Het gaat goed met het lokaal bestuur

september 2, 2016 by  
Filed under De Stad

Dames en heren,

Laat ik beginnen met te vertellen waarom ik hier voor u sta, op dit afscheid van Roland van Schelven als burgemeester van Culemborg. Het was in Gouda. Een jaar of zeventien geleden. Er waren vaak problemen met allochtone jongeren. Vooral in het weekend. Er was een duidelijke aanleiding. De allochtone jongeren waren niet welkom in de plaatselijke disco’s. Het was duidelijk dat er een eigen plek voor hen moest worden gevonden in de binnenstad van Gouda. Een eigen ontmoetingscentrum. De meeste burgers waren het daar wel mee eens. Maar niet met de plek die het gemeentebestuur voor dit opvangcentrum in gedachten had. Er vormde zich een groep actieve burgers die zeer succesvol was in het dwarsbomen van de gemeentelijke plannen. Roland was één van die burgers. Er ontstond een patstelling en er werd een bemiddelaar gezocht om tot een oplossing te komen. Die bemiddelaar, dat was ik. Na veel geharrewar kwamen de partijen er samen uit. Ik had voorgesteld dat de burgers zelf zouden mogen bepalen waar dat opvangcentrum zou moeten komen. Als ik het wel heb, kozen ze na lang beraad voor de plek die de gemeente eerder had aangewezen. Het enige verschil: nu was iedereen tevreden.

Toch zijn de consequenties van dat conflict verstrekkend geweest. Roland van Schelven werd raadslid en wethouder in Gouda en werd burgemeester in Culemborg. Vandaag vertrekt hij als burgemeester. En heeft hij mij gevraagd te reageren op zijn afscheidsspeech. Ik heb zijn speech al eerder mogen lezen om me goed voor te kunnen bereiden. Ik heb zelfs vooraf commentaar gegeven. Dat heeft overigens niet geholpen. Ik vind zijn verhaal namelijk te somber. Hij beschrijft tal van ontwikkelingen in de gemeenten, en de teneur is te vaak dat het daarmee niet beter is geworden. Hij staat in dat denken overigens helemaal niet alleen. De VNG brengt eens in de twee jaar een rapport uit waarin wordt gepleit voor vernieuwing van het lokaal bestuur.

Dit voorjaar nog zag een rapport van de Commissie Van den Donk, in het dagelijks leven Commissaris van de Koning in Brabant, het licht. Een echt treurig rapport. Met veel wolligheid werd verteld dat het niet goed ging met het lokaal bestuur. Er moest heel veel veranderen. Wat er moest veranderen was ook weer niet helemaal duidelijk. Het dualisme tussen raad en College moest worden geëvalueerd! En de burgemeester moest voor stabiliteit zorgen en daarom was er weinig mis met de huidige benoemingsprocedure, waarbij de gemeenteraad de burgemeester aanwijst en de Kroon hem nog even netjes benoemt. Bij dat soort ‘fundamentele’ adviezen, begin je je inderdaad af te vragen hoeveel er eigenlijk mis is aan het lokaal bestuur. Ja, ik denk dat mijn verhaal een blij verhaal wordt.

Veel rapporten over de gemeenten klagen over het naar-binnen-gerichte karakter van de lokale politiek. Maar het leuke is dat die rapporten nog veel meer naar binnen zijn gericht dan het gemiddelde raadslid. Altijd een commissaris van de koning, een paar wethouders, iemand van de VNG en de verplichte hoogleraar. Die met bedrukte gezichten tegen elkaar zeggen dat het vertrouwen in de politiek zo snel afneemt. Ze bedoelen te zeggen: dat het vertrouwen in hunzelf zo snel afneemt. Nou is zelfs dat laatste niet helemaal waar. Het vertrouwen in de politiek is nooit hoog geweest. Het spreken over zakkenvullers is van alle tijden. Misschien wordt het tegenwoordig wat harder gezegd en wat sneller verspreid door sociale media. Maar wat is er mis aan als alle meningen in het politieke debat hun plek krijgen? Ik heb liever dat we weten hoe burgers erover denken, dan dat we doen alsof iedereen verliefd is op de lokale politiek. Ook in dat licht kunnen we het populisme bekijken.

Maar hoe slecht gaat het nu werkelijk met het lokaal bestuur? We weten dat veel burgers tevreden tot zeer tevreden zijn over de dienstverlening door hun gemeente. Persoonlijk ben ik ook best tevreden over mijn gemeente Den Haag. De dienstverlening is aardig op orde. De binnenstad is ongelofelijk opgeknapt in de laatste twintig jaar. De bereikbaarheid van de stad is sterk toegenomen met de Hubertustunnel. En ga zo maar door. Oké, soms doen ze in mijn ogen iets raars, dan willen ze een Cultuurpaleis bouwen, terwijl ze op hetzelfde moment 6 van de 18 bibliotheken gaan sluiten. Maar dat zegt niets over de kwaliteit van de lokale politiek of over de kwaliteit van het gemeentebestuur. Dat zegt alleen iets over de besluiten die de gemeente naar mijn mening zou moeten nemen. Of niet zou moeten nemen. Helaas voor mij heeft de meerderheid anders beslist.

Volgens mij hebben we daar een belangrijk element van de onvrede over de lokale politiek te pakken. Ik vraag me vaak af: geldt die onvrede nu de beslissingen die men neemt, of de wijze waarop beslissingen worden genomen? In een volwassen democratie worden beslissingen genomen, die niet ieders voorkeur hebben. Bovendien: in een volwassen democratie worden vaak vage beslissingen genomen, worden compromissen gesloten, omdat er geen duidelijke meerderheden zijn. In dat opzicht is elke politiek proces bijna onvermijdelijk rafelig en rommelig.

