Vragen over een groter lokaal belastinggebied

juni 20, 2016 by  
Filed under artikel

Het lokale belastinggebied moet groter. Iedereen zegt het. En toch begrijp ik het niet. Ik heb er al vaker over geschreven op mijn site. Het gevolg is dat je als coreferent wordt gevraagd bij iemand die pleit voor een vergroting van het lokale belastinggebied. En daardoor ga je je nog meer afvragen waarom dat goed zou zijn. Laat duidelijk zijn: ik ben niet tegen een kleine vergroting van het lokale belastinggebied. Ik zal zo aangeven waarom. Maar waarom zou die vergroting van het lokale belastinggebied een oplossing zijn, en waarvoor? Waarom geloven zoveel mensen daarin, terwijl elke burger al heftig protesteert tegen een minimale verhoging van zijn ozb. Belastingen zijn niet geliefd, en zeker geen belastingen die zo zichtbaar zijn als lokale belastingen. Waar beginnen we aan? Ik geef tien overwegingen. En reageer vooral op het rapport van de commissie Rinnooy Kan (VNG) en het advies van de Raad voor de Gemeentefinanciën (Rgf).

  1. In beide adviezen worden de decentralisaties in het sociale domein als een belangrijk argument opgevoerd. De lokale beleidsvrijheid is groter geworden en dat hoort zich ook uit te betalen in meer eigen inkomsten. Stel nu dat je van dit onderwerp niets af wist. Waarom zou deze stelling dan waar zijn? De gemeenten hebben meer taken gekregen, maar ook veel meer inkomsten (rijksbijdragen via het Gemeentefonds). Die inkomsten zijn niet onbeperkt en zetten dus aan tot zuinigheid. Dat hebben we geweten! De gemeenten hebben in 2015 zelfs veel minder aan deze nieuwe taken uitgegeven dan ze hebben ontvangen. De gemeenten zijn dus financieel beter van geworden van hun zuinigheid. Dat noemen we efficiëntie. Wat is nu het probleem?
  2. Eén argument kan ik wel begrijpen. Omdat de lokale inkomsten zo enorm zijn gestegen door overheveling van rijksgelden naar de gemeenten is het percentage van de lokale belastingen van het geheel van gemeentelijke inkomsten nog lager geworden (9%). Simpel omdat de noemer groter is geworden. Dat zou een reden kunnen zijn om ook de teller weer wat te vergroten. Maar ik geef toe, dat is vooral een rekenkundige en een weinig politieke redenering.
  3. Sorry, laat ik het maar meteen zeggen: hier is sprake van groepsdenken. Iedereen praat iedereen na, en de afwijkende geluiden worden niet gehoord. Ik lees namelijk weinig fundamentele argumenten voor een vergroting van het lokale belastinggebied. Ja, meer lokale belastingen zouden de lokale democratie versterken en de gemeenten meer aanzetten tot efficiëntie. Wat bedoelen we eigenlijk met efficiëntie? Is dat een synoniem voor zuinigheid of is efficiëntie ervoor zorgen dat het geld terecht komt waar het echt nodig is. We zagen al dat het eerste ook anders kan worden bereikt. Het tweede bereik je onder andere met keukentafelgesprekken. Bij dat groepsdenken hoort dat we zeggen dat al jaren vele commissies hebben gepleit voor een vergroting van het lokale belastinggebied. Maar waarom is dan het tegendeel gebeurd? Het gebruikersdeel van de ozb voor woningen is verdwenen. Zouden er dan toch goede argumenten zijn voor een klein lokaal belastinggebied in Nederland?
  4. Er zit altijd iets oneigenlijks in die discussie over het lokale belastinggebied. Want de gemeenten krijgen maar 65% van hun inkomsten van het rijk. We moeten ons dus afvragen of die 35% groot genoeg is, en niet of die 9% groot genoeg is. En dat leidt tot een heel andere discussie. Tot voor de crisis verdienden gemeenten veel aan hun investeringen (in nieuwbouwwijken onder andere). Maar daarna werd het grondbedrijf in veel gemeenten een blok aan het been. Is dat een argument om het gemeentelijk aandeel in de eigen inkomsten te vergroten? Ja, je kan ook zeggen: gemeenten hebben slecht geïnvesteerd en daarom is het eerlijk dat de burgers daarvoor moeten boeten. Maar is dat de bedoeling van deze hele discussie?
  5. Terug naar het argument van de efficiëntie en democratie. Leiden hogere lokale lasten tot meer efficiëntie en meer democratie? De financiële verhoudingen kenden vroeger veel open-einde-regelingen, waardoor de gemeenten de rekening altijd bij het Rijk konden neerleggen. Dat kan al lang niet meer omdat al die regelingen zijn afgeschaft. Oké, dan nog kan je de efficiëntie vergroten door de gemeenten zelf hun broek te laten ophouden. Maar welke gemeentebestuurder zit daar eigenlijk op te wachten? Die VNG en die Rgf hebben geen burgers, gemeenten wel. Leg het maar eens aan de burgers uit: u moet nu twee keer zoveel lokale belasting betalen, omdat wij dan efficiënter en democratischer zullen worden. Ik denk dat weinig wethouders dat aantrekkelijk vinden. En denken we nu echt dat de lokale democratie beter gaat functioneren als we de lokale lasten met een factor twee of drie verhogen? Dat probleem lijkt me toch fundamenteler.
