Dag #UvA, het is tussen ons niets geworden

september 9, 2015 by  
Filed under artikel

Ik moest nablijven. Negen studenten moesten nablijven. Het was nu al duidelijk dat we onze eerste opdracht niet goed hadden gemaakt. De vraagstelling van het werkstuk deugde niet. Om de beurt werden we toegesproken. Eerst bilateraal, maar gaandeweg verbreedde het gesprek zich tot de groep. Nou ja, gesprek, ik zei al: we werden vooral toegesproken. Ik was als laatste aan de beurt. Juf was er nog, ik was er nog, en haar collega. Dat laatste werd mijn redding. En haar redding.

Het kwam erop neer dat mijn vraagstelling ‘erg vooringenomen’ was. Mijn vraag luidde: hoe komt het toch dat die babyboomers zo door die historische uitvoeringspraktijk zijn gegrepen? Ach, die vraag had ik saaier kunnen verwoorden. Zeker. Maar vooringenomen is hij niet. Het probleem zat hem waarschijnlijk in de motivatie van de vraag. Dat de claim van de authentieke muziekbeoefenaars op het absolute gelijk moet worden gerelativeerd. En dat elke generatie recht heeft op zijn eigen manier van uitvoeren. En dat het er altijd om gaat om de luisteraar die in de zaal zit te bereiken, en niet de luisteraar die driehonderd jaar geleden in de zaal zat. En ook deze motivatie voor de vraag was niet ‘vooringenomen’. Hij was netjes beredeneerd en bovendien helemaal niet origineel. Het was duidelijk dat Juf daar anders over dacht.

Inderdaad, een wetenschappelijke vraag mag niet vooringenomen zijn. En een wetenschappelijke vraag moet zonder vooringenomenheid kunnen worden beantwoord. ‘Waardevrij’. Maar dat betekent niet dat de keuze voor een bepaalde vraag waardevrij zou zijn. Het feit dat ik deze vraag interessant en relevant vind, geeft al aan hoezeer mijn normen hier een rol spelen. Het is juist in de beantwoording van de vraag dat normen zoveel mogelijk moeten worden vermeden. Althans zo leerde ik het mijn studenten.

Er ontstaat een wat moeizaam gesprek. Ik geef maar toe dat de vraag wat vrij is geformuleerd. Juf vertelt dat de historische uitvoeringspraktijk tegenwoordig veel minder dogmatisch is. Ik geloof niet dat mijn vraag daarover ging. Ik bevestig voor de goede vrede dat de dogma’s verschuiven. Ik noem het Orkest van de Achttiende Eeuw. Ook dat had ik niet moeten doen. Dat was maar één orkest. Het was ook maar als één voorbeeld bedoeld. En toen kwam er een autoriteitsargument. Juf had zelf viool gestudeerd op het conservatorium. Dus ze moest wel gelijk hebben. Dat ze intussen ergens anders werkt, telt niet mee.

Ik probeer een andere brug te slaan. Dat ik zelf ook wetenschapper ben. Dat ik jarenlang hoogleraar ben geweest en dat alles in dit vak me erg bekend voorkomt. Bijvoorbeeld: hoe werkt een universiteitsbibliotheek? En dat er wetenschappelijke tijdschriften zijn. En zo verder. De brug bereikt de overkant niet. Juf lijkt het nauwelijks te horen. Muziekwetenschap is toch echt iets anders. Of ze weet met dit nieuwe gegeven niet om te gaan. Het gesprek eindigt moeizaam. Ik praat nog wat met haar collega over historische uitvoeringspraktijk. Uiteindelijk verlaat ik de collegezaal in het ongewisse. Moet ik voor morgenochtend uiterlijk 8:59 digitaal een nieuwe vraagstelling indienen? Niemand weet het.

Teleurgesteld, verdoofd verlaat ik het pand. Dit gaat niet goed komen. Met deze souplesse haal ik deze studie nooit. Ik pieker. Ik doe mijn uiterste best om student te spelen, maar ik ben gewoon nog hoogleraar. Ik probeer als een student te luisteren, maar ik erger me groen en geel aan de tenenkrommende schoolsheid en aan het gebrek aan professionaliteit. Ik onderga het niet lijdzaam, maar vraag me juist af hoe het beter kan. Ik erger me aan de aanwezigheidsplicht, terwijl de docent achteloos meldt dat hij de volgende colleges afwezig zal zijn (congres?). Ik erger me aan het eindeloos opnoemen van namen om te controleren wie er wel en niet is, terwijl de enige afwezige zich heeft afgemeld omdat hij ‘verkouden’ is. Zou mijn knallende hoofdpijn ook voldoende reden zijn? Ik erger me aan de vriendelijke docent die een chaos maakt van de inleiding in de musicologie, ook omdat hij sommige sheets zichtbaar sinds vorig jaar nooit meer heeft gezien. Ik erger me aan het feit dat de komende weken vier gastdocenten op de agenda staan, waardoor de kans op een coherent beeld van de musicologie in deze ‘inleiding’ in ieder geval is verkeken.

Ik weet niet of ik iemand iets mag kwalijk nemen. Ja, die universiteitsbestuurders die zich wel om het vastgoed bekommeren, en om het bindend studieadvies, maar zich blijkbaar nooit afvragen of de geboden kwaliteit voldoende is. En geen poging doen om de voortwoekerende bureaucratie een halt toe te roepen. De docenten valt minder te verwijten. Ze doen ogenschijnlijk al jaren hetzelfde werk. Ze rommelen zich door het onderwijsprogramma en doen hun onderzoek. Veel studenten gaan ermee akkoord. Het grootste probleem ligt dan ook bij mezelf. De stap is gewoon te groot. Een hoogleraar in de schoolbank. Het blijkt niet te gaan. Of beter gezegd: het lukt mij niet. Alle bureaucratie in het voortraject kon ik nog verdragen, zolang ik me in een sarcastische blog kon uitleven. Maar dit komt te dichtbij. Dag #UvA, het is tussen ons niets geworden.

 

Zie hier voor het complete Dagboek van een weerstudent.