Modernisme, ideologie en architectuur [Bernard Hulsman]

januari 17, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad, Voorpagina

Het zal al een aantal jaren geleden zijn dat Bernard Hulsman op de achterpagina van het eerste katern van de NRC een serie begon over gebouwen, bruggen en wat dies meer zij die erg op elkaar leken. De boodschap leek te zijn: architecten zijn minder origineel dan ze vaak zelf suggereren. En de foto’s bewezen dat keer op keer. Het is me ontgaan wanneer deze serie is gestopt en waarom. Er zijn wel meer van die series in de krant die wel leest, maar die je niet mist als ze zijn opgehouden. In dit geval vermoed ik dat de auteur zelf ook onvoldoende bevrediging vond in het uitzoeken van nagenoeg identieke foto’s van toch echt verschillende gebouwen.

Tot mijn grote verrassing kwam ik de stukjes weer tegen in een fantastisch boek van dezelfde Bernard Hulsman. Apenrotsen en andere nauwe verwanten. Hier waren ze een onderdeel geworden van een prachtige collage over ‘de moderne architectuur’, samen met mooie interviews met de gladiatoren van de Nederlandse architectuur en met andere interessante essays van Hulsman’s hand. Je zou kunnen denken dat het een postmodern rommeltje is geworden en in bepaalde opzichten is dat ook zo. Maar juist dat rommeltje vormt een prachtig geheel en geeft een prachtig beeld van de stand van de architectuur van de laatste eeuw. Ik ken ze niet allemaal, maar ik geen beter boek over dat onderwerp. Hier nergens ingewikkelde theorieën, hier nergens onbegrijpelijke zinnen. Want boeken over architectuur willen nogal eens hoogdravend en onbegrijpelijk zijn. Vaak geschreven door een architect, waarbij mijn conclusie altijd is: “Beperk u voortaan tot het bouwen van huizen, in de hoop dat u dat beter kan.”

Maar het is meer dan een boeiende collage. Hulsman zet namelijk een heldere streep onder het modernisme. Het kan ook geen toeval zijn dat dit boek zo weinig volgens de modernistische orde is opgebouwd. Dat het gewoon een postmodern boek is. Ik vermoed dat Hulsman dit commentaar helemaal niet erg vindt. Het is wel geestig dat de uitgever op de omslag rept over een ‘reis door de wereld van de moderne architectuur’. Alsof alles wat ‘hedendaags’ is ook nog steeds ‘modern’ is. Maar het is juist Bernard Hulsman die afrekent met het modernisme. Die dat afwijzen van puntdaken belachelijk maakt, die zich verbaast over die bouwkunde-opleidingen die jarenlang maar één God hadden, namelijk Le Corbusier. Die met onverholen pret vertelt over de lekkende daken van de modernisten en boos is op het dedain van de meeste modernisten tegenover de uiteindelijke bewoner, die eerder geborgenheid zoekt in plaatsvan glazen wanden en witte muren. Om nog maar niet te spreken over de simpele behoefte aan opbergruimte waarin de hardcore modernist weigert te voorzien. Hulsman maakt er gehakt van. Hij laat niet na om te benadrukken dat Le Corbusier niet alleen een hardcore modernist was, maar ook een hardcore fascist. Hij vertelt met graagte en terecht dat Mies van der Rohe pas naar Amerika is gevlucht, nadat het hem was mislukt om de toparchitect van de nazi’s te worden. Als hij niet was afgewezen, was niet Speer maar Mies de architect van Germania geworden. Ja, Hulsman weet treffend het autoritaire en het totalitaire van de modernisten te benoemen. En af te keuren. En juist daarom kan Hulsman zo neutraal en bijna objectief schrijven over de postmodernisten en bijvoorbeeld over de neo-traditionalisten. Overigens was er ook op Philip Johnson politiek veel aan te merken.

Hulsman is wars van het modernisme. Toch spreekt hij vergoelijkend over het fascisme van Le Corbusier, vanwege dat kapelletje in Ronchamps. Dat verbaast me. Want het lijkt me niet dat tegen één mooie kerk zeer verwerpelijke politieke standpunten mogen worden weggestreept. Eerlijk gezegd lijkt me dat beide dingen weinig met elkaar te maken hebben en daarom verdienen zowel het kapelletje in Ronchamps als de politieke opvattingen van Le Corbusier een zelfstandige beoordeling. Overigens kan ik zelf die verering van Ronchamps nooit helemaal begrijpen. Het kan komen omdat ik Ronchamps in dezelfde vakantie bezocht als de basiliek van Vézelay.

