De #NOVI als vrijwilligerswerk

januari 24, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Het kan dus toch. Een nationale visie schrijven voor de ruimtelijke ordening. Lees Klein land, grote keuzes van de onafhankelijke denktank Denkwerk. En je denkt: hoe eenvoudig kan het zijn. 

Ik kende Denkwerk nog niet. Ik kende slechts enkele leden. Maar ik zal ze na vandaag niet meer vergeten. Denkwerk wilde een soort NOVI (Nationale Omgevingsvisie) schrijven en vroeg zich af wat daarvoor nodig is. Hun recept is eenvoudig:

  1. Beschrijf de huidige situatie. 
  2. Beschrijf welke trends om ruimtelijke antwoorden vragen.
  3. Weeg de ruimtelijke wensen tegen elkaar af. 

Zeg maar: een frisse combinatie van gedegen kennis en goede politieke keuzen. 

De huidige situatie beschrijven ze maar summier. Ze laten zien hoe de ruimte over de verschillende functies is verdeeld. En ze wekken vooral de indruk de situatie te kennen. Zo laten ze zich negatief uit over verrommeling en verdozing van het landschap en over de versnippering van het Groene Hart. En beseffen heel goed dat Nederland ook krimpregio’s kent.  Belangrijk is dat ze Nederland eerder als een dunbevolkte stad zien dan als een dichtbevolkt land. Dat is vruchtbaar. 

Dan de trends. 

Ten eerste moeten in de komende decennia 1,6 miljoen nieuwe woningen worden gebouwd. Denkwerk verzet zich tegen het ‘paradigma’ van de stedelijke verdichting. Om de simpele reden dat al die woningen waaraan behoefte is niet binnen de stedelijke grenzen kunnen worden gebouwd. Er is immers vooral behoefte aan eengezinswoningen en aan goedkope woningen. En de markt bouwt in de stad vooral te dure appartementen. Denkwerk becijfert dat 35% van de woningbehoefte binnen de steden kan worden geaccommodeerd. Daarom hebben we buiten de steden 300 vierkante kilometer nodig voor de bouw van een miljoen nieuwe woningen. En daarvoor zal de landbouw moeten wijken, vanuit de heldere keuze dat de landbouw niet tweederde van alle ruimte hoeft te behouden. Bovendien worden 300 vierkante kilometer nieuwbouw nog eens gecompenseerd met 300 vierkante kilometer nieuwe natuur. Bouwen in het Groene Hart hoeft niet te worden geschuwd, omdat het gebied al erg versnipperd is en omdat de woningbehoefte in de Randstad het grootste is. En de eigenaren van de grond moeten meebetalen aan de ontwikkeling van het gebied, ook aan de nieuwe natuur. 

Ten tweede vergt de energietransitie heel veel ruimte. Ook als we grote delen van de Noordzee beplanten met windmolenparken en alle daken van bestaande gebouwen benutten voor zonnepanelen, is er nog een kwart van Nederland nodig om voldoende duurzame energie op te wekken. Ook hier volgt een heldere keuze: 25% van Nederland opofferen aan zonnepanelen en windmolens is te veel van het goede. Daarmee wordt de identiteit van Nederland te zeer aangetast. Bovendien wordt overtuigend beargumenteerd dat er onvoldoende draagvlak is voor zo’n drastisch besluit dat bovendien 40% van de landbouwgrond zou vergen. Dat gaat Denkwerk te ver. De conclusie: we hebben kernenergie nodig (met 6 kerncentrales kan de helft van de energie-opwekking op land worden doorgestreept), energie-import (doen we nu ook al) en CCS (afvang van CO2). 

Ten derde zal de behoefte aan mobiliteit toenemen. Nieuwe infrastructuur is volgens Denkwerk geen oplossing. Dus hier geen nieuwe ruimteclaims. (Wat asfalt betreft volg ik die conclusie, maar een extra metrolijn kan wat mij betreft geen kwaad.) De mobiliteit kan vooral veel slimmer, waardoor de capaciteit van de infrastructuur enorm kan worden uitgebreid. Onder andere wordt voorgesteld om banen op snelwegen vrij te maken voor een netwerk van snelbussen. 

