Top 200 van de macht als bladvulling van @Volkskrant

december 17, 2016 by  
Filed under artikel

En daar hebben we hem weer: de top 200 van de macht van de Volkskrant. Ik heb lang meegedraaid in Den Haag en ik heb lang onderzoek gedaan naar macht. Maar deze top 200 is een kwaliteitskrant onwaardig. Natuurlijk, we herkennen allemaal veel mensen. Natuurlijk, de betrokkenen zullen het leuk vinden als ze een plaatsje zijn gestegen. Maar wat zouden we zeggen als het om de Top 200 van de macht van de Nieuwe Revue zou gaan? Ik vrees dat velen zich dan een beetje zouden generen als ze op zo’n lijst zouden staan.

Als wetenschapper is mijn conclusie: het is onzin.

Als wetenschapper weet ik ook dat het verschrikkelijk moeilijk is om vast te stellen wie ‘macht’ heeft. De Volkskrant beseft dat blijkbaar ook door verderop in de krant alleen over ‘invloed’ te spreken. Dat klinkt wat vriendelijker. Maar op de voorpagina wordt toch echt de Top 200 van de macht aangekondigd. Laten we eerst eens proberen om ‘macht’ te definiëren: macht is het vermogen om je zin te krijgen door iemand anders tegen zijn wil in iets te laten doen of besluiten. Er zijn vele varianten van deze definitie, maar de meeste politicologen zijn het er wel over eens dat het bij macht gaat om een vermogen (het is niet eenmalig), om je zin te krijgen (ze doen wat ik wil), tegen de zin van anderen in (je hebt pas macht als ze je ook je zin geven als ze dat eigenlijk niet zouden willen).

Maar hoe stellen we dan vast of iemand macht heeft? Daarover zijn de politicologen het niet eens. Aanvankelijk zocht men vooral naar de reputatie. Als anderen vinden dat ik macht heb, zal ik wel dat vermogen hebben etc. Maar heb ik dat vermogen etc dan ook werkelijk? Geen idee. Om die reden ging een volgende generatie politicologen aan de slag met het grondig analyseren van besluitvormingsprocessen. Interessant, een stap verder, maar als mensen nu eens anticiperen op mijn macht en om die reden al op voorhand mijn standpunt delen? En als over onderwerpen nu eens geen besluiten worden genomen? Dus ook die analyse van besluitvormingsprocessen zegt niet alles.

Toen kwam de gedachte op dat netwerken, zeg maar contacten, misschien wel iets zou zeggen over de verdeling van macht in een samenleving. Als iemand er dichtbij zit, is de kans toch groter dat hij iets te zeggen heeft. Maar ook die analyse vertoont grote gaten. Ten eerste betekent ‘er dichtbij zijn’ niet zonder meer: je zin krijgen. Nee, in feite zegt het eigenlijk niets. Ten tweede: we weten niet in welke netwerken de macht werkelijk wordt uitgeoefend. Zo onderzoekt de Volkskrant elk jaar wie in het bestuur van het Concertgebouw zit, alsof daar wordt besloten over het macro-economisch beleid of over de decentralisatie van de AWBZ.

Wat de Volkskrant precies doet is overigens niet duidelijk. Ik begrijp dat dit jaar één onderzoeker, Jeroen Hendriks, een lijst heeft opgesteld en dat de redactie daar een sappig verhaal bij heeft geschreven. Jeroen Hendriks baseert zich ten eerste op een netwerkanalyse. Vervolgens komt er een computermodel bij van pas, hetgeen de indruk wekt dat er echte wetenschap wordt bedreven. En ten slotte worden de uitkomsten van het onderzoek “bijgesteld na een journalistieke ‘reality check’ via vertrouwelijke gesprekken met prominenten uit de elite” (ja, ja, de eerder genoemde reputatiemethode!). Ten slotte worden Koning en Koningin, kabinet en Tweede-Kamerleden, buitenlandse bestuurders en niet bestuurlijke actieve rijke ondernemers (sic!) en opinieleiders uitgesloten. En zo komt Hans Wijers voor de derde maal bovenaan. En staat Wouter Bos als directeur van het VUmc tot zijn schrik dit keer op plaats 48.

Ik vond het eenmaal wel grappig. Maar bij de zoveelste keer denk ik: bladvulling. Ik stel voor dat de Volkskrant het onderzoek voortaan in de zomer publiceert. In de komkommertijd.

Recensie ‘Kennis en beleid verbinden’

november 1, 2012 by  
Filed under Geen categorie

Verschenen op: Beleidsonderzoek Online
Geschreven door: Thijs Lenderink

Wim Derksen is hoogleraar bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en heeft een adviespraktijk. Zijn werkervaring op het snijvlak van wetenschap en beleid bij onder andere VROM/RPB, en de mede door hem verzorgde masterclass ‘Kennis voor beleid’ (najaar 2010), zijn aanleiding voor het besproken boek. Het boek is geschreven uit verwondering: Nederland heeft veel kennisinstituten, maar te veel onderzoek wordt niet gebruikt voor beleidsmatige doelen en te veel beleid wordt ontwikkeld op grote afstand van kennis. ‘Kennis en beleid verbinden’ is vanuit deze verwondering geschreven: het is bedoeld als boek voor de beleidspraktijk, het heeft geen wetenschappelijke pretenties. In zijn boek stelt Derksen, op een heldere wijze, veel kwesties aan de orde die in de beleidspraktijk maar zeker ook bij het beleidsonderzoek spelen.

Bij ‘kennis’ en ‘beleid’ gaat het in dit boek grotendeels over de relatie tussen kennisinstituten van de overheid en hun opdrachtgevers bij de departementen, opdrachtgevers die strategisch beleid maken. Een vrij kleine en ‘Haagse’ doelgroep dus, gezien het uitgangspunt van het boek dat het vooral voor de beleidspraktijk is bedoeld. Het boek heeft de facto een veel groter bereik. Vele anderen kunnen er inzichten aan ontlenen: onderzoekers, operationeel beleidsmakers, leden van begeleidingscommissies, et cetera. Dit is zeker een verdienste van Derksen, die transparant schrijft en een overzichtelijke structuur hanteert in dit boek: korte en krachtige hoofdstukken met veel aandacht voor herkenbare en actuele casussen. Zoals hij zelf aangeeft, gaat het daarbij om voorbeelden uit zijn praktijk, zoals de ruimtelijke ordening, de infrastructuur, het milieu, de volkshuisvesting: het ‘fysieke domein’.

In het eerste deel van het boek wordt de relatie tussen kennis en beleid beschreven, en definieert Derksen de begrippen. Kennis maakt de onzekere toekomst minder onzeker. Er is expliciete en impliciete kennis: expliciete kennis is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten, impliciete kennis is betekenis geven op basis van ervaring. Derksen beperkt zich tot expliciete kennis: kennis gebaseerd op nieuw en bestaand onderzoek, en hij verwijst voor impliciete kennis en kennismanagement naar anderen. Misschien kan dat in een tweede druk wel worden meegenomen?

Hoe meer (wetenschappelijke) kennis, des te beter kan de juistheid van de betreffende beleidstheorie ingeschat worden. Derksen maakt onderscheid tussen strategische kennis (richting, vormgeving beleid) versus operationele kennis (technische, juridische, politiek-bestuurlijke kennis). Operationele kennis is onmisbaar bij de concretisering en uitvoering van beleid. Strategische kennis biedt nieuwe antwoorden op bekende vragen, of leidt ook tot nieuwe vragen.

Kennis betreft niet alleen het beleid zelf, maar ook het gedrag van burgers en beleidsmakers. Zo verwijst Derksen naar het WRR-rapport De menselijke beslisser (2010): cognitieve vaardigheden voor het maken van keuzes zijn beperkt, voorkeuren zijn vaak niet consistent en het ontbreekt vaak aan wilskracht om geplande keuzes uit te voeren. Kennis betreft dus ook kennis van machtsrelaties en kennis van onbedoelde bijwerkingen van beleid. Derksen beschrijft in een casus een ‘spel om de macht’ tussen het Rijk en gemeenten met betrekking tot beschermde dorps- en stadsgezichten: niet de inhoud van het beleid van het Rijk speelde volgens hem hier de boventoon, maar juist dat het Rijk het beleid van de gemeenten vergaand wilde bepalen, leidde tot een tegenreactie van gemeenten. De indeling die Derksen hanteert, is niet altijd even duidelijk: de kennis van menselijk gedrag, en deze casus, worden door Derksen geordend onder kennis van de werking van beleidsinstrumenten.

