Hoe konden we de stad zo haten

januari 3, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

We zijn het bijna vergeten, maar niet zo lang geleden werd de stad gehaat. De stad werd gezien als een plek die zo snel mogelijk onder reconstructie moest. Een plek die moest worden aangepast aan moderne tijden en waar de verpauperde zooi uit het verleden bij voorkeur zo snel mogelijk moest worden gesloopt. Alle gemeentebestuurders leken in de jaren 50 en 60 van de afgelopen eeuw van doorbraken te dromen. Van ruimte voor nieuwe kantoren in de nieuwe city. Van nieuwe wegen die het nieuwe verkeer tot in het hart van de steden zou brengen. Van het dempen van singels en van het afbreken van krotten.

Tim Verlaan schreef er een mooi boek over: De ruimtemakers. Hij analyseert een paar van die grote ingrepen die de stadsbestuurders uit die tijd voor hun burgers in petto hadden. Hoog Catharijne in Utrecht, het Spuikwartier in Den Haag en bijvoorbeeld de bouw van het Maupoleum in Amsterdam. Nieuwe tijden! Samen met projectontwikkelaars werden de steden op de schop genomen. Verlaan laat mooi zien hoe snel de tegenstand tegen deze plannen opkwam. Veel plannen zijn daardoor nooit uitgevoerd. Het tij van de ‘moderne stad’ was in de jaren 70 al weer snel voorbij.

Natuurlijk, ook alle genoemde grote ingrepen zullen zijn voortgekomen uit liefde voor de stad. Maar wie ziet hoeveel er kapot is gemaakt en hoeveel er kapot gemaakt had kunnen worden, beseft dat die liefde eerder abstract dan erg concreet was. Wat een verschil met de huidige stedebouw waar met liefde wordt omgegaan met oude structuren. In dat licht kunnen we de stedebouw van de jaren 60 beter met haat te associëren.

Wie het boek van Verlaan leest vraagt zich af waar die haat tegen de stad vandaan kwam. Verlaan beschrijft veel en analyseert minder. Hij wijst op de suburbanisatie, hij wijst op de enorme toename van de mobiliteit, hij wijst op de veranderingen in de economie, waar fabrieken plaats gingen maken voor kantoren. Het had ook kunnen wijzen op het voorzichtige optimisme na de ellende van de Tweede Wereldoorlog. De wens om alles beter te doen. Maar moesten we daarom de oude stad haten? Ik denk dat die haat vooral voortkwam uit het modernisme, dat zijn oorsprong al heeft in het begin van de vorige eeuw. Met zijn nadruk op het scheiden van functies in de stedebouw en met het adagium form follows function in de architectuur. Gevelwanden waren uit. Het ging om het accommoderen van de nieuwe vervoersstromen. Het ging om een nieuwe tijd. Natuurlijk, ook ik kan genieten van de schoonheid van het nieuwe Maupoleum op die eerste foto’s. Zoals je kan genieten van al die foto’s van het nieuwe Rotterdam uit dezelfde tijd. Veel zon, veel licht, veel lucht en ruimte. Veel nieuw geluk en veel nieuwe welvaart. Waarom zouden we nog in die oude krotten willen blijven wonen? Dat was echt een andere tijd.

In dat licht is de reactie eigenlijk minder verrassend en minder nieuw. In ieder geval minder modern. Verlaan geeft overigens ook voor die omslag nauwelijks argumenten. Hij wijst terecht op de enorme toename van het aantal studenten dat aan de universiteiten ging studeren en in de binnensteden ging wonen. Zij vormden een prachtige voedingsbodem voor het verzet tegen de politiek van kaalslag en modernisme. Het was een nieuwe generatie die de Tweede Wereldoorlog niet (bewust) had meegemaakt. En dat moest wel tot een generatiekloof leiden met hun ouders. In de reactie ging het om kleinschaligheid versus de grootschaligheid van de ingrepen, ging het om sociaal-culturele beleving, in plaats van om geldverdienende projectontwikkelaars. Het Maupoleum van Zanstra werd ingeruild voor het Vredenburg van Hertzberger. En Jane Jacobs werd onze leidsvrouw. Maar waar die omslag precies vandaan kwam, het blijft één van de fascinerende dingen van sociale verandering.

