van kwaliteit. Let ook op de motivatie voor deze nieuwe wet: “De balans (van de huidige wetgeving, wd) ligt te veel bij zekerheid en te weinig bij groei die gericht is op duurzame ontwikkeling”. Begrijpt u het nog?

Al met al: om burgerparticipatie te laten slagen zou het goed zijn als we eerst met zijn allen aangeven waarvoor we die overheid nodig hebben. Anders is de mislukking al op voorhand ingebakken.

Zou #IenM weten waarom @WilmaMansveld weg moest

oktober 31, 2015 by  
Filed under artikel

In het vroege voorjaar bood ik de secretaris-generaal van IenM een rapport aan. Met een commissie had ik het toezicht van het departement op de (eigen) zelfstandige bestuursorganen en op ProRail onderzocht. Het rapport werd vriendelijk in ontvangst genomen. Sinds die tijd hoorde ik niets meer. In september lekte het rapport naar de pers. Reden voor de minister om het rapport (alsnog) naar de Kamer te sturen. De Kamer reageerde attent met een spervuur aan vragen. Niet zo verwonderlijk als het toezicht op ProRail onderdeel uitmaakt van het onderzoek.

Ook het gedrag van het Ministerie van IenM was helaas vrij voorspelbaar. Verkeer en Waterstaat, de voorganger van IenM, en ‘onder de pet houden’ vormden al eerder een unieke combinatie. Desondanks werd het rapport als een ‘intern rapport’ aangemerkt en leek niemand het initiatief te nemen om actie te ondernemen. Toch springt het antwoord van de minister op de Kamervragen nog het meest in het oog. Met veel omhaal van woorden zegt de minister dat ‘ze zich niet herkent in de conclusies van het rapport’.

Die conclusies waren vriendelijk verwoord. Ik zal ze in mijn eigen woorden herhalen: het toezicht op de zbo’s en op ProRail was gewoon onvoldoende. Ik geef het toe: geen opvallend conclusie voor iemand die zo af en toe een krant leest. Toch herkent de minister zich in die conclusie niet. En te vrezen valt dat het hele departement zich in die conclusie niet herkent.

Ik heb met veel genoegen met anderen dat rapportje geschreven. Als commissievoorzitter weet je dat je rol is uitgespeeld als het rapport is aangeboden. Het is ook aan de politiek om te bepalen wat ze met je onderzoek willen doen. Allemaal goed. Maar hier is toch wel plaats voor een moment van verbazing. In dezelfde periode dat een staatssecretaris naar huis wordt gestuurd vanwege een gebrek aan toezicht vanuit het departement, herkent de minister zich niet in een simpel rapportje waarin enige vraagtekens worden geplaatst bij datzelfde toezicht. Zou men op het departement wel weten dat die staatssecretaris is vertrokken? En zo ja, zou men eigenlijk weten waarom die staatssecretaris weg moest? Het department is toch niet zo in zichzelf gekeerd zijn, dat ze dat allemaal niet weet?

Laat ik eerlijk zeggen: ik was aanvankelijk niet heel erg gemotiveerd voor het onderzoek. De secretaris-generaal is ‘eigenaar’ van de zbo’s van het departement (denk aan Kadaster, Luchtverkeersleiding, Rijksdienst voor het Wegverkeer, Centraal Bureau Rijvaardigheid en nog een aantal kleinere organisaties) en van ProRail en in die hoedanigheid houdt hij toezicht op hen. Daarnaast is een directeur-generaal op het departement ‘opdrachtgever’ van diezelfde organisaties. Mijn opdrachtgever was de secretaris-generaal in zijn hoedanigheid van ‘eigenaar’.