Roland van Schelven maakt zich met vele anderen zorgen over de dalende trend bij de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen. Dat wordt algemeen gezien als een signaal van afnemende belangstelling voor en betrokkenheid bij de lokale politiek. Maar is dat nu echt wel zo? Ik durf de vraag eens heel voorzichtig te stellen: zou er soms ook sprake kunnen zijn van toenemende tevredenheid? Als er geen reden is om je ergens druk over te maken, ben je ook minder geneigd om te gaan stemmen. Ik weet het, betrokkenheid van burgers is belangrijk in de democratie. Maar we moeten ook niet meteen alles gaan veranderen als mensen de Champions League belangrijker vinden dan de lokale politiek. Misschien hebben ze daarin nog wel gelijk ook.

Er zijn overigens ook drie belangrijke redenen waarom de lokale politiek de meeste burgers niet dagelijks bezighoudt.

Ten eerste hebben we in Nederland een hele bijzondere vorm van lokaal bestuur. U komt waarschijnlijk wel eens in Frankrijk, en dan ziet u midden in het dorp de Marie, het gemeentehuis. Een pand met enige statuur, maar altijd heel klein. En bovendien is er vaak ook nog eens de bibliotheek of de dokter in gehuisvest. Frankrijk heeft 36.000 gemeenten, en dat aantal verandert al jaren niet. De reden is heel simpel: gemeenten gaan in Frankrijk alleen maar over lokale kwesties. Ik zeg maar: over de vraag of die boom nu wel of niet moet worden gekapt. Ik weet het: in Nederland houden gemeenten zich ook met dit soort kwesties bezig die lokaal soms zeer hoog kunnen opspelen. Maar 90% van het werk van een gemeente, of misschien nog wel meer, is gewoon het netjes en efficiënt uitvoeren van het beleid van de regering. In Frankrijk hebben ze daar in het verleden allemaal departementen voor in het leven geroepen. In Nederland zijn we zuinig en hebben we minder grandeur, en hebben we ooit gezegd: die gemeenten kunnen dat beleid van het rijk best zelf uitvoeren.

De gevolgen zijn tweeërlei: we hebben in vergelijking met Frankrijk en vele andere landen, hele aanwezige gemeenten, met veel geld en veel ambtenaren. Maar we hebben ook hele onduidelijke gemeenten. Want er valt wel veel te doen, maar niet zoveel te kiezen. In Frankrijk hebben ze niks te doen, maar wel veel te kiezen, als ze een keer iets te doen hebben. De Nederlandse gemeenteraden ervaren dit aan de lijve. Een gemeenteraad is er vooral voor om het college te controleren bij de uitvoering van het rijksbeleid. En maar heel soms voor het grote politieke debat over de toekomst van de eigen stad, het eigen dorp, of de eigen boom. Dan is het niet zo vreemd dat je veel in het gemeentehuis zit als raadslid, en dan is het niet zo vreemd dat veel burgers de weg naar de lokale stembus niet weten te vinden. En het is zelfs helemaal niet zo gek dat burgers zich bij hun lokale stem vaak laten leiden door hun mening over landelijke partijen in Den Haag. Daar komt immers het beleid vandaan dat gemeenten moeten uitvoeren.

Ik noem een tweede reden waarom de lokale politiek de burger niet meteen bezighoudt. Dat is de ingewikkelde verhouding tussen gemeenteraad en college van B&W. Vroeger was de raad het algemeen bestuur en het college het dagelijks bestuur. In die tijd moest de samenstelling van het college bij voorkeur ook een afspiegeling zijn van de verhoudingen in de raad. Zo bepaalde je stem bij de gemeenteraadsverkiezingen niet alleen de verhoudingen in de raad maar ook in het college. In de jaren 60 en 70 zijn we afgestapt van de afspiegelingscolleges. Er ontstond een beetje een chaos. En toen kwam de dualisering, en toen werd de chaos nog groter, omdat niemand eigenlijk wist wat we daaronder moesten verstaan. In de kern betekent dualisme dat je twee organen hebt met hun eigen kiezerslegitimatie. Denk aan de Franse president, die rechtstreeks gekozen is en die zijn eigen kabinet formeert. President en kabinet staan tegenover een parlement dat ook rechtstreeks is gekozen. Zodat een meerderheid niet zo maar zijn mening kan doordrukken. Zodat er altijd afweging van argumenten en belangen plaatsvindt. Het Nederlands dualisme in Den Haag is al ingewikkelder. Er is geen rechtstreeks gekozen president in Den Haag die steun voor zijn plannen moet krijgen van de Tweede en Eerste Kamer. En in de gemeente ligt het nog ingewikkelder omdat de burgemeester wat onduidelijk tussen raad en college door scharrelt.

Dualisme had in de gemeenten alleen kans van slagen gehad als we de burgemeester ook rechtstreeks waren gaan kiezen en de burgemeester vervolgens, onder het toeziend oog van de gemeenteraad, zijn eigen college had kunnen samenstellen. Ja, als we iets niet goed hebben gedaan de laatste twintig jaar in het lokaal bestuur is het de dualisering geweest. We hebben de stoelen wat verschoven, we hebben een arme griffier in het leven geroepen en we hebben niets gedaan aan de onduidelijke rol van de gemeenteraad. De grootste winst van de dualisering is de klopjacht op wethouders die hun werk niet aankunnen. Ik weet, er moeten goede politieke redenen zijn om een wethouder naar huis te sturen. Maar het feit dat er tegenwoordig meer wethouders naar huis worden gestuurd dan 20, 30 jaar geleden, vind ik niet meteen een achteruitgang. Het kan ook een symptoom zijn van volwassenwording van de lokale politiek.

Dan kom ik bij mijn laatste reden waarom de aandacht van de burger voor de politiek van het gemeentehuis zal zijn afgenomen. Het is zonneklaar dat de gemeente veel taken naar de samenleving heeft overgeheveld. En het is zonneklaar dat de gemeente de uitvoering van veel taken vaker in handen legt van burgers. Zoals in Gouda, toen Roland met enkele maten mocht bepalen waar dat opvangcentrum voor allochtone jongeren moest komen. Wat fantastisch dat zij dat bepaalden, in plaats van een paar overjarige gemeenteambtenaren! Wat we toen in Gouda hebben gezien, is gemeengoed geworden in alle gemeenten. Burgers zijn binnen de grenzen van het algemeen belang gaan meebeslissen over lokale onderwerpen. Dat is ten koste gegaan van de positie van de gemeenteraad. Dat verklaart waarom de gemeenteraad tegenwoordig ook door burgers minder belangrijk wordt gevonden. Maar dat betekent niet dat de lokale democratie achteruit is gegaan. Het betekent dat de democratie ook op een andere manier vorm krijgt. Dat we de representatieve democratie van de gemeenteraad hebben uitgebreid met de vrijheid van burgers om over hun eigen publieke zaken te beslissen. Ik heb van Roland in Gouda geleerd hoe mooi dat is. En als hij nu sombert over de lokale democratie, past maar één vraag: waarom ben je eigenlijk burgemeester geworden? In Gouda had je als burger zeker zoveel invloed.
[Uitgesproken bij het afscheid van Roland van Schelven als burgemeester van Culemborg, 1 september  2016]

De PvdA en de gemeenteraadsverkiezingen

januari 4, 2014 by  
Filed under artikel, De Stad

Dat het mogelijk is om voor te beschouwen op de PvdA en de gemeenteraadsverkiezingen zegt veel over de Nederlandse gemeenten. In een volwassen lokale democratie zouden de wenselijkheid van lokale programma’s, de populariteit van lokale lijsttrekkers en niet te vergeten het functioneren van politieke partijen in Colleges van B&W en gemeenteraden bepalend zijn voor de uitslag. Zo niet in Nederland. Hier zal de populariteit van het kabinet, met name in de steden, de uitslag dicteren. Natuurlijk, er zijn ook in maart weer afwijkingen van de landelijke trend, maar die landelijke trend is in alle gemeenten het startpunt. En soms ook het eindpunt.

We kunnen de nationale overheersing van lokale verkiezingen wijten aan het gedrag van nationale politici, die zullen proberen in de voorafgaande weken het nieuws te domineren, en aan het beleid van de nationaal georganiseerde media, maar dat zou hen onrecht doen. Het is namelijk nogal logisch dat gemeenteraadsverkiezingen ook (of zelfs: vooral) een stemming zijn over het kabinetsbeleid, omdat de gemeente in zoveel opzichten het uitvoeringsloket is van rijksbeleid. En zeker op dit moment. Het kabinet heeft drie grote decentralisaties op de rol staan: participatiewet, jeugdzorg en AWBZ/Wmo. Dat je straks minder gemakkelijk een bijstandsuitkering krijgt is niet het beleid van die toevallige wethouder, maar simpel van Jetta Klijnsma. En dat er straks misschien te weinig geld is voor jeugdzorg en Wmo heeft niets met de gemeenten te maken maar alles met het beleid van Martin van Rhijn. Dus laten burgers alsjeblieft in het stemhokje straks juist denken aan deze twee staatssecretarissen. Het zij toegegeven: met hun beleid ben ik het volop eens.

Gelet op de populariteit van het kabinet en van de PvdA op dit moment zouden de gemeenteraadsverkiezingen wel eens op een deceptie voor de PvdA kunnen uitlopen. Maar laten we niet te snel denken dat opiniepeilingen een goede voorspeller zijn van verkiezingsuitslagen. Niet alleen moet er nog campagne worden gevoerd. Diederik Samsom heeft in november bij de ‘herindelingsverkiezingen’ in Friesland aangetoond dat hij nog steeds een uitstekende campaigner is. Maar volwassen burgers weten ook dat hun stem bij de verkiezingen echt telt. Juist daarom verandert er meestal nog zoveel in de opiniepeilingen in de laatste weken voor de verkiezingen. Omdat het dan pas serieus wordt. Waarmee niet gezegd is dat de PvdA het goed zal doen bij de raadsverkiezingen van 19 maart.

Laat ook volstrekt duidelijk zijn hoe belangrijk (goede) wethouders zijn. In grote en kleine gemeenten. Juist omdat de gemeente zo belangrijk is voor het welzijn van burgers, en nog steeds belangrijker wordt, is het van het grootste belang dat we goede bestuurders (wethouders) hebben en goede politici die hen controleren (raadsleden). Mijn punt is alleen dat 90% van het gemeentelijk beleid wordt bepaald op nationaal niveau. Bovendien is het debat over die resterende 10% steeds minder ideologisch, ook in de steden. In de jaren 70 was stadsvernieuwing nog een onderscheidend thema, in de jaren 90 wellicht de Melkertbanen. Maar elke stadsbestuurder weet tegenwoordig dat er weinig keuze meer is als het gaat om laaggeschoolde arbeid of hooggeschoolde arbeid, vrije sector-woningen of sociale woningbouw. Wie een stad wil vooruit helpen moet vooral ruimte bieden aan hoogopgeleiden en aan hogere inkomens. Dat zijn de mensen die de werkgelegenheid in hun kielzog meenemen. Wie een stad welvarender en minder werkloos wil maken, moet geen zinloze pogingen meer doen om kantoren te bouwen in de hoop dat de bedrijven dan wel komen, maar moet een goed cultureel klimaat creëren waarin hoogopgeleiden zich thuis voelen. Op dat punt onderscheiden de partijen zich dan ook niet meer van elkaar.

