Vanwaar dat klagen over #gemeenteraden

mei 21, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

Wim Voermans was bijna een groot man geweest in de wereld van het lokaal bestuur. Hij kreeg als wetenschapper veel geld om onderzoek te doen naar het functioneren van de gemeenteraad. Een commissie onder leiding van toenmalig wethouder Kajsa Ollongren zou zijn onderzoek omzetten in een belangrijk advies. Het liep allemaal anders. Voermans was te positief over de gemeenteraden volgens zijn opdrachtgever, de VNG. Hij werd vakkundig kaltgestellt. Voermans kreeg meer geld om langer onderzoek te doen en de  VNG riep snel een andere commissie in het leven onder leiding van Wim van den Donk. Het resultaat liet zich voorspellen: Van den Donk meldde dat er veel mis is met het functioneren van de gemeenteraad. En dat wilde de VNG blijkbaar horen. 

Overigens heb ik me (hier) al eerder verbaasd over dat rapport van Wim van den Donk. Het was een somber rapport. Alarmbellen gingen af over het lokaal bestuur. Maar de adviezen van de commissie waren zeer mager. Het dualisme tussen gemeenteraad en College van B&W moest worden geëvalueerd en de wijze van benoeming van de burgemeester moest onaangetast blijven. Dat was alles. Ik dacht meteen al: als er zo weinig hoeft te veranderen, zal er ook niet zoveel aan de hand zijn.

Voermans verwerkte samen met Geerten Waling alle opgedane kennis in een leesbaar boek: Gemeente in de genen. Bovenstaande anekdote komt pas aan het slot van het boek aan bod. En dan pas gaan Voermans en Waling helemaal los. Ze schrijven dat ze zich ergeren aan het geklaag van de bestuurlijke elite over de lokale democratie en met name over het zogenaamde slechte functioneren van gemeenteraden. Ze verbazen zich over alle voorstellen voor andere vormen van democratie (“meervoudige democratie” in de woorden van Van den Donk) die door de bestuurlijke elite worden gedaan. Denk aan de G1000-projecten in tal van steden, waar willekeurige burgers (soms bij loting aangewezen) debatteren over de toekomst van hun stad. 

Tegelijkertijd hebben ze er wel een verklaring voor. Met politicoloog Tom van der Meer constateren ze dat er weinig mis is met onze democratie, maar veel mis is met de bestuurscultuur van de oude partijen. De oude partijen beginnen hun grip op het geheel te verliezen en komen juist daarom, volgens Voermans en Waling, met al die voorstellen voor andere vormen van democratie. Let op: vanuit de gedachte dat die nieuwe vormen van democratie door de elite gemakkelijker zijn te bespelen dan de oude gemeenteraad.

Waarom zou dat zo zijn? Ten eerste verliezen de oude politieke partijen snel terrein in de gemeenteraden (vooral ten gunste van lokale partijen die veel meer een doorsnee zijn van de bevolking dan de hoogopgeleide vertegenwoordigers van de bestuurlijke elite). En ten tweede worden de uitkomsten van al die nieuwe vormen van inspraak, participatie, doe-democratie etc. vaak bepaald door de hoogopgeleiden. Als ze al een uitkomst hebben. Zeg maar, de mensen waarmee de oude elite veel verwantschap voelt. Er moeten dus nieuwe vormen van democratie komen, omdat de elite haar grip op de oude democratie aan het verliezen is.

Het is een interessante gedachte. Maar ben ik het ook eens met die stelling?

Ik heb me inderdaad al tijden verbaasd over die voorliefde voor andere vormen van democratie bij mensen die in de ‘oude democratie’ groot zijn geworden. Annemarie Kok vroeg zich eerder af: vanwaar toch die ‘weg-met-ons-mentaliteit’? Maar ik zag het vooral als een wanhoopspoging, vanwege die vermeende kloof tussen burgers en politiek. Vanwege het vermeende afnemende vertrouwen in politici. Ik zag het toch vooral als een poging om de burgers weer meer bij de politiek te betrekken.

Maar Voermans en Waling gaan veel verder. Zij zien de nieuwe democratische vormen als een instrument van de bestuurlijke elite om de macht vast te houden die gaandeweg in de gemeenteraden is verloren. Die veronderstelde kloof is geen kloof tussen politiek en burgers, maar een kloof tussen de huidige elite en de nieuwe burgers. 