Zeker waar het gaat over modernistische stedebouw, denk voor het gemak even aan de Bijlmer, raakt de beoordeling van het modernisme de relatie tussen politiek en architectuur. Die relatie is evident, maar ook complex. Hulsman zegt er wijze dingen over, maar weigert duidelijke conclusies te trekken. En als hij dat wel doet, zijn ze een tikkeltje teleurstellend. Zo schrijft hij op pagina 297: “Er bestaat geen verband tussen architectuurstijlen en politieke ideologieën.” Nou dat mag op het eerste gezicht waar zijn, maar daarmee is de relatie tussen architectuur en politiek niet afdoende beschreven.

Laten we eerst vaststellen dat regimes bepaalde architecten hebben uitgesloten en ongetwijfeld nog steeds uitsluiten. Laten we ook vaststellen dat architecten hebben geprobeerd bij dubieuze regimes in het gevlei te komen om ruimte te scheppen voor hun eigen originele creaturen. Denk aan Mies van der Rohe en de nazi’s. Maar denk ook aan Rem Koolhaas die scherp door Hulsman wordt ondervraagd over zijn nieuwe onderkomen voor het symbool van de Chinese onderdrukking en lees het onwaarachtige antwoord van Koolhaas.

Laten we daarna vaststellen dat veel architecten ideologisch gedreven zijn. Ik sprak al over de fascist Le Corbusier (die ook een leuk kapelletje bouwde). En wat te denken van de communist Mart Stam, die niet voor een opdracht maar uit overtuiging in Rusland ging werken. Lees het prachtige interview van Hulsman met zijn vrouw Lotte Stam-Beese, die tot haar dood in 1988 in het Russische communisme bleef geloven. En denk eens aan de constructivisten die, toen ze daartoe in Rusland de kans kregen, andere architecten op ideologische gronden het werken onmogelijk maakten.

Maar de essentie is, dat architectuur en vooral stedebouw voortkomen uit een bepaald wereldbeeld. Daarom kunnen architecten elkaar ook zo goed verketteren. Overigens is dat hun eigen zorg. Het is mij een zorg dat architecten hun wereldbeeld opleggen aan al die mensen die in al die huizen en steden moeten wonen. En dat gold met name voor de modernisten, van wie het dan ook niet verrassend is dat ze vaak bij totalitaire ideologieën uitkwamen. Totalitair in ontwerpen, totalitair in denken en uiteindelijk totalitair in politieke keuzes. Het is allemaal niet zo vreemd.

Maar het gaat hier wel om de leefwereld van anderen. Het gaat om burgers die zich veelal niet konden verweren. Het waren gewone burgers die al lang blij waren met een woning in Bijlmer. Architecten zouden zich om die reden van alle kunstenaars het meest terughoudend moeten opstellen. Maar het tegendeel is het geval.

Hoe konden we de stad zo haten

januari 3, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

We zijn het bijna vergeten, maar niet zo lang geleden werd de stad gehaat. De stad werd gezien als een plek die zo snel mogelijk onder reconstructie moest. Een plek die moest worden aangepast aan moderne tijden en waar de verpauperde zooi uit het verleden bij voorkeur zo snel mogelijk moest worden gesloopt. Alle gemeentebestuurders leken in de jaren 50 en 60 van de afgelopen eeuw van doorbraken te dromen. Van ruimte voor nieuwe kantoren in de nieuwe city. Van nieuwe wegen die het nieuwe verkeer tot in het hart van de steden zou brengen. Van het dempen van singels en van het afbreken van krotten.

Tim Verlaan schreef er een mooi boek over: De ruimtemakers. Hij analyseert een paar van die grote ingrepen die de stadsbestuurders uit die tijd voor hun burgers in petto hadden. Hoog Catharijne in Utrecht, het Spuikwartier in Den Haag en bijvoorbeeld de bouw van het Maupoleum in Amsterdam. Nieuwe tijden! Samen met projectontwikkelaars werden de steden op de schop genomen. Verlaan laat mooi zien hoe snel de tegenstand tegen deze plannen opkwam. Veel plannen zijn daardoor nooit uitgevoerd. Het tij van de ‘moderne stad’ was in de jaren 70 al weer snel voorbij.

Natuurlijk, ook alle genoemde grote ingrepen zullen zijn voortgekomen uit liefde voor de stad. Maar wie ziet hoeveel er kapot is gemaakt en hoeveel er kapot gemaakt had kunnen worden, beseft dat die liefde eerder abstract dan erg concreet was. Wat een verschil met de huidige stedebouw waar met liefde wordt omgegaan met oude structuren. In dat licht kunnen we de stedebouw van de jaren 60 beter met haat te associëren.

