Mijn plek in de stad: heimwee naar Rotterdam

oktober 16, 2013 by  
Filed under De Stad

Mijn plek in de stad bestaat niet meer. En mijn stad is mijn stad niet meer. Laat ik met het laatste beginnen. Ik weet niet hoe het andere mensen vergaat die in hun leven al meerdere steden hebben bewoond, velen delen die ervaring, maar mijn huidige woonplaats is nooit ‘mijn stad’ geworden. Achtereenvolgens heb ik gewoond in Meppel, Groningen, Leiden, Rotterdam en Den Haag, maar Rotterdam springt er ver boven uit. Als ik er kom, kom ik thuis, in mijn stad. Daarmee is niets ten nadele van de andere steden gezegd. In Den Haag woon ik objectief gezien geweldig; dicht bij de duinen, dicht bij het station, dicht bij snelwegen, mooi huis, mooie tuin (gesloten bouwblok!). Maar mijn gevoel ligt nog steeds in Rotterdam. En de stad waar ik woon, is mijn stad dus niet meer.

Mensen die nimmer in Rotterdam hebben gewoond, kunnen zich mijn liefde voor Rotterdam soms maar moeilijk voorstellen. Zij menen dat Rotterdam een kale en kille stad is met weinig beschutting. Anderen weten dat Rotterdam een arme stad is met relatief veel werkloosheid. Maar ik ken de dynamiek van die stad. Ik weet hoe die stad 24 uur per dag leeft, en ik weet hoe rauw de Rotterdamse dynamiek kan zijn. Hoe onopgesmukt de cultuur en de kunst. Dat veel grote architectenbureaus  in Rotterdam zijn gevestigd. En ik ken de daadkracht van de stad. Hoe het bestuur en de bewoners van Rotterdam zonder te versagen proberen de stad te vernieuwen en de uitstraling van een werkelijk grote stad te geven. Dit uit zich in een eindeloze rij plannen, die ook bijna allemaal worden gerealiseerd. In de tijd dat ik in Rotterdam woonde, zijn de Boompjes ontwikkeld, met het Nedlloyd-gebouw van Quist; is het Weena ontwikkeld, met de kantoren van onder anderen Bonnema en Hoogstad; is het museumkwartier ontwikkeld, met het prachtige architectuurinstituut van Jo Coenen en de uitbreiding van het Boymans van Hubert-Jan Henket, is het Schouwburgplein door Quist, Van Velzen en Geuze omgetoverd en zijn de eerste plannen ontwikkeld voor de Kop van Zuid. Ik geef het toe: vaak vallen met name de economische resultaten tegen. De Boompjes zijn nooit een levende boulevard geworden ondanks het prachtige paviljoen van Mecanoo. Hetzelfde moet van het Weena worden gezegd, waar de dependance van het Boymans al snel weer werd gesloten. Op het Weena wordt niet geflaneerd, niet gewinkeld; er wordt alleen (snel) verplaatst. Ook de Kop van Zuid heeft nog niet de economische impuls gegeven aan Rotterdam die de stad zo node mist. De ‘Koopgoot’ vormt in dit verband een positieve uitzondering. Niet getreurd: Rotterdam zal nieuwe plannen blijven maken tot de stad niet meer ‘de verkeerde lijstjes aanvoert’, zoals oud-burgemeester Ivo Opstelten altijd zei.

