Marathons en ultralopen [gelopen]

september 8, 2018 by  
Filed under artikel, lopen

Hieronder een lijst met alle door mij gelopen marathons en ultralopen sinds 2000, plus de nog geplande lopen.

Rotterdammarathon16 april 200003:49:17Loopgek, pp. 43-46
Rotterdammarathon22 april 200103:37:04
Amsterdammarathon21 oktober 200103:48:36
Rotterdammarathon21 april 200203:27:38
Berlijnmarathon29 september 200203:22:24
Rotterdammarathon13 april 200303:22:03
Leidenmarathon8 juni 200303:53:49
Rotterdammarathon4 april 200403:23:23
Leidenmarathon13 juni 200403:38:04
Berlijnmarathon26 september 200403:17:36
Apeldoornmarathon29 januari 200503:35:23
Texel60 km28 maart 200505:22:02Loopgek, pp. 133-136
Rotterdammarathon10 april 200503:27:22
Leidenmarathon12 juni 200503:28:44
Jungfraumarathon9 september 200605:00:48Loopgek, pp. 119-122
Bunschoten50 km12 mei 200704:18:38Loopgek, pp. 29-31
Bruggemarathon8 juli 200703:27:00
Zeelandmarathon6 oktober 200703:35:53Loopgek, pp. 142-145
Spijkenissemarathon9 december 200703:36:07
Apeldoornmarathon3 februari 200803:40:54
Rotterdammarathon13 april 200803:18:27
Den Haag64.103 m [6-uurs]21 juni 200806:00:00Loopgek, pp. 79-82
Berlijnmarathon28 september 200803:29:32
Spijkenissemarathon7 december 200803:23:32
Apeldoornmarathon1 februari 200903:33:24
Texel60 km13 april 200905:14:01Loopgek, pp.133-136
Amersfoortmarathon14 juni 200904:00:41
Berlijnmarathon20 september 200903:13:56Loopgek, pp. 53-56, 65-70
Apeldoornmarathon21 februari 201003:32:48Loopgek, pp. 22-28
Rotterdammarathon11 april 201003:53:54Loopgek, pp. 47-49
Den Haag65.030 m [6-uurs]19 juni 201006:00:00Loopgek, pp. 83-86
Davos78,5 km [Swiss Alpine]31 juli 201010:20:44Loopgek
New Yorkmarathon7 november 201003:38:55
Rotterdammarathon10 april 201103:52:47
La Roche-en-Ardennemarathon5 juni 201104:32:08
Davosmarathon30 juli 201104:01:43
Berlijnmarathon25 september 201103:37:05
Amsterdammarathon16 oktober 201103:30:24
Rotterdammarathon15 april 201203:38:18
Den Haagmarathon13 januari 201304:33:14zie 1
Rotterdammarathon14 april 201303:44:07zie 2
Leidenmarathon26 mei 201303:47:54
Davos78,0 km [Swiss Alpine]28 juli 201312:45:41zie 3
Rotterdammarathon13 april 201404:12:55
Amersfoortmarathon15 juni 201404:10:23
Rotterdammarathon12 april 201504:26:34
Amsterdammarathon18 oktober 201504:07:04
Rotterdammarathon10 april 201604:04:16
Rotterdammarathon
9 april 201604:41:24

 

1 : Column over de strandmarathon

2 : Interview bij Radio Rijnmond

3 : Verslag in NRC

 

Afscheid van mijn teen

april 1, 2016 by  
Filed under artikel, lopen

Het einde is in zicht. Eindelijk. Ik heb er drie jaar tegen aan lopen hikken. Eigenlijk is het na de K78 van 2013 nooit meer helemaal goed gekomen. Beter gezegd: het was al niet goed toen ik die K78 liep. Vier maal naar de fysio in de voorafgaande week. Ingetapet 78 km lopen, met 2600 hoogtemeters. [Ik heb genoten.] En dat allemaal door die zweepslag. En die zweepslag kwam door die nieuwe schoenen. En die nieuwe schoenen had ik nodig vanwege die zere teen.

Zo draaide het leven een jaar of vier rond een zere teen. Meneer speelde op na een kilometer of tien. En meneer kreeg steeds weer nieuwe schoenen. Om meneer gunstig te stemmen. Met een paar van die nieuwe schoenen liep ik in 2014 de marathon van Amersfoort. Een beschadigde meniscus was het gevolg. Daarna liep ik in 2014  niet meer. In 2015 liep ik nog maar twee marathons. Die van Rotterdam met een voorbereiding van 12 dagen. Het ging. In Amsterdam liep ik in de kou en de regen net boven de 4 uur. Ja, met een opspelende teen.

Vanaf dat moment bereidde ik me voor op de marathon van Rotterdam op 10 april. Sommige weken gingen redelijk, andere weken sloeg ik de meeste trainingen over. Geen zin, vanwege de pijn. Of gewoon geen zin vanwege de regen. Of vanwege de kou. Of vanwege het donker. Mijn tolerantiegrens voor loopellende werd steeds gemakkelijker overschreden. Maar vorige week zat ik ouderwets op een schema van 5 trainingen. Een duurloop van 23 km, in keiharde wind in een kale polder. Zon, en ja, weer regen. En toen was het blijkbaar genoeg. Ik kreeg de schoenen niet meer aan.

Er is een belangrijke druppel die me nu, voor dit moment, heeft doen besluiten om die marathons verder te vergeten. Ik heb een nieuwe vriend. Beter gezegd een nieuwe liefde. Mijn fagot. We kennen elkaar al vele jaren. Maar we waren niet eerder zo onafscheidelijk. We studeren elke dag een paar uur. Hij gaat een paar keer per week op mijn rug met me mee. Gaan we lekker buiten spelen. In casu: in een bedompte kapel van een school, in een gymzaal in een wijkgebouw, in een concertzaal van een conservatorium. En om hem doe ik Alexandertechniek. Om nog meer één te zijn. En ja, hij vindt het niet fijn, al dat lopen. Het gaat niet alleen van zijn tijd af. Maar mijn lippen verliezen in die lange duurlopen ook de soepelheid waarop hij zo is gesteld. Dat wil ik hem niet langer aandoen.

Maar melancholisch is het wel. Wat waren de mooiste? Natuurlijk: die tweemaal Swiss Alpine, K78 te Davos. Elke meter kan ik nog steeds afspelen in mijn hoofd. Maar dat geldt ook voor die twee Zestig’s van Texel. De eerste keer in de regen, de tweede keer in de warme zon. En die vijfmaal Berlijn, met dat PR in 2009 [3:13:56]. En die 13 keer Rotterdam. Ja 13. Bijgelovig ben ik niet. Als ik eerlijk ben: vanaf die eerste marathon in 2000 in Rotterdam heb ik 10 jaar heerlijk gelopen. Afgezien van een langdurige overtraindheid in 2005 en 2006. Daarna is het verval erin geslopen. En nu is het einde daar. Het einde van al die schema’s, van al die punten, van al die kilometers, van al die trainingen. Van loopgek naar fagotverliefd. Tenzij.

En nu vermengt de pijn van de teen zich met de pijn van het afscheid.

Maar ik heb genoten! Ik raad het iedereen aan. Koop een paar goede schoenen. Koop een paar broekjes, een regenjackje. Die shirtjes krijg je wel bij de marathons. En ga lopen!

Swiss Alpine 2013

juli 31, 2013 by  
Filed under lopen

swissalpine2013
Verschenen in: NRC.Next 30 juli 2013 en in NRC Handelsblad op 31 juli 2013
Geschreven door: Wim Derksen

Om 7 uur staan we aan de start. Het is mijn tweede K78, het hoofdonderdeel van de Swiss Alpine. Een loop van 78 km, met 2650 hoogtemeters. 2650 meter stijgen en 2650 meter dalen. Start en finish in Davos. De eerste 30 km lopen we in. Netto dalen we 500 meter. Daarna begint het echt. Bijna non-stop klimmen van 980 naar 2739 meter. Hardlopend, wandelend, soms op handen en voeten. Ik weet nog hoe misselijk ik de vorige keer was, nadat ik de top had bereikt. En hoe pijnlijk de afdaling naar de finish.

Angst voor wat komen gaat bepaalden de laatste dagen. De tweede keer is nog erger dan de eerste. Ik weet wat me te wachten staat. Ik hou van de Swiss Alpine, maar wat kan ik hem ook haten. De laatste nachten houdt de adrenaline me uit de slaap. Vanmorgen om half 5 opgestaan. Om 5 uur een paar pannenkoeken met rozijnen. Daarna alleen nog maar zenuwen. Om 6 uur in het atletiekstadion. Drinken, plassen, drinken. Lange rijen voor de wc’s, omdat ze te veel hebben gegeten. Uit angst.

Wachten in het startvak. Gejuich bij het startschot. Emoties bij de start. Het is wél onze Elfstedentocht. 1300 lopers, uit vele landen. Mannen, vrouwen, van alle leeftijden. Dé ultraloop van Europa. Ons feest. Maar, als we eenmaal lopen, is het ieder voor zich. Er wordt niet gepraat. Opperste concentratie. In de eerste 30 km moet je niets verspillen. Koolhydraten aanvullen zolang het kan. Niet vallen. Lopen met de handrem aan. Wie nu te hard loopt, komt zichzelf straks dubbel en dwars tegen. Alleen vooraan wordt gestreden om de overwinning. De rest loopt alleen langs zijn eigen meetlat. Jezelf bewijzen. De vaders van voorwaardelijke liefde lopen als schimmen met ons mee.