In ieder geval was de liefde voor de stad weer terug. De stad als plek waar mensen elkaar ontmoeten. De stad waar mensen geborgenheid vinden. De stad waar mensen weer graag wilden wonen. Jan Schaefer begon met zijn stadsvernieuwing. Oude wijken werden niet meer gesloopt, maar opgeknapt. En beetje voor beetje zijn de stadsbestuurders de haat tegen de stad met veel liefde gaan beantwoorden. Gaten werden weer opgevuld, sommige grachten werden weer open gegraven. Het Maupoleum werd weer afgebroken en vervangen door een tamelijk non-descript gebouw, zoals vele stedelijke gebouwen non-descript zijn, terwijl ze samen wel een prachtige stad kunnen vormen.

Maar zo eenvoudig gaat het elders niet. Hoog Catharijne is net weer helemaal op de schop genomen. In de Catharijnesingel stroomt weer water, maar de moloch van Hoog Catharijne is niet weg te krijgen. Bovendien lijkt de haat tegen de stad in Utrecht nu aan de andere kant van het station weer volop te gedijen. Het Spuikwartier in Den Haag heeft structuur gekregen door de bouw van het nieuwe stadhuis, maar maakt nog steeds geen onderdeel uit van de echte stad. En de Wibautstraat (verrassend genoeg niet beschreven in het boek van Verlaan) blijft ondanks alle lieve pogingen, nog steeds een autosnelweg. Het probleem is helder: de structuur van de stad is op deze plaatsen zo compleet verwoest dat herstel heel moeilijk wordt. Zeker als de eigendomsverhoudingen niet aan herstel van de stad bijdragen.

En daarom is die haat tegen de stad ook onuitwisbaar. Misschien is dat ook wel goed. Een echte stad heeft een geschiedenis. En laat zijn geschiedenis ook zien in al zijn lagen. Juist die gelaagdheid maakt een stad tot een echte stad. En met die blije gedachte zal ik me de volgende keer weer door de bouwputten achter Utrecht CS blijven spoeden.

Veiligheid en geborgenheid in de stad

maart 18, 2013 by  
Filed under De Stad

zwolle-grote-markt-285x205Het moet soms frustrerend zijn voor bestuurders: de criminaliteit daalt al jaren, maar het gevoel van veiligheid neemt niet toe. Hoewel het objectief gezien veiliger wordt in ons land en in onze steden, neemt het gevoel voor veiligheid niet toe. Eerder lijkt soms het tegendeel te gebeuren. En in die situatie durft geen politicus te roepen dat de criminaliteit afneemt. En terecht. Er is geen enkele reden om gevoelens van onveiligheid te bagatelliseren of zelfs te negeren.

Dit betekent niet dat de overheid geen invloed heeft op de omstandigheden waaronder mensen zich wel of niet veilig voelen. We weten inmiddels allemaal dat de inrichting van de stad de gevoelens van geborgenheid van burgers kan versterken, of soms geheel kan wegnemen. In dat verband is de discussie die in de stedebouw woedde in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog interessant. De ‘modernisten’ dachten niet in termen van geborgenheid, laat staan gezelligheid. Voor hen ging het om licht, lucht en ruimte, om de doorstroming van het (nieuwe) autoverkeer en om de scheiding van functies (als je woonde moest je geen last hebben van een ‘fabriek’).