  6. Het is boeiend dat vroeger werd gezegd dat de lokale belastingen en het Gemeentefonds de gemeenten de vrijheid gaven om zelf hun afwegingen te maken. Democratie! Maar eerst hebben we gezien dat het aantal specifieke uitkeringen meestal op verzoek van gemeenten is uitgebreid. Beter een financieel voordeeltje in Den Haag, dan lokaal meer beleidsvrijheid. En vervolgens hebben we al die specifieke uitkeringen weer met steun van de gemeenten in het Gemeentefonds gekieperd, met instandhouding van vele beperkingen en vele onderscheidingen. Daardoor is de lokale beleidsvrijheid sterk afgenomen. En daarover hoor ik niemand klagen. Als het Gemeentefonds een generiek fonds was gebleven, en niet zo was vervuild met al die decentralisatiebalkonnetjes en al die andere onzin, was de lokale beleidsvrijheid veel groter geweest dan nu ooit door een uitbreiding van het lokale belastinggebied kan worden bereikt.
  7. Laten we naar de echte vragen gaan. De vragen over de afweging tussen equity en efficiency. Ik mis in de hele discussie namelijk een fundamenteel debat over de vraag wat we beogen met die financiële verhoudingen. Dat zou je wel verwachten, want er is vroeger goed over nagedacht. Vooral de commissie Rinnooy Kan lijkt daar geen benul van te hebben. We zouden bijvoorbeeld kunnen wensen dat verschillen in belastingcapaciteit tussen gemeenten (als een gemeenten meer rijke inwoners heeft, kan meer belasting worden opgehaald) worden verevend. Persoonlijk vind ik (en bijvoorbeeld ook professor Maarten Allers vindt dat) dat verschillen in belastingcapaciteit volledig moeten worden gecompenseerd door het Rijk via het GF. Volgens Rgf hoeft dat niet volledig. Ook dat laatste is een legitiem standpunt. Rinnooy Kan zegt er niets over. Maar als je het lokale belastinggebied vergroot en voor de verschillen in belastingcapaciteit wil compenseren, dan is onvermijdelijk dat rijkere steden en dorpen meteen hogere belastingen moeten heffen. Willen we dat? En bovendien straf je gemeenten die erin slagen meer hogere inkomens aan te trekken (meer dan nu het geval is). Willen we dat? Of willen we die hele belastingcapaciteit vergeten en rijke gemeenten steeds rijker laten worden en arme steeds armer?
  8. De huidige financiële verhoudingen streven niet alleen naar een gelijke belastingcapaciteit, maar ook naar een gelijke voorzieningencapaciteit. Gemeenten worden niet alleen verevend voor hun mogelijkheden om belasting op te halen, maar ook voor de verschillen in kosten. De ene gemeente kent nu eenmaal meer problemen dan de andere. De gedachte is: gemeenten moeten allemaal een gelijke startpositie hebben. U begrijpt het al: gemeenten met rijkere inwoners en met lagere kosten voor het leveren van dezelfde voorzieningen krijgen daarom minder geld van het Rijk. Maar wat betekent het als we met behoud van het uitgangspunt van gelijke startposities het lokale belastinggebied willen vergroten? Heel simpel: hoe groter het lokale belastinggebied hoe meer geld van het Rijk naar arme gemeenten zal gaan (om al die achterstanden te compenseren). In extremo wordt het Gemeentefonds een armoedefonds en beloont het Rijk niet succes, maar falen. Wat heeft dat met efficiëntie te maken? En als we het streven naar een gelijke voorzieningencapaciteit willen loslaten, moeten we straks niet zeuren als arme gemeenten minder geld hebben om hun grotere problemen aan te pakken.
  9. De theorie kent nog een laatste ‘aspiratieniveau’. Zo zouden we niet alleen kunnen streven naar een gelijke voorzieningencapaciteit, maar gewoon naar gelijke voorzieningen. Dan moet je helemaal niet willen dat er een omvangrijk lokaal belastinggebied is. Tenzij je elke uitgave van de gemeente weer door het Rijk laat compenseren. Op het eerste gezicht lijkt dat nogal treurig, ik geef dat graag toe. Maar vragen we ons wel eens af wat burgers willen? Vinden burgers het rechtvaardig als je in de ene gemeente wel een rollator krijgt en in de andere niet? Om nog maar niet spreken over een hogere of lagere bijstandsuitkering. Als je mij vraagt begrijpen burgers er niets van als je in Rijswijk anders wordt behandeld dan in Wassenaar. Als het om de basisbehoeften van mensen gaat.
  10. Dat brengt me bij een slotvraag. Wat is de lokale democratie? Wat is een gemeente? In ons kleine land dat in feite bestaat uit één grote stad en wat achterland. Is de gemeente een uitvoeringsloket van de overheid of is de gemeente de hoeder van de lokale gemeenschap? Of denken alleen lokale bestuurders nog in termen van lokale gemeenschappen met hun eigen lokale democratie? Ik heb een huis  in Ooltgensplaat, ik heb een huis in Den Haag. Ik studeer in Amsterdam en voor mijn werk doorkruis ik elke dag de Randstad en soms verder. Sorry, ik wil vooral dat de overheid zijn werk goed doet. En hoe ze dat organiseren over Rijk, provincies en gemeenten, dat moeten ze zelf maar uitmaken. Als het maar netjes gebeurt. Ja, in die optiek is de gemeente gewoon het dichtstbijzijnde loket van de overheid. Een overheid die in dit kleine landje vooral streeft naar rechtsgelijkheid. Van alle burgers. In welke gemeente ze ook wonen.