En dan hebben we het nog niet over de scherpe conclusie dat nationaal beleid voor alle oplossingen onmisbaar is. Je hebt een nationale overheid nodig die individuele gemeenten overruled die de noodzakelijk nieuwbouw aan de buurgemeente wil overlaten. Je hebt een nationale overheid nodig die richting geeft aan de energietransitie en die ervoor zorgt dat er geen energieparken worden aangelegd waar de woningnood het hoogste is. Je hebt een nationale overheid nodig die nadrukkelijk kiest voor een slimmere mobiliteit. En natuurlijk blijft er nog genoeg te doen op lokaal niveau. Zoals Denkwerk zegt: de centrale overheid gaat over het wat, de lokale overheden over het hoe. Het lijkt me een uitstekend adagium. 

Natuurlijk, het plan is niet helemaal compleet. Ik mis de klimaatadaptatie (waar gaan we wonen als de zeespiegel omhoog gaat). Ik mis de vliegtuigen (uitbreiding luchthavens is niet nodig), ik mis de recreatie (niet in natuurgebieden), ik mis de bedrijventerreinen (stop de woeker). Maar dat doet niets af aan de zuivere, goede onderbouwde redeneringen die hier worden opgezet. En ja, politieke keuzes kunnen altijd worden bestreden. Maar hier worden in ieder geval keuzen gemaakt. 

In dat opzicht ontkom je niet aan een vergelijking met de NOVI, die na jaren van poetsen en plakken inmiddels de fase van ‘concept’ heeft bereikt. Vergeleken bij deze heldere visie is de NOVI een warm bad van zachte modder, waarin niet één keuze wordt gemaakt en waarin vergeten wordt cijfers aan te dragen waarop eventuele keuzen kunnen worden gebaseerd. Ik weet het, dat is een scherp oordeel.  Maar het contrast tussen het vrijwilligerswerk van deze acht leuke lieden en de tekst van die honderden deskundige ambtenaren is gewoon te groot. Hopelijk draagt dit heerlijke rapportje ertoe bij dat het departement uit zijn verlamming wordt bevrijd. 

Deel dit bericht:

De paradox van de nationale ruimtelijke ordening (#NOVI)

december 31, 2019 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Ik heb het even nagezocht: het ministerie van Binnenlandse Zaken kent een directoraat-generaal Bestuur, ruimte en wonen en dit DG kent een directie Ruimtelijke ordening. En deze directie heeft een waarnemend directeur. Maar dat laatste terzijde. Eigenlijk is hier sprake van een paradox, van een pijnlijke paradox. Omdat de visie van het kabinet op ‘ruimtelijke ordening’ een werkelijke ordening van de ruimte in de weg staat. 

Bij ruimtelijke ordening gaat het in essentie om het verdelen van ruimte over de verschillende maatschappelijke behoeften. Daar kan je lang over praten, maar de essentie is dat daarbij behoeften (belangen) tegen elkaar worden afgewogen omdat de ruimte (net als geld) eindig is. Er zijn altijd meer wensen dan er vervuld kunnen worden. We kunnen dit belangenconflict op twee manieren oplossen: of een democratisch gelegitimeerde overheid beslist of het recht van de sterkste geldt. Er zijn goede redenen om voor het eerste te kiezen (hoewel de uitkomst vaak een wonderlijk mengsel is van beide). De belangrijkste: ruimte is een collectief goed. Ruimtelijke ordening is geen conflictbeslechting tussen twee partijen, maar raakt ons allen, omdat de ruimte van ons allemaal is.

Vanuit welke discipline ik ook redeneer, ik ontkom er niet aan om de ordening van de ruimte in handen van de overheid te leggen. Dat vergt niet alleen dat de overheid keuzes maakt, maar ook de macht heeft om die keuzes te effectueren. Zo was de Wet op de Ruimtelijke Ordening uit 1965 ook bedoeld. In bestemmingsplannen werden de keuzen van de lokale overheid juridisch bindend vastgelegd. En gemeenten waren gebonden aan hogere plannen. Zo kregen de nationale Nota’s over de Ruimtelijke Ordening (nationale visies op de gewenste ruimtelijke ordening) grote betekenis voor de inrichting van het land. In de jaren 70 werd  de suburbanisatie gebundeld door groeikernen te ontwikkelen, in de jaren 90 werden stedelijke uitbreidingen (Vinex) in de directe nabijheid van stedelijke centra gerealiseerd. Inderdaad, ruimtelijke ordening vergt: 1 afwegen en keuzes maken, 2 doorzettingsmacht en 3 visie. Als één ontbreekt gaat het al mis. En als 1 en 2 ontbreken, hoef je eigenlijk niet meer aan 3 te beginnen. 