Wie het boek van Verlaan leest vraagt zich af waar die haat tegen de stad vandaan kwam. Verlaan beschrijft veel en analyseert minder. Hij wijst op de suburbanisatie, hij wijst op de enorme toename van de mobiliteit, hij wijst op de veranderingen in de economie, waar fabrieken plaats gingen maken voor kantoren. Het had ook kunnen wijzen op het voorzichtige optimisme na de ellende van de Tweede Wereldoorlog. De wens om alles beter te doen. Maar moesten we daarom de oude stad haten? Ik denk dat die haat vooral voortkwam uit het modernisme, dat zijn oorsprong al heeft in het begin van de vorige eeuw. Met zijn nadruk op het scheiden van functies in de stedebouw en met het adagium form follows function in de architectuur. Gevelwanden waren uit. Het ging om het accommoderen van de nieuwe vervoersstromen. Het ging om een nieuwe tijd. Natuurlijk, ook ik kan genieten van de schoonheid van het nieuwe Maupoleum op die eerste foto’s. Zoals je kan genieten van al die foto’s van het nieuwe Rotterdam uit dezelfde tijd. Veel zon, veel licht, veel lucht en ruimte. Veel nieuw geluk en veel nieuwe welvaart. Waarom zouden we nog in die oude krotten willen blijven wonen? Dat was echt een andere tijd.

In dat licht is de reactie eigenlijk minder verrassend en minder nieuw. In ieder geval minder modern. Verlaan geeft overigens ook voor die omslag nauwelijks argumenten. Hij wijst terecht op de enorme toename van het aantal studenten dat aan de universiteiten ging studeren en in de binnensteden ging wonen. Zij vormden een prachtige voedingsbodem voor het verzet tegen de politiek van kaalslag en modernisme. Het was een nieuwe generatie die de Tweede Wereldoorlog niet (bewust) had meegemaakt. En dat moest wel tot een generatiekloof leiden met hun ouders. In de reactie ging het om kleinschaligheid versus de grootschaligheid van de ingrepen, ging het om sociaal-culturele beleving, in plaats van om geldverdienende projectontwikkelaars. Het Maupoleum van Zanstra werd ingeruild voor het Vredenburg van Hertzberger. En Jane Jacobs werd onze leidsvrouw. Maar waar die omslag precies vandaan kwam, het blijft één van de fascinerende dingen van sociale verandering.

In ieder geval was de liefde voor de stad weer terug. De stad als plek waar mensen elkaar ontmoeten. De stad waar mensen geborgenheid vinden. De stad waar mensen weer graag wilden wonen. Jan Schaefer begon met zijn stadsvernieuwing. Oude wijken werden niet meer gesloopt, maar opgeknapt. En beetje voor beetje zijn de stadsbestuurders de haat tegen de stad met veel liefde gaan beantwoorden. Gaten werden weer opgevuld, sommige grachten werden weer open gegraven. Het Maupoleum werd weer afgebroken en vervangen door een tamelijk non-descript gebouw, zoals vele stedelijke gebouwen non-descript zijn, terwijl ze samen wel een prachtige stad kunnen vormen.

Maar zo eenvoudig gaat het elders niet. Hoog Catharijne is net weer helemaal op de schop genomen. In de Catharijnesingel stroomt weer water, maar de moloch van Hoog Catharijne is niet weg te krijgen. Bovendien lijkt de haat tegen de stad in Utrecht nu aan de andere kant van het station weer volop te gedijen. Het Spuikwartier in Den Haag heeft structuur gekregen door de bouw van het nieuwe stadhuis, maar maakt nog steeds geen onderdeel uit van de echte stad. En de Wibautstraat (verrassend genoeg niet beschreven in het boek van Verlaan) blijft ondanks alle lieve pogingen, nog steeds een autosnelweg. Het probleem is helder: de structuur van de stad is op deze plaatsen zo compleet verwoest dat herstel heel moeilijk wordt. Zeker als de eigendomsverhoudingen niet aan herstel van de stad bijdragen.

En daarom is die haat tegen de stad ook onuitwisbaar. Misschien is dat ook wel goed. Een echte stad heeft een geschiedenis. En laat zijn geschiedenis ook zien in al zijn lagen. Juist die gelaagdheid maakt een stad tot een echte stad. En met die blije gedachte zal ik me de volgende keer weer door de bouwputten achter Utrecht CS blijven spoeden.

De RO als modernistisch en technocratisch project is over

juni 12, 2014 by  
Filed under artikel

rotterdam10[bij het afscheid van Rob Schoonman van IenM, 12 juni 2014]

Rob heeft ons verschillende mooie gedachten meegegeven. Maar ook gedachten aan het einde van een tijdperk. Hij schetst in feite hoe de ruimtelijke ordening op nationaal niveau aan haar einde kwam. Hij verbindt deze ontwikkeling in één adem met de teloorgang van kennis binnen het beleid. Ik heb er behoefte aan om deze twee ontwikkelingen uit elkaar te halen. Beide ontwikkelingen verdienen een afzonderlijke beoordeling. Ik begin met de ruimtelijke ordening en vervolg met de positie van kennis binnen het departement.