Ook bij de sociale dienst zijn de verschillen weggevallen. Vroeger hadden linkse partijen de neiging de bijstand als een basisinkomen te beschouwen en rechts had de neiging om iets over fraude te roepen. Tegenwoordig zijn alle partijen het erover eens dat werk altijd te prefereren valt boven werkloosheid. En zijn alle partijen het erover eens dat mensen moeten worden geholpen én geprikkeld om weer aan het werk te komen. Dat in alle gemeenten er zo over wordt gedacht, heeft overigens veel te maken met het rijksbeleid. Want voordat Jetta met haar participatiewet kwam, hebben Jacques Wallage en Ad Melkert ertoe bijgedragen dat gemeenten niet meer elke bijstandsuitkering bij het Rijk konden declareren, maar dat zij het voortaan moesten doen met een vast budget voor ‘werk en inkomen’. Juist die ingreep heeft ervoor gezorgd dat alle gemeenten veel strenger zijn geworden bij de sociale dienst. Rotterdam telde voor deze beleidswijziging 60.000 bijstandsgerechtigden, momenteel iets boven de 30.000.

Je zou kunnen zeggen dat het vervagen van dit soort politieke scheidslijnen vooral voor de PvdA problematisch is. De PvdA is de partij van de stadsvernieuwing en de corporaties (Jan van der Ploeg, Adri Duivesteijn). De PvdA is de partij die opkomt voor de werklozen. En juist op deze twee terreinen lijken de ideologische scheidslijnen te zijn weggevallen. Daar komt bij dat twee nieuwe thema’s in het laatste decennium hoger op de lokale politieke agenda’s staan: openbare orde en veiligheid en duurzaamheid. Ook in het veiligheidsbeleid zijn de ideologische verschillen (ME of preventie) veel minder scherp. Daarbij is het bovendien in het nadeel van de PvdA dat veiligheid vooral een thema is van andere partijen. Waarom zou je PvdA stemmen als die partij een surrogaat-rechts standpunt vertolkt? Bij duurzaamheid lijken de ideologische verschillen nog wat groter, maar het lijkt erop dat tegenwoordig erg veel gemeenten inzetten op CO2-neutraal en op groen in de stad en stadslandbouw etc., zonder dat daar een scherp ideologische debat aan vooraf is gegaan. Overigens heeft de PvdA zich op dit ‘linkse’ onderwerp nooit erg geprofileerd. Arbeid gaat voor milieu in onze partij.

Je ziet enerzijds dus dat gemeenten en rijk steeds meer met elkaar vervlochten raken, waardoor de lokale beleidsvrijheid meestal afneemt. Ja, ik ben voor decentralisatie omdat ik meen dat het beleid zo dicht mogelijk bij mensen moet worden uitgevoerd. Ja, ik geloof ik ook dat decentralisatie ertoe bijdraagt dat het beleid beter op de individuele noden van de mensen kan worden afgestemd. Nee, ik geloof niet dat deze drie decentralisaties die er nu aan komen, ertoe leiden dat gemeenten meer politieke afwegingen kunnen maken over bijstand, jeugdzorg en Wmo. En dat geldt al helemaal als er tegelijkertijd fors wordt gekort op het budget.

Anderzijds zie je dus dat waar er in de steden nog ruimte was voor politieke afwegingen, de ideologische scheidslijnen steeds meer vervagen. In de kleinere gemeenten waren die ideologische scheidslijnen altijd al grotendeels afwezig.

Het roept twee vragen op: waarom zijn die lokale (leefbaarheids)partijen dan zo sterk geworden in de grote gemeenten en waarom wordt het stemgedrag van mensen in kleinere gemeenten dan minder door landelijke overwegingen bepaald? Eerst iets over lokale partijen, daarna over het stemmen in de dorpen.

Gemakshalve onderken ik twee soorten lokale partijen: de populistische lokale partijen en de lokale partijen van de leefwereld. In de praktijk is die grens niet altijd even helder en zijn er ongetwijfeld ook nog veel andere lokale partijen. Maar voor het betoog is het voldoende om dit onderscheid te maken.

Er zijn lokale partijen die vooral leven van het chagrijn onder de mensen. Ze slaan niet zelden een populistische toon aan. Het gaat hier om de mensen die zich vooral miskend voelen. Het zijn vaak ook de verliezers van de globalisering. In Rotterdam zijn ze in het gat gesprongen dat VVD en CDA hebben laten vallen (dan wel niet wisten op te vullen) toen de PvdA haar meerderheidspositie(!) verloor. De PvdA mag de grootste vijand zijn van Leefbaar Rotterdam, maar Leefbaar heeft met name CDA en VVD in Rotterdam gemarginaliseerd. Overigens is ook die strijd tussen PvdA en Leefbaar voor een deel schijn. De verkiezingsprogramma’s van beide partijen verschilden vier jaar geleden nauwelijks van elkaar en dat zal nu niet anders zijn. Door Leefbaar worden andere stemmen gehoord, maar voor het gemeentebestuur zal het weinig uitmaken. In 2002 lag dat anders, toen de Rotterdamse PvdA na jaren comfortabel en succesvol besturen door de nieuwe tijden moest worden wakker geschud.

Daarnaast heb je de lokale partijen van de leefwereld. De vervlochten wereld van nationale en lokale overheid is de systeemwereld van het beleid. En het stadhuis van de systeemwereld heeft wel eens te weinig oog voor de kleine noden in de leefwereld van mensen. Veel lokale partijen zetten die kleine noden voorop. Ik hoor mijn oude moeder nog zeggen: “Waarom moet toch alles anders? Waarom moeten die bomen nu weer worden gekapt?” Soms is het nostalgie, soms is het gewoon de wens van veel mensen om mee te praten, mee te beslissen, in plaats van dat er voor hen wordt beslist. Die wens is vaak heel sympathiek, maar is niet zo relevant als een bijstandsuitkering moet worden verstrekt. Nee, die mevrouw moet toch vooral weer aan het werk worden geholpen. Ook vanuit de globalisering en zelfs vanuit de digitalisering is deze variant de lokale partijen heel goed te begrijpen. Waar grenzen wegvallen, wordt de plaats steeds belangrijker.