Niettemin was mijn interesse voor het onderwerp na het eerste gesprek met een bestuurder van één van deze organisaties meteen gewekt. Een uur lang klachten en irritatie. Over het toezicht vanuit het departement. In totaal werden 35 gesprekken gevoerd. De belangrijkste voerde ik mede zelf. Zo sprak ik de bestuurders van de grote zbo’s, voorzitters van de Raden van Toezicht en toppers van ProRail. En overal die irritatie en die klaagzangen over het departement. Dat het departement niet weet wat het toezicht zou moeten inhouden. Dat het departement vooral weet hoe vaak er overleg moet zijn, maar niet weet wat er dan moet worden besproken. Dat het departement vooral veel papier wil, maar weet niet hoe al dat papier moet worden gelezen. Dat het structureel onduidelijk is wat de Raad van Toezicht moet doen, wat de opdrachtgever moet doen en wat de eigenaar moet doen. In de praktijk lopen de rollen van opdrachtgever en eigenaar bovendien door elkaar.

De belangrijkste conclusie van mijn conclusie is dan ook dat we eigenlijk niet kunnen vaststellen of het toezicht aan de maat is. Als het departement niet weet waarop het toezicht wenst te houden en wanneer de zaak ‘in control’ is, kan niet één commissie vaststellen of het toezicht voldoet. Je kan het een vriendelijke conclusie noemen, je kan het ook een cynische conclusie noemen.

Bovendien melden alle zbo’s dat er vooral sprake is van incidentenmanagement. Als de minister of de staatssecretaris in gevaar is, komt de directeur-generaal plotseling wel op bezoek. En bepaalt het departement wat er moet gebeuren. En algemeen is de klacht dat ze de topambtenaren, laat staan de bewindspersonen, niet zien als er gewoon ‘toezicht’ moet worden gehouden.

Een aantal gesprekspartners was nieuw voor mij, een aantal had ik eerder zijdelings of uitgebreid leren kennen. In alle gevallen viel het me op hoe oprecht de irritatie was. Natuurlijk waren boodschappen vooraf met elkaar afgestemd. Dat ben je bij zo’n evaluatiecommissie wel gewend. Maar die irritatie was niet gespeeld. Eigenlijk wilde men (opvallend genoeg) maar één ding: goed toezicht vanuit het departement.

Misschien was één wens nog dominanter: duidelijkheid over de onderlinge verantwoordelijkheden. Al die mensen wilden weten wie nou waarvoor verantwoordelijk is. Twintig jaar geleden zijn al deze organisaties op afstand geplaatst, in een tijd van verzelfstandiging en marktwerking. Sindsdien zijn de departementen (vaak gedwongen door de politiek) hun grip op de organisaties weer gaan versterken. Het gevolg is dat inmiddels onduidelijk is wat de rol van het departement is, wat de rol van de Raad van Toezicht is (en zeker wat hun onderlinge verhouding is) en welke vrijheden en verantwoordelijkheden de bestuurders nog hebben. En tegelijkertijd hebben de departementen niet meer de kennis om het toezicht op de zbo’s effectief uit te voeren.

We weten het allemaal. We hoeven daarvoor ook geen schuldigen aan te wijzen. Dingen gaan soms zoals ze gaan. Maar om als minister dan doodleuk aan de Kamer te melden dat je je ‘niet herkent’ in de conclusies van de commissie, dat gaat me toch wat ver. Vooral omdat ik bang ben dat het zo nooit beter wordt.

Of moeten we zelfs vrezen dat ze naar waarheid heeft geantwoord?

De doe-democratie en de zoekende overheid

oktober 15, 2015 by  
Filed under artikel

Dames en heren,

Ik wil het graag 20 minuten met u hebben over ‘de overheid en haar burgers’. Ik weet het, het zou logischer zijn om te spreken over ’de burgers en hun overheid’. De overheid laat zich immers omschrijven als ‘de personen, de lichamen aan wie de burgers het gezag hebben toevertrouwd’. En toch kies ik bewust voor die omgekeerde titel, omdat de overheid tegenwoordig gebiologeerd lijkt door de burger en op sommige momenten zich die burger zelfs lijkt toe te eigenen.

