Congres Kennis & Beleid 2.0 in Zoetermeer

maart 12, 2013 by  
Filed under Geen categorie

Op 27 maart 2013 vindt het Congres Kennis & Beleid 2.0 plaats in Zoetermeer. Het congres wordt georganiseerd door Science Alliance en gaat over het leggen van verbindingen. Verbindingen tussen beleidsonderzoekers en beleidsadviseurs, strategen en kennismanagers binnen de overheid, toezichthouders en evaluatoren, en tussen kennisinstellingen op nationaal, regionaal en lokaal niveau. Ook zal worden gesproken over de invloed van nieuwe media op de relatie tussen kennis en beleid, evenals over nieuwe technieken van beleidsonderzoek.

Sprekers zijn onder anderen: Annet Bertram, Gosse van der Veen, André Knottnerus, Peter van Hoesel, Krijn van Beek, Karen Ephraim, Huub Dijstelbloem, Dick Hanemaayer, Jan Stamen, Pierre Koning en Roel in ’t Veld. Tijd: (9:30 – 17:15). Aanmelden: http://www.regonline.co.uk/builder/site/Default.aspx?EventID=1190265

Kennisagenda’s als innovatie

februari 18, 2013 by  
Filed under Geen categorie

Er worden kansen gemist. Kennis en beleid staan soms te ver van elkaar. Niet altijd krijgt beleid de onderbouwing die mogelijk en wenselijk is. In andere gevallen is onvoldoende bekend over de effecten van beleid. Of over maatschappelijke veranderingen die ons te wachten staan. Dat gaat ten koste van de kwaliteit van het beleid. Nee, onderzoek schrijft niet voor wat je moet doen. En de politiek blijft de plek waar uiteindelijk de afwegingen moeten worden gemaakt. Maar het is goed als die afwegingen worden gemaakt op basis van een goed inzicht in de problemen waarover we het hebben.

De rijksoverheid heeft een keur aan voortreffelijke kennisinstellingen in zijn omgeving. Bovendien werken verschillende instellingen expliciet voor de rijksoverheid. En toch dringt al de kennis die daar voorhanden is en wordt ontwikkeld, onvoldoende door binnen de departementen. Dit geldt met name voor strategische kennis: kennis die van dienst is bij de ontwikkeling van nieuw beleid. Het CPB is een positieve uitzondering, hoewel ook daar tal van rapporten het licht zien die de departementen nauwelijks bereiken. De Meerjarige Economische Verkenning, het Centraal Economisch Plan en de Maatschappelijke kosten- en batenanalyses zijn de parapaarden van het CPB die een evidente rol spelen in het overheidsbeleid. Maar waar zijn dergelijke voorbeelden van de andere kennisinstellingen van de Rijksoverheid?

Het is dan ook positief dat departementen de laatste jaren steeds meer werk zijn gaan maken van hun ‘kennisagenda’s’. Hierin formuleren ze hun kennisbehoefte. Welke kennisvragen gaan achter onze beleidsvragen schuil? Wat moeten we weten voordat we besluiten kunnen nemen? Natuurlijk is het opstellen van kennisagenda’s geen doel op zich. Uiteindelijk moet de kennisagenda één-op-één worden doorvertaald in de werkprogramma’s van de omringende kennisinstellingen. Zo komen de vragen waarmee de departementen worstelen, centraal te staan in het onderzoek van de kennisinstellingen.

De gedachte is simpel en goed. Maar de praktijk is nog weerbarstig. Te vaak nog is het opstellen van de kennisagenda een jaarlijkse, in plaats van een permanente activiteit. Op zich is dat al een vreemde gedachte. Waarom zou je maar eenmaal per jaar je kennisbehoefte formuleren? Verandert die behoefte niet naar gelang de politieke en maatschappelijke situatie verandert? Of simpel omdat nieuw onderzoek in de kennisvraag heeft voorzien? Maar er gaat ook een verkeerd beeld uit van zo’n jaarlijks feestje: alsof kennisvragen niet juist bij uitstek moeten aansluiten bij het dagelijkse werk. Het gevolg is dat veel kennisagenda’s overspoeld lijken te worden door nice-to-know-vragen: allemaal heel interessante vragen, maar niet meteen noodzakelijk voor het beleid. Bij dat soort vragen blijft ook onduidelijk hoe het advies aan de Minister zal luiden als het onderzoek over een half jaar is afgerond. In zo’n situatie moet je niet vreemd opkijken als de conclusies van het onderzoek straks in de bureaula zullen verdwijnen. Ook vragen naar de verre toekomst zijn een veilige manier om de echte need-to-know-vragen te omzeilen.

Los daarvan hebben veel beleidsambtenaren moeite met het formuleren van goede kennisvragen. Om de simpele reden dat ‘onderzoek’ niet hun vak is (onderzoekers kunnen hier heel behulpzaam zijn). Maar ook omdat het stellen van ‘beleidsvragen’ (wat moet ik doen?) in hun genen zit en het moeite kost om scherp te krijgen wat je moet weten om beter onderbouwd op die beleidsvraag een antwoord te kunnen geven.

De praktijk is weerbarstig, maar er worden wel grote stappen gezet. Kennisagenda’s worden steeds vaker als een ‘levend’ document gezien waarin de actuele kennisbehoefte van het departement wordt vastgelegd. Kennisagenda’s beginnen ook steeds meer een normaal onderdeel te worden van het dagelijkse werk op het departement. We zijn dan nu ook toe aan de volgende stap: het rechtstreeks doorvertalen van de kennisagenda’s van de departementen in de werkprogramma’s van de kennisinstellingen die de rijksoverheid ten dienste staan. Natuurlijk, het zou een grote verarming betekenen als de kennisinstellingen alleen de vragen beantwoorden die beleidsambtenaren hen stellen. Dat kan niet de bedoeling zijn. Maar waarom zou niet een belangrijk deel van de werkprogramma’s van de kennisinstellingen bestaan uit de kennisvragen die de departementen hebben geformuleerd? Die kans moeten we niet willen missen.

