De nu al legendarische @HenkKamp

januari 10, 2017 by  
Filed under artikel

Ik weet het: slechts 1,5% van de Nederlanders noemt klimaat als grootste probleem van deze tijd. Slechts 14% van de Nederlanders is overtuigd van de noodzaak van een ander energiebeleid. En juist daarom zal Henk Kamp over enige tijd misschien wel als de belangrijkste minister van het kabinet Rutte-Asscher worden aangeduid. Henk Kamp? Die Henk Kamp, die niet meer zou terugkomen als minister. Ja, die Henk Kamp.

Henk Kamp zit al op zijn vierde ministerie. Hij deed VROM, Defensie, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en nu dan Economische Zaken. Hij was de informateur van het laatste kabinet. Daarna is het stil rondom Henk geworden. Zoals het altijd wat stil is rond het Ministerie van Economische Zaken. Daar gebeurt immers nooit wat. Daar kijken ze of de markt nog functioneert en verspelen ze vaak miljarden aan bedrijfstakken die het uiteindelijk toch niet redden. Het leek een goede plek voor Henk Kamp om zijn pensioen te halen. En omdat de media dat ook hadden bedacht, heeft niemand meer op Henk gelet. Toch heeft EZ onder leiding van Henk Kamp een metamorfose ondergaan.

Vroeger hield EZ  toezicht op de energiemarkt, omdat het een markt was. Maar tegenwoordig voert EZ energiebeleid omdat de uitkomsten van die markt op de lange termijn ongewenst zijn. Vanwege het klimaat. En dat is een enorme omslag, die we zeker niet meteen van een VVD-minister hadden verwacht. Maar ergens moet Henk Kamp in de afgelopen jaren het onvermijdelijke hebben ingezien: een drastische CO2-reductie is onvermijdelijk om de klimaatverandering te keren.

En zo sloot hij eerst met het bedrijfsleven en milieuorganisaties het Energieakkoord, waarin voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis afspraken worden gemaakt over het terugdringen van de CO2-uitstoot. Toen schreef hij een Energierapport, de eerste serieuze analyse van het energievraagstuk van regeringszijde. Ik geef graag toe: ik was aanvankelijk teleurgesteld over dat rapport. Het bleef bij een analyse. En verder werd alleen een Energiedialoog aangekondigd. Ik voorzag ellende. Het energiebeleid leek weg te zakken in eindeloos geklets. Maar toen was daar plotseling toch de Energieagenda van Henk Kamp, waarin helder werd aangegeven wat we allemaal gingen doen om de afspraak van Parijs na te komen.

Natuurlijk, ook die agenda is nog te weinig. Een CO2-arme energievoorziening in 2050 is niet ambitieus genoeg. We moeten op dat moment (al lang) volledig zijn overgestapt naar hernieuwbare energie. We zouden als rijk land meer moeten doen dan het volgen van het tijdpad van Parijs. We zouden op verschillende terreinen koploper moeten willen zijn, omdat we juist dan de economische vruchten van deze transitie zullen kunnen plukken. We zouden voorop moeten willen lopen met het invoeren van een CO2-belasting in plaats van te blijven beweren dat het ETS-systeem ‘in beginsel’ een goed middel is. Want een middel dat volstrekt niet functioneert, functioneert misschien wel zo slecht omdat het ‘in beginsel’ geen goed middel is.

Maar dat die agenda er is, krijgt te weinig aandacht. Willen we ons nog even voor de geest halen dat tijdens het vorige kabinet nog openlijk werd getwijfeld aan de klimaatverandering en aan de noodzaak van CO2-reductie? Dat het vorige kabinet werd gedoogd door een partij die alleen naar klimaatsceptici wenste te luisteren? En nu spreekt het kabinet uit dat het in 2050 (nagenoeg) afgelopen moet zijn met die fossiele energie.

Bovendien is de aanpak verrassend helder, gebaseerd op een drietal principes.

Ten eerste stelt de regering een helder einddoel: 80-95% CO2-reductie in 2050. Geen enthousiast gedoe over middelen (energiebesparing, elektrische auto’s etc.). Het maakt de regering niet uit hoe we het bereiken, als we dat ene doel maar bereiken. Dat geeft helderheid en ruimte voor alternatieve oplossingen.

Ten tweede wil de regering ruimte scheppen, stimuleren en met name innovatie bevorderen. En dat allemaal op een consistente wijze. De regering wil doorgaan met de SDE+-regeling. Juist het gebrek aan consistentie was een kenmerk van het Nederlandse beleid in het verleden.