Meer lokale belastingen, grotere ongelijkheid

december 17, 2015 by  
Filed under artikel, De Stad

D66 heeft alsnog ingestemd met het Belastingplan. Op voorwaarde dat het lokale belastinggebied na 2017 wordt verruimd. Tegen dat plan lijkt weinig weerstand te bestaan. Dat laatste is verrassend. Want is dat wel zo verstandig om de gemeenten meer mogelijkheden te geven om zelf belasting te heffen? Ook als de rijksbelastingen tegelijkertijd worden verlaagd? Ik zie fundamentele bezwaren.

Maar eerst even een korte inleiding. De gemeenten hebben globaal genomen drie inkomstenbronnen. Ten eerste krijgt de gemeente uit het Gemeentefonds een fors bedrag van het Rijk. In principe is dat geld vrij te besteden (waarvan in de praktijk weinig terecht komt, omdat de gemeenten heel veel rijkstaken uitvoeren binnen de door het Rijk gestelde kaders). Ten tweede krijgt de gemeente een aantal ‘specifieke uitkeringen’: deze gelden zijn (wel) rechtstreeks gekoppeld aan rijkstaken die de gemeenten moeten uitvoeren. Ten derde haalt de gemeente geld op onder de eigen burgers. Denk aan de onroerendzaakbelasting. De eigen belastingen maken nog geen 10% uit van de gemeentelijke inkomsten.

Waarom heb ik nu bezwaar tegen de uitbreiding van het lokale belastinggebied? Ten eerste een praktisch bezwaar. De drie belangrijkste inkomstenbronnen zijn de laatste decennia steeds meer met elkaar verknoopt geraakt. Het Gemeentefonds, dat oorspronkelijk bedoeld was als ‘vrij te besteden’, is steeds meer gekoppeld aan de uitvoering van rijksbeleid. Veel erger: de hoogte van de uitkering uit het Gemeentefonds is inmiddels sterk gekoppeld aan de hoogte van de lokale belastingen. Die uitkering wordt bepaald op grond van een groot aantal maatstaven. Feitelijk is één daarvan: de hoogte van de lokale belastingen. Als de lokale belastingen te veel stijgen, wordt de betreffende gemeente gekort op haar inkomsten uit het Gemeentefonds. Dat betekent dat het Rijk uiteindelijk bepaalt hoe hoog de lokale belastingen mogen zijn. En vooral: dat de lokale belastingen ongeveer overal even hoog moeten zijn. Dan heeft het weinig zin om de gemeenten meer belastingen te laten heffen.