Om de Swiss Alpine te volbrengen, moet je vooraf verschrikkelijk hard trainen. Ik train al jaren 5 maal per week. De laatste 6 maanden is de duur en de intensiteit van de trainingen danig opgevoerd. Ik maak weken van meer dan 10 uur. Drie marathons, als training. Vooral zorgen dat je al die maanden heel blijft. Maar heel bleef ik niet. Longontsteking in februari. Al meer dan een jaar stekende pijn aan mijn voet. Drie podologen versleten in een half jaar. Drie paar nieuwe schoenen. Resultaat: een andere blessure. Elke week fysiotherapie. Ook in Zwitserland (“Aah, Sie sind sportverrückt!). Een lichtgroene tape houdt vandaag mijn linker kuit bij elkaar. En mijn voet ga ik vergeten. Met paracetamol.

In Filisur, na 30 km staan Arda en Bas, mijn vrouw en mijn hond, langs de kant. Heerlijk om ze te zien, zoals later in Bergün en Sertig Dörfli. Het zijn bijzondere momenten. Maanden stonden in het teken van de Swiss Alpine. Alles moest ervoor wijken. Het schema (trainingshulp.nl) was heilig. Vandaag 120 minuten interval, dan is het 120 minuten interval. Dan maar niet bij de buren op de koffie. Gedrevenheid. Loopverslaving. En daarmee moet je dan leven.
Bij Bergün voel ik me uitstekend, na 40 kilometer! Fris. Ik word overmoedig en bedenk me dat ik eindelijk weet hoe je een ultraloop moet indelen. Vooral: nooit forceren. Als het hellinkje te steil is, gewoon even wandelen. Ontspannen lopen. Genieten.

Zo simpel laat de Swiss Alpine zich niet verslaan. Hij is duidelijk zwaarder dan de vorige keer. Ze hebben er 400 hoogtemeters en zeven sneeuwvelden tussen gemoffeld. En hoe mooi het boven ook is – ik zag nog nooit zoveel gentianen -, het is bijna een luguber landschap. Met de grote besneeuwde toppen vlak naast ons, springen wij uren van steen naar steen.

Maar het ergste is de temperatuur. In Davos bijna 30 graden. In Rotterdam wordt bij dergelijke temperaturen de marathon afgelast. Bij ons worden slechts twee helikopters ingezet, om de gesneuvelden naar het ziekenhuis te brengen, of 1000 meter lager in een weiland te droppen. In elke bergbeek zoeken we verkoeling, het water van de drinkposten wordt tot schrik van de vrijwilligers niet opgedronken, maar over het hoofd gegoten. En toch blijft het smoorheet.

swissnrcNatuurlijk, de organisatie had ons vooraf gewaarschuwd. We moeten per uur minstens 1 liter drinken. Maar hoe doe je dat, als het lichaam zich daartegen verzet? Vijf kilometer na Bergün, en na 400 meter klimmen in een felle zon, gaat het licht bij mij plotseling uit. Weg is het genieten, weg is de euforie. In Tuors drink ik twee bekers, bouillon en iso tea lemon. Een kilometer verder in Chants weer. Maar nog een kilometer verder, komt alles er weer ongemengd uit. Ik klim door naar de Kesch Hütte, met de zekerheid dat ik te weinig gedronken heb. Ik zie medelopers met vochttekort onderweg liggen. In het cellofaan, wachtend om door de helikopter van de berg te worden gehaald.

Ik haal de Kesch Hütte wel. Om het drinken te bevorderen neem ik een banaan. Vijf seconden later, misschien 10, ligt hij in een blauwe emmer voor me. Ik word afgevoerd naar de EHBO, en een helikoptervlucht dreigt. Gelukkig is mijn buurman er slechter aan toe. Ik vraag om Cola, dat pas bij de volgende drinkposten wordt geschonken. Ik drink een liter en knap er zienderogen van op. Een wazig moment wordt gepareerd met rozijnen. Na ruim een half uur kan ik weer door. Er is nog 33 kilometer te gaan. En 400 hoogtemeters.

De rest van de tocht houdt Cola me op de been. En de verkoeling van bergbeken en sneeuwvelden. Na de Sertigpass dalen we nog 1300 meter tot de finish. Het lichaam wil liggen, de geest wil naar de finish. Ze voeren samen een heftige strijd. Pas 3 km voor de finish, als de speaker van het stadion uit het dal is te horen, overwint de geest. Wandelen is niet meer toegestaan, ik loop. Ik loop hard! Ik passeer een tiental strompelende medelopers. Ik kom stuiterend van de endorfinen het atletiekstadion in. Na de finish stuiter ik nog even door. Het is inmiddels kwart voor 8 ’s avonds. Wat houd ik van die Swiss Alpine! En ik weet het nu al: dit was niet de laatste keer.

Wim Derksen schreef ‘Loopgek’ (2011, Prometheus, Amsterdam)

Toelichting:
De K78 is het hoofdonderdeel van de Swiss Alpine. Voor de K78 hadden zich dit jaar circa 1200 deelnemers ingeschreven, waarvan ruim een kwart de finish niet heeft gehaald. Wim Derksen finishte na 12.45.41 als nr 621 van de mannen en nr 18 in zijn leeftijdscategorie (M60: mannen boven de 60). In 2010 liep hij zijn eerste K78, in een tijd van 10.20.44. In dat jaar was hij nr. 51 in zijn leeftijdscategorie (M55). Zijn eerste K78 stond centraal in zijn boek ‘Loopgek’, waarin hij beschrijft hoe hij verslaafd is geraakt aan het lopen.

Voeding
De dag ervoor: lunchen met pannenkoeken, dineren met pasta en appeltaart, voor het slapen gaan nog twee pannenkoeken. ’s Morgens vroeg: twee pannenkoeken en yoghurt. Eén liter sportdrank. Onderweg: 4 ‘gelletjes’ (120 kCal per stuk) en 9 Energy Blocks (20 kCal). Rozijnen. Sportdrank bij drinkposten.

Trainingsschema
Het schema bouwt op, tot ongeveer drie weken voor de loop. De laatste twee weken afbouwen (‘taperen’). Zwaarste week: 3 weken voor de Swiss Alpine (maandag 30′ duurlooptempo, 20′ heel snel (11 km); dinsdag 120′ crosstraining sportschool; woensdag 130′ snel met korte intervallen langzaam (25 km), donderdag rust, vrijdag rust, zaterdag 194′ lange duurloop (33 km); zondag 94′ spinning sportschool; totaal: 600′, 69 km, 6380 kCal.

Na de Swiss Alpine volgen een paar rustdagen. Daarna wordt de training op een lager niveau hervat. Vanaf de tweede week staan er weer 5 trainingen op het programma. Toch zal de Swiss Alpine wel een week of 6 voelbaar blijven bij de trainingen.

3512244_orig

Rotterdam Marathon als begin van nieuwe loopbaan

april 15, 2013 by  
Filed under lopen

Ik durf het nu wel toe te geven. Die dramatische marathon in januari, van Den Haag naar Noordwijk en terug, over het strand, had mijn zelfvertrouwen een aardige knauw gegeven. Strand is geen asfalt, maar toch. 4 uur en 33 minuten. En dat niet alleen. Het laatste uur moest ik steeds maar weer wandelen. Ik had één goed excuus: ik had wellicht een kleine griep onder de leden. Midden op het strand had ik staan kotsen en zelfs voor mij was dat nieuw. Maar de week na de marathon was ik fit en trainde ik goed. Pas daarna kwam een periode van vier weken griep en longontsteking.

Het voelde niet goed. Moest ik concluderen dat het einde van mijn loopbaan was aangebroken? [Ja voor fanatieke lopers is het lopen een parttime baan.] In 2012 was alles al misgegaan. Slechts één marathon, in Rotterdam, met een nette tijd van 3:38. Maar meer zat er niet in. Steeds maar weer ziektes en blessures en steeds maar weer nieuwe marathons en nieuwe ultralopen plannen, nadat ik de geplande voorbij liet gaan zonder een stap te zetten. En de vervelendste blessure was die kromme teen. Alle mensen boven de 60 kunnen daarover besmuikt praten. Een hallux valgus. De grote teen staat naar binnen en drukt de voet zo naar buiten. In de knobbel die vervolgens knel komt te zitten in de schoen, ontstaat al gemakkelijk een ontsteking.

Ik had die rare hallux al een paar jaar. Lange tijd was het niet meer dan een dood gevoel in mijn grote teen, sporadisch afgewisseld door een ferme pijnscheut. Ik weet die pijn aan een steentje in mijn schoen. Maar kon dat steentje achteraf nooit vinden. Na de zomer van 2012 kwam de fase van de erkenning. Ja, ik had een hallux valgus. Ik bezocht drie podologen en kocht vele zooltjes. Ik deed al mijn dagelijkse schoenen weg en kocht vier nieuwe paren, allemaal ‘extra breed’. De nuchtere kijk van de derde podoloog bracht enige rust in het circus. Ze decreteerde niet, maar ze experimenteerde. Zoals een echte wetenschapper betaamt, en dat bleek ze ook te zijn. Alleen in een ander vak.

De pijn ging over, tenminste als ik niet hard liep. Dus bij het lesgeven, bij het schrijven van stukjes en bij het slapen. Tijdens het hardlopen was de pijn minder, maar nog niet verdwenen. Uiteindelijk schafte ik ook nieuwe loopschoenen aan, een maatje groter dan normaal. Ook dat nam weer een deel van de pijn weg. Maar nog steeds niet alle pijn.