Jane Jacobs was één van de wetenschappers die zich verzette zich tegen de modernistische stedebouw, waarbij verkeerscorridors en functiescheiding een einde maakten aan de traditionele (organische) stad. Haar befaamde boek uit 1961 over de stad (The life and death of the great American cities) had later zelfs grote impact op de Amerikaanse stedebouw. Haar betoog was helder: je moet niet streven naar functiescheiding, maar naar functiemenging, want functiemenging geeft geborgenheid en veiligheid. Wie bedrijven, winkels, scholen en andere voorzieningen toevoegt aan een buurt, vergroot de levendigheid. En als er voldoende mensen op straat lopen, is er geen ruimte meer voor criminaliteit. Hoe plausibel die stelling misschien ook mag luiden, empirisch bewijs leverde Jacobs niet. Dat empirisch bewijs was ook moeilijk te leveren, aangezien bekend is dat criminaliteit juist het hoogst is in gebieden waar veel mensen zijn. Vanwege die andere simpele reden: gelegenheid maakt de dief.

Hoe aardig is dan ook het boek van Talja Blokland uit 2009: Oog voor elkaar, veiligheidsbeleving en sociale controle in de stad. In tegenstelling tot Jane Jacobs bewijst Talja Blokland wel dat functiemenging tot veiligheid leidt, maar ze toont ook aan dat de relatie tussen beide een stuk complexer is dan door Jacobs werd verondersteld. Haar betoog is opgebouwd uit drie stappen.

De eerste stap: Jacobs veronderstelt dat de veiligheid groter is naarmate er meer mensen op straat lopen. En functiemenging leidt tot meer mensen. Dus functiemenging leidt tot veiligheid. Nee, zegt Blokland: functiemenging leidt wel tot meer mensen op straat, maar dat op zich vergroot de veiligheid niet. Want waarom zouden al die mensen op elkaar letten. In de woorden van Blokland: “Ogen op straat, is nog geen oog voor elkaar”.

De tweede stap: er wordt vaak verondersteld dat als mensen elkaar beter kennen, ze elkaar meer vertrouwen en zich daardoor veiliger voelen. Door functiemenging ontmoeten mensen elkaar en leren ze elkaar kennen. Functiemenging leidt dus tot een groter gevoel van veiligheid. Nee, zegt Blokland: als je mensen beter leert kennen, weet je ook welke mensen je niet kan vertrouwen. Sommige mensen zijn nu eenmaal niet te vertrouwen.

De derde stap: toch neemt het gevoel van veiligheid in een buurt toe als je de andere mensen uit de buurt beter kent. Want niet het vertrouwen in de medemens bepaalt het gevoel van veiligheid, maar juist de wetenschap of je iemand wel of niet kan vertrouwen! Het gevoel van onveiligheid komt vooral voort uit het niet weten wie je kan vertrouwen. Sociologen spreken in dit verband over mistrust.

Deze redenering brengt gemeentebesturen een stap verder. Ze weten voortaan dat functiemenging op zich niet voldoende is om de veiligheid in een wijk te vergroten. Je moet er ook voor zorgen dat mensen elkaar zien. Daarom: zorg voor veel differentiatie in winkels, zodat de kans op ontmoeten veel groter wordt. Zorg voor een breed gebruik van scholen. Zorg er ook voor dat er een plek is voor de rafelrand van de samenleving, zonder dat die plekken geheel door de rafelrand worden bezet (dan weet je wie je niet kan vertrouwen). Juist doordat mensen elkaar zien leren ze wie ze kunnen vertrouwen en wie ze niet kunnen vertrouwen. En die zekerheid draagt bij aan het gevoel van veiligheid.

En Blokland voegt er meteen een waarschuwing aan toe. Dat gevoel van veiligheid ontwikkel je pas na een langdurig dagelijks contact met de bewoners uit je buurt. De overheid wil nog wel eens denken dat het allemaal geregeld is met een projectje hier en een projectje daar. Nou, dat is dus niet het geval. Om het gevoel van veiligheid in steden en buurten te versterken, heb je echt een structurele aanpak nodig.