Ten derde wordt er genormeerd en komen er verplichtingen. Gen vrijblijvendheid. Het is niet alleen duidelijk welk doel we willen bereiken, maar de regering zal niet nalaten ons in die richting te duwen. Zo wordt ook al ruimte gemaakt om woningen niet meer op het gasnet aan te sluiten.

Daarmee is een helder kader gegeven. Natuurlijk, ook ik denk op bijna elke pagina van de Energieagenda: dat had wel wat strenger gemogen. Je kan ook zeggen dat het bestaande gasnet over tien jaar niet meer wordt vernieuwd. Je kan ook CO2-belasting heffen. Je kan in het algemeen veel meer verplichtingen stellen, ook op de korte termijn. Maar Henk is nu eenmaal geen lid van GroenLinks en geen directeur van Urgenda.

Maar het doel wordt wel gesteld. En mocht dus over enige jaren blijken dat we te weinig voortgang maken, dan weten we precies aan welke knoppen we moeten draaien. En dat is de grote verdienste van Henk Kamp. Zijn opvolgers hoeven de knoppen alleen nog maar een beetje aan te draaien.

De mening van een wetenschapper is ook maar een mening

januari 3, 2017 by  
Filed under artikel

Wetenschap is niet ‘maar een mening’. Jose van Dijk en Wim Saarloos, respectievelijk president en vice-president van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, verwoorden het uitstekend in de NRC van 3 januari 2017. Ze verzetten zich terecht tegen de Trumpen en Wildersen van deze tijd, die feiten ondergeschikt maken aan hun eigen mening. Als ze niet te pas komen, worden ze door deze heren verdacht gemaakt en geridiculiseerd. Onder andere met het statement dat ‘wetenschap ook maar een mening is’. Dat past niet in een volwassen democratie, waarin beleid hoort te worden ontwikkeld op basis van feiten én overtuigingen. En waarin het debat op basis van feiten en overtuigingen moet worden gevoerd.

Maar Van Dijk en Saarloos vergeten één ding. Namelijk dat er ook veel wetenschappers zijn die een mening verkondigen alsof de feiten maar één antwoord toelaten. Of erger: alsof hun meningen de feiten zijn. Niet voor niets halen Van Dijk en Saarloos in hun fraaie tekst twee bekende voorbeelden aan: de vaccinatie en de klimaatverandering. Maar ze zijn wel zo slim om maar de helft van het verhaal te vertellen. Ze stellen dat het niet terecht is om de klimaatverandering af te doen als een mening. En ze stellen dat het niet terecht is om te suggereren dat vaccinatie kan leiden tot autisme. Daarin hebben ze helemaal gelijk. Maar de andere kant van het verhaal is dat wetenschappers publiekelijk pleiten voor een actief klimaatbeleid en dat wetenschappers publiekelijk, in de Gezondheidsraad en in de media, een bepaalde vaccinatie verdedigen. Alsof de feiten maar één conclusie toelaten.

Maar de feiten zeggen niet wat we moeten doen. Ook al leidt de klimaatverandering ertoe dat de wereld in 2050 vergaat (quod non), dan nog blijft het een normatief, politiek en dus buiten-wetenschappelijk standpunt dat we daar iets tegen moeten doen. Ook al is honderd keer bewezen dat vaccinatie niet tot autisme leidt, dan nog blijft het een normatief, politiek, buitenwetenschappelijk standpunt dat we wel moeten vaccineren. Of niet. Beter gezegd: het gaat hier niet om feiten maar om meningen. Van wetenschappers.

Ik licht dit graag toe. De KNAW heeft zich lange tijd afzijdig gehouden van het debat over de klimaatverandering. Tot het in 2011 blijkbaar genoeg was. De Academie bracht een rapport uit, bestaande uit drie delen. In het eerste deel werd aangegeven hoe wetenschap ‘werkt’, oftewel hoe de wetenschap tot waarheidsgetrouwe uitspraken komt. Helder en weinig verrassend. In het tweede deel werd ons uitgelegd dat de klimaatsceptici, gelet op de stand van de wetenschap, geen gelijk hadden. Helder en enigszins verrassend. Want waarom zou de KNAW moeten aangeven wie er gelijk heeft in de wetenschap? Dat doen we toch zelf in het wetenschappelijk ‘forum’, op onze congressen en in onze peer-reviewed tijdschriften? Maar het derde deel van het rapport was ronduit verbijsterend. Hierin stelde de KNAW dat de regering geen moment meer had te verliezen. De klimaatverandering moest zo snel mogelijk worden bestreden. Oké, ook dit normatieve standpunt is op zich een feit, maar geen feit dat in het wetenschappelijk forum op zijn waarheidsgehalte kan worden getoetst. Het is inderdaad gewoon een mening.

