Bij muziek heb je geen discussie over beter

mei 31, 2015 by  
Filed under fagot

Elizabeth Schwarzkopf heeft de toon gezet. De befaamde sopraan was al op hoge leeftijd toen ze nog masterclasses gaf aan jonge zangers. Erg zachtzinnig ging het er bij haar niet aan toe. Als iemand niet aan haar hoge eisen voldeed, kon haar commentaar vernietigend en zelfs vernederend zijn. De masterclasses werden later op de tv uitgezonden en gingen daarmee deel uitmaken van ons collectieve geheugen. Vanaf dat moment waren masterclasses voor sommigen bij voorbaat berucht.

Hoe anders kan het ook. In het kader van de Operadagen Rotterdam gaven Henk Neven en Hans Eijsackers vorige week  een masterclass aan liedduo’s: zangers en hun eigen begeleiders. De masters gaven vooral vertrouwen. Hoe eerlijk ze soms ook waren (een pianist heeft “too much…uh… prikkeldraad” in zijn spel). Maar elk commentaar begon met waardering, met de positieve kanten. En wat een ander als ‘fout’ zou betitelen, werd door de masters vaak als ‘een andere interpretatie’ neergezet. Alle positieve opmerkingen verschaften de ruimte om echt aan het werk te gaan. Om de zangers en de duo’s te helpen. En de effecten waren ernaar. Natuurlijk waren alle duo’s bij hun eerste presentatie gespannen en musiceerden ze ongetwijfeld onder hun niveau. Maar de progressie in een uur was gewoon opvallend.

Waar letten die masters op? Op de interpretatie van de tekst, vanzelfsprekend, op de inbeelding van de tekst, op het interacteren met het publiek en op het onderlinge samenspel. En natuurlijk: hoe kan je het beste klank maken. Een jonge Duitse bariton werd goedkeurden op zijn opkomende buik geklopt. En eigenlijk waren ze alleen maar scherp en direct als de musicus zich niet voorbereidde op zijn of haar eerste noot. Je kan pas beginnen als je weet wat je gaat vertellen.

Ja, dit was ‘leren’. Hier werd veel ‘geleerd’. Met enige droefheid dacht ik ondertussen aan mijn collegezaal met honderd keuzevakkers. Daar sta ik alleen op het podium. En zijn de leerlingen in het beste geval toehoorder. Bij een masterclass staan de leerling en de master samen op het podium. En is de leerling in gespannen afwachting van het oordeel van de master. Bij mij zijn de studenten vooral benieuwd naar het tentamen. Ja, op de universiteit leiden we vooral op tot het maken van een tentamen.

Maar er is een nog groter verschil tussen mijn bestuurskunde-studenten en deze liedduo’s. Wanneer heeft een bestuurskunde-student iets geleerd? Als hij een boek kan navertellen? Als hij vier argumenten voor en vier argumenten tegen de representatieve democratie kan opnoemen (dus een paar dagen kan onthouden)? Of wanneer hij het openbaar bestuur beter begrijpt? Maar hoe meten we dat laatste? Moeten we hem vragen een advies uit te brengen over een bepaalde casus? Maar wat is een goed advies? Wat is goed bestuur?

Hoe anders leek het hier, bij de die masterclass. De masters, de deelnemers, de hele zaal, iedereen hoorde de progressie. Hoorde dat de liedduo’s in korte tijd beter waren geworden. Soms was hun expressiviteit toegenomen, soms was hun voordracht intenser, soms klonken de stemmen dieper of stralender, soms was er meer samenspel. Maar in ieder geval waren ze gewoon beter dan een half uur eerder. Blijkbaar is ‘beter’ in dit vak een soort ‘objectief’ gegeven. In dat opzicht zal ook Elisabeth Schwarzkopf indertijd wel gelijk hebben gehad.

Onder dat ‘beter’ ligt een simpel begrip: ‘beheersing’. Alleen door je instrument, je stem beter te beheersen ben je in staat tot een betere uitvoering te komen. Deze blog heeft dan ook een simpele conclusie: wie een goede muzikant wil worden, moet gewoon heel hard studeren. Daar wordt ie ‘beter’ van. En natuurlijk: bij hele goede masters in de leer gaan. Zeg maar: het type Henk Neven en Hans Eijsackers.