Ten tweede een principieel bezwaar. Stel dat de gemeenten voor hun inkomsten geheel afhankelijk zouden zijn van hun eigen inwoners, dan zouden zich twee onrechtvaardigheden voordoen. Ten eerste is het voor gemeenten met veel inwoners met hoge inkomens veel eenvoudiger om (veel) geld op te halen, dan voor gemeenten met veel inwoners met lage inkomens. Anders gezegd: het is in Wassenaar veel eenvoudiger om veel (lokale) belasting op te halen dan in Den Haag of in Spijkenisse. Ten tweede zijn de problemen niet gelijk over gemeenten verdeeld. Spijkenisse heeft veel meer geld nodig voor de bijstand dan Wassenaar. Arme gemeenten met arme inwoners en grote problemen zouden dus dubbel worden getroffen als de gemeenten hun geld onder de eigen bevolking zouden moeten ophalen. Dat is extra onrechtvaardig omdat gemeenten, zoals gezegd, vooral Rijksbeleid uitvoeren. De bijstand is overal even hoog en het Rijk bepaalt hoe hoog die is.

Wie het lokale belastinggebied verruimt en de gemeenten dus meer geld laat ophalen onder de eigen inwoners, vergroot dus de ongelijkheid tussen gemeenten. En zo zit het binnenlands bestuur gelukkig niet in elkaar. Daar moet D66 toch een opvatting over hebben.

 

[verschijnt in NRC van 21 december 2015: http://www.nrc.nl/next/2015/12/21/lokaal-innen-daar-wordt-wassenaar-nog-rijker-van-1569218]

Waarom het #lokaalbelastinggebied niet groter moet

juni 21, 2015 by  
Filed under artikel, De Stad

Het kabinet wil het lokale belastinggebied met 4 miljard vergroten. Het gaat om een verschuiving. Wat er aan lokale belastingen bijkomt, gaat er aan inkomstenbelastingen weer af. De burger wordt er dus niet minder van. Maar wie wordt er beter van? Ik geef een paar overwegingen.

Het klinkt mooi: de lokale democratie wordt versterkt als gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen inkomsten. Toch worden gemeenten momenteel door het systeem van financiële verhoudingen gedwongen om allemaal ongeveer dezelfde belastingtarieven te hanteren. Wie de lokale belastingen wil verhogen, wordt al snel gekort op rijksinkomsten (uit het Gemeentefonds). Als dat zo blijft is de vergroting van het lokale belastinggebied niet meer dan een vestzak-broekzak-operatie.

Wie het gemeentelijk takenpakket overziet begrijpt dat Nederlandse gemeenten hun geld vooral van het Rijk krijgen. Nederlandse gemeenten voeren vooral Rijksbeleid uit. Niet de gemeenteraad bepaalt de hoogte van de bijstand, maar het Rijk. En wie bepaalt, die betaalt. Sommigen menen dat de decentralisatie van de jeugdzorg, de langdurige zorg en het participatiebeleid een argument is voor een vergroting van het lokale belastinggebied. Maar het oogmerk van deze decentralisaties is niet dat gemeenten voortaan bepalen welke zorg wordt geleverd, maar dat gemeenten het Rijksbeleid efficiënter gaan uitvoeren. Een wijs beleid, maar geen reden om de gemeenten financieel nog meer verantwoordelijk te maken voor het uitvoeren van beleid dat in Den Haag is bedacht.

Om die reden is die eeuwige vergelijking met het buitenland, waar gemeenten een veel groter deel van hun inkomsten onder de eigen bevolking ophalen, ook nauwelijks relevant. Frankrijk kent 36.000 gemeenten, die zich beperken tot het onderhoud van de visvijver in het midden van het dorp. Niet vreemd dat de financiering daarvan grotendeels uit lokale middelen geschiedt. In Frankrijk wordt veel rijksbeleid uitgevoerd door regionale departementen, die geheel door het Rijk worden gefinancierd. Ook Denemarken wordt vaak ten onrechte opgevoerd. Daar liggen de eigen inkomsten van de gemeenten ver boven de 50%. Maar daar verevenen de gemeenten hun lokale verschillen onderling.