En mijn plek in mijn stad bestaat niet meer. Mijn lievelingsplek in Rotterdam bevond zich op de oevers van de Maas. Op het hoekje van het oorlogsmonument, dat een aantal jaren in de zomer tot strand werd omgetoverd. Ook de Spido heeft daar een tijdje zijn afvaarten gehad. Wie hier in zuidwestelijke richting kijkt, ziet de prachtige brug van Van Berkel, in de volksmond: ‘de Zwaan’, afsteken tegen de lucht. Het blijft een indrukwekkend ontwerp, het is een fenomenaal logo voor de stad. Het getuigde van grote wijsheid van de gemeenteraad om indertijd een meerprijs van 30 miljoen gulden voor de brug te betalen om dit ontwerp mogelijk te maken. De twee zwarte ‘wachters’ van Wiel Arets hebben de brug in mijn beleving nog mooier gemaakt. Overigens schijnt dit, zelfs in Rotterdam, een afwijkend standpunt te zijn. Toch ontneemt de brug me het uitzicht dat ik vroeger op deze plek had. Zonder Erasmusbrug was het uitzicht vrij. En de overkant was veel verder weg. De Nieuwe Maas stroomde voor je voeten in de richting van de zee. En heel vaak vervloeiden lucht en water aan de horizon. In het ochtendlicht was het prachtig, maar ook in de herfst en in de winter als het een beetje mistig was. Of die keer, het zal in 1986 zijn geweest, toen de rivier eindeloze brokken ijs meevoerde. Het zachte geklots van de rivier aan je voeten maakte altijd deel uit van het uitzicht. En altijd was het licht weer anders. Hoe mooi die Erasmusbrug ook is, hij heeft mij dit uitzicht ontnomen. En dat niet alleen. De waarschuwing van publicist Herman Moscoviter is uitgekomen. De brug heeft de rivier klein gemaakt. Door de hoogte van de brug is de rivier gedegradeerd tot een klein stroompje. De overkant is akelig dichtbij, de mist lijkt voor eeuwig opgetrokken. Rivier en lucht vervloeien niet meer aan de einder. En de rivier stroomt niet meer naar de zee. De rivier stroomt voor goed onder een brug door.

De economie bepaalt de ontwikkeling van de stad

maart 11, 2013 by  
Filed under De Stad

Een historicus zal zich over een eeuw wellicht afvragen waarom Rotterdam rondom 2000 zoveel hoge kantoren heeft gebouwd in de binnenstad. In de jaren ’80 ging het om de Boompjes aan de Maas, in de jaren ’90 om het Weena bij CS en daarna om de Wilhelminapier op Kop van Zuid. De reden was simpel: Rotterdam zag de werkgelegenheid in de haven snel teruglopen en wilde nieuwe bedrijven aantrekken in de sfeer van de zakelijke dienstverlening. Op het eerste gezicht leek het beleid succesvol. Wie echter beter keek zag dat veel nieuwe kantoorgebouwen werden betrokken door bedrijven die al lang in Rotterdam gevestigd waren. Of nog erger: door de gemeentelijke overheid. Zo betrekt binnenkort het Gemeentelijk Ontwikkelingsbedrijf de nieuwste toren op de Wilhelminapier.

De nieuwbouw leidde dus nauwelijks tot het aantrekken van nieuwe bedrijven, maar vooral tot het verplaatsen van bestaande bedrijvigheid. Je zou kunnen zeggen dat de gemeente beter een ander beleid had kunnen voeren. Maar dat zou niet terecht zijn, omdat we pas achteraf kunnen vaststellen dat de economische structuur veranderingen heeft ondergaan en daarmee ook het vestigingsgedrag van bedrijven.

In dat verband is het boek van Gerard Marlet, De aantrekkelijke stad, heel leerzaam. Hij laat daarin zien hoe het vestigingsbeleid van bedrijven door de jaren heen is veranderd. Bedrijven vestigden zich ‘vroeger’, in de negentiende eeuw, bij voorkeur in de nabijheid van havens, rivieren of kolenmijnen. Daar waren hun grondstoffen te vinden, of eenvoudig aan te voeren. En als bedrijven eenmaal een plek hadden gevonden, kwamen de arbeiders vanzelf. Zoals geografen en ruimtelijk economen zeggen: wonen volgde werken. Zo werd het Ruhrgebied belangrijk, zo kon Rotterdam in enkele decennia uitgroeien tot een grote stad. Zoiets laat zich niet zo maar wegpoetsen. Dus nog steeds zijn de gevolgen van de locatiekeuzes van bedrijven in de negentiende eeuw goed zichtbaar op de Nederlandse kaart.