Volstrekt bij toeval stuitte ik enkele weken geleden op een advies van de toenmalige VROM-Raad over NL2030, dat roemruchte scenario-plan waarin vier scenario’s werden uitgewerkt: stedenland, stromenland, parkland en palet. Zeg maar VROM, VenW, LNV en wat er overblijft als je EZ het voortouw geeft. Ik was verrast door de gezwollen taal van de VROM-Raad. Dat is geen kritiek, want het advies was gewoon een product van zijn tijd. Hoe toen, nog geen 20 jaar geleden werd gesproken over de ruimte, over hoogdravende criteria van ruimtelijk beleid (doelmatigheid, rechtvaardigheid, duurzaamheid en identiteit). En wat was er nog een heilig geloof in beheersing en controle. Het is in deze tijd bijna niet meer te geloven. Overigens werd dat scenario-traject ruw verstoord en afgebroken toen minister Margreeth de Boer formeel verklaarde dat verder alleen aan stedenland mocht worden gedacht.

Die beslissing van Margreeth de Boer markeerde een omslagpunt. Er kwam definitief een einde aan het technocratische project dat de ruimtelijke ordening lange tijd ook was geweest. Ruimtelijke ordening was namelijk niet alleen uiterst normatief, het was ook een inhoudelijke wereld, een wereld van onderzoekers, planologen en stedenbouwers, die geen politieke inmenging nodig hadden, en die zelf wel konden bepalen hoe Nederland zich ruimtelijk diende te ontwikkelen. In de jaren 90 had de politiek daar zo langzamerhand schoon genoeg van. Wetenschap hoort niet de politiek te dicteren. En met het verdwijnen van de RPD, bleef de WRR over als het laatste restant van technocratisch denken. Met deze teloorgang van de centrale rol van kennis kan ik overigens heel goed leven.

De ruimtelijke ordening was niet alleen een product van technocratie maar was ook een lievelingskind van het modernistisch project. Met alle goede bedoelingen, en met al het paternalisme wat erbij hoorde. Passend in de jaren 60, maar vanaf de jaren 70 eigenlijk al zoekend naar een nieuw vertoog. Niet voor niets is de Tweede Nota uit 1962 nog altijd de belangrijkste nota uit de geschiedenis van de Ruimtelijke Ordening. Inmiddels is er van de Rijksbetutteling alleen het project Almere overgebleven, dat overigens alleen nog in woorden wordt beleden. Terecht trekt het Rijk geen geld meer uit voor het bouwen van woningen waarvoor burgers naar het schijnt maar weinig belangstelling hebben.

Ook in een ander opzicht was de ruimtelijke ordening modernistisch tot in haar haarvaten: functies moesten overal netjes worden gescheiden. De structuurplannen en bestemmingsplannen met de prachtig gekleurde kaarten waren daarvan bij uitstek het symbool. Zo ontstonden groeikernen, zo ontstonden bedrijventerreinen en ging de ruimtelijke ordening achter de feiten aanlopen toen de stad weer in trek kwam, werken en wonen weer integreerden in de steden, lege bedrijventerreinen en monotone groeikernen achter zich latend. Omdat de kantoren zich al weinig gelegen hadden laten liggen aan de functiescheiding, begreep de ruimtelijke ordening te laat dat ook de kantoren-leegstand een onderwerp voor ruimtelijk beleid zou kunnen zijn. Daarnaast kwam het begrip organische stedebouw op, waarmee de modernistische ruimtelijke ordening vanzelfsprekend niets kon hebben.

Het technocratisch project is voorbij en het modernistisch project is voorbij. En ik ben daar verheugd over. Het betekent wel dat de ruimtelijke ordening van zijn wortels is ontdaan. Bovendien heeft de ruimtelijke ordening vooralsnog de kans gemist om de overstap te maken naar een nieuw vertoog. Klimaat en duurzaamheid bieden een prachtige kans voor een nieuw ruimtelijk beleid, inclusief de duurzame energie en de bodem. Infra had een uitstekend mee-koppelend belang kunnen zijn, maar het lukt niet om de wegenbouwers in het ruimtelijk gareel te krijgen. De wegen worden nog steeds niet vanwege hun ruimtelijke structurering aangelegd. Bovendien is het binnenkort grotendeels afgelopen met het aanleggen van nieuwe wegen. Daarnaast heeft het Rijk te accepteren dat een organische stedebouw vooral een taak is van de gemeenten. Ruimtelijke ordening kan dáár zeker weer aan kracht winnen. Het behoud van de natuur wordt daadkrachtig door Natuurmonumenten en provinciale landschappen aangepakt.