Wetenschap is niet ‘ook maar een mening’. Maar de mening van een wetenschapper is niet meer dan de mening van een ander. Als wetenschappers dat laatste vergeten, geven ze helaas zelf aanleiding voor het kwalijk afgeven op de wetenschap, wat in populistische kring zo gangbaar is. Daarmee ontneem ik wetenschappers geenszins het recht om zich in het publieke debat te mengen. Maar laten ze dat altijd doen uit het besef dat de feiten waarop ze zich baseren, ook andere politieke conclusies toelaten. Want feiten zeggen nooit wat we moeten doen. Daarvoor heb je ook een overtuiging nodig. En die overtuiging is per definitie buiten-wetenschappelijk.

 

Met verleiden worden we niet #energieneutraal

maart 9, 2016 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Bij toeval raakte ik de afgelopen maanden verzeild in de boeiende wereld van de gebouwde omgeving. Ik kreeg een belangrijke vraag mee: hoe krijgen we de gebouwde omgeving energieneutraal? Energieneutraal betekent: netto vraagt de woning geen energie. In de praktijk zal het gaan om een combinatie van het opwekken van duurzame energie en energiebesparing.

Als we de energieneutraliteit van de bouw bezien, valt een groot contrast op tussen de nieuwbouw en de bestaande bouw. Bij de nieuwbouw wordt grote vooruitgang geboekt. En er wordt hard gewerkt om de eisen van BENG (Europese richtlijn voor ‘bijna-energie-neutrale-gebouwen] voor het einde van 2020 te halen. De verwachtingen zijn dat dat gaat lukken.

In de bestaande gebouwde omgeving zijn de doelen veel minder scherp (2050) en is er van grote vooruitgang geen sprake. Deze relatieve stilstand is niet van de laatste jaren. Zoals één van mijn gesprekspartners zei: “Het is een sikkeneurig onderwerp.”

Mede om die reden heb ik in het beleidsatelier na de hoopvolle kennismaking eerst de vraag centraal gesteld: wat beweegt de eigenaar? Wil het beleid succesvol zijn dan zullen we om te beginnen zicht moeten hebben op de beweegredenen van de eigenaar van de gebouwde omgeving. De eigenaar-bewoner, de corporatiebestuurder en de investeerder in particuliere huur.

Het resultaat was niet verrassend, maar misschien toch ook wel weer onthullend. Voor de drie categorieën eigenaren geldt in feite hetzelfde: er zijn wel koplopers maar het ‘opschalen’ wil maar niet lukken. Er worden vorderingen geboekt bij mensen die het onderwerp belangrijk vinden, maar veel te weinig mensen vinden het onderwerp echt belangrijk. Voor de meeste mensen heeft energie onvoldoende prioriteit. Het is ook geen onderwerp waar veel mensen over spreken. Vergelijk dat bijvoorbeeld met Duitsland waar energie wel het onderwerp van gesprek is onder mensen.

De prioriteiten van de mensen

We weten dat ‘energie’ een onderdeel is van het klimaatdebat. Er zijn ongetwijfeld veel koplopers die daarom werk maken van energieneutraliteit. Maar ‘klimaat’ heeft voor de grote meerderheid van de huiseigenaren geen hoge prioriteit. Daarbij is het klimaatdebat een moeilijk debat. Ten eerste zijn er altijd nog de ontkenners, zij het dat hun geluid in kracht lijkt af te nemen. Ten tweede doen de echt schadelijke gevolgen van de klimaatverandering zich niet op dit moment voor, maar op de langere termijn. Ten derde zullen maatregelen die we nu nemen, pas op langere termijn een zichtbaar effect hebben. Ten vierde is het onderwerp voor veel mensen te groot. Je weet niet waar je moet beginnen. Heb je al voldoende gedaan als je zoveel hebt geïnvesteerd in een windmolenpark dat je zelf netto meer energie opwekt dan verbruikt?