Daarmee zijn we bij het belangrijkste argument voor een klein lokaal belastinggebied gekomen: gemeenten met rijke inwoners hebben veel meer mogelijkheden om geld op te halen en gemeenten met veel (sociale) problemen hebben veel hogere kosten. En het vervelende is dat de sociale problemen vooral voorkomen waar de mogelijkheid om belastingen op te halen het kleinst zijn! Een groot lokaal belastinggebied leidt dus tot grote onrechtvaardigheid. Als gemeenten geheel afhankelijk zouden zijn van hun eigen belastingen, zou de bijstand in Wassenaar vele malen hoger zijn dan in Den Haag.

Ten slotte: hoe groter het eigen belastinggebied, hoe groter de prikkels om het geld efficiënter te alloceren. Maar dat argument is beperkt geldig omdat, zoals gezegd, gemeenten maar beperkte mogelijkheden hebben om hun eigen beleid te ontwikkelen. Bovendien ben ik helemaal niet zo happig op gemeenten die nog meer gaan investeren. Nu al hebben we te maken met een overdaad aan bedrijventerreinen en leegstaande kantoorgebouwen. Volgens mij hebben we eerder behoefte aan een rem op lokale investeringen dan op het verder stimuleren van het wensdromen van gemeenten.

Overigens is voor somberheid geen reden. Als het lokale belastinggebied wordt vergroot met 4 miljard zal dat ongetwijfeld zodanig worden ingekaderd dat we er weinig van zullen merken. Vergeet niet dat we nog niet zo lang geleden de omgekeerde weg hebben gevolgd. Toen is het bewoners-deel van de OZB verdwenen dat nu weer zou moeten worden ingevoerd. Ik ken niet één gemeente die daardoor slechter is gaan functioneren. Waarom zou dan nu één gemeente beter gaan functioneren als niet alleen de huiseigenaren maar ook de bewoners voor OZB worden aangeslagen?

Niet doen dus.

Het grote misverstand van de lokale politiek

maart 4, 2014 by  
Filed under De Stad

Ze brengen weer rozen, we moeten weer stemmen. De oude media doen veel moeite om ons te informeren over de lokale politiek, maar we zien en horen vooral landelijke politici. De nieuwe media leveren een stroom aan foto’s van folderende wethouders. Ga ik stemmen? Uit overtuiging, uit braafheid of omdat mijn ouders de oorlog hebben meegemaakt? Of ga ik lekker een tegenstem uitbrengen? Ik weet het nog niet. Ik weet wel dat die raadsverkiezingen vooral één groot misverstand zijn. We hebben een basisidee van lokale democratie, maar onze gemeenten voldoen daar helemaal niet aan.

Wat is de basisgedachte van de lokale democratie? Er is een lokale gemeenschap, die moet worden bestuurd. De gemeenschap kiest daarvoor bij verkiezingen uit haar midden een gemeenteraad. Politieke partijen met een politieke visie op de lokale gemeenschap strijden om de stem van de kiezer. De gemeenteraad mag als volksvertegenwoordiging de richting aangeven. Het dagelijks bestuur (het College van B&W) voert het beleid uit. Om het beleid mogelijk te maken wordt er onder de leden van de gemeenschap belasting geheven. Een burgemeester is als symbool van de lokale democratie zowel voorzitter van de Raad als van het College.

Zo dachten de oude Grieken er in Athene over en zo denken nog veel mensen erover. Maar in een moderne democratie is ook een heel ander model denkbaar. Nederland is een klein land. En daarom willen burgers overal dezelfde (rechten op) bijstand, jeugdzorg, gezondheidszorg en noem maar op. Wij willen dat ‘Den Haag’ daarover zekerheid biedt. En bovendien is er nog Europa dat voor alle landen dezelfde richtlijnen uitvaardigt. Het lokale bestuur is ervoor om al deze nationale en internationale regels uit te voeren. Omdat dat effectiever en efficiënter is. De schaal van het lokaal bestuur is afgestemd op een efficiënte uitvoering van (inter)nationaal beleid. Burgers leven zelf in meerdere gemeenschappen, lokaal, regionaal, nationaal en virtueel. Als het beleid elders wordt vastgesteld, kennen we alleen nog maar goede en slechte wethouders. Het onderscheid tussen linkse en rechtse wethouders komt te vervallen. Het is logisch dat de gemeenten voor de uitvoering van Rijksbeleid geld krijgen van het Rijk. De weinige lokale belastingen moeten de gemeenten vooral extra prikkelen om efficiënt met dat geld om te gaan. De wethouders staan centraal in dit model, de gemeenteraad houdt op hen toezicht.