Agora: Planoloog, blijf bij je kennisvraag

november 8, 2012 by  
Filed under artikel

Verschenen in: Agora
Geschreven door: Wim Derksen

Sinds een paar jaar verzorg ik met Karen Ephraim in Den Haag masterclasses op het grensvlak van kennis en beleid. Zo leren we beleidsmakers hoe ze om moeten gaan met kennisinstellingen; en bijvoorbeeld onderzoekers van planbureaus hoe ze om moeten gaan met de wereld van het beleid. Het is boeiend om te zien dat beide groepen problemen hebben met het onderscheid tussen een beleidsvraag (wat moet ik doen?) en een kennisvraag (hoe zit de wereld in elkaar?). Beleidsmakers hebben de neiging om een beleidsvraag te formuleren als ze nieuwe kennis willen vergaren. Zo staan kennisagenda’s van departementen soms eerder in het teken ‘van wat moet ik doen?’ dan in het teken ‘van wat moet ik weten?’. Zoals we allemaal weten kan onderzoek nooit een antwoord geven op de vraag ‘wat moet ik doen?’. Op die vraag hoort de politiek zelf een antwoord te verschaffen.

Onderzoekers maken vaak de omgekeerde fout: ze verschaffen niet alleen kennis, maar willen de beleidsmakers ook heel graag vertellen wat hij zou moeten doen. Veel onderzoekers lijken zich niet bewust van het feit dat ze daarmee alleen hun eigen mening presenteren. Ze hebben zich zo lang in hun onderwerp verdiept dat ze zijn gaan geloven dat ook beleidsmatig maar één antwoord denkbaar is. Conclusie: beleidsmakers hebben moeite een zuivere kennisvraag te stellen en onderzoekers hebben moeite om een kennisvraag zuiver te beantwoorden.

Hoe ligt dat eigenlijk bij de planologie? Laat ik meteen zeggen dat ik me bij planologen wat ongemakkelijk voel, juist omdat zij soms zo goed weten wat de overheid moet doen. Ooit volgde ik in mijn studie het keuzevak ‘planologie’. Hoe boeiend ook, er is me vooral bijgebleven dat we moesten beargumenteren waarom een gemeentelijke herindeling rondom Delfzijl wel of niet wenselijk was. Pas veel later besefte ik dat je de bestuurskracht van gemeenten goed kan onderzoeken, maar dat onderzoek nooit kan bewijzen of je gemeenten wel of niet moet samenvoegen.

Toen ik directeur werd van het Ruimtelijk Planbureau, werd ik weer geconfronteerd met de vraag wat voor vak ‘planologie’ moest zijn. Ik ging onder anderen bij Andreas Faludi te rade. En ontdekte dat de planologie drie verschijningsvormen heeft. Faludi hoort bij de eerste: de wetenschappelijke studie van het ordenen van de ruimte. Faludi maakte zelf veel studie van planning en van ruimtelijke planning. Zijn leerling Wil Zonneveld, met zijn prachtige studies naar ‘concepten’ in de ruimtelijke ordening, behoort ook tot deze school. Hij bestudeert hoe anderen de ruimte ordenen, zonder zijn eigen mening aan hen op te dringen.

De tweede verschijningsvorm zou ik willen betitelen als ‘toegepaste sociale geografie’. Het is de wetenschap die de woningbehoefte voorspelt: hoeveel woningen moeten wanneer waar worden gebouwd? Niet omdat de onderzoeker dat zelf wenselijk acht, maar omdat hij in staat is de toekomstige woningbehoefte in te schatten. In het Ruimtelijk Planbureau werd bewust het accent gelegd op deze vorm van planologie: het leveren van informatie waarmee besluiten in de ruimtelijke ordening beter kunnen worden onderbouwd. Het was niet aan ons om te zeggen welke keuze de minister uiteindelijk moest te maken. Het was ook niet aan ons om de minister in een bepaalde richting te sturen, laat staan een bepaalde beleidslijn op te dringen. Ik geef toe: dit werd door journalisten vaak maar moeizaam begrepen. Altijd maar weer werd de vraag gesteld: ‘Maar wat moet de minister nu doen?’. Nee, daarop heeft onderzoek nooit een antwoord.

In de derde verschijningsvorm van planologie is daarentegen het onderscheid tussen beleidsvraag en kennisvraag, tussen Sein und Sollen, geheel vervaagd. Hier staat de planoloog voor iemand die niet alleen veel weet van ruimtelijke processen, maar daarom ook denkt te weten welk beleid te prefereren valt. Het zijn de planologen die in het verleden voorstander waren van groeikernen, gebundelde deconcentratie en van het openhouden van het Groene Hart en die tegenwoordig een lans breken voor organische stedebouw. Hoe lofwaardig hun streven ook, en hoe goed hun mening wellicht ook is onderbouwd, deze planologen brengen hun vak niet verder. Wie suggereert dat kennis een antwoord geeft op de beleidsvraag (wat moet ik doen?), verwart wetenschap met privé-opvattingen. En wie dat bewust doet, vertroebelt alles wat we desalniettemin weten over de ruimte.

 

Recensie ‘Kennis en beleid verbinden’

november 1, 2012 by  
Filed under Geen categorie

Verschenen op: Beleidsonderzoek Online
Geschreven door: Thijs Lenderink

Wim Derksen is hoogleraar bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en heeft een adviespraktijk. Zijn werkervaring op het snijvlak van wetenschap en beleid bij onder andere VROM/RPB, en de mede door hem verzorgde masterclass ‘Kennis voor beleid’ (najaar 2010), zijn aanleiding voor het besproken boek. Het boek is geschreven uit verwondering: Nederland heeft veel kennisinstituten, maar te veel onderzoek wordt niet gebruikt voor beleidsmatige doelen en te veel beleid wordt ontwikkeld op grote afstand van kennis. ‘Kennis en beleid verbinden’ is vanuit deze verwondering geschreven: het is bedoeld als boek voor de beleidspraktijk, het heeft geen wetenschappelijke pretenties. In zijn boek stelt Derksen, op een heldere wijze, veel kwesties aan de orde die in de beleidspraktijk maar zeker ook bij het beleidsonderzoek spelen.

Bij ‘kennis’ en ‘beleid’ gaat het in dit boek grotendeels over de relatie tussen kennisinstituten van de overheid en hun opdrachtgevers bij de departementen, opdrachtgevers die strategisch beleid maken. Een vrij kleine en ‘Haagse’ doelgroep dus, gezien het uitgangspunt van het boek dat het vooral voor de beleidspraktijk is bedoeld. Het boek heeft de facto een veel groter bereik. Vele anderen kunnen er inzichten aan ontlenen: onderzoekers, operationeel beleidsmakers, leden van begeleidingscommissies, et cetera. Dit is zeker een verdienste van Derksen, die transparant schrijft en een overzichtelijke structuur hanteert in dit boek: korte en krachtige hoofdstukken met veel aandacht voor herkenbare en actuele casussen. Zoals hij zelf aangeeft, gaat het daarbij om voorbeelden uit zijn praktijk, zoals de ruimtelijke ordening, de infrastructuur, het milieu, de volkshuisvesting: het ‘fysieke domein’.

In het eerste deel van het boek wordt de relatie tussen kennis en beleid beschreven, en definieert Derksen de begrippen. Kennis maakt de onzekere toekomst minder onzeker. Er is expliciete en impliciete kennis: expliciete kennis is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten, impliciete kennis is betekenis geven op basis van ervaring. Derksen beperkt zich tot expliciete kennis: kennis gebaseerd op nieuw en bestaand onderzoek, en hij verwijst voor impliciete kennis en kennismanagement naar anderen. Misschien kan dat in een tweede druk wel worden meegenomen?

Hoe meer (wetenschappelijke) kennis, des te beter kan de juistheid van de betreffende beleidstheorie ingeschat worden. Derksen maakt onderscheid tussen strategische kennis (richting, vormgeving beleid) versus operationele kennis (technische, juridische, politiek-bestuurlijke kennis). Operationele kennis is onmisbaar bij de concretisering en uitvoering van beleid. Strategische kennis biedt nieuwe antwoorden op bekende vragen, of leidt ook tot nieuwe vragen.

Kennis betreft niet alleen het beleid zelf, maar ook het gedrag van burgers en beleidsmakers. Zo verwijst Derksen naar het WRR-rapport De menselijke beslisser (2010): cognitieve vaardigheden voor het maken van keuzes zijn beperkt, voorkeuren zijn vaak niet consistent en het ontbreekt vaak aan wilskracht om geplande keuzes uit te voeren. Kennis betreft dus ook kennis van machtsrelaties en kennis van onbedoelde bijwerkingen van beleid. Derksen beschrijft in een casus een ‘spel om de macht’ tussen het Rijk en gemeenten met betrekking tot beschermde dorps- en stadsgezichten: niet de inhoud van het beleid van het Rijk speelde volgens hem hier de boventoon, maar juist dat het Rijk het beleid van de gemeenten vergaand wilde bepalen, leidde tot een tegenreactie van gemeenten. De indeling die Derksen hanteert, is niet altijd even duidelijk: de kennis van menselijk gedrag, en deze casus, worden door Derksen geordend onder kennis van de werking van beleidsinstrumenten.