Toch geeft deze oude ‘theorie’ allang geen verklaring meer voor het huidige succes van steden. Nieuwe theorieën zijn daarvoor nodig. Met name iemand als Paul Krugman heeft daaraan fors bijgedragen. Omdat de betekenis van (transport van) grondstoffen sterk afnam, werden andere overwegingen steeds belangrijker voor de locatiekeuze van bedrijven. Voortaan ging het vooral om de nabijheid van bevolkingsconcentraties. Bevolkingsconcentraties hebben veel te bieden voor bedrijven. Er zijn veel toeleveranciers gevestigd. Er wonen veel werknemers. En omdat al die werknemers bij elkaar wonen, leren ze van elkaar en worden ze daardoor productiever (zoals we eerder zagen). En niet te vergeten: in bevolkingsconcentraties wonen veel klanten. En hoe dichter bij de afzetmarkt, hoe sneller en goedkoper kan worden geleverd. Dit alles verklaart waarom steden in de Randstad in vergelijking met andere steden zo’n sterke positie hebben.

De theorie verklaart ook waarom groeiende steden steeds maar sterker kunnen worden. De nieuwe bedrijven trekken nieuwe werknemers, waardoor de lokale afzetmarkt en arbeidsmarkt nog aantrekkelijker worden voor bedrijven. Juist daarom voert het gemeentebestuur van Heerlen een ongelijke strijd tegen de Randstad. Overigens treden na verloop van tijd ook schaalnadelen op van bevolkingsconcentraties. De grondprijzen en de kantoorprijzen worden soms te hoog en de files gaan de bereikbaarheid verstoren. Het verklaart waarom de Randstad wat aan kracht heeft verloren in de laatste decennia, ten gunste van de schil erom heen. Hoe goed de theorie van Krugman en de zijnen ook is, zij verklaart niet waarom Amsterdam en Utrecht het de laatste jaren zoveel beter doen dan Den Haag en met name Rotterdam.

Om deze verschillen te verklaren verwijst Marlet naar een nieuwe theorie, die niet start bij de voorkeuren van bedrijven, maar bij de voorkeuren van mensen. Omdat sommige steden veel aantrekkelijker zijn om te wonen, trekken zij met name meer hoogopgeleiden aan. En hoogopgeleiden zijn productiever, geven meer geld uit en starten vaker een eigen bedrijf. Zo vestigen bedrijven, op zoek naar goede werknemers, zich tegenwoordig graag in steden die aantrekkelijk zijn voor mensen. In jargon: ‘werken volgt wonen’. Uit het onderzoek van Marlet blijkt dat Amsterdam, Utrecht en Haarlem voor burgers tot de vijf aantrekkelijkste steden van het land behoren. Daarmee verklaart hij waarom de Noordvleugel van de Randstad het zoveel beter doet dan de Zuidvleugel.

Maar hoe zit het dan met twee heel aantrekkelijke woonsteden als Groningen en Maastricht? Hoe goed die het ook doen, het valt niet te ontkennen, dat ze het beter zouden doen als ze in de Randstad zouden hebben gelegen. Heeft Krugman dan nog steeds een beetje gelijk? Inderdaad, beide theorieën zijn op dit moment waar. Daarom telt Rotterdam nog steeds heel veel arbeidsplaatsen. En daarom komen die nieuwe bedrijven niet naar Rotterdam, alleen omdat de gemeente nieuwe kantoorgebouwen neerzet. Rotterdam zou er beter aan doen om ervoor te zorgen dat een groter deel van de vele afgestudeerden van de Erasmus Universiteit in de stad blijft wonen. Dan komen de bedrijven vanzelf. En als ze komen (vanwege die hoogopgeleide inwoners van de stad), heb je nog genoeg tijd om kantoorruimte vrij te maken.