Dan ga je denken. Is dit nu het einde van mijn loopbaan? Is nu alles afgelopen? Kan ik nu nooit meer vijfmaal per week trainen. Kan ik nooit mee zenuwachtig worden voor een marathon? Kan ik nooit meer de Swiss Alpine lopen? Wie aan het antwoord denkt, heeft geen woorden. En als dan zo’n strandmarathon ook nog eens helemaal misgaat, lijken al die angsten te worden bevestigd. Dit is het einde van mijn loopbaan. Nooit meer vijfmaal trainen, nooit meer Rotterdam, nooit meer Berlijn, nooit meer Swiss Alpine.

En om die reden was de Rotterdam Marathon van 14 april 2014 zo cruciaal. Ik had mezelf beloofd dat ik alle verdere plannen zou cancelen als ‘Rotterdam’ niet goed zou gaan. Geen Leiden Marathon in mei, geen Swiss Alpine in juli, geen Vredesmarathon in september, geen SPARK-marathon in december. Nee, gewoon maar een andere hobby zoeken.

En zo sliep ik slecht de nacht voor de marathon (heb ik overigens altijd) en zo was ik weer bloednerveus de uren voor de marathon (heb ik overigens ook altijd). En zo probeerde ik thuis weer niet te laten merken dat ik bloednerveus was. En zo besloot ik om de Goden niet te verzoeken en ging ik weg op een beschaafde tijd van 3:50. En remde ik enorm af toen ik merkte dat ik alras veel sneller ging. Ik wist dat ik sneller kon, maar was doodsbang dat ik me te pletter zou lopen. Allemaal braaf 26, 25, 27 minuten over de 5 km. In dat altijd weer prachtige Rotterdam.

Na het passeren van de halve marathon, durfde ik voorzichtig te denken dat het helemaal niet zo slecht ging. Ik liep lekker constant door. En bij de terugtocht over de Erasmusbrug, de Zwaan, kon ik er niet om heen dat de tweede beklimming mij veel minder zwaar viel dan andere jaren. Bij de onderdoorgang van het Blaakse Bos bedacht ik me dat ook de laatste lus al weer vorderde. In de Boezemweg genoot ik van de muziek en merkte ik dat ik zeer aanspreekbaar was. Het Kralingse Bos was veel minder lang dan andere keren. Alleen de kasseiën van Alexanderpolder vielen tegen, zeker nadat een een andere blessure onverwachts opspeelde. Na 36 km was die even onverwachts weer verdwenen. Bij het feest in Kralingen genoot ik en riep een toeschouwer dat ik alleen maar lachte. Ze kon niet zien dat ik even later heftig huilde. Op de Boezemweg begon ik high fives te geven en ontving een heerlijk spekkie, waarmee ik mijn suiker op peil kon houden. Bij het 40-km-punt wandelde ik nog even om wat te drinken, want ook het drinken ging de hele dag goed. De Mariniersweg valt altijd wat tegen, want loopt omhoog, ook vandaag. Maar daarna begon het echte genieten. De dikke rijen mensen die al snel tot enthousiasme konden worden overgehaald. De kinderen die weer high fives wilden hebben. De laatste bocht, de Coolsingel op. Stampvol. Vrolijk, blij. De heerlijke dreunende muziek. En die laatste 2195 meter gingen in 11 minuten.

Na de finish maakte ik een dansje met een levende banaan, en nog een dansje met een andere levende banaan. Om mij heen was er vooral stilte. Neerhangende hoofden. Lopers die wel die tik hadden gekregen tussen 35 en 39 km. Die tik wilde bij mij vandaag maar niet komen. Zoals me heel zelden eerder is overkomen. Mijn loopbaan is weer even gered. Volgende maand mijn 42e en in juli weer de Swiss Alpine.

Interview bij Radio over 1 Loopgek

maart 12, 2013 by  
Filed under lopen

Zie hieronder het interview met Wim Derksen over zijn boek ‘Loopgek’, op 6 september 2011 bij het Radio 1 programma ‘Dit Is De Dag’.

 

Training en verzorging voor wegatleten

maart 7, 2013 by  
Filed under lopen

De eerste training bij Haag Atletiek

Het was ergens in de maand mei van 1999, mijn eerste training bij Haag Atletiek. Mark Bovens had me overgehaald om eens mee te gaan. Samen trainden we elk jaar voor de Elfstedentocht, bijna elk jaar tevergeefs. Dat laatste was frustrerend. Het was de reden dat Mark samen met Michiel Oosschot in 1998 de eenmalige marathon van Den Haag had gelopen. Een marathon gaat altijd door, ook als hij eenmalig is.

Natuurlijk bezat ik wel een paar hardloopschoenen, alleen al voor de uitlooptraining op de Uithof. Maar goed genoeg waren ze niet. Om die reden schafte ik me voor de eerste training een paar nieuwe schoenen aan. Ik koos voor het merk met die prachtige naam: Diodora. Geen idee of het merk nog bestaat. Mooie, zachte schoenen, maar ook wel heel direct. Had ik ook nieuwe hardloopkleren gekocht? Ik weet het niet meer. Later zou ik een goede klant worden van de Hardloopwinkel, van Zier, van Run2Day en van Excelsior: heel wat korte en lange tights, heel wat sokken, heel wat truitjes en shirt-jes heb ik in al die jaren versleten. Eén ding is daarbij belangrijk: het moet vooral lekker zitten. En het moet niet zweten. Beter gezegd: niet te veel zweten. Daarom zijn gewone T-shirts zo ongeschikt om in te lopen. Binnen een kwartier loop je in een dweil, die al plakkend van je schouders neerdaalt tot tussen je benen. Als je eenmaal wedstrijden loopt, hoef je geen shirtjes meer te kopen. Vooral bij marathons worden rijkelijk loopshirts uitgedeeld. Het valt me op dat die shirts een steeds betere kwaliteit hebben. Waar je vroeger nogal eens genoegen moest nemen (nee: blij was) met een T-shirt met opdruk, krijg je tegenwoordig prachtige loopshirt die zo vochtdoorlatend zijn dat ze schijnbaar in alle omstandigheden droog blijven.

Loop je niet meteen kapot

Daar liep ik dan, die eerste training bij ‘Haag’. Leo Tolboom leidde de groep. Hij moedigde ons luid aan en ergens middenin het Hyacintenbos riep hij ons toe dat we 4:15 liepen. Ik had geen idee wat hij daarmee bedoelde. Ik draafde op dat moment nog lekker mee. Dat zou niet lang meer duren. Na een uur ging de kaars uit en strompelde ik achter de groep aan. Met moeite bereikte ik de Laan van Poot. Later op de dag was elke stoeprand te hoog. Ik besloot de maandagtraining over te slaan. Op woensdag meldde ik me weer bij het clubhuis, waar inmiddels was besloten dat Huib van der Sluis mijn trainer zou worden. Hij was vriendelijk, hartelijk en wijs. Hij keek het even aan en stuurde me na een kwartier weer naar huis. Eerst moest de blessure herstellen, voordat ik me weer bij hem mocht melden. Dat zou enige maanden duren.

Natuurlijk lag het aan mezelf. Ik was geheel schuldig aan mijn eigen ellende. Ik had me te veel uitgesloofd op mijn eerste training bij een atletiekvereniging. Maar ik was wel door iemand van die vereniging aan een veel te snelle groep toegewezen. En er bestond in die tijd ook geen mogelijkheid om wat minder intensief als ‘wegatleet’ van start te gaan bij Haag. Er waren drie trainingen per week, en die duurden gemiddeld zeker anderhalf uur. Voor een getraind iemand hoeft dat geen probleem te zijn; die kan wellicht zo instappen. Maar voor iemand die zich vooral op schaatsen had toegelegd, was anderhalf uur (erg) hard lopen gewoon te veel.

Nooit meer dan 10% meer dan vorige week

Er bestaat immers een simpele wet: loop nooit meer dan 10% verder dan de vorige week. Het klopt, dat is maar heel weinig. Maar ik heb nog veel vaker gemerkt dat het negeren van deze wet al snel leidt tot blessures. Er is één uitzondering: als je een goede marathon hebt gelopen, kan je je oude trainingsschema vaak wat sneller oppakken dan de 10%-regel eigenlijk toelaat.

Na mijn herstart in augustus ging het tijden goed, heel goed zelfs. Ik trainde intensief, driemaal per week. Maar begin november ging het andermaal mis. Voor die tijd had ik al last van shin splints, een veelvoorkomende klacht bij beginnende lopers die meteen te veel willen. In de eerste training van november, toevallig weer onder leiding van Leo Tolboom, ging er iets mis met mijn heup. Strompelend bereikte ik het clubhuis. En weer was ik gedwongen de training voor langere tijd te onderbreken, dit keer tot het einde van het jaar.

Oké, het was al weer allemaal mijn eigen schuld. Wim van Est, de co-trainer van Huib, had me meermalen gewaarschuwd dat ik mezelf in toom moest houden. Niet elke keer wegsprinten als het sein voor een snelle interval was gegeven. Niet altijd vooroplopen en een te hoog tempo volgen. Maar ik ben niet de enige. Ik heb in mijn tijd veel mensen in het eerste jaar zien afhaken. Soms al na een paar maanden. Vaak met een blessure. En natuurlijk is het waar dat hardlopen een kwestie van geluk is: de bouw van het lichaam bepaalt of je ertegen kan of niet. Maar toch is het van groot belang om (meer) oog te hebben voor de belasting van beginnende lopers. Het is zo mooi als mensen wél kunnen blijven lopen door hen iets intensiever te begeleiden.