Laat ik met een voorbeeld beginnen, van een lokale overheid die zich het denken over doe-democratie en zelforganisatie eigen maakt. Het verhaal gaat over het bestuur van een volleybalvereniging. Een verzameling hoogopgeleiden, de voorzitter is iets als organisatie-adviseur. Op een dag krijgt het bestuur een telefoontje van de gemeente. Een ambtenaar wil met het bestuur praten. De ambtenaar wil het bestuur helpen. In het kader van het gemeentelijke project ter versterking van de maatschappelijke zelforganisatie. De ambtenaar wil graag een afspraak maken op een werkdag tussen 9 en 5. Het bestuur bestaat uit vrijwilligers en blijkt zich overdag niet te kunnen vrijmaken. Tot schijnbare verrassing van de ambtenaar. De ambtenaar wil voor één keer een uitzondering maken. Hij is bereid een vrije avond aan dit gesprek op te offeren. Het wordt een bijzonder gesprek vooral omdat de ambtenaar niet kan duidelijk maken wat hij komt doen. Misschien komt dat ook omdat die organisatie-adviseur wel een beetje weet hoe je een volleybalvereniging moet organiseren. Het grappige is ook dat hij dat zelf nooit als ‘zelforganisatie’ zal betitelen.

Ik geef een ander voorbeeld. Er was eens een kabinet dat een nota schreef over de doe-democratie. Ik citeer uit de samenvatting:

“Het kabinet wil ruimte en vertrouwen bieden aan maatschappelijke initiatieven en actief bijdragen aan de transitie naar meer doe-democratie (een vorm van meebeslissen van burgers door zelf maatschappelijke vraagstukken op te pakken).”

Zo’n tekst roept bij mij tal van vragen op. Bijvoorbeeld: geldt dit ook voor mannen met zwarte mutsen die in Woerden een asielzoekerscentrum aanvallen? Of voor burgers die de wietteelt in Brabant legaliseren? Dat zijn toch ook burgers die zelf maatschappelijke vraagstukken oppakken? En het kabinet wil toch ruimte en vertrouwen bieden aan maatschappelijke initiatieven?

Ik raak verder in verwarring als ik even verderop in de samenvatting van deze nota lees:

“Los daarvan geven maatschappelijke ontwikkelingen voldoende aanleiding om een kabinetsstandpunt te ontwikkelen: a. Toenemend zelforganiserend vermogen van de samenleving, b. Terugtredende overheid, c. Stijgende behoefte aan sociale binding.”

Ik lees dus dat het zelforganiserend vermogen van de samenleving toeneemt en dat de overheid terugtreedt. Die twee bewegingen sporen wel met elkaar. Maar waarom is er een stijgende behoefte aan sociale binding als het zelforganiserend vermogen van de samenleving toeneemt? En waarom zou een overheid die wil terugtreden over die stijgende behoefte een standpunt willen innemen?

We hebben schijnbaar te maken met een zoekende overheid.

Deze drie voorbeelden roepen bij mij drie vragen op. Ten eerste: waarom is de burger tegenwoordig zo populair bij de overheid? Ten tweede: wat voor beeld heeft de overheid eigenlijk van de burger? En ten slotte: hoe moeten we de doe-democratie duiden in het kader van de taak van de overheid?

Ik begin met die eerste vraag: waarom is de burger tegenwoordig zo populair bij de overheid? Waarom wordt de burger zo blijmoedig bedeeld met taken bij het oplossen van maatschappelijke vraagstukken? Er waren toch wel eens tijden dat de inspraak door burgers op de overheid bevochten moest worden. Ik neem de vrijheid om vrijuit te speculeren, op basis van jarenlang meelopen in Den Haag en niet op basis van significantieniveaus. Ik kom tot vier mogelijke verklaringen.