Ik geloof niet dat het zogenaamde einde van de maakbaarheid de nationale ruimtelijke ontwikkeling de das heeft omgedaan. Want die maakbaarheid is er op andere terreinen nog wel. Wanneer een overheid de grootste bank over één nacht kan nationaliseren, is er weinig mis aan je handelingsvermogen. En vergeet ook niet dat alles wat succesvol is binnen IenM vooral een kwestie is van een ‘strenge’ overheid. Het succes van het milieubeleid is geen succes van de energieke samenleving, maar van het ministerie van VROM, tegenwoordig van IenM en niet te vergeten van de EU. Maakbaarheid is er volop. Alleen binnen de ruimtelijke ordening is de maakbaarheid weggevallen, omdat de urgentie voor het oude ruimtelijke beleid gaandeweg in rook opging.

Dat de nationale ruimtelijke ordening is verdwenen, dat de RPD is verdwenen, is dus geen bewijs van de teloorgang van kennis, hoogstens van de teloorgang van technocratie. Een systeem waarin kennismakers bepalen wat er zou moeten gebeuren. Dat is winst voor de democratie, want zoals bekend bepaalt kennis an sich nooit wat er moet gebeuren. Die afweging hoort in de politiek te worden gemaakt. En met het verdwijnen van de nationale ruimtelijke ordening, is het ordenen van de ruimte niet verdwenen, wel blijkt de oude mono-centrische variant aan zijn einde te zijn gekomen. Dat is winst, te meer het volop ruimte geeft voor nieuwe gedachten en ideeën.

Ook over het gebruik van kennis ben ik minder somber. Laten we niet vergeten wat een prachtige onderzoeksinstellingen de departementen omringen. Er wordt bezuinigd, dat is vervelend voor de betrokkenen, maar laten we niet te hard huilen. De krokodil is niet ver weg. Op sommige plekken kan best wat worden gesneden. En dan nog hebben we fantastische kennisinstellingen.

Natuurlijk, ik herken de zorg dat veel kennis op departementen verdwijnt. Dat veel ouderen verdwijnen en dat hun kennis onvoldoende wordt aangevuld. Maar laten we ook hier nuanceren.

Ten eerste is het goed dat het onderzoek de departementen heeft verlaten. Onderzoek kan je beter in een onderzoeksomgeving doen. Het was ook goed dat de oude RPD werd omgebouwd tot een politiek beleidsdepartement en een onafhankelijk planbureau. Alleen heeft de tijd dat planbureau al snel ingehaald. Maar de uitdrukking ‘kennis buiten de deur’ of ‘kennis in de keten’ is misleidend omdat kennis iets heel anders is dan onderzoek. Kennis is het vermogen om betekenis te geven aan feiten, op basis van onderzoek, op basis van praktijkervaring. Dat vermogen mogen we niet verliezen. Wat dat betreft was die put in de Oosterschelde een wake-up-call. De indruk bestond dat binnen RWS even het vermogen ontbrak om de onderzoeksgegevens over de bodem van de Oosterschelde juist te interpreteren.

Ten tweede: er zijn veel goede voorbeelden waarin kennis en beleid hand in hand gaan. Laten we eens kijken naar alle grote besluiten van de laatste jaren. Deltaprogramma, hypotheekrenteaftrek, verhoging pensioengerechtigde leeftijd. Hoeveel kennis hebben we niet over het klimaat. Dat de politiek niet doet wat veel klimaatwetenschappers willen, ontkent dat in het geheel niet. En ik ben ook altijd blij met het hoge niveau van de Nederlandse ambtenaar.

Ten derde vragen andere tijden om andere kennis. Nieuwe generaties gaan anders met kennis om. En de onderwerpen veranderen. Ik zou wel willen dat de overheid meer wist van ICT, of meer begreep van de markt. Over het eerste vergadert de Kamer, het gebrek aan kennis over de markt blijkt uit ons onvermogen om een interessante aanbesteding op te zetten, zonder te verzuipen in driehonderd averechtse regels. Maar ik zou ook willen dat DG’s en SG’s hun mails niet meer laten uitprinten om achterin de auto hun antwoord erop te schrijven met balpen.