Rekken en strekken zijn vooral goed tegen stijfheid

En dan ontkomen we niet aan de eeuwigdurende discussie over het belang van ‘rekken en strekken’. Veel trainers zweren erbij, juist om de blessuregevoeligheid van lopers te verkleinen. Even goed warm worden, alle spieren laten weten wat er straks van hen wordt verwacht. In mijn tijd werd er bij Haag veel tijd besteed aan rekken en strekken, zowel aan het begin als aan het einde van de training. Beter gezegd: het overkwam je vaak dat de eigenlijke training minder dan de helft van de tijd in beslag nam die we van huis waren. Gezellig was het ook. Het waren de momenten waarop je met je loopvrienden over alles en nog wat kon kletsen. Maar sinds ik vooral solo train, vanwege allerlei hier onbelangrijke redenen, rek en strek ik nog maar een paar minuten. En is mijn blessuregevoeligheid niet groter geworden. Ook wetenschappelijk onderzoek op dit punt spreekt elkaar nogal eens tegen. Er zijn gewoon mensen die geloven in het belang van ‘rekken en strekken’ en er zijn mensen die er niet in geloven. Ik merk tegenwoordig vooral één ding: door na afloop van de training wat te rekken en te strekken voorkom je veel stijfheid. Maar een relatie tussen rekken en strekken en het krijgen van blessures heb ik bij mezelf nooit kunnen vaststellen.

Wel zijn er andere middelen om blessures te voorkomen. Zo moet je leren onderscheiden wat een normaal pijntje is en wat eenvoudig tot een echte blessure kan uitgroeien. Bij die laatste pijntjes, is er maar één goed advies: stop de training en/of laat de volgende training vervallen. Eén dag niet trainen doet vaak al wonderen.

De zoektocht naar goede schoenen

Daarnaast kunnen schoenen een ernstige bron van veel ellende zijn. De genoemde Diodora bleken al na een paar maanden niet aan mij besteed. Ze liepen te soepel, ze gaven te weinig steun en ze waren te ‘direct’. Prachtige schoentjes, maar mijn voeten sleten er snel in weg. Daarna ben ik overgestapt op Asics Nimbus. Een schoen met veel demping. Dat beviel mij vele jaren. Waarmee niet is gezegd dat iedereen die schoen zou moeten dragen. Iedereen heeft zijn eigen voeten en elke voet heeft zijn eigen wensen. Zo mogen Asics Nimbus heel goed dempen, maar de andere kant van de medaille is dat je weinig contact hebt met de weg, met het asfalt en zelfs met een duinpad. Simpel gezegd: op schoenen die goed dempen, sta je minder stevig. En dat is weer een aanslag op je enkels. Zo kwam ik uiteindelijk uit bij de Brooks Glycerin. Met een kleine onderbreking door Saucony, vanwege ernstige klachten aan mijn achillespezen, loop ik nog steeds op deze Brooks. Echt schoenen die bij mij passen. Voldoende demping en voldoende directheid. En voldoende steun. En ik gooi ze weg als ze 1200 km hebben gelopen: daarna verdwijnt de demping, worden ze meestal te stijf.

Maar ik geef het toe: ik heb ook heel wat schoenen gekocht die de voorgeschreven 1200 km niet hebben gehaald. Soms wijt je een blessure aan je schoenen en laat je je te snel verleiden tot een ander merk in de hoop dat daarmee alle problemen vervlogen zullen zijn. Meestal is die hoop ijdel. Niet de schoen, maar te intensief trainen had de blessure veroorzaakt. Dan helpt de overstap op een andere schoen geen zier, nee, het is zelfs waarschijnlijk dat die andere schoen de blessure verergert of in korte tijd in een tweede blessure voorziet. Soms laat je je toch weer overhalen door een beginnende verkoper die meent dat je echt te kleine of te grote schoenen hebt (ook al heb je er 30 marathons op gelopen dan nog zijn er heel eigenwijze verkopers die doodleuk beweren dat je altijd op te kleine of te grote schoenen hebt gelopen). Eén keer heb ik zo’n geadviseerde miskoop na één training en na een schoonmaakactie met een tandenborstel doodleuk naar de winkel teruggebracht. In de andere gevallen bleven de schoenen heel lang in de kast liggen, mij elke keer weer opzadelend met een schuldgevoel.

Ga regelmatig naar de fysiotherapeut

Er is nog een middel om blessures te voorkomen: fysiotherapie. Zelf ga ik al jaren wekelijks naar mijn fysiotherapeute, die alles even controleert en alle scheve stukken weer even rechtzet. Want hoe meer het lichaam uit balans raakt, hoe groter de kans dat er blessures ontstaan. Soms helpt het even om een zooltje te nemen onder een van beide voeten. Maar ik adviseer wel: haal het zooltje meteen weer weg als de blessure daarmee is verdwenen, want anders zijn er weer nieuwe blessures te verwachten als gevolg van nieuwe disbalansen.

Ondanks al die kilometers: afvallen gaat niet vanzelf

Ach, verder is het allemaal heel simpel en vooral veel genieten. Goede schoenen, kleding die een beetje lekker zit en een goede trainer, en alles komt goed. En Haag heeft veel goede trainers. En laat je niks wijsmaken over eten en drinken. Een goede slok water in de wc is voor een training van anderhalf uur echt genoeg. In de zomer is het verstandig om nog eens langs een pomp te lopen. En na afloop is een sportdrankje, of een kop koffie (met suiker) helemaal genoeg. In veel hardloopbladen wordt geadviseerd om meteen na de training even wat te eten. Het is verstandig, zoals het ook goed is, of zelfs beter, om voor de training even iets te eten wat goed verteerbaar is. Maar let wel op met al dat eten! Velen denken dat ze door hardlopen gaan afvallen, het is mij nog nooit gelukt. Juist omdat je zoveel honger krijgt en daarom op de verkeerde momenten te veel gaat eten. Rondom de training iets eten is goed, op voorwaarde dat de rest van de dag minder wordt gegeten. Er is trouwens nog een andere reden waarom ‘aankomen’ waarschijnlijker is dan ‘afvallen’: spieren zijn zwaarder dan vet en de training zorgt er in ieder geval wel voor dat het overtollige vet verdwijnt en de spiermassa toeneemt.

Voorbereiden voor een wedstrijd

Bij velen staat het lopen in het teken van een wedstrijd. Bij mij ook. Een wedstrijd motiveert om te trainen en om steeds harder te trainen. Het klinkt gek voor iemand die al jaren vijfmaal per week traint, maar zonder een wedstrijd in het vooruitzicht kost het me moeite om steeds weer die hardloopschoenen aan te trekken. Ik heb een uitdaging nodig. Het vervelende is: een uitdaging blijft geen uitdaging. Eerst is een halve marathon een uitdaging, daarna een marathon. Maar ook een marathon went. En dan zijn alleen nog maar ultralopen of bergmarathons een uitdaging. Zo raak je in een fraaie vicieuze cirkel: om gemotiveerd te blijven voor vele trainingsuren moet de uitdaging steeds groter worden. En voor een grotere uitdaging moet je nog harder en langduriger trainen. Ik hoop maar dat niet iedere loper in die cirkel terechtkomt. Want het is een recept voor overtraining.

Loop niet in een borstrok in de zomer

Mijn eerste wedstrijd was een afstand van 10 mijl in het Westland. Ik had ergens een singletje opgeduikeld. Geen idee waar. Het was een soort borstrok, het leek wel gebreid van dikke wol. Kleur: zwart of donkerbruin. En dat midden in de zomer. Ik heb het ding na afloop meteen weggegooid. Natuurlijk nu wel een singletje en een loopbroekje in de clubkleuren van Haag Atletiek aangeschaft. Zeker bij wedstrijden waaraan veel Haag-atleten deelnemen en veel andere Haag-atleten langs de kant staan, is het heel verstandig om in de Haag-kleuren mee te lopen: het zorgt voor veel aanmoedigingen onderweg.

Kleren moeten lekker zitten. Geen ergernis geven onderweg. Maar bovenal moeten ze zijn afgestemd op de temperatuur. En dat is nu juist het grootste probleem. Voor een training is de stelregel tamelijk simpel: als je de deur uitgaat, moet het een beetje koud aanvoelen … Als je het behaaglijk hebt bij vertrek, zal na een paar kilometer blijken dat je het te warm hebt. Zweten, veel zweten is het gevolg. En vaak een vervelende training. Voor een wedstrijd is die stelregel niet genoeg. Dan is een singletje al gauw voldoende. Ik hanteer als stelregel dat ik bij een wedstrijd slechts een singletje draag met een korte tight of een kort hardloopbroekje als het warmer is dan 10 °C. Maar ja, als het hard waait kan het ook boven 10 °C wel eens verstandig zijn om een zweethemdje met korte mouwen onder je singletje aan te trekken.

Wie in een startvak van een wedstrijd goed rondkijkt, en bij een marathon heb je daarvoor vaak alle tijd, ziet dat de kledingwensen erg persoonlijk zijn. In elk geval is van belang dat je niet gaat afkoelen tijdens de wedstrijd of dat je je warmte niet kwijt kan. En die ‘grenswaarden’ kunnen voor iedereen verschillend zijn. Toen ik me meldde voor mijn eerste ultraloop en me in de kleedkamer wilde gaan omkleden, brachten de medelopers me erg in verwarring. Ze leken zich aan te kleden voor een poolreis. Allemaal truitjes, velen droegen een lange tight. Terwijl ik daar met een korte tight en een singletje aan het stoeien was. Achteraf was het kleedgedrag van mijn ultramakkers wel te verklaren. Ten eerste lopen ultralopers altijd langzamer en hebben ze om die reden een extra shirtje nodig. Ten tweede lopen de meesten van hen zo vaak dat ze geen grammetje vet met zich meedragen. En dus ook minder isolatie. Nee, dan zijn die truitjes zo gek nog niet.