  1. De burger is populair bij de overheid omdat de overheid niet populair is bij de burger. Houden van de burger in de hoop dat de burger weer meer van ons gaat houden? Veel mensen op departementen maken zich zorgen over het geringe vertrouwen dat de overheid bij de burger zou genieten. Nu valt dat nog wel mee. Het vertrouwen in de democratie is groot bij burgers en het vertrouwen in politici is een stuk minder groot. Het vertrouwen in politici fluctueert, maar is niet minder dan decennia geleden. Stel je ook voor: wat zou u antwoorden op de stelling: “Politici beloven meer dan ze waarmaken”. Als u instemt, getuigt dat van een gebrek aan vertrouwen in de politiek.
  2. De burger is populair bij de overheid omdat de overheid niet van zichzelf lijkt te houden. In de genoemde nota over doe-democratie wordt met afschuw gesproken over de ‘oerkrachten van de verstatelijking van de dienstverlening’. Nou, daartegen moeten we ons blijkbaar verzetten. Ik geloof overigens dat de meeste burgers graag zouden zien dat de dienstverlening op het spoor weer snel zouden worden verstatelijkt.
  3. De burger is populair bij de overheid omdat veel ambtenaren menen dat de overheid niet meer levert wat zij zou moeten leveren. Terwijl het politieke klimaat rechtser is geworden, lijken veel ambtenaren met hun linksige ideeën wat verweesd te zijn achtergebleven. Waarom is die Leeszaal West in Rotterdam vooral zo populair bij ambtenaren als het grote voorbeeld van zelforganisatie? Voelt men zich beschaamd over het feit dat de overheid zoveel bibliotheken heeft gesloten? En waarom hoopt het ministerie van IenM zo op de ‘energieke samenleving’ bij het ontwikkelen van duurzame energie? Omdat de overheid zelf te weinig tegen de klimaatverandering doet?
  4. De burger is populair bij de overheid omdat de opvatting is gaan heersen dat het overheidsbeleid alleen met hulp van diezelfde burgers effectief kan worden uitgevoerd. Het lijkt erop dat overheidsbeleid alleen nog maar succesvol kan zijn, als we burgers weten te verleiden, als we convenanten en akkoorden sluiten met het bedrijfsleven en de milieubeweging, als we coalities aangaan, als we het netwerk van maatschappelijke actoren adequaat managen. Al met al als we horizontaal besturen. Ik weet dat die opvatting in de bestuurskunde ook erg populair is geworden. Ik weet ook dat de oude overheidsinstrumenten soms aan renovatie toe zijn. Maar wie heeft ons ooit bewezen dat al die nieuwe instrumenten zoveel effectiever zijn? Ik heb de laatste jaren vele uren, dagen, maanden doorgebracht op het Ministerie van IenM. In allerlei vormen van trainingen. Ook daar heerst het geloof dat het beleid alleen succesvol kan worden gemoderniseerd als we de burgers als onze gelijken tegemoet treden. Maar als je je serieus afvraagt op welke terreinen IenM succesvol is, dan gaat het bij uitstek om ouderwetse beleidsinstrumenten. Dijken en wegen, dat noemen we voorzieningen die met belasting worden betaald. Het milieubeleid is een groot succes door wetten en regels en Europese richtlijnen. De schilder heeft niet bij convenant ingestemd dat hij voortaan geen lood meer in zijn verf zal doen. Dat is hem opgelegd, bij wet, dames en heren.

Uit dit overzicht blijkt al ongeveer het antwoord op mijn tweede vraag. Welk beeld heeft de overheid van de burger? Het heeft er soms alle schijn van dat de overheid denkt dat de samenleving slechts bestaat uit nette, vriendelijke burgers. Zeg maar: ambtenaren. Ik vrees ook dat veel ambtenaren niet veel andere mensen zien dan ambtenaren. Maar het lijkt me een lichtelijk naïef beeld. Als ik u was zou ik me ook veel meer zorgen maken over de ondermijning van de lokaal democratie dan over de zelforganisatie van de burger.