Een aantal feiten valt niet te ontkennen:

Ten eerste: ik ken geen onderzoek dat aantoont dat gemeenteraden tegenwoordig minder functioneren dan vroeger, zeker als het primaire doel is van de gemeenteraad om de bevolking te representeren. 

Ten tweede: er is veel onderzoek dat aantoont dat al die nieuwe vormen van democratie (buiten de gemeenteraad om) vooral ten goede komen aan hoogopgeleiden en dat de Colleges van Burgemeester en Wethouders vaak subtiel gebruik dan wel misbruik weten te maken van de uitkomsten van die nieuwe vormen van democratie. 

Ten derde: al die nieuwe vormen van democratie zijn inderdaad nooit bedoeld om onderwerpen aan te kaarten die de politieke en bestuurlijke elite onwelgevallig zijn. Asielzoekers moeten wel een woning krijgen, vliegtuigen moeten wel blijven vliegen, Polen moeten hier wel kunnen werken, het klimaat moet wel veranderen. 

Ten vierde: vooral in sociaal-democratische hoek zijn veel voorstanders van de nieuwe vormen van democratie te vinden (Plasterk, Wallage etc). De PvdA is in de laatste decennia haar positie in het lokaal bestuur (in de gemeenteraden) geheel kwijtgeraakt. Lokale partijen hebben overigens geen nieuwe vormen van democratie nodig om contact te houden met de bevolking. 

Ten vijfde: nadat ze aanvankelijk enthousiast waren over het referendum, draaien oude politieke partijen momenteel dit instrument weer de nek om, mede omdat de uitkomsten helemaal geen ondersteuning waren voor hun beleid. Worden nieuwe vormen van democratie alleen toegejuicht zolang ze een middel zijn om het beleid van de politieke en bestuurlijke elite te legitimeren? 

Misschien zijn Voermans en Waling wel te cynisch, maar misschien was mijn geloof in de politieke en bestuurlijke elite nog te groot. Ik weet niet wat erger is. 

Lokale democratie is meer dan het uitbrengen van een stem

maart 15, 2014 by  
Filed under artikel

De NRC maakt zich zorgen over de gemeenteraadsverkiezingen. Beter gezegd: over al die kritiek op de gemeenteraadsverkiezingen. “Daarom is het jammer dat, ook van wetenschappelijke zijde, de laatste tijd zoveel twijfel is uitgesproken over het nut van de komende verkiezingen”. Ik ben wetenschapper en ik heb kritiek uitgesproken over het nut van de komende verkiezingen. Leuk om te reageren. 

Uit het, zoals wel vaker, tuttige commentaar van de NRC spreekt zorg over de lokale democratie. Die zorg deel ik. Maar zorg om de democratie mag niet betekenen dat de bestaande instituties tot in lengte van jaren worden verdedigd. Zorg om de democratie vraagt juist om een permanent debat over de inrichting van de democratie. En die lokale democratie behoeft onderhoud, groot onderhoud zelfs.

Mag ik vier argumenten noemen?

Veel burgers stemmen ook komende woensdag op grond van ‘landelijke overwegingen’. Dit betekent dat het oordeel over het kabinet het denken over de lokale politiek overheerst. Dit betekent dat de gemeenteraadsverkiezingen een goede opiniepeiling zijn over het kabinetsbeleid. Als het kabinetsbeleid negatief wordt beoordeeld, zullen in nagenoeg alle gemeenten PvdA en VVD ten opzichte van 2012 verliezen; als het kabinetsbeleid wordt goedgekeurd zal het omgekeerde gebeuren. Terecht maakt de PvdA dan ook reclame met Jeroen Dijsselbloem en Jetta Klijnsma. Zie de grote posters op de stations. Maar als ik op Jetta stem, spreek ik ten onrechte geen oordeel uit over de daden van de lokale PvdA, over verkiezingsprogramma’s en over kandidatenlijsten. En daarover horen die verkiezingen te gaan. En als ik niet op Jetta stem, heeft dat geen directe gevolgen voor positie in Den Haag. Wie wordt er woensdag op wat afgerekend? Democratie?

Na de verkiezingen vormen de partijen colleges en kiezen de gemeenteraden hun wethouders. Als burger heb ik geen idee met welke partijen mijn partij zou willen samenwerken en waarom. Het land overziende lijkt collegevorming één grote toevalstreffer. Bovendien hoeven wethouders sinds een jaar of 10 niet meer in de raad te zijn gekozen. Nog erger: ze hoeven niet eens in je eigen gemeente te wonen. Zo is straks niet alleen de samenstelling van het college een grote verrassing voor mij, dat geldt te meer voor ‘mijn’ nieuwe wethouders. Democratie?

In de loop der jaren zijn gemeenten en Rijk steeds meer met elkaar verweven geraakt. Gemeenten zijn daarbij vooral uitvoerders van Rijksbeleid geworden. Ja inderdaad, ook van het beleid van Jetta Klijnsma. Dit betekent dat het accent in de gemeente steeds meer is verschoven van ‘politiek’ naar ‘bestuur’. Daarom heb ik tegenwoordig liever een goede en zorgvuldige wethouder dan een linkse megalomane. Nog meer reden om na te denken over een systeem waarin burgers hun bestuurders rechtstreeks kiezen. Democratie?

Ten slotte wordt tussendoor zo af en toe een nieuwe burgemeester benoemd. De mening van de gemeenteraad is daarbij doorslaggevend. Maar het proces dat aan de benoeming vooraf gaat is volstrekt onduidelijk. De burger wordt al weer geheel genegeerd. Overigens geeft deze wijze van benoemen de burgemeester intern ook zo weinig mandaat dat hem het bestuur van de gemeente (door de wethouders) nimmer volledig wordt toevertrouwd. Democratie?

Is het duidelijk? Dat kritiek op de democratische instituties kan voortkomen uit een nog grotere zorg om die democratie? Waarbij we bijna vergeten dat democratie sowieso meer behelst dan het uitbrengen van een stem.

Politici verdienen wachtgeld (Trouw, Radio 1)

mei 31, 2013 by  
Filed under artikel

wachtgeld1Minister Ronald Plasterk beëindigt de wachtgeldregeling voor raadsleden per 1 juli. Raadsleden krijgen geen wachtgeld meer als ze na de volgende verkiezingen niet meer worden gekozen. Zijn argument is helder en op het eerste gezicht overtuigend: het lidmaatschap van de raad is een nevenfunctie. En waarom zou je nog betaald moeten worden voor een nevenfunctie uit het verleden, terwijl je goed kan leven van je echte baan? Veel gemeenten hadden de wachtgeldregeling voor raadsleden al eerder afgeschaft. Van een forse beleidswijziging is dan ook geen sprake.

Toch bekruipt me bij dit besluit een onaangenaam gevoel. De stap van wachtgeldregeling naar ‘zakkenvullers’ is in de beleving van veel mensen een kleine, hoe onterecht ook. De media schrijven gretig over politieke ambtsdragers die ‘veel geld meekrijgen’ na een mislukte politieke carrière. Soms lijkt het alsof iedereen die met ‘wachtgeld weggaat’ al een ‘exces’ is. Publieke opinie en populisme liggen hier niet ver van elkaar.

Laat duidelijk zijn: dat zijn niet de argumenten van Plasterk. Maar hij distantieert zich ook niet nadrukkelijk van de publieke opinie. Dat is wel nodig. Het wordt tijd voor een pleidooi vóór wachtgeld voor politieke ambtsdragers, en vooral voor een pleidooi voor de lokale politiek. Voor wethouders en raadsleden. (Dezelfde argumenten die ik daarvoor hieronder geef, gelden trouwens voor leden van Gedeputeerde en Provinciale Staten en de meeste ook voor ministers en Kamerleden.)

Wethouders

Ik start met de wethouders. Gewezen wethouders krijgen een wachtgeldregeling gedurende eenzelfde periode als ze hun functie hebben vervuld, met een minimum van twee jaar en een maximum van drie jaar en twee maanden. Wethouders die minder dan drie maanden in functie zijn geweest, krijgen zes maanden wachtgeld. Het wachtgeld is in het eerste jaar 80 procent en in het tweede jaar 70 procent van het laatst genoten salaris. Wie bij aftreden ouder is dan 55 jaar en meer dan tien jaar wethouder is geweest, krijgt wachtgeld tot zijn pensioen. Alle inkomsten uit reguliere banen of nevenfuncties worden gekort op het wachtgeld. Je wordt geacht actief uit te kijken naar ander werk en naar andere inkomsten.

Het is volstrekt logisch dat een wethouder recht heeft op wachtgeld, zoals een normaal mens recht heeft op WW. Oké, er is één belangrijk verschil. Een wethouder krijgt ook wachtgeld als hij zelf ontslag neemt. Maar daarvoor zijn goede redenen.

Ten eerste waarderen we het in de politiek als mensen de eer aan zichzelf houden en er blijk van geven dat een ander beter het stokje kan overnemen. We zijn zelfs vol lof als een bestuurder zijn verantwoordelijkheid neemt voor een ambtelijke fout, ook als hemzelf geen enkele blaam treft. Moet een wethouder die zo integer omgaat met zijn formele verantwoordelijkheid, meteen de bijstand in als hij zijn consequenties trekt?

Ten tweede is het wethouderschap maar zelden een mooie stap in je carrière. Beter gezegd: het is vaak een zijpad waar je carrière niet veel beter van wordt. De meesten worden ook geen wethouder om daarmee een mooie carrière af te dwingen, ze worden vooral wethouder om de publieke zaak te dienen. En omdat ze ongetwijfeld worden gegrepen door ‘de politiek’. Mag je dan niet nog een tijdje wachtgeld hebben als je je weer moet oriënteren op je oude werkkring, als daar ooit nog een baan te vinden is?
Ten derde: actief zijn in de lokale politiek is een lovenswaardige vorm van burgerschap. Laten we het simpel houden: in mijn ideale samenleving is er een overheid. En in mijn ideale overheid delen burgers de lakens uit en houden andere burgers toezicht. Om de democratie in stand te houden heb je dus burgers nodig die bereid zijn om hun tijd en vaak hun carrière op te offeren aan de publieke zaak. Er is niets op tegen om mensen voor die houding te belonen.

Raadsleden

Natuurlijk, voor raadsleden gelden deze argumenten veel minder. Het lidmaatschap van een gemeenteraad is geen baan en er zijn ook goede redenen om het niet als een baan te gaan zien. Het is goed als raadsleden horen wat er in de samenleving leeft en draaien niet alleen rondjes in het stadhuis. Daarom is het goed dat ze een gewone baan hebben naast hun raadslidmaatschap. En: hoe meer je het raadslidmaatschap honoreert als een echte baan, hoe meer het zich ontwikkelt tot een echte baan. Dan wordt het onbereikbaarder voor iemand die het naast zijn werk erbij wil doen.

Daar staat wel wat tegenover. Het raadslidmaatschap vraagt vooral in grote steden erg veel energie en tijd. Er gaan miljarden in het bestuur om; het toezicht moet professioneel worden uitgevoerd. Dat doe je niet in een paar avonden per week. En wie de helft van zijn tijd kwijt is aan een raadslidmaatschap, zo niet meer, kan het maken van een carrière wel vergeten. Na afloop van je raadsperiode, kom je dan ook vaak met achterstand terug op de arbeidsmarkt. Stel dat je acht jaar keihard hebt gewerkt aan de lokale democratie, mag je dan niet even de tijd krijgen om je normale werk weer op te pakken voordat je meteen een inkomensval maakt?
En ook hier, of misschien wel juist hier: raadslid worden is een vorm van burgerschap. Wie doet het hen na?

Sociale media

Lokale politici verdienen dus een solide wachtgeldregeling, óók de raadsleden. Het argument dat het slechts om een nevenfunctie gaat overtuigt me uiteindelijk niet. Het gaat hier tenslotte om degenen die de democratie niet alleen bemensen, maar ook mogelijk maken.
Hoe anders is het beeld dat de social media ons bieden. Wie bij Google zoekt naar ‘graaiers’ en ‘wachtgeld’ stuit op meer dan 20.000 hits. Wachtgeld is zo ongeveer identiek aan graaien uit de publieke middelen.

– De gemeente Delfzijl betaalt de huidige raadsperiode 4,7 ton aan wachtgeld! (Hoeveel WW ontvangen de ontslagen werknemers van uw bedrijf?).

– Een opgestapte wethouder van Nieuwegein wordt een jaar later wethouder in Amersfoort en zou ‘om die reden’ zijn wachtgeld moeten terugbetalen. (Zou er nog ooit een werkloze aan het werk gaan, als hij de inmiddels genoten WW en bijstand moet terugbetalen?)