Ook de omstandigheden prikkelen te weinig om grote stappen te maken. Hoewel evident is dat je op termijn kan verdienen aan het energiezuiniger maken van je woning of aan het opwekken van duurzame energie, toch zijn die voordelen voor de meesten te gering om ‘aan die rompslomp te beginnen’. Ik vat het niet in Haagse, maar in gewone-mensen taal samen. Dus: als men toch moet verbouwen, is er nog wel bereidheid om het verlagen van energierekening mee te nemen in de overwegingen, maar in alle andere gevallen wordt dat onderwerp graag uitgesteld.

En laten we eerlijk zijn. De voordelen van energieneutraliteit zijn ook niet erg opvallend voor de eigenaar. De financiële voordelen zijn aantoonbaar, maar pas over een aantal jaren. En dan nog zijn ze maar beperkt. De nadelen zijn misschien wel evidenter. Een hoop gedoe, problemen met de ventilatie en het lawaai van de warmtepompen laat zich maar moeilijk wegdrukken. Wie zich veel zorgen maakt over de klimaatverandering, neemt dit soort nadelen graag voor lief. Maar de meeste mensen maken zich niet veel zorgen over de klimaatverandering. Vergelijk het met de komst van het gas. In een paar jaar tijd ging heel Nederland over op aardgas. Op dat moment waren de voordelen in termen van comfort wel opvallend aanwezig. Ook de slaapkamers waren plotseling aangenaam warm en het vullen van de kolenkit was verleden tijd.

Bij de woningcorporaties speelt bovendien het probleem van de split incentive. De kosten van de investeringen liggen bij de corporaties, terwijl de baten terecht komen bij de bewoners. Dat vraagt om huurverhogingen die soms moeilijk te verkopen zijn. Bovendien staan de corporaties niet meteen te springen om de overheid hier ten dienste te zijn, na de huurdersheffing van € 1,7 miljard.

Misschien moet nog wel het meest te denken geven dat de eigenaren van de private huurwoningen zo weinig geneigd zijn om te investeren in energieneutraliteit. In deze wereld gaat het immers bij uitstek om geld en om rendement.

De prioriteiten van de politiek moeten anders

Het is overigens niet gepast om de huiseigenaren een verwijt te maken. Klimaat en energie mogen bij hen onvoldoende prioriteit hebben, er is alle reden om hetzelfde over ‘Den Haag’ te zeggen. Al heel lang worden over de energieneutraliteit van de gebouwde omgeving gesproken, maar nog nimmer zijn harde doelen gesteld en/of stevige beleidsinstrumenten ingezet. We vinden het onderwerp belangrijk, maar we doen te weinig om de noodzakelijke opschaling te bewerkstelligen. Vergelijk het eens met de stadsvernieuwing in de jaren 70 en 80 van de afgelopen eeuw. Hoeveel budgetten en hoeveel energie daaraan werden besteed.

Is het ook niet tekenend dat we geen minister van Energie hebben?

In feite staat het beleid vooral in het teken van ‘verleiden’ en van een niet altijd consistent subsidiebeleid. Het gevolg is dat er ook geen echte markt voor energieneutrale verbouw ontstaat. Dat laatste is toch al ingewikkeld omdat in Nederland de bouw vooral in het teken van de nieuwbouw staat. Daar komt nog bij dat we al lange tijd een cultuur hebben van gebrekkige oplevering van huizen. Daarbij zijn in de vorige eeuw (jaren 60) veel slechte woningen gebouwd. Het is niet zo vreemd dat in die cultuur energielabels en EPC’s op basis van de papieren werkelijkheid worden vastgesteld.

Al met al: het streven naar een energieneutrale gebouwde omgeving is vooral omgeven met een wereld van geloof en goede bedoelingen. In feite zegt de overheid: als we de burger maar duidelijk maken hoe belangrijk is, dan zal hij zijn huis heus wel energieneutraal maken. Het is toch zo belangrijk? De systeemwereld van het departement wordt hier te zeer bepaald door de leefwereld van de eigen ambtenaar. Maar de meerderheid van de bevolking is geen beleidsmedewerker op een departement.

Enerzijds is het daarmee een voorzichtig en bijna vriendelijk beleid. Anderzijds toont de overheid zich hier van een hautaine kant. Hij meent te weten welke prioriteiten burgers zouden moeten stellen. Het is de vraag of de tegenwoordige burger van dat soort gedachten gediend is. Ik kom daarmee toe aan een volgende conclusie. Er zijn voldoende middelen om te komen tot een energieneutrale gebouwde omgeving. Zelfs op afzienbare termijn. Maar de governance deugt niet.