Prof dr Wim Derksen
Academic director Stedenacademie PBLQ-ROI
Zie ook: Wim Derksen met Karen Ephraim, Kennis en beleid verbinden; praktijkboek voor beleidsmakers, Den Haag, 2011.

Opgenomen in de PBLQ-bundel ‘Trends, de publieke sector innoveert, die verscheen in januari 2013 (pp. 52-55)

Agora: Planoloog, blijf bij je kennisvraag

november 8, 2012 by  
Filed under artikel

Verschenen in: Agora
Geschreven door: Wim Derksen

Sinds een paar jaar verzorg ik met Karen Ephraim in Den Haag masterclasses op het grensvlak van kennis en beleid. Zo leren we beleidsmakers hoe ze om moeten gaan met kennisinstellingen; en bijvoorbeeld onderzoekers van planbureaus hoe ze om moeten gaan met de wereld van het beleid. Het is boeiend om te zien dat beide groepen problemen hebben met het onderscheid tussen een beleidsvraag (wat moet ik doen?) en een kennisvraag (hoe zit de wereld in elkaar?). Beleidsmakers hebben de neiging om een beleidsvraag te formuleren als ze nieuwe kennis willen vergaren. Zo staan kennisagenda’s van departementen soms eerder in het teken ‘van wat moet ik doen?’ dan in het teken ‘van wat moet ik weten?’. Zoals we allemaal weten kan onderzoek nooit een antwoord geven op de vraag ‘wat moet ik doen?’. Op die vraag hoort de politiek zelf een antwoord te verschaffen.

Onderzoekers maken vaak de omgekeerde fout: ze verschaffen niet alleen kennis, maar willen de beleidsmakers ook heel graag vertellen wat hij zou moeten doen. Veel onderzoekers lijken zich niet bewust van het feit dat ze daarmee alleen hun eigen mening presenteren. Ze hebben zich zo lang in hun onderwerp verdiept dat ze zijn gaan geloven dat ook beleidsmatig maar één antwoord denkbaar is. Conclusie: beleidsmakers hebben moeite een zuivere kennisvraag te stellen en onderzoekers hebben moeite om een kennisvraag zuiver te beantwoorden.

Hoe ligt dat eigenlijk bij de planologie? Laat ik meteen zeggen dat ik me bij planologen wat ongemakkelijk voel, juist omdat zij soms zo goed weten wat de overheid moet doen. Ooit volgde ik in mijn studie het keuzevak ‘planologie’. Hoe boeiend ook, er is me vooral bijgebleven dat we moesten beargumenteren waarom een gemeentelijke herindeling rondom Delfzijl wel of niet wenselijk was. Pas veel later besefte ik dat je de bestuurskracht van gemeenten goed kan onderzoeken, maar dat onderzoek nooit kan bewijzen of je gemeenten wel of niet moet samenvoegen.

Toen ik directeur werd van het Ruimtelijk Planbureau, werd ik weer geconfronteerd met de vraag wat voor vak ‘planologie’ moest zijn. Ik ging onder anderen bij Andreas Faludi te rade. En ontdekte dat de planologie drie verschijningsvormen heeft. Faludi hoort bij de eerste: de wetenschappelijke studie van het ordenen van de ruimte. Faludi maakte zelf veel studie van planning en van ruimtelijke planning. Zijn leerling Wil Zonneveld, met zijn prachtige studies naar ‘concepten’ in de ruimtelijke ordening, behoort ook tot deze school. Hij bestudeert hoe anderen de ruimte ordenen, zonder zijn eigen mening aan hen op te dringen.

De tweede verschijningsvorm zou ik willen betitelen als ‘toegepaste sociale geografie’. Het is de wetenschap die de woningbehoefte voorspelt: hoeveel woningen moeten wanneer waar worden gebouwd? Niet omdat de onderzoeker dat zelf wenselijk acht, maar omdat hij in staat is de toekomstige woningbehoefte in te schatten. In het Ruimtelijk Planbureau werd bewust het accent gelegd op deze vorm van planologie: het leveren van informatie waarmee besluiten in de ruimtelijke ordening beter kunnen worden onderbouwd. Het was niet aan ons om te zeggen welke keuze de minister uiteindelijk moest te maken. Het was ook niet aan ons om de minister in een bepaalde richting te sturen, laat staan een bepaalde beleidslijn op te dringen. Ik geef toe: dit werd door journalisten vaak maar moeizaam begrepen. Altijd maar weer werd de vraag gesteld: ‘Maar wat moet de minister nu doen?’. Nee, daarop heeft onderzoek nooit een antwoord.

In de derde verschijningsvorm van planologie is daarentegen het onderscheid tussen beleidsvraag en kennisvraag, tussen Sein und Sollen, geheel vervaagd. Hier staat de planoloog voor iemand die niet alleen veel weet van ruimtelijke processen, maar daarom ook denkt te weten welk beleid te prefereren valt. Het zijn de planologen die in het verleden voorstander waren van groeikernen, gebundelde deconcentratie en van het openhouden van het Groene Hart en die tegenwoordig een lans breken voor organische stedebouw. Hoe lofwaardig hun streven ook, en hoe goed hun mening wellicht ook is onderbouwd, deze planologen brengen hun vak niet verder. Wie suggereert dat kennis een antwoord geeft op de beleidsvraag (wat moet ik doen?), verwart wetenschap met privé-opvattingen. En wie dat bewust doet, vertroebelt alles wat we desalniettemin weten over de ruimte.