– Een wethouder van Zwolle heeft na twee jaar nog geen nieuwe baan, waarover al weer schande wordt gesproken. (Zijn we weer helemaal terug in de tijd dat werkloosheid een kwestie is van ‘eigen schuld’?)

– Een wethouder van Utrecht weet het wachtgeld te beperken tot twee maanden, en wordt door haar eigen partijleider teruggefloten en ziet uiteindelijk af van 14.000 euro. (Waarom spreken we bij WW over 70 procent van het laatst genoten inkomen en gaat het bij wachtgeld altijd over het cumulatieve bedrag?)

– Om het beeld compleet te maken: Aleid Wolfson ziet op voorhand af van wachtgeld, als hij zijn afscheid als burgemeester van Utrecht bekend maakt. Ja, inderdaad nobel. Maar hij versterkt daarmee helaas het beeld dat wachtgeld er alleen is voor ‘graaiers’ en ‘profiteurs’.

Wachtgeld = graaier. Het is een naar sentiment. Dat blijkt ook uit iets anders: in de sociale media vind je geen enkel onderscheid tussen aan de ene kant ziekenhuisdirecteuren, directeuren van woningcorporaties, Balkenende-normen, excessen en misbruik, en aan de andere kant gewone brave politici die een normale werkloosheidsuitkering krijgen in de vorm van wachtgeld. Ja, het zijn vaak onderbuikgevoelens van mensen die zich op een of andere manier misdeeld voelen. Daarvoor bestaat een woord: populisme.

Kwaliteitsmedia

Dat sentiment beperkt zich niet tot de sociale media, je komt het ook in toenemende mate tegen in kwaliteitskranten en kwaliteitsprogramma’s op tv. Ook zij lijken het zakkenvullers-argument tegenwoordig salonfähig te maken. Elk vermeend misbruik van de wachtgeldregeling krijgt buitensporige aandacht, terwijl over het reilen en zeilen van gemeenteraden nog maar nauwelijks wordt bericht.

Ook in de kwaliteitsmedia lijkt het gebruikmaken van de wachtgeldregeling op zich al vaak verdacht te zijn. Natuurlijk, als de WW wordt versoberd, moet ook het wachtgeld worden versoberd. En het is terecht dat elk geval van misbruik aan de kaak wordt gesteld. Juist om de democratie te versterken. Maar wie alleen maar aandacht heeft voor wachtgeldregelingen, voedt het populistische idee van politici als zakkenvullers.

Vandaar mijn onaangename gevoel. We zien het populisme al tijden woeden in de sociale media, de kwaliteitsmedia doen er inmiddels aan mee en nu komt zelfs het kabinet tegemoet aan dat populistische gevoel, in plaats van zich daartegen af te zetten.

Die kant moeten we niet op. Waarom hebben we niet veel meer oog voor de kwetsbare positie waarin wethouders en raadsleden verkeren? Voor het gescheld via sociale media of voor de reële bedreigingen die aan hun adres worden geuit? Waarom hebben we niet veel meer oog voor de kwaliteit van raadsleden en wethouders? Te meer daar een dalend aanzien van plaatselijke politici onherroepelijk leidt tot een tanende kwaliteit. Waarom spreken we niet meer over de mogelijkheden om hen beter te laten functioneren? Dat zijn de echte thema’s waarover we het zouden moeten hebben.

Daarom is het zo verkeerd om mee te gaan in het idee van graaiers en zakkenvullers. En zou het juist goed zijn om raadsleden eerder te veel dan te weinig te belonen. En om het lidmaatschap van de raad juist met een goede wachtgeldregeling interessanter te maken. Want het echte probleem is niet het teveel aan wachtgeld, maar het gebrek aan kwaliteit van veel raadsleden. Er zijn domweg te weinig mensen die hun tijd nog willen besteden aan het raadswerk. En dan is een afnemende kwaliteit helaas onvermijdelijk.

Natuurlijk, ook ik weet dat het afschaffen van de wachtgeldregeling voor raadsleden vooral een symbolisch gebaar is. Maar het is zo jammer dat het zo bevestigend is. Het bevestigt een populistisch beeld over politici, en het draagt eraan bij dat het aanzien van de gemeenteraden afneemt, terwijl het tegenovergestelde nodig is om meer goede kandidaten te werven.