Nieuwe sokken zijn een recept voor blaren

Voor de rest loop je bij een wedstrijd op je normale schoenen, tenzij het om een trail gaat in de bergen, waarvoor sommigen zwaardere schoenen kiezen. En gewone sokken. Let wel: draag tijdens een wedstrijd (marathon!) nooit nieuwe, ongewassen sokken. Het is een recept voor blaren. Terwijl ze toch zo lekker voelen. En om die laatste reden heb ik het proefondervindelijk kunnen vaststellen. Ik wist dat het niet goed was om nieuwe sokken te dragen bij een marathon. Maar ze voelden zo zacht. Dus ik moest en zou het proberen. Eigenwijs, ja. Na afloop zaten mijn voeten onder de blaren. Tegenwoordig pak ik een willekeurig paar sokken uit de kast voor een wedstrijd, als ze maar niet nieuw zijn.

De marathon

Als het over wedstrijden gaat, gaat het bij mij eigenlijk altijd over marathons of verder. Na mijn eerste loopje in het Westland volgden een halve marathon in Breda, een 10 km-loop bij Haag Atletiek, een halve marathon bij de CPC en mijn eerste marathon in Rotterdam in 2000. Daarna volgden vooral marathons.

Voor je een marathon loopt, moet je heel veel trainen. Ook hier is het principe simpel: als je harder wilt lopen, moet je harder trainen en als je verder wilt lopen (in een wedstrijd) moet je verder lopen in de training. Wie elk jaar dezelfde trainingen doet, kan een verdienstelijk loper zijn, maar zal zich nooit verbeteren. Ja, alleen door de toevallige omstandigheden zal hij nog eens een PR lopen, niet omdat hij beter is geworden. Daar komt nog iets bij: naarmate je ouder wordt, loop je langzamer. Dus alleen al om je niveau een beetje vast te houden zal je elk jaar harder moeten trainen … Ik zie dat velen dat niet meer opbrengen.

Door rustdagen word je beter

Als je een 10 km-wedstrijd wilt uitlopen, heb je aan drie trainingen per week echt genoeg. Natuurlijk, als je harder wilt, loont het om meer te doen. Maar als je een marathon wilt lopen, kan je niet volstaan met drie trainingen. Dan hebben vijf trainingen per week de voorkeur. En dat zestien weken lang. De twee rustdagen per week zijn er niet voor niets. Juist door rust in te bouwen word je beter. Insiders spreken hier over ‘compensatie’ en ‘supercompensatie’. Wie dus meer dan vijfmaal per week wil trainen, doet er beter aan om op één dag twee trainingen in te lassen dan om die laatste twee rustdagen te verbruiken. Voor mijn eerste marathon, in 2000, trainden we onder leiding van Huib vijfmaal per week. Op donderdag en vrijdag hadden we rust. Het was reden voor Bert Wentink en mij om elkaar na de woensdagse training een ‘goed weekend’ toe te wensen. Voor ons zat het weekend er in die tijd op zaterdag weer op. Meestal de dag van een lange duurloop.

Voor een marathon train je vooral in een laag of zelfs heel laag tempo. Om de marathon te kunnen uitlopen heb je niet meer nodig. Nou ja, niet meer … Voor velen zijn die zestien weken (langzaam) trainen al te lang. Ze knappen af door een blessure, door ziekte of omdat ze er helemaal genoeg van hebben. Van dat gehobbel in het donker en van die lange duurlopen in de duinen in het weekend. Dat is ook het bijzondere van de marathon: wie in staat is om zestien trainingsweken zonder blessures te doorstaan, zal de marathon zeker uitlopen. De meeste marathonlopers falen dan ook niet in de marathon, maar in de weken ervoor. Van de afvallers vallen de meesten in de laatste weken af. Dat is logisch, omdat er dan heel hard getraind moet worden en omdat al zo lang is getraind. Maar het is wel des te pijnlijker vlak voor een marathon te moeten besluiten dat het er niet in zit.

Heel veel kilometers, maar blijf doseren

In al die weken zit een opbouw. Steeds langere duurlopen, steeds meer kilometers in een week. Wel met rustweken om aan de supercompensatie te kunnen werken. Drie weken voor de marathon loop ik vaak mijn langste duurloop. Maar een trainingsloop is nooit zo ver als de wedstrijd die je gaat lopen. Voor een halve marathon hoef je geen halve marathons in de training af te leggen, voor een marathon loop je geen duurlopen van 42 km; 35 km is genoeg. In de wedstrijd zelf vind je altijd nog wel wat energie om die laatste 7 km door te komen. Daarvoor ga je diep. Als je tijdens de training ook zo diep zou gaan, zou je veel te veel tijd nodig hebben om te herstellen. Dat zou ten koste gaan van je trainingsweek. Ook is het onverstandig om de laatste tien-twaalf dagen nog lange duurlopen in de training op te nemen. Juist die dagen moeten in het teken van het herstel staan. Je hebt veel en hard getraind. Daarvan moet je uitrusten voordat de wedstrijd begint. Ja, om gek van te worden. Want je lichaam op dat moment wil alleen maar meer.

Wie een snellere marathon wil lopen, zal meer interval in zijn training moeten opnemen. Zo word je harder en zo loop je harder. Bij Haag was in mijn tijd het beleid dat de intervaltraining vooral in de laatste zes weken voor de marathon werd toegevoegd. De eerste zes tot tien weken stonden vooral in het teken van steeds langere duurlopen. Die werden de laatste zes weken overigens helemaal niet vergeten. Ze werden slechts aangevuld met zware intervaltrainingen. Het is opvallend dat anderen het omgekeerde voorschrijven: twaalf weken interval, waarvan de laatste gecombineerd met steeds verdere duurlopen. Zo schrijft Stefan Lamain van www.trainingshulp.nl mij de laatste jaren voor. Zijn argument is voor mij overtuigend: als je te lang en te veel duurlopen doet, loop je jezelf kapot.

Veel eten voor een marathon, maar niet te veel

Oké, we hebben heel hard getraind. Nu komt het aan op de laatste dagen. Probeer wat meer te slapen dan anders. Dat je de laatste nacht slecht slaapt door de spanning, is normaal. Het lichaam start altijd een paar dagen eerder met een marathon. Mijn lichaam smeekt ook altijd om koolhydraten, vanaf 48 uur van tevoren. Terwijl er bijna niet getraind wordt, wil het lichaam toch meer eten. Bang als het is voor de grote loop. Ook lopers onder elkaar willen nog wel eens overdrijven over de koolhydraatbehoefte voor een marathon. Inderdaad, zo’n marathon vraagt veel calorieën en de snelle calorieën zitten in koolhydraten. Maar het heeft daarom nog geen zin om het hele lichaam vol te proppen met koolhydraten! Het lichaam kan maar een beperkt aantal koolhydraten opnemen, in spieren en lever. Alles wat er daarna nog bij komt, komt er even snel weer uit. Ja, dat is een van de redenen voor al dat gepoep van marathonlopers, ook nog vlak voor de wedstrijd. De andere is: stress. Tegenwoordig eet ik de laatste dag uitstekend en vul ik dat de laatste avond aan met één extra groot bord pasta. Meer dan genoeg. Dus: niet drie dagen proppen. En op de dag van de marathon gewoon een paar boterhammen, minimaal twee uur voor de wedstrijd.

Veel drinken voor een marathon, maar niet te veel

Ook drinken is erg belangrijk. Huib van der Sluis liet ons drinken tot we ‘wit pisten’. Maar ook dat geeft al aan dat het lichaam op dat moment blijkbaar helemaal verzadigd is. Dus ook het drinken voor de wedstrijd moeten we niet overdrijven. Zo is het een vreemde strijd tussen het verstand en de zenuwen, de dagen voor een marathon. Ja, ook na 39 marathons komen die zenuwen nog steeds. Het verstand zegt: niet te veel eten, niet als een gek gaan drinken, maar de zenuwen lijken maar één ding te willen: eten en drinken. En zo lopen we steeds maar weer naar de wc. Hoeveel toi-toi-toiletten ook worden geplaatst, voor elke marathon staat het rijen dik te wachten. Allemaal te veel gedronken, en gelet op de stank, te veel gegeten op de dag voor en de dag van de marathon. Twee boterhammen op de dag van de marathon is genoeg. De laatste twee uur niet meer eten en niet meer drinken en vlak voor de wedstrijd nog een flesje sportdrank. Ja, dan wel, want als we eenmaal lopen raken de reserves snel uitgeput.

Knippen, afplakken en insmeren

Voor we zover zijn, vragen de laatste details veel aandacht. Het verschil tussen succes en ellende zit ook hier in de details. Knip een paar dagen van tevoren de nagels van je tenen. Dat voorkomt blauwe nagels. Althans dat schijnt bij anderen zo te zijn. Ik loop elke marathon één blauwe nagel op, ondanks al dat knippen. Mannen moeten ’s ochtends voor de wedstrijd hun tepels afplakken met leukoplast. Als je dat vergeet en het is een beetje warm, is de ellende niet te overzien: bloedende tepels. Ja, en vooral schrijnende pijn! Je smeert alle schuurplekken in met vet. Mannen ook hun edele delen. Vaseline voldoet uitstekend.

Besluit of je een zweetband gaat dragen of een pet tegen eventuele felle zonneschijn. Bij marathons moet je dat echt van tevoren beslissen. Bij een ultraloop als de Swiss Alpine vervoert de organisatie je spullen naar een loods halverwege, zodat je daar nog kan wisselen van bril, pet of band. Zelfs van kleren. Maar ja: hoe groter de keuzemogelijkheden, hoe gekker je wordt van onzekerheid. En leg je kleren en schoenen en al je spullen die je nodig hebt voor onderweg op tijd klaar, zodat je niet een paar uur voor de start nog al die beslissingen moet nemen.

Weet hoe hard je gaat lopen

En tussen al die voorbereidingen door heb je één belangrijke beslissing te nemen: hoe hard ga ik lopen? Als je te snel begint, kom je jezelf aan het einde dubbel en dwars tegen. Als je te langzaam begint, haal je dat nooit meer in. De kunst van het marathonlopen is vlak lopen en op tijd lopen. Soms besluit ik om pas na vijf kilometer, of zoveel eerder als dat mogelijk is, mijn definitieve keuze te maken. Wel de keuze uit twee mogelijke snelheden. We gaan niet onderweg nog weer eens alles ter discussie stellen! Ik denk al zoveel tijdens zo’n loop.

Eten en drinken onderweg

De verzorging onderweg is veel belangrijker dan ervoor. De dag voor de marathon zorg je voor extra koolhydraten en voor voldoende vocht. De uren voor de marathon moet je je juist beperken om te voorkomen dat jij bij de eerste boom of in het eerst plantsoentje halt moet houden. Tijdens de marathon daarentegen moet je zo veel mogelijk en vooral zo lang mogelijk eten en drinken. Energieblokken, gelletjes voor het eten, draag ik in een zakje bij me; de sportdrank en het water neem ik graag aan van de organisatie. Elke 5 km eten en drinken. Ik ben blij als ik bij de 30 km nog wat eten naar binnen krijg. En tot de laatste post moet je blijven drinken! Ik ontken niet dat ik vroeger veel moeite had om tot het einde te blijven drinken. Vaak lukte het na 25-30 km niet meer. Zo kwam ik nogal eens een tikje uitgedroogd over de finish. Zo ook tijdens de Jungfrau-marathon, waar vanaf 35 km geen verzorging meer mogelijk is, daar langs de rand van de gletsjer. Ik greep een hekje na de finish, zakte door mijn benen en werd al snel op een brancard afgevoerd. Na 5 kwartier in een berghut te hebben gelegen en 7 bekers thee en sportdrank te hebben gedronken, was ik weer helemaal het ventje.

Een beetje zout doet wonderen

Het was me vaker overkomen, dat ik na de finish even door mijn benen ging. Zelfs dat ik op een brancard werd gelegd. De echte oorzaak kende ik niet. Na de Jungfraumarathon werd de oorzaak me echt duidelijk: gewoon een tekort aan vocht. Of er nu wel of geen drinken werd aangeboden, na 30 km dronk ik niet meer. Mijn maag zat vol met water, dat niet meer werd opgenomen in het bloed. Eigenlijk is het heel simpel: een beetje zout doet in dat verband wonderen. Het vocht wordt immers veel sneller in het bloed opgenomen als het zoutgehalte hoger ligt. Vandaar dat ik vanaf dat moment altijd een klein flesje met heel zout water bij me draag. Een paar slokken onderweg, de maag stroomt door en ik kan blijven drinken! Ach ja, daarnaast neem ik vlak voor een marathon een diepe teug uit mijn inhaler Ventolin, na 20 km een tweede keer en als ik er puf voor heb bij 38 km een laatste slok.

Erger en erger

Na de eerste marathon snak je naar rust. Het duurt officieel vier weken voordat je weer ‘de oude’ bent. Zeker in de eerste week na de marathon ben je vooral stijf. Een beetje wandelen, langzaam lopen, zwemmen, fietsen, alles om het herstel weer mogelijk te maken. De meesten houden het na die ene marathon voor gezien. En dat geldt zeker voor al die lopers die geen lid zijn geworden van een atletiekvereniging. Bij de club gaan de meesten wel door voor een tweede marathon. Ik liep met Bert Wentink, mijn loopmaat-vanaf-het-begin, verschillende keren in Rotterdam en eenmaal in Berlijn. Een enkeling raakt echt verslaafd. Ik ben zo’n verslaafde, zo’n loopgek. Inmiddels heb ik 39 marathons en ultralopen achter de rug. In wezen verandert er niet veel. Ja, ultralopen zijn langer dan marathons. En niet elke marathon is meer een ‘snelle marathon’, een marathon met mogelijk een PR. Er zijn tussendoor-marathons. Er zijn zelfs trainingsmarathons. Maar voor de ‘snelle marathons’ en voor alle ultralopen ben ik nog even gespannen als voor mijn eerste marathon in Rotterdam. In ultralopen ga je vaak nog dieper dan in de marathon. Maar wat zijn ze mooi. De 60 van Texel, de 6-uurs van Haag Atletiek, de Swiss Alpine in Davos van 78,5 km en 2200 hoogtemeters.

Het vraagt veel van het lichaam. Zo was ik al eens zwaar overtraind. Pas na anderhalf jaar was ik weer de oude. En vaak is het balanceren: gaat het lichaam het houden of word ik ziek? Op 16 juni 2012, een paar weken geleden, zou ik de 9-uurs van Haag Atletiek lopen. Drie weken ervoor liep ik in de training een marathon, op een stralende Pinksterdag, van Ooltgensplaat naar Rotterdam. Een week later liep ik in de training een marathon, in temperaturen die zelfs met kerst niet altijd worden gehaald. Twee prachtige tochten, die in mijn geheugen staan gegrift. Maar na die tweede ‘trainingsmarathon’ kwam het niet meer goed. Eerst voelde ik me te moe om te trainen. Een teken aan de wand. Ik sloeg een dag over. De dag erna liep ik een snelle interval, 17 km door de duinen. Het voelde niet slecht, maar thuis aangekomen voelde ik me dodelijk vermoeid en had ik eindeloos veel honger. De volgende dag was ik ziek. Een paar dagen later was ik echt ziek. Longen dicht, koorts. De 9-uurs van 2012 ging aan mijn neus voorbij. Ik was weer eens van het koord gevallen. Er zat niets anders op: even slikken en weer op voor de volgende loop!

Gouden regels

  • Je wordt alleen maar beter als je steeds meer traint.
  • Rustweken zijn net zo belangrijk als de zwaarste trainingsweken.
  • Voor een wedstrijd moet je afbouwen. De topweek in de training is de twee-na-laatste week. In de een-na-laatste week breng je de trainingsintensiteit terug naar 65%, in de laatste week naar 30%.
  • Eet niet te veel in de dagen voor een marathon; te veel eten leidt tot diarree. Het lichaam geeft ook helder aan wanneer je te veel drinkt.
  • Tijdens een marathon kan je nooit te veel eten en zelden te veel drinken.
  • Heel veel is persoonlijk: dus heel veel kan je van anderen leren, maar heel veel moet je zelf uitvinden

 

[verscheen in het Jubileumboek van het 100-jarige Haag Atletiek] 1 10

Column: Strandmarathon Den Haag 2013

januari 23, 2013 by  
Filed under Geen categorie, lopen

Je kan ook 42 km in je eentje lopen. Je plant een duurloop van 4 uur, je tuurt een tijdje op een kaart. Je regelt drinken onderweg, of je neemt je Camelbak mee. Wat gelletjes of andere koolhydraten in je achterzak en lopen maar. Na 4 uur kom je tevreden en gelukkig aan. Zo, weer een marathon gelopen…

En toch werkt het niet zo. Een duurloop van vier uur is geen marathon. En wordt nooit een marathon. Een duurloop heeft geen startschot, heeft geen finish met een streep op de weg. Voor een marathon heb je andere lopers nodig en die heerlijke marathonstemming. Een beetje lacherig zijn voor de start, zelfs een beetje zenuwachtig. Vooraf, onderweg en achteraf kletsen met onbekenden. En na afloop ben je bezitter van een nieuw shirt, van een medaille of een ander aandenken, waarvan je meteen weet dat je het nooit zal weggooien, hoe onooglijk het ook is.

photo-12-1

Eigenlijk maakt het niet uit hoe massaal die marathon is. Of je nu met 40.000 man aan de start staat of met 80. Of er overal matten liggen om je chip te registreren of dat er om de 10 km een mannetje staat die je startnummer in een kladblokje noteert. Of er tribunes bij de finish staan, of twee verdwaalde wandelaars en één man van de organisatie die niet alleen de volgorde noteert, maar ook de tijden probeert bij te houden. Het is allemaal een marathon. En van de kleinschalige marathon in de natuur kan ik evenveel genieten als van zo’n massale stadsmarathon.

Ik weet het, het lijkt niet te kloppen. Bij een marathon gaat het om het samen lopen van 42 km. Maar is niet de kern van een marathon dat je vooral strijdt tegen jezelf? Of is het juist die combinatie: te midden van anderen tegen jezelf strijden, waarbij je steeds eenzamer wordt en steeds meer met jezelf bezig bent als de finish nadert? Ik weet nog goed dat ik me van de laatste twee kilometer van mijn eerste marathon niets meer kon herinneren. In een waas naar het einde gelopen. Of is dat nu juist zo echt ‘marathon’: samen lopen terwijl het ‘samen’ naar het einde toe steeds meer vervaagt?

Eén ding is zeker: de Strandmarathon Den Haag van 13 januari jl. was één groot feest. [Ik schrijf dit een week later, als mijn herinnering zich al heeft aangepast.] Het was stralend weer met temperaturen onder nul. De plassen waren bevroren, zelfs op het strand. De zon bescheen het landschap alsof de eerste schaatstocht kon worden gereden. Was het daardoor dat we de auto gewoon in de berm parkeerden? Zoals we dat in Blokzijl doen, of in Belt-Schutsloot of in Noorden? De Haagse politie dacht er anders over en deelde een bon van 90 euro uit. Maar dat merkten we pas achteraf.