Twee ‘ideale’ modellen. In de praktijk komen ze niet voor. Maar we kunnen wel vaststellen dat de Nederlandse gemeente voor 90% is vormgegeven volgens het tweede model. Dat heeft een lange geschiedenis. Ooit is een belangrijke beslissing genomen toen het Rijk de gemeenten in ‘medebewind’ heeft geroepen om Rijksbeleid te gaan uitvoeren. In andere landen is het lokaal bestuur ongemoeid gelaten (Frankrijk is een goed voorbeeld) en laat het Rijk zijn beleid uitvoeren door functionele besturen (vaak op regionale schaal). Zoals de Belastingdienst bij ons ook lokale en regionale kantoren heeft. De drie grote ‘decentralisaties’ die nu op de gemeenten afkomen (Participatiewet, Jeugdzorg, AWBZ) bevestigen de gemeente in haar uitvoerende rol. Gemeenten moeten bovenal ter plaatse het beleid gaan uitvoeren dat door Den Haag wordt gewenst. Als de jeugdzorg straks verschillen tussen gemeenten laat zien, heeft dat alleen te maken met de kwaliteit van het bestuur, en niet met de progressiviteit van het beleid.

Ook in andere opzichten voldoen de gemeenten steeds meer aan het tweede model. De gemeenten hebben nauwelijks ruimte om zelf belastingen te heffen (veel erger: als ze naar de mening van het Rijk lokaal te veel belasting heffen, worden ze op hun algemene uitkering uit Den Haag gekort). En de laatste jaren spoelt een enorme fusiegolf over de gemeenten, omdat vele te klein zijn om al die Rijkstaken uit te voeren.

Ook de gemeenteraadsverkiezingen passen geheel dit beeld. Mensen stemmen overwegend op grond van ‘landelijke overwegingen’ (vooral in de steden). Dat is verstandig omdat Jetta Klijnsma en de Tweede Kamer niet alleen verantwoordelijk zijn voor de Participatiewet, maar ook bepalen hoe die wet moet worden uitgevoerd. Bovendien zijn gemeenteraadsverkiezingen zogenaamd ‘second-order-verkiezingen’. Ze bieden je de mogelijkheid om lekker tegen het kabinet te protesteren, zonder dat je de PVV daarmee tegelijk in de regering helpt. Al die lokale partijen passen paradoxaal genoeg heel aardig in dit beeld. Soms geven ze uiting aan hun afkeer van de politiek in het algemeen. Soms verenigen ze zich rond lokale issues, maar willen ze vooral een transparanter bestuur; een beter lokaal bestuur, en een minder ideologisch bestuur. Ze willen wethouders die luisteren en ze willen geen wethouders die een ideologisch debat beginnen om hun zwakke optreden te verdoezelen. En ten slotte zijn lokale partijen soms een uitdrukking van het nostalgische verlangen naar het eerste model van lokale democratie.

Eén ding is zeker: die raadsverkiezingen van 19 maart passen niet meer bij de tegenwoordige gemeente. Alle lokale PvdA-ers en VVD-ers zullen worden afgerekend op het kabinet, en nauwelijks op de wijze waarop ze afgelopen jaren hun gemeenten hebben bestuurd of op de mensen die ze voor de komende jaren naar voren hebben geschoven.

Wat nog erger is: de wethouders, de hoofdpersonen van het lokaal bestuur, worden niet door de burgers gekozen, maar door de raadsleden na afloop van de verkiezingen. Daarbij is eerder het bereiken van een meerderheid het streven dan het zoeken naar een coherent program. Het laatste is overigens geen verwijt, het sluit immers geheel aan bij mijn analyse. De nieuwe wethouders hoeven geen raadslid te zijn. Soms staan ze onderaan de lijst en soms komen ze niet eens uit de eigen gemeente. De benoeming van veel wethouders is dan ook een verrassing, sommigen ontbeert elk democratisch mandaat. Daartussen figureert een burgemeester die al even weinig transparant door een vorige gemeenteraad is gekozen.

Ik zou het graag anders willen. Ik zou in Den Haag een wethouder willen kiezen die minder megalomaan is, ik zou in Amsterdam een wethouder willen kiezen die de gemeentelijke toeslagen wel in de hand heeft. Ik heb geen idee hoe ik dat moet doen. Bedankt voor de rozen, bedankt voor de folders, maar wie beseft nog dat het om mijn bestuur gaat?