In de systeemwereld van het lokaal bestuur hebben lokale partijen bijna per definitie een achterstand. Die kunnen ze in de regel alleen maar inlopen door aansprekende leiders naar voren te schuiven. Pim Fortuyn werd niet zonder reden zo groot. Hij sprak veel mensen aan. Voor Marco Pastors gold op een ander niveau hetzelfde. En Joost Eerdmans heeft de bekendheid, maar moet het nog bewijzen dat hij ook een sprekende leider is. De gevestigde partijen moeten ervoor waken om tegenover de aansprekende leiders van de lokale partijen ‘systeemmuizen’ kandidaat te stellen. Mensen uit de stad, die zich op tal van plaatsen al hebben bewezen en daardoor ook bekend zijn, hebben een pre boven het brave raadslid dat via de fractie-assistentie omhoog is gekropen. Zoals de PvdA in Amsterdam goed scoorde met een aansprekende Lodewijk Asscher.

Ik beken me hier niet tot de politiek van de leefwereld. De stad moet ook nog worden bestuurd. Als we alleen maar over die ene boom zouden spreken zou die immense jeugdzorg nooit van de grond komen. Maar ik meen dat de PvdA wel (nog steeds) kan leren van lokale partijen door meer te kiezen voor aansprekend leiderschap, door meer oog te hebben voor wat mensen bezighoudt en door meer aan mensen over te laten. Oog hebben voor wat mensen bezighoudt is overigens niet meteen hetzelfde als het betreden van de leefwereld van mensen. Marnix Norder kan daarover meepraten, althans ik hoop dat hij inmiddels beseft dat hij deze fout aan het einde van zijn regeerperiode in de gemeente Den Haag heeft gemaakt door de Haagse bevolking een nieuw cultuurpaleis op te dringen. Dat lokale politici soms wel gedwongen te zijn om binnen het stadhuis met papieren onder de arm rond te lopen wordt hen door weinig mensen kwalijk genomen. Maar als die systeemwereld ertoe leidt dat de Haagse bevolking een overbodig en veel te duur Spuiforum krijgt opgedrongen binnen hun (toekomstige) leefwereld, moet je niet gek opkijken als de verkiezingsuitslag tegenvalt.

Tot slot die tweede vraag: als deze analyse van het lokaal bestuur waar zou zijn, waarom wordt dan juist het stemgedrag van burgers in kleinere gemeenten minder door landelijke overwegingen bepaald? Ik denk dat het antwoord simpel is: politici worden in kleine gemeenten beter gekend. En juist omdat zo’n groot deel van het gemeentelijk beleid vastligt, wordt het vertrouwen in personen belangrijker. Overigens verandert er momenteel erg veel in het lokaal bestuur op het platteland en er is ook al heel veel veranderd. Gemeentelijke herindeling werd vroeger aan veel kleine gemeenten opgelegd. Tegenwoordig vragen de fusiegemeenten van weleer om een verdergaande schaalvergroting. Zo ontstaan steeds grotere gemeenten die steeds meer dorpen overkoepelen. De zichtbaarheid van het lokaal bestuur neemt daardoor af. Tegelijkertijd is het soms een stimulans om een vertegenwoordiger uit het eigen dorp te kiezen, ongeacht zijn of haar politieke kleur.

Het wordt een spannende avond op 19 maart a.s. Voor al die kandidaten die op de lijst staan. Het wordt ook een spannende avond voor landelijke politici, die met reden de lokale uitslagen doorvertalen naar het landelijke niveau. Maar of het voor burgers echt spannend wordt, valt te betwijfelen, te meer daar de wethouders sedert 2002 niet meer door ons in de gemeenteraad hoeven te worden gekozen. En zelfs niet op de lijst hoeven te staan. Nog erger: ze hoeven niet eens meer in de gemeente te wonen om wethouder te kunnen worden. Wanneer mag ik de enigen die er echt toe doen in het lokaal bestuur, de wethouders, eens gaan kiezen?

[verschenen in  Socialisme & Democratie, februari 2014, pp. 110-114]

De (onvermijdelijke?) ondergang van de openbare bibliotheken

juni 14, 2013 by  
Filed under artikel

Er komt een nieuwe wet aan voor de bibliotheken. Er is een advies van de Raad voor de Cultuur over deze wet. En beide stellen teleur. Veel woorden over digitalisering, weinig visie op de toekomst van de bibliotheek. Onvoldoende lijkt te worden onderkend dat de openbare bibliotheken in grote nood verkeren. En dat er tegelijkertijd fantastische kansen zijn om een nieuwe visie op de bibliotheek te ontwikkelen.

Eerst een enkel feit en de achtergronden. De hoofdtaak van bibliotheken is nog steeds het uitlenen van boeken. Tussen 1999 en 2009 nam het aantal uitleningen met éénderde af. Inmiddels wordt er overal driftig op bibliotheken bezuinigd. In mijn gemeente Den Haag zijn dit jaar 6 van de 18 filialen gesloten. In Eindhoven wil men alle filialen sluiten. Dat heeft grote consequenties voor de kerntaak. In het eerste kwartaal van 2013 wer denin Den Haag 529.000 boeken uitgeleend, 200.000 minder dan in het eerste kwartaal van 2010. Een bedrijf dat zo snel zijn klandizie verliest zou of failliet zijn, of op zijn minst in paniek.