Op het departement van IenM, het departement waar de vlag van de energieke samenleving elke dag wordt gehesen, vraag ik zo af en toe bij een training of men wel eens een burger in het werk is tegengekomen. Men antwoordt, gelukkig, altijd bevestigend. Op mijn vraag welke indruk die burger had gemaakt, volgt altijd een heftig steunen. De burgers blijken altijd dwarsligger te zijn. Dat dit laatste niet waar is, doet er even niet toe. Waar het mij omgaat is dat dit departement zoveel verwacht van de goedwillende burger bij het bestrijden van de klimaatverandering, bij het verbeteren van het milieu, op de weg, in het openbaar vervoer, bij het delen van de auto, terwijl de gemiddelde burger helemaal geen bezwaar heeft tegen een auto op diesel, zelfs niet als Volkswagen de kluit heeft belazerd. Die energieke samenleving is op zijn minst een fossiel-energieke samenleving. En we leggen die zonnepanelen pas op het dak, als ze goedkoper zijn dan de stroom van de Eneco.

Ik raad u aan om de nota over doe-democratie nog eens te lezen vanuit het perspectief van de wietteler uit Brabant, of gewoon uit Laakkwartier in Den Haag. Of vanuit het perspectief van de autolobby in Brussel. Of vanuit het perspectief van het schorem dat in Woerden onze gastvrijheid op een speciale wijze heeft belicht.

Ik kom bij mijn laatste vraag: behoort het bevorderen van de doe-democratie en van de zelforganisatie tot de taken van de overheid? Waar is de overheid van? Ik geef toe dat mijn antwoord is gekleurd door mijn eigen licht anarchistische inslag. Ik krijg jeuk als de overheid over mij schrijft dat ‘de burger [dus: ik] in positie moet worden gebracht’. Of dat de overheid voortaan moet ‘zorgen dat’ in plaats van ‘zorgen voor’. De overheid moet ervoor zorgen dat ik iets doe? Mogen wij burgers even zelf bepalen wat de overheid voor ons moet doen? En ik ben niet de enige die wat last heeft van het paternalisme van de overheid. Dat geldt ook voor die twee bestuursleden van die volleybalvereniging die een avond kwijt waren aan een zoekende ambtenaar, aan de zoekende overheid in eigen persoon. Het geldt ook voor die boeren uit de Overdiepse polder, die vijftien jaar lang onderdeel waren van het voorbeeldproject van ‘Ruimte voor de rivier’. Terwijl de overheid heel enthousiast was over de samenwerking met de burgers, bleken dezelfde burgers zich al die jaren enorm aan de traagheid van de overheid te hebben geërgerd.

Terug naar de vraag: waar is de overheid van? Mijn antwoord is simpel: de overheid dient die maatschappelijke belangen te behartigen die zonder optreden van de overheid niet worden behartigd. De samenleving is vaak heel goed in staat om zijn eigen zaakjes te regelen. Voor veel sociale cohesie (wat vanzelfsprekend een maatschappelijk belang is) heb je de overheid niet nodig. Alleen daar waar de samenleving tekort schiet heb je die overheid wél nodig. De overheid moet dus geen bestuurders van volleybalverenigingen vervelen met een bezoek, die kunnen hun vereniging heel goed zelf organiseren. Als de samenleving het zelf kan, moet de overheid zich er verre van houden. Maar juist als de samenleving het niet kan, moet de overheid het niet aan de burgers overlaten.

Er zit dus een zekere spanning in dat stimuleren van de doe-democratie, juist omdat het zelforganiserend vermogen van de samenleving zo is toegenomen. Misschien kan de overheid voortaan beter bibliotheken openhouden in de wijken die geen handige mensen hebben die een private bibliotheek in de lucht kunnen houden. Of Volkswagen beter controleren op fijn stof. Of innovatie bevorderen van zaken die maatschappelijk van groot nut zijn, maar die niet vanzelf gemeengoed worden. Laat burgers nu gewoon doen, wat we zelf kunnen. En treedt op als overheid, als wij het onderling niet kunnen.

 

[Keynote-speech Promovendi-middag BZK, 15 oktober 2015]