In het clubhuis van ‘The Hague Road Runners’ rook het naar erwtensoep en lichte opwinding. Vanwaar toch die moeilijke naam? Achter een tafel werd de administratie bijgehouden. Het geld werd bewaard onder een oude krant. Een oerhollands feest. Dit leek niet op een schaatsfeest, dit was gewoon een schaatsfeest. Terwijl ik me inschreef vertelde de ijsmeester net over de kwaliteit van het ijs. De route bleek nogal eenvoudig. Van hier naar Scheveningen, van Scheveningen naar Noordwijk. En weer terug. Nou ja, het wees zich allemaal vanzelf. De start was aan de andere kant van het viaduct, de finish was voor het clubhuis, zeg maar: de kantine.

We drentelden naar de start. Het kletsen met medelopers nam zijn aanvang. Er wordt nergens zo spontaan met de medemens gesproken als bij een marathon. Bij marathons bestaan geen wildvreemden, daar is iedereen een oude bekende. Ook al heb je hem of haar nooit eerder gezien. En ook ‘oude bekende’ is niet het goede woord. Bij ‘oude bekenden’ hoort een moment van herkenning en verrassing. Bij marathons praat je met medelopers alsof je ze al jaren kent en gisteren nog lang hebt gesproken.

Het startschot werd gegeven door een lid van de club van honderd. De club van de echte diehards, de mensen die al meer dan 100 maal een marathon hebben gelopen. Ik loop vandaag pas mijn 40e. De starter zit ergens in de 160, als ik de berichten van de website goed heb onthouden. Of hij vandaag zelf ook meeloopt, is me onbekend. Hij zou toch niet geblesseerd zijn? Na de start wordt ons soepel de weg gewezen naar de Pier in Scheveningen. Zoals we overal voortreffelijk de weg worden gewezen door fantastische vrijwilligers. Voorzichtig lopen we onder de Pier door, na alle berichten over de treurigheid van dit verouderde kunstwerk. En dan is het verder inderdaad heel simpel: gewoon doorlopen naar Noordwijk. Bij Katwijk nog even van het strand om de monding van de Oude Rijn te passeren.

De wind is schuin tegen. Een prettige gedachte dat we op de terugweg de wind in de rug hebben. Het water staat laag. Maar dat betekent niet dat het strand overal hard is. Het wisselt. Soms zijn de voetstappen beter te zien dan me lief is. Bovendien wordt me al snel duidelijk dat een strandmarathon veel weg heeft van een steeple chase, maar dan wat verder. Regelmatig moet je over water springen. Op de heenweg zijn de waterstromen redelijk smal, maar het steeds weer aanzetten wordt gaandeweg dodelijk vermoeiend. Op de terugweg, met opkomend tij, worden de stromen steeds breder en eindigt een sprong steeds vaker in het water. Natte voeten, natte schoenen. Dat wil je vermijden. Zo wordt strandlopen een eindeloze zoektocht. Waar is het zand het hardst en waar lopen we niet vast te midden van al dat water? Kunnen we rechtuit of moeten we even naar rechts? Het resultaat is dat de Garmin aan het einde ver boven de 43 km staat.

Maar die eerste helft is het ook gezellig, enorm gezellig. Ik praat met Dik, ik praat met Jos, hoewel die al snel minder spraakzaam is. Ik praat met naamgenoot Wim, die ik al veel langer ken. Karin, die ooit de Tweede Maasvlakte heeft getekend, raakt in gesprek met een sterke loper, die daar ooit een lange duurloop heeft gedaan. Intussen zoeken we ons een weg over het zand en tegen de wind in. En zoals ik tussen Workum en Bolsward bij voorkeur een grote vent uitzoek die voor mij de wind opvangt, loop ik hier ook lange tijd midden in een klein peloton. Een stuk aangenamer. Als we bij een koek-en-zopie de groep kwijtraken duurt het weer een kilometer of 3 voor we ze hebben ingehaald. Het wegvallen van de wind is meteen weer een verademing.

Na Katwijk wordt de groep minder spraakzaam. Op onze Garmin houden we bij hoe ver we zijn. We realiseren ons geen van allen dat het keerpunt in Noordwijk niet halverwege, maar een kilometer verder ligt. Op de terugweg zullen we niet meer tot de Pier gaan, maar via de Watertoren lopen. Om die reden ligt het keerpunt op 22,1 km. Een zware tegenvaller, in mul zand en tegen de wind in. Ieder voor zich. Bij het keerpunt nemen we even de tijd. We drinken wat en vatten moed voor de terugtocht. De eerste kilometers gaan nog soepel. Voor de Oude Rijn wil ik even wandelen. Dat moet je niet willen. Wie eenmaal wandelt, wil steeds weer wandelen.

En zo vergaat het ook mij. Ik maak me zorgen om mijn blessure aan mijn voet. Ik word misselijk. Maar Karin blijft naast me lopen en spreekt me moed in. Na een kilometer of 30 drink ik wat uit een flesje dat ze bij zich draagt. Twee tellen later kots ik het weer uit. Karen vraagt plagend of het alles is. Ze heeft gelijk. Ik kan me beter even ontdoen van de maaltijd die gisteravond duidelijk niet goed is gevallen. Al snel vliegt de Italiaanse wokgroente van de vorige avond onverwerkt door de lucht. Het rood van de paprika en het groen van de prei zijn nog helemaal helder. Ik leer dat kotsen in de wind toch weer anders is. De kots verspreidt zich in de lucht.

Ik voel me beter. Wandelen en lopend gaan we door. Maar van het samenlopen is weinig meer over. Afgezien van de dappere Karin die zich heeft voorgenomen om bij me te blijven lopen. Wellicht wandel ik ook te veel. We praten namelijk tot het einde door. Dat duidt niet op ‘tot het naadje gaan’. Bij de bunkers gaan we het duin op, we lopen naar de Watertoren en bij de Alkemadelaan gaan we linksaf. En overal weer die lieve vrijwilligers, die de weg wijzen en de weg vrijhouden. Via de afgebroken kazerne en TNO naar de finish. We worden nog door een vrouw ingehaald. Karin kreunt: daar gaat mijn derde plek. Ze heeft dat blijkbaar al 40 kilometer in de gaten gehouden. Ik zet een sprint in om deze dame weer in te halen, maar moet na 300 meter opgeven. De benen doen pijn, erge pijn.

Nog een viaductje, we wandelen naar boven en lopen naar beneden. Mijn vrouw staat onder aan het weggetje ons op te wachten. Heerlijk gevoel. Even verder is de finish. Ik laat Karin voorgaan, maar ze komt uiteindelijk na mij in de boeken. Volgens uitslagen.nl heeft ze er één seconde langer over gedaan. Dat kost me nog een mailwisseling.

In de kantine zie ik mijn oude loopmaten weer terug. Jos, Wim en Dik voegen zich bij ons. We drinken bier. Jos neemt vlak naast me een bord pasta. De neiging om over te geven komt heftig terug. Het zal nog een paar dagen duren voor ik de geur van pasta weer kan verdragen. Italiaanse wokgroente komt voorlopig zelfs op de zwarte lijst.

Interview in De Leunstoel met Wim Derksen over zijn boek Loopgek

april 27, 2012 by  
Filed under Geen categorie, lopen

Gepubliceerd in: De Leunstoel
Geschreven door: Willem Minderhout

Wim Derksen is een van de bekendere bestuurskundigen van Nederland. Na een carrière als hoogleraar aan de Erasmus Universiteit en lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid werd hij directeur van het Ruimtelijk Planbureau. Sinds het RPB in 2008 fuseerde met het Milieu- en Natuurplanbureau tot het Planbureau voor de Leefomgeving is Wim ‘chief scientist’ bij het Ministerie van VROM. Nu dit Ministerie is opgegaan in het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is hij direct betrokken bij de grote reorganisatie van de Rijksoverheid van het kabinet Rutte. Het leek me interessant om hem te interviewen over zaken als het einde van VROM, de bestuurlijke agenda van Rutte en – Wim is al dertig jaar lid – de toestand van de PvdA. Via Twitter, ook daar is hij te vinden, maakte ik een afspraak met hem in een café op Het Plein. Daar kreeg het gesprek al snel een verrassende wending.

‘Moet het over bestuur en politiek gaan? Ik heb het eigenlijk veel liever over hardlopen. Binnenkort komt er een boekje van me uit over marathons en ultra-lopen. Een ultra-loop is iedere hardloopwedstrijd die langer is dan een marathon. Ik doe dat nu zo’n tien jaar en hardlopen is een integraal deel van mijn leven geworden. Ik ben net terug van de Ultraloop van Davos. Dat is een wedstrijd over 78,5 km. Je moet tijdens die loop meer dan twee kilometer klimmen en vervolgens twee kilometer dalen. Als je dat haalt, dan voel je je echt helemaal geweldig. Dat kan ik aan niet-lopers niet uitleggen. Eufoor!

Ook Nederland heeft geweldige wedstrijden. De Zestig van Texel bijvoorbeeld. Je rent het hele eiland rond. Voor sommigen is dat niet ver genoeg, die lopen twee rondjes. Zo ver ga ik niet, maar ik had er wel de smoor in dat ik tijdens de Zeeuwse strandmarathon van Burgh-Haamstede naar Zoutelande wind mee had. Zo is het niet bedoeld!