En er valt wel meer te verbeteren. De onderzoeksinstellingen rondom de overheid, moeten meer onderdeel gaan uitmaken van die overheid. We zijn druk bezig met kennisagenda’s, met vraagsturing, RWS kent zijn topadviseurs, maar er valt nog wel wat te winnen. Het zou daarbij goed zijn om de krampachtigheid van het contact tussen departementen en de eigen kennisinstellingen te doorbreken. Departementen wekken de indruk dat elk onderzoek voortaan ‘vraaggestuurd’ moet zijn, terwijl ze nog steeds ‘enige’ moeite hebben om hun eigen kennisbehoefte te verwoorden. Kennisinstellingen blijven op hun onafhankelijkheid hameren.

Zouden we niet het volgende kunnen afspreken voor alle kennisinstellingen, met variatie? 20% van de onderzoekscapaciteit van de kennisinstellingen is voortaan geheel vrij, onbelegd, naar eigen inzicht in te vullen. Verras ons met nieuwe inzichten. 30% is gewijd aan programma’s waaraan binnen departementen behoefte bestaat. Zeg: ozon bij het KNMI, de Mobiliteitsbalans bij het KiM. 30% wordt ingezet voor het beantwoorden voor concrete kennisvragen van departementen, voor het aanleveren van kennis die op korte termijn nodig is om het beleid beter te onderbouwen. En de resterende 20% is ervoor de kleine loketvragen, voor kennis aan tafel, voor directe ondersteuning van projecten binnen het departement. Zo zal een deel van de kennisinstellingen eerder op het departement zijn dan ver weg in Bilthoven of waar ook. Een ander deel krijgt de rust om te werken aan de kennis voor volgende kabinetsperioden.
Als we het zo doen krijgen we een prachtige mix van kennis, strategisch en politiek inzicht. En die mix hebben we nodig om te bouwen aan een nieuw ruimtelijk beleid. Dat het modernisme achter zich heeft gelaten en het mono-centrische, dat vooral inspirerend is en waarover het debat in het openbaar wordt gevoerd, dat niet meer als sociaal-democratisch laat staan als socialistisch wordt gedefinieerd, maar wel bij uitstek politiek is.

Ik kom tot een een afronding. De tijden veranderen, de dingen veranderen, het beleid verandert, de kennisbehoefte verandert. En de mensen veranderen. Maar de behoefte aan aimabele mensen blijft altijd. En om die reden zullen we Rob in Den Haag erg missen.

De crisis en de omslag in de architectuur

december 29, 2013 by  
Filed under De Stad

Als er één beroepsgroep het moeilijk heeft gehad in de economische crisis van de laatste jaren zijn het wel de architecten. De bouw kreeg harde klappen. Grote architectenbureaus gingen failliet (Van Egeraat bijvoorbeeld). Veel bureaus werden gehalveerd of zelfs gedecimeerd. En de crisis is nog niet voorbij. De economische groei mag uit de rode cijfers zijn, de woningverkopen mogen weer aantrekken, maar de nieuwbouw zal nog jaren last hebben van de penibele financiële positie van de gemeentelijke grondbedrijven. En van het nieuwe stringente toezicht op de banken. 

Toch gloort er iets. Er gloort een omslag in de Nederlandse architectuur. Toevallig heb ik twee jaarboeken van ‘Architectuur in Nederland’ naast me op mijn bureau liggen. Het meest recente van 2012/2013 en één van drie jaar geleden (2009/2010). Het verbouwde Rijks museum staat op de omslag van het nieuwste jaarboek. Een (modernistisch) moloch van Koen van Velsen op het omslag van het drie jaar oude jaarboek. Het is typerend voor de omslag die het Jaarboek in de laatste jaren heeft doorgemaakt. En wellicht voor de omslag die de Nederlandse architectuur aan het maken is.

Het Jaarboek van 2012/2013 kent een nieuwe redactie. De redactie presenteert zich in de inleiding op een heldere wijze. De redacteuren zijn niet alleen pragmatisch (geen grote verhalen, maar een zoektocht naar de architectuur ‘die de praktijk van 2012 illustreert’). Ze zijn niet op zoek naar iconen, maar naar ‘de verhouding tussen de architectonische opbrengsten, de beschikbare middelen en de opgave’. Ik lees termen als ‘bruikbaarheid’, ‘navigatie’ en ‘solide’. En vooral: het gaat niet om de eerbiedwaardigheid van een monument, maar om ‘de vanzelfsprekende kracht van het ontwerp in de verhouding met het aanwezige stedelijke materiaal’. Ze verafschuwen architectuur als ‘het huidje doen’, en hebben vooral oog voor de context. Architectuur en stedebouw liggen weer in elkaars verlengde. En het gaat niet meer om de  vraag van een risicoloze projectontwikkelaar of van een monomane wethouder, maar om de vraag van de echte klant.