[verscheen op zaterdag 1 juni 2013 in Trouw]

wachtgeld2 wachtgeld3

 

De discussie kreeg ook een vervolg bij het programma De Lijn op Radio 1. Dat interview is hieronder terug te zien en te horen:


 

NRC Handelsblad 6 november 2012: Eindelijk een nieuw lokaal bestuur

november 8, 2012 by  
Filed under artikel

Verschenen in: NRC Handelsblad
Geschreven door: Wim Derksen

En weer staan gemeenten en provincies ter discussie. Rutte-II wil gemeenten van minmaal 100.000 inwoners en er blijven nog maar vijf provincies over. Het eerste geklaag is al te horen. ‘Bestuurlijke reorganisatie wordt bij ons toch nooit wat’. “Wat blijft er zo nog over van de lokale democratie?’ Maar dat is niet terecht. Het is een goed plan en de omstandigheden zijn er zo langzamerhand rijp voor. Ik geef zeven argumenten.

Twintig jaar geleden verzetten bijna alle gemeenten zich nog tegen een herindeling, uitgezonderd de gemeenten die hun grondgebied zagen uitgebreid. Nu verlangen veel gemeenten naar een herindeling, om beter opgewassen te zijn tegen hun taak. Zij zoeken fusiepartners of gaan verregaand met de buren samenwerken om na een paar jaar alsnog te fuseren.

Dat heeft alles te maken met de overdracht van rijkstaken naar gemeenten die al jaren gaande is en die steeds meer gemeenten voor grote problemen stelt. Maar dat niet alleen: die overdracht van rijkstaken accentueert hoezeer de gemeente tegenwoordig vooral een uitvoerder van rijksbeleid is. Het romantische idee van de gemeente als democratisch bestuur van de lokale gemeenschap is steeds meer verleden tijd.

In dat opzicht heeft al dat herindelen van de afgelopen vijftig jaar (van 900 naar 400 gemeenten) zijn effect ook gehad. Veel gemeenten hebben al een schaal die niet meer aansluit bij de schaal van de lokale gemeenschap, voorzover die overigens ook nog bestaat. Bovendien zijn veel regio’s in een permanente staat van herindeling geraakt. Nieuwgevormde gemeenten worden soms binnen tien jaar opnieuw heringedeeld. Dan wordt het tijd om een keer rust te brengen en te kiezen voor een helder idee van het lokaal bestuur.

En als we nu toch allemaal aan het fuseren zijn, laten we dan ook meteen kiezen voor een schaal waarop veel te winnen valt. Gemeenten van 100.000 inwoners zijn niet alleen robuust, ze bieden ook een oplossing voor veel van die grensoverschrijdende zaken waarmee gemeenten op dit moment te maken hebben. Niet voor alle, maar wel voor een belangrijk aantal.

Alle voorgaande pogingen om het binnenlands bestuur te reorganiseren waren vooral een zoektocht naar een nieuw regionaal bestuur. De oplossingen waren vaak gekunsteld en gingen bijna altijd ten koste van provincies en gemeenten. De tegenstand was daarmee ingebouwd. En een volgende mislukking lag op de loer. In de nieuwe plannen blijven de gemeenten bestaan. Van veel gemeenten is steun te verwachten. En andere gemeenten zullen accepteren dat zelfstandig voortbestaan een illusie is.

Ook de provincies krijgen een nieuw perspectief. Ze gaan fuseren op het niveau van landsdelen. De waterschappen gaan op in het provinciaal bestuur. En het takenpakket van de provincies wordt veel transparanter: minder eigen beleid en meer schakelen tussen nationale en lokale belangen. Een logisch voorstel, dat op steun kan rekenen van veel provincies.

En die lokale democratie dan? Ten eerste: in veel gemeenten wordt op dit moment geklaagd over het niveau van de gemeenteraad. Dus opschaling zou ook in dit opzicht wel eens een oplossing kunnen zijn. Ten tweede bieden de plannen ruimte voor een nieuwe vorm van lokale democratie in de dorpen, in de kleine gemeenschappen, zonder de balast van de uitvoering van al die rijkstaken. Laat burgers in hun eigen omgeving beslissen over de zaken die alleen hen aangaan.

Wim Derksen

Hoogleraar bestuurskunde Erasmus Universiteit Rotterdam