Er zijn natuurlijk al veel boekjes over marathonlopen verschenen. Die zijn over het algemeen heel feitelijk en saai: ‘hoe loop ik een marathon’. Ik probeer het vooral van binnenuit te beschrijven. Er staan natuurlijk ook praktische tips in. Tepels aftapen bijvoorbeeld. Als je dat niet doet dan schuren ze na zo’n kilometer of dertig open en dan wordt lopen een hel. Nagels knippen is ook zoiets. Doe dat drie dagen van te voren, want als je dan misknipt kun je nog herstellen. Met een bloedende teen loop je geen marathon.
Het belangrijkste wat je moet leren is doseren. De eerste helft van een ideale loop is net zo snel als de tweede. Als je er als een gek vandoor gaat, dan verlies je enorm veel tijd aan het eind, maar als je al te langzaam start dan houd je teveel over. Een goede opbouw is van het grootste belang. Ik loop zo’n vijf marathons en ultralopen per jaar en ik train vijf keer per week. Eén avond per week ga ik ‘spinnen’, op een fiets in de sportschool. De meesten doen dat één uur, maar ik plak er altijd een uur aan vast. Na zo’n veertig minuten spinnen kom ik pas helemaal in mijn element. Dan komt bij mij de endorfine los en dat geeft een kick die ik niet meer wil missen.

Ik ga als gevorderde vijftiger nog steeds harder lopen, maar ik denk niet dat ik, als ik eerder begonnen was, een soort Gerard Nijboer was geweest. In Berlijn was ik tweeduizendste van de 45.000 deelnemers. Goed, maar geen topper. De echte toppers zijn het ook maar heel kort. Iemand als Gerard Nijboer is na een paar fantastische marathons verdwenen. Laat mij op mijn niveau nog maar jaren doorrennen.

Mijn boekje is opgehangen aan de ‘Swiss Alpine’. Het is daar ook ontstaan. Ik schreef tijdens de voorbereiding al korte stukjes. Dat was, voor ik het wist, uitgegroeid tot een pagina of zestig. Uitgeverij Prometheus zag er wel brood in als ik daar een boekje van zou maken. Ik heb mijn laptop meegenomen naar Zwitserland en iedere keer aan het eind van de dag heb ik er aan gewerkt.

De combinatie lopen en schrijven is me trouwens niet vreemd. Vooral toen ik nog RPB-directeur was, moest ik voor allerlei bladen columns schrijven. Na een flinke loop rolden die er vrijwel automatisch uit. Ook managementproblemen loste ik altijd tijdens het hardlopen op. Wat bij dit boekje wel anders is, is dat ik over iedere zin moest nadenken. Kan het niet mooier en beter? Daar heb ik bij het schrijven van wetenschappelijke boeken en artikelen en columns nooit last van gehad. Ik heb dus vooral veel energie gestoken in het bijpunten en herschrijven.

Ik mis het wetenschappelijk bedrijf overigens niet. Ik heb een 0-uren contract bij de Erasmus Universiteit, maar ik ben niet van plan om nog bestuurskundige artikelen op de vierkante centimeter in internationale tijdschriften te publiceren. Ook het RPB mis ik niet. Ik heb dat altijd met veel plezier gedaan, maar het bleef altijd een club met een wat onduidelijke missie. Het CPB had ‘profit’, het SCP had ‘people’ en het MNP had ‘planet’, maar wat hadden wij? ‘Ruimte’ is altijd een lastig onderwerp geweest binnen de sociale wetenschappen. De ruimtelijke ordening mist een duidelijk paradigma. Er zijn weliswaar allerlei prachtige verhalen in de omloop over ‘glokalisering’ en zo, maar de praktische waarde daarvan is vrij gering. Ik ben altijd meer een empiricus dan een theoreticus geweest, dus ik kon er nooit zoveel mee. Prachtig gezweef, vond ik het.

Adri Duivesteijn, één van de geestelijke vaders van het RPB, had nog fantasieën over een bureau dat echte ruimtelijke plannen zou maken a la de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening. Dat is echter niet meer van deze tijd. Ik heb Maarten Hajer, de directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving, daarom geadviseerd om vooral op duurzaamheid te focussen.
Achteraf gezien is de vorming van het RPB misschien zelfs een strategische fout geweest. Het was vooral een braindrain van de voormalige Rijks Planologische Dienst.

De teloorgang van de ruimtelijke ordening en VROM in het algemeen illustreert ook duidelijk de impasse waarin de PvdA verkeert. Jacqueline Cramer heeft als PvdA-minister bedroevend weinig tot stand gebracht. Bovendien krijgen we nu te maken met een heel ander paradigma. Neem ‘de natuur’. Laatst was ik op een bijeenkomst waar een VVD-raadslid natuur definieerde als een plek waar hij zijn hond kan uitlaten. De planologen zullen er aan moeten wennen dat hun gebied heel anders zal worden gedefinieerd. Ik ben niet van dit kabinet, maar het is wel waar dat we op het gebied van de ruimtelijke ordening een nieuw verhaal nodig hebben, gebaseerd op overtuigende argumenten. Kijk naar het Groene Hart! Er is in de afgelopen jaren al 20% van verdwenen. Je kunt al bijna tussen de bebouwing door van Den Haag naar Utrecht rijden. Het is langzamerhand een fictie geworden, waarin alleen ‘planologen’ nog geloven. Kijk nu eens wat er echt gebeurt en baseer daar je politiek op!

Ik zie de toekomst wat dat betreft somber in. Rutte regeert zonder enige diepere gedachte over de te volgen koers, zonder een ‘filosofie’, maar als politiek leider is hij een verademing na Balkenende. En ‘links’ schiet steeds in een kramp. Kijk naar die bezuinigingen op cultuur. Dat schiet momenteel volledig door met de meest verschrikkelijke voorstellen, maar ik vind dat de cultuurwereld ook niet uitblinkt in tegenargumenten. Bovendien had in het verleden wel wat kritischer gekeken kunnen worden naar de cultuursubsidies. Echte innovatieve kunstenaars als Frans Brüggen en dergelijke moeten gesubsidieerd worden, maar krijgen weinig. En waarom krijgt mijn eigen amateur-orkest – het Zuid-Hollands Symfonie Orkest, waarin ik fagot speel – subsidie? Dat is een hobby van beter gesitueerden. Ik betaal daar minder contributie voor dan voor mijn hardloopvereniging.

Veel mensen vergelijken de huidige tijd met de jaren dertig, maar ik vind het meer lijken op de jaren zestig, maar dan in spiegelbeeld. ‘Nieuw Links’ had destijds net zo min vruchtbare ideeën als ‘Nieuw Rechts’ nu. De oude garde had toen net zo min als nu een verhaal klaar. Men was verbijsterd en verwachtte dat het vanzelf wel over zou gaan. Job Cohen is een beetje de Willem Drees jr. van deze eeuw. Hij moet een nieuw verhaal weten te vinden om het enthousiasme voor de sociaaldemocratie nieuw leven in te blazen.

Ik ben al dertig jaar lid van de PvdA en dat zal ik blijven. Desnoods ben ik degene die het licht uitdoet. Maar ik laat me niet door de partij voorschrijven hoe ik moet denken. Ik heb ook nooit een functie gehad of geambieerd, behalve dat ik een periode in het congrespresidium heb gezeten en een aantal keren heb meegeschreven aan het programma. ‘PvdA-prominent’ is een benaming die ik in de pers heb gekregen. Dat is veel eer voor een tamelijk gewoon lid. Echte oplossingen die ik zie zijn tamelijk klassiek. Breek nou eens met dat ‘zieligheidsdenken’. Werk voor iedereen, dat is het belangrijkste. En probeer die verschrikkelijke schaalvergroting in de zorg en het onderwijs en privatisering van zaken als het openbaar vervoer terug te draaien.

Willem Drees werd wel de ‘wethouder van Nederland’ genoemd. Job Cohen mag van mij de ‘burgemeester van Nederland’ worden. Nederlandse burgemeesters geven echter per definitie niet de richting aan. Dat is iets dat Cohen wel zal moeten leren. Misschien moet Job ook maar eens een flink stuk hardlopen om de goede ideeën los te zweten. Flink ‘spinnen’ op de fiets in de sportschool zou een begin kunnen zijn. Aan een goede sportinstructeur heb je meer dan aan een ‘spindoctor’. De sociaaldemocratie kan wel wat endorfine gebruiken.

Loopgek: vanaf 2 september in de boekhandel

augustus 27, 2011 by  
Filed under boeken, lopen

Als je één marathon hebt gelopen, wil je een volgende proberen. Als je een paar marathons hebt gelopen, wil je je aan een bergmarathon wagen; en daarna wil je nog meer, verder dan die magische grens van 42,195 meter. En ergens in dit traject word je loopgek.

Wim Derksen is zo’n loopgek. Hij traint vijfmaal per week en loopt duizenden kilometers per jaar. Hij moet wel, zijn lichaam kan niet meer zonder.

Maar marathons moet je léren lopen. Je moet eenmaal met bebloede en schroeiende tepels over de finish zijn gekomen. Je moet een keer blaren hebben gekregen omdat je die mooie nieuwe sokken hebt aangetrokken. Alleen als je leert van je fouten kan je meer genieten, sneller worden en langere afstanden lopen.

In Loopgek beschrijft Wim Derksen hoe hij heeft geleerd om marathons te lopen. Hij vertelt niet alleen over de techniek van het lopen, maar is ook openhartig over hoe verslavend en allesoverheersend zijn loopgekte is voor hemzelf en zijn gezin.

[dit boek is nog steeds te bestellen bij bol.com]