Als het gaat om de relatie tussen kennis en beleid, haalt Derksen twee modellen aan: het kennisgebruiksmodel (benadrukt onafhankelijkheid, gescheiden werelden van beleid en kennis) en het coproductiemodel (samenwerken in alle fasen). Derksen neemt een tussenpositie in, met nadrukkelijk behoud van eigen verantwoordelijkheden van onderzoekers en beleidsmakers. Via voorbeelden maakt Derksen zijn insteek duidelijk: niemand is de baas, beleidsmakers en wetenschappers moeten zich beiden in hun eigen domein verantwoorden. Hij formuleert dit later kort op een aansprekende manier: hij stelt dat beleidsmakers en onderzoekers zich om elkaar moeten bekommeren, maar zich niet met elkaar moeten bemoeien.

In het tweede deel van het boek schetst Derksen een handleiding voor beleidsmakers. Deze handleiding is natuurlijk ook een reflectie op wat hij zelf in diverse rollen (bij kennisinstituut, bij universiteit, als beleidsambtenaar) heeft ervaren, en wat hij van anderen heeft opgestoken. Hij pleit, mede op basis van eigen ervaringen met dergelijk overleg (en blijkbaar op basis van voortschrijdend inzicht), voor meer informeel overleg tussen departementen en kennisinstituten. Verder licht hij de begrippen kenniskamer (top beleidsmakers overlegt met top kenniswereld) en kennisagenda (strategische agenda departement) toe. Beleidsmakers moeten openstaan voor nieuwe kennisvragen, kennisinstituten moeten geen onderzoek doen waar geen behoefte aan is, en beide moeten beseffen dat veel kennis al bestaat. De ins en outs van het begeleiden van onderzoek worden herkenbaar beschreven. De rol van de media in het krachtenveld kennis-beleid beschrijft Derksen wat als te vanzelfsprekend. In de praktijk haalt natuurlijk lang niet al het (strategisch) beleidsonderzoek de pers.

Omdat het boek is geschreven vanuit zijn werkervaring, is het niet verwonderlijk dat de auteur zelf figureert in een flink deel van de gebruikte casussen. Zijn eigen opvattingen komen mede hierdoor in het boek duidelijk naar voren. En dat is interessant: het kan bij de lezer leiden tot vraag- en/of uitroeptekens. Soms gaat Derksen wat korter door de bocht, bijvoorbeeld wanneer hij schrijft over ‘bestelkennis’: minder diepgravende kennis die wordt geleverd door commerciële onderzoeksbureaus met de bereidheid om de conclusies aan de wensen van de opdrachtgever aan te passen. Gelukkig spaart Derksen ook zichzelf in het boek niet, wat ook tegengewicht biedt aan de indruk dat hij bij de beschrijving van een enkel praktijkvoorbeeld alsnog de kans aangrijpt het ‘laatste woord’ te nemen.

Aan het eind van het boek stelt Derksen terecht dat het boek nog meer een leerboek is dan een praktijkboek. In het boek beschrijft hij immers hoe het zou moeten gaan in de praktijk, op basis van zijn eigen ervaringen en inzichten. Zijn streven is het beleid te verbeteren door kennis en beleid (veel) intensiever met elkaar te verbinden. Hij bepleit, in navolging van evidence-based medicine, evidence-based policy. Hij stelt deze Angelsaksische term tegenover een andere Angelsaksische term: fact-free politics. Het moge duidelijk zijn dat hij daar geen vertrouwen in heeft. Ook introduceert de auteur de term ‘grenswerkers’: intermediairs die nodig zijn om kennis en beleid te verbinden. Zoals hij er zelf een was toen hij op een ministerie werkte. Dit interessante concept zou Derksen een volgende keer misschien nog wat verder kunnen uitwerken.

Ofschoon Derksen in een voetnoot impliciet een tweede boek aankondigt waarin met name onderzoekers worden aangesproken, raad ik beleidsonderzoekers aan juist ook dit boek te lezen. Het is voor hen minstens zo leerzaam om te weten hoe er vanuit beleid naar onderzoek wordt gekeken dan andersom. Ik heb het boek in ieder geval geboeid gelezen. Het levert me meerdere nieuwe inzichten op (bijvoorbeeld over de evaluatie van het krachtwijkenbeleid) en bruikbare handvatten voor de onderzoekspraktijk (bijvoorbeeld over de spelregels van begeleidingscommissies en over het ‘Belgische model’). Ik zie ook uit naar een eventueel tweede boek, zeker als het lukt om nog wat meer casussen uit het sociale domein te beschrijven (waar de gewenste rolverdeling tussen kennis en beleid misschien wat minder makkelijk is te realiseren).