Naar een andere governance

Het is een kwestie van politiek: of men wil inzetten op een energieneutra gebouwde omgeving op afzienbare termijn of men wil het niet. Over die keuze laat ik me hier niet uit. Maar als men voor het eerste kiest kan de overheid niet volstaan met achterover leunen. Er moet een doel worden gesteld (een stip op de horizon) en dat doel moet langs twee lijnen worden bereikt. Ten eerste niet door te verleiden, maar door te duwen. De eisen zullen langzaam moeten worden aangescherpt. En als die eisen niet worden gehaald, moeten er sancties komen. Ten tweede moeten experimenten ruimhartig worden aangemoedigd en moet tevens van die experimenten worden geleerd.

In dat licht is het goed om een vergelijking te maken met de nieuwbouw. Daar zijn doelen gesteld (en het doet niet terzake dat het ‘eindjaar’ een paar jaar naar achteren is verschoven). BENG geldt voor 31-12-2000. Zo weet iedereen waar hij op termijn aan toe is. Bovendien zijn de normen gaandeweg aangescherpt. Daarnaast wordt ruimschoots geëxperimenteerd (en bestaan er helaas wel klachten in het veld over de bereidheid van de overheid om van die experimenten te leren). Dus: stip op de horizon, experimenteren en leren en geleidelijk aanscherpen van de normen (duwen). In feite wordt iedereen daar op termijn tot energieneutraliteit verplicht.

In dat opzicht ligt de lat in de gebouwde omgeving hoger dan bij de nieuwbouw. Voor een nieuwbouwwoning kan een vergunning worden geweigerd. En zo kan de bouwer en de nieuwe eigenaar tot energieneutraliteit worden verplicht. Zo eenvoudig ligt het niet voor de bestaande bouw. Je kan de normen daar wel wettelijk verhogen, maar het is veel ingewikkelder om het aanscherpen van normen vervolgens ook te handhaven. Beter gezegd: voor de gebouwde omgeving zal je een andere methodiek moeten hanteren om te werken aan een sense of urgency. Je zal eigenare op een andere manier moeten duwen in de richting van energieneutraliteit.

Het zou goed zijn als in de lange termijnverkenning energie een uitvoeringsagenda zou worden opgenomen die deze nieuwe governance voor de gebouwde omgeving zou uitwerken. Voorlopig geef ik slechts enkele voorbeelden.

Voorbeeld: de gasnetten moeten in grote delen van Nederland in het komende decennium worden vervangen. Wie een sense of urgency wil creëren zou nu reeds kunnen aangeven dat de gasnetten niet meer worden vervangen. Het geeft twee voordelen: iedereen weet waar hij aan toe is en iedereen heeft volop tijd om zich op de nieuwe situatie voor te bereiden.

Voorbeeld: op voorwaarde dat de energielabels een juist beeld geven van het energiegebruik, kunnen ze worden gekoppeld aan onroerendzaakbelasting en overdrachtsbelasting. Het is bekend dat burgers erg gevoelig zijn voor verhogingen van de ozb.

Voorbeeld: het streefjaar van 2050 voor een energieneutrale gebouwde omgeving geeft geen gevoel van urgentie. Het is te ver weg: “het zal onze tijd wel duren”. Die stip op de horizon moet naar voren worden gehaald. Of op zijn minst moeten heldere tussendoelen worden geformuleerd.

Voorbeeld: als een streefjaar voor een energieneutrale gebouwde omgeving serieus wordt genomen, kan nu reeds worden aangegeven met welke stappen de energiebelasting de komende jaren zal worden verhoogd. Als iedereen weet dat de energie elk jaar 5% meer zal kosten, ontstaat een helder gevoel van urgentie. En natuurlijk is eenzelfde beleid mogelijk met een belasting op CO2.

Voorbeeld: er moeten veel meer fondsen komen om de overstap naar energieneutraliteit gunstiger en eenvoudiger te maken. Dat hoeft geen nieuwe ISV te worden, waarbij de overheid weer braaf bijdraagt. Het gaat mij wel om investeringsfondsen waarop eigenaren een tijdelijk beroep kunnen doen. De overheid zou wel garant moeten staan.

Voorbeeld: leg de energiebedrijven quota voor duurzame energie op, die op een transparante manier zullen stijgen in de komende decennia.