Wat zijn de achtergronden van deze enorme terugval de openbare bibliotheken? Ik noem er drie. En vertel daarmee niets nieuws omdat ze algemeen bekend zijn. Ten eerste zou er sprake zijn van ‘ontlezing’, met excuus voor het jargon. Maar wie de permanente aandacht van velen voor mail, whatsapp, facebook, twitter en wat die meer zij goed onderkent, weet dat er van ontlezing geen sprake is. Er worden vooral minder boeken gelezen.

Ten tweede komt concurrentie uit de hoek van e-books. In Nederland is die concurrentie overigens nog maar minimaal. Wie de ontwikkelingen in de VS ziet, én wie beseft dat het boek de muziek snel zal volgen (i-Tunes, Spotify), weet dat dit snel zal veranderen. Natuurlijk zullen fysieke boeken blijven bestaan, maar een spoedige teruggang van nog eens 30% van de uitleningen is op korte termijn zeker te verwachten.

Ten derde zijn we kwijtgeraakt waartoe die bibliotheek ook al weer diende. En dat geldt zeker voor de overheid. De bibliotheek is ooit gestart om het volk te verheffen, hoewel de middenklasse en de hogere lagen altijd veelvuldig gebruik hebben gemaakt van de ‘leeszaal’ en de bibliotheek. Die publieke waarde lijkt te zijn ondergesneeuwd, hoeveel mensen ook nog onvoldoende kunnen lezen om maatschappelijk volwaardig te kunnen meedoen (in Den Haag 17%). Het lijkt alsof de overheid niet meer goed weet wat zij moet doen met de bibliotheek. Een recept voor bezuiniging, blijkt in de praktijk.

De vraag dringt zich op: hoe verder? Moeten de openbare bibliotheek in hun vrije val worden gestuit of moeten we de deuren maar sluiten? Het laatste lijkt me doodzonde, want er liggen prachtige kansen. Maar ze moeten wel worden gepakt. En daarvoor zullen we wel vanuit een nieuw ‘paradigma’ moeten denken. Ontlezing zal niet worden gekeerd door ‘leesbevordering’. Maatschappelijke trends laten zich niet door een naïef geloof zomaar omkeren. Ik vermoed dat de bibliotheek ook niet snel marktleider zal worden bij het uitlenen van e-books. Zoals Shell nooit marktleider duurzame energie zal worden, zo is de huidige bibliotheek te netjes en te gesetteld om hier de grote innovaties door te voeren. Als Bol.com morgen met een uitleenservice voor e-books begint is de bibliotheek nog aan het discussiëren over de rol van PSO’s (provinciale service-organisaties) bij de digitalisering van de bibliotheek… Om nog maar niet te spreken over een nieuwe Spotify voor e-books. Zou de burger er overigens iets van merken als hij straks bij Bol.com, bij Spotify for books of bij de nationale bibliotheek zijn e-book leent?

Het heeft dus weinig zin om je druk te maken over ontlezing of over e-books. Het is veel belangrijker om de rol van de openbare bibliotheek werkelijk opnieuw te definiëren. De oude bibliotheek zal onvermijdelijk de weg gaan van PTT en postkantoor. De nieuwe bibliotheek behoeft een nieuw perspectief. Daarbij is interessant dat veel bibliotheken de laatste decennia al hebben geëxperimenteerd met een ruimer profiel. Niet alleen boeken uitlenen, maar ook debatten organiseren, exposities inrichten en dergelijke. Wel moeten we vaststellen dat de bezuinigingen nu juist deze nieuwe ontwikkelingen het hardst treffen. Ten onrechte. Want stel je eens voor dat we in elke buurt een cultureel centrum hadden (zeg: een centrum voor buurt en cultuur), waar (fysieke) boeken kunnen worden geleend, waar taallessen worden gegeven, waar muziekles kan worden genoten, waar de buurtvereniging vergadert, waar wordt gedebatteerd over cultuur en politiek, waar wellicht ook voorschoolse en naschoolse opvang worden georganiseerd, waar bovenal een plek is voor ontmoeting van buurtbewoners? Hoe goed zou dat niet zijn voor de sociale participatie van alle burgers en voor de sociale cohesie in de wijk? Inderdaad, de boeken zijn daar slechts een onderdeel van een veel breder verhaal.

Het kan, maar dan moet er wel iets gebeuren. Op dit moment sluiten gemeenten filialen, en geven zij het schaarse geld uit aan megalomane cultuurprojecten (Spuiforum in Den Haag, vergelijkbare projecten in Utrecht, Arnhem, Nijmegen en noem maar op). In andere wijken wordt het filiaal weggemoffeld in een verzorgingstehuis. Hoe mooi zou het zijn als men juist had ingezet op verbreding van de filialen. Door andere functies eraan toe te voegen. Door een echt antwoord te formuleren op de zogenaamde ontlezing en digitalisering. Door te beseffen dat cultuur belangrijk is voor de stad. En dat cultuur zoveel meer is dan één gebouw of één goed orkest. En dat die brede cultuur ons allen verbindt. En wanneer al die gemeentebesturen hadden gedacht: wat is het eigenlijk ongelofelijk dom om die openbare bibliotheken vanwege die ‘ontlezing’ en die ‘e-books’ geheel te laten doodbloeden.

Burgemeester Cappetti, een prachtig tijdsbeeld

mei 3, 2013 by  
Filed under artikel

Voor de ontwikkeling van het burgemeestersambt in de twintigste eeuw zijn twee perioden bepalend geweest: de Tweede Wereldoorlog en de democratisering van de jaren 60. Dat moet je eigenlijk weten om de hoofdpersoon in dit boek beter te kunnen plaatsen. Vóór de Tweede Wereldoorlog was het burgemeestersambt nauwelijks bezoldigd. Je moest van huis uit geld hebben om burgemeester te kunnen zijn. Moeilijk was het vak niet omdat het lokaal bestuur, nee de overheid als geheel, nog maar weinig bijdroeg aan welvaart en welzijn van burgers. Veiligheid stond voorop en bijstand kwam daar in de eerste helft van de twintigste eeuw bij. De meeste burgemeesters, velen onder hen waren van adel, hadden een korte opleiding gevolgd als volontair op een gemeentesecretarie of bij een kabinet van een Commissaris van de Koningin.