Als het gaat om de relatie tussen kennis en beleid, haalt Derksen twee modellen aan: het kennisgebruiksmodel (benadrukt onafhankelijkheid, gescheiden werelden van beleid en kennis) en het coproductiemodel (samenwerken in alle fasen). Derksen neemt een tussenpositie in, met nadrukkelijk behoud van eigen verantwoordelijkheden van onderzoekers en beleidsmakers. Via voorbeelden maakt Derksen zijn insteek duidelijk: niemand is de baas, beleidsmakers en wetenschappers moeten zich beiden in hun eigen domein verantwoorden. Hij formuleert dit later kort op een aansprekende manier: hij stelt dat beleidsmakers en onderzoekers zich om elkaar moeten bekommeren, maar zich niet met elkaar moeten bemoeien.

In het tweede deel van het boek schetst Derksen een handleiding voor beleidsmakers. Deze handleiding is natuurlijk ook een reflectie op wat hij zelf in diverse rollen (bij kennisinstituut, bij universiteit, als beleidsambtenaar) heeft ervaren, en wat hij van anderen heeft opgestoken. Hij pleit, mede op basis van eigen ervaringen met dergelijk overleg (en blijkbaar op basis van voortschrijdend inzicht), voor meer informeel overleg tussen departementen en kennisinstituten. Verder licht hij de begrippen kenniskamer (top beleidsmakers overlegt met top kenniswereld) en kennisagenda (strategische agenda departement) toe. Beleidsmakers moeten openstaan voor nieuwe kennisvragen, kennisinstituten moeten geen onderzoek doen waar geen behoefte aan is, en beide moeten beseffen dat veel kennis al bestaat. De ins en outs van het begeleiden van onderzoek worden herkenbaar beschreven. De rol van de media in het krachtenveld kennis-beleid beschrijft Derksen wat als te vanzelfsprekend. In de praktijk haalt natuurlijk lang niet al het (strategisch) beleidsonderzoek de pers.

Omdat het boek is geschreven vanuit zijn werkervaring, is het niet verwonderlijk dat de auteur zelf figureert in een flink deel van de gebruikte casussen. Zijn eigen opvattingen komen mede hierdoor in het boek duidelijk naar voren. En dat is interessant: het kan bij de lezer leiden tot vraag- en/of uitroeptekens. Soms gaat Derksen wat korter door de bocht, bijvoorbeeld wanneer hij schrijft over ‘bestelkennis’: minder diepgravende kennis die wordt geleverd door commerciële onderzoeksbureaus met de bereidheid om de conclusies aan de wensen van de opdrachtgever aan te passen. Gelukkig spaart Derksen ook zichzelf in het boek niet, wat ook tegengewicht biedt aan de indruk dat hij bij de beschrijving van een enkel praktijkvoorbeeld alsnog de kans aangrijpt het ‘laatste woord’ te nemen.

Aan het eind van het boek stelt Derksen terecht dat het boek nog meer een leerboek is dan een praktijkboek. In het boek beschrijft hij immers hoe het zou moeten gaan in de praktijk, op basis van zijn eigen ervaringen en inzichten. Zijn streven is het beleid te verbeteren door kennis en beleid (veel) intensiever met elkaar te verbinden. Hij bepleit, in navolging van evidence-based medicine, evidence-based policy. Hij stelt deze Angelsaksische term tegenover een andere Angelsaksische term: fact-free politics. Het moge duidelijk zijn dat hij daar geen vertrouwen in heeft. Ook introduceert de auteur de term ‘grenswerkers’: intermediairs die nodig zijn om kennis en beleid te verbinden. Zoals hij er zelf een was toen hij op een ministerie werkte. Dit interessante concept zou Derksen een volgende keer misschien nog wat verder kunnen uitwerken.

Ofschoon Derksen in een voetnoot impliciet een tweede boek aankondigt waarin met name onderzoekers worden aangesproken, raad ik beleidsonderzoekers aan juist ook dit boek te lezen. Het is voor hen minstens zo leerzaam om te weten hoe er vanuit beleid naar onderzoek wordt gekeken dan andersom. Ik heb het boek in ieder geval geboeid gelezen. Het levert me meerdere nieuwe inzichten op (bijvoorbeeld over de evaluatie van het krachtwijkenbeleid) en bruikbare handvatten voor de onderzoekspraktijk (bijvoorbeeld over de spelregels van begeleidingscommissies en over het ‘Belgische model’). Ik zie ook uit naar een eventueel tweede boek, zeker als het lukt om nog wat meer casussen uit het sociale domein te beschrijven (waar de gewenste rolverdeling tussen kennis en beleid misschien wat minder makkelijk is te realiseren).