Vervolgens worden dertig voorbeeldige projecten gepresenteerd, met, zoals gezegd, de verbouwing van het Rijks als blikvanger. Ik heb die dertig projecten aan mijn oog voorbij laten gaan en heb geprobeerd elk project met één of twee woorden te vangen. Ik geef toe: het is een subjectieve weergave van een overigens even subjectief proces. Maar ik was wel verrast toen ik aan het einde van het Jaarboek was gekomen. Zo had ik het volgende opgeschreven:

traditie: Amsterdamse school; geborgenheid; warmte; vorm en kil; vernieuwbouw; klooster; zakelijk; traditie; van Groosman naar de menselijke maat; variatie in gevelwand, herstel, van kunststof naar hout; baksteen; Dom van der Laan; robuust; bijna onzichtbaar opgenomen in bestaande gevelwand; onbehandeld larikshout; kil beton; natuur domineert; voormalige kantine; piepschuim; rijk; passend; logische route; iets lelijks in Nieuwegein; goddelijk Rijks; niet meer dan een badkuip; gestileerde schoonheid; charme; zichtlijnen, monumentaal baksteen; basaal, archetype.

Ze staan er nog tussen: de kille, zakelijke gebouwen. Maar voor de rest zijn het zeker  niet de adjectieven voor een modernistische folder die elke verwijzing naar het verleden afdoet als ‘niet-eigentijds’. Er lijkt veel veranderd.

Tien jaar geleden ging het architectuurdebat nog over Super Dutch, over modernisme, over conceptuele architectuur en je mocht nog ongestraft ‘fuck the context’ zeggen. Oké, er waren ook een paar ‘tuinkabouters’ van wie Rob Krier de bekendste was. Een enkeling schreef een boekje over het ‘neo-traditionalisme’. Maar over hen werd met dedain gesproken. Brandevoort was om te lachen, Sjoerd Soeters was een doorgeslagen postmodernist. Het waren allemaal  randverschijnselen, het was geen echte architectuur. De zoektocht naar de traditie was populistisch of zelfs fascistisch. Elke fatsoenlijke architect, elke architect die mee wilde tellen, wist dat wij allen maar één geestelijk vader hadden: Le Corbusier. [Lees het prachtige boek van Bernard Hulsman en Luuk Kramer: Double Dutch.]

Ik wil het gezellig houden: ik zal niet zeggen dat de neo-traditionalisten door de crisis hebben gewonnen. Dat is ook niet waar, hoewel er geen nieuwbouwwijk meer wordt gebouwd zonder die variatie in de gevelwand (waar tegelijkertijd dezelfde casco’s soms wel erg pijnlijk doorheen schijnen). Maar de meeste projecten uit het laatste Jaarboek sluiten wel heel boeiend aan bij of de traditie of de context, en meestal bij beide. Daarbij gaat het niet om ‘terugbouwen maar om verderbouwen op de geschiedenis’ in de woorden van Hans Kollhoff (in een interview dat in het Jaarboek staat afgedrukt). Heeft de architectuur daarmee in de laatste jaren ongemerkt een enorme slag gemaakt?

In dat opzicht is de geschiedenis van het ‘nieuwe’ gebouw van de faculteit Bouwkunde van de TU Delft ook zo illustratief voor wat zich de laatste jaren in snel tempo heeft afgespeeld. Zoals bekend brandde de faculteit in 2008 tot op de grond af. Het gebouw van Van den Broek en Bakema was onherstelbaar verwoest. Een prijsvraag werd uitgeschreven voor nieuwbouw. Eén van de prijswinnaars was architect Gijs Raggers. Hij won volgens het (oude) Jaarboek van 2009/2010 “met een uiterst eenvoudig maar krachtig ontwerp.” Het was een combinatie van de Lijnbaan van Van den Broek en Bakema in Rotterdam en de toren van Oud op het Congresgebouw in Den Haag. Wat spijtig voegde de redactie eraan toe dat het nieuwe  gebouw waarschijnlijk geen werkelijkheid zou worden en dat een tijdelijk gebouw permanent in gebruik zou blijven. Overigens was dit tijdelijke onderkomen ook één van de voorbeeldprojecten van hetzelfde Jaarboek. Maar daarbij ging – kenmerkend voor die tijd – de meeste aandacht uit naar de trap van MVRDV en niet naar het duurzame gebruik van een stijlvol gebouw binnen de stedelijke bebouwing van Delft. Het tijdelijke onderkomen zou even later inderdaad het definitieve onderkomen worden van Bouwkunde in Delft.