Ná de Tweede Wereldoorlog kwamen de accenten anders te liggen. Dat had mede te maken met het zwakke optreden van veel burgemeesters in de oorlogstijd. Een derde van alle burgemeesters die bij het begin van de oorlog in functie waren en niet intussen waren gepensioneerd of overleden, bleek op 5 mei 1945 zoveel te hebben misdaan dat ontslag of berisping noodzakelijk werd gevonden. We hadden behoefte aan betere burgemeesters. Bovendien veranderde de overheid na de oorlog. De verzorgingsstaat diende zich aan. Het burgemeestersambt werd een gewone functie die normaal werd bezoldigd. Terwijl vóór de oorlog de mensen met een voorname achtergrond het burgemeesterscorps kleurden, waren dat ná de oorlog vooral degenen die een carrière op de gemeentesecretarie achter de rug hadden. De burgemeester werd saaier, minder voornaam. Een burgemeester-ambtenaar.

Vanaf de jaren 70 trad weer een nieuwe generatie burgemeesters aan. De roep om democratisering bereikte ook het burgemeestersambt. Kiezen of benoemen werd (weer) een heftig debat. De uitkomsten van dat debat waren nogal paradoxaal. Ten eerste zijn de burgemeester – nadat duidelijk was dat een gekozen burgemeester geen meerderheid in het parlement zou krijgen – nogal wat politiek gevoelige taken ontnomen. Niet dat de burger daarvan veel weet heeft, maar binnen het gemeentehuis is heel goed bekend dat de belangrijkste portefeuilles tegenwoordig bij de wethouders berusten. Ten tweede is de benoeming geleidelijk gedemocratiseerd. Eerst was daar de profielschets die de gemeenteraad mocht opstellen, daarna kwam de uit de raad samengestelde vertrouwenscommissie die een voor alle leden van die commissie acceptabele burgemeester zocht. Sinds 2000 wordt het advies van de vertrouwenscommissie altijd opgevolgd. Ten derde hebben wethouders en andere politici hun oog laten vallen op het burgemeesterschap. De voormalige gemeenteambtenaren werden geleidelijk uit het ambt verdreven. Burgemeester word je tegenwoordig vooral door eerst ergens wethouder te zijn geweest. Dat je vervolgens politiek weinig geprofileerd kan optreden, geeft de spanning aan waarbinnen huidige burgemeesters moeten functioneren. Opgeleid als politicus om als burgemeester bij voorkeur zo kleurloos mogelijk te zijn.

In dit prachtig geschreven en zorgvuldig gedocumenteerde boek van Peter Rutgers staat de figuur van Frans Cappetti centraal, burgemeester in Schoonebeek en Eibergen tussen 1966 en 1988. We weten nu dat hij Frans heette, maar dit soort burgemeesters werd geen ‘Frans’ genoemd. Het toeval wil dat ik Cappetti ooit nog eens heb gesproken rondom zijn afscheid als burgemeester van Eibergen. Het toeval wil ook dat ik eerder zijn broer die burgemeester was in Erp en Oirschot, heb geïnterviewd voor mijn promotieonderzoek. Mijn typering van Cappetti is dus persoonlijk gekleurd.

Met alle restricties die ik in acht wil nemen, schat ik Cappetti meer in als een burgemeester van de eerste generatie dan van de tweede generatie. Natuurlijk was hij een deskundige burgemeester, maar ‘hem kleefde [ook] een zekere aristocratie aan’. Cappetti was geen opgeklommen gemeenteambtenaar, hoe goed hij de dossiers ook kende. Hij was veel interessanter dan die ambtenaren uit de tweede generatie. Cappetti was dienstbaar aan de lokale democratie zoals alleen de elite dienstbaar kan zijn aan de lokale democratie, ik zou bijna zeggen: aan het volk. Hij groeide op in een voornaam doktersmilieu. In de familie kwamen meer burgemeesters voor; zijn broer was burgemeester en een oom van zijn moeder. Met zijn studie indologie was hij voorbestemd om in ‘Indië’ in het bestuur te gaan. Negen jaar diende hij als bestuursambtenaar op Nieuw-Guinea. Hij wilde daar naar eigen zeggen graag meehelpen aan de zelfbeschikking van de Papoea’s. Hij kon het niet helpen, maar het overkwam hem wel, zowel in Schoonebeek als in Eibergen: bij zijn benoeming werd hij aan de gemeentegrens door het ‘onthoofde’ college van B&W opgewacht. Hij had niet alle rangen op de gemeentesecretarie doorlopen. Hij had slechts vier jaar met tegenzin bij het kabinet van de Commissaris van de Koningin gewerkt. Cappetti was zo’n man die voorbestemd leek voor het burgemeestersambt. Voor dit soort burgemeesters lijkt het woord ‘distantie’ te zijn uitgevonden.

Tot de derde generatie van burgemeesters behoorde hij zeker niet. Hij was geen politicus. Hij hield niet van politieke spelletjes. Hij was gekwetst als ‘de politiek’ onheus was geweest tegenover hem. Ik ontken niet dat Cappetti zich heeft hard gemaakt voor meer inspraak en voor meer democratie binnen zijn gemeenten. Zoals hij en zijn vrouw zich progressief opstelden in de rooms-katholieke kerk. Maar het was de verfijnde progressiviteit die men bij de elite soms tegenkomt en die vooral voortkomt uit een groot hart en niet bedoeld is om de eigen positie ter discussie te stellen. Ook zijn vrouw paste in dat beeld van de klassieke burgemeester: geheel aan zijn zijde en geheel dienstbaar aan zijn burgemeesterschap. ‘Waar Frans was, was Roosje niet ver weg.’

In één opzicht behoorde Cappetti wel tot de tweede generatie burgemeesters: hij zag het ambt als een carrièreambt. Al bij de benoeming in Schoonebeek kwam aan de orde dat hij binnen zes jaar zou mogen solliciteren naar een grotere gemeente. Dat deed hij ook. Zijn tweede sollicitatiebrief bracht hem na ruim vijf jaar naar Eibergen. En vanuit Eibergen solliciteerde hij na acht jaar naar het grotere Wijchen. Vanwege zijn gezondheid trok hij die sollicitatie uiteindelijk in. Hoewel niet afgewezen, de teleurstelling over het uitblijven van een benoeming in een volgende gemeente was er wel, ook zo herkenbaar voor de burgemeesters uit die tijd. Allemaal de ambitie om verder te komen en allemaal de lat een beetje te hoog of veel te hoog gelegd. Die carrièreburgemeester bepaalt op dit moment niet meer het beeld van de burgemeester.

Zo is dit boek over Cappetti, burgemeester van Schoonebeek en Eibergen, een prachtig tijdsbeeld van het lokaal bestuur in de tweede helft van de twintigste eeuw. En daarmee is het tegelijkertijd een voorbeeld voor de bestuurskunde. Den Haag, mei 2013 Prof. dr. Wim Derksen, hoogleraar bestuurskunde, Erasmus Universiteit Rotterdam 1

 

[Voorwoord in: Peter Rutgers, Frans Cappetti: persoon en carrière van een publiek bestuurder, een bestuurskundige biografie, verschijnt later dit jaar]

NRC Handelsblad 6 november 2012: Eindelijk een nieuw lokaal bestuur

november 8, 2012 by  
Filed under artikel

Verschenen in: NRC Handelsblad
Geschreven door: Wim Derksen

En weer staan gemeenten en provincies ter discussie. Rutte-II wil gemeenten van minmaal 100.000 inwoners en er blijven nog maar vijf provincies over. Het eerste geklaag is al te horen. ‘Bestuurlijke reorganisatie wordt bij ons toch nooit wat’. “Wat blijft er zo nog over van de lokale democratie?’ Maar dat is niet terecht. Het is een goed plan en de omstandigheden zijn er zo langzamerhand rijp voor. Ik geef zeven argumenten.

Twintig jaar geleden verzetten bijna alle gemeenten zich nog tegen een herindeling, uitgezonderd de gemeenten die hun grondgebied zagen uitgebreid. Nu verlangen veel gemeenten naar een herindeling, om beter opgewassen te zijn tegen hun taak. Zij zoeken fusiepartners of gaan verregaand met de buren samenwerken om na een paar jaar alsnog te fuseren.

Dat heeft alles te maken met de overdracht van rijkstaken naar gemeenten die al jaren gaande is en die steeds meer gemeenten voor grote problemen stelt. Maar dat niet alleen: die overdracht van rijkstaken accentueert hoezeer de gemeente tegenwoordig vooral een uitvoerder van rijksbeleid is. Het romantische idee van de gemeente als democratisch bestuur van de lokale gemeenschap is steeds meer verleden tijd.

In dat opzicht heeft al dat herindelen van de afgelopen vijftig jaar (van 900 naar 400 gemeenten) zijn effect ook gehad. Veel gemeenten hebben al een schaal die niet meer aansluit bij de schaal van de lokale gemeenschap, voorzover die overigens ook nog bestaat. Bovendien zijn veel regio’s in een permanente staat van herindeling geraakt. Nieuwgevormde gemeenten worden soms binnen tien jaar opnieuw heringedeeld. Dan wordt het tijd om een keer rust te brengen en te kiezen voor een helder idee van het lokaal bestuur.

En als we nu toch allemaal aan het fuseren zijn, laten we dan ook meteen kiezen voor een schaal waarop veel te winnen valt. Gemeenten van 100.000 inwoners zijn niet alleen robuust, ze bieden ook een oplossing voor veel van die grensoverschrijdende zaken waarmee gemeenten op dit moment te maken hebben. Niet voor alle, maar wel voor een belangrijk aantal.

Alle voorgaande pogingen om het binnenlands bestuur te reorganiseren waren vooral een zoektocht naar een nieuw regionaal bestuur. De oplossingen waren vaak gekunsteld en gingen bijna altijd ten koste van provincies en gemeenten. De tegenstand was daarmee ingebouwd. En een volgende mislukking lag op de loer. In de nieuwe plannen blijven de gemeenten bestaan. Van veel gemeenten is steun te verwachten. En andere gemeenten zullen accepteren dat zelfstandig voortbestaan een illusie is.

Ook de provincies krijgen een nieuw perspectief. Ze gaan fuseren op het niveau van landsdelen. De waterschappen gaan op in het provinciaal bestuur. En het takenpakket van de provincies wordt veel transparanter: minder eigen beleid en meer schakelen tussen nationale en lokale belangen. Een logisch voorstel, dat op steun kan rekenen van veel provincies.

En die lokale democratie dan? Ten eerste: in veel gemeenten wordt op dit moment geklaagd over het niveau van de gemeenteraad. Dus opschaling zou ook in dit opzicht wel eens een oplossing kunnen zijn. Ten tweede bieden de plannen ruimte voor een nieuwe vorm van lokale democratie in de dorpen, in de kleine gemeenschappen, zonder de balast van de uitvoering van al die rijkstaken. Laat burgers in hun eigen omgeving beslissen over de zaken die alleen hen aangaan.

Wim Derksen

Hoogleraar bestuurskunde Erasmus Universiteit Rotterdam