Over elk voorbeeld kan worden gediscussieerd. Dat beoog ik hier niet. Ik probeer alleen maar aan te geven hoe de governance eruit moet zien om een energieneutrale gebouwde omgeving in 2035 te bereiken. Duidelijk maken dat aan energieneutraliteit in de gebouwde omgeving niet valt te ontkomen, mede door tussentijds de normen steeds verder aan te scherpen en daar waar nodig is ondersteunen bij experimenteren en leren.

Tot slot

Ik realiseer mij terdege dat de vraag waarmee dit project begon een andere was. Die vraag had betrekking op de taakverdeling tussen Rijk, provincies en gemeenten. Maar die vraag ging voorbij aan de basisvraag waarom die energietransitie voor de gebouwde omgeving zo moeizaam op gang komt. Dat er wel veel koplopers zijn, maar dat de opschaling naar de massa nog steeds niet wil lukken.

Voor de koplopers heb je een ander beleid nodig dan voor de opschaling naar de massa. Hoe belangrijk gemeenten en provincies ook kunnen zijn voor experimenten, voor het vaststellen van de stip op de horizon en voor het duwen is voor de rijksoverheid aan zet. Daar moet de energietransitie van de gebouwde omgeving werkelijk beginnen. Het gaat hier immers om een groot nationaal thema. Het gaat hier over geopolitiek (Russisch gas), het gaat hier om klimaatbeleid en het gaat hier over de toekomst van Slochteren. De rijksoverheid kan het niet maken om al die problemen door te schuiven naar de gemeenten. De rijksoverheid is zelf aan zet.

Het aardige verhaal is dat die energietransitie technisch gezien moet kunnen slagen. Als het niet lukt, is de reden simpel: we willen het niet.

 

#KNMI heeft gelijk, maar had beter kunnen zwijgen

november 23, 2015 by  
Filed under artikel

Gisteren trad het KNMI naar buiten. Code Oranje voor het klimaat. Er moet snel iets gebeuren en in Parijs moeten grote besluiten worden genomen. Ik begeef me spoorslags naar de website van het KNMI (de site staat bij mij de hele dag open) en vind daar 10 klimaatfeiten op een rij. Nummer 9 is misschien wel het meest interessant:

9. Wat is de rol van het KNMI?

Het KNMI meet het weer en doet aan klimaatonderzoek. Het is betrokken bij Europees onderzoek en staat aan de lat van de verbetering van de oceaan- en stralingsmodules in klimaatmodellen. Het KNMI ontwikkelt klimaatscenario’s die worden gebruikt voor studies naar de effecten van klimaatverandering en adaptatie aan die verandering.

Er staat nergens dat het KNMI een politieke organisatie is. Er staat nergens dat het KNMI een belangrijke rol heeft in het maatschappelijke debat over klimaat. Er staat nergens: het KNMI waarschuwt voor de laatste keer. Misschien moeten ze dat intern even beter afstemmen als zo nadrukkelijk de media wordt gezocht.

Overigens zou ik ze ook aanraden om dit soort acties niet te herhalen. Om twee redenen. Het KNMI doet onderzoek en onderzoek toont niet aan wat je moet doen en al zeker niet wat ik moet doen.

Toch begrijp ik de grote zorgen van de klimaatwetenschappers en hun blijkbaar onbedwingbare behoefte om ons daarvan kond te doen, heel goed. Het klimaatbeleid moet drastisch worden bijgesteld. En zeker in Nederland, dat bij ongeveer iedereen achterop loopt. Vind ik, als burger van dit land. Maar moet het KNMI ook aan die (blijkbaar onbedwingbare) behoefte toegeven? Wat winnen ze ermee? Vandaag meldt de website van de Volkskrant: “Kritiek op KNMI na afgeven code Oranje voor klimaat”. Ik neem aan dat dat het tegendeel is van wat werd beoogd.

Die kritiek kan je nog voor lief nemen, als je weet dat je tegelijkertijd heel veel mensen van de noodzaak van een strenger klimaatbeleid hebt overtuigd. Maar dat laatste betwijfel ik nu juist. Ik vrees dat het KNMI vooral twee dingen heeft bereikt: de tegenstanders van een strenger klimaatbeleid hebben een kans voor open doel om het debat te verplaatsen naar de rol van het KNMI én de wetenschappelijke status van het KNMI is er niet beter op geworden. Kan een instituut dat ons voor de laatste keer waarschuwt, ooit nog de nuances van de klimaatverandering in beeld brengen?

Ja er is een groot verschil tussen inhoudelijke rationaliteit en politieke rationaliteit. De actie van gisteren toonde vooral aan dat het KNMI begenadigd is met een overdosis van het eerste.