Historisch is het verhaal dat minister Ronald Plasterk aanvankelijk geen bijdrage wilde leveren aan dit opkalefateren van een oud gebouw. Hij had, naar ik meen, 30 miljoen in het vooruitzicht gesteld voor een nieuw icoon. Het belang van het statement van vernieuwbouw werd door de minister en zijn ambtenaren aanvankelijk niet onderkend. Ik weet niet zeker of zij daarin alleen stonden. Ik betwijfel zelfs of alle bewoners van het nieuwe gebouw van Bouwkunde inmiddels voldoende beseffen wat hen is overkomen. Hun verhuizing valt immers geheel in lijn met de transformatie van het Jaarboek: van Koen van Velsen naar de restauratie van het Rijks. Van een modernistisch monument naar verderbouwen op de geschiedenis. En let wel dat niet alleen het modernistische gebouw van Van den Broek en Bakema is vervangen door een prachtig bakstenen gebouw uit de eerste helft van de 20e eeuw, maar dat de Delftse architecten zich ook met graagte hebben teruggetrokken uit de schraalheid en de guurheid van de modernistische stedebouw. Ja, hier dient de architectuur vooral de geborgenheid van de mens, in plaats van het ego van de architect. Zouden ze in het Delftse onderwijs nog altijd beginnen met het kapelletje van Le Corbusier in Ronchamps, de woning van Mies van der Rohe in Barcelona en de stoelen van Rietveld? Of zou ook het ‘onderwijzersmodernisme’ met de bijna symbolische brand van de faculteit ten onder zijn gegaan?

De #architect is geen kunstenaar

september 17, 2013 by  
Filed under De Stad

Hoe mooi kan het toeval zijn. Terwijl ik net een paar interessante studies over de Nederlandse groeikernen heb gelezen, stuit ik op een prachtige citaat van Aldo Rossi: ‘Architectuur verschilt fundamenteel van iedere kunst en wetenschap omdat ze concreet vorm geeft aan de maatschappij, en hiermee ten nauwste verweven is.’ Zie pagina 13 van zijn klassieker ‘De architectuur van de stad’.

Het was de blijdschap van de jaren 60. Rossi was zich ervan bewust dat architecten het resultaat van hun creativiteit niet zien verwelken in de depots van een museum. Hun werk zou hoe dan ook invloed hebben op de samenleving. Hoe mensen wonen, werken en leven, ligt in de handen van de architect. Het is het enige kunstwerk waarvan de mens werkelijk deel uitmaakt.

Maar de medaille heeft ook een schaduwzijde. Naarmate de architect meer zijn eigen weg kiest, heeft de burger minder te zeggen. En naarmate de architect origineler is in zijn ontwerp, des te minder ruimte is er voor de historie van de plek en de historische bouwprincipes.

Dat is precies wat er gebeurt in de groeikernen. Vanaf de tijd van Rossi zijn er hele nieuwe steden in Nederland verrezen, waar ooit een klein dorpje stond of waar ooit slechts het water kabbelde. Zoetermeer, Spijkenisse, Purmerend, Hoofddorp, Nieuwegein, Lelystad, Almere. Iedereen kent ze. En ze vechten allemaal tegen hun niet brandschone imago. Hier hebben de architecten van Rossi hun steden gebouwd. Ze deden dat volgens een recent boek van Pantus inderdaad ‘strikt authentiek’. Dat ‘strikt authentiek’ betekent overigens wel dat heftig de eigen modes zijn gevolgd. Eerst op veel plaatsen de Bijlmerflats van het functionalisme, later overal de ‘nieuwe truttigheid’ en de bloemkoolwijken. Altijd met de beste bedoelingen voor de bewoners, maar zonder de bewoners een woord te vragen. Woningnood doet de rest.

Stedebouwkundig zijn de groeikernen daarom razend interessant. Nergens zijn de bouwstijlen zo onverdund te bewonderen. Maar ook nergens is er zo’n ratjetoe aan stijlen ontstaan, omdat de stedebouwkundige modes elkaar zo snel opvolgden. En nergens is de eenvormigheid ook zo groot en lijken alle winkelcentra schijnbaar zo op elkaar. De reden is hard en simpel: de architect is niet dienstbaar geweest aan de plek, aan de historie en daarmee aan de bewoners. Alle stedebouwkundige principes van onze eeuwenoude steden lijken overboord te zijn gegooid. En in dat opzicht zijn ze wel uniek. Nergens lijkt het modernisme zo te hebben toegeslagen als in Nederland. Calvinisten als we zijn, moest de kelk van het modernisme tot op de bodem worden leeggedronken.

Rossi heeft gelijk. De architect is de enige kunstenaar die concreet vormgeeft aan de maatschappij. Je kan het ook omdraaien. De architect is de enige kunstenaar die zich dienstbaar dient op te stellen.

 

[Verschijnt als blog op de website van Bouwend Nederland]