Ik zie in de recente geschiedenis drie momenten waarop het model van de ruimtelijke ordening fundamenteel is ondermijnd. Oorspronkelijk noemden we ruimtelijk beleid met reden ‘facet-beleid’. Facetbeleid oversteeg sectoraal beleid. De sectoren vertegenwoordigden de verschillende maatschappelijk belangen: landbouw, wonen, industrie, natuur, erfgoed, vervoer, etc.). Onderling vochten zij om ‘geld’ en ‘ruimte’. De minister van Financiën beslechtte het conflict over geld en de minister van Ruimtelijke ordening het conflict over de ruimte. De eerst vanuit een bepaalde visie op de overheidsfinanciën en op de economische ontwikkeling van het land, de tweede vanuit een bredere ruimtelijke visie, waarin het belang van economische groei en het belang van sociale rechtvaardigheid altijd een dominante rol speelden. Gaandeweg is dat idee van een overkoepelende ruimtelijke visie verlaten. De sectoren begonnen onderling de ruimte te verdelen, waarbij het recht van de sterkste opgeld deed. En de Ruimtelijke Ordening werd steeds meer een eigen sector die zich bekommerde om ‘ruimtelijke kwaliteit’. De uitkomst van de machtsstrijd tussen de sectoren moest er wel een beetje leuk uit zien. Het was de tijd waarin minister Cramer zich zorgen maakte over ‘Mooi Nederland’ en ‘snelweg-panorama’s. 

Met name minister Sybilla Dekker is verantwoordelijk geweest voor de tweede ondermijning van de ruimtelijke ordening. De Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening werd vervangen door de Nota Ruimte. Een heel dik boekwerk, maar eigenlijk was het in twee zinnen samen te vatten. Centraal wat centraal moet, lokaal wat lokaal kan. En: centraal hoeft er eigenlijk niks. Want ondanks die mooi eerste zin, werd de nationale ruimtelijke ordening nooit verder ingevuld. Volgende regeerakkoorden vermeldden dan ook doodleuk dat er geen ‘nationale ruimtelijke ordening’ meer was. Het argument was simpel: de ruimte kan veel beter door de gemeenten worden ingericht. Het is immers hun ‘leefomgeving’. Maar in feite ging het om een veel politieker statement: bij de ruimtelijke ontwikkeling moest het recht van de sterkste gelden. Dat paste veel beter bij de neoliberale tijdgeest, paste veel beter bij een VVD-minister en paste veel beter bij de afkeer bij velen van het maakbaarheidsdenken van ‘links’ waarvan de ruimtelijke ordening lange tijd het icoon is geweest. 

In het laatste decennium is het denken in termen van decentralisatie nog verder doorgeschoten. Zoals de samenvatting van de Nationale Omgevingsvisie vermeldt: “Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers.” Bij het verdelen van de ruimte, gaat het niet meer om het beslechten van belangenconflicten, maar om ‘samenwerking’. Maar het helpt niet om over ‘goede’ samenwerking te schrijven als het om echte belangenconflicten gaat en de noodzaak van fundamentele keuzen blijft bestaan. Daarmee werd de ruimtelijke ordening voor de derde maal ondermijnd.

Of deze ontwikkelingen onvermijdelijk zijn, laat ik hier onweersproken. Hoe het verder moet, is hier ook niet aan de orde. Voor dit moment trek ik slechts de conclusie dat je drie ingrediënten nodig hebt als je de ruimte wilt ordenen: afwegingen en keuzen, macht om die keuzen te effectueren en visie om tot een juiste afweging te komen. En ik constateer dat de eerste twee momenteel ontbreken. Dan heeft het werken aan een visie weinig zin. Ook als je bewust het woord ruimtelijke ordening vermijd. Want dat laatst is slechts een schijnoplossing